***
De „opzet” is ten minste een voornaam iets en de „kleinigheden” of einddétails aan het slot zijn wederom voorname dingen. Laat een minister, een notaris, een predikant nooit iets anders dragen dan een zwarte of hoogstens donkerblauwe das—(die laatste voor den minister alleen); laat verder óns met onze das trouw harmonieus blijven aan onze stemming. Een das is aan ons toilet een voornaam détail: zelfs de elegante man kan, zoo hij voor „stemming” vatbaar is, op een triestigen dag wel eens behoefte hebben een lekker oud pak aan te doen: hij zal echter zijn das zorgzaam kiezen in stemming-kleur en steeds de knoop er van goèd leggen. Wie geen das weet aan te doen is nooit elegant. Wie een das kiest met te sprekend figuur is nooit een stemmingvolle das-aandoener. De effen das, en die in bijna àlle tinten, is de das voor wie elegant is en stemming-wisselend. Zoo een das geeft beminnelijk vrij spel in onze opgelegde toiletslavernij. Voor den Italiaan geeft de zakdoek een eveneens zoo beminnelijk vrij spel. Mag de elders geboortige caballero of gentleman wel eens een schuchter piekje doen verschijnen uit linkerzak, aarzelend puntje, dat absoluut niets zegt, de Italiaansche zakdoek doet meê met de stemming. Fronst zich het voorhoofd van den bezitter, om zorg, kwaad humeur of wat ook, dan... verdwijnt de zakdoek geheel. Verheldert zich de zieleatmosfeer, dat wipt de zakdoek te voorschijn maar losser dan bij anderen volksaard. Is er echter blijdschap en azuur in dezelve, dan fladdert, vroolijke slip, langere wimpel de lucht in...
***
Hoed, wandelstok, handschoenen, bloem in het knoopsgat, wat zoû niet voor u te bepeinzen zijn! Ieder onderdeel van het mannelijk toilet is minstens eenige bespiegelingen waard, en het heeft mij wel eens verwonderd, dat een elegante sonettendichter nooit eens die onderdeelen of bovendeelen van ons toilet heeft gewaagd te bezingen in een gevoelvollen sonnettenreeks. Mijn taak, o lezer, is eene modestere. Mijn taak is alleen u even te hebben doen denken aan de relatieve schoonheid van ons mannelijk toilet. Ik ben overtuigd, dat gijzelve, zoo gij er thans behoefte toe gevoelt, even ernstig gewichtig als ik, zult kunnen bepeinzen over deze gewichtige vraagstukken:
Is het dragen van een hoed op éen oor geoorloofd voor den gentleman of caballero...
Moet, dit aangenomen zijnde—bij het groetend af nemen van den hoed, dien hoed weder (argeloos) in de zelfde schuinte worden op gezet of nièt?
Moet de zakdoekslip, de vroolijke, de blijde, de wimpelende, zoo de zakdoek ter neuze gebracht is... wederom ten zak worden in gestoken met een poging om de zelfde lengte van slip te verkrijgen...?
Is het beter in natneuzige dagen een bij-zakdoek bij zich te hebben? Of staat, op het moment der snuiting, het nièt goed zakdoek te zien bij zakdoek?
Is de wandelstok een vereischte voor de aflijning der mannelijke maar elegante silhouet?
Is er een datum van lente om de handschoenen uit te laten, mede te dragen of te supprimeeren?
Zijn juweelen „gedistingeerd” of nièt „gedistingeerd” of hangt dit van de persoon af?
Is het beter de steel van een anjelier vast te spelden achter den revers of verdient het aanbeveling gebruik te maken van het trensje, dat voorzienige kleedermakers niet na laten te dier plaatse aan te brengen?
Bepeins de gewichtige vraagstukken zelve, o lezer. Natuurlijk, ik zoû ze voor u kunnen bepeinzen. Ik zoû over ieder gewichtig vraagstuk, hier boven vermeld, een paar bladzijden kunnen geven, met ja of neen, met pro en contra. Maar ik doe het niet. Want de voornaamste kwaliteit van een schrijver is... te zwijgen op het moment, dat hij den lezer tot bepeinzen heeft opgewekt...
En ik wil u niet te lui maken: ga dus rustig zelve aan den gang!
DE MASKERS.
Het was zeker wel iets heel aardigs in de Pergola—het oudste maar steeds elegantste theater van Florence—de Maskers, de Italiaansche Maskers, te zien herleven. Wij hebben ze vooral gezien in de stukken van Goldoni. Ik kende Goldoni eigenlijk al heel weinig; in mijn Italiaansche lessen bij mijn vader had ik, een éeuw geleden, wel eens Goldoni in gezien maar hij had mij verveeld en nu dat hij zich aan mij geopenbaard heeft op een Italiaansch tooneel, heeft hij mij daar-en-tegen niet anders dan geamuzeerd, vind ik die achttiend’-eeuwsche „oude pruik” wel een heel geestig en zelfs fijn psychologiesch auteur, te vergelijken met Molière en daarbij nog bekorend door een zeker eigenaardig en fijn parfum in stijl en manier, iets dat waarlijk allerliefst was, delicaat en exquis. Een stuk als „Schoonmoeder en Schoondochter”, dat zoo lichtelijk had kunnen ontaarden in flauw conventioneele klucht, was alleraardigst van fijn ouderwetschen, achttiend’-eeuwschen humor en zielekennis, terwijl de „Verstandige Vrouw”—een achttiend’-eeuwsche Griselidis-geschiedenis—misschien nog bekorender was omdat een absoluut nièt modern maar toch wel in vroegeren tijd bestaanbaar en zeer lieflijk en daarbij geestig vrouwekarakter ter scène gebracht werd: de „verstandige vrouw”, die véel duldt van haar echtgenoot omdat ze hem lief heeft en zijne vrouw is, tot zij hem eindelijk wint door haar „verstandigheid”, haar trouw, haar geest, haar lieftalligheid.
In deze aardige stukken, wier bizonder parfum ons even vergeten deden Bernstein-achtig psychologie-raffinement, Grand-Guignol-bliksemeffect en wat meer zij van onzen eigenen tijd, was de charme nog verhoogd, doordat eenige rollen gespeeld werden door de „Maskers”, zoo als dat in Goldoni’s tijd gebruikelijk was.
***
Ik heb wel eens in vroolijken Carnavalstijd gedacht—maar in Nice, niet in Florence—: denk eens, dat de wereld en het leven nièts dan Carnaval was, altijd Carnaval en dat wij allen nièts anders waren dan Pierrot en Arlekijn en Colombine, met maskerzielen, maskeravonturen, maskerlief en -leed... Een gekke gedachte natuurlijk, alleen in Carnavalspret of... idem -weemoed te denken! Maar in zoo een stuk van Goldoni zijn het leven en de wereld, zoo dan niet heelemaal, toch wel voor de helft „Carnaval” en geestig en bekoorlijk en soms gevoelvol „Carnaval”. Want zijn de deftige rollen meestal „de graaf” en „de markiezin” en zijn de jeugdige rollen meestal Florindo en Rosaura—de geliefden, die elkander „krijgen” ten slotte—de andere, de reliëfrollen komen den Maskers toe en zij gedragen zich wel zonderling Carnavals-achtig in die zelfde deftige of liefdevolle achttiend’-eeuwschheid. En zoo zagen wij tusschen de gepoederde pruiken en paniers over kanten onderhoepel, tusschen de fluweelen rok met jabot en korte broek met kuiten, tusschen mouches en complimentjes en fadeurs zich bewegen de Maskers van Pantalone, den Venetiaanschen koopman, van Arlecchino en Brighella, de twee Bergameske knechtentypen; zoo zagen wij in het zevendtiend’-eeuwsche kluchtspel der „Vergeefsche Voorzorgen” den barren Capitano Spaventa, die bang is zelfs voor het houten zwaard van Arlekijn, den Bologneeschen Dokter Balanzon, wiens welsprekendheid geen einde neemt; Tartaglia, den stotterenden notaris en Colombine, het kamerkatje, zij dartelend àlle stukken door. Aardige, speelsche types, onschuldig—ons misschien bijna te onschuldig—naïve, dartele, grappige, geestige of zelfs flauwe maar steeds weldadig primitieve karaktercreaties van het theatergenie, waren zij in de stukken van Goldoni vooral charmant van kleur en carnavaleske onwaarschijnlijkheid, met eene onwerkelijkheid vól aplomb, zoo als zij zich bewogen in hunne typische, kleurige pakjes, zoo als zij de intrigue verslingerden of ontwikkelden met hunne marionet-gebaren, zoo als zij redeneerden en „facéties” verkochten, door hunne maskermonden heen. Het tooneel werd door hen plotseling zéer primitief, bijna origineel, het verloor àlle moderne vooruitgang van theatraliteit, alle latere ingewikkelde benadering van realiteit of modernste Reinhardt-stylizeering: het deed, met éen dartelen sprong terug, denken aan de eerste eeuwen, toen de mimen tijdens het Dionyzos-feest zich het gelaat fardeerden met droesem van wijn, tot Aeschulos de eerste maskers uitvond, met den tragischen grijns, die den stap op hooge tooneelbroozen, op plechtstatige cothurnen onvermijdelijk maakten. De komische grimas was in deze maskers verworden tot de zwarte tronie van Arlecchino, het gesnorde, goedige bakkes van Pantalone, de brutale snuit van, met zijn mantel arrogant wapperenden, Brighella. En door familie-moeilijkheidjes, schoonmoeder- en dochteroneenigheidjes, door cicisbeo-intriguetjes, door humeur-incompatibiliteit van boozen man en geduldige vrouw weefden de Maskers hun humor, hunne dartelheid, zelfs hun gezond verstand heen, tot het geheel werd voor ónze geblazeerde oogen en geesten een allerliefste frischheid, iets kinderlijks, een bevallig poppenspel voor groote menschen, misschien niet iederen avond te genieten, maar zeer zeker als afwisseling, als iets historiesch en antiquariesch niet anders te volgen dan met bekoorde oogen en glimlach en een geboeiden geest...
***
Deze Maskers ontstonden in vroegere en latere eeuwen, in kleinere en grootere Italiaansche steden: zij ontstonden om boert en klucht, zij ontstonden ook om satire, om de waarheid ongestraft nu en dan eens te kunnen zeggen tegen vorstelijkheid en geestelijkheid. Arlecchino zelfs willen de geleerden terug brengen tot de antieke, oud-Latijnsche Atellaansche kluchten—de boerden, geboortig uit Atella, de Campanische stad, beroemd om haar quasi-dommen, droog komieken humor. Arlecchino boogt daarbij op zijne Bergameske legende: dat hij een beminde, arme jongen was, wien zijne rijkere makkers, om hem een feestgewaad te bezorgen, ieder een stukje laken of zijde brachten. Rood, geel en blauw geruit of gedriehoekt van nauwsluitend gewaad, slank en lenig, sluw en leep, is Arlecchino bij Goldoni de knecht van markies of gravin, of verkleedt hij zich ook als de bedottende Armenische koopman in antiquiteiten. Maar Arlecchino is zelfs vóor Goldoni,—waar hij contrast moet vormen met achttiend’-eeuwsche hoffelijkheid en élégance—zelve een eleganter type geworden: hij is niet zelden de dichterlijke minnaar, kinderlijk en beminnelijk, dwepend en melancholiek en benadert zoo den Franschen Pierrot: hij verwisselt dan zijn houten zwaard, waarmeê hij kapitein Spaventa (Angst)—Plautus’ ouden Miles Gloriosus—op de vlucht jaagt, voor guitaar en mandoline. Colombine wordt nièt op hem verliefd maar heeft toch wel medelij met hem en het publiek verteedert om Arlecchino’s dichterlijke weekhartigheid: het voelt de eigene betere ziel in de even geknakte, gratieuze figuur van den bont beruiten weemoedeling, die plots onder kluchtigheid zijn te groote smart verbergt. Brighella, in het wit, met groene tressen en tresjes versierd, en met zijn brutaal masker met baard, is, even als Arlecchino, meestal de knecht van adellijken meester of meesteres: hij wappert laatdunkend met zijn wijden, waaienden mantel; hij rammelt met de hem toe vertrouwde sleutelbos; hij is niet op zijn mondje gevallen; hij is van alle markten thuis; dol op intrigue, is hij een onwaardeerbare dienaar voor verarmden of verliefden meester.
Dokter Balanzon, uit Bologna afkomstig, dien soms een zwart fluweelen papegaaineus maskert, is wijsgeer, geneesheer, geleerde, advocaat, astronoom, naar mate het den schrijver van het kluchtspel past. Hij verliest zich in zijn eigen woordenstroom; hij is de satire op de breedsprakige geleerdheid; geheel in het zwart gekleed, is hij met zijn kakatoe-profiel een sobere belachelijkheid, die, niet jong, daarbij wel eens verliefd wordt op de blonde Rosaura of Isabella en de verwikkeling der intrigue samen wart, tot Florindo, de jeune-premier of Leandro of hoe hij heeten moge, met de Liefde als hulp weet te zegevieren over alle „onnoodige voorzorgen” van barren vader, boozen broeder of voogd.
***
Maar een der aardigste maskers is zeker wel Pantalone—dei Bisognosi—als Goldoni hem noemt. Want in de stukken van Goldoni is deze Venetiaansche koopman meestal de Pantalone der Behoeftigen: hij is slim maar mild, hij is koopman maar met een eerlijk, goed hart, en daarbij is hij de verpersoonlijking van het gezond verstand. In zijn roode buis en broek, met zwarten mantel en baret en met vooral zijn lang gesikte masker, is hij in „Schoonmoeder en -dochter” de vader van het burgermeisje, dat den jongen graaf heeft gehuwd en niet overweg kan met de oude, pretentieuze, coquette gravin-moeder, tot dat Pantalone zijne dochter op het hart drukt: heb toch tàct met zoo een aanzienlijke, adellijke dame als je schoonmoeder is; bedenk, dat jij toch maar een koopmansdochter bent, wees toch altijd beleefd en eerbiedig tegen over zoo een aanzienlijke gravin... De beredenaties van den gemoedelijken Pantalone zijn doortrokken van een vroegeren, ouderwetschen geur: standsverschil, kaste-eerbied worden er in gehuldigd met een charmanten eenvoud: als de dochter klaagt, dat zij, zelfs in huis bij haar schoonmoeder—want het jonge paar woont, naar gewoonte, in bij het gravelijk schoonouderpaar—geen voegzaam kleed krijgt trots haar grooten dot, en niet naar de conversazione meê mag, is het milde Pantalone, die haar een gevulde beurs in de hand glijdt. En zijn beminnelijke persoonlijkheid geeft aan het blijspel eene carnavaleske typeering maar eene van goedhartigheid en vooral verzoenend gezond verstand, die doen bedenken, dat ook in de carnavalswereld niet alles dol of dwaas of blague behoeft te zijn.
***
De Italiaansche Maskers zijn legio. En zij zijn meestal allen kwijnende of... geheel dood. Wie weet nog van Cassandrino en Cassandro en Coviello, wie van Facanapa, Gianduja en Menighino; wie bemoeit zich in Rome nog met Meo Patacca en Marco Pepe; zelfs Mezzettino en Pasquariello, Pulcinella, Rugantino, Ruzzante, Scapino, Scaramuccio slepen kwijnende bestanen voort. Misschien is alleen de Florentijnsche Stenterello, de droogkomieke waarheidszegger, die met zijn afgezakte kous en pruikestaartje wel eens welke klucht ook, zelfs „Charlies Tante”, op de mindere Florentijnsche planken doorspekt met would-be humor, de eenige levende onder hen gebleven. Zij waren te velen, deze grappenmakers. Zij zijn ook voor onzen tijd te naïef, te eenvoudig, te goedmoedig gebleven. Want zij waren nooit scherp satiriesch, zij waren nooit prikkelend pervers; hunne hansworsterijen, amoureus of kritizeerend, bleven steeds binnen de grenzen van het hoorbare en oorbare, van het zegbare en droogkomiek-wederlegbare: op kwinkslag volgde kwinkslag: dit alles is den modernen schouwburgbezoeker te lang, te langedradig, te saai, te goedig, te peper- en zoutloos geworden voor zijn geblazeerden smaak en de Maskers, de arme, aardige, lieve Maskers, zij hebben zich meer en meer tusschen de coulissen terug moeten trekken...
Maar ze een enkelen keer weêr te zien, als wij ze in de Pergola hebben gezien, en vooral in de stukken van Goldoni, was heusch eene bekoorlijkheid. De groote, kleurige poppenkast maakte onze àlles genoten hebbende geesten even weêr kinderlijk jong...
En na der Maskers naïve spel bevroedden wij eerst weêr hoè blasé eigenlijk die moderne geesten in der jaren loop geworden zijn!
CONVERSATIE.
Ik had eigenlijk hierboven een veel levendiger titel willen plaatsen: nl., de allitereerende titel: Klapaaien en kletsen. Maar misschien is klapaaien niet bepaald een akademiesch woord en zekerlijk is kletsen een léelijk woord en omdat men wel eens in een titel een zekere fadeur moet te pas brengen om niet dadelijk àf te stooten, wil ik heden zoo diplomatiesch zijn om mijn titel niet te schilderachtig vulgair maar liever meer onbeteekenend belofteloos te kiezen terwijl ge toch nu reeds weet, dat de lekker klinkende kl-klank mij véel meer speelde door den geest, dan het weinig zeggende woord van goede educatie, dat ik hier boven stelde.
Wat ik eigenlijk te zeggen heb onder, òf den een òf den anderen titel, is, dat de menschheid, op welk taalgebied hij ook geboren is, een onweêrstaanbare behoefte vertoont te kl... ik meen te converseeren. De... conversatie-lust van den mensch is iets onbluschbaars: hij—of zij—moèt de kaken bewegen en eenig geluid voort brengen, dat het een of andere beduiden moet. Die beduidenis is echter bijzaak: hoofdzaak is het gekl... ik meen de conversatie zelve. De mensch is niet gemaakt om stilzwijgend te zitten, om stil te staan en te gaan. Zelfs zijn er métiers, waarbij de conversatie niet stil staat, welke voortdurende loop der conversatie niet altijd ten goede komt aan die métiers of aan hun doel. Kunt ge u bij voorbeeld voorstellen twee dienstmaagden, die de kamer naast de uwe samen „eene goede beurt” geven en die zich te gelijker tijd niet zouden overgeven aan de wellust van... de conversatie? Conversatie-aandrang is een menschelijke zwakheid, het bewegen der kaken en het voortbrengen van min- of meer beduidenis-hebbende woorden, zinnen en peroraties is een fyzieke behoefte zoo goed als eten en slapen. Dit is zelfs zoo sterk, dat als Mietje zònder Keetje de kamer naast de uwe de beurt geeft, zij, als zij niet haar hoogste lied uit schalt, conversatie houdt met emmer, dwijl of zichzelve. Wanneer is de visch te zout? Als de kok converseerde (sprenkel zelve maar de klinkende kl-klanken, o lezer!) met de keukenmeid of de koksjongen en het zout met te afgetrokkene vingers strooide... Wanneer is uw haar links lichtelijk anders gecizeleerd door de kapperschaar dan rechts? Als de coiffeur converseerde over weêr en politiek met zóo veel enthoeziasme, dat zijne meteorologie en staatkundige overtuiging hem verhinderde te letten oog te hebben voor de schoonheid der symmetrie. De koetsier converseert met zijn rozinante, de eenzame dronkaard met zijn fiasco, die hij omhelst, maar woordenloos blijft noch de een noch de ander. Dit zijn de eenvoudigen onder ons maar ook die van samengestelder opvoeding en levensbeweeg kl... ik meen converseeren, dat het een aard heeft. Het trottoir vóor Gilli is de... conversatie-stoep van advokaten, officieren en notabelen. Café en tea-room zijn... conversatie-colleges. Winkels en magazijnen zijn de uitgezochtste gelegenheden voor conversatie-salons tusschen allen, die ù bedienen moesten maar het prefereeren de kaken tegen over elkaâr te bewegen. Door de geheele stad trillert de conversatie en alleen de wachtkamer van den dentiest is misschien een der weinige oorden, waar de conversatie verbannen is door het koude, vijandige zwijgen van wie nijdig in stilte berekenen, dat zij nog een half uur minstens te wachten hebben na u...
Wat is de telefoon een heerlijke uitvinding voor de conversatie-behoevende menschheid! Een zich tijdelijk eenzaam bevindende conversatie-behoever wandelt op straat... Hij ontmoet niemand... Hij heeft twee woorden gewisseld met den schoenpoetser, die hem de schoenen heeft gepoetst op den éenen hoek, met den dagbladverkooper, bij wien hij zijn courant heeft gekocht op den anderen hoek van de straat. Nauwlijks ènkele woorden maar... om verschil van opvoeding, rang en stand zéer weinige. En hij ontmoet niemand. Niemand. Waar zijn zijne kennissen toch van daag! Zijne kaken worden stijf: hij geeuwt van... conversatie-lust. Zijn medemenschen loopen hem haastig, onverschillig voorbij. Hij blijft even op den rand van het trottoir staan, om zich minstens te goed te doen aan het... ik meen dè conversatie van zijn courant. Maar de gedrukte woorden leven niet en daarbij, hij moet zèlve... converseeren. Wat een ander tegen hem... converseeren wil, komt er minder op aan. Neen, hij houdt het niet langer uit. Hij wipt in eens Gilli binnen... kennissen zijn er waarachtig weêr niet, maar er is... de telefoon! Zalig ding! Wie zal hij op roepen? Zijn vriend, de zuster van zijn vriend, de meid van de zuster van zijn vriend...
Heerlijke uitvinding! Eindelijk, eindelijk, na een, twee uren gedwongen bijna niet onderbroken zwijgen is het den conversatie-behoever gelukt te... converseeren. Hij converseert eerst, boos, met de juffrouw van de telefoon, die hem niet direct aansluiting geeft: dat is juist goed om wat gal uit te storten. Dan... met de meid van de zuster van den vriend. Dàn met de zuster zelve, die zegt, dat de vriend al uit is... Het doet er niet toe; hij converseert dan toch met de zuster en ach, de zuster smachtte ook zóo naar een... conversatie-praatje, dat de telefoon ook haar een gewenschte afleiding gaf. Te zeggen aan vriend of zuster heeft onze... conversatie-behoever eigenlijk niets. Maar hij beweegt zijn kaken; hij uit klanken en woorden, hij formeert korte, levendige zinnen, hij bevrijdt zich van een vreeslijken dwang: die van het stilzwijgen; hij ontspant zich, zijne spieren rekken, zijn bloed vloeit sneller... Gelukkig! Hij héeft gesproken, hij heeft... geconverseerd: hij heeft kunnen vragen aan zijn vriends zuster of de vriend dien middag bij Gambrinus met hem zoû willen komen koffie-drinken; er zijn om die vraag eenige andere arabesken van beleefd... ik meen beleefdè conversatie geweest: excuzes, vraag naar gezondheid etc. etc, en onze arme behoever is een ander mensch geworden: opgelucht drinkt hij zijn vermouth; zijne kaken vermalen, na het... conversatie-tje, twee, drie pasteitjes, en hij verlaat de koekenwinkel veerkrachtig van tred en helder flikkerend van oog. Dan stuit hij in eens op den vriend zelve... en nù is hij voor een uurtje gered.
Zoo zijn wij... arme menschen, arme, kleine, menschen, die het zware zwijgen zoo moeilijk lange kunnen verdragen, die den gouden rijkdom van de woordlooze stilte zóo moeilijk genieten kunnen, dat wij liever de versleten dubbeltjes onzer... conversatie er voor geven in ruil. Zoo zijn wij en... zoo zijn zelfs onze minder begenadigde medeschepselen, zij die géene woorden tot hun dienst hebben: de dieren. Zoo converseeren met elkaâr, zoodra het eenigszins mogelijk is, de honden, die elkander rond het lijf draaien met obscene kennismaking, de katten, die miauwend elkander ontmoeten op de dakeranden in de lucht of de lieve paarden, die elkander met de vochte snuiten zoo roerend kunnen toe spreken in hunne klanklooze, woordlooze taal, die wij niet verstaan. Zoo zijn de vogels, die twetteren over tak en twijg; zoo is de kip, die trotsch heeft haar ei gelegd; de haan, die de zon doet rijzen. Zoo zelfs zijn de bladeren, die ritselen en de wind, die ruischt, en het water, dat kabbelt, want de gehéele natuur heeft behoefte aan... conversatie.
De gouden stilte is te zwaar voor de natuur en hare schepselen, dan dat zij haar langen tijd durven te dragen. De gouden stilte, de dagestilte, als zichtbaar dringend om ons het leven klopt, is te gedachte-, te zielerijk om, door den mensch vooral, lange gedragen te kunnen worden. Het eenzame woud beklemt ons, de eenzame bergtop doet ons smàchten een anderen toerist te ontmoeten. De twee uren, die wij alleen en zwijgend in onze werkkamer door brachten, gaan ons plotseling angstig suizende kloppen, hameren in onze ooren en slapen. De eenzaamheid in de menigte doet ons ons voelen als een drenkeling op de golven... Het woord is de stroohalm. Een ènkel woord gezegd rèdt ons van het angstige gevoel te zinken... Na ons werk zoeken wij als drónken van stilte den mond te openen, te spréken... De zilveren stilte is te verdragen. De bleeke stilte van nacht of starrelucht en de donkere stilte van nachtekamer. Uren kunnen wij haar soms verdragen in meditatie, in slapeloosheid. Ook de natuur verdraagt haar beter. Ook de dieren verdragen haar beter. De conversatie heeft dàn eindelijk uit...
Maar overdag, neen, neen! Ge zijt een rijk en krachtig man, als ge de zware weelde der woordenloosheid dàn kunt proeven zònder bedwelmende dronkenschap, die niet den alsem na laat der melancholie. Alléen, zonder met wie, sympathiek aan uw ziel, de woordeloosheid meê met u draagt. Want samen haar te dragen is een zoet genot, de lieve wellust der sympathieke zielen. Maar alléen, eenzaam, haar mede te torsen is de zware last voor de kleine zielen. En daarom zullen wij hen, en òns met hen, niet met te veel ironie overstelpen als zij behoefte toonen aan... conversatie, even als aan slaap en voedsel.
En de telefoon vooral dus zegenen, toeverlaat in de meest tragische oogenblikken! En Edison zegenen, de weldoener der... conversatie-behoevende menschheid!!
INHOUD.
Opmerkingen van de bewerker
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:
| Plaats | Bron | Correctie |
|---|---|---|
| Bladzijde 8 | Teatro-Verdi | Teatro Verdi |
| Bladzijde 11 | [Niet in bron] | ” |
| Bladzijde 12 | rhytme | rythme |
| Bladzijde 16 | uit bloeiende | uitbloeiende |
| Bladzijde 18 | [Niet in bron] | ” |
| Bladzijde 18 | zoûden | zouden |
| Bladzijde 25 | „ | [Verwijderd] |
| Bladzijde 25 | antifilozoof | anti-filozoof |
| Bladzijde 38 | zou | zoû |
| Bladzijde 40 | tenminste | ten minste |
| Bladzijde 40 | onderderhandelen | onderhandelen |
| Bladzijde 43 | Nootlot | Noodlot |
| Bladzijde 52 | finito | Finito |
| Bladzijde 59 | er er | Er |
| Bladzijde 64 | lenteachtig | lente-achtig |
| Bladzijde 68 | iedëre | iedere |
| Bladzijde 69 | ons | onder |
| Bladzijde 70 | zou | zoû |
| Bladzijde 75 | achttiend’eeuwschen | achttiend’-eeuwschen |
| Bladzijde 76 | achttiend-eeuwschheid | achttiend’-eeuwschheid |
| Bladzijde 78 | elegance | élégance |
| Bladzijde 80 | droog-komieke | droogkomieke |
| Bladzijde 82 | conversatielust | conversatie-lust |
| Bladzijde 85 | excuses | excuzes |
| Bladzijde v | toilet | Toilet |