WeRead Powered by ReaderPub
Jack Rustig cover

Jack Rustig

Chapter 8: Zesde hoofdstuk.
Open in WeRead

About This Book

A lively account follows a young boy raised by indulgent parents whose permissive attitudes let him dominate the household and develop wilful habits. Early episodes show minor accidents and disobedience, while a visiting family friend raises concerns about the child's lack of discipline and proposes schooling. Against this backdrop the child experiments with boundaries—climbing fences, taking fruit, and testing adults' authority—prompting debates about education, parental responsibility, and the balance between freedom and instruction. Through episodic scenes the narrative examines how upbringing and small moral lessons shape a child's character and future behavior.

Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde.

Eenige dagen later kreeg Jack op een mooien morgen aan den anderen kant van een heining, een appelboom met verlokkende vruchten in het oog. Onmiddelijk kroop hij door de heining, klom in den boom, zocht de lekkerste appels uit en ging zitten eten.

“Heila mannetje, wat doe je daar?” riep een barsche stem.

Jack keek naar omlaag en zag beneden een stevigen boer staan.

“Wat ik hier doe, kunt ge, dunkt me, wel zien,” antwoordde Jack; “ik ben aan ’t appels eten—zal ik er u ook een paar toegooien?”

“Dank je vriendelijk, hoe minder er afgeplukt worden hoe beter, maar denk je soms, dat ze jou toebehooren, dat je er zoo vrijgevig mee bent?”

“Ze behooren mij evengoed als u, waarde vriend.”

“Dat zul je toch wel mis hebben, ventje; die appels zijn van mij, en ik raad je om maar drommels gauw uit den boom te komen. Bladzijde 25Als je beneden, bent kunnen we er verder over praten, en je zult dan ruimschoots je deel hebben, voegde hij er bij met een veelbelovende beweging van zijn dikken stok.”

Dit deed Jack niet veel goeds verwachten.

“Mijn beste man,” zei hij, “’t is bepaald een vooroordeel van u, te meenen dat appels niet, evengoed als ander fruit, ten nutte van ons allen gegeven zijn—ze zijn algemeen eigendom, geloof me toch.”

Dat mag jij misschien meenen, kereltje, maar ik denk er heel anders over. Ik heb er al lang op geloerd, wie toch mijn appels stal, en nu ik een van de dieven gesnapt heb, zal hij er niet zonder een behoorlijke kastijding afkomen. Er uit dus, jou kleine rakker, en gauw wat ook, of anders zal ’t slecht met je afloopen.”

“Dank u wel,” zei Jack, “ik zit hier heel best. Maar, als u ’t goed vindt, wil ik gaarne het geval met u nader beredeneeren.”

“Daar heb ik geen tijd voor; ik heb nog heel wat te doen, maar je hoeft niet te denken, dat ik je zal laten ontsnappen. Heb je geen lust om naar beneden te komen, welnu, dan blijf je maar stilletjes boven, maar ik verzeker je, dat ik je na afloop van mijn werk hier nog goed en wel vinden zal.”

“Wat aan te vangen met iemand die naar geen redeneering wil luisteren?” dacht Jack. “Wat een verdorven wereld toch! Maar dat weet ik wel, als hij terugkomt, zal hij me hier niet vinden.”

Daarin vergiste Jack zich echter. De boer deed een paar stappen naar de heining, riep een jongen wat toe en deze ijlde naar de hofstede. Eenige oogenblikken later zag men een groote bulhond door den boomgaard heen op zijn meester losstuiven. “Pas op, Caesar,” zei de boer tot de hond, “pas op!” De hond vleide zich neer op het gras, gluurde met opgeheven kop onafgewend naar Jack en liet daarbij een paar rijen tanden zien, die onzen held voor het oogenblik al zijn wijsgeerige denkbeelden deden vergeten.

“Al kan ik niet wachten, Caesar wel, en ik verzeker je in gemoede dat er geen stuk van je heel blijft, als hij je bij de kladden krijgt. Als ik met mijn werk klaar ben, kom ik terug.” Dit zeggende verwijderde zich den boer en liet het aan Jack en aan den hond over om de kwestie uit te maken, als ze er lust in hadden.

Na een poos liet de hond zijn kop zakken en sloot de oogen, alsof hij sliep, maar niet zoodra bewoog Jack zich even, of een er van werd een weinig geopend. Jack vond het dus maar geraden om te blijven waar hij was. Hij plukte nog een paar appels, want ’t was tijd voor het middagmaal, en begon al etende te overpeinzen.

Nog niet lang was hij daarmee bezig, toen hij gestoord werd Bladzijde 26door een stier, die al brullende den boomgaard doorrende en op het gezicht van Caesar den kop naar omlaag boog. Caesar vloog overeind en vatte den stier in het oog, die met zijn staart in de lucht op hem losstoof. Vlakbij gekomen deed de stier een aanval op den hond; maar deze ontweek den stoot en vloog op zijn beurt op zijn tegenstander aan. Deze schermutseling duurde voort, tot de vechtende partijen een heel eind van den appelboom verwijderd waren geraakt. Jack dacht nu zijn kans waar te nemen om te ontsnappen, maar ongelukkig werd het gevecht juist gevoerd aan dien kant van den boomgaard waar de heining was, die Jack weer over moest. Dat hindert niet, dacht onze held, dan neem ik den anderen kant maar, al moet ik dicht langs den boerenwoning, er valt nu eenmaal niet te kiezen. Terwijl Jack zich uit den boom liet zakken, hoorde hij opeens een vervaarlijk gebrul; de hond was door den stier op de horens genomen en in de lucht geslingerd, en Jack zag hem aan den overkant der heining neersmakken; het gebrul was de zegekreet van den overwinnaar. Toen Jack nu bemerkte dat hij van zijn bewaker verlost was liet hij zich in een wip verder naar omlaag glijden en zette het op een loopen. Ongelukkig kreeg de stier hem in het oog en stoof in den zwijmel der overwinning met een vernieuwd gebrul onzen vriend achterna. Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde, en de angst gaf hem vleugelen; hij vloog niet alleen door den boomgaard, maar ook over de heining, die bijna vijf voet hoog was en wel juist toen de stier er met zijn kop tegenaan rende. Kijk waar je loopt, leert een oud spreekwoord. Als Jack daarna gehandeld had, zou hij ’t er beter afgebracht hebben; maar nu er in dit geval nog al eenige verschooning voor hem kan ingebracht worden, zullen we enkel maar zeggen, dat hij zich aan den anderen kant van de heining in een kleinen bijenstal beland zag. Twee korven had hij in zijn vaart omgeworpen en eer hij goed en wel weer op de been was, waren de verontwaardigde bijen al druk bezig hem van alle kanten te steken. Het eenige wat Jack doen kon was weer aan den haal gaan, maar de bijen vlogen sneller dan hij loopen kon en de arme jongen was dol van de pijn, toen hij half verblind struikelde over het steenen ringmuurtje van een put. Zijn val in den put kon Jack niet stuiten, maar hij greep de ijzeren ketting, die hem in het gezicht sloeg. Het windas liep af—en daar ging ’t met de grootste snelheid naar beneden. Na een daling van een voet of veertig zat hij geheel onder water en had nu geen last meer van de bijen. Jack werkte zich aan den ketting, die geheel afgeloopen was weer wat omhoog en voelde nu iets tegen zijn beenen slingeren. Het was de emmer, die Bladzijde 27ongeveer twee voet onder water zat; Jack zette er zijn beenen in en voelde zich nu vrij behaaglijk; want na de steken der bijen en de verhitting van zijn wedloop met den stier, bracht het water hem een heerlijke verfrissching aan.

“In elk geval,” dacht Jack, “als de stier er niet geweest was, zou de hond op me zijn blijven passen en had ik later een pak ransel gekregen van den boer; maar aan den anderen kant zou ik, als de stier er niet geweest was, niet onder de bijen terecht zijn gekomen, en als de bijen er niet geweest waren, zou ik niet in den put getuimeld zijn; en als die ketting er niet geweest was, zou ik verdronken zijn. Wat een reeks van gebeurtenissen, enkel omdat ik lust had een appeltje te eten!”

“Hoe het zij, van den boer, den hond, den stier en de bijen ben ik af; maar hoe kom ik nu hier uit dezen put? Het schijnt wel, of de geheele schepping tegen de rechten van de mensch heeft samengespannen. Zooals mijn vader zegt, leven we in een ijzeren eeuw en hier hang ik nu te bengelen aan een ijzeren ketting.”

Vierde hoofdstuk.

Jack begint vrij verstandig te overleggen, maar komt toch tot een erg onverstandig besluit.

Nadat Jack ongeveer een kwartier in zijn zonderlinge positie had doorgebracht, begonnen zijn tanden te klapperen en zijn lippen te trillen; hij voelde een dofheid in al zijn ledematen en achtte het hoog tijd om hulp te roepen. In het eerst durfde bij wel niet goed, uit vrees dat hij dan weer zou blootgesteld raken aan de verontwaardiging van den boer en diens gezin, maar hij kon hier toch niet blijven. Juist sperde Jack zijn mond open om een schreeuw te geven, toen er beweging in den ketting kwam en hij langzaam omhoog ging. Eerst hoorde hij klachten over de zwaarte van den emmer, wat hem volstrekt niet verwonderde; daarna hoorde hij gegrinnik en gelach van twee personen en weldra ging het vrij vlug naar boven. Ten slotte kwam zijn hoofd boven het lage muurtje uit en juist wilde hij zijn eene arm uitsteken om zich vast te grijpen, toen de twee aan het windas hem in de gaten kregen. Het waren een stevige boerenknecht en een meid. Bladzijde 28

“Dank u,” zei Jack.

Maar men moet nooit te vlug zijn met bedanken. De meid gaf een gil en liet den draaier los, de knecht schrikte en kon het windas ook niet meer houden; de draaier ontglipte aan zijn handen, sloeg hem tegen de kin, zoodat hij languit op den grond rolde en eer het “dank u” goed en wel over Jack’s lippen was gekomen, ging hij weer als een pijl uit den boog naar omlaag. Gelukkig had hij den ketting nog niet losgelaten, anders zou hij tegen den kant geslagen zijn en er stellig het hachje bij ingeschoten hebben; hij kwam er nu af met een tweede onderdompeling en bevond zich weldra weer in zijn vorigen toestand.

“Dat is me ook wat moois,” dacht Jack, terwijl hij zijn pet wat vaster op het hoofd drukte, “maar ze kunnen zich nu ten minste niet meer houden, alsof ze niet wisten dat ik hier was.”

Intusschen stoof de meid de keuken binnen, liet zich op een stoel vallen, maar gleed er onmiddellijk weer af en kwam terecht op eenige opgemaakte brooden, die nog gebakken moesten worden en op den grond bij het vuur gezet waren om wat te rijzen.

“Hemeltje lief! wat is er met Suze aan de hand?” riep de pachtersvrouw uit. “Heidaar,—Marie—Jan—waar zit je? Och, och, al mijn brooden zoo plat als een koek!”

Jan kwam spoedig daarop, met zijn hand aan zijn onderkaak. Hij zag er ontdaan en verschrikt uit, wat geen wonder was; want vooreerst dacht hij dat zijn onderkaak gebroken was en bovendien geloofde hij stellig en vast, dat hij den duivel gezien had.

“Goeie genadigheid! wat is er toch gaande!” riep de pachtersvrouw alweer. “Marie, Marie?” schreeuwde ze en begon nu zelf ook angstig te worden, want hoe ze ook alle krachten inspande, ze kon maar geen beweging krijgen in Suze, die als een klomp lood op haar bed van deeg lag. Marie gaf gehoor aan het luid geroep harer meesteres en met haar hulp gelukte het Suze van den grond te tillen; maar de brooden weer in hun fatsoen te brengen, daar was geen denken aan.

“Waarom help jij dan ook eens niet een handje, Jan? snauwde Marie hem toe.

“Au-au-au!” was al wat ze ten antwoord kreeg van Jan, die van dat helpen van Suze al plezier genoeg had gehad, en maar steeds zijn hand aan de wang hield.

“Wat is er toch te doen, vrouw?” riep de pachter onder het binnentreden. “Wel verdraaid, wat scheelt Suze toch? En wat scheelt jou?” vervolgde hij, zich nu tot Jan wendend. “Duivels, het schijnt wel dat de heele boel in de war loopt vandaag. Om te beginnen Bladzijde 29worden mijn appels gestolen—dan vind ik in den tuin al mijn bijenkorven omvergesmeten—de stier heeft Caesar leelijk toegetakeld, is vervolgens door de heining gebroken en daarna in den zaagkuil gevallen—en nu ik hier hulp kom halen om er hem weer uit te krijgen, vind ik de meid meer dood dan levend en Jan met een gezicht alsof de booze hem verschenen was.”

“Au-au-au!” antwoordde Jan met een veelbeteekend hoofdknikken.

“Je zoudt waarachtig gaan denken, dat de duivel vandaag losgebroken was. Wat is er toch, Jan? Heb jij hem soms gezien, of Suze?”

“Au-au!”

“Loop heen met je au! Met jou valt niets te beginnen. Is dat schepsel weer bij haar positieven gekomen!”

“Ja, ja, ze is weer beter.—Suze, wat is er gebeurd?”

“O, o, juffrouw! de put, de put.”—

“De put! Daar is ’t zeker niet in den haak; ik zal eens gauw gaan kijken.”

De boer haastte zich naar den put. Hij zag dat de emmer naar omlaag en de ketting geheel afgeloopen was; hij boog zich wat over den rand en keek in den put. Jack, die vrij ongeduldig geworden was en al telkens opgekeken had of er nog geen hulp kwam opdagen, zag nauwelijks het vollemaansgezicht van den boer of hij riep:

“Hier ben ik, haal me spoedig op, of ik zal ’t besterven.” Die bewering was niet zoo ver buiten de waarheid, want de jongen was doodaf, ofschoon hij nog altijd moed had gehouden.

“Verduiveld, daar is er eentje in den put gevallen!” riep de boer uit; “er komt vandaag geen eind aan de ongelukken. Ja, een christenmensch gaat toch altijd boven een stier; dus eerst hem uit den put gehaald en dan mijn beest uit den kuil geholpen.”

Fluks riep hij eenige arbeiders en nu zou het reddingswerk beginnen.

“Opgepast daar beneden, hou je stevig vast.”

“Ga je gang maar!” riep Jack.

Het windas werd in beweging gebracht en weldra kwam Jack opnieuw over den rand kijken. Een paar handen werden hem toegestoken en spoedig was hij uit zijn benarden toestand gered. Ze moesten hem echter languit op den grond leggen, want zijn krachten hadden hem begeven.

“Wel verdraaid! ’t is dezelfde jongen, die bezig was mijn appels te stelen,” riep de boer uit—“maar toch, het kapen van een paar appels mag hem den dood niet kosten; alloo, jongens, opgepakt Bladzijde 30en hem naar binnen gedragen—hij is heel verkleumd van de kou—en geen wonder.”

De pachter liep vooruit en zijn arbeiders droegen Jack in huis, waar hij een glas brandewijn te drinken kreeg. Dit wekte de levensgeesten weer op en spoedig was de jongen weer aardig opgeknapt.

Nadat Jack verteld had hoe alles zich had toegedragen, vroeg de boer hem, hoe hij heette.

“Mijn naam is Rustig,” antwoordde Jack.

“Hoe! ben je de zoon van meneer Rustig van Boschlust?”

“Ja.”

“Alle drommels! dat is mijn pachtheer, en wat een goede, hoor!—Waarom heb je dat niet gezegd, toen je in den appelboom zat? Voor mijn part hadt je dan den heelen boomgaard kunnen plunderen.”

“Beste vriend,” hernam Jack, die na een tweede glas brandewijn weer erg spraakzaam was geworden, “laat het u een les zijn, om voortaan altijd te luisteren, als iemand u iets uiteen wil zetten. Als gij maar geduld hadt gehad, zou ik u onweerlegbaar bewezen hebben, dat gij niet meer recht op die appels hebt dan ik; maar gij verkoost niet te luisteren naar mijn betoog, en zonder redeneering kunnen we nooit achter de waarheid komen. Gij hebt er uw hond bijgehaald en nu ligt hij met een opengescheurd lijf—uw stier heeft zijn poot gebroken in den zaagkuil—uw bijenkorven liggen overhoop, zoodat al de honig verloren is—uw knecht heeft zijn onderkaak gebroken—uw meid heeft al uw brood bedorven—en waarom? Enkel en alleen omdat gij mijn redeneering niet hebt willen aanhooren.”

“Ja, zie je, jongenheer, ’t mag waar zijn, dat al die ongelukken gebeurd zijn omdat ik u niet hebt laten uitpraten, maar als ik nu toch den boomgaard van uw vader gepacht heb, dan begrijp ik me niet, hoe gij me zoudt kunnen bewijzen dat de appels mij niet toebehooren. Maar al bekijken we het geval op uw manier, dan zie ik nog niet in, dat gij er zooveel beter af zijt gekomen: gij klimt in een boom om een paar appels, terwijl gij meer dan genoeg geld in uw zak heb om ze te koopen als ge er lust in hebt—een hond belet u weer naar beneden te komen—een stier gaat u bijna met zijn horens te lijf—de bijen steken u erbarmelijk en gij tuimelt in een put; ja, ’t is een duizend lukje, dat gij er het hachje niet bij ingeschoten hebt—en dat enkel om een paar appels, die nog geen dubbeltje waard zijn.”

“Dat is alles zeer waar, mijn goede man,” hervatte Jack, “maar gij vergeet, dat ik, als wijsgeer, bezig was met de rechten van den mensch te verdedigen.” Bladzijde 31

“Zoo? Ik heb nog nooit geweten, dat een jongen, die appels stal, een wijsgeer genoemd werd; wij noemen zoo eentje een kleine gauwdief. En wat die rechten van den mensch betreft, ik zie niet in hoe men die kan verdedigen door verkeerde dingen te doen.”

“Gij begrijpt niet hoe de zaak in elkaar zit, pachter.”

“Neen, dat doe ik ook niet—en ik ben te oud geworden om het nog te leeren, jongeheer. Al wat ik er van zeggen kan is dit, dat gij altijd welkom zijt in den boomgaard als ge lust hebt in een paar appels, en als gij, in de vooronderstelling dat gestolen vruchten het lekkerst smaken, ze liever wilt stelen, welnu, dan zal ik last geven, dat men u stil uw gang moet laten gaan. Maar, jongenheer, mijn sjees staat voor de deur en mijn knecht zal u naar huis rijden. Doe alsjeblieft mijn groeten aan uw vader en zeg hem, dat ’t me erg spijt, dat gij in onzen put zijt gevallen.”

Daar Jack op het oogenblik veel meer lust had om in zijn bed te kruipen dan om aan ’t betoogen te gaan, wenschte hij den pachter goedenavond, en liet zich naar huis rijden.

De pijn, die de steken der bijen hem veroorzaakten, was intusschen zoo hevig geworden, dat hij heel blij was dokter Middleton bij zijn vader en moeder aan de theetafel te vinden. Jack vertelde enkel, dat hij het ongeluk had gehad onder een zwerm bijen verzeild te raken en hevig gestoken was. Hij gaf aan het heele geval een anderen draai. Toen de dokter hem de pols voelde, bemerkte hij, dat de jongen een hevige koorts had, wat na al hetgeen er dien dag met hem gebeurd was, niet te verwonderen viel. Een week lang moest hij het bed houden, gedurende welken tijd hij allerlei dingen door zijn hoofd haalde en een plan maakte.

Maar we moeten een omstandigheid vermelden, die misschien wel de oorzaak was van Jack’s besluit. Toen hij op dien bewusten avond thuis kwam, trof hij er behalve dokter Middleton ook een zekeren kapitein Wilson aan, een verren neef die slechts zelden Boschlust bezocht, omdat hij nog al veraf woonde. Bovendien had de man vrij wat moeite om in het onderhoud van zijn groot gezin te voorzien, zoodat er van snoepreisjes niet veel sprake kon zijn. Het bezoek van kapitein Wilson gold thans een poging om van meneer Rustig geldelijken bijstand te krijgen. Hij was pas aangesteld als gezagvoerder over een oorlogschip, en daar zijn uitrusting nog al veel kostte, kon hij zijn vrouw geen voldoende som tot onderhoud van het gezin achterlaten. Daarom verzocht hij nu meneer Rustig hem eenige honderden guldens te leenen, die hij zoodra mogelijk zou terugbetalen. Meneer Rustig was er de man niet naar om zoo iets te weigeren en daar hij altijd een aanzienlijk bedrag bij zijn Bladzijde 32kassier had uitstaan, trok hij op dezen een wissel van duizend gulden en gaf dien aan kapitein Wilson, met de bijvoeging dat hij het bedrag maar terugbetalen moest, als het hem gelegen kwam. Juist was deze zaak bedisseld en kapitein Wilson weer met meneer Rustig in de huiskamer gekomen, toen Jack van zijn uitstapje terugkeerde.

Jack groette kapitein Wilson, dien hij sinds lang kende; maar, zooals wij reeds opmerkten, leed hij zooveel pijn, dat hij al spoedig zich met dokter Middleton verwijderde en naar bed ging.

Een week geeft heel wat gelegenheid tot overdenken, zelfs aan een jongen van veertien, al is die leeftijd niet bijzonder geneigd tot overpeinzingen. Maar Jack lag te bed; van de steken der bijen waren zijn oogleden zoo gezwollen, dat hij volstrekt niet lezen kon of zich op eenige wijze bezig houden waarbij zijn gezicht te pas kwam. Te luisteren naar het gebabbel van Saar, die hem oppaste, beviel hem ook niet erg; zoodat hij zich maar met zijn eigen gedachten den tijd zocht te verdrijven.

Nadat hij acht dagen te bed had gelegen, verscheen hij eindelijk weer in de huiskamer, en deed nu aan zijn vader een uitvoerig verhaal van de omstandigheden, die hem genoodzaakt hadden het bed te houden.

“Zie je wel, Jack”, antwoordde zijn vader, “’t is precies zooals ik je gezegd heb: de wereld is in merg en been verdorven door wat ze maatschappelijke instellingen gelieven te noemen, en ieder die zich tegen die ordeningen verzet, bemerkt telkens dat hij aan het kortste eindje trekt. Maar geen moed verloren, de waarheid moeten we blijven voorstaan, als zou ’t onze ondergang zijn.”

Alles goed en wel, papa, maar bij het betrachten van die wijsbegeerte ben ik nu, in den korten tijd van twee dagen, beroofd van de visschen, die ik gevangen had, en van hengelroe en tuig bovendien—ze hebben me in een vischvijver gegooid—een bulhond heeft me een doodsangst op het lijf gejaagd—’t scheelde niet veel of een stier had me gedood—bijen hebben me allerjammerlijkst toegetakeld, en tweemaal ben ik in een put gevallen. Als dat nu in twee dagen gebeurt, wat staat me dan niet in een heel jaar te wachten? Het lijkt me onverstandig hier nog verdere pogingen te doen, want het schijnt dat de menschen te land voor geen rede vatbaar zijn. Maar al is de grond ook zoo schandelijk onder weinigen verdeeld, het water is ten minste algemeen eigendom. Niemand maakt aanspraak op een deel er van, ieder kan het naar hartelust doorkruisen, zonder dat een ander dit als overtreding beschouwt. Alleen op zee denk ik de gelijkheid en de rechten van den mensch erkend te zien, en daarom ben ik besloten niet naar Bladzijde 33school terug te keeren, waar ik erg een hekel aan heb, maar op zee te gaan en daar zooveel mogelijk onze denkbeelden te verbreiden.”

“Daar heb ik geen ooren naar, Jack. In de eerste plaats moet je weer naar school, en in de tweede plaats mag je niet naar zee.”

“En toch verklaar ik bij de rechten van den mensch, dat ik niet weer naar school wil, maar naar zee. Wie en wat zou me verhinderen? Heb ik niet evenveel recht op mijn deel van de zee als ieder ander sterveling? Ik dring aan op de volkomen gelijkheid,” voegde hij er bij en stampte op den grond.

Wat kon meneer Rustig hierop antwoorden? Hij moest òf als wijsgeer zijn stellingen opgeven, òf als vader zijn zoon laten varen. Als alle wijsgeeren, koos hij wat hem het minst gewichtig toescheen, hij bracht zijn zoon ten offer; maar, we moeten tot zijn eer zeggen, hij deed ’t met een zucht.

“Nu, Jack, als je er op staat, zul je naar zee.”

“Natuurlijk,” antwoordde Jack met den glans der overwinning op het gelaat: de vraag is maar, met wien? Ik meen gehoord te hebben, dat kapitein Wilson spoedig zee zal kiezen en met hem zou ik graag onder zeil gaan.”

“Ik zal hem schrijven,” zei meneer Rustig op droeven toon; en hiermee was de zaak beklonken.

Kapitein Wilson’s antwoord luidde natuurlijk toestemmend, en hij beloofde, dat hij Jack als zijn eigen zoon zou behandelen.

Onze held reed dienzelfden middag op zijn vaders paard naar meneer Bonnycastle.

“Ik ga naar zee, meneer.”

“Dat is heel goed voor je,” antwoordde deze.

Onze held begaf zich naar dokter Middleton.

“Ik ga naar zee, dokter.”

“Je kunt niet beter doen,” luidde het antwoord.

“Ik ga naar zee, moeder,” zei Jack.

“Naar zee. Jaapje, naar zee, zeg je? o neen, neen, Jaapjelief, niet naar zee!” riep mevrouw Rustig met afgrijzen uit.

“Jawel, moe, pa heeft ’t goed gevonden en me gezegd, dat hij ook uwe toestemming zal weten te krijgen.”

“Mijne toestemming! Och, mijn lieve, lieve jongen!”—en mevrouw Rustig weende bitter. Bladzijde 34

Vijfde hoofdstuk.

De jongenheer rustig krijgt zijn eerste les over dienstijver.

Er viel niet veel tijd te verliezen, onze held moest de ouderlijke woning spoedig vaarwel zeggen, en zat al gauw te Portsmouth. Daar Jack volop geld had en het heel prettig vond zijn eigen meester te wezen, maakte hij volstrekt geen haast om zich op het schip aan te melden, en vijf of zes jongelui van niet al te best allooi, met wie hij onderweg in kennis was gekomen en die op zijn zak teerden, raadden hem ten sterkste het aan boord gaan zoo lang mogelijk uit te stellen. Toevallig stemde die raad volkomen overeen met Jack’s eigen meening, zoodat onze held bijna drie weken in Portsmouth was, eer iemand iets van zijn komst had vernomen. Maar ten slotte ontving kapitein Wilson een brief van meneer Rustig, waarin onder anderen gemeld werd, wanneer Jack van huis was vertrokken. De kapitein verzocht nu den eersten luitenant eens onderzoek te doen, daar hij vreesde dat den jongen eenig ongeluk overkomen mocht zijn. Daar meneer Sawbridge, de eerste luitenant, dienzelfden avond toch naar den wal moest, misschien wel de laatste maal vóór het uitzeilen van het schip, liep hij bij verschillende logementen aan, om te hooren of er ook een zekere meneer Rustig zijn intrek genomen had.

“O ja,” antwoordde de bediende uit de Fontein, “meneer Rustig is hier al drie weken gelogeerd.”

“Wel verduiveld,” bromde Sawbridge met al de verontwaardiging van een eersten luitenant, die bemerkt dat hij gedurende drie weken door een adelborst is misleid.

“Waar is hij; in de gelagkamer?”

“O neen, meneer,” antwoordde de bediende, “meneer Rustig heeft de voorkamers der eerste verdieping betrokken.”

“Nu, wijs me die dan maar.”

“Mag ik ook zoo vrij wezen uw naam te vragen, meneer?” zei de bediende.

“Eerste luitenants laten zich niet vooraf aandienen bij adelborsten,” antwoordde Sawbridge; “hij zal spoedig genoeg te weten komen wie ik ben.”

Op dit bescheid, liep de bediende, gevolgd door Sawbridge, de trap op en deed de deur open. Bladzijde 35

“Daar is een heer om u te spreken, meneer,” zei de bediende.

“Verzoek hem binnen te komen,” zei Jack; “en hoor eens: zorg dat de punsch wat beter is dan gisteren; ik heb nog twee heeren meer ten eten gevraagd.”

Intusschen was meneer Sawbridge, die zijn uniform niet aanhad, binnengetreden, en zag nu Jack alleen zitten bij een keurig aangerichte tafel, waarop voor acht personen gedekt was. Zoowel het diner als het vertrek zelf zou, volgens Sawbridge’s meening, veeleer gepast hebben voor een kommandant dan voor een adelborst van een oorlogsschip.

Sawbridge was een flink officier, iemand die zichzelf tot luitenant opgewerkt had, en niets bezat dan zijn tractement. In zijn zeven en twintig jaren dienst had hij iets stroefs over zich gekregen, en vooral jongelui van aanzienlijke familie, wier getal steeds toenam op de schepen, kon hij niet uitstaan. Geheel zonder reden was dit niet, want hij bemerkte dat door dien toevloed zijn eigen kansen op bevordering verminderden. Volgens zijn oordeel werden de adelborsten des te onbruikbaarder naarmate ze meer het heertje uithingen, geen wonder dus dat hem de gal overliep bij het aanschouwen van al de vertooning en drukte gemaakt door een jongmensch, dat weldra op een zuur gezicht van hem zou ineenkrimpen, en zulks al drie weken geleden had moeten doen. Toch was Sawbridge een rechtschapen mensch, al bleek hij soms wat naijverig op degenen, die zich meer weelde konden veroorloven dan hij.

“Mag ik vragen, meneer,” zei Jack, die altijd buitengewoon beleefd was, “waarmede ik u van dienst kan zijn?”

“Jawel, meneer,—met onmiddellijk naar uw schip te gaan. En mag ik op mijn beurt eens vragen, wat de reden is, dat gij al drie weken hier aan wal zijt zonder u te komen aanmelden?”

Jack, die volslrekt niet gesticht was over Sawbridge’s bevelenden toon en intusschen plaats had genomen, sloeg de beenen over elkaar, speelde achteloos met zijn gouden horlogeketting en antwoordde na een poos vrij koel:

“Maar, meneer, wie zijt gij dan toch?”

“Wie ik ben, meneer?” hernam de bezoeker van zijn stoel opspringende, “mijn naam is Sawbridge, meneer, en ik ben de eerste luitenant van de ‘Harpij.’ Ziedaar het antwoord op uw vraag.”

Sawbridge, die zich verbeeldde, dat het noemen zijner waardigheid van eersten luitenant den adelborst een schrik om het hart zou doen slaan, liet zich weer op zijn stoel vallen en nam een air van groot gewicht aan.

“Inderdaad, meneer,” antwoordde Jack, ik moet erkennen, datBladzijde 36ik uit onbekendheid met den dienst weinig besef heb van uw eigenlijke positie aan boord, maar uit uw gedrag zou ik opmaken, dat u een niet geringen dunk van uzelven heeft.”

“Hoor eens, jongmensch, ik wil aannemen, dat ge niet weet wat een eerste luitenant is—uw houding tegenover mij geeft er duidelijk blijk van—maar reken er gerust op, dat ik het u spoedig zal laten merken. Tevens sta ik er op; dat ge onmiddellijk mee naar boord gaat.”

“Het spijt me, meneer,” antwoordde Jack doodbedaard, “maar ik kan aan uw hoogst bescheiden verlangen niet voldoen. Ik zal aan boord komen, zoodra mij dat goeddunkt, en u zult mij verplichten met u verder niet over mij te bekommeren.”

Jack trok aan het schelkoord; de bediende, die aan de deur had staan luisteren, trad onmiddellijk binnen en eer Sawbridge, verbluft door zoo’n verregaande brutaliteit, iets zeggen kon, gaf Jack den bediende last meneer even uit te laten.

“Alle donders!” riep de eerste luitenant uit. “Wacht maar, ventje; heb ik je eenmaal goed en wel aan boord, dan zal ik je het verschil tusschen een adelborst en een eersten luitenant terdege duidelijk maken.”

“Ik erken alleen gelijkheid, meneer,” antwoordde Jack; “als gelijken zijn wij allen geboren, dat zult gij toch toestemmen, hoop ik.”

“Gelijkheid—wel verdraaid! wou je soms ook het bevel over het schip op je nemen? We zullen je spoedig uit den droom helpen. Ik ga nu aan kapitein Wilson rapport uitbrengen over uw gedrag en dit verzeker ik je, als ge niet nog hedenavond aan boord zijt, dan zend ik morgenochtend met het krieken van den dag een sergeant met eenige mariniers om je in te rekenen.”

“Wees verzekerd, meneer,” antwoordde Jack, “dat ook ik niet in gebreke zal blijven aan kapitein Wilson mede te deelen, dat ik u als een onhebbelijken ruziemaker beschouw en hem raad u niet langer aan boord te dulden. Met zulk een ongelikten beer op een zelfde schip te wezen, is niet om uit te houden.”

“Hij moet gek zijn—stapelgek,” riep Sawbridge uit, wiens verbazing de overhand kreeg over zijn verontwaardiging.

“Neen, meneer,” antwoordde Jack, “een gek ben ik niet, maar een wijsgeer.

“Wat voor een ding?” riep Sawbridge uit, “Wacht maar, grappenmaker, we zullen de wijsbegeerte van je wel op de proef stellen.”

“Juist daarom heb ik besloten op zee te gaan, meneer,” hernam Jack; “en als gij aan boord blijft, hoop ik met u eens te redeneeren, en u te bekeeren tot erkenning der gelijkheid en der rechten van den mensch.” Bladzijde 37

“Wees er maar zeker van, dat ik je spoedig tot onderwerping aan de krijgsartikelen zal bekeeren, als je tenminste ooit aan boord komt. Voorloopig ga ik nu den kapitein rapport maken over uw gedrag, en laat u bij uw diner als ge nog eetlust overgehouden mocht hebben.”

“Ten zeerste verplicht, meneer, maar over mijn eetlust behoeft ge u volstrekt niet bezorgd te maken. Het eenige wat me spijt, is dat ik, met het oog op het nette gezelschap dat ik wacht, u niet durf uitnoodigen onzen dischgenoot te zijn. Ik zou dat anders gaarne gedaan hebben, nu het blijkt dat we tot hetzelfde schip behooren. Ik wensch u goedendag, meneer.”

“Twintig jaren ben ik in dienst,” bulderde Sawbridge, “en nu zou me daar zoo’n.... maar hij is gek, stapelgek.” En de eerste luitenant stormde de kamer uit.

Jack was zelf ook wat verbluft. Had Sawbridge zijn uniform aangehad, dan was ’t nog wat anders geweest, maar dat zoo’n alles behalve indrukwekkend persoon met zwarte bakkebaarden, slordig onderhouden haar, een ouden blauwen rok en een geel kaschmiren vest, het durfde wagen hem op zoo’n manier toe te spreken, dat was onbegrijpelijk. Hij noemt me een gek, dacht Jack, maar ik zal kapitein Wilson eens netjes vertellen, hoe ik over zijn luitenant denk. Een oogenblik later verschenen de gasten en spoedig was Jack het geheele geval weer vergeten.

Intusschen begaf Sawbridge zich naar den kapitein en vond hem thuis. Na een omstandig verhaal van wat er had plaats gehad, eindigde hij zijn rapport met in drift te eischen, dat Jack onmiddellijk ontslagen of anders voorbeeldig gestraft zou worden.

“Nu, nu, meneer Sawbridge,” antwoordde kapitein Wilson, “komaan, neem plaats, en laten we er eens over redeneeren, zooals meneer Rustig zegt; ik wed, dat ik u tot betere gedachten breng. Wat dat straffen betreft, ja, zie je, dat is een lastig geval, want vooreerst heeft meneer Rustig zich nog niet op zijn schip aangemeld, en ten tweede kon hij immers niet weten dat gij de eerste luitenant waart, want ge hadt uw uniform niet aan.”

“Dat is waar meneer,” antwoordde Sawbridge, “daar had ik niet aan gedacht.”

“En wat dat ontslaan of liever niet toelaten op het schip aangaat, meneer Rustig is aan den wal grootgebracht en heeft mogelijk zijn heele leven geen grootere uitgestrektheid water gezien dan een vischvijver. Van zeedienst of van wat er aan vast is, zal hij wel evenveel begrip hebben als een kind van nog geen jaar. Ik wed dat hij niet eens weet wat een luitenant is, en stellig heeft hij geen flauw idee Bladzijde 38van de macht van een eersten luitenant, dat blijkt duidelijk uit de manier waarop hij zich tegenover u gedragen heeft.”

“Dat moet ik ook gelooven,” antwoordde Sawbridge droogjes.

“En daar nu zijn gedrag het uitvloeisel moet zijn van volkomen onwetendheid, mag hij, dunkt me, niet al te streng gestraft worden. Ga ’t zelf maar eens na, Sawbridge.”

“Misschien hebt gij gelijk, meneer, maar hij noemde zich toch een wijsgeer en sprak over de gelijkheid en de rechten van den mensch. Hij zei, dat hij alleen gelijkheid tusschen ons kon aannemen en wilde dat nader uiteenzetten. Nu vraag ik u toch, meneer, wat moet er van den dienst terechtkomen, als zoo’n adelborst over elk bevel, dat er gegeven wordt aan ’t redeneeren slaat?”

“Die opmerking is zeer juist, Sawbridge; daaraan heb ik in ’t geheel niet aan gedacht, toen ik beloofde den jongen Rustig aan boord te zullen nemen. Ik herinner me nu dat zijn vader, die een verre neef van me is, eenige vrij dwaze denkbeelden in zijn hoofd had, precies dezelfde die zijn zoon bij zijn ontmoeting met u te berde heeft gebracht. Toen ik eens bij meneer Rustig ten eten was, had hij ’t maar steeds over de beginselen der natuurlijke gelijkheid en der rechten van den mensch, tot groot vermaak van zijn gasten en ook van mij, moet ik bekennen. Ik maakte nog de opmerking, dat die denkbeelden onmogelijk toe te passen waren op den dienst, want dat ’t dan gedaan zou zijn met alle tucht. Hoe weinig vermoedde ik toen, dat zijn eenige zoon, voor wien niet de minste aanleiding bestond om het zeeleven te kiezen—want zijn vader is een rijk grondbezitter—nog ooit met mij onder zeil zou gaan en die denkbeelden op mijn schip komen brengen. ’t Is jammer, erg jammer.”

“Maar Meneer,” zei Sawbridge, “als ’t mij geoorloofd is mijn meening over het geval te zeggen—zou ’t niet het best zijn, zoowel voor hemzelf als voor den dienst, dat hij maar weer naar huis werd gezonden? Als officier zal hij enkel zichzelven en anderen last bezorgen.”

“Mijn waarde Sawbridge,” hernam kapitein Wilson, nadat hij de kamer een paar malen op en neer was gestapt, “we zijn te gelijk in dienst gekomen, hebben verscheidene jaren aan denzelfden disch gegeten en niet enkel langdurige vriendschap, maar ook vertrouwen op uw degelijke kennis hebben er mij toegebracht u voor te stellen mijn eersten luitenant te worden. Nu zal ik u eens een geval ter beslissing voorleggen, en wat meer is, ik zal me aan uw uitspraak onderwerpen.

“Neem eens aan, dat gij evenals ik scheepskommandant waart Bladzijde 39met een vrouw en zeven kinderen, en dat ge na jarenlang getob om in hun onderhoud te voorzien, in weerwil van de grootste spaarzaamheid in schulden waart geraakt. Nu gelukt het u eindelijk een flinke aanstelling te krijgen, waardoor ge u uit alle ongelegenheden zult kunnen redden. Maar al uw hoop dreigt in rook te vervliegen, omdat ge geen geld hebt voor een uitrusting en voor het afdoen der meest dringende schulden. Als nu in zulk een benarden toestand een verre bloedverwant, dien ge ternauwernood kent, zoo edelmoedig is u duizend gulden te leenen, zonder daarvan rente te vorderen en het geheel aan u overlaat wanneer ge de som wenscht terug te betalen, dan vraag ik u, Sawbridge, wat zoudt gij voor zoo iemand gevoelen?”

“Ik zou mijn leven voor hem wagen,” antwoordde Sawbridge getroffen.

“Vooronderstel nu dat, louter bij toeval of door een samenloop van omstandigheden, de zoon van dien man onder uw bescherming werd gesteld; wat dan?”

“Ik zou als een vader voor hem zorgen.”

“Maar laten we toch eens verder gaan en vooronderstellen, dat ge niet in alle opzichten met den jongen ingenomen zijt, dat hij dwaalbegrippen heeft ingezogen, die, als ze niet uitgeroeid worden, verderfelijk voor hem kunnen worden. Zoudt ge hem dan om die reden uw bescherming onttrekken en hem aan zijn lot overlaten?”

“Volstrekt niet, meneer,” antwoordde Sawbridge; “integendeel, ik zou hem zoo lang bij me houden, tot ik hem, hoe dan ook, van zijn verkeerdheden had genezen, en op die wijze zooveel mogelijk de schuld der dankbaarheid aan den edelmoedigen vader had betaald.”

“Na al wat er gebeurd is behoef ik u wel niet te zeggen, Sawbridge, dat het jongmensch, met wien ge in aanraking zijt geweest, de zoon is en meneer Rustig van Boschlust de vader.”

“Het eenige wat ik zeggen kan, meneer, is dat ik, niet enkel om u genoegen te doen, maar ook uit eerbied voor iemand, die u zooveel welwillendheid heeft betoond, het jongmensch volgaarne vergeef wat er tusschen hem en mij is voorgevallen en bovendien al wat er waarschijnlijk nog gebeuren zal, eer we hem in het rechten spoor hebben.”

“Hartelijk dank, Sawbridge, ik had niet anders van u verwacht, en ik heb me in die verwachting niet bedrogen.”

“Maar wat moet er nu gedaan worden, kapitein?”

“We moeten hem aan boord zien te krijgen, maar niet met een escorte mariniers—dat zou meer kwaad dan goed doen. Ik Bladzijde 40zal hem een uitnoodiging zenden om morgenochtend bij me te komen ontbijten en het een en ander te bepraten. Ik wil hem geen schrik aanjagen; hij moest anders eens hals over kop naar Boschlust terugkeeren.”

“Dat mag in geen geval, want zijn vader schijnt zijn grootste vijand te zijn. Hoe jammer dat iemand met zulk een goed hart zoo’n zwakhoofd kan wezen!”

Meneer Sawbridge verwijderde zich en kapitein Wilson zond aan onzen held een schriftelijke uitnoodiging om den volgenden morgen te negen uur bij hem te komen ontbijten. Het antwoord luidde bevestigend, maar werd mondeling overgebracht, want Jack had te veel champagne gedronken dan dat hij een pen op het papier durfde zetten.

Zesde hoofdstuk.

Aan boord en onder zeil.

Den volgenden morgen zou Jack stellig de invitatie van den kapitein glad vergeten geweest zijn, als niet de bediende van het logement begrepen had, dat, na de vreemde manier waarop onze held den eersten luitenant had ontvangen, het niet raadzaam zou wezen ook nog in eerbied voor den kapitein te kort te schieten.

Tot dusver had Jack zijn uniform nog niet aangehad, en hij vond ’t nu een geschikte gelegenheid, te meer daar de bediende beweerde dat hij in tenu behoorde te verschijnen. Of het soms een voorgevoel was van wat hem te wachten stond, maar Jack voelde zich niets prettig in zijn nieuwe plunje. Het kwam hem voor, dat hij zijn onafhankelijkheid prijs gaf en hij kreeg grooten lust het pak met de glimmende knoopen weer uit te smijten. Daartoe kwam het echter niet, en na zijn hoed opgezet te hebben, begaf hij zich naar het logement van kapitein Wilson. Deze ontving hem zeer heusch en hield zich alsof hij niets wist van Jack’s verzuim om zich tijdig aan boord aan te melden of van diens ontmoeting met den eersten luitenant; maar eer het ontbijt afgeloopen was, had Jack zelf het geval reeds met enkele woorden verteld. Kapitein Wilson begon nu uit te weiden over de plichten en den rang der verschillende personen aan boord van een schip, en betoogde Jack hoe ’t met het oog op Bladzijde 41de tucht onmogelijk was, dat er meer dan één persoon het kommando voerde. Die eene was de kapitein, in wiens persoon koning en vaderland vertegenwoordigd werden. Daar nu de kapitein zijn bevelen gaf aan den luitenant en deze ze overdroeg op de adelborsten, die ze op hunne beurt weer aan de overige bemanning overbrachten, was ’t inderdaad alleen de kapitein, die de bevelen uitdeelde en was iedereen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht. Ja, de kapitein zelf volgde weer de orders van zijne superieuren, den admiraal en de admiraliteit; men kon dus met recht zeggen, dat aan boord allen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht waren. Door telkens op het woord gelijkelijk veel nadruk te leggen, diende hij zijn eerste les met de noodige omzichtigheid toe. Zijn geheele betoog geleek veel op een handige pleitrede, want terwijl hij Jack duidelijk zocht te maken dat in dienst gelijkheid volstrekt onbestaanbaar was, trachtte hij tevens aan te toonen dat alle rangen volkomen gelijk stonden, in zoover allen evenzeer hun plicht tegenover het vaderland hadden te vervullen; en of nu een matroos zijne bevelen gehoorzaamde, dan of hijzelf die van een hooger officier opvolgde, alles kwam ten slotte daarop neer, dat ze het vaderland dienden.

Met die manier van beschouwen was Jack het vrij wel eens, en de kapitein zorgde wel, dat hij er niet te lang bij bleef stilstaan, maar ging spoedig tot ten ander onderwerp over, dat hij voor Jack aangenamer achtte. Hij zette uiteen, dat de krijgsartikelen de wetten waren volgens welke de dienst werd geregeld, en dat iedereen, van den kapitein tot den minsten jongen aan boord, er gelijke gehoorzaamheid aan verplicht was; dat ieder een vast rantsoen kreeg, wat voor allen gelijk was, zoowel in hoeveelheid als in hoedanigheid; dat al moesten er noodzakelijk rangen zijn en al moesten de bevelen van den kapitein door allen opgevolgd worden, toch elk officier, van welken rang ook, als een beschaafd man beschouwd werd. Kortom, kapitein Wilson wist het zoo ver te brengen, dat Jack begon te gelooven, dat hij de te land vergeefs gezochte gelijkheid nu eindelijk gevonden had. Maar daar herinnerde hij zich ongelukkig de ruwheid, waarmede meneer Sawbridge hem den vorigen avond bejegend had en hij vroeg den kapitein, hoe die man daartoe had kunnen komen. Nu deed de taal door den luitenant gebruikt al heel weinig aan gelijkheid denken, en kapitein Wilson zat er wel een beetje over in. Hij betoogde echter dat volgens de krijgsartikelen ieder, die zich van het schip verwijderde, een vergrijp beging tegen die artikelen. Werd nu zulk een vergrijp begaan door iemand van de bemanning, dan moest de oudste officier daar rapport van maken, of anders was hij zelf strafbaar. Zijn eigen verantwoordelijkheid Bladzijde 42noodzaakte hem dus wel zulk een overtreding niet door de vingers te zien, en als hij er den schuldige in wat al te krasse bewoordingen op wees, dan toonde hij daarmede slechts zijn dienstijver.

“Aan zijn dienstijver valt dan stellig niet te twijfelen,” antwoordde Jack, want als het gansche vaderland op het spel had gestaan, kon hij niet erger hebben uitgevaren.”

“Hij deed dus zijn plicht; maar reken er op, dat hij ’t zelf niet aangenaam heeft gevonden. Ik sta er voor in, dat, als gij hem aan boord ontmoet, hij even vriendelijk zal wezen alsof er niets gebeurd was.”

“Hij zou me anders eens laten zien wat een eerste luitenant was. Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?” vroeg Jack.

“Niets dan dienstijver.”

“Ja, maar zoodra ik aan boord kwam, zou hij me het verschil toonen tusschen een eersten luitenant en een adelborst.”

“Dienstijver, anders niet.”

“Ook zou hij mijn verstand wel een beetje opfrisschen.”

“Alles dienstijver.”

“En hij zou me door een sergeant en eenige mariniers laten halen.”

“Alles dienstijver.”

“Ook zou hij mijn wijsbegeerte eens op de proef stellen.”

“Alles dienstijver, meneer Rustig. Die ijver kan zich soms wat overdreven uiten, maar we zouden het in den dienst niet zonder kunnen stellen. Ik hoop en vertrouw mettertijd in u een even volijverig officier te hebben.”

Hier zette Jack een bedenkelijk gezicht, en gaf geen antwoord.

“Ik ben er zeker van,” vervolgde kapitein Wilson, “dat gij in meneer Sawbridge een uwer beste vrienden zult vinden.”

“Misschien wel,” antwoordde Jack, “maar onze eerste kennismaking, beloofde niet veel.”

“Dat is wel jammer. Maar wat ik u zeggen wilde, we zullen morgen uitzeilen. Van avond komt de sloep mijn goed halen, dat is een mooie gelegenheid om ook het uwe mee te geven. Om acht uur ga ik aan boord, we kunnen dan van dezelfde boot gebruik maken.”

Jack had daar volstrekt geen bezwaar tegen. Na zijn rekening in de Fontein betaald te hebben, liet hij zijn koffer naar de sloep brengen en wachtte voor zijn eigen vertrek de boodschap van den kapitein af. Tegen negen uur in den avond bevond Jack Rustig zich goed en wel aan boord van Zijner Majesteits fregat de Harpij.

Toen Jack aan boord kwam was het reeds donker en hij wist niet goed wat hij zou aanvangen. De kapitein werd op het dek door de Bladzijde 43officieren in allen vorm ontvangen, en eerbiedig gegroet. Hij beantwoordde dien groet en Jack volgde dat voorbeeld zoo beleefd mogelijk; daarna knoopte meneer Wilson een onderhoud aan met den eersten luitenant, zoodat Jack voor een oogenblik aan zichzelven overgelaten was. Het was te donker om de gezichten te onderscheiden, en voor iemand die nog nooit aan boord van een schip was geweest, zelfs te donker om een voet te verzetten, zoodat Jack maar stilletjes bleef waar hij was, namelijk niet ver van de betinghouten. Maar dat duurde niet lang; de sloep was aan de groote davits vastgehaakt en de bootsman had geroepen:

“Aanhalen, jongens!”

Op een schel gefluit en het kommando: “Op!” kwamen de matrozen met de takels aangerend en gesprongen. In de duisternis werd Jack omvergeloopen en een half dozijn kerels rolde over hem heen. De matrozen, die niet wisten dat er onder anderen ook een officier van de been was geraakt, hadden schik in de grap en bleven maar voortwippen over degenen die gevallen waren, totdat ze eindelijk zelven neerkwakten. Jack, die er niets van begreep, kwam leelijk te land, en eerst nadat het sein tot vastjorren was gegeven, geraakte hij weer overeind, nadat de halve stuurboordwacht over hem heengegaan was en de adem hem bijna begeven had. Jack strompelde naar een der stukken geschut, toen de officieren, die even goed als de manschappen over de fopperij gelachen had, zijn toestand opmerkten, onder anderen ook Sawbridge, de eerste luitenant.

“Hebt ge u bezeerd, meneer Rustig?” zei hij vriendelijk.

“Een beetje,” antwoordde Jack, weer bij adem gekomen.

“Dat was een wel wat ruwe welkomstgroet,” hernam de eerste luitenant, “maar op sommige tijden heet ’t aan boord: ieder voor zich en God voor ons allen. Harpur,” vervolgde hij tot den dokter, “neem meneer Rustig mee naar de konstabelkamer, ik kom zoo spoedig mogelijk zelf ook beneden. Waar is meneer Jolliffe?”

“Hier, meneer,” antwoordde Jolliffe, een stuurmansmaat en kwam van achter de leizeilspieren te voorschijn.

“Er is met den kapitein een nieuwe adelborst mee aan boord gekomen. Laat een van de kwartiermeesters zorgen voor een hangmat.”

Intusschen ging Jack naar de konstabelkamer, waar een glas wijn hem weer wat opkwikte. Lang bleef hij er niet en tot veel praten bad hij ook geen lust. Zoodra zijn hangmat klaar was, haastte hij zich om te bed te komen en daar hij doodaf was, werd het den volgenden morgen over negenen eer hij ontwaakte. Hij kleedde zich aan, ging op het dek en bespeurde dat het schip al in volle zee was. Spoedig begon hij zich onwel, ja zelfs ziek te gevoelen, zoodat een Bladzijde 44der matrozen hem naar beneden brengen en in zijn hangmat leggen moest, waar hij onder een hevigen wind drie dagen doorbracht, versuft door het schokken en slingeren, terwijl hij elk oogenblik met het hoofd tegen de scheepsbalken sloeg.

“Noemen ze dat na op zee gaan?” dacht Jack. “Geen wonder dat ze zich hier zoo weinig om elkaar bekommeren; maar dit weet ik wel, als ik ooit weer voet aan wal zet, dan gun ik den drommel mijn portie van de zee, ik heb er al meer dan genoeg van.”

Kapitein Wilson en meneer Sawbridge hadden beiden aan Jack gedurende zijn ziekte meer rust gegund dan gewoonlijk aan adelborsten werd toegestaan. Toen de storm tot bedaren was gekomen, had het schip de hoogte van kaap Finisterre bereikt. Den volgenden morgen was de zee volkomen rustig en er lag slechts een flauw briesje op het water.

De betrekkelijke kalmte van den afgeloopen nacht had onzen held weer vrij wel op zijn verhaal doen komen, en toen een stoot op de fluit het sein gaf tot het optrekken der hangmatten, kwam meneer Jolliffe, de stuurmansmaat, hem vragen of hij er niet eens over zou denken op te staan en zich in de kleeren te steken, dan of hij van plan was onder de dekens naar Gibraltar te zeilen.

Jack, die zich een heel ander mensen gevoelde, wipte uit zijn hangmat en kleedde zich aan. Volgens bevel van den kapitein had een matroos Jack tijdens zijn ongesteldheid opgepast en deze man was hem ook nu behulpzaam; hij opende Jacks kist en bracht hem al wat hij verlangde.

Toen hij gereed was vroeg Jack waar hij heen moest gaan, want ofschoon al vijf dagen aan boord, toch had hij nog geen kijkje genomen in de adelborstenkajuit. De matroos duidde hem den weg er heen uit, en Jack, die een geweldigen honger had, klauterde over kisten en koffers tot hij eindelijk terechtkwam in een vertrek, dat er vrij wat slechter uitzag dan de hondenhokken bij zijn vader thuis.

“Niet alleen mijn portie van de zee,” dacht Jack, “maar ook mijn deel in de Harpij wil ik dolgraag overdoen aan ieder die er maar naar taalt. Gelijkheid is er genoeg hier! want ik verbeeld me dat iedereen er even slecht aan toe is.”

Na aldus aan zijn gedachten lucht gegeven te hebben, bespeurde hij dat er nog iemand in de kajuit was, en wel de stuurmansmaat Jolliffe, die Jack eens goed stond op te nemen, wat dezen noopte tegenover hem hetzelfde te doen. Het eerste wat Jack opmerkte was dat Jolliffe erg van de pokken geschonden was en maar één oog had; dat ééne oog glinsterde echter zoo fel, dat het een kooltje Bladzijde 45vuur geleek en meer licht scheen te geven dan een gewone kaars.

“Die manier van kijken bevalt me niet”, dacht Jack—“we zullen nooit vrienden worden.”

Maar Jack oordeelde hierin enkel naar den schijn, en—zooals later zal blijken—hij vergiste zich.

“Het doet me plezier dat ik je weer op de been zie, jongmensch,” zei Jolliffe; “je hebt langer plat op den rug gelegen dan gewoonlijk met anderen het geval is, maar, zie je, juist de sterksten hebben ’t het zwaarst te verantwoorden. Het plan om op zee te gaan is vrij laat bij je opgekomen, doch ‘beter laat dan nooit’, zooals het spreekwoord zegt.”

“Ik voel heel veel lust om over de juistheid van dat gezegde eens nader te praten,” antwoordde Jack, “maar ’t zou op dit oogenbik toch weinig helpen. Ik heb een verbazenden honger, wanneer gaan we ontbijten?”

“Morgenochtend om half negen;” antwoordde Jolliffe. “Voor vandaag is ’t al twee uur over den tijd.”

“Moet ik ’t dan maar zonder iets stellen?”

“Dat wil ik nu juist niet zeggen, want we dienen rekening te houden met je ziekte; maar toch, een ontbijt zal ’t niet wezen.”

“Noem ’t zooals ge wilt,” hernam Jack, “maar doe me het genoegen en laat de bediende me wat eten geven. Geroosterd brood of zoo iets, ’t komt er minder op aan wat; maar het liefst zou ik er een kop koffie bij hebben.”

“Gij vergeet dat we op de hoogte van Finisterre zijn en nog wel in een adelborstenkajuit. Koffie is er niet, en van geroosterd brood kan geen sprake zijn, om de eenvoudige reden dat we in ’t geheel geen brood hebben; maar wel kan ik den hofmeester verzoeken een kop thee met wat scheepsbeschuit en boter voor je klaar te zetten.”

“Welnu,” hernam Jack, “gij zult me verplichten met me dat te bezorgen.”

“Hei daar!” riep Jolliffe een matroos toe, “laat Mesty eens hier komen.”

De toegesprokene droeg het bevel aan een volgenden matroos over, deze weer aan een derde en zoo ging ’t van mond tot mond, tot het eindelijk vooruit op den bak den bedoelden persoon bereikte.

Deze was een neger, indertijd naar Amerika overgebracht en daar als slaaf verkocht. Ofschoon zeer lang en schraal, teekende het lichaam toch groote spierkracht en het gelaat week geheel en al af van den gewonen vorm bij zijn ras. Het hoofd was lang en smal, met uitstekende jukbeenderen, zoodat het gezicht naar de kin als in een punt uitliep; de neus was zeer klein, maar recht en van Romeinschen vorm; ook de mond was buitengewoon klein en de lippen Bladzijde 46veel te dun voor een Afrikaan; de tanden waren hagelwit en scherp gepunt. Of zijn bewering, dat hij in zijn eigen land den rang van vorst had bekleed, waarheid bevatte, viel natuurlijk niet uit te maken. Zijn meester was met hem naar New-York getrokken en daar had Mesty Engelsch geleerd, als men ten minste zijn broddeltaal dien naam wilde geven.

Daar men hem had verteld, dat er in Engeland geen slavernij bestond, had Mesty zich aan boord van een Engelsch koopvaardijschip verscholen en was op die manier ontvlucht. Bij zijn aankomst in Engeland nam hij dienst op een oorlogschip. De eerste luitenant, die hem aangemonsterd had, gaf hem om zijn vreemd uiterlijk den naam van Mephistopheles, wat al spoedig verkort werd tot Mesty. In vele opzichten was die Mesty een zonderling persoontje. Kwam hij soms te praten over zijn stamboom, dan was hij het eene oogenblik uitermate trotsch, en dan weer zwaarmoedig, ja gemelijk zelfs, maar in gewone omstandigheden, als niets hem in den weg zat, kon hij vermakelijk en grappig wezen.

Al spoedig kwam de geroepene opdagen, waarbij hij zich nagenoeg dubbel vouwde om onder de dwarsbalken door te komen en vervaarlijke stappen nam met zijn bloote voeten.

“Maar, Massa Jolliffe, hoe kunt u me nu laten roepen, terwijl juist mijn grauwe erwten staan te koken, en er hier en daar al zoo’n verwenschte rakker van een jongen op den loer ligt om er een handje vol uit den pot te pikken.”

“Je weet wel, Mesty, dat ik je nooit laat roepen, of ’t moet bepaald noodig zijn,” antwoordde Jolliffe; “maar deze arme jongen heeft sinds hij aan boord is nog niets te eten gehad en hij is erg hongerig—je moest hem wat thee geven.”

“Thee bedoelt u, meneer? Wel om thee te krijgen, dien ik toch in de eerste plaats water te hebben en vervolgens ruimte in de kombuis om een ketel te vuur te zetten. Maar waarachtig, meneer, al zou je maar enkel de top van uw pink willen branden, dan nog zou je er in de heele kombuis geen warm water genoeg voor vinden. Warm water om dezen tijd! Dat is immers totaal onmogelijk!”

“Hij zal toch het een of ander moeten hebben, Mesty.”

“’t Behoeft ook juist geen thee te wezen,” zei Jack, “melk is ook goed.”

“Melk? Spreek je van melk, Massa? Van de groenvrouw soms aan den wal?”

“We hebben geen melk, meneer Rustig; gij vergeet dat we in volle zee zijn,” hernam Jolliffe; “ik begin waarlijk te vreezen, dat ge tot het middagmaal zult moeten wachten. Wat Mesty zegt, is de waarheid.” Bladzijde 47

“Ik zal u wat zeggen, Massa Jolliffe, als ik den jongenheer eens in plaats van thee wat uit den ketel gaf, misschien zou hij daar genoegen mee nemen. Thee of nat van grauwe erwten, dat verschil is zoo groot niet. Zoo’n kom vol, met wat beschuit er bij en een scheut peper er in, zal hem goed doen.”

“Misschien is dat nog het beste, Mesty; ga ’t maar gauw halen.”

Na eenige oogenblikken kwam de neger terug met een kom soep, waarin heele erwten rondzwommen; ook zette hij een tinnen bord met kleine beschuiten en een peperbus voor onzen held neer. Op het gezicht van dit gerecht vervlogen Jacks visioenen van thee, koffie, geroosterd brood en melk; maar hij had een verbazenden honger, en toen hij aan ’t proeven ging viel ’t hem nog bijzonder mee; zoo zelfs, dat hij niets van het maal overliet en zich na het gebruik er van veel prettiger gevoelde. Dra klonken er zeven slagen aan de klok en hij volgde nu meneer Jolliffe naar het dek.