Drie-en-twintigste hoofdstuk.
Ongunstige berichten van huis dwingen Jack overijld naar Engeland terug te keeren.
Den volgenden morgen, bij het ontbijt, werden de brieven uit Engeland binnengebracht en onder het schiften zei de gouverneur:
“Meneer Rustig, hier zijn er twee voor u; ik vrees, dat ze geen aangename tijding zullen bevatten, want ze zijn met zwart lak verzegeld.”
Jack nam met een beleefde buiging de beide brieven in ontvangst en begaf zich naar zijn kamer. De eerste, dien hij opende, was van zijn vader en luidde als volgt:
“Mijn beste Jack!
Het zal u zeker leed doen te vernemen dat uw arme moeder, na bijna twee jaren lang in het hoekje van den haard op het duizendjarig rijk gewacht te hebben, uit dit leven verscheiden is. Zij was een goede vrouw, en altijd heb ik haar heur eigen zin maar laten volgen. Haar hoofd heb ik nauwkeurig onderzocht en de uitkomst van dat onderzoek heeft de betrouwbaarheid van mijn ontdekking op phrenologisch gebied opnieuw glansrijk gestaafd. Het arme schepsel is heengegaan en een betere vrouw en moeder heeft er nooit bestaan. Mijn beste jongen, ik moet er nu bij u op aandringen, dat ge uw ontslag uit den zeedienst neemt en zoo spoedig mogelijk huiswaarts Bladzijde 195keert. Zonder u kan ik niet leven, en ik heb bovendien uw hulp noodig bij het grootsche werk, dat ik ga ondernemen. De tijden zijn aanstaande, dat de zaak der gelijkheid zal triomfeeren; de vertrapte slaven steken de hoofden reeds op; met mijn gloeiende toespraken heb ik hen opgewekt en aangevuurd, maar ik begin oud te worden. U, mijn zoon, vraag ik mijn profetenmantel op te nemen en dan zal ik glorievol deze aarde verlaten.
Uw toegenegen vader,
NICODEMUS RUSTIG.”
“Hieruit moet ik begrijpen,” dacht Jack, “dat mijn moeder gestorven en mijn vader gek geworden is.” Geruimen tijd bleef onze held in droef gepeins verzonken; hij wijdde menigen traan aan de nagedachtenis zijner moeder, die hij wel nooit geëerbiedigd, maar toch liefgehad had. Er verliep wel een half uur, eer hij den tweeden brief opende. Deze was van dokter Middleton.
“Mijn waarde vriend!
Ofschoon ik nooit briefwisseling met u heb gehouden, meen ik toch in uw kinderjaren genoeg met u in aanraking te zijn geweest, om in de gegeven omstandigheden eenige regels tot u te mogen richten. Dat gij tegenwoordig wel genezen zult zijn van uw vaders dwaze en onzinnige wijsbegeerte, lijdt bij mij geen twijfel. Ik was ’t, die indertijd, juist met die bedoeling, uw van-huis-zenden heb aangeraden, en ik ben er zeker van, dat gij als jongmensch met gezond verstand en erfgenaam van een groot vermogen, reeds lang het valsche van uw vaders stellingen hebt ingezien. Uw vader deelt me mede, dat hij u dringend verzocht heeft naar huis te komen, en als soms mijn oordeel eenig gewicht in de schaal kan leggen, vergun mij dan u de inwilliging van dat verzoek ten sterkste aan te raden. Als gij niet spoedig terugkeert, zult gij nog tot een bedelaar gemaakt worden, want ’t is niet te zeggen wat al schulden uw vader zich in zijn krankzinnigheid op den hals kan halen. Zijn voordurend opruien der ontevreden boeren, is hem al duur te staan gekomen. Hij heeft al zijn boschwachters ontslagen, en laat de stroopers maar vrij op zijn landgoed toe. Kortom, hij heeft zijn verstand verloren, en al zou ik niet gaarne dwangmaatregelen aanraden, toch beschouw ik ’t als hoogst noodzakelijk, Bladzijde 196dat gij onverwijld huiswaarts keert, om hier orde op de zaken te stellen.
In de hoop u spoedig de hand te kunnen drukken, blijf ik
Uw welmeenende vriend,
G. MIDDLETON.”
Die twee brieven gaven veel stof tot ernstige overweging, en nog nooit had Jack de dwalingen van zijn vader zoo goed ingezien. Wel was hij langzamerhand grootendeels teruggekomen van diens denkbeelden, maar toch bleef hij er in zekere mate nog aan gehecht, als aan een oude gewoonte; nu echter gingen de oogen hem opeens open. Langen tijd zat hij als versuft, en toen hij eindelijk op zijn horloge keek, bemerkte hij dat het bijna etenstijd was. Hij kleedde zich dus haastig voor het diner, en ging naar beneden. Aan tafel sprak hij weinig, en verwijderde zich zoodra het maal was afgeloopen, terwijl hij de twee brieven in handen van den gouverneur achterliet, met verzoek hem morgen van raad te willen dienen. Gascoigne volgde hem en aan dezen vertrouwde hij zijn smart toe. Ned troostte zijn vriend zooveel in zijn vermogen was en nadat zij den avond zamen hadden doorgebracht met allerlei overleggingen, begaven beiden zich te bed en waren weldra in vasten slaap.
“Één ding is zeker, mijn beste jongen,” merkte de goeverneur den volgenden morgen op, toen hij aan het ontbijt onzen held de brieven teruggaf, “namelijk, dat uw vader stapelgek is. Met dokter Middleton, die een verstandig man schijnt, ben ik ’t volkomen eens, dat gij zoo spoedig mogelijk naar huis dient te gaan.”
“En den zeedienst voorgoed verlaten, meneer?” vroeg Jack.
“Nu, eerlijk gezegd, geloof ik niet, dat gij er bijzonder voor geschikt zijt. Mij zal ’t spijten als ik je kwijt raak, omdat je zoo machtig aardig weet te vertellen, maar als ik kapitein Wilson goed begrepen heb, dan ben je alleen op zee gedaan, omdat hij in den dienst een geschikt middel meende te zien, om allerlei dwaze begrippen bij je uit te roeien. De bedoeling, dat gij bij het vak zoudt blijven, schijnt nooit bestaan te hebben.”
“Ik vermoed ook dat ’t zoo is toegegaan,” antwoordde Jack; “wat mijzelf ten minste betreft, ik zou moeilijk kunnen zeggen, waarom ik eigenlijk in dienst trad.”
“Nu, dat doet er ook niet toe; de zaak is thans maar er zoo spoedig mogelijk af te raken. Jammer maar dat kapitein Wilson nu juist voor een paar dagen afwezig is, maar ik zal bij hem wel alles voor je in orde brengen. Ik stel me voor je aansprakelijk, en gij Bladzijde 197gaat met de pakketboot, die morgenochtend uitzeilt, naar Engeland, en neemt voor alle zekerheid Mesty mee.”
“Hartelijk dank, Sir Thomas, ik ben u ten zeerste verplicht,” antwoordde Jack.
Vier-en-twintigste hoofdstuk.
Meneer Rustig’s wonderbaarlijke uitvinding door hemzelven verklaard, tot groote voldoening van onzen held, en naar wij hopen ook tot bevrediging van den lezer.
Eindelijk wierp de pakketboot bij Falmouth het anker uit. Jack gevolgd door Mesty, was spoedig met zijn bagage aan wal. De postwagen bracht hem weldra in Londen en na daar een paar dagen vertoefd te hebben om zich weer behoorlijk in de kleeren te laten steken, bestelde hij een rijtuig, dat hem naar Boschlust moest brengen. Hij had zijn vader niets van zijn aanstaande overkomst gemeld en het was laat in den voormiddag, toen de sjees voor de ouderlijke woning stilhield.
Jack stapte uit en trok aan de schel. De knechts, die open deden, kenden hem niet; het waren niet dezelfden als toen hij van huis was gegaan.
“Is meneer Rustig thuis?” vroeg Jack.
“Wie ben jij?” was de lompe wedervraag van een der knechts.
“Je zult, voor den donder, gauw genoeg ondervinden wie hij is,” bromde Mesty.
“Blijf hier even staan, dan zal ik zien of hij thuis is.”
“Staan blijven? Hier in de gang blijven staan als een schooier? Wat denk jij wel uilskuiken?” riep Jack uit en trachtte den kerel op zij te duwen.
“Ho wat, dat gaat maar zoo niet, heerschap; ’t is hier Gelijkheidshof; de een is hier even goed als de ander.”
“Toch niet in alle opzichten,” antwoordde Jack en sloeg den kerel tegen den grond. “Daar heb je wat voor je onbeschaamdheid; pak je rommel bijeen en morgenochtend de deur uit.”
Tezelfdertijd had Mesty nummer twee bij de keel gegrepen.
“Wat moet ik den vent doen, Massa Rustig?” Bladzijde 198
“Laat hem nu maar los, Mesty; we zullen morgenochtend wel met hen afrekenen. Mijn vader zal denkelijk wel in de bibliotheekkamer te vinden zijn.”
“Zijn vader!” zei een der kerels tot den ander: “hij schijnt niet precies van ’t zelfde hout als de oude paai.”
“’t Zal hier een heele verandering geven, verwacht ik,” antwoordde de ander, terwijl zij zich zamen verwijderden.
“Mesty,” riep Jack op bevelenden toon, “roep die twee lummels eens terug en laat ze de bagage uit de sjees dragen; betaal den koetsier en verzoek de huishoudster je mijn kamer te wijzen. Zoodra je daarmee klaar bent, kom je weer bij me.”
“Best, meneer,” antwoordde Mesty. “Kom nu eens hier schavuiten, en haal me die dingen uit den wagen, of anders zal ik jullie beiden eens terdege wakker schudden.”
Het blikkeren van Mesty’s tanden, zijn woeste blik en zijn kordaat optreden hadden de gewenschte uitwerking. De twee knechts kwamen gemelijk terug en ontpakten den wagen. Intusschen begaf Jack zich naar zijn vaders studeerkamer; hij vond er hem, maar keek heel verbaasd over den toestand van het vertrek, dat door zilveren lampen verlicht werd. Meneer Rustig was zoo druk bezig met een pleisterafgietsel van een menschenhoofd van alle kanten te bekijken, dat hij het binnentreden van zijn zoon niet bespeurde. Het afgietsel van den schedel was in tal van vakjes verdeeld, op ieder van welke iets geschreven stond; maar wat onzen held het meest verstomd deed staan, was de verandering die er in de kamer had plaats gehad. Boekenkasten en boeken waren verwijderd en midden in zag men van de zoldering een toestel afhangen, dat ieders scherpzinnigheid op een zware proef zou gesteld hebben. Het bestond uit een reeks van staafjes in allerlei richtingen, met schroeven aan de uiteinden en een even groot aantal buisjes, elk afzonderlijk in verband met een groote luchtpomp, die op tafel stond. Jack keek eens goed overal rond, trad vervolgens op zijn vader toe en sprak hem aan.
“Hoe!” riep meneer Rustig uit, “is het mogelijk?—ja waarlijk, ’t is mijn zoon Jack! Wat ben ik blij, nu ik je weer zie, Jack—wezenlijk heel blij,” vervolgde de oude man en greep beide zijn handen—“heel blij dat je thuis gekomen bent. Ik verlangde zoo naar je; ik heb je hulp noodig bij de uitvoering van mijn grootsch en roemrijk plan, dat nu, den hemel zij dank, met spoed zijn voltooiing nadert. Weldra zullen de gelijkheid en de rechten van den mensch overal afgekondigd worden. De drang van buitenaf is ontzaglijk, en de bolwerken onzer belachelijke maatschappelijk en staatkundige inrichting zullen vallen. Spoedig zal de gouden eeuw Bladzijde 199aanbreken, het ware duizendjarig rijk—en niet dat, waarover je moeder het altijd had. Ik sta aan het hoofd van negen-en-twintig vereenigingen, en als mijn gezondheid mij bijblijft, zul je zien wat ik tot stand breng, nu ik ook op jouw hulp rekenen kan, Jack.” En meneer Rustig’s oogen begonnen te glinsteren, als die van een overspannen krankzinnige.
Jack zuchtte en om het gesprek een andere wending te geven merkte hij op:
“Wat heeft hier een groote verandering plaats gehad, vader! Waar dient dat alles voor? Is dat soms een werktuig om er de gelijkheid en de rechten van den mensch mee af te meten?”
“Mijn waarde zoon,” hernam meneer Rustig, terwijl hij op zijn gemak ging zitten en de beenen over elkaar sloeg—“ja, zie je, mijn waarde zoon, dat is ’t eigenlijk niet precies, maar toch verraadt uw gissing eenig helder inzicht, want als mijn uitvinding bijval vindt (en daar twijfel ik geen oogenblik aan), zal ik de groote kunst ontdekt hebben om alle onvolkomenheden van de natuur te verhelpen en aan het gansche menschengeslacht een gelijkheid van organisatie te bezorgen, door het aanbrengen der edeler organen van menschelijkheid en het vernietigen der lagere. ’t Is een prachtige uitvinding, Jack, allerprachtigst. Ze spreken wel van Gall en Spurzheim, en dergelijken, maar wat hebben die gedaan? Niets anders dan de hersenmassa afgedeeld, de organen tot klassen gebracht en aangewezen waar ze hun zetel hebben; maar wat heeft dat alles geholpen? De moordenaar van nature is een moordenaar gebleven, de goedhartige goedhartig; van verandering van inborst was geen sprake, en het middel daartoe heb ik nu juist gevonden.”
“Maar, vader, het orgaan der goedhartigheid zult ge toch stellig niet willen wijzigen?”
“Zeker wel, Jack. Ikzelf, bijvoorbeeld, lijd aan te sterke ontwikkeling van dat orgaan; heb ik ’t maar eerst wat beperkt, dan zal ik in staat zijn tot groote dingen, dan zal ik me niet meer laten afschrikken door moeilijkheden, zal alle bezwaren weten te overwinnen en enkel het oog gericht houden op het groote vraagstuk der algemeene gelijkheid en der hoogste rechten van den mensch. De laatste drie maanden stop ik mijn hoofd elken morgen twee uren lang in de machine, en ik kan goed merken dat ’t dagelijks al beter met me wordt.”
“Zou u me die buitengewone uitvinding niet eens wilien uitleggen, vader?” zei onze held.
“Welzeker, mijn jongen, met alle genoegen. Zooals je ziet is er midden-in een vorm, die een manshoofd kan bevatten—natuurlijk Bladzijde 200een beetje ruim—en daar onderaan een soort van ijzeren halsband, waarop het hoofd rust. Is nu het hoofd behoorlijk daarin bevestigd, en moet de afmeting van een of ander orgaan beperkt worden, dan neem ik het knopje, dat correspondeert met de plek waar dat orgaan in het cranium zetelt, en bevestig het er op. Want je zult wel opmerken, dat al de knopjes aan de binnenzijde van den vorm correspondeeren met de organen, zooals die beschreven staan in dit pleisterafgietsel op tafel. Ik schroef dan de knop flink aan, en verhoog de drukking dagelijks, totdat het orgaan geheel en al verdwijnt of teruggebracht is tot den vereischten omvang.”
“Dat begrijp ik volkomen, vader,” antwoordde Jack; “maar verklaar me nu ook eens, hoe gij het aanlegt om een orgaan, dat niet aanwezig is, te doen ontstaan.”
“Dat is nu juist de grootste volmaaktheid van de heele uitvinding,” antwoordde meneer Rustig, “want zonder dat zou ze weinig waard zijn. Ik ben stellig overtuigd, dat mijn ontdekking mij vereeuwigen zal. Let maar eens op al deze kleine glazen klokjes, die in verbinding staan met de luchtpomp. Ik scheer mijn patiënt het hoofd kaal, smeer dat een weinig met vet in, en plaats er het glazen klokje op, dat precies den vorm heeft, die het orgaan in lengte en breedte krijgen moet. Ik laat de luchtpomp werken en ontwikkel het orgaan door zuiging. Missen kan ’t niet. Daar heb je, bijvoorbeeld, mijn bottelier, een man die verleden voorjaar een moord begaan heeft en ternauwernood aan de galg ontsnapt is. Hem heb ik met opzet gekozen; het orgaan voor moord heb ik geheel en al weggedrukt en dat voor goedhartigheid zoo sterk ontwikkeld, dat ’t haast zoo groot is als een duivenei.”
“Nu, vader, als het opgang maakt, zal ’t een winstgevende uitvinding zijn.”
Meneer Rustig was druk bezig met een pleister afgietsel van een menschenhoofd van alle kanten te bekijken.
“Opgang maken!—wel, dat kan immers niet missen. Het heeft me bijna twee duizend pond gekost. In ’t voorbijgaan gezegd, Jack, je hebt ’t wat erg rijkelijk aangelegd, en bij mijn eigen uitgaven heeft ’t me wel eens moeite gekost je wissels te betalen. Niet dat ik er aanmerking op wil maken—maar met al die genootschappen, mijn machine, de weigering van mijn pachters om de huurpenningen te betalen, op grond dat de hofsteden even goed van hen als van mij zijn—wat ik niet tegen kan spreken—ben ik soms in geldverlegenheid geraakt.”
“De gouverneur heeft wel gelijk gehad,” dacht Jack, en vroeg, om het gesprek op iets anders te brengen, naar dokter Middleton.
“Die arme kerel! Hij is nog in leven—ik geloof zelfs, dat hij zich heel wel gevoelt. Dat is nu iemand, die altijd zijn neus in een Bladzijde 201ander mans zaken wil steken, en zich onder anderen ook over mijn bedienden beklaagt—maar ik laat den onnoozelen hals stilletjes praten. Zoo deed ik met je moeder ook, dat arme schaap.”
“Met uw verlof, vader, ik heb me ook te beklagen over de onbeschaamdheid van uw bedienden; maar als u ’t goed vindt, zullen we daar later overspreken, want op het oogenblik heb ik behoefte aan wat eten.”
“Welzeker, Jack, als je zoo’n honger hebt—ik ga met je mee. Te klagen over mijn bedienden, zeg je?—Dat moet stellig een vergissing zijn—iederen morgen krijg ik ze onder mijn machine; maar ik moet ook nog een kleine verbetering aanbrengen. Je begrijpt, Jack, dat er iets indrukwekkends aan verbonden dient te zijn: het geheele toestel moet een voet of wat hooger komen, bij wijze van een troon, want het is de troon der rede, de overwinning van den geest over de natuur.”
“Alles goed en wel, vader; maar ik heb een verbazenden honger.”
Jack en zijn vader gingen naar de huiskamer en er werd gescheld; er kwam evenwel niemand, en Jack stond op om nogmaals te schellen.
“Mijn beste jongen,” merkte meneer Rustig op, “wees toch niet zoo haastig: iedereen zorgt natuurlijk eerst voor hetgeen hij zelf noodig heeft, en daarna voor een ander. Mijn bedienden nu....”
“Zijn een troep onbeschaamde vlegels, en onbeschaamdheid heb ik nooit kunnen verdragen. Toen ik hier in huis kwam, heb ik er al één een peuter gegeven, en als gij ’t goedvindt, zal ik er morgen minstens twee wegzenden.”
“Mijn waarde zoon,” riep meneer Rustig uit, “gij een van mijn bedienden slaan!—maar beseft ge dan niet, dat volgens de wetten der gelijkheid....”
“Wat ik besef is dit, vader,” antwoordde Jack, “dat, volgens alle maatschappelijke wetten, wij het recht hebben beleefdheid en gehoorzaamheid te verwachten van degenen, die door ons betaald en gevoed worden.”
“Betaald en gevoed! Maar, mijn waarde zoon,—mijn beste Jack.—bedenk toch....”
“Ik bedenk alles heel goed, vader; maar als uw bedienden niet heel gauw tot bezinning komen, moeten zij of ik de deur uit.”
“Maar, mijn beste jongen, ben je dan de beginselen, die ik je ingeprent heb, heelemaal vergeten? Was je naar-zee-gaan niet juist een zoeken naar de gelijkheid, die hier aan den wal door dwingelandij en overheersching te niet gedaan wordt? Erken en steun je mijn wijsbegeerte niet langer?” Bladzijde 202
“We zullen daar morgen eens uitvoerig over praten, vader,—voor het oogenblik verlang ik naar wat eten,” en Jack gaf driftig een ruk aan de schel.
Op die laatste aanmaning verscheen de bottelier, gevolgd door Mesty, die er van kwaadheid als een duivel uitzag.
“Lieve hemel, wat is er dat voor een?”
“Mijn bediende, vader,” riep Jack opspringend; “iemand op wien ik vertrouwen kan en die mij gehoorzaamt. Mesty, laat me onmiddellijk wat eten en wat wijn brengen—zorg dat die schobbejak het in een wip klaar heeft. Maakt hij niet voort, gooi hem dan de deur uit en sluit hem er buiten. Begrepen?”
“Jawel, Massa,” grijnsde Mesty; “u zult gauw genoeg een maal voor u hebben, of anders.... Volg me,” snauwde hij den bottelier toe; “vlug wat, of ik zal je laten merken met wie je te doen hebt.”
“Breng onmiddellijk avondeten en wijn,” zei meneer Rustig op een bevelenden toon, dien zijn bottelier nog nooit van hem gehoord had.
De bottelier verliet de kamer, gevolgd door den neger.
“Mijn beste jongen,—mijn Jack—aan den honger kan ik veel vergeven, maar waarlijk je bent veel te heftig. De beginselen....”
“Och wat, met uw beginselen, ’t is onzin anders niet, vader!” riep Jack driftig uit.
“Hoe, Jack!—mijn zoon—wat moet ik hooren? En nog wel van jou—onzin! Maar, Jack, wat heeft kapitein Wilson toch wel met je uitgevoerd?”
“Mij weer bij mijn verstand gebracht.”
“O hemeltje! mijn dierbare Jack, je zult me het mijne nog doen verliezen.”
“Dat is al niet meer noodig,” dacht Jack.
“Dat gij, mijn zoon, zoo zorgvuldig opgevoed in de groote, roemvolle school der wijsbegeerte, zoo moest afdwalen—zoo gewelddadig worden—dat gij uw verheven wijsbegeerte, en alles moest vergeten—evenals Ezau, die zijn eerstgeboorterecht voor een maal linzen verkocht! O, Jack, gij doet mij den dood aan! En toch heb ik u lief, Jack,—want wien heb ik anders op de wereld? Doch geduld maar, wij zullen er over redeneeren, mijn jongen—ik zal je overtuigen—binnen een week zal alles weer in orde zijn.”
“Dat zal ’t, als ik er iets aan doen kan,” antwoordde Jack.
“Zoo mag ik ’t hooren,—dat geeft troost, veel troost—maar ik begin nu te gelooven, dat ik verkeerd gedaan heb met je op zee te laten gaan, Jack.”
“Volstrekt niet, vader.” Bladzijde 203
“Nu, het doet me genoegen, dat je zoo spreekt; ik dacht anders, dat ze je te gronde hadden gericht, dat ze al je wijsbegeerte hadden te niet gedaan—maar het zal wel weer te recht komen—je zult onze vergaderingen bijwonen, Jack,—ik ben er president van—je zult me hooren spreken, Jack,—je zult me hooren donderen als Demosthenes—maar daar komt het eten.”
De bottelier, gevolgd door Mesty, die hem als een gevangene bewaakte, verscheen nu met spijzen, zette die gemelijk neer en ging heen. Jack beval Mesty te blijven.
“Wel, Mesty, hoe is het in de bodenkamer gesteld?”
“’t Is er kompleet oproer, meneer,—ze hebben gezworen, dat ze zich niet door ons zullen laten ringelooren, en dat wij beiden morgen de deur uit moeten.”
“Mijn huis verlaten, Jack, en dat na vier jaren afwezigheid!—neen, neen! Ik zal eens met hen gaan praten, hen tot rede brengen. Je weet niet hoe welbespraakt ik ben, Jack.”
“Hoor eens, vader, dat mag ik niet toestaan, een van beiden: geef me onbeperkte volmacht om de huishouding hier op orde te brengen, of ik ga morgen hier vandaan.”
“Heengaan, Jack! neen, neen—geef hun de hand en wordt weer goede maatjes met hen, wees beleefd en zij zullen u dienen—maar je weet, volgens de beginselen....”
“Beginselen van den duivel!” schreeuwde Jack woedend.
“Van den duivel, Jack? Och, was je maar nooit op zee gegaan!”
“Kort en goed, vader, stemt ge toe, of moet ik het huis verlaten?”
“Het huis verlaten! O neen; niet heengaan, Jack. Je bent mijn eenige zoon. Doe dan maar liever al wat je goedvindt—maar zend toch dien moordenaar niet weg, want ik moet hem volkomen genezen, en in hem de deugdelijkheid van mijn bewonderenswaardige uitvinding bewijzen.”
“Mesty, breng mijn pistolen in gereedheid voor morgenochtend, en de jouwe ook—begrepen?”
“Jawel, Massa,” antwoordde Mesty. “Die maatregel is hoog noodig.”
“Noodig!—pistolen, Jack? Wat beteekent dat toch?”
“’t Is mogelijk, vader, dat gij uw moordenaar nog niet geheel genezen hebt, en daarom is het goed op zijn hoede te zijn. Voor het oogenblik wensch ik u goedennacht; maar doe me, eer ik ga, het genoegen, een der bedienden hier te roepen om hem op te dragen aan de anderen mee te deelen, dat de huishouding voortaan onder mijn toezicht komt.”
Er werd opnieuw gescheld, en ditmaal werd er spoediger gehoor Bladzijde 204aangegeven. Jack zei nu den bediende, dat hij, met toestemming van zijn vader, voortaan het geheele beheer op zich zou nemen, en dat het dienstpersoneel de orders van Mesty had op te volgen. De man staarde hem een tijd lang verwezen aan, sloeg daarna een vragenden blik op meneer Rustig, die aarzelde, maar ten laatste zei:
“Ja, Willem; je zult me wel bij allen verontschuldigen en zeggen, dat ik ’t zoo geregeld heb.”
“Geen verontschuldigingen, tegenover niemand,” riep Jack uit; “maar zeg hun, dat ik morgenochtend, den heelen boel regelen zal. Laat de huisknecht hier komen om me mijn slaapkamer te wijzen. Mesty ga je avondmaal gebruiken en kom daarna bij me; als er een durft weigeren, onthoud hem dan goed, en wijs me hem morgenochtend. Nu weet je hoe het staat,” vervolgde hij tot den bediende; “ingerukt, en breng me een kandelaar.”
Vijf-en-twintigste hoofdstuk.
Jack brengt orde in den warboel ten huize zijns vaders en ondervindt daarbij veel steun van dokter Middleton.
We kunnen ons nu eenigszins voorstellen, hoe het bij de aankomst van onzen held in de huishouding van Meneer Rustig toeging. De arme maanzieke, want zoo kunnen we hem gerust noemen, was overgeleverd aan de willekeur zijner bedienden, die hem bestalen, veronachtzaamden en den spot met hem dreven. De verkwisting in de uitgaven bereikte een ongewone hoogte. Onze held, die zag hoe het geschapen stond, ging naar bed en lag het grootste gedeelte van den nacht te overpeinzen wat hij doen moest. Hij besloot eindelijk dokter Middleton te laten halen en met hem in overleg te treden.
Den volgenden morgen stond Jack vroegtijdig op; zoodra hij schelde, kwam Mesty met warm water aandragen.
“Drommels, Massa Rustig, wat een vreemde ouwe heer is uw vader. ’t Is daarboven niet recht pluis met hem.” liet hij er op volgen en tikte ter verduidelijking tegen zijn voorhoofd.
Jack zuchtte en gelastte Mesty om een der stalknechts bij hem te zenden. Toen de geroepene verscheen, beval hij hem naar dokter Bladzijde 205Middleton te rijden en dien te verzoeken zoo spoedig mogelijk op Boschlust te komen.
De man, die werkelijk een goede bediende was, antwoordde beleefd: “Om u te dienen, meneer!” en haastte zich om den ontvangen last te volbrengen.
Jack ging naar beneden en vond het ontbijt al gereed, maar zijn vader was niet in de kamer, hij begaf zich nu naar diens studeervertrek en trof hem bezig met den timmerman, die aan het maken was van een soort van podium of verhooging, waarop de wonderdadige uitvinding geplaatst zou worden. Meneer Rustig had ’t zoo druk, dat hij niet aan het ontbijt kon komen, en dus begon Jack er alleen maar aan. Een uur later hield dokter Middleton’s rijtuig aan de voordeur stil. De dokter begroette onzen held hartelijk.
“Mijn waarde heer,—want ik dien u nu wel meneer te noemen—ik ben hoogst verblijd, dat gij terug zijt gekomen. Ik kan u verzekeren, dat het geen oogenblik te vroeg is.”
“Dat heb ik ook begrepen,” antwoordde Jack. “Neem plaats, alsjeblieft, dokter; heeft u al ontbeten?”
“Neen, eigenlijk niet; want ik was zóó verlangend om hier te komen, dat ik onmiddellijk heb laten inspannen.”
“Zit dan mee aan, dokter, we kunnen dan meteen op ons gemak het noodige bespreken.”
“Natuurlijk heb gij al opgemerkt hoe ’t met uw vader gesteld is. Hij is volkomen buiten staat om langer zijn eigen zaken te beheeren.”
“Dat vrees ik ook.”
“Hoe denkt gij te handelen,—ze misschien in handen van gevolmachtigden te stellen?”
“Ik zal mijn eigen gevolmachtigde zijn, dokter Middleton. Geef ik de zaken aan anderen in handen, dan moet ik noodzakelijk den toestand van mijn vader bloot leggen en dat stuit me te veel tegen de borst.”
“Ik kan dat heel goed begrijpen; ’t is ook voldoende, als hij er maar toe te brengen is, het beheer geheel en al aan u over te laten.”
“We zullen er ook wat politie bij moeten halen,” hernam Jack, “want dat spitsboevenrommeltje hier in huis, verkeert in een toestand van openbare muiterij.”
“Gij zult er nog heel wat last mee hebben,” zei de dokter. “Weet ge al wat die bottelier voor slag van een kerel is?”
“Ja, dat weet ik uit vaders eigen mond. Ik zou ’t waarlijk als een groote gunst beschouwen, dokter, als u een paar dagen hier zoudt willen blijven, nu gij naar ik hoor de praktijk hebt neergelegd.”
“Ik had al plan u dat voor te stellen, mijn jonge vriend. Ik zal Bladzijde 206met twee van mijn bedienden hier komen; want die nu in huis zijn moet ge ontslaan.”
“Zelf heb ik er een, die zijn gewicht in goud waard is, dus dat zal wel voldoende wezen. Ik zal iedereen wegzenden, van wien gij dat noodig oordeelt, het vrouwelijk personeel kunnen we voorloopig waarschuwen en langzamerhand door anderen vervangen.”
“Zoo zou ik ook voorgesteld hebben,” antwoordde de dokter. “Als gij ’t goedvindt, zal ik nu de hulp van een paar politieagenten gaan inroepen en mij ook bij uw vaders vroegeren rechtsgeleerden raadsman vervoegen.”
“Zeer goed,” zei Jack, “en dan moeten we ook uit visschen wie van de pachters, op grond der beginselen van gelijkheid, de pacht weigeren te betalen, en hen duchtig achter de vodden zitten.”
“Tot mijn groote blijdschap bespeur ik, mijn jonge vriend, dat uw vaders onzinnige denkbeelden geen wortel bij u geschoten hebben.”
“Toch merk ik er soms nog een staartje van, dokter,” antwoordde Jack glimlachend.
“Komaan, nu moet ik u voor een paar uren verlaten, en daarna zal ik, als gij ’t goedvindt, hier mijn kwartier opslaan zoo lang als gij het wenschelijk acht.”
Nog vóór den middag was dokter Middleton al weer terug, vergezeld van meneer Hanson, den zaakwaarnemer; ook bracht hij zijn valies en twee knechts mee. Meneer Rustig was in de huiskamer gekomen en zat aan zijn ontbijt, toen zij binnentraden. Hij ontving hen vrij stroef; maar toen zij zich een paar woorden van lof over zijn verrassende uitvinding lieten ontvallen, veranderde zijn houding geheel. Nadat Jack hem herinnerd had aan zijn belofte, dat hij in ’t vervolg het beheer over de zaken zou hebben, werd de oude heer gemakkelijk overgehaald om de daartoe vereischte verklaring te onderteekenen. Meneer Rustig gaf nu aan Jack den sleutel van zijn schrijflessenaar en meneer Hanson begon de boeken en papieren te doorsnuffelen, om zich behoorlijk op de hoogte te stellen van den staat van zaken. Intusschen kwamen ook de politieagenten opdagen. Al de bedienden werden binnengeroepen; meneer Hanson liet hun het stuk zien, waarbij aan Jack volmacht werd verleend om in naam zijns vaders te handelen, en binnen een half uur was het heele mannelijke dienstpersoneel ontslagen, op twee stalknechts na. De aanwezigheid der politie en van Mesty voorkwam elk verzet, maar toch kon de bottelier niet laten eenige verwenschingen uit te stooten. Zoo had dan Jack in vier-en-twintig uren tijds een totale ommekeer in de huishouding teweeggebracht.
Meneer Rustig bemoeide er zich volstrekt niet mee; hij ging weer Bladzijde 207naar zijn studeerkamer bij zijn wonderbaarlijke uitvinding. Mesty had de sleutels van den kelder onder zijn berusting en kreeg het oppertoezicht over het personeel, dat nog gebleven was. Dokter Middleton, meneer Hanson, meneer Rustig en Jack zetten zich aan het middagmaal, en in alles heerschte de beste orde. Meneer Rustig at met smaak, maar zei niets zoolang het diner duurde. Nauwelijks was dit echter afgeloopen, of hij sloeg als gewoonlijk aan ’t redeneeren over de waarheid en deugdelijkheid zijner wijsbegeerte.
“Wat ik zeggen wil, mijn zoon, als ik me wel herinner, heb je me gisteravond verteld, dat je niet langer mijn gevoelen deelde. Laten we dat nu eens grondig bespreken.”
“Met alle genoegen, vader,” antwoordde Jack. “Wilt u maar beginnen?”
“Eerst de glazen gevuld,” riep meneer Rustig uit; de glazen gevuld, en dan zal ik Jack tot mijn denkwijze terugbrengen. Nu dan, mijn zoon, gij zult, hoop ik, niet ontkennen, dat wij door geboorte allen gelijk zijn.”
“Dat ontken ik wel degelijk,” antwoordde Jack. “Te onderstellen dat alle menschen door geboorte gelijk zijn, is vooronderstellen dat allen begaafd zijn met dezelfde lichaamskracht, en dezelfde vatbaarheid van geest, wat, zooals we weten, niet het geval is.”
“Best mogelijk,” hernam meneer Rustig; “maar dat bewijst nog niet, dat de aarde er niet op aangelegd is, om onder allen gelijkelijk verdeeld te worden.”
“Met uw verlof, dat dit de bedoeling niet geweest is, wordt voldoende bewezen door de omstandigheid, dat zulk een gelijkheid,—aangenomen dat ze in praktijk kon gebracht worden—nooit te handhaven zou zijn.”
“Niet te handhaven!—ja, omdat de sterkeren de zwakkeren onderdrukken, omdat sommige menschen zich vereenigen om kwaad te doen.”
“Daarom niet vader, maar omdat vooraf al de verschillende personen in karakter en neigingen gelijk gemaakt en er bovendien nog tal van punten geregeld dienden te worden. Laat bijvoorbeeld aan ieder een stuk grond van dezelfde grootte toegewezen worden, dan zal degene, die het sterkst en het bekwaamst is, al spoedig van het zijne meer voordeel trekken dan anderen van het hunne, en de gelijkheid is al dadelijk verbroken. Krijgt verder het eene echtpaar geen kinderen en het andere er tien, dan loopt het weer in de war; het stuk land, dat in het eene geval slechts twee personen behoeft te voeden, moet in het andere twaalf monden te eten geven. U begrijpt dus wel, dat zonder roof of onrecht uw gelijkheid niet zou kunnen duren.” Bladzijde 208
“Maar, Jack, aangenomen dat dergelijke oorzaken eenig verschil konden te weeg brengen, het onderscheid zou toch nooit zoo monsterachtig zijn als in de tegenwoordige maatschappij, waarin de een zich in weelde baadt en de ander in de grootste armoede verkeert.”
“Dat er zooveel ellende geleden wordt is stellig zeer te betreuren en men dient op de leniging daarvan bedacht te zijn, maar volkomen gelijkheid blijft een onmogelijkheid, en kan op aarde niet bestaan. Ga maar eens na wat het gevolg er van zou zijn. Was alles even schoon, dan bestond er geen schoonheid meer, want die berust juist op vergelijking—waren allen even sterk, dan kwam er nooit een eind aan oneenigheden,—waren allen gelijk in rang, macht en vermogen, de grootste bekoring van het menschelijk bestaan zou gemist worden—grootmoedigheid, dankbaarheid en meer edele eigenschappen zouden ongekend zijn. Goedhartigheid, uw zoo sterk ontwikkeld orgaan, zou geheel nutteloos zijn, en zelfverloochening een ijdele klank. Waren allen even bekwaam, dan kon er van geleerdheid, talent, genie geen sprake zijn, er zou niets te bewonderen, niets na te volgen of te eerbiedigen vallen—niets zou tot wedijver of tot lofwaardige eerzucht prikkelen. Mijn beste vader, wat zou dat een erbarmelijk vervelende wereld zijn!”
Nog een tijdlang blijven vader en zoon aan het redetwisten, maar de ontdekking, dat Jack het bijna in geen enkel opzicht meer met hem eens was, maakte den ouden heer korzelig, zoodat hij ten slotte het dispuut afbrak met de woorden:
“Nu heb ik geen tijd meer, de heeren zullen me wel willen verontschuldigen, want ik moet gaan zien hoe de timmerman met zijn werk staat en daarna moet ik in de vergadering het woord gaan voeren. Kom je niet eens naar mijn redevoering luisteren, Jack?”
“Dank u wel, vader, ik mag mijn vrienden niet alleen laten.”
Meneer Rustig verwijderde zich nu.
“Weet gij wel, waarde heer, dat uw vader op zijn wildbanen de stroopers vrij spel laat?” vroeg meneer Hanson.
“Ja,” vulde dokter Middleton aan, “hij heeft aan verscheiden benden landloopers verlof gegeven in zijn bosschen hun tenten op te slaan, tot groot ongerief van de buren, die heel wat te lijden hebben van hun rooverijen.”
“Ik vind in de boeken, dat er van de boerderijen nog ongeveer twee jaar pacht te innen valt; sommige pachters hebben geregeld betaald, anderen in geen vier jaar. Naar mijn berekening, bedraagt het achterstallige veertien honderd pond.”
“U zult me verplichten, meneer Hanson, met onmiddellijk de Bladzijde 209noodige stappen te doen, om de verschuldigde bedragen in te vorderen.”
“Zeer zeker zal ik dat, meneer.”
Toen allen opstonden om naar hun kamers te gaan, vatte dokter Middleton onzen held bij de hand. Gij kunt niet gelooven, mijn waarde vriend, hoeveel genoegen het mij doet, dat ge weer hier teruggekeerd zijt en u zoo verstandig betoont. Uw komst was hoog noodig. Den zeedienst zult ge nu stellig wel opgeven.”
“Dat heb ik al gedaan, dokter.”
Zes-en-twintigste hoofdstuk.
De oude heer rustig raakt door zijn wonderbaarlijke uitvinding vereeuwigd, maar niet precies zooals hij dat bedoeld had. Jack besluit tot een laatsten tocht.
Den volgenden morgen, bij het ontbijt, kwam meneer Rustig maar niet opdagen en eindelijk vroeg Jack aan Mesty waar zijn vader toch was.
“Beneden zeggen ze, dat de oude heer gisterenavond niet thuis gekomen is.”
“Niet thuis gekomen?” riep dokter Middleton uit; “dat moeten we eens onderzoeken.”
“Die bottelier is een groote schurk,” zei Mesty tot Jack; “de oude heer slaapt niet in zijn bed, dat is zeker.”
“Ga eens navragen, wanneer hij uitgegaan is,” zei Jack.
“Als hem maar geen ongeluk overkomen is,” merkte meneer Hanson op; “het was vreemd gezelschap, waarin hij den laatsten tijd verkeerde.”
“Niemand heeft hem gisteravond zien uitgaan, meneer,” zoo luidde Mesty’s rapport.
“Mogelijk is hij wel op zijn studeerkamer,” bracht dokter Middleton in het midden; “’t kan best zijn, dat hij bij zijn wonderbaarlijke uitvinding in slaap geraakt en er den geheelen nacht gebleven is.”
“Ik zal eens gaan kijken,” antwoordde Jack.
Dokter Middleton vergezelde hem en Mesty volgde. Zij openden de deur, en kregen nu een schouwspel te zien, dat hen met schrik deed terugdeinzen. Meneer Rustig stak met zijn hoofd in de machine, Bladzijde 210het bankje was hem onder de voeten uit geschoven, zoodat hij hing en maar even met de teenen den grond kon raken. Dokter Middleton schoot ijlings toe en geholpen door Mesty en onzen held, gelukte het hem den ongelukkige los te maken uit den stalen band, die zijn hals omsloten hield; het leven was echter al sinds eenige uren uit het lichaam geweken en bij nader onderzoek bleek, dat de nekwervel gebroken was.
Er werd vermoed, dat het ongeval den vorigen avond moest hebben plaats gehad, en dit liet zich ook heel goed verklaren. Meneer Rustig had de machine vier voet hooger laten stellen, omdat er een verhooging onder aangebracht moest worden. Daartoe had de timmerman bij wijze van model een paar plankjes los in elkaar geslagen en meneer Rustig was onvoorzichtig genoeg geweest om zich daarop te wagen, ten einde zijn hoofd in den toestel te steken. Het zwakke timmerwerk was echter spoedig onder het gewicht van ’s mans lichaam bezweken en door den schok van den val moest de nek gebroken zijn.
Meneer Hanson wist onzen held, die hevig ontdaan was over het jammerlijk uiteinde van zijn armen vader, met zich mee te tronen, terwijl dokter Middleton intusschen last gaf het lijk naar de slaapkamer te dragen. Nog geen vollen dag geleden had de arme meneer Rustig aan zijn zoon verklaard, dat zijn bewonderenswaardige uitvinding hem zou vereeuwigen, en nu was ’t er al toe gekomen, ofschoon niet precies in den zin dien hij bedoeld had.
We gaan eenige dagen van treurigheid voorbij. De begrafenis had plaats gehad, de luiken werden weer ontsloten en het daglicht opnieuw toegelaten. Jack’s gemoed was tot rust en kalmte gekomen; hij zag zich nu in het bezit der uitgebreide goederen zijns vaders en was zijn eigen meester.
Wel moesten er nog eenige maanden verloopen eer hij meerderjarig werd, maar bij de opening van het testament zijns vaders bleek, dat dokter Middleton tot zijn eenigen voogd was aangewezen. Bij het nazien en bijeenbrengen der papieren, die in de grootste wanorde waren, ontdekte meneer Hanson in verschillende hoeken en gaten banknoten, wissels en schuldbekentenissen, tot een gezamenlijk bedrag van wel tweeduizend pond, onder anderen ook een door kapitein Wilson op zijn kassier afgegeven wissel, ter voldoening van de duizend pond, hem voor meer dan tien maanden door meneer Rustig geleend.
Dokter Middleton schreef aan de admiraliteit en verzocht, onder uiteenzetting der aanleidende omstandigheden, om ontslag uit den zeedienst voor meneer Jack Rustig. Het gevraagde ontslag werd Bladzijde 211verleend en de admiraliteit maakte ook geen bezwaar om Mesty te ontslaan tegen de daarvoor aangeboden schadevergoeding.
De landloopersbenden werden van het landgoed verjaagd, de boschwachters opnieuw aangesteld, de stroopers duchtig achter de vodden gezeten, en allen uit den omtrek waren zoo ingenomen met de manier waarop Jack te werk ging, dat ze in stilte wenschten: had meneer Rustig nog maar wat vroeger zijn nek gebroken.
Intusschen had Jack aan dokter Middleton zijn liefde voor Agnes medegedeeld en zijn bepaald plan te kennen gegeven om haar tot vrouw te nemen. Dokter Middleton vond daar geen bezwaar in, daar hij zag dat het oprecht gemeend was, en Jack vroeg nu al dadelijk, wanneer er een pakketboot naar Malta zou varen.
Mesty, die toevallig achter den stoel van zijn jongen meester stond, merkte op:
“Een ellendig vaartuig, zoo’n pakketboot, Massa Rustig. Waarom neemt u niet liever een oorlogsschip?”
“Dat is waar ook,” antwoordde Jack; “maar weet je, Mesty, dat gaat zoo gemakkelijk niet.”
“En hoe dan thuis te komen, meneer? Als ze u en Miss Agnes eens gevangen nemen en in het cachot stoppen?”
“Ja maar,” hernam Jack, “de grootste moeilijkheid is om als passagier plaats te krijgen op een oorlogsschip.”
“Wel, Massa, koop zelf een schip met een goed getal stukken en een flinke bemanning, dan kunt gij kapitein wezen over uw eigen schip en zoo Miss Agnes hierheen halen.”
“Dat moet ik nog eens in overweging nemen, Mesty,” antwoordde Jack. Hij peinsde er den ganschen nacht over en stond den volgenden morgen op met het besluit om Mesty’s raad te volgen. Bij het ontbijt de krant lezend, viel zijn oog juist op een advertentie, waarbij de verkoop van een buitgemaakte Fransche brik van 278 ton werd aangekondigd. De veiling zou aanstaanden Woensdag plaats hebben te Portsmouth, waar het schip in de haven lag.
Jack gaf een ruk aan de schel en bestelde postpaarden.
“Waar ga je heen, mijn beste jongen?” vroeg dokter Middleton.
“Naar Portsmouth, dokter.”
“En waarvoor? als ’t niet onbescheiden is dat te vragen,”
Jack legde nu zijn plan bloot en verzocht de toestemming van zijn voogd, daar het toch aan gereed geld niet ontbrak.
“Maar ’t zal een verbazend groote uitgave zijn.”
Dat ze belangrijk zal wezen, stem ik toe; maar ik heb uitgerekend, dat ze bij mijn inkomen wel te dragen zal zijn. Bovendien als ik een kaperbrief kan krijgen, is er nog uitzicht op een buitenkansje.” Bladzijde 212
“Maar je zult toch niet te lang blijven kruisen?”
“Wel neen; binnen zes maanden ben ik stellig weer terug; maar nu moet ik weg om te gaan zien, of dat schip aan het doel zal beantwoorden.”
Jack wipte in den wagen en Mesty klom op het achtbankje. Twee uren later waren ze te Portsmouth en gingen het schip bezichtigen, dat een mooi, snelzeilend vaartuig bleek te zijn, met aan weerskanten zes koperen kanonnen.
“Uitstekend,” dacht Jack; “nu een man of veertig en een jongen of zes aan boord en de boel is kant en klaar.” Hij ging met Mesty weer aan wal en keerde naar Boschlust terug. Aan meneer Hanson werd opgedragen zich met den aankoop te belasten en op den veilingdag werd Jack eigenaar van het schip voor een prijs, die niet veel meer dan de halve waarde vertegenwoordigde.
Dokter Middleton had intusschen Jack’s plannen nog eens rijpelijk overwogen. Bezwaar kon hij er niet in vinden, maar hij achtte het toch raadzaam naar een flink zeeofficier om te zien en er op aan dringen, dat het kommando over het vaartuig aan dezen zou opgedragen worden. Jack berustte terstond in die schikking.
“Laat hem vooral ook een goed zeevaartkundige zijn, dokter, want ofschoon ik van het dagelijksch werk tamelijk goed op de hoogte ben, dient er toch in aanmerking genomen, dat ik er in den laatsten tijd niets aan gedaan heb.”
Spoedig had dokter Middleton met de hulp van een bevriend oud-zeekapitein in een zekeren meneer Oxbelly een geschikt persoon gevonden om Jack ter zijde te staan.
Ongeveer zes weken gingen er heen met al de toebereidselen en toen verliet de brik, in de Rebiera herdoopt, de haven.