WeRead Powered by ReaderPub
Jan en Florence cover

Jan en Florence

Chapter 9: KORTE NOTITIES.
Open in WeRead

About This Book

A first-person narrator returns from Spain to Florence and reflects on travel, museums, and the peculiar feeling of claiming artworks through repeated visits, admitting pride in the Uffizi and the Vatican but resignation about the Prado. A candid friend, Jan, criticizes extended travel feuilletons and pushes the narrator toward lighter, fresher sketches. The resulting pieces blend reminiscence with intimate Florentine detail—rooms of a palazzo, a faithful porter, domestic routines—while musing on memory, artistic possession, and the writer's struggle to keep impressions alive without growing dusty.

DE DROOMEN.

Ik heb van nacht gedroomd, dat...

***

Wat is het vreemd, dat wij droomen! En wat is het eigenlijk gêk! En wat weten wij er eigenlijk weinig van! Van Eeden heeft ons in De Nachtbruid veel moois van droomen gezegd en doen denken, en zelfs Duitsche professoren,—die ik niet gelezen heb—vertellen veel van droomen, maar toch weten wij eigenlijk weinig van droomen en is het heel vreemd en heel gèk, dat wij droomen... Droomen wij eigenlijk wel ooit van mooie, lieve, dierbare dingen? Zoo ooit, zij blijven toch de uitzondering... Is de droom „als een droom”, dan waarlijk is de droom de uitzondering... Meestal zijn de droomen vreemd en gèk... Zijn wij dan de onmachtige slachtoffers van plaaggeesten en demonen? Wie weet, wie er om ons dwalen, als wij in de nacht roerloos liggen in onbewustheid? Sluipen de plaaggeesten en demonen binnen in onze voor elkaâr steeds geslotene ziel? Wie weet de geheime poorten en geheime gangen van onze zielen? Wie, waar zij open zich sluit en doortocht verleent aan subtile, duistere geesten, die als inbrekers zijn in het onbewaakte zielehuis! Er zijn de hôtelratten, die, zwart omgoten, duister dwalen door gangen en zalen en binnen sluipen in de kamers en zich achter een koffer of in een kast verschuilen; des nachts zijn er ook de zieleratten, die, zwart, duister sluipen onze dan opene zielen binnen en zich verschuilen in geheime schuilhoeken om te voorschijn te gluipen als wij zelve geheel onbewust zijn... Zijn zij het, die donkere gnomen, die ons de rare dubbellevens doen leven, die meestal schoonheid en vreugde missen en willen zij ons iets brengen uit de diepte der Hel...?! Zelden houdt hen een engel tegen en ik moet wel gelooven, dat géen bewaarengel staat achter ons bedde. Zij hebben vrij ingang en spel. Zij weten voor ons op te roepen wijde kasteelen als dwaalhoven, waar wij steeds op de zelfde corridor onszelve tegen komen tot een doodzweet ons uit breekt; zij sluiten ons op in donkere hokken en geven ons dan vliegkracht, zoo dat wij òp vliegen als gevangene torren en steeds met de hoofden bonzen in de hoeken der doosnauwe cellen of zij werpen ons uit luchtballonnen, van torens, tot de ademen ons stokken of minstens jagen zij ons, zwevende, hooge trappen af in eenzame huizen. Zij doen ons ons hàasten voor vreemde reizen om toch niet te laat te komen aan huiveringwekkende stations en het is ons onmogelijk onze kleêren aan te trekken en wij vergeten telkens, telkens wat en komen altijd te laat of loopen wanhopig den trein na, vliègen hem na, zonder hem in te halen... Zij weten onze hoofden te ledigen, onze hersenen tijdelijk te rooven en met vreemde leêgtes onze breinen te vullen en er dan zelve in rond te draaien in zwarte, wijde ruimtes, die zich uit cirkelen als heelallen... of zij weten ons onvoegzaam te kleeden in drukke menigtes en obscene gebaren te hebben tegenover personen van aanzien, die alléen streng kijken en verder zich niet storen aan onze vreemde ongemanierdheid en zij laten ons plotseling stil staan, in ons hemd, op den hoek van een straat en voor ons op doemen een Groot Getal...

***

Maar het is soms of nièt alleen de gnomen en kwelgeesten toegang vinden in onze alleen in den droomslaap ontslotene ziel... Onze Dooden sluipen vaak binnen, zéer vaak... Zij gedragen zich meestal tegen over ons vreemd, en vermoedelijk begrijpen wij hen niet... De Dooden, die eenmaal lief tegen ons waren, gedragen zich in den droom niet zelden koud tegen ons en koel en toonen geen blijdschap des wederziens en schijnen ons kleine beuzelingen te verwijten, hebben ons onbegrijpbare grieven thàns tegen ons... Een Doode, die niet ons immer lief had als wij van hem verwachten mochten, nadert ons echter met een berouw en ontroering en de armen uitgestrekt en teedere liefkoozing en wij zijn het dan, die koel zijn en koud tegen over deze late betooning van liefde... Nimmer openbaren onze Dooden ons voordeelige geheimen of verklaren zij ons duisterheden van leven en dood. Zij gaan als onwillig onze zielen in en verlaten die weêr zonder heimwee. Zij laten vreemde melancholiën achter in onze ochtendmoede, wakkere zielen. Zij zijn vermoedelijk slechts binnen geleid door de kwelgeesten: ik heb soms de treurige gedachte, dat zij ons niet herkennen, als zij binnen ons zijn... Hoe kunnen zij anders zoo koud zijn, die ènkele berouwvolle Doode uitgezonderd? Wanneer zullen zij ons éens troosten, met een ènkel woord of gebaar, in ons moeilijke leven, dat ligt uitgevloeid in den tijdelijken nachtdood, als een ebbende zee aan het zand van een wijden woestijn... Zijn er dan nooit hemelsche geesten, een ènkele weldoende elf, die onze droomschimmen binnen leidt? Worden ooit binnen geleid de astrale lichamen, van wie wij beminnen en die ver zijn? Omhelzen wij óoit in den droom het dierbare wezen, dat ver is en aan wie wij dien dag zoo vaak dachten? Wiens brieven liggen bij ons hoofd, onder ons kussen, wiens liefde ons aanzag uit innige oogen, dien dag, in onzen wàkenden droom? Des nachts leidt niemand wie lief ons is binnen. Geen levende dierbare vindt de geheime poort en gang onzer ziel. Een noodlottigheid doet hem die nooit vinden. En onze droom wordt nooit een beminnelijk ernstig vizioen...

***

Het blijft meestal een snelle, warrelige, dwaze kaleidoscoop, maar zonder schoonheid. De vizioenen glippen, glijden, vergaan... Kàn men orde brengen in dezen nutteloozen chaos? Is het mogelijk, dat onze zielskracht leiding geeft aan het vreemde spel, dat de geheime krachten niet leiden willen voor ons? Is uit dit verwarde zielmateriaal op te roepen schoonheid en troost? Beduiden deze cinematografische trillingen ièts of nièts? Moeten wij er henen raden, moeten wij ze begrijpen, moeten wij er henen reiken met onze onmachtige hersens en handen? Kan ik ooit droomen wat ik wil? Kan ik ooit op roepen in den droom den lieven geest, die mij waarschuwt? Zal er ooit tusschen mij en hem wederzijdsch geven zijn? Zoo hij mij een voorteeken op roept, zal ik het ooit kunnen ontcijferen? Zijne getallen, die hij mij voor toovert, reken ik hen ooit goed na? De Italiaan, naar hen, speelt zijn lotto-spel en àlle droombeelden, bij hem, zijn getal, volgens welke hij speelt. Ik speel niet en vergéet de getallen. Wie weet, wat zij mij reeds te vergeefs hebben willen spellen in onbegrijpbare cijferkunst! Wie weet hoe dikwijls ik reeds een datum heb veronachtzaamd en een rijkdom geweigerd heb! Ik weet het niet. Ik weet niets. Ik ben een slaap behoevende moede man. Ik lig neêr in donkere nacht. Mijn ziel staat open, een onbewaakt huis. Zij sluipen binnen, zij doen met mij wat zij willen... zij spelen met mij, in mij, om mij hun steeds onverstaanbaren scherts. Zij grinniken hun kwade ironieën. Ik kan niets tegen hen. Ik lig als geboeid en begrijp hen niet...

Als ik ontwaak, is mijn zielehuis dicht. De morgen rijst grauw in mij op, de dag licht moedeloos op, ik voel geen levenskracht in mij, ik ben treurig, te treurig om den dag te beginnen...

Toch heb ik goèd geslapen...

***

En van nacht heb ik gedroomd, dat...

***

Of het de schuld was van Rampolla, wiens verloren testament toch heusch geen indruk op mij gemaakt heeft, weet ik niet, maar ik heb gedroomd, dat ik tot Paus verkozen was. Niets is verder van mij dan deze gekke eerzucht, in het werkelijke leven. Maar in den droom gebeurde het. Ik werd tot Paus verkozen. Ik was natuurlijk in een nachthemd, het klassieke gewaad, dat u omhult, als u in den droom iets zeer gewichtigs maar vreemds gebeurt. Een stoet purper sleepende kardinalen trad mijn kamer binnen. Hoewel die kamer vrij ruim is, zoû het in werkelijkheid onmogelijk zijn voor een stoet purper sleepende kardinalen er binnen te treden. Maar in den droom wijken de dimensies, worden wanden ijl, zijn meubels doorzichtig, boren spiegels diepe perspectieven. De kardinalen vulden mijn kamer en spiegels en de oudste beweerde, dat ik tot Paus gekozen was.

Het angstzweet brak mij uit.

—Zij zijn gek! riep ik—heel verstandig—uit. Hoe komen zij er aan mij tot Paus te kiezen!

Maar de kardinalen knikten zeer gewichtig, dat ik gekozen was.

Ik had het stikkend warm in mijn zoo passend gewaad.

—Ik weiger! riep ik fier, tot de kardinalen.

Zij meesmuilden als alleen in den droom kardinalen kunnen meesmuilen. Maar achter mij voelde ik mijn vrouw verschijnen. En zij boog zich aan mijn oor:

—Je kan dat zoo niet weigeren, fluisterde zij. Er is een groot traktement aan verbonden...

Ik dacht na. De slotsom mijner overdenkingen was, dat ik van meening veranderde en uit riep:

—Ik neem aan!

De kardinalen herademden. Ik had hen willen vragen hoe groot mijn Pauslijk traktement was. Ik deed het niet, uit discretie. Het zoû vermoedelijk nog al aangenaam zijn en ruim. Zij waren nu om mij bezig met allerlei pontificale gewaden. Zij schenen mij voegzaam te willen kleeden, waar in zij gelijk hadden. Ik was nieuwsgierig naar al de Latijnsche namen dier verschillende kleedingstukken en vroeg ze aan de kardinalen. Zij fluisterden mij ze in maar ik verstond ze niet. Ik kreeg een prachtig kanten koorhemd aan en een wit brokaten kazuifel en een goud brokaten dalmatiek en zij hingen nog allerlei dingen van goud en borduursel om mij en aan mij. Plotseling fluisterde de oudste kardinaal tot mij:

—Wij leiden je (sic!) nu naar de kerk, maar straks komt de kardinaal-staatssecretaris met je praten over de politiek...

Heete rillingen liepen mijn rug over. Maar wisten ze wel, die kardinalen, dat ik niet eens Katholiek was!! Een vrijdenker, neen, een heiden, een aanbidder der antieke goden! En de politiek, van af een Vaticaansch standpunt? O God, o God, riep ik in stilte, sta mij bij! Wàt moet ik straks zeggen...!

Het werd een cauchemar. In de verte opende zich een kerk. Maar het was nièt de St. Pieter. Er klonk vaag orgelgerommel, er klonken doffe stemmen van zingende menigte...

—Ze zijn gèk, dacht ik nog eens; mij tot Paus te hebben verkozen...!

De mooie gewaden wogen heel zwaar. En wàt zoû ik in Godsnaam straks zeggen tegen dien kardinaal-staatssecretaris!!

De nachtmerrie—het wàs er nu eene—verpletterde mij. Ik woû niet dom en belachelijk straks zijn... Ik zoû met dien kardinaal-staatssecretaris straks spreken... over de politiek! O God, o God, het was verschrikkelijk!! Wat had ik gedaan! Hoè had ik dat kunnen aannemen... zelfs om een aangenaam en ruim traktement!

—Ik zal ten minste waardig binnen gaan, schroefde ik mijzelven op, want ik beefde van angst op mijn voeten, die in blanke muilen staken.

Ik vouwde mijn handen waardig, precies zoo als ik dat wel eens den Kardinaal-Aartsbisschop in Florence had zien doen, in den Dom. En voelde mij dièp ongelukkig, om mijn vrijheid, die weg was, om die zware kleêren, die vreeslijke komedie, om dien kardinaal-staatssecretaris, die straks met mij zoû komen onderhandelen... over de Vaticaansche politiek!!

***

En toen werd ik wakker. Het was benauwd in de kamer en buiten zwoelde scirocco. En mijn edredon lag héel zwaar over mij heen. En ik voelde mij klam van lichaam en zwaar van hoofd...

Maar, o God, de zàlige verrukking van, wakker, niemand meer te zijn dan mijn arme zelf... en geen Paus meer te zijn, géen Paus!!!


DE SPREEUWEN.

Waarom zoû ik u niet over de spreeuwen schrijven en het geval „spreeuwen” boeken in deze Bladen? Moet ik er niet—willen zij iets beteekenen—de volledigheid in betrachten en als ik van mijn hangenden tuin—die van de markiezin—vertel, moet ik u dan niet van de spreeuwen vertellen?

Eertijds waren het de musschen. De musschen van Florences kwartier, waar ons paleis rijst, huisden allen en eensgezind in de boomen van den hangenden tuin. Ge moogt van de musschen denken wat ge wilt, ik heb wel een zwak gevoelentje voor zulke onpretentieuze en toch geestige en gevoelige vogels als musschen zijn. Onze musschen zelfs waren zeer welopgevoed. Zij zongen in den vroegen morgen een ochtendhymne en verdwenen dan naar hunne bezigheden. Zij kwamen tegen den avond met een avondhymne terug en gingen dan slapen op tak en twijg. Er was wel eens een battibecco over dien twijg en dezen tak, maar iedere musch vond een plàatsje en de nachtrust spreidde zich.

Tot op twee jaar geleden. Wat is het toch vreemd, dat in het leven der dieren, die om ons zijn, zoo veel ontsnapt aan de menschen. Vooral in het leven der vogels. De kleine vliegeniers, die boven ons, om ons zweven, geven ons niet veel van hun leven en misschien, dat hun leven mij juist daarom interesseert. Welke drama’s spelen zich niet af tusschen de gevleugelde horden. Kleine Balkan-oorlogen en revoluties misschien, vreemdelinghaat-tragedies en bloedige strijd-om-het-leven: ik weet niet wat al meer. Een feit is het, dat twee jaar geleden een paar groote, donkere vogels, twee, drie, meer niet, tusschen de musschen bij het huis-keeren verschenen. Hunne krijschkreten klonken plotseling door de rustige musschenhymne door. Maar zij vlogen weg, zij keerden zelfs niet den volgenden avond terug.

Zij waren de voorloopers, de spionnen. Zij waren de spionnen der spreeuwen, die, ergens, in hun spreeuwendomein bestookt werden door, wie weet, sperwers misschien, enkele haviken. Buiten Florence, in een Mediceïsche villa, ergens tusschen ilex, pijn en tamarisk van de Florentijnsche heuvelen dreigde een tragedie, die de menschen niet zagen. Bereidde zich een volksverhuizing voor. Naderde een Noodlot, eene Verschrikking... Hoe vreemd, hoe vreemd! Die kleine beesten, die vederschepselen, aan wie alleen de lucht schijnt toe te behooren en ter nauwer nood het getakte der boomen, die lucht-vrijen, die vogelvrijen—quantité négligeable voor òns, menschen—die beesten, die alleen piepen en krijschen kunnen—zingen niet eens—die vlieg-, piep- en krijschbeesten, die in òns menschenleven nièts zijn: zij maakten vreeslijke dingen door! Zij voelden daarginds, in de heuvelen, de Verschrikking, hun Noodlot naderen... Haviken, sperwers, wie weet het... uilen misschien, die nestelen in torenruïne’s of verbrokkelde muren... En zij, de spreeuwen, zonden spionnen uit en verkenners, voorloopers, ik meen voorvliegers. Die fladderden langs de Cascine aan maar bevonden het daar zeer bevolkt met allerlei groote vogels. Die fladderden toen boven Florence, de stad...

Waarom juist boven de stad? Zij meenden misschien, dat de stad der menschen, in de winters, voedsel zoû verschaffen aan hongerige, door het Noodlot bedreigde spreeuwen. Zij deelden zeer zeker dergelijke boodschap mede aan wie hen hadden uit gezonden. Zij verzekerden tevens, de voorvliegers, dat er in Florence tuinen waren, hangende tuinen, met dicht geboomte. Tuinen, éen tuin vooral, die alléen bewoond was, des avonds, door een onnoozele bevolking van musschen... Meerdere voorvliegers verkenden dat jaar met de eersten den hangenden tuin. De musschen piepten toen schel en protesteerden tegen; de tien spreeuwen fladderden weêr hóog en verdwenen...

Het volgende jaar, tegen den winter, scheen het Noodlot daar ginds—haviken, sperwers, uilen?—vreeslijker te dreigen. Spreeuwen fladderden af en aan; onze musschen protesteerden heviger...

Maar dit jaar is het gekomen. Daar ginds, op de Florentijnsche heuvelen, in de Mediceïsche villa, is dit jaar iets vreeslijks gebeurd. Een Balkan-oorlog, die een volksverhuizing tot nasleep had... Een vogelvolk-tragedie, door een vogelnoodlot op geroepen. Uilen, sperwers, haviken... of alleen een strenge winter?

Wat weten wij van het Noodlot der vogels? Ik weet alleen, dat, een morgen, er een vreemde, donzige stilte wazigde over den tuin. En toen ik, de blinden open, in den tuin zag, bespeurde ik, dat de stille sneeuw die nacht heimelijk was neêr gevlokt. Langs de warrelende en brekende en brokkelende dakenlijnen, die den tuin omzoomen met schilderachtige gevallen van roestbruin en grauwgrijs, langs schoorsteenen en windwijzer, langs ramen en raampjes trokken zich de mollige randen dons, of het Noorden was neêr gesneeuwd op het Zuiden. In den tuin lag het blanke dons op de breede bladeren van latania-palmen en hing het tusschen de ijle stammen van bamboe. De Januari-bloeiende camelia’s blankten van bleeke bloemen, die schenen sneeuw en blankten van sneeuw, die scheen bleek gebloemte. Ook de oleanders bloeiden van sneeuw Het vijvertje was overvliesd en de vischjes waren gedoken. En de musschen waren reeds, na huiverige ochtendhymne, uit getogen naar hunne bezigheden...

En dien middag gebeurde het. De tuin was iets minder mooi geworden in een bleeken zonnestraal, die dadelijk verzwijmd was, en de musschen, zich voor bereidende tot avondhymne, keerden terug. Maar te gelijker tijd wolkte het zwart aan uit het Westen en de musschen, door de eerste maten der hymne heen, piepten angstig. En de wolk streek dichter en dichter, het scheen wel een zwarte sneeuwwolk te zijn, die dreigde neêr te dalen, maar het wàs geen sneeuwwolk; het was het spreeuwvolk! En het vreeslijke spreeuwvolk, als een Barbaarsche invazie, als een duistere demonenhorde, met wijde fladderende vlerken en spitsen snavel en snerpend geroep zonk plotseling donkerend, dreigend en krijschend neêr, ontlastte zich als een zwarte hagel over den kleinen, vierkanten tuin van Zuidergeboomte in wintergewaad, van palm, bamboe en oleander in sneeuwgedooi en viel als een geesel Gods te midden der verschrikte musschen. Want de spreeuwen hadden daar ginder hun Noodlot ondervonden en ontvluchtten het naar den hangenden tuin en zij werden er zelve een dreigend Noodlot, een Noodlot voor onnoozele musschen.

De musschen zongen geen hymne meer; zij piepten en vlogen in dwarrelende kringen en de moedigsten hunner pikten. Maar de groote spreeuwevlerken overfladderden de musschewiekjes en spreeuwen en musschen warrelden samen tot éene vreeslijke verwarring, tot een heroïschen strijd in de lucht tusschen de daken en onder de wolken, strijd naar welken de menschen keken. De menschen keken op uit de straten. Keken uit door de ramen en ook de katten kwamen kijken. Het waren de gootkatten en dakkatten: het waren de katten, die, ’s nachts verliefd, weten van dwalingen langs dakeranden en lunaire ontmoetingen met fosfor-oogige katers en in den zinkenden avond, in de grauwe avondluchtstemming, vol bedreiging van méer sneeuw tusschen dooi heen, silhouetteerden hunne ronde ruggen en kronkelstaarten en steile snorren tusschen dakpanlijnen en schoorsteenverschieten. En als de menschen zagen de katten naar den vogelstrijd tusschen tuin en lucht. Toen... vlogen de musschen van daar, een zwakke, verwarde horde, die verfladderde... waarheen? Waarheen... in de donkerende nacht van natte dooi en dreiging van sneeuw? Waarheen... in de huiverige velden tusschen de Florentijnsche winterheuvelen, waar sperwer en havik heerschen, terwijl in de brokkelmuren der stad verborgen de uilen houden de wacht? Waarheen... in het avontuur van het duistere Onbekende...?

De katten, niet meer nieuwsgierig en zich schikkende noch spreeuw noch musch te zullen vangen, zigzagden de daken af en de menschen gingen door en trokken zich van de ramen terug. Maar iets vreeslijks was gebeurd, niet minder vreeslijk dan in den Balkan en in Turkije. Want wàt is voor de goden dimensie?

En die nacht was geen rust in den hangenden tuin. Er bleef het gesnerp der spreeuwen krijschend en krassend door snetteren als met het vlijmend geslijp van messen. De geheele tuin was vòl spreeuwen. Hoe velen overvulden den tuin? Hoe velen waren sperwer, havik of uil ontvlucht? Vreesden zij ook hièr den sterkeren vijand, dat zij geen nachtrust vonden...?

Zij hebben sedert de nachtrust niet gevonden. Wij, menschen, onverschillige menschen, wij slapen door de tragedie heen en de katers en katten, onverschillig als wij, dwalen over de dakeranden en bespreken reeds met elkaâr rendez-vous voor Februari en Maart, wat meer lente-achtige maanden... Maar de spreeuwen vinden geen nachtrust. Zij vreezen, dat ook hier de roofvogels hen overvallen zullen of zij vreezen misschien zelfs voor de musschen...

Zij verschijnen iederen avond, tegen schemeruur, in grootere, grootere horde, de spreeuwen. Steeds worden zij vreeslijker, demonischer, dreigender, zwarter, wanhopiger. In hunne ziel gaat vertwijfeling om. Is het honger of is het angst? Wij menschen, wij weten het niet en de zoo filozofische katten en katers, die het evenmin weten, wènschen het niet eens te weten. Maar den spreeuwen, hun gebeurt het Noodlottige...! Wij, menschen, kunnen er alleen naar raden. De katers en katten halen niet hunne schouders er om op maar ronden er toch om de ruggen. Maar de spreeuwen zijn de wanhoop nabij. Hunne avondhorde wordt immer dichter. Hun wanhoopswolk barst immer zwarter, verschrikkelijker los over den tuin. De tuin, de in de lente lachende tuin, is als een nauwe helkrocht geworden. Een gruwelbalg vol vogelellende. Duizende spreeuwen in de vallende nacht zoeken er twijg en tak. Die zij niet vinden. Er is geen twijg en tak voor duizende spreeuwen. Duivelsche vluchten, zwermen in het ronde, hoog in de lucht, zwarte stippen, de spreeuwen. En dalen schreeuwende neêr. Dan zit spreeuw tegen spreeuw op twijg en tak, angstig, vol wanhoop, ons onbekend, in spreeuweziel. En wie geen twijg of tak te bezetten vond, vliegt weêr wanhopig omhoog, krijscht en kreist door de lucht, doorcirkelt de duisterende nacht en laat zich dan, in wanhopigen drom, vallen, als een neêr gesmeten troep verdoemelingen... En dichter zit spreeuw tegen spreeuw op twijg en tak en snerpt het messengekras krijschender op. De takken buigen onder den spreeuwenlast. De twijgen breken onder zoo vele spreeuwen. Dezen morgen zag ik een tak gebroken! En in den morgen blijft de tuin gehavend achter, na de uitvaart der duizende spreeuwen. Maar in den avond wordt hij weêr overzwermd door meerdere en steeds meerdere spreeuwen...

De musschen... zij pogen angstig terug te komen: zij zwerven elders takloos en twijgloos rond. De musschen, zij zitten op den uitersten dakrand, boven den versleten fresco-muur, die is als de muur van een klooster. Zij zitten op een schuchter rijtje en kijken naar beneden, in den tuin, maar wagen niet den tuin aan de spreeuwen te ontnemen. De musschen zitten hopeloos... En plotseling vliegen de musschen op want een groote kater sloop achter hen aan...

***

Zie daar naderen de spreeuwen weêr, nu de bleeke winterzon is gevallen achter de daken! Zie, daar cirkelen hunne duivelsche horden! Hoog in de lucht stippelen zij, als vliegen, als muggen. Dàar, krijschend, storten zij neêr!! De takken buigen onder hun last. De twijgen kraken er onder en breken... En nooit zijn zij in rust. Daar vliegen zij allen weêr op! Duistere demonen van wanhoop en angst en vertwijfeling fladderden zij tegen de nachtlucht...

Begrijpen zij iets van òns, van onze stad, van ons menschen, ons menschelijk leven? Neen, zij weten ter nauwer nood, dat wij bestaan. Zij meenen, dat de stad een natuurverschijnsel is en dat de mensch is een toeval, onder hún vlucht. Zijzelve, zij, de spreeuwen, zijn de werkelijkheid. Zijn het leven, de strijd. Strijd tegen sperwers, die hen overwonnen; strijd tegen musschen, die zij overwonnen. Zij, zij zijn het epos. Zij, zij zijn de tragedie. En zij, zij weten niets van ons, omdat wij zoo groot zijn. En wij, wij weten niets van hen, omdat zij zoo klein zijn. Hoewel hunne strijd, hunne tragedie, hun epos niet anders zijn dan de onze.


UN UOMO FINITO.

Te kritizeeren heeft mij nooit toe gelachen. Als schrijver van boeken recensie’s te schrijven over andere boeken scheen mij steeds weinig interessant: ik vond het interessanter zelve een ander boek te schrijven dan eens anders boeken te recenseeren. Maar principes heb ik niet. En waarom zoû ik u heden niet in plaats van over een landschap, een schilderij, een stemming mogen vertellen over een boek? Ik heb nooit en nergens gezegd, dat ik nóoit over een boek zoû schrijven.

Un Uomo Finito is het laatste boek van Papini—zijn voornaam vermeldt hij nooit[1]; ge herinnert u wel, Papini, die de vreemdelingen haat en ze allen in de Arno wil smijten om Florence voor de Florentijnen te behouden. Papini is even over de dertig—de Futuristen zijn niet zoo jong—en heeft reeds tien jaren letterkundige carrière achter zich, hoe wel hij vaak verzekert, dat hij de „letterkunde” haat.

Zijne letterkundige vrienden schenen gezegd te hebben, dat Papini, na het geen hij gedurende tien jaren geschreven had, finito was. Het woord was misschien door hen geuit omdat Papini, in een bui van levensontmoediging, geruimen tijd gezwegen had. En nu heeft Papini, om tegen die uiting zijner vrienden te protesteeren een autobiografie geschreven, die hij noemt Un Uomo Finito en het is over dit prachtige boek, dat ik u heden wil onderhouden.

Een boek van letterkunde, van „litteratuur”, die de auteur zegt te haten ook al bemint hij vele schrijvers? Neen, misschien niet. Ik geloof niet, dat de schrijver van Un Uomo Finito éen oogenblik heeft gedacht met zijn laatste werk mede te werken aan de litteratuur van zijn land, of te scheppen een werk van kunst. Hij heeft in zijne bobbelende, borrelende, kookende en dan hartstochtelijk ziedende zinnen niets anders willen geven dan de trotsch oprechte, ruw eerlijke openbaring van zijn eigen ik, zoo als hij dat zelve doorzag. Maar hij heeft, vermoedelijk zonder het te willen, méer gedaan. Hij heeft ons niet alleen gegeven de autobiografie van een schrijver; hij heeft ons tevens gegeven het beeld-in-woorden van ieder modern jong dichter, denker en schrijver, niet alleen in Italië, maar in geheel Europa.

Het boek van dezen zoo persoonlijken levenswijsheidzoeker en levenswaarheidwiller is geworden meer dan zijn eigen zieleboek: van af de eerste bladzijden af heeft ieder, die in zich heeft gevoeld den woelenden aandrang, de willende gedachte en het wellende woord, ieder, die zich heeft gevoeld geboren te zijn om mèt dat woord neêr te schrijven wat hij dacht en voelde, zich weêrspiegeld gezien, minstens een broederlijk beeld herkend of een weêrschijn van zusterziel zien òp glanzen. Het is misschien méer dan wat de schrijver, die zoo trotsch is en zoo alleen en eenig zoû willen zijn, Alfa en Omega aller zielen, ja God zelve en met zich beginnen schepping, wereld en leven, behagen zoû gegeven te hebben, maar er is niets aan te doen. Hij is niet eenig en alleen en in het verhaal van het eenzame, leelijke kind, dat lezen wil en leeren, voor wie het gedrukte woord het kabbalisme in houdt van levenswijsheid en -waarheid, dat zijne stuivers op spaart om boeken te koopen en, eindelijk toegelaten in den tempel der boeken, de Bibliotheek, in een schuchteren eerbied aan vangt de groote denkers en dichters, de groote wijzen en weters der wereld te doorbladeren... is een heugenis van jeugdig verlangen naar wetenschap en wijsheid, naar dichter- en denkerwoord, dat weêrklank zal vinden in veler anderer heugenis. Alles te willen weten, alles; het complete in zich te bereiken: dat ideaal, dat ideaal van het kind, dat denker geboren is en dat zich reeds, jong, af scheidt van de speelkameraden, om te peinzen over zich en anderen, over den mensch en de wereld... is het niet de naïve mateloosheid, die méerdere denkende kinderen zich hebben gedroomd, vóor dat het meêlijdend glimlachend Leven hen intoomde,—toomde in hunne ruischende vaart, en hunne steigerende zielerossen leerde zich zachtaan trappelend te schikken in een noodlottig gareel? De hoofdstukken, waarin Papini van zijn droeve kinderjaren vertelt, van zijn grauw pessimisme—hij ziet het landschap om Florence àltijd regengrauw, mistig, treurig, nevelig, melancholiek: hij zegt zelve, dat hij de zòn nièt ziet—en van zijn alles-willen-bereiken zijn het mooiste, dat ooit geschreven is door een eindelijk ièts bereikt hebbend en denkend mensch met een terugblik naar de eerste jeugd. Hoe wàar niet dat willen samenstellen een àlles bevattende Encyclopedie, omdat alle geraadpleegde niet àlles gaven, nooit alles. En dan de teleurstellingen en de inkrimpingen der illuzie, tot de Universeele Encyclopedie, langs de poging toch nog een rationalistische Bijbelkommentaar te geven, geworden is een den schrijver zelven vervelende kritiek van den Romancero des Cids!

Het groote, àlles, willen... en dan een kleinigheid geven, een détail: het goddelijke wenschen en het menschelijke zijn: het gedroomde Babel zien in een storten tot den molshoop aan zijn voet: is het niet de naïve tragedie geweest, van alle jonge dichters, die reeds in hunne kinderjaren waren wat zij zouden worden, ja wellicht méer reeds dan dat? De immense ambitie’s met de hemeldiepe neêrstortingen uit ijle wolk in duistersten afgrond en dan toch weêr de geknakte wieken uit willen slaan... Papini gaf in deze bladzijden niet alléen weêr zijn eigene jeugdige eerzuchten; hij gaf weêr strijd, overwinning en nederlaag van alle menschelijke Eerzucht.

En misschien was dit te doen zéer verre van zijn eerlijke, hoogmoedige, zich goddelijk wanende ziel.

***

Wij weten uit het boek van Papini, dat meer dan tien jaren geleden—hij geeft nauwgezet den datum aan—er in Florence een jonge generatie reeds bestond, vòl van de nieuwe ideeën, die zelfde ideeën bijna, die bij ons na ’80 den frisschen wind door het duffe huis hadden doen waaien. Er is, geloof ik, in wijderen kring weinig bekend van deze eerste „futuristische” pogingen en van het tijdschrift, dat Papini en de zijnen toen stichtten en dat zij „Leonardo” noemden. Maar lees eens in Un Uomo Finito dat hoofdstuk over de stichting van het tijdschrift, lees van het enthoeziasme dier jongelui van twintig jaren, die, omdat het café voor iederen dag te duur was, met elkaâr kwamen op straat, met elkander liepen te redeneeren en te filozofeeren op straat, meestal in regen en nevel van koud namiddaguur, die regen en nevel, waarin Papini altijd zijn Florence ziet—en ge zult een hoofdstuk hebben gelezen, waardoor klòpt de polsslag en hartslag van jeugd, van denkende, willende, zoekende jeugd: een hoofdstuk van schoonheid, waarmeê futurisme even min iets te doen heeft als passatisme, een hoofdstuk van schoonheid voor alle tijden en alle richtingen. Lees hoe de Italiaansche Tachtigers (maar zij in 1903) zijn bij een gekomen als samenzweerders eerst in het nota-bene akademische atelier van een jongen schilder, toen in een zaal van het destijds aan allerarmste huisgezinnen verhuurde Palazzo Davanzati en meer en meer zult ge worden gevangen in sympathie voor wie destijds reeds het tegenwoordige Futurisme voorbereidden. Zij hebben zekerlijk niet zóo veel gegeven als onze Tachtigers gaven, zij hebben zich weêr verspreid, zij zijn ontrouw geworden aan de nieuwe leus hunne namen zijn geen blijvende klanken geworden: misschien alleen Papini zelve—zij, die zijne vrienden na tien jaren arbeid Un Uomo Finito noemden—is staande gebleven tusschen ontrouw en lafheid, tusschen zwakte en groeiende onverschilligheid: alleen hij, de sombere, bittere vreemdelingenhater met zijn immer denkend en denkend brein en met zijn innige verachting voor „litteratuur” is tusschen den drang der nieuwe, dringende, stuwende jaren blijven staan en òm hem hebben zich verzameld de allerlaatste Toekomstelingen, die thans van zich spreken laten. Wier namen óok nog nauwelijks klinken—Papini’s naam klinkt het hoogste steeds op, naast dien van Marinetti—maar wier silhouetten de bezoeker van het Café Reininghaus, dat der „Roode Buisjes”, iederen namiddag om de tafeltjes zitten ziet vol enthoeziasme en bediend door de in Florence zoo bekende scharlaken gedoste kellners van het bekende café met de tijdschriften in alle talen.

***

In muzikale lijn van stijging en daling en stijging—de schrijver betitelt zijn boek van andante over appassionato en tempestose langs solenne en lentissimo naar nieuw hoopvol allegretto toe—schakelen zich de fijne hoofdstukken van dit boek en geven na de immense ambitie’s en enthoeziasmes de wanhopige, smartvolle neêrstortingen maar ten slotte ook de nieuwe verwachtingen. Neen, hij is géen Uomo Finito, als zijne vrienden hem dachten. Hij voelt zich geen Uomo Finito, deze schrijver, die geen „litterator” wil zijn maar die gedàcht heeft zijn geheele leven en wien de wijsbegeerte op voerde naar de duizelingwekkende hoogtes der menschelijke geestes-eerzucht tot hij de wereld, de Waarheid, God meende te vinden in alléen zichzelven... Dat hij neêr gestort is van zulke toppen in afgronden van vertwijfeling, wie zoû er hem niet om beklagen, wie er hem zijn te grooten trots niet om vergeven! Indien hij dan finito is—hij zegt het ons zelve—dàn is hij dat omdat hij te vele en te groote en grootsche dingen heeft willen bereiken; als hij nièts meer is, dan is hij dat omdat hij àlles heeft willen zijn... Zoo eindigt zijn trotsch slotwoord. Maar wie zal in ernst van den schrijver van dit bijna volmaakte boek—volmaakt zoû ik het noemen willen, indien het hoofdstuk over de Liefde, dat nièt overtuigend is maar er volledigheidshalve schijnt toe gevoegd, geschrapt was—durven beweren, dat het gedàan met hem is? Integendeel schijnt hij mij toe de grootste geest der hedendaagsche Italiaansche litteratuur, laat hem dan vrij de „litteraire” élégances verachten. Schijnt hij mij toe het brutale, trotsche, ongenaakbare genie der nieuwe Italiaansche geestelijke wereld, laat hij dan vrij spugen op allen, wie de menschheid de etiquette van „genie” om den hals hangt. Hij heeft, zonder dat de vergelijking zoû zijn door te voeren, voor mij iets van Van Deijssel; hij laat mij ten minste dènken aan Van Deijssel. Zijne ruwe, onbehagelijke woorden, zijn vierkant proza, zijn warsheid van àlle zoeking naar het bevallige, zijn zeker nièt die van den zoeker, die de woorden beminde om henzelve. Maar zijn virile, booze blik, zijn hevig gepassioneerd gebaar, zijn doortrillende barytonale stem hebben een overweldigende bekoring en Un Uomo Finito is de zwaar krachtige, forsch mannelijke roep van een levend, een hèftig levend man, die de Toekomst voor zich ziet open wijken en zich ten nieuwen strijd gordt, trots àlle nederlagen van het Verleden.

[1] Giovanni.


KORTE NOTITIES.

De spreeuwen zijn plotseling weg... De zwarte demonenhorde is plotseling vervlogen. Op een middag, als ik uit wil gaan tegen zonsondergang, om de rozige en blauwe tinten te genieten, die smelten door het opaal heen van mist, dat op wemelt uit de Arno, zegt Antonio, de portier, tegen mij:

—Heeft u wel gezien, meneertje, dat de spreeuwen niet zijn terug gekeerd.

Ik kijk naar de lucht: het is waar, de vreeslijke vogels, die op dit uur gedurende twee maanden een hellekrocht hebben gemaakt van onzen tuin... zijn niet terug gekomen. Op de straat kijken de menschen, de badauds van Florence, ook naar de lucht en te vergeefs.

—Komen ze misschien niet wat later? vraag ik.

—Neen, zegt Antonio beslist, die het schijnt te weten. Ze zullen niet meer komen. Ze zijn weg...

—Waarheen? vraag ik en wacht mij wel aan Antonio te vertellen, dat ik hoogst lyriesch heb gefantazeerd over vogels, vogelestrijd en vogelnoodlot...

—Naar Sicilië, zegt Antonio. Ik ken Sicilië als mijn zak. Die vogels, die duizende spreeuwen, gaan nu naar Sicilië, waar zij gaan nestelen en eieren leggen, tusschen de rotsen aan zee. En weet u hoè ze gaan?

—Neen...

—Is u wel eens de zee over gestoken?

—Jawel, Antonio. Ik ben van Napels naar Palermo gegaan...

—Welnu, zegt Antonio; die spreeuwen, die gaan net als u. Per stoomboot.

—Per stoomboot?!

—Ja, ze nemen àlle stoombooten, die disponibel zijn. Ze bezetten iederen mast en ze reizen zoo, zonder zich te vermoeien. Ze denken vermoedelijk, dat die stoombooten met masten er voor hen zijn...

—Wat een gekke beesten! Maar waarom, Antonio, overwinteren ze hier? vraag ik, die altijd het naadje van de kous wil zien. Het is toch in Sicilië altijd zachter dan in Florence??

Antonio peinst na.

—Ze zullen van reizen houden, meneer. Net als u. De dieren en de menschen, dat is alles precies het zelfde.

—Maar waarom reizen ze dan niet naar Afrika? Daar hebben ze toch meer warmte en...

Antonio vindt mijn vraag heel bedenkelijk en moeilijk op te lossen.

—Ik weet het heusch niet, meneer, zegt hij verlegen. Maar heusch, nù gaan ze per stoomboot naar Sicilië om nesten te bouwen en eieren te leggen...

Ik maak een vaag, Italiaansch gebaar, dat „pazienza” beteekent... En ga door... Boven mij blijft de hangende tuin geluideloos... De spreeuwen zijn niet meer terug gekomen en de verjaagde musschen... weten nog niet, dat de spreeuwen—over wie ik zoo lyriesch heb gefantazeerd—de stoomboot hebben genomen naar Taormina en Syrakuze om tusschen de rotsen te nestelen en eieren te leggen...

***

Wij hebben van morgen met Papini kennis gemaakt. Hij is met Maurits Wagenvoort bij Gilli gekomen om onze kennis te maken. Hij ziet er heelemaal niet uit als een weerwolf, die naar alle vreemdelingen bijt. Hij is ook niet zoo leelijk, als hij zelve meent in Un Uomo Finito. Hij is klein, een beetje bleek, even schuchter, een tikje verlegen en zijn krulharen, waarop hij trotsch is, krinkelen langs den rand van zijn hoed. Ik heb hem gezegd, dat ik zijn boek zoo mooi vond en hem zoo sympathiek vond, al woû hij mij in de Arno smijten. Toen heeft hij even bleekjes geglimlacht. Hij heeft niet veel gezegd, maar wat hij zeide, zeide hij met een zachte stem. Hij ziet er heelemaal niet zoo brutaal en woest uit als hij wel eens schrijft. Hij heeft bijna een Noordelijke ziel en ook zijn tengere lichaam en zijn bruine krulletjes zijn niet Italiaansch. Hij is voor mij niet Italiaansch maar toch wel sympathiek. Ik zeide hem, dat hoewel ik geheel van hem verschilde, ik toch iets broederlijks in hem gevonden had, toen ik zijn boek las... En toen heeft hij weêr bleekjes geglimlacht. Hoewel hij even verlegen is, bijna schuchter, heeft hij toch iets trotsch. Ik geloof, dat hij, op dit oogenblik, de innigste, de stil in zich gevoelvolste, misschien wel de grootste schrijver van Italië gaat worden.

Ik heb nooit bij een Italiaan zoo een Noordelijke ziel van halftint ontmoet...

***

Het is op eens lente geworden... Maar het zal wel niet zoo lang blijven. Ik heb met wellust mijn pels, mijn dikke jas, mijn dunne jas, alle bouffantes en écharpes naar de maan verwenscht en ben er op uit gegaan zonder iets van hunne vervelende bescherming. Tot wanhoop van mijn vrouw.

—Moet je weêr ziek worden? Om zoo te loopen? Het is toch maar Februari!

Het is gek, maar ze blijven me altijd beschouwen zoo een beetje als een stout kind. Het wordt nu heùsch te gek. Iedereen weet mijn leeftijd en ik wil uitgaan zonder overjas als het mij belieft.

Mijn vrouw laat mijn dunne jas brengen in de loge van Antonio.

—Antonio, als meneer het op straat in eens koud krijgt, kan hij gemakkelijk even zijn jas halen, hoor ik haar zeggen.

... Je begrijpt, dat ik op straat, ook al vind ik het te koud zonder jas, te trotsch zal zijn om dat te bekennen... En dat de dunne jas dus in allen gevalle op Antonio’s bed zal blijven vertoeven.

Op straat is het... inderdaad frisscher dan ik mij had voor gesteld. Geen nood... je loopt ièts vlugger, zonder jas. Ik zie met minachting naar iedereen, die nog een jas draagt. Je ziet zelfs nog wel een pels! Wat een koûkleum! Voor dames is bont een coquetterie, voor heeren wordt het een zware, belemmerende bejaardheid. Wat loop je vlug, zoo in de lentekoû, in het bleeke zonnetje, zonder jas! Als ik een kop chocolade gedronken heb bij Gilli en drie pasteitjes heb gegeten, ben ik heerlijk warm. Het is lente...

Ik loop in bij den bloemist en vraag hem of de bloemen goedkooper zijn geworden. Gedurende Januari mocht ik geen bloemen koopen: ze schenen te duur te zijn. Nu heb ik twaalf arums durven bestellen. Ze zijn zulke decoratieve bloemen in een groote, wijde vaas, net zwanekoppen en halzen, op de beweging hunner lange stengelen, zoo tusschen hunne eigene waterplantbladeren in.

Morgen steek ik ook een anjelier in mijn knoopsgat. Van daag vond ik het nog te gek: zoo een éerste bleeke lentedag... Maar dan, wie weet: morgen regent het misschien...

Maar van daag, hè, je herleèft...!!!

***

Ik had vergeten, dat het Carnaval is. Want in Carnaval-dol Nice zal je nooit het Carnaval vergeten. Maar in Florence, in Italië, waar „Carnevale” samen hangt met schouwburg-opening op Santo-Stefano-dag en Carnaval dus maanden duurt zonder ooit heel aardig of gezellig Carnavalesk te worden, vergeet je Carnaval...

Toch, niet iedereen. Gisteren nacht kwam ik thuis van de opera, tegen éen ure. En liep ik terug door het kleine Spada-straatje, wel eens verheerlijkt in deze bladen. En op den hoek van het kleine Moro-straatje—vlak op den hoek waar rijst mijn paleis—trof mij zachte muziek. En herinnerde ik mij, dat het Carnaval was.

In waarheid, daar op het nauwe hoekje van de twee stille straatjes, stond een troepje mannen en groote jongens. Een had er een mandoline en begeleidde de guitaar-melodie van een ander. Zij waren geen wandelende muzikanten: zij waren eenvoudig uit voor hun pleizier, met hunne instrumenten. Om hen had zich wat nachtpubliek verzameld en in het midden daarvan dansten drie paren mannelijke sekse met elkaâr. Vrouwelijk element scheen naar bed, want ontbrak.

De muziek tingelde en tengelde beminnelijk zacht op, daar op dien hoek, waar juist mijn paleis verrijst. Het nachtpubliek was vol stillen aandacht. En de drie paren dansten met ingetogen genieting, met week, droomerig rythme, met wellust om dansen en enkel dansen in sierlijke samenlijning. Er was een soldaat bij en die danste met een zwartkrulligen jongen en die dansten te samen of hunne levensbestemming samendansen was. Hun rythme was tusschen de nauwe, donkere huizen—de katten keken toe van de dakeranden—als een golf stil, ingetogen levenspleizier. Er was niets buitensporigs aan, niets karikaturaals, niets obsceens. Het was heel innig, zacht, vreugdig en mooi.

—Het zijn Milaneezen, waardeerde het nachtpubliek, nu en dan uit spiedende of politie nader kwam...

Ik waardeerde mede, niet wetende van Milaneesche dansreputatie. En toen de muziek af trillerde en de dansers stil hielden, zeide ik tot den soldaat:

—Je danst goèd... met je vriendje!

De soldaat glimlachte mij, gelukkig van dansgenot, toe en zeide hoffelijk:

—En nu... zeker met ù?

En hij boog reeds zijn armen om mij heen en beval:

Avanti, la musica!

—Neen, neen, weerde ik zachtmoedig af. Het is wel Carnaval maar zie je... ik wóon hier boven, in het paleis, en...

En bij mijzelf bedacht ik snel, dat kruideniertje, schoenmakertje en wie weet nog meer—àllen, die mijn gedistingeerde persoonlijkheid kennen in Spada-straatje—wel ergens in dien donkeren straat uit een raam konden gluren, bedacht ik, dat Antonio, onze deftige portier, ja, mijn eigene vrouw, zoo ze zich buigen zoû op dit nachtelijk uur uit haar venster, mij jùist op dien hoek, in een twijfelachtig lantarenlicht, zoû kunnen zien dansen bij guitaar en mandoline, met een soldaat, tusschen nachtpubliek en ging tevens de navrante spijt door mij heen, dat ik in Nice bèst had kunnen dansen op straat of plein met een piou-piou, maar in Florence, aan den voet van mijn paleis, niet!!

En weerde ik dus zachtmoedig af...

Maar het scheen zonder veel energie. Want de soldaat herbeval:

Avanti, la musica!

Er scheen iets medesleepends te schuilen in guitaar en mandoline en in den danslust van den Milaneeschen infanterist, want vóor ik het wist, schetste ik reeds, zoo rythmiesch ik het vermocht, ènkele luchtige fantazie-walspassen met mijn soldaat... dàar, op den hoek van Spada en Moro, onder de elk oogenblik open dreigende vensteroogen van... mijn paleis, nachtpubliek om mij heen en de katten nieuwsgierig toe ziende van de dakeranden...

Thuis vond ik mijn vrouw maar even wakker, doorzongen haar slaap van mandoline- en guitaarmuziek, die waarlijk zònder burengerucht was volvoerd, zóo artistiek en bescheiden...

En dorst ik haar niet vertellen, dat haar echtgenoot om éen ure ’s nachts, op hoek van Spada en Moro, bijna onder hare vensters, Carnaval had gevierd,—o, èventjes maar—met een infanterist uit Milaan. Want Carnaval en Carnaval zijn twee en Florence en Nice zijn twee en wie spreekt van zijn paleis, mag ’s nachts niet dansen op den hoek bij dat paleis...

Maar ik geloof wel bijna zeker... dat niemand van de Spada-bewoners het gezien heeft en de katten zijn zoo discreet...


LENTESTEMMING.

Het is wel heel flauw maar het is nu eenmaal zoo: als de temperatuur iets milder wordt, als het felste van winter voorbij is en de lucht iets zoeler blauwt, als de mimoza hare trossen te gelen aan vangt en de sering te groenen haar blaadjes, dàn... gaat de dichter van de lente zingen! De goede man heeft het al jaren—om niet te zeggen: eeuwen—gedaan; hij is er dikwijls belachelijk om geweest: hij deed het òf te vroeg, als zijn toehoorder nog rilde bij de kachel òf te laat, als de lente eigenlijk reeds lang zomer had moeten zijn en in Italië doet hij het reeds in Februari, omdat werkelijk ieder Februari-zonnetje er reeds lente-achtig aan doet. Hij doet het ieder jaar en scheidt er nóoit meê uit want het is plus fort que lui en hoe meerdere jaren hij het gedaan heeft, hoe minder hij het kan nalaten: nauwlijks rilletrilt de lentestemming in de lucht of... jawel, daar heb je het weêr: onze dichter vat weêr zijn luit of lier en zingt weêr zijn oude liedje.

***

Beste lezer, laat den stakkert dat nu maar doen en bespotten wij hem niet te veel. Het is nu eenmaal een zoete manie van den armen kerel, om zich en ù voor den gek te willen houden met de bloemetjes en de vogeltjes en het in zijne povere verzen te doen voorkomen, dat hij erg veel pleizier heeft met het leven voort te gaan omdat hij zijn oude winterjas weg bergen kan in de naftaline. Maar wij, die géen dichter zijn, die meer praktiesch dan theoretiesch ofschoon ook meer filozofiesch dan poëtiesch zijn aan gelegd, laten wij—zonder zonder ons voor den gek te laten houden door de lyrische ontboezemingen van den dichter—nu eens nuchter met elkaâr beschouwen, wat onze „lentestemming” eigenlijk is, als we een oogenblik de bloemetjes en de vogeltjes eens kunnen vergeten.

Welnu dan, toen wij van morgen op stonden en onze ramen openden, waarlijk, rilletrilde lentestemming in de lucht, maar de eigenaar van ons hôtel of villa—is ù nog zoo ouderwetsch in uw eigen huis te wonen??—had direkt van die lentestemming geprofiteerd om de centrale verwarming stop te zetten en daar het in huis meestal niet zoo spoedig lente is als buiten, was het bepaald koud in onze slaapsaletten en bibberden wij meer bij ons toilet, dan in de strengste winterkoude. Dit is natuurlijk iets van geen belang, als mimoza-twijg geelt en seringblad groent en mag ons ook niet in onze lentestemming fnuiken: laat ons echter niet zóo enthoeziast zijn als onze dichter en bergen wij ònze wintergewaden nog niet in de naftaline; geloof me, de dichter is al verkouden geworden van louter enthoeziasme.

En zien wij nu in den spiegel. Het blauwere licht uit den hemel valt in ons trouwe glas, dat ons vaak onze winterfacie weêrspiegelde. Die winterfacie... wij hadden ons er aan gewend; het was een eenigszins ernstige, bedrukte winterfacie, die, als zij geschoren, gewasschen, verzorgd was een zekere deftige gerezigneerdheid vertoonde aan den (beroerden) winter... Nu, dat wij echter in de lentestemming blikken in ons spiegelglas, met een beetje naïve vreugde in oog en glimlach, nu... schrikken wij van het ons toe gekaatste lente-gelaat, dat ons eigen schijnt te zijn! Ons teint is er met den winter niet rooskleuriger op geworden, enkele hanepoten méer om onze oogen zijn niet te ontkennen—of zoû het alleen de weêrschijn zijn van dat onbefloerste lentelicht?—en geheel onze naïef vreugdige uitdrukking heeft iets... belachelijks verkregen, bijna zoo belachelijk als de lenteverzen zijn van onzen armen stakkert van een dichter. Enfin, wij zullen bij alle deze kleinigheden nu maar niet stil staan en om een anderen indruk te verkrijgen, dan die ons tragiesch lente-gelaat ons inprentte in onze teleurgestelde ziel, weiden wij een vagen, cirkelvormigen blik over onze kamer. Onze kamer in lentelicht, onze kamer in lentestemming. Wat is het behang verschoten gedurende den winter! Wat hebben onze winterpassen het tapijt af gesleten! Wat zijn onze meubels dof en oud! Wat is zelfs onze spiegel getaand! Hoe beduimeld en moê zijn die boeken! Wat een stof ligt er in dàt kleine hoekje daar: hoekje zelfs niet zichtbaar in winterstemming geweest! Die aquarel daar... hoe vaal is haar tint! De fotografieën... zijn zij verbleekt? Welk een waas van vergaanheid ligt er over heel die arme kamer, die we toch zoo beminden! Het is of uit alle hoeken de spinnen van Emeralda zullen te voorschijn kruipen om éen groot webbe te weven over onze kamer en haar tot het Verleden te maken! En... als we niet oppassen, dan zijn wij er zelve ook bij, met onze naïve, tragische, en even belachelijke lentegelaten. Enfin, never say: die! Never give up! Corraggio, avanti, Savoia! Laten wij ons, in de lente, niet treurig doen stemmen door ons gelaat en onze kamer. Ik ben overtuigd, dat als wij ons met zorg hebben gedost, en de straat op zijn getogen, ons hart bonzen zal van lentestemming. Vooruit dus en een bevallig voorjaarskostuum worde samen gesteld! Kasten worden geopend, koffers zelfs. Wèg met dat zware wintergoed! Maar... daar de vroege lente ons verrast heeft vóor wij op weg waren naar onzen tailleur, moeten wij het wel heden doen met een pakje van het vorige jaar. O wanhoop, hoe valt het ons tegen, dit toch in Oktober nog zoo dierbaar weg gelegde demi-saisonnetje en dit even lente-achtig gestreepte jasje! Of is het weêr dat lentelicht uit de blauwende lucht? Maar dan is dat lentelicht iets erbarmingloos en ik begrijp niet, dat ik in mijn dassendoos geen enkele das vind, die mij dat zelfde licht, in geribde zijde of soepel satijn, ietwat sympathiesch terug spiegelt!

O tragische lentestemming, lezer, voor ù en mij, die géen dichter geboren zijn en niet de gewoonte hebben dadelijk, in Februari, al te dwepen met de bloemetjes en de vogeltjes, om het „renouveau” van ons beider harten er nu maar heelemaal buiten te houden. Want, wees overtuigd, als wij—zulke prozaïsche menschen als gij zijt en ik—van morgen op nieuw verliefd werden, zoû het voorwerp onzer lentevlamme, als ons eigen gelaat, als onze kamer, ja als ons vestonnetje, en onze das, ons met den tweeden blik onzer critische oogen desilluzioneeren, en meer dan das, kamer en wezen zoû ons eigene hart en ziel ons belachelijk en stoffig en glansloos voorkomen! Want het lentelicht, want de lentelucht, want de lentestemming, helaas, zijn erbarmingloos en al behoeven we niet dadelijk den zelfmoord te plegen, die de statistiek ons als menigvuldig aanwijst in het getijde der bloemetjes en vogeltjes... ontmoediging sloop wel in ons binnen en ik vrees, dat wij eerst véel massage moeten verduren om onze winterrimpels—ten minste voor onze illuzie—wèg te wrijven, groote-schoonmaak moeten hebben doen houden en naar onzen tailleur en chemisier moeten zijn geweest, vóór wij werkelijk in „ònze” nuchtere, wufte lentestemming zijn kunnen komen...

***

Ik geloof eigenlijk, dat daarom onze belachelijke dichter gelijk heeft. Kijk, wij—gij en ik—wufte, nuchtere, poëzielooze menschen, wij kunnen wel eens ongelijk hebben, door ons zoo te laten van de wijs te brengen door een onbefloersten schijn van nieuw lentelicht: over ons zelven, over onze dingen en zielen en kleêren. Ten minste, héel gelukkig waren wij niet van morgen, en hoewel wij het beste hopen van de massage, al die boodschappen, die wij te doen zullen hebben, zijn héel vermoeiend en na die vermoeienis kunnen wij ons niet eens uitstrekken op onze chaise-longue, daar Mietje of Diomira met dwijl en emmer reeds verschenen is aan den horizon. En daar ik, o beste lezer, o prozaïsche lezer, o gij over uw wintergelaat, stoffige kamer en kostuum van verleden jaar tobbende lezer, altijd probeer gelùkkig te zijn in dit soms heel erg ongelukkige leven, heb ik het snoode plan u van daag stiekum in den steek te laten en mijn armen, ouden, belachelijken dichter op te zoeken! De goede kerel, in zijn zolderkamertje—waar heelemaal geen chauffage-central is—zal mij vermoedelijk ontvangen in zijn oude winterpak, met héel veel stof en beduimelde dichtbundels om zich heen, maar wij zullen niet lang op zijn mansarde verblijven; wij zullen zelfs de stad ontvluchten en omdat ik toch altijd schatrijk ben, zal ik hem op een auto trakteeren, zoo dat hij ten spoedigste er uit is... Laat mij u verzekeren, dat het gehobbel over Florences ellendige buitenwegen hèm heelemaal niet uit zijne „lentestemming” zal brengen; laat mij u verzekeren, dat hij, trots de benzine-stank van onzen taxi niets anders zal ruiken dan de lente-aromen van Fiesole’s allerliefste viooltjes en dat hij eenmaal, op de cypressenheuvelen, die nieuw groen kegelen tegen de blauwe lentelucht, ieder jaar zoo belachelijk door hem bezongen, alleen ooren zal hebben voor die vogeltjes, voor die vervelende lentevogeltjes, die ieder jaar hun nestje bouwen en ièder jaar hun eitjes leggen, welke eitjes ièder jaar mijn arme, oude poëet weêr met nieuw enthoeziasme bezingen gaat... Weet ge, ik zal hem niet storen. Ik zal hem rustig laten liggen in het gras van den tuin der goede Franciscaner-broeders. Ik zal hem daarna mede nemen naar de ruïnes der antieke arena en misschien zal hij er een vizioen van de vervlogen antieke eeuwen zien. Ik zal er zelfs geduldig hooren naar zijn ontboezemingen, naar zijn ieder jaar reeds gehoorde lyriek, over de vogeltjes, over de bloemetjes. Zelfs over die van zijn altijd jonge hart. Ik zal zèlfs niet lachen als de goeiert me gaat vertellen van zijn „liefde”, in een gevoelvol sonnet. Want weet ge, eigenlijk hoû ik wel van den sukkel en word ik—om het ù nu te verklappen, maar niet oververtellen, hoor!—een beetje weldadig sentimenteel aan gedaan door àl den onzin, die hij jaar in jaar uit maar voort gaat ons op te dreunen: van de bloemetjes en de vogeltjes en van de lente en van zijn hart...

***

Maar als ge misschien mórgen-ochtend—ik ben overtuigd, dat het mòrgen-ochtend weêr „winterstemming” zal zijn (heel gerezigneerd over mijn gelaat, kamer, toilet en ziel)—als ge misschien mòrgen-ochtend, met grauwe lucht en een parapluie, meê wilt gaan naar onzen tailleur en chemisier, dan zouden wij het een en ander reeds kunnen bestellen om geprepareerd te zijn op een volgende lente-attaque, dan kan Mietje of Diomira op haar gemak groote-schoonmaak houden en dan zullen we onze nieuwste rimpels maar niet te véel tellen, vooral omdat onze kamers dan wat schooner zullen zijn en onze lentegewaden zich zéker zullen geëigend hebben aan zoo een dreigende „lentestemming”, vooral als wij niet vergeten elkaâr een boeketje Fiesolaansche viooltjes in het knoopsgat te steken...

Ze te bezingen, behoeven wij niet: dat doet voor ons wel onze arme stakkert, u weèt wèl, onze oude poëet.


MANNELIJK TOILET.

Er komen soms gewichtige overpeinzingen in mij op, die ik, om ze niet te vergeten, wil boeken in mijn Dagboek. Het waren heden overpeinzingen over ons mannelijk toilet en ze zullen mij niet met rust laten, voor ik ze in woorden heb overgezet; ze zullen mij dan niet meer kwellen: zóo stort een lyriesch dichter zijn leed of geluk om zijne liefde uit in sonnetten of liederen; zoodra hij de drukproeven dier liederen en sonnetten heeft gecorrigeerd, is hij véel van zijn leed en zelfs ièts van zijn geluk kwijt, en als mijne woorden, die overzetten zullen mijne overpeinzingen over ons mannelijk toilet, zijn verschenen tot heil mijner lezers, wil ik ook niet mij meer laten kwellen door zoo gewichtige gedachten, als mij in gaven onze vertuitingen des lichaams.

***

Leelijk? Ons mannelijk toilet leelijk...?? Ik moet even, even nadenken. Het is zoo dikwijls gezegd en de menschen praten elkander na, soms zonder zich er van bewust te zijn. Is ons modern mannelijk toilet leelijk? Ik geloof, nu ik na denk, bijna van niet. Ik besluit, nu ik heb na gedacht, van niet. Ons mannelijk toilet is niet leelijk.

Stel voor, dat ik, die nu—ten minste van daag—slechts ben een schrijver over gewichtige vraagstukken, een heel ander iemand was; stel voor, dat ik was koning van Engeland of Spanje. Heb even verbeeldingskracht, o lezer, en stel u voor, dat ik koning ben, van het een of andere rijk, alleen nièt van Albanië. Dan zoû ik, naast minder gewichtige vraagstukken, misschien ook in mijn vorstlijke hersenen kunnen gedachten koesteren of het niet wenschelijk ware door mijn soevereinen invloed wijzigingen op te roepen aan ons modern mannelijk toilet. Het zoû zelfs mij wel een eerzucht zijn snit van rok, rokvest, veston, pantalon een zekeren anderen draai te doen aan nemen, dan zij reeds jaren lang om onze mannelijke leden namen en ik zoû het, geloof ik, als koning van Spanje of Engeland, wel héel aardig vinden, als een mode, die ik in het leven geroepen had, werd na gevolgd over de geheele beschaafde wereld! Wat zoû ik daar trotsch op zijn! Stel u toch eens voor, dat, binnen enkele jaren, dan iedere man—willen wij, om niet het onuitstaanbare „heer” te zeggen, liever spreken van „gentleman” of „caballero” in plaats van „man”?—dat dus iedere „caballero” of „gentleman” de revers droeg, die ik had voor geschreven aan mijn hof-tailleur, uit Madrid of misschien uit Londen! O zalige heerlijkheid, o gestreelde ijdelheid, o extaze van snobisme, die dan mijn hart zoû vervullen en geest, zóo, dat ik beiden geheel wijden kon aan andere staatsbelangen. Het zoû mij versterken in de zekerheid, dat ik om koning te zijn in de wieg was gelegd...

Goed, heel goed: een verandering aan revers zoû te creëeren zijn door mijne vorstelijke bemoeiïngen; lieve hemel, zij geschiedt reeds zonder deze! Maar... zoû ik òoit het wijs en goed vinden, als aesthetiesch ontwikkeld koning, onze geheele kleedij in haar bestaanden vorm over boord te werpen: zoû ik ooit wagen te decreteeren: leelijk zijnde geoordeeld het mannelijk modern toilet, hult koning Luiz of Lewis de zooveelste zich voortaan—ter navolging aan allen, gentlemen of caballeros—in een toga, in een chitoon, in een chlamys, in een riddergewaad uit de een of andere verleden eeuw, in plooien, in witte waden, in Renaissance-brokaat, in kant met strikken en aiguillettes? Het zoû heel mal zijn, zoo ik dit waagde. Ten allereerste omdat... ik vermoedelijk alleen—nu ja, met twee, drie gunstelingen of vleiers—zoo gehuld zoû blijven en de anderen, zelfs de meest elegante snobs, de nieuwe mode ontzettend lastig of duur of onpraktiesch zouden gaan vinden, in het moderne leven. Mijn decreet zoû geen succes zijn. Ik zoû een zonderling worden geoordeeld. En onderdanen en niet-onderdanen zouden gelijk hebben.

Ons mannelijk toilet eigent zich aan ons moderne leven en is daarom alleen reeds—betrekkelijk—aesthetiesch, is daarom alleen reeds „schoon”. Eenmaal aangenomen de niet meer klassieke, noch Renaissancistische, maar twintigst’-eeuwsche en betrekkelijke „schoonheid” van ons moderne leven, waarin wij nu eenmaal bestaan, is ons modern mannelijk toilet in zijne hoofdlijnen goèd en „schoon”. Het kan het ten minste zijn. Laten wij eerst eens zien naar de modesten onder ons. Ten minste, als u een „chauffeur” een modeste onder ons wilt rekenen. Dan vormen zoo een uniform-achtig chauffeursbuis van laken of leêr, met die leggings en met zoo een pet een absoluut aesthetiesch kostuum; het geheel geeft iets forsch, iets flinks aan de chauffeursgestalte en het is even harmoniesch met deze als de toga-plooien waren aan een waardige senator-gestalte op het oude Romeinsche forum. Meestal neemt de mannelijke gestalte—eerder dan de vrouwelijke, die grilliger waagt en zich daarom wel eens vergist—de precies vereischte, niet alleen praktiesch maar ook uitsluitend harmoniesch aesthetische omhulling aan: zij deed dit met toga, chitoon en chlamys, met harnas, wapenrok en Renaissance-riddergewaad; zij deed dit onder Veertienden en Vijftienden Lodewijk; zij deed dit ook in onze dagen. En als wij iets „absoluut leelijks”—want dat is ons mannelijk toilet misschien wèl—zoo kunnen beredeneeren, verontschuldigen, verdedigen en recht laten wedervaren, dan wordt het een „relatieve schoonheid” en dàt is het maar, waartoe ik komen wilde en waartoe ik ook ware gekomen zoo ik, koning en niet feuilletonist, over ons mannelijk toilet hadde gepeinsd. Neen, ik zoû ook in zoo hooge pozitie geene algeheele andere mode hebben voorgesteld. Ik zoû mij tevreden hebben gesteld met reverswijziging en...

Toch niet. Ik zoû ons avondtoilet hebben gewijzigd en ik zoû er beslist succes meê hebben, dat wed ik om alles. Ware ik koning Edward geweest of ware ik nu nog koning Alfonzo—de een was elegant en de ander is jong—dan hadde ik den zwarten rok gelaten voor plechtige avondgelegenheid, dan hadde ik den gekleurden rok in de mode gebracht voor wereldsch feest of festijn. En alle gentlemen of caballeros hadden mijn voorbeeld gevolgd. Voor oudere heeren de donkerblauwe, de kastanjebruine, de ijzergrauwe rok... Waarom niet? Waarom niet de zwart satijnen korte broek en het fluweelen vest, dat den verschillenden glans van satijn en laken doet in zijn dofferen gloed samen smelten? Aan laakbare kuiten zoû te verbeteren zijn. En dan voor de jongeren vooral de licht grijze rok, heel licht grijs, heel elegant, heel besmettelijk, absoluut adorabel en onpraktiesch, nauwlijks een kort seizoen durende, duivegrijs, tortelgrijs, voor de woèst eleganten zoo een beetje met een roze of mauve weêrschijn er door heen; het vest heel licht grijs satijn; de culotte doodeenvoudig zwart satijn, de kouzen zwart, de escarpins zwart. Waarom zoû ik niet succes hebben met mijn gekleurden rok? En weet ge, de dartelen onder ons—er zijn wel eens dartele en zelfs behaagzieke mannen—ze zouden het dan kunnen wagen in plaats van de witte das aan het fijne linnen, geplooide of gerimpelde overhemd een kanten jabot te lanceeren, behoudende boord en manchetten gewoon als wij dragen; alleen maar even zoo een kanten jabot, er als bij toeval aan gespeld in plaats van het witte dasje: dat zoû zijn voor een elegant bal en niet voor altijd. „Doe je je jabot van avond aan?” zoû men elkander vragen. Duur zoû mijn mode wel zijn; zoû de ernstige onder ons met éen gekleurden rok in zijne garderobe kunnen volstaan, ge begrijpt, de dartele zoû naast den tortelgrijze ook hebben een licht blauwe, een hazelbruine, een staalkleurige en een, niet geheel zeker van smaak, zoû er bij wellicht een violette bestellen! Nu, enfin, een dónkerpaarse, waarom niet? Kunnen wij altijd in de kleurstemming komen van een ander en waarom is een lila rok nu niet goed als onze jagers wèl in scharlaken mogen verschijnen?

Ik vind die roode rokken niet mooi, ik heb ze altijd grof van smaak en opzichtig gevonden. Ware ik koning, mijn jagende edellieden zouden ze mogen behouden, omdat dat rood wel aardig op vlakt tusschen het groen van veld en bosch, maar omdat ik het wild, dat ik op mijn vorstelijke tafel zoû zien, toch door anderen zoû laten dooden, zoû ik zelve geen rooden rok bezitten...

Gekleurde rok, gij, die wel eens aan den horizon onzer mannelijke mode schuchter doemde, koning, ik, zoû u brengen in eere! En ik weet zeker, iedere gentleman of caballero, zoû zich in schuld willen steken, zoo noodig, voor een blauwe, een bruine, o voor een tortelgrijze...!

***

Maar ik ben geen koning en zal het nooit zijn, zelfs niet van Albanië. En daarom zal ik er maar niet aan denken ièts aan ons mannelijk toilet te kunnen wijzigen en het zelve ook maar dragen als het gedragen wordt, in relatieve schoonheid. Troosten wij ons het geheele leven door niet met relatieve? Laten de wèl gebouwden onder ons er dus niet àl te veel over tobben, dat hunne athletische vormen iet wat te loor gaan in een veston en een broek; laten de minder goed gebouwden het dus zegenen, dat hen ons moderne toilet flatteert. En dragen wij ons mannelijk toilet, trouw blijvende aan de algemeene lijnen en kleuren, dan toch met personeel cachet. Het zijn de kleinigheden, die ons troosten in dit leven. Is de algemeene kleur en lijn ook misschien „absolute leelijkheid”, er is véel aan te verstellen. Vooral voor ons eigen gevoel, en daar komt het toch maar op aan. Als wij onszelve elegant voelen in ons mannelijk toilet, moet het oordeel van den zeldzamen aestheticus onder ons absoluut koud kunnen laten. En die élégance vóelen wij vooral als wij beginnen met reeds het begin van ons toilet te verzorgen. Als wij een elegante bazis leggen... Ik hoop, dat ge mij begrijpt: ik vind het zoo vervelend over „ondergoed” te spreken. Het is zoo een leelijk woord. Laat het dan ten mìnste smaakvol, soupel, zijde-achtig zijn en prettig ons omsluiten in fijne maliën. Eenmaal diè elegante bazis gelegd, bouwen wij met vaster vertrouwen het ensemble omhoog van ons slechts betrekkelijk „schoon” toilet. Maar het eenvoudigste donkere kostuum kan welbehagelijk aan voelen om onze leden, en, om dit gevoel, schoonheid worden door gemakkelijke, losse, prettige lijnen: de „opzet” is alles, in het leven, in de kunst, in onze kleeding...