WeRead Powered by ReaderPub
Jack Rustig cover

Jack Rustig

Chapter 31: Jongensboeken.
Open in WeRead

About This Book

A lively account follows a young boy raised by indulgent parents whose permissive attitudes let him dominate the household and develop wilful habits. Early episodes show minor accidents and disobedience, while a visiting family friend raises concerns about the child's lack of discipline and proposes schooling. Against this backdrop the child experiments with boundaries—climbing fences, taking fruit, and testing adults' authority—prompting debates about education, parental responsibility, and the balance between freedom and instruction. Through episodic scenes the narrative examines how upbringing and small moral lessons shape a child's character and future behavior.

Zeven-en-twintigste hoofdstuk.

Onverhoopte ontmoeting van oude vrienden.

Op den elfden dag stevende de Rebiera de straat van Gibraltar binnen en tegen zonsondergang kregen ze de rotsen voor de stad in het gezicht. De wind werd al flauwer en tegen middernacht was het zoo stil, dat ze maar langzaam voortdreven. Tegen zonsopgang werden ze gewekt door het gebulder van zwaar geschut, en bespeurden Bladzijde 213omstreeks acht mijlen verderop, wat meer midden in de zeeëngte een Engelsch fregat, dat slaags was geraakt met negen of tien Spaansche kanonneerbooten. Het daveren van de zware schoten over de kalme oppervlakte van het water, de witte rook tegen het licht der prachtig verrijzende zon, de verwijderde echo’s door de hooge heuvels teruggekaatst—dit alles maakte een indrukwekkend en schilderachtig effect. Doch Jack vond het raadzaam zich maar liever strijdvaardig te maken in plaats van zijn tijd zoek te brengen met het bewonderen der kleurenpracht, en in korten tijd was ook alles gereed.

“Zoolang ze nog op het fregat los te branden hebben, zullen ze ons wel ongemoeid laten, meneer Rustig,” zei kapitein Oxbelly; “maar we dienen toch op alles voorbereid te wezen, want we kunnen er moeilijk voorbijkomen zonder een paar schoten op te loopen.”

“Kijk eens, meneer Oxbelly, daar ginds in het westen komt een briesje opzetten,” zei Jack.

“Ja waarlijk; nu, des te beter voor het fregat, want het zal met dit gevecht weinig eer inleggen en er vrij gehavend afkomen ook.”

“Desnoods kunnen wij ’t op sleeptouw nemen,” merkte Jack op; “hoever rekent gij, dat de kanonneerbooten uit den wal liggen?”

“Ik zou denken ongeveer vijf mijlen of iets minder.”

“Zeilen kant zetten, meneer Oxbelly—misschien kunnen we er dan een paar van den wal afsnijden.”

“Juist. Omhoog, jongens, boven bramzeilen bijgezet, lijzeilspieren uit—zelfden koers gehouden, roerganger—we zullen ze van den wal afsnijden en toch buiten schot van de kustbatterijen blijven.”

De wind wakkerde aan en deed de Rebiera met volle zeilen voortstuiven. De kanonneerbooten waren nog druk in gevecht met het fregat en schenen volstrekt niet te letten op de nadering der Rebiera. Ten laatste kreeg de wind ook vat op de kanonneerbooten en het fregat, eerst flauwtjes maar gaandeweg meer, terwijl de Rebiera het water al schuimend deed opspatten en de kans schoon zag om eenige der kanonneerbooten af te snijden. Het fregrat braste zijn zeilen naar den wind en stuurde op het smaldeel aan, dat het nu geraden achtte den steven te wenden en recht op de kust aan te houden, gevolgd door het fregat dat uit zijn boegjagers vuur begon te geven. Maar de Rebiera was thans op een half schot afstand van de kust gekomen en trachtte de vluchtende booten te onderscheppen. Daar zij met een snelle vaart naderde wist het smaldeel haast niet wat het beginnen zou; aanvallen zou maar tijdverlies zijn, waarbij het fregat gelegenheid zou krijgen om ze in te halen en zij zelf gevaar liepen genomen te worden; zij vergenoegden Bladzijde 214zich dus met op de Rebiera te vuren, terwijl deze voortging zich tusschen haar en het land in te dringen. Zoodra zij dichtbij genoeg waren, opende Jack zijn vuur uit de achttienponders. De kanonneerbooten bleven het antwoord niet schuldig en ze waren geen kwart mijl meer van elkaar, toen Jack zeil minderde en een heet gevecht zich ontwikkelde, waarvan het einde was, dat binnen weinige minuten de masten van de kanonneerbooten over boord sloegen. Het fregat naderde schielijk onder volle zeilen en begon er geducht op los te schieten. Het smaldeel staakte het vuren, streek op ongeveer twee kabellengten langs den voorsteven van de Rebiera voorbij en maakte zooveel mogelijk haast om onder den wal te komen. Onder het voorbijzeilen van het smaldeel gaf Jack het van bakboordzijde de volle laag, terwijl hij van stuurboord een levendig vuur onderhield tegen de ongelukkige, ontmaste kanonnerboot, die ook spoedig de vlag streek. Binnen weinige minuten waren de overigen buiten schot gekomen en daar zij niet vuurden, liet Jack ze verder ongemoeid en wijdde nu zijn aandacht aan het in-bezit-nemen van zijn buit, door een sloep met tien man aan boord te zenden, bij te draaien en het veroverde schip op sleeptouw te nemen. Tien minuten daarna was ook het fregat de Rebiera op een kabellengte genaderd en onze held liet een tweede sloep strijken om aan boord te gaan.

“Hebben we gewonden, meneer Oxbelly?” vroeg Jack.

“Maar twee; een is zijn duim kwijt geraakt en een ander heeft een zware wond aan de dij.”

“Dan zal ik meteen den dokter verzoeken bij ons aan boord te komen.”

Jack stiet af, klom aan boord van het fregat, en werd door een adelborst naar den anderen kant van het schip geleid, waar de kapitein stond.

“Meneer Rustig!” riep deze uit.

“Kapitein Sawbridge!” klonk het verrast uit den mond van onzen held.

“Wel allemachtig! Hoe komt gij hier?” vroeg de kapitein; “en wat is dat voor een schip?”

“De Rebiera, onder kommando van den eigenaar, meneer Rustig,” antwoordde Jack lachend.

Kapitein Sawbridge drukte hem de hand. “Kom met me mee naar de kajuit, meneer Rustig; want ik ben blij, dat ik u weerzie. Ik maak u mijn compliment over uw houding en ben dol nieuwsgierig wat u toch bewogen heeft opnieuw zee te kiezen; want ik wist, dat gij uw ontslag uit den dienst genomen hadt.” Bladzijde 215

Jack vertelde met weinige woorden wat het doel van zijn tocht was; “maar,” vervolgde hij, “vergun me dat ik u gelukwensch met uw bevordering, waarvan ik nog geen kennis droeg. Mag ik vragen, waar gij de Harpij gelaten hebt en hoe de naam van uw fregat is?”

“De Latona. Eerst een maand geleden ben ik er op overgeplaatst, na een gevecht, waarin de Harpij een groote korvet bemachtigde; ik ben belast met dépéches voor Engeland. Gisteravond zeilden we van Gibraltar uit, moesten uit gebrek aan wind den geheelen nacht stilliggen en werden van morgen door die kanonneerbooten aangevallen.”

“Hoe gaat ’t kapitein Wilson?”

“Heel goed, geloof ik, maar ik heb hem in langen tijd niet gezien.”

“Hoe wist u dan, dat ik den dienst verlaten had, kapitein Sawbridge?”

“Wel, van Gascoigne, die hier aan boord is.”

“Gascoigne!” riep onze held uit; “maar laat ik hem toch dadelijk de hand gaan drukken! Wees intusschen zoo goed, kapitein Sawbridge, uw dokter aan boord van de Rebiera te zenden, want ik heb een paar gewonden.”

Gascoigne wachtte onder het halfdek zijn vriend al op, want hij had hem van zijn post op den bak aan boord zien komen. Zij raakten zoo druk aan het praten, dat ze elkaar haast geen tijd gaven tot antwoorden. Toen Jack weer aan dek ging, beloofde hij Gascoigne, dat zij den volgenden dag in elkaars gezelschap zouden doorbrengen, hetzij aan den wal of aan boord van de Rebiera. Eer Jack echter weer vertrekken kon, hield kapitein Sawbridge hem in zijn kajuit nog geruimen tijd aan de praat.

“Toen gij voor het eerst op zee kwaamt, Rustig,” zei kapitein Sawbridge, “dacht ik dat ’t voor den dienst het best zou zijn, als we u maar hoe eer hoe liever weer kwijt raakten; doch nu ge uw ontslag genomen hebt, gevoel ik eerst, dat we in u iemand verloren hebben, die naar alle waarschijnlijkheid den dienst tot eer zou hebben verstrekt.”

“Hartelijk dank voor uw gunstig oordeel,” antwoordde Jack. “Maar bij den toestand waarin mijn vader verkeerde, kon ik immers onmogelijk op zee blijven.”

“Dat geef ik volkomen toe:—maar komaan, de tafel is gedekt, laten we den maaltijd niet vergeten.”

Aan tafel, waarbij ook Gascoigne aanzat, ging het hoogst gezellig toe en wie weet hoe lang ze hadden blijven napraten, als niet kort Bladzijde 216na den eigenlijken maaltijd de eerste luitenant was komen rapporteeren, dat alle hens aan dek noodig waren, daar ze vlak bij de ankerplaats waren gekomen. De dischgenooten rezen nu spoediger op dan anders het geval zou geweest zijn; en zoodra op de Latona, de zeilen geborgen waren, begaf kapitein Sawbridge zich aan wal om den goeverneur mededeeling te doen omtrent den uitslag van het geleverd gevecht. Hij vroeg Jack of hij hem wilde vergezellen, maar onze held verkoos liever bij Gascoigne te blijven, en verontschuldigde zich dus tot den volgende dag.

“Hoor eens, Rustig,” zei Gascoigne zoodra de kapitein vertrokken was, “ik zal verlof vragen om bij jouw aan boord te gaan—of wil jij ’t soms liever vragen?”

“Ik zal ’t wel vragen,” antwoordde Jack; “nu ik zelfs het kommando over een schip heb, leg ik bij een eersten luitenant wat meer gewicht in de schaal dan een gewoon adelborst.”

Jack ging nu naar den eersten luitenant en gaf met een beleefde buiging zijn hoop te kennen, dat, als de dienst het veroorloofde, hij hem de eer zou willen aandoen dien avond met eenige zijner officieren aan boord van de Rebiera een glas wijn te komen drinken.

De eerste luitenant antwoordde, dat hij gaarne van de uitnoodiging gebruik zou maken, zoodra de gevangenen overgebracht waren en de kanonneerboot geen zorg meer vereischte. Ook drie of vier der overige officieren sloegen toe, waarop Jack als een gunst verzocht, dat zijn oude vriend Gascoigne nu dadelijk met hem zoo mogen meegaan, daar hij verschillende pakketjes van waarde, voor Engeland bestemd, aan zijn zorg wilde toevertrouwen. De eerste luitenant was zeer inschikkelijk en Gascoigne en onze held sprongen in de boot en waren nu als oude vrienden weer eens recht gezellig met hun beidjes.

“Jack, ik heb nog eens goed overlegd en ben nu tot een besluit gekomen,” zei Gascoigne. “Of ik al naar huis ga, dat zal voor mijn bevordering ook weinig helpen; ik kan evengoed hier blijven, want mijn diensttijd is bijna om en mijn bezoldiging heeft niet veel te beteekenen. Zou jij me niet mee willen nemen?”

“Dat is juist wat ik van plan was je te vragen, Ned. Zou kapitein Sawbridge er in toestemmen?”

“Dat denk ik wel, want hij is volkomen op de hoogte van mijn omstandigheden.”

“Dan zullen we ’t hem zamen vragen,” hernam Jack.

De eerste luitenant en de andere officieren kwamen aan boord der Rebiera en brachten er een prettigen avond door, wat voor Bladzijde 217levenslustige jongelui onder gezelligen kout en een goed glas wijn niet zoo heel moeilijk is.

Acht-en-twintigste hoofdstuk.

Jack bereikt het toppunt zijner wenschen.

Daar kapitein Sawbridge dien avond niet naar boord terugkeerde, ging Rustig aan wal en bracht hem een bezoek ten huize van den gouverneur, door wien hij al dadelijk te dineeren genoodigd werd. Gascoigne kon niet aan wal komen en onze held maakte van de gelegenheid gebruik om kapitein Sawbridge aan te klampen met het verzoek om zijn vriend bij zich aan boord te krijgen. Kapitein Sawbridge had er eerst geen ooren naar, maar door al het redeneeren van Jack, begon hij toch eindelijk te begrijpen, dat het voor Gascoigne een buitenkansje was, en deze nooit een betere gelegenheid zou vinden om zijn toekomst te verzekeren. Hij willigde dus den wensch van onzen held in, die zich onmiddelijk aan boord van de Latona begaf om de beslissing van kapitein Sawbridge aan Gascoigne en aan den eersten luitenant over te brengen. Vervolgens voer hij naar boord der Rebiera en gelastte Mesty zijn koffertje naar het logement aan den wal te brengen, opdat hij zich voor het diner zou kunnen kleeden. Gascoigne, die nu niet langer tot de equipage der Latona gerekend werd, kreeg verlof om hem te vergezellen.

Met de herstellingen aan de Latona was men spoedig gereed, zoodat kapitein Sawbridge reeds den volgenden dag weer zee kon kiezen; echter zonder Gascoigne, die nu zijn formeel ontslag had gekregen en op de Rebiera overging. Spoedig daarop lichtte ook onze held het anker en liep na een gelukkige reis van zestien dagen de haven van Palermo binnen, waar Don Philip en Don Martin al spoedig onzen held aan boord kwamen begroeten. Jack haastte zich om met hen aan wal te gaan en bevond zich weldra in gezelschap van zijn Agnes.

Nog heel veel viel er te praten, eer Jack ’t bij Don Rebiera en diens vrouw zoo ver gebracht had, dat ze in een spoedig huwelijk met hun dochter Agnes toestemden. Vooral de moeder maakte veel bezwaar om van haar lieveling afstand te doen. Onze held wist Bladzijde 218echter zijn zaak zoo goed te bepleiten, dat de ouders zich eindelijk gewonnen gaven, en eer er een maand na zijn aankomst verstreken was, zag Jack zich getrouwd en achtte zich den hemel te rijk.

Don Rebiera en zijn vrouw wisten gedaan te krijgen, dat het jonge paar nog een maand lang in Palermo zou blijven, en toen het eindelijk op een scheiden aankwam, was er aan tranen geen gebrek. Ten laatste stak de Rebiera van wal en zette koers naar Malta, waar Jack den goeverneur volgens belofte een bezoek wilde brengen.

Na vier dagen wierpen zij in de haven van Valette het anker uit en Jack liet zijn aankomst terstond aan den goeverneur melden. Deze was zeer in zijn schik en zond zijn eigen pleizierjacht om meneer en mevrouw Rustig van boord te halen, terwijl hij onmiddelijk zijn logeerkamers voor hun ontvangst in orde liet brengen. Als gewoonlijk had onze held weer heel wat te vertellen en de goeverneur luisterde met de grootste aandacht naar hem; vooral omdat hij begreep, dat ’t de laatste maal zou wezen, dat hij van Jack’s verhalen kon genieten.

Veertien dagen lang vertoefde Jack op Malta en scheepte zich daarna weer met zijn vrouwtje in.

“Vaarwel, mijn jonge vriend,” zei de goeverneur toen hij Jack ten afscheid de hand drukte, “voor zoover ik uw vrouwtje heb leeren kennen, zal het uwe schuld zijn als ge in haar niet het toppunt uwer wenschen bereikt hebt. Als ik ooit in Engeland mocht komen, zal mijn eerste bezoek Boschlust gelden. Vaarwel en leef gelukkig!”

Maar Sir Thomas is nooit weer in Engeland gekomen, het was zijn laatste groet. Opnieuw ging de Rebiera onder zeil, deed Gibraltar even aan en zette daarna de reis voort naar Engeland waar ze na drie weken behouden en wel aan wal stapten, hartelijk verwelkomd door dokter Middleton en meneer Hanson, die van hun aankomst verwittigd waren. Nog dienzelfden avond reden zij gezamelijk naar Boschlust, waar alles op de feestelijke ontvangst van het jonge paar was ingericht.

Er volgde nu in de eerste dagen een reeks van diners en partijen en Jack leefde voortaan gelukkig en tevreden aan de zijde van zijn lief vrouwtje, dat hem volstrekt geen reden gaf tot allerlei breedvoerige betoogen.

De bemanning der Rebiera werd afgemonsterd en de meesten vonden spoedig weer plaatsing op verschillende oorlogsschepen.

Mesty bleef het toezicht over het dienstpersoneel houden en betoonde de grootste trouw en eerlijkheid in de waarneming van zijn ambt. Gascoigne wist het spoedig te brengen tot den rang van postkapitein en bleef steeds Jack’s oprechte vriend.

Jongensboeken.

De Geïllustreerde werken van Kapitein Marryat.

DE LANDVERHUIZERS VAN CANADA.

DE ZWERVER.

DE KAPER UIT DE VORIGE EEUW.

PERCIVAL KEENE.

STUURMAN FLINK.

PIETER SIMPEL.

Elk deel is versierd met 8 prachtige platen en bevat ruim 350 bladzijden druks.

Prijs per deel ingenaaid ƒ 0.90.
Fraai gebonden ƒ 1.25.

Bladzijde 220

Bibliotheek voor Jongens:

DE GOEDE KAMERAAD.

Deze bibliotheek zal eene serie Jongensboeken bevatten van de beste auteurs, allen geïllustreerd met oorspronkelijke platen. Ieder deel is op zichzelf compleet.

Verschenen zijn:

C. JOH. KIEVIET, DE CLUB OP REIS. Geïllustreerd door JOH. BRAAKENSIEK.

MARK TWAIN, DE LOTGEVALLEN VAN TOM SAWYER. 6e dr. Geïllustreerd door JOH. BRAAKENSIEK.

C. JOH. KIEVIET, FULCO DE MINSTREEL. 2e dr. Geïllustreerd door JOH. BRAAKENSIEK.

C. JOH. KIEVIET, DE CLUB VAN ZESSEN KLAAR. Geïllustreerd door C. KOPPENOL.

DE VRIJBUITER DOOR W. METS TZN. Geïllustreerd door C. KOPPENOL.

TOM SAWYER’S REISAVONTUREN DOOR MARK TWAIN. Geïllustreerd door RUNEKEL.

Ze zullen ongetwijfeld buitengemeen in den smaak van hun lezers vallen. De Bode, Orgaan v. Onderwijzers.

’t Zijn ook alleraardigste Jongensboeken in prettigen, flinken druk. Javabode.

Prijs per deel ingenaaid ƒ 1.40.
Prijs per deel gebonden ƒ 1.75.