WeRead Powered by ReaderPub
Japan / De Aarde en haar Volken, 1867 cover

Japan / De Aarde en haar Volken, 1867

Chapter 12: X.
Open in WeRead

About This Book

A descriptive survey of Japan combines physical geography, climate, agriculture, forestry and mineral resources with observations on landscape and population density. The narrative traces early contacts with foreign visitors and the nation’s gradual opening while describing social habits, industry, and a general willingness to adopt useful foreign techniques alongside preservation of native customs. Ethnographic and linguistic questions about origins are raised, and religious material appears in accounts of cosmogony, the Izanaghi and Izanami legend, the role of kami, and temple practices, producing a blend of travel reportage, historical summary, and cultural commentary.

VIII.

Kioto.—Nationaal tooneel.—Godsdienstige feesten.—Optochten.—Begraafplaatsen.—Doodenfeest te Nagasaki.—Grafheuvels.

De laatste maal, dat ik u mijne herinneringen uit Japan mededeelde, heb ik u rondgevoerd langs de schilderachtige oevers der binnenzee, den klassieken grond van het groote Nippon, en u van verre reeds een blik doen werpen op Kioto, de oude hoofdstad der Mikado’s. Wilt ge mij nu derwaarts vergezellen, en van meer nabij het leven en bedrijf gadeslaan in dit middelpunt der oude japansche maatschappij?—Stellen wij ons dan voor, dat wij op een schoonen zomeravond, tegen het ondergaan der zon, de heilige stad naderen. Van alle kanten klinken ons de tonen eener vroolijke en luidruchtige muziek tegen, alsof we zoo straks ons te midden eener woelige kermisvreugde zouden bevinden. Op alle omringende heuvelen, met gewijde bosschages, met tempels en kloosters bedekt, wordt door de bonzen en monniken de avonddienst gevierd, onder het slaan op trommen, op tamboerijns, op koperen bekkens, en op metalen klokken: een bijna oorverdoovend concert.

In de voorsteden worden alom de veelkleurige, papieren lantaarns opgestoken. Ge ziet er van allerlei vorm en afmeting: de grootsten hebben de gedaante van reusachtige cylinders, en prijken tusschen de zuilen aan de voorgevels der tempels; de kleinsten, aan ballons gelijk, hangen in rijen voor de deuren der herbergen en aan de galerijen der huizen van vermaak. De heiligdommen en de meer profane etablissementen, die op deze wijze verlicht worden, zijn zoo talrijk en grenzen zoo dicht aan elkander, dat de gansche wijk er uitziet alsof er een venetiaansch nachtfeest gevierd wordt.

In de stad zelf beweegt zich eene dichte schare, mannen en vrouwen, langs de winkels en magazijnen en over de trottoirs der lange straten, die van het noorden naar het zuiden loopen, tot in de nabijheid van den daïri. Onder die golvende menigte telt ge een groot aantal priesters, van verschillende kerken en sekten. Die van den kami-dienst zijn kenbaar aan een kleine muts van karton, zwart verlakt, en gedekt door een soort van kam, van gelijke kleur, met een wit kruis in het midden. Aan die muts is van achteren een sterk gesteven lint bevestigd, dat in den nek afhangt. Dit kapsel is overigens eene oude nationale dracht, die dan ook niet het uitsluitend eigendom der priesters is, maar, met eenige bij de wet voorgeschreven wijzigingen, evenzeer wordt aangetroffen bij al de negentien officieel getitelde klassen der bevolking van Kioto. Een ruim overkleed, een wijde pantalon, en een groote kromme sabel, die hoogst waarschijnlijk maar tot sieraad strekt, voltooien het dagelijksche kostuum der dienaars van de kami-tempels.

Alle leden der boeddhistische geestelijkheid, de ordebroeders zoowel als de wereldlijken, onderscheiden zich door een kaalgeschoren en geheel onbedekt hoofd; slechts enkele monnikenorden dragen een hoed met breede randen. Grijze gewaden, in vorm aan de priesterkleeding der katholieke geestelijken gelijk, zijn onder hen het meest in gebruik; echter ziet ge ook zwarte, bruine, roode en gele soutanes, soms met een sjerp, een koorhemd of borstlap bedekt.

Kioto telt ook enkele heilige kluizenaars, die, vreemd genoeg, juist de hoofdstad hebben uitgekozen, om het gewoel der wereld te ontvlieden. De dankbare stedelingen, die van de nabijheid dezer vrome mannen allerlei heil voor hunne stad hopen, voorzien hunne kluizen rijkelijk van al het noodige. Een dezer verblijven is vooral merkwaardig: het is eene kluis, boven in een steilen rotswand, door een kleinen vijver van den openbaren weg gescheiden, uitgehouwen. Men weet niet wie daarin woont, noch hoe de kluizenaar daar komen kan, maar geregeld dalen, door middel van een vernuftig uitgedacht toestel, de matten korfjes naar beneden, waarin de geloovigen hunne gaven nederleggen; waarna ze weder even vlug naar boven worden geheschen. De bedelarij, als godsdienstig beroep, wordt hier overigens overal en op ieder uur in het openbaar gedreven. Bedelmonniken van allerlei soort zijn er immer op uit, uwe weldadigheid in te roepen: nu eens slaan zij op de straatsteenen met een grooten stok, waaraan van boven metalen ringen bevestigd zijn; dan weder klingelen zij met een bel, of slaan met een hamer op een bekken, dat aan hun gordel hangt; sommigen vertoonen reliquieën, waarvan zij luide den lof verkondigen; anderen wederom vervolgen de voorbijgangers met eentonige litanieën. En niet minder wordt ge gekweld door de krijschende muziek van goochelaars, koorddansers, tooneelspelers, die op de straat hunne kunsten vertoonen en de aandacht der wandelaars trachten te boeien.

Uit alle theehuizen weergalmen de vroolijke tonen van guitaren en tamboerijnen, begeleid en afgewisseld door gezang en gelach. De schouwburgen en andere plaatsen van uitspanning zijn den ganschen nacht geopend. Daar kunt ge de jonge edellieden der hoofdstad vinden; na een dag, doorgebracht aan het hof, of verdeeld tusschen de manege, de wedrennen, het schieten met den boog, de kaatsbaan en de theehuizen van den omtrek, komen zij hier den avond en het grootste deel van den nacht slijten in allerlei uitspanningen en uitspattingen.

Nevens den volksschouwburg, waar burgerlijke komedies en tooverballetten worden opgevoerd, vindt men te Kioto nog het hoftheater: zeker een der vreemdste verschijnsels in Japan. Rollen, kostumen, decoraties, alles is daar conventioneel, even als bij de klassieke tragedie in Frankrijk onder Lodewijk XIV, met “mevrouw” Phaedra, Agamemnon in hofkostuum en allonge-pruik, en Achilles met hooge hakken. Maar, onder dit conventioneele masker der helden en heldinnen van Corneille en Racine, herkennen wij toch nog altijd karakters, ons reeds uit de studie der klassieke oudheid bekend, en die de dichter tot typen van menschelijke hartstochten en neigingen gestempeld heeft. Doch wie zal ons den oorsprong en de beteekenis verklaren der personen, die op het keizerlijk tooneel te Kioto optreden? Wie is, bij voorbeeld, die grijsaard met zijn zilveren baard en zijn kruk, waarop een groene papegaai zit: een vogel, die nergens in den japanschen archipel gevonden wordt? En die andere held, die een vergiftige slang vervolgt: een dier, eveneens in Japan volkomen onbekend? Vanwaar komen die schilden, die helmen, die zwaarden, wier vorm evenmin overeenstemt met de wapenen der halfgoden uit de nationale mythologie, als met die der krijgers uit het oude rijk der Mikado’s? Evenzeer zoudt ge vergeefs naar tegenhangers dezer figuren zoeken onder de oneindige verscheidenheid der typen van het chineesche theater. Weet ge waar het kostuum der acteurs van Kioto mij soms aan denken doet? Aan den wayang der javaansche vorsten: een even geheimzinnig tooneel, waar heldendrama’s, die den ganschen nacht duren, worden voorgedragen in eene taal, die niemand verstaat, en in vollen ernst gespeeld met houten poppen. De fantastische tiara’s, waarmede deze poppen prijken, gelijken vrij wel op het onbeschrijfelijk hoofddeksel der acteurs van den Mikado.

De voornaamste instrumenten van het orchest van den hofschouwburg zijn: de dwarsfluit, de pansfluit, de tritonshoorn, de cymbalen en de gong, kak-daï-ko geheeten. De laatste is een groote schijf, met eene gelooide huid overtrokken, op een voetstuk rustende, en versierd met symbolische figuren, die waarschijnlijk op de zonnedienst betrekking hebben. Deze instrumenten hebben, in zekeren zin, een gewijd karakter. De sage zegt, dat de groote godheid van den dag, geërgerd over de boosheid en barbaarschheid der menschen, eens weigerde langer de aarde te verlichten, en zich in de diepten der zee verborg. Eerst door een concert van fluiten, tritonshoorns, cymbalen en gongs gelukte het eindelijk haar weder te voorschijn te doen komen; dat wil zeggen: door de uitvinding der muziek verdween de nacht der barbaarschheid van de aarde.

De godsdienstige nationale feesten hebben in de eerste plaats de stoffe geleverd voor de ontwikkeling van het muzikaal en dramatisch talent des japanschen volks. De kami-dienst is buitengewoon arm aan dogma’s: zij lost zich eigenlijk op in het geloof, dat de goden die Japan geschapen hebben, ook voortdurend voor deze hunne schepping blijven zorgen; en dat de helden, die de macht des rijks hebben gegrondvest, nu bij de goden wonen en daar werkzaam zijn ten bate van hun vaderland. Het is dus billijk, de kami’s te vereeren: maar, om hun welbehagelijk te zijn, moet men hunne tempels betreden, vrij van alle smet der onreinheid; waardiglijk de feesten te hunner gedachtenis vieren, en de plaatsen bezoeken, door hunne geboorte of hunne groote daden gewijd.

De vervulling dezer weinige geboden is niet bijzonder moeielijk. Eenige vaste regelen, in twee of drie artikelen vervat, stellen ieder geloovige in staat, om bij zich zelven na te gaan, of hij in den vereischten toestand van reinheid verkeert, en wijzen hem ook den weg om, zoo dit noodig mocht zijn, weder in dien toestand te geraken. Hem zijn geene andere godsdienstplichten opgelegd, dan in zijn huis zorgvuldig de beide reinigende elementen, het water en het vuur, te onderhouden; door dagelijksche wasschingen ook uiterlijk getuigenis af te leggen van de reinheid zijner ziel; en in den tempel of de huiskapel van den kami niets te offeren, waaraan eenig gebrek is. Onrein wordt men door ongeoorloofde betrekkingen, door den dood der naaste bloedverwanten, door het aanraken van een lijk; en ook door bloed te vergieten, zich met bloed te bezoedelen of het vleesch van huisdieren te eten.

Om uit dien toestand te geraken, moet men zich aan de formaliteiten der reiniging onderwerpen, die meer of minder omslachtig zijn, naar gelang van het meer of minder ernstig karakter der oorzaak van de onreinheid. De mannen moeten baard en haar laten groeien, en zich het hoofd bedekken met een gemeenen strooien hoed; de vrouwen met een witten doek; beiden moeten zich in hunne vertrekken opsluiten of een pelgrimstocht ondernemen, en zich onthouden van sommige spijzen en van alle luidruchtige vermaken. De wederopneming van den boeteling in den kring zijner familie en vrienden wordt met groote feestelijkheid gevierd; en daarbij tevens met water en zout, en door het aansteken van een groot vuur op de binnenplaats, het gansche huis gereinigd.

De jaarlijksche feesten ter eere der voornaamste kami’s van Japan gaan met geene andere plechtigheden dan zekere reinigings-ceremoniën gepaard; en ook deze werden nog eerst tegen het einde der achtste eeuw ingevoerd. Des avonds voor het feest begeven zich de priesters, in plechtstatigen optocht, met fakkellicht, naar den tempel, waar in eene kostbare reliekkast, mikosi genaamd, de wapenen en andere voorwerpen worden bewaard, die den vergooden held hebben toebehoord. Volgens het zeggen der priesters is de mikosi de aardsche woning van den kami, de troon, in zijn vaderland voor hem opgericht. Maar ieder jaar moet deze woning geheel gereinigd worden. De relieken worden dus uit de kast genomen, en deze naar de rivier gedragen. Terwijl eenige priesters haar zorgvuldig wasschen, steken andere groote vuren aan, om de booze geesten te verdrijven; en de kagoera, het gewijde choor, tracht door muziek en zang den geest van den kami, die tijdelijk van zijn aardsch verblijf is beroofd, te verzoenen en tot rust te brengen. Intusschen haast men zich, om hem zijn huis terug te geven: de relieken, die tot dusver te midden van den stoet waren ten toon gesteld, worden met groote plechtigheid weder in de kast geborgen; maar, daar de tempel zelf evenzeer reiniging behoeft, wordt de mikosi niet dadelijk daarheen terug gevoerd. Gedurende het feest, dat verscheidene dagen aanhoudt, wordt zij bewaard in een bepaaldelijk daarvoor opgerichte kapel, die behoorlijk tegen de aanrandingen van booze geesten is gevrijwaard: want, waagden zij zich binnen de gewijde, door koorden van rijststroo afgepaalde ruimte, dan liepen zij gevaar overgoten te worden met het kokende wijwater, waarmede men van tijd tot tijd de woning van den kami besproeit; en wee diegenen hunner, die in de lucht rondzweven: want de priesters, die de eerewacht van den kami vormen, zijn bekwame ruiters en handige schutters; het volk juicht luide hunne schitterende evolutiën toe, en volgt met bewonderende blikken de pijlen, die zij in de lucht afschieten en die allen binnen de gewijde ruimte nedervallen.

Deze ceremoniën moeten nu wel aan het feest een godsdienstig karakter geven; maar toen ik zoo even van den invloed van den kami-dienst op de ontwikkeling van het dramatisch talent des volks sprak, waren het toch niet deze dwaze vertooningen, die ik op het oog had. Bij het feest behoorde ook nog eene groote processie van gemaskerde en gekostumeerde priesters, die op de verschillende statiën langs den weg voorstellingen gaven van de treffendste episoden uit het leven van hun held. Deze tooneelvoorstellingen in de open lucht gingen met muziek, zang en pantomimische dansen gepaard. De poëzie en de plastische kunst maakten zich tot dragers en tolken der nationale traditiën, en de menigte, van alle zijden saâmgevloeid, luisterde opgetogen naar het verhaal van de schitterende vaderlandsche herinneringen. Soms werd het feest nog opgeluisterd door eene tentoonstelling van wapentropheeën of van beelden en groepen, die in gelaat en kleederdracht de typen der beroemdste en populairste kami’s vertoonden, en op wagens of houten toestellen waren geplaatst; waarop dan ook de gebouwen, tempels, kapellen of andere plaatsen waren afgebeeld, die op eene of andere wijze met de geschiedenis van den gevierden held waren verbonden.

Oorspronkelijk werden deze jaarlijksche feesten, matsjoeris geheeten, maar in enkele steden, de oudsten des rijks, gevierd. Slechts acht provinciën mochten er zich op beroemen, kami’s te bezitten. Maar sedert de tiende eeuw wilde ieder gewest, ieder district, iedere stad van eenige beteekenis, een eigen kami, een eigen beschermheilige, hebben. Eindelijk bedroeg het getal der in Japan vereerde kami’s niet minder dan drieduizend eenhonderd twee en dertig; waarop het noodig werd geacht eene zekere rangschikking in te voeren, en de oudst bekenden althans boven deze menigte te verheffen. Aan vierhonderd twee en negentig hunner werd de titel van groote kami’s toegekend; de overigen moesten zich tevreden stellen met den naam van lagere kami’s. Van toen af werden er overal matsjoeris gevierd; en door het geheele rijk verspreidde zich de liefde voor de heldenverhalen en tooneelvoorstellingen ter verheerlijking van het vaderland en de deugden van het voorgeslacht. In dit opzicht althans is de volksgodsdienst van Japan niet geheel onvruchtbaar geweest: zij heeft werkelijk bijgedragen tot de vorming van een volk, dat door warme vaderlandsliefde is bezield; van een rijk, dat nooit het juk van een vreemden overheerscher heeft getorst; en van eene regeering, die, zelfs in onze dagen, en te midden van ingewikkelde betrekkingen met de machtigste staten der wereld, hare waardigheid en zelfstandigheid heeft weten te handhaven.

De vreemdeling, die China bezoekt, krijgt telkens den indruk als wandelde hij door een bouwvallig, stofferig en verwaarloosd gebouw, aan de hoede van afgeleefde invaliden toebetrouwd. In Japan ziet ge letterlijk noch bouwvallen, noch stof; met de frischheid dezer altijd groenende plantenwereld wedijvert het voorkomen van onverstoorbare jeugd, dat den bewoners dezer schoone eilanden eigen schijnt. Zelfs de woningen hunner afgestorvenen versieren zij met de beelden van eene eeuwige lente: in alle jaargetijden schitteren hunne kerkhoven in den rijksten bloemendos. Hunne graven bewaren eenvoudig den naam en de herinnering der afgestorvenen, zonder eenig toevoegsel, dat het denkbeeld aan dood of vernietiging voor den geest roept. Daar iedere familie hare eigene begraafplaats, en iedere doode zijn eigen lijksteen heeft, breiden zich deze gedenkteekenen der voorgeslachten heinde en verre allerwege uit, over heuvel en dal, door parken en gewijde bosschages, tot aan de poorten der steden en den ingang der dorpen.

De Mikado, toen hij nog zichtbaar was.

Te Nagasaki vooral levert dit een grootsch gezicht op. Deze stad ligt aan den voet eener bergketen, waarvan de benedenste hellingen doorgaans vrij steil zijn; deze zijn nu amphitheatersgewijze in breede terrassen uitgehouwen, en geheel bedekt met de grafteekenen der voorgeslachten. Twee steden verrijzen hier nevens elkander: in de vlakte de stad der levenden, met hare lange en breede straten, door brooze houten huizen omzoomd en gevuld met een bezige, luidruchtige schare; en boven op den berg, de ernstige doodenstad, met haar granieten muren en monumenten, hare eeuwenheugende boomen, hare plechtige stilte. Zoo vaak de inwoners van Nagasaki de oogen opheffen naar den berg, moeten zij wel onwillekeurig denken aan de tallooze geslachten die vóór hen op aarde hebben geleefd. Bij den aanblik van al deze lijkgesteenten, wier dichte rijen zich haast verliezen in den blauwachtigen nevel aan den wazigen horizon, kunt ge u noode onthouden van de gedachte, dat de dooden nog te midden hunner graven vertoeven; dat zij, van deze rustige hoogte, zwijgend en ernstig, nederzien op het ijdele gewoel aan hunne voeten. Althans het volk gelooft het: en eenmaal in het jaar worden de dooden uitgenoodigd tot het bijwonen van een plechtig feest, dat drie achtereenvolgende nachten duurt.

De groote processie van den daïri te Kioto.

Den eersten avond worden, door middel van gekleurde papieren lantaarns, de graven verlicht dergenen, die in het dan afgeloopen jaar zijn gestorven. Op de beide volgende avonden deelen alle graven, oude zoowel als pas gedolvene, in deze verlichting; en alle familiën uit Nagasaki begeven zich naar hare begraafplaatsen, waar, ter eere der voorvaderen, overvloedige drankoffers worden geplengd. De uitbundigste vroolijkheid doet weldra alle terrassen van luid gejubel en gelach weêrgalmen; en knetterende vuurpijlen, voortdurend opgelaten, vervullen ook de lucht met den weerklank der aardsche dartelheid. Een vreemd doodenfeest voorwaar! maar allerschilderachtigst om aan te zien. De europeesche residenten laten zich gewoonlijk naar de schepen op de reede roeien, om van daar het tooverachtig schouwspel te genieten der in een rooden lichtgloed gehulde heuvelen, wemelende van eene dichte menschenmassa.

Maar, in den derden nacht, ziet men eensklaps, tegen twee uren in den morgen, lange processiën, schitterende van licht, afdalen naar den oever der baai; terwijl de bergen langzamerhand duister worden, en alleen de witte grafsteenen schemeren in den half doorzichtigen sluier des nachts. De dooden moeten zich inschepen en vóór den dageraad vertrekken. Men heeft hun duizende kleine bootjes van gevlochten stroo bereid, ieder met eenig fruit en enkele kleine geldstukken voorzien. Op deze brooze schuitjes worden al de papieren lantaarns geladen, die tot verlichting der graven hebben gediend; het kleine matten zeil wordt uitgespannen; en de ochtendwind verstrooit ze naar alle zijden op de reede, waar zij weldra vlam vatten. Zoo vergaat de gansche vloot, overal, voor een korte poos, slingerende sporen van vuur achterlatende..... De dooden gaan snel! Na weinige oogenblikken is het laatste vaartuigje gezonken, het laatste vuur gedoofd, en heeft de laatste geest zijn afscheidsgroet aan de aarde gebracht. Bij het opgaan der zon, is er niets meer van de dooden overig.

In vroeger tijd, toen de kami-dienst nog de uitsluitend heerschende in Japan was, werden aanzienlijke personen op eene afzonderlijke plaats, verwijderd van de algemeene begraafplaats, ter aarde besteld. Met dat doel werd een ronde heuvel uitgekozen, of wel kunstmatig opgeworpen: welke heuvel dan, even als een adellijke burcht, den naam ontving van yasiro, versterkte woning. Hij werd met kolossale, ruw opgetrokken muren, en gewoonlijk ook met eene breede gracht omringd. Aan den opgang der brug, die den heuvel met de vlakte verbond, werd een tori opgericht, ten teeken van de heiligheid der plaats. De lijkkist werd in een steenen graf, een soort van sarkophaag, neergezet, en boven dit gedenkteeken een houten gebouw opgetrokken, in vorm aan eene kami-kapel gelijk.

De begrafenisplechtigheden waren daarbij zeer omslachtig en statig. De lijkstoet geleek welhaast den triomftocht van een zegevierenden held. Met den doode werden zijne wapenen, zijn maliënkolder en wat hij het kostbaarst bezat, begraven. Ook zijne voornaamste dienaren volgden hem in het graf; en zijn geliefd strijdros werd aan zijn schim geofferd. Deze barbaarsche gebruiken werden evenwel in de eerste eeuw onzer jaartelling afgeschaft. Houten poppen vervingen de plaats der levende menschen, en de paarden werden nog slechts in effigie geofferd: Eenige fiksche penseelstreken op een wit plankje verbeeldden den fieren strijdmakker van den held, en dit plankje behoorde tot de voorwerpen, die mede in het graf werden geborgen. Deze yema’s of paardenstudiën zijn in den regel met zooveel talent geteekend en zoo geniaal behandeld, dat zij inderdaad tot de artistieke merkwaardigheden van Japan behooren. Men vindt ze in de steden en op het land, in een aantal kapellen, bij wijze van votieftafels. Somwijlen behooren zij ook tot de geschenken, die de Taïkoen aan vreemde regeeringen zendt.

IX.

De kunst aan het hof van den Mikado.—Miniatuurschilderen.—Symboliek.—Modes aan het hof.—Het hof der Kisaki.—Letterkundige uitspanningen.—De dichteres Onono-Komatsj.—Tooneelvoorstellingen.

Een der meest geliefkoosde kunsten aan het hof van den Mikado is het miniatuurschilderen. De miniaturen der kunstenaars van Kioto doen meermalen aan onze middeleeuwsche getijdeboeken denken: het is hetzelfde velijnpapier, hetzelfde misbruik van gouden gronden, dezelfde pracht van kleuren. De met vignetten versierde handschriften worden op ivoren cylinders of stokjes van fijn hout, waarvan de uiteinden met metalen sieraden zijn voorzien, gerold. Almanakken, romans, verzamelingen van verzen, litanieën en gebeden, worden daarentegen meestal in den vorm van boeken ingebonden. Onder de aanzienlijke dames is het mode, de kleinst mogelijke editiën der gebedeboeken bij de godsdienstoefeningen te gebruiken.

De dames en de dichters van Kioto gebruiken nooit een anderen almanak dan den zoogenaamden bloemenkalender, waarin iedere maand en ieder onderdeel eener maand door een symbolisch bouquet worden aangeduid. Ook bij de kleeding heerscht een soortgelijk gebruik: het toilet der aanzienlijke dames geeft niet alleen haar rang en rijkdom te kennen, maar is ook door de kleur en het onderwerp der borduursels op de kleederen in overeenstemming met de jaargetijden, de bloemen en vruchten van iedere maand des jaars. De maanden zelven worden in de hoftaal nooit bij hare eigenlijke namen, maar naar hare dikwijls zeer toevallige eigenschappen genoemd: de eerste maand heet de vrienden- of vriendelijke maand, omdat bij de bezoeken en geschenken van den nieuwjaarsdag de vriendschapsbanden worden bevestigd en nauwer toegehaald; de derde maand heet de ontluikingsmaand, omdat de natuur dan uit haar winterslaap ontwaakt; de vijfde, de overplantingsmaand, omdat de rijst dan verplant wordt; de zevende, de maand der letteren, omdat het dan gebruik is, ter eere der sterren lofzangen te schrijven, die aan de vrienden en kennissen worden rondgezonden.

Deze zucht naar symboliek is evenzeer kenbaar in de japansche architektuur en de voortbrengselen hunner nijverheid: met één woord, in alles wat door hunne kunstenaars of werklieden wordt vervaardigd. Zoo ziet men aan de daken der tempels en paleizen zeer dikwijls een eigenaardig ornament van snijwerk, dat een wolkenlaag moet verbeelden, waarboven de gevel van het gebouw oprijst. De hoofdingang of eerepoort van den daïri prijkt met eene gouden zon, omgeven door de teekenen van den dierenriem. De poorten der Boeddha-tempels prijken met twee olifantskoppen, ten teeken dat deze godsdienst uit Indië oorspronkelijk is.

Bovendien zijn er een aantal teekens en ornamenten, waarvan wij den rechten zin niet kennen. In den daïri ziet men eene soort van bronzen vaas, eene ruwe afbeelding voorstellende van ik weet niet welken vogel, ter grootte van een mensch. Dit is een der oudste gedenkteekenen der japansche kunst: het draagt den naam van Tori-kamé, maar niemand kent hetzij den oorsprong, hetzij de bestemming van dit kunstwerk. Andere, zeer oude vazen, op een drievoet geplaatst en dienende voor het branden van reukwerk, vertoonen in graveerwerk den kop of ook wel het geheele lichaam van den krokodil: een dier, in Japan volstrekt onbekend. De schildpad en de kraanvogel, die menigmaal op wierookvaten en gewijde kandelaars voorkomen, zijn zinnebeelden van onsterfelijkheid of althans van een lang leven.—De mythologische vogel Foô, in Japan zoowel als in China geliefd, prijkt op de posten der deuren van den daïri en boven op den palankijn van den Mikado, als het zinnebeeld van eeuwige zaligheid.

Deze zelfde symbolische figuren, met vele anderen, die ik hier niet allen noemen kan, komen wederom voor in de patronen der kostbare, van zijde, goud- en zilverdraad geweven stoffen, die de glorie uitmaken der wevers van Kioto; en in de graveersels der gouden, zilveren, koperen en stalen platen, waarmede de japansche juweliers de grepen en scheden van sabels, de draagbare schrijftoestellen, de pijpen en tabaksdoozen versieren; en eindelijk ook in de versieringen der tallooze gereedschappen, vaatwerken en ornamenten van lakwerk en porselein, waarin de grootste weelde der japansche huizen bestaat.

Eens, toen ik een magazijn bezocht van zulke curiositeiten, uit de werkplaatsen van Kioto afkomstig, vestigde men mijne aandacht er op, dat geen dezer voorwerpen zuiver rechthoekig was. Ik overtuigde mij zelf hiervan, door een nauwkeurig onderzoek van eene menigte kastjes, koffertjes, papierdoozen, plateaux en dergelijke verlakte voorwerpen; en inderdaad, ik vond nergens een scherpen hoek: alle hoeken waren afgeknot of zacht afgerond. Aangenomen, dat hierbij aan niets anders moet worden gedacht, dan aan een gril van den smaak, waarover niet te twisten valt, zoo is er iets anders, dat stellig eene symbolische beteekenis heeft. Alle japansche spiegels namelijk, zonder eenige uitzondering, vertoonen een ronde schijf: en deze omstandigheid pleit wel voor het gevoelen van Siebold, dat de spiegels in de kami-tempels eenvoudig een symbool zijn der zonneschijf.

Het is moeielijker de reden te vinden voor sommige modes van Kioto: gesteld, dat modes ooit of ergens een reden hebben. De dames van het hof trekken zich wenkbrauwen uit, en vervangen die door twee zware donkere strepen, zoo wat drie à vier vingers boven het oog geschilderd. Zou het zijn, omdat deze schoonen, met hare vooruitstekende wangbeenderen, gevoelen, dat het ovaal van haar gelaat wel wat te wenschen overlaat; en zouden zij daaraan willen tegemoet komen, door hare wenkbrauwen, die de natuur een beetje te veel midden in het aangezicht plaatste, wat naar boven te brengen?

Met uitzondering van enkele, met was bestreken vlechten, die langs de slapen en de schouders afdalen, dragen de dames het haar los, plat op het hoofd, en vrij afhangende op den rug. Daar worden de haren saâmgevat in een knoop, die groote geheimenissen verbergen moet: want alle aanzienlijke dames, zonder onderscheid, prijken met zware, golvende lokken, die tusschen de plooien van haar wijden mantel tot op den grond afdalen. De omvang van dit rijke kleedingstuk van brocade, zou haast tot het vermoeden leiden, dat in de groote wereld van Kioto de graad van vrouwelijke weelde zich regelt naar het getal der ellen zijde, die een enkel mensch achter zich aan kan slepen. Maar wat beteekenen die twee lange zijbanen van het kleed, die ter rechter- en ter linkerzijde buiten de golvende mantelzoomen uitsteken? Als de schoone voortgaat, bewegen zij zich op de maat der onzichtbare kleine voeten; en van verre zou men zeggen dat de dame geen kleed draagt maar een wijden, slependen pantalon, die haar slechts vergunt op de knieën voort te kruipen, achteloos met de heupen wiegende. Wel, dit wonderlijk kostuum moet ook juist dien indruk maken: het moet den schijn hebben, alsof de hofdames, die in de tegenwoordigheid van den Mikado worden toegelaten, niet dan knielende zijne heilige majesteit naderen!

In het paleis hoort ge geen ander geluid dan het ruischen der zijde over de zachte tapijten, waarmede de matten zijn belegd. Bamboezen jalouzieën temperen het daglicht; prachtig beschilderde schermen, damasten draperieën, fluweelen gordijnen, vormen de wanden en portières der ruime salons. Geen enkel meubelstuk stoort den indruk van sierlijke eenvoudigheid; in de hoeken bespeurt ge slechts, hier een aquarium van porselein, gekroond met levende planten en smaakvol geschikte bloemen; elders een met parelmoer ingelegde kast of eene étagère, beladen met de omvangrijke bloemlezingen uit de oude poëzie, waarvan eene op gouden bladen is gedrukt. De geur van kostbare houtsoorten, van fijne matten, van bloemen en gewassen mengt zich met de frissche buitenlucht, die van alle kanten door de geopende schermen binnendringt. De jonge hofdames presenteeren thee van Oudsji en suikergebak uit de voorraadkamer der keizerin. Deze, de Kisaki, de trotsche gebiedster der twaalf andere wettige gemalinnen van den Mikado en van de schare zijner bijwijven, zit, in fiere afzondering, neergehurkt op eene ruime hooge estrade, van waar zij de gansche zaal overziet. De staatsdames en kamervrouwen, op eerbiedigen afstand achter haar geknield of neergehurkt, vormen groepen, die op bloembedden gelijken: want iedere groep heeft, volgens haar rang, hare eigene kleederdracht en bijzondere kleuren. De breede plooien der kleederen van de keizerin zijn zoo kunstig en smaakvol geschikt, dat zij hare figuur als in eene schitterende wolk van gaas, satijn en brocade hullen; en de drie gouden bladen of stengels, die uit haar diadeem oprijzen, schijnen wel de kroon eener hemelsche bloemen-koningin.

Uitdeeling van geld aan het volk, op last van den Taïkoen.

De genoodigden zitten in halve kringen tegenover de hooge gebiedster. Op een teeken harer hand naderen de dienstdoende staatsdames, en ontvangen knielende de noodige bevelen voor de regeling der verhalen en samenspraken of letterkundige wedstrijden. Het hof der Kisaki toch is, of was althans, de japansche académie des jeux floraux. Op den derden dag der derde maand, ongeveer overeenkomende met onze Aprilmaand, vereenigen zich alle schoone geesten van den daïri in de bloesemrijke boomgaarden van het kasteel, aan den oever der frissche beken; de saki vloeit in de kristallen bekers, en edelheeren en edelvrouwen wedijveren in het uitvinden der liefelijkste coupletjes ter eere der jonge lente en der ontwakende natuur.

Deze soort van conventioneele poëzie was trouwens van ouds eene der meest geliefde uitspanningen der japansche literatoren: hierin het voorbeeld volgende der chineesche letterkunde, waarnaar die van hun eigen land zich vormde, en tevens aan den invloed van het hof gehoorzamende, waar dergelijke Schöngeisterei natuurlijk zeer in den smaak viel. De graveerstift heeft ons zelfs de trekken bewaard der dichters, die in dit genre uitmuntten, en die altijd worden voorgesteld met het voorwerp hunner zangen. De dichters der zee, bij voorbeeld, ziet ge steeds aan het strand neergezeten; een ander is verzonken in de beschouwing van een bloemruiker; een derde heeft voor attribuut een bloeienden perzikenboom; er zijn dichters van de rijst, van de vlinders, van de kraanvogels, van de maan, van de schelpen, en zoo meer. De geschiedenis der japansche poëzie heeft ook hare gewijde plaatsen: als daar zijn de berg Kamo, waar Tsjoo-meï zijne oden dichtte, peinzende aan den oever eener beek; en een zeker klooster, waar een verdoolde prins nachtverblijf vond. Des morgens, bij zijn vertrek, stelde hij den prior een gedicht ter hand, als loon voor de genoten gastvrijheid. Deze gracelijke gave vestigde den roem van het klooster.

Eene der meest geliefde figuren uit de letterkundige geschiedenis van Japan is eene adellijke jonkvrouw van het hof van Kioto, met name Onono-Komatsj. Doorgaans wordt zij voor een waterbekken knielende afgebeeld, bezig met haar handschrift uit te wisschen. Zoo groot was haar zucht naar zuiverheid van stijl, dat zij nimmer tevreden was met wat zij gemaakt had, en deze hartstocht ieder anderen in haar vernietigde. Bewonderd om haar talent, maar ter prooi aan de jaloezie en de wraakzucht der losbollen, wier beleefdheden zij met verachting afwees, viel zij eindelijk in ongenade en tot volslagen armoede. Jaren lang zag men toen door de velden van Nippon eene eenzame vrouw zwerven, barrevoets, leunende op een pelgrimsstaf, en in de linkerhand een mandje dragende, dat, nevens eenige beschreven rollen papier, enkele schrale mondbehoeften bevatte. Zilverwitte haarlokken omgaven haar mager en gerimpeld gelaat, door een breeden strooien hoed overschaduwd. Zette deze arme oude vrouw zich neder op de trappen der tempels, nabij de dorpen, dan schaarden zich de kinderen weldra om haar heen, aangetrokken door haar zachten glimlach en de weemoedige uitdrukking harer groote, schoone oogen. Dan zeide zij verzen voor hen op, en vestigde hunne aandacht op de heerlijke wonderen der schepping. En dan gebeurde het vaak, dat een of andere leergierige monnik, gissende wie de onbekende was, eerbiedig nader trad en vergunning verzocht om een der gedichten te mogen overschrijven, die de arme zwervelinge in haar mandje mededroeg. Zelfs in onze dagen is de nagedachtenis van Onono-Komatsj, de dichterlijke maagd, in Japan nog in eere, en leeft haar naam nog voort als die van eene edele martelares der kunst, door voor- noch tegenspoed gebogen, en tot in haar ouderdom en te midden van armoede en verlatenheid onveranderlijk trouw aan hare liefde voor het ideaal.

Japansche pelgrims.

Maar het hof der keizerin kende ook andere dan zuiver letterkundige uitspanningen: er was ook eene kapel, uitsluitend uit snareninstrumenten saâmgesteld. Met de muziek gingen tooneelvoorstellingen gepaard. Eene troep jeugdige tooneelspeelsters voerde tooverballetten op, of wel danste eigenaardige dansen: nu eens deftig en statig, gekleed in lange slepende mantels met wijde mouwen; dan weder vlug, levendig, fantastisch, waarbij de danseressen verkleed optraden, versierd met vogel- of kapellen-vederen. De dames van den daïri hadden ook hare bijzondere loges grillées, niet slechts in den keizerlijken schouwburg, maar ook in den circus der worstelaars en boksers, aan het hof van den Mikado verbonden. Ook waren zij, in haar eigen lusthof, in kleinen kring onder de veranda gezeten, belangstellende toeschouwers bij de hanengevechten. Al deze gebruiken van het hof van Kioto zijn tot op onze dagen in stand gebleven: slechts is ieder spoor van artistieke of letterkundige ontwikkeling verdwenen. Zij zijn niets meer dan de laatste overblijfselen van het oude keizerrijk: zonder geest of leven nu, dor en versteend, als de verlaten grafheuvels van het voorgeslacht. Inmiddels ontluikt en ontwikkelt zich allerwege rondom den Mikado een nieuw leven. De Taïkoen breidt al verder en verder de instellingen en ordeningen zijner moderne monarchie uit, en doet steeds krachtiger grepen in het aloude samenstel der verstorven theokratie; de vreemdeling heeft zich de poorten des rijks geopend; de vlugge stoombooten van het Westen doorkruisen de kalme wateren der binnenzee, en van alle zijden dringt de christelijk-europeesche beschaving veroverend het land binnen.

En terwijl de wereld om hem heen van gedaante verandert, zit daar nog altijd de Mikado, de afstammeling der kami’s, de erfelijke theokratische keizer van Japan, ontoegankelijk en onzichtbaar: stomme getuige eener omwenteling, die hij niet keeren kan, en die hem licht medesleepen zal. Ware hij niet zoo volkomen lijdelijk, deze Mikado zou eene tragische figuur zijn: de incarnatie van het gestorven verleden, waarvoor in het levend heden geene plaats meer is. Vergeefs trekt hij zich terug in de geheimzinnige schemering van het heilig halfduister: ook hij zal in het volle licht moeten treden, ook over hem zal het onverbiddelijk gericht der historie gaan.

X.

De dubbele monarchie.—De Mikado en de Taïkoen.—Oorsprong van de macht der Taïkoens.—De Sjoogoen Mina-moto Yoritomo.—Inval der Mongolen in Japan.—Taïko-sama.—Etiquette aan het hof van den Mikado.—Bezoek van den Taïkoen bij den Mikado.

Tijdens mijn verblijf in Japan gebeurde het, dat de Taïkoen een beleefdheidsbezoek bracht aan den Mikado.

Dit was eene buitengewone gebeurtenis, die niet alleen een diepen indruk op het volk maakte en de pennen en teekenstiften der inlandsche schrijvers en kunstenaars in beweging bracht; maar die ook aan de europeesche gezanten en residenten de gelegenheid verschafte om iets meer te leeren kennen van de wederzijdsche verhouding der beide Majesteiten van het japansche rijk. Deze verhouding is inderdaad allermerkwaardigst; en de regeeringsvorm in Japan op zich zelf zoo geheel eenig, dat eene nadere studie dezer dubbele monarchie alleszins onze belangstelling verdient.

Rechtens is er in Japan maar één souverein, de Mikado, die reeds door zijne geboorte en zijn gewijd karakter boven den wereldlijken heerscher, eigenlijk zijn stedehouder, verheven is. Kleinzoon der zon, vervolgt hij de traditioneele lijn der goden en halve goden, der heroën en erfelijke keizers, die in onafgebroken volgorde over Japan hebben geregeerd sedert de stichting des rijks, of liever sedert de schepping der acht groote eilanden. Opperhoofd der godsdienst, welken naam of welken vorm zij ook onder het volk aanneme, treedt hij in het bijzonder op als de hoogepriester der oude nationale kami-dienst. Te midzomer offert hij aan de aarde; te midwinter offert hij aan den hemel. Een god is bepaaldelijk met de zorg voor zijn persoon belast; van uit haar tempel op den top van den berg Kamo, waakt deze godheid nacht en dag over den daïri. Gedurende eene geheele maand in het jaar verlaten al de goden hunne hemelsche woningen en hunne tempels, om bezoeken af te leggen bij hun afstammeling en vertegenwoordiger op aarde. Als de Mikado sterft, wordt zijn naam, tot dus ver verborgen gehouden, in de tempels zijner voorouders te Kioto, in den tempel van Hatsjiman, en zelfs te Isyé in den zonnetempel, gegraveerd.

Deze vertegenwoordiger der goden, deze theokratische keizer en geboren souverein, heeft buiten twijfel rechtstreeks van den hemel de onbeperkte macht ontvangen, waarmede hij over zijn volk heerscht. Maar hoe onbegrensd deze macht in theorie ook moge zijn, inderdaad is zij tot niets herleid, en vermag de Mikado zelfs het geringste niet. Van tijd tot tijd schenkt hij grootsch klinkende eeretitels aan sommige leden van den ouden adel, die zich op eene of andere manier jegens de kerk verdienstelijk hebben gemaakt. Ook bepaalt hij de dagen der veranderlijke godsdienstige feesten; regelt de kleur der priesterlijke gewaden en alle godsdienstige ceremoniën; en beslist in het hoogste beroep alle theologische geschillen. Maar dat is ook alles. Soms echter veroorlooft hij zich openlijk te protesteeren tegen sommige handelingen van het wereldlijk gezag, die zijne prerogatieven en privilegiën schijnen aan te randen: zooals hij nog onlangs heeft gedaan tegen de tractaten, door den Taïkoen met sommige europeesche mogendheden gesloten. Het is waar, later heeft hij ze bekrachtigd: maar dit was gedwongen.

Tegenover deze verhevene Majesteit staat de Taïkoen, vroeger Sjoogoen geheeten, de wereldlijke gebieder. Hij is eigenlijk niets meer dan de erfgenaam van gelukkige overweldigers, een parvenu. De stichters zijner dynastie, hof- en krijgsbeambten van den Mikado, hebben hunnen heer om zijn leger, zijn vloot, zijn land en zijne inkomsten gebracht: als ware het hunne taak hem van alle aardsche zorgen en beslommeringen te ontheffen. Hoe dit is geschied, en wanneer zich eigenlijk in Japan wettig de dubbele regeering heeft gevestigd, die wij er thans zien, is nog niet in alle bijzonderheden met zekerheid uit te maken. Evenwel kunnen wij ons vrij gemakkelijk de toedracht der zaak, in groote trekken, voorstellen. Naarmate uit het geslacht der Mikado’s de geestkracht van vroeger week, en deze keizers zich vergenoegden met in hun hof al de weelden en genietingen van hun hoogen rang te smaken, zonder de daaraan verbonden verplichtingen te vervullen; naarmate zij zich van hun volk en de werkelijke wereld terugtrokken, om zich, in het heilig halfdonker van hun paleis, door hunne hovelingen te laten aanbidden: naar die zelfde mate moest ook de klem der regeering, het eigenlijke gezag, in andere handen overgaan. En het was niet meer dan natuurlijk, dat een goed deel van dat gezag, naar gelang het aan de ontzenuwde handen van den priestervorst ontsnapte, overging in die van zijn Sjoogoen, zijn generalissimus. De Sjoogoens hebben tegenover de Mikado’s zoo ongeveer dezelfde rol gespeeld als de hofmeiers tegenover de laatste merovingische koningen: met dit onderscheid alleen, dat in Frankrijk het schaduwbeeld van een koning eindelijk ter zijde werd gezet, en hij die de macht had ook den rang en titel aannam; terwijl in Japan de Mikado, schoon in alles wat het staatsbestuur betreft volslagen machteloos, voor het uiterlijke in zijn rang werd gehandhaafd, en nog altijd als de eigenlijke keizer, de goddelijke souverein, wordt geëerd. Waarschijnlijk dankt hij dit wel voornamelijk aan zijn geestelijken rang, aan zijn gewijd karakter, als afstammeling en vertegenwoordiger der goden.

De eigenlijke grondlegger van de macht der Sjoogoens was Mina-moto Yoritomo, die in de tweede helft der twaalfde eeuw leefde. Yoritomo, uit een vorstelijk geslacht gesproten, werd aan het hof van Kioto opgevoed, en had daar ruimschoots gelegenheid op te merken, hoezeer de macht van den daïri was gedaald en uitgeput. De Mikado, in zijn serail opgesloten, hield zich met niets anders bezig dan met de intriges en kabalen van het hof. De hovelingen brachten hun tijd in ledigheid door, of gaven zich aan allerlei buitensporigheden over. De oude geslachten, die hetzij door bloedverwantschap, hetzij door huwelijk of erfelijken rang, met den persoon des keizers verbonden waren, trachtten op allerlei wijze van hunne positie voordeel te trekken en elkander in de gunst des meesters te verdringen. De daïmios, die ver van het hof in de provinciën leefden, ontsloegen zich telkens meer van hunne verplichtingen jegens de kroon. Sommigen streefden naar volstrekte oppermacht in het bestuur der keizerlijke leenen; anderen weder breidden met geweld hunne bezittingen uit, ten koste hunner naburen. Familie-oorlogen, veeten en gewelddadigheden van allerlei aard teisterden, jaren en jaren achtereen, de kasteelen en bezittingen der voornaamste japansche dynasten; wanorde en regeeringloosheid verwoestten het land. Yoritomo, wiens geslacht zelf veel in deze burgeroorlogen geleden had, verkreeg van den Mikado het opperbevel des legers en de meest uitgebreide volmacht, om de orde in het rijk te herstellen. Destijds had de Mikado, even als de adellijke grondheeren, geen ander leger dan de landweer, of wat in het feodale Europa genoemd werd, de landvolge. Zij die tot het dragen der wapenen verplicht waren, verschenen op het opontbod huns heeren in het veld, namen aan den krijgstocht deel, en keerden, na afloop daarvan, weder naar hunne woningen terug. Yoritomo schiep voor ’t eerst een staand leger, verbeterde de krijgstaktiek, onderwierp zijne soldaten aan een strenge tucht, en trachtte ze zooveel mogelijk los te maken van alle betrekkingen des burgerlijken levens.

Met behulp van deze nieuwe macht wist Yoritomo ten volle zijn doel te bereiken. Hij onderwierp de daïmios, die gepoogd hadden zich onafhankelijk te maken, en dwong hen, den eed van gehoorzaamheid aan hem, als stedehouder van den Mikado, af te leggen. Enkelen weigerden hem als zoodanig te erkennen: zij werden met hun gansche geslacht uitgeroeid en hunne goederen verbeurd verklaard. Aldus met de eene hand den adel bedwingende, wist hij met de andere de draden te grijpen van alle intriges, die den daïri in beweging brachten. Hij begon zijne loopbaan onder den zes-en-zeventigsten Mikado; hij eindigde ze onder den drie-en-tachtigsten. De keizers, die hem in den weg traden, moesten wijken en werden gedwongen afstand te doen; een hunner werd monnik en trok zich in een klooster terug. Eerst onder den twee-en-tachtigsten Mikado evenwel ontving Yoritomo officieel den titel van Sjoogoen, welke waardigheid hij metterdaad reeds sedert twintig jaar bekleedde. Bij zijn dood volgde zijn oudste zoon hem op.

Van toen af waren er in Japan twee hoven: dat van den Mikado te Kioto, en dat van den Sjoogoen, destijds te Kamakoera. Aanvankelijk echter was deze nieuwe macht niet erfelijk; zelfs gebeurde het dat de zonen der Mikado’s met de waardigheid van Sjoogoen werden bekleed. In plaats van zich te verontrusten over hetgeen misschien te Kamakoera voorviel of werd beraamd, vond het lichtzinnige hof van Kioto daarin veel meer eene onuitputtelijke stof voor zijne geestigheid en spotternij. Nu eens maakte men zich vroolijk over de groote airs der echtgenoote van den Sjoogoen, over den slechten smaak van de toiletten der dames van hare omgeving, de gemeene manieren der hofkomedianten, de onbeholpenheid der danseressen; dan weder werd er gespot met de bonte uniformen der soldaten, of met de platte spraak en manieren dezer nieuwbakken edellieden, die zich voordeden als de redders van het rijk en de herstellers van den theokratischen troon.

Maar welhaast kwam eene onvoorziene, ernstige gebeurtenis aan deze spotternijen een einde maken, en de blikken van het gansche volk op het hof van Kamakoera vestigen. In de twaalfde maand van het jaar 1268 zette een mongoolsch gezantschap in Japan voet aan wal. Het kwam uit naam van Koeblaï-Khan, den waardigen afstammeling der tartaarsche veroveraars, die twaalf jaren later geheel China zou onderwerpen, Peking tot zijne residentie maken en de stichter worden der dynastie van Yuen, onder welke het groote kanaal gegraven werd.—Koeblaï-Khan schreef aan den keizer van Nippon:

Daïmio in hofkostuum.

“Ik ben het hoofd van een rijk, voorheen zonder macht of beteekenis. Thans kan niemand de steden en landen tellen, die mijne heerschappij erkennen. Ik wensch in vriendschap te leven met de vorsten, wier staten aan de mijnen grenzen. Tot dusver is nog geen gezantschap van uwentwege tot mij gekomen. Ik vrees, dat men in uw land niet goed met den waren staat van zaken bekend is: daarom zend ik u dezen brief, door middel mijner gezanten, die u met mijne inzichten bekend zullen maken. Ik hoop dat wij elkander zullen verstaan. De wijze heeft gezegd, dat de geheele wereld slechts één gezin moest zijn. Maar hoe zal men daartoe geraken, indien de volken niet vriendschappelijk met elkander verkeeren? Ik voor mij ben vast besloten, dit beginsel in toepassing te brengen: zelfs al zou ik daartoe de toevlucht moeten nemen tot de wapenen. Het is nu aan den vorst van Nippon, om te beslissen wat hem te doen staat.”—

Men ziet het, deze Koeblaï-Khan zou niet onaardig figureeren als president van een congres onzer moderne kosmopolitische vredes- en humaniteitsapostelen! Wat een idyllisch denkbeeld: alle menschen één gezin: en het hoofd van dat gezin zal natuurlijk Koeblaï-Khan zelf wezen! Wie zou het ook anders zijn?

De Mikado scheen wel geneigd aan deze broederlijke vermaningen van Koeblaï-Khan gehoor te geven, maar de Sjoogoen was gelukkig verstandiger en verwierp ieder denkbeeld van bondgenootschap met de mongoolsche horden. Hij belegde te Kamakoera eene vergadering der daïmios, deelde hun zijne bezwaren mede en wist ze tot zijne zienswijze over te halen. Het gezantschap werd met een ontwijkend antwoord weggezonden. Het volgende jaar sloeg het mongoolsche opperhoofd eene samenkomst van wederzijdsche gezanten voor op het eiland Tsoetsima, in de straat van Korea: ook dit werd geweigerd. In 1271 kwam er weder een brief van hem: er volgde geen antwoord. In 1273 eindelijk zond hij nogmaals twee gezanten naar Kamakoera: de Sjoogoen liet ze het land uitzetten.

Nu zoo duidelijk de onwil der vorsten van Nippon gebleken was, om vrijwillig in het groote gezin te treden, was Koeblaï-Khan wel verplicht de verblinden te dwingen om deel te nemen aan de hun bereide zaligheid. Welhaast verspreidde zich dan ook de mare, dat twee mongoolsche veldheeren op weg waren naar Japan, met eene vloot van driehonderd groote oorlogsjonken, driehonderd kleinere zeilschepen en driehonderd transportschepen. De Mikado schreef openbare gebeden uit, en beval processiën naar de voornaamste kami-tempels. Middelerwijl zorgde de Sjoogoen voor de verdediging des lands, en, dank zij zijne krachtige maatregelen, werden de Mongolen op alle punten waar zij eene landing beproefden, terug geslagen. Vergeefs poogde hun Khan de onderhandelingen te hervatten: twee afgezanten, die hij in 1275 naar den Sjoogoen zond, werden onmiddellijk weggejaagd; een derde, die het vier jaren later nog eens beproefde, werd onthoofd.

De vreedzame Koeblaï-Khan was woedend, en besloot alle krachten in te spannen tot een laatsten, beslissenden slag. Volgens de japansche geschiedverhalen werd er eene vloot uitgerust van vierduizend schepen, bemand met een leger van tweehonderd veertigduizend man. Deze ontzaggelijke armada zette koers naar Firando, aan den ingang der binnenzee, toen een geweldige orkaan haar aangreep en de schepen op de rotsige kusten verstrooide en verbrijzelde. Wie niet in de golven omkwam, sneuvelde onder de handen der getergde Japanneezen. Men verhaalt, dat slechts drie gevangenen werden gespaard, om de tijding der vreeselijke nederlaag aan den grooten Khan te brengen.

Japan was van de dreigende overheersching der barbaren gered: en geen wonder voorwaar dat hij, aan wien het in de eerste plaats zijne redding dankte, in macht en aanzien won. Van nu af was het niet langer mogelijk, de Sjoogoens te behandelen als eenvoudige ambtenaren der kroon, en hunne aanspraken op het gezag met minachtende spotternij te bejegenen. Het hof van Kioto wist nu, dat het te Kamakoera een mededinger gevonden had, die het welhaast geheel overvleugelen en eindelijk tot volslagen nietigheid doemen zou. Toch duurde het een geruimen tijd, eer zich de macht der Sjoogoens voor goed gevestigd had. Van de veertiende tot de zestiende eeuw was Japan het tooneel van voortdurende burgeroorlogen en toenemende regeeringloosheid, waardoor de politieke organisatie van Yoritomo met den ondergang werd bedreigd. De keizerlijke familie zelve was verdeeld, en paleis-intriges en kabalen dwongen den wettigen souverein Kioto te verlaten en elders eene schuilplaats te zoeken. Gedurende ongeveer zestig jaren zetelden achtervolgens zes onwettige Mikado’s op den overweldigden troon; terwijl de kleinzonen der zon al dien tijd hun hof moesten houden te Yosino, een onaanzienlijk vlek ten zuiden der hoofdstad, in de provincie Yamato. Eindelijk maakt een familieverdrag een einde aan dit schandaal: de wettige Mikado neemt weder bezit van zijn troon in de heilige stad, en herstelt plechtig de ijdele fictie zijner theokratische souvereiniteit.

Maar ook om den zetel van den Sjoogoen wordt hevig getwist: woedende mededingers bestrijden elkander te vuur en te zwaard, zoowel de Kioto als de Kamakoera, en deinzen voor geene gewelddadigheid, zelfs voor geen broedermoord, terug. De feodale grondheeren maken ijverig gebruik van de algemeene verwarring, om zoo mogelijk zich te ontslaan van allen band der leenroerigheid jegens de kroon en hare stedehouders. Wanorde, burgerkrijg en regeeringloosheid allerwege; en toen, in het jaar 1573, de Sjoogoen Noboenaga, in zijn paleis te Kioto, met zijn gansche geslacht werd vermoord, scheen het rijk der ontbinding nabij.

Bezoek van den Taïkoen aan den Mikado.

Onder de bedienden van een der hooge beambten van den daïri bevond zich destijds ook een zekere stalknecht, een boerenzoon, Faxiba genaamd, een man van een ernstig en ingetogen karakter, die het bijzonder vertrouwen van zijn heer had weten te winnen. Onverwacht wordt hij zelf onder de bedienden van den daïri opgenomen: hij wordt ingelijfd in het militaire huis van den Mikado; en na verloop van eenige jaren is de stalknecht Faxiba tot de waardigheid van Sjoogoen opgeklommen, en voert hij, onder den naam van Fidé-Yosi, het opperbevel over de keizerlijke legers, die de oproerige vasallen tot onderwerping moeten brengen. Twee jaren waren voor hem voldoende om den opstand te bedwingen. Zijn terugkeer te Kioto was een ware triomftocht: de Mikado schonk hem den hoogsten eeretitel van den daïri en benoemde hem tot zijn algemeenen stedehouder.

Fidé-Yosi had den onrustigen adel bedwongen: nu wachtte hem nog een andere taak. Het Boeddhisme had in Japan zijne tallooze godheden ingevoerd, die allen hare eigene tempels, heiligdommen en monnikenorden hadden. De bonzen, de monniken, de geestelijke zusters overdekten het land, vooral in het zuiden en in de middenprovinciën van Nippon. De verschillende kloosters wedijverden met elkander, om zich op allerlei wijze een talrijke schaar van volgelingen te verschaffen. Deze concurrentie werd eindelijk zoo sterk, dat daarbij alle booze hartstochten in het spel kwamen, en men zelfs van scheldwoorden en beleedigingen tot handtastelijkheden overging. De keizerlijke policie trachtte aanvankelijk deze twisten te stillen; maar weldra bleek zij niet bij machte om den wassenden stroom der kerkelijke driften te stuiten. Geheele troepen van woedende geestdrijvers, in monnikspij en priesterkleed, met stokken, knuppels en pieken gewapend, plunderden en vernielden de bezittingen der hun vijandige orden: vermoordden of verdreven de kloosterlingen, en staken de kloosters zelven in brand. Maar, vroeger of later, ondergingen deze aanvallers, op hunne beurt overrompeld, hetzelfde lot. In eene eeuw werd de bonzerij van Djensjôsi zes maal door de monniken uit het klooster aan den Yeïsan verbrand; en werd dit laatste door de monniken van Djensjôsi tweemaal in de asch gelegd. Soortgelijke tooneelen herhaalden zich op verschillende plaatsen in Nippon, tot zelfs te Kioto; en de Sjoogoen Noboenaga had vergeefs getracht de orde te herstellen.

Fidé-Yosi besloot aan dezen toestand voor goed een einde te maken. Hij liet de onrustigste bonzerijen door zijne soldaten bezetten, hunne vestingwerken slechten, en bande de belhamels onder de kloosterlingen uit het land. Tegelijk onderwierp hij geheel de japansche geestelijkheid, zonder uitzondering, aan het toezicht eener strenge, ijverige en onverbiddelijke policie, en verbood haar zich met eenige andere zaken, dan die tot hare kerkelijke roeping behoorden, te bemoeien.

Maar ten jare 1586, kort nadat Fidé-Yosi de onlusten onder de monniken van Japan had gestild, kwamen hem vreemde tijdingen ter oore, die hem al zijne aandacht op het eiland Kioe-Sioe deden vestigen.

Destijds was de handel van Japan met de aziatische havens aan geenerlei beperking onderworpen. De vorst van Bungo, die veertig jaren vroeger de portugeesche avonturiers had ontvangen, door den storm op zijne kusten geworpen, had zich gehaast, hun de noodige middelen te verschaffen om naar Goa terug te keeren, en hen uitgenoodigd ieder jaar een schip met koopwaren naar zijne havens te zenden. Aldus werden tusschen Portugal en Japan geregelde en ongehinderde betrekkingen aangeknoopt.

Eens, dat het portugeesche schip op het punt stond naar Goa terug te keeren, kwam een japansch edelman, Hansiro genaamd, die een manslag begaan had, de gastvrijheid en bescherming der vreemdelingen inroepen. Zij werd hem verleend: de vluchteling kwam te Goa en ontmoette daar den beroemden zendeling Franciscus Xaverius, die zich zijner aantrok, hem onderwees en weldra door den doop in de kerk opnam. In 1549 vestigde zich eene missie der Jezuïeten, onder leiding van Sint Franciscus zelven en met medewerking van Hansiro, op het eiland Kioe-Sioe.

Een vreemde gewaarwording, van verwondering en afgrijzen tevens, moest zich wel van deze zendelingen meester maken, toen zij in Japan zoo menige instelling, ceremonie en godsdienstige inrichting terug vonden, bijna geheel gelijk aan die van hun eigen vaderland. Was het wonder dat zij, onbekend met den oorsprong en de oudheid van het Boeddhisme, in deze toch bloot uiterlijke overeenkomst, een bedriegelijk spel des satans meenden te zien? Maar spoedig ontdekten zij ook, dat van deze overeenkomst partij viel te trekken, om de nieuwe leer aangenamer te maken in de ooren en voor de harten der bekeerlingen: en wellicht niet zonder grond werd den Jezuïeten verweten, dat zij, van dit denkbeeld uitgaande, tot zonderlinge transacties de hand leenden en zich wat al te plooibaar betoonden. Hoe dit zij: deze eerste zending werd met verwonderlijk goeden uitslag bekroond; en er is zelfs alle grond om aan te nemen, dat de apostolische ijver en zeldzame overredingskracht van Sint Franciscus Xaverius, onder alle klassen der japansche maatschappij, menige oprechte bekeering tot het Christendom bewerkten.

Weldra begon dan ook de hooge boeddhistische geestelijkheid zich over deze zaak te verontrusten en bij den daïri te beklagen.

“Hoeveel sekten denkt gij wel, dat er in mijn rijk bestaan? vroeg de Mikado aan de klagers.

—Vijf-en-dertig, antwoordden zij.

—Welnu, dan zal dat de zes-en-dertigste zijn,” hernam de vroolijke keizer.

Maar Fidé-Yosi, de geduchte Sjoogoen, dacht er anders over. Hem was bericht, dat de vreemde priesters, die vooral ook de gunst der groote vasallen zochten te winnen, zich de dienaren noemden van een opperpriester, die naar welgevallen kon beschikken over alle rijken der aarde en de machtigste vorsten van hunne tronen stooten. Hij bedacht verder, dat de zendelingen van dien machtigen heerscher van het Westen reeds aan het hof van den Mikado een aanhang hadden gevormd en een huis in de hoofdstad gesticht; dat de vorige Sjoogoen Noboenaga zich openlijk hun vriend en beschermer had betoond; en dat hij reden had om te gelooven, dat in zijn eigen paleis eene geheime samenzweering werd gesmeed, om zijn zoon en erfgenaam voor het nieuwe geloof te winnen. Fidé-Yosi deelde zijn vrees en zijne vermoedens mede aan een ervaren dienaar, dien hij reeds meermalen met de moeielijkste zendingen had belast. Deze man, in de japansche historie onder den naam van Hiéyas of Yiéyas berucht, liet niets onbeproefd, om achter de waarheid te komen. Een gezantschap van japansche Christenen, onder geleide van pater Valignani, superieur van de Jezuïetenorde, was juist op weg naar Rome. Hiéyas leverde nu aan zijn meester het bewijs, dat de vorsten van Bungo, Omoera en Arima bij deze gelegenheid aan den geestelijken keizer der Christenen, Paus Gregorius XIII, brieven geschreven hadden, waarin zij verklaarden hem te huldigen als hun opperheer en te erkennen als den eenigen vertegenwoordiger van God op de aarde.

De Sjoogoen bedwong zijn toorn, maar slechts om te zekerder en vreeselijker te kunnen treffen. Een jaar lang bereidde hij met zijn gunsteling alles voor tot den beslissenden slag. Eindelijk, in Juni 1587, is hij gereed: zijne troepen zijn behoorlijk verdeeld over de verdachte provinciën van Kioe-Sioe en de zuidkust van Nippon, in staat om iedere poging tot verzet te onderdrukken. Onmiddellijk wordt nu, van het eene einde des rijks tot het andere, een edict van den Sjoogoen afgekondigd, waarbij deze, uit naam en als stedehouder van den Mikado, de afschaffing van het Christendom, binnen zes maanden, beveelt. Tegelijk worden de vreemde missionarissen gebannen, met bedreiging van den dood op hun wederkeer, en last gegeven tot het onmiddellijk sluiten hunner scholen, het afbreken der kerken, en het wegnemen der kruisen. De inboorlingen, die tot het nieuwe geloof zijn toegetreden, moeten dit in tegenwoordigheid van een keizerlijk beambte afzweren.

Al deze bevelen werden stipt uitgevoerd, behalve een enkel, dat, naar de meening van den Sjoogoen, juist het minste bezwaar moest ontmoeten. Tot zijne onuitsprekelijke verbazing vernam deze gewezen stalknecht dat de inlandsche Christenen van allen rang en stand, van elke kunne en iederen leeftijd, stand vastig weigerden hun geloof af te zweren. Hij begon met de vermogenden onder hen van hunne goederen te berooven en die aan zijne dienaren weg te schenken. Anderen werden in de gevangenis geworpen of naar afgelegen eilanden verbannen: het hielp niet. Nu brak de vervolging los, waarbij al de vindingrijkheid en uitgezochtste wreedheid werd uitgeput om de martelingen te vermenigvuldigen. Zij hield drie jaren aan en kostte aan meer dan vijfentwintigduizend slachtoffers, mannen en vrouwen, jongelingen en maagden, grijsaards en kinderen, het leven. Toen verflauwde zij eensklaps. Fidé-Yosi riep den ban en den achterban van den feodalen adel te wapen, en deed met een leger van honderd zestigduizend man een inval in Korea, waarmede Japan in vollen vrede leefde (1592). De japansche veldoversten dwongen de inwoners van Korea om zich met hen te verbinden, ten einde de chineesche dynastie van Ming te beoorlogen. Het chineesche leger trok den vijand tegen, maar leed eene zoo beslissende nederlaag, dat de keizer van China zich haastte den Sjoogoen den vrede aan te bieden, tegelijk met den titel van koning van Nippon en eersten leenman des Hemelschen rijks.—“Ik ben reeds koning van Nippon,” antwoordde Fidé-Yosi trotsch, “ik ben het door mij zelven; en als ik het wil, zal ik den keizer van China tot mijn leenman maken.”—In 1597 zette hij aan zijne bedreiging kracht bij, door het zenden van een tweede leger van honderd dertig duizend man. Maar de dood verraste hem eer deze nieuwe veldtocht ten einde was; en de beide rijken, evenzeer een door niets gerechtvaardigden en doelloozen oorlog moede, haastten zich vrede te maken.

Fidé-Yosi ontving van zijne hovelingen den bijnaam van den Groote (Taïko-sama); en onder dezen naam is hij in de historie bekend. Zijn gansche streven was gericht op een dubbel doel: de vernedering van den feodalen adel en de grondvesting eener monarchale regeering in zijne dynastie. Zelfs de vervolging der Christenen en de oogenschijnlijk dolzinnige oorlogen met China moesten aan de bereiking van dit doel dienstbaar zijn. De machtige leenmannen waren reeds verzwakt en uitgeput door onderlinge veeten en oorlogen: hij wilde hun ondergang voltooien, door hen ook in kostbare, buitenlandsche krijgstochten mede te sleepen of als verraders van hun vorst te straffen.

Hij deed meer. Onder voorwendsel, de vrouwen en kinderen der onder de wapenen geroepen daïmios te beschermen, dwong hij de familiën en voornaamste dienaren dezer heeren haar intrek te nemen in de woningen, die hij nabij zijne eigene burchten en in zijne hoofdstad voor haar had ingericht. Toen de vorsten uit China terugkwamen, gaf hij hunne landen niet terug, dan op voorwaarde dat zij daar alleen, zonder hunne familie, zouden wonen: maar tegelijk bepaalde hij een tijd, gedurende welken zij ieder jaar aan zijn hof moesten vertoeven, in den schoot hunner bloedverwanten, die aldaar als gijzelaars bleven.

Om de provinciën voor goed onder het bereik van het centraal gezag te brengen, liet Taïko-sama, tijdens de afwezigheid der edelen, door hunne bezittingen, tot aan de uiterste grenzen des rijks, een groote heirbaan aanleggen, die uitsluitend onder toezicht der beambten van den Sjoogoen werd gesteld, en waarop niemand anders iets te zeggen had. Deze heirbaan, van afstand tot afstand met post- en militaire wachthuizen voorzien, heet de Tokaïdo.

Bedelmonnik.

Door al deze en dergelijke maatregelen was de macht der Sjoogoens zoo zeer gestegen, dat werkelijk de heerschappij, in vollen omvang, in hunne handen was overgegaan. En de Mikado’s zagen het aan en lieten het geschieden. Hun werd vergund om zich, bij hunne dagelijksche wandelingen, door de tuinen van het slot te laten rondvoeren in een kar op twee wielen, met een os bespannen: een gewichtig voorrecht inderdaad, in een land waar niemand van een rijtuig gebruik maakt. Maar toch hadden de Mikado’s daarvoor geen afstand moeten doen van de ridderlijke oefeningen van het boogschieten, en de kloeke jacht op herten en wilde zwijnen, op reigers en wolven; veel minder nog van alle persoonlijke bemoeiing met de zaken huns lands. Ook mocht men hun wel de vermoeienis en verveling besparen dier plechtige vertooningen, waarbij zij, onbewegelijk op eene estrade gezeten, de zwijgende aanbidding van het ter aarde gebogen hof ontvingen: maar het was daarom niet noodig hen volstrekt ongenaakbaar en onzichtbaar te maken. Tegenwoordig heeft de Mikado geenerlei gemeenschap meer met de buitenwereld, dan alleen door tusschenkomst der vrouwen, met de zorg voor zijn persoon belast. Zij zijn het, die hem kleeden en voeden; die hem iederen dag een nieuw gewaad aantrekken, en hem iederen dag spijs en drank voorzetten in nieuwe, ongebruikte schotels, borden, bekers, zoo even uit de fabriek gekomen. Want nooit draagt hij tweemaal hetzelfde kleed, noch eet of drinkt tweemaal van denzelfden schotel of uit denzelfden beker. Zelfs het keukengereedschap, ter bereiding van zijn maaltijd, mag slechts eenmaal worden gebruikt. En wat hij heeft aangeraakt, is heilig, en mag voor niemand meer dienen: zijne kleederen, zijn huisraad, de overblijfselen van zijne maaltijden, worden dagelijks verbrand of weggeworpen. Nooit raken de voeten van dezen geheiligden persoon den grond aan; nooit beschijnt hem de zon; nooit zien ongewijde oogen in zijn gelaat; nooit mag de Mikado in aanraking komen met de elementen, met de zon, de maan, de menschen of ook met zichzelven. Welk een lot!

Aan deze verborgen Majesteit zou nu de Taïkoen een bezoek gaan brengen. De samenkomst moest natuurlijk te Kioto plaats grijpen: want het is den Mikado niet vergund die stad te verlaten. Hij bezit er alleen zijn paleis en eenige oude tempels van zijn geslacht: de stad zelve staat onder de heerschappij van den wereldlijken keizer; maar deze laat de inkomsten der gewijde metropolis aan den geestelijken souverein over, en onderhoudt er een garnizoen ter bescherming van den pontificalen troon.

Nadat van weerszijden alle voorbereidende maatregelen en schikkingen getroffen waren, maakte eene proclamatie den dag bekend, waarop de Taïkoen zijne hoofdstad zou verlaten: het groote en volkrijke Jedo, eene geheel moderne stad, het middelpunt der regeering, de zetel der marine- en militaire school, der school voor de tolken en der akademie voor de medicijnen en de wijsbegeerte.

Een talrijk legercorps, geheel op europeesche wijze gekleed en gewapend, werd vooruit gezonden; en terwijl deze keurbende, uit infanterie, kavallerie en artillerie bestaande, zich over land, langs den grooten keizerlijken weg, den Tokaïdo, naar Kioto begaf, ontving de oorlogsvloot bevel naar de binnenzee onder zeil te gaan. Hij zelf, de wereldlijke gebieder, scheepte zich in aan boord van het prachtige stoomschip de Lyeemoon, dat hij voor vijfhonderd duizend dollars gekocht had. Zes andere stoomschepen begeleidden hem: het waren de Kan-di-marrah, beroemd door zijn tocht van Jedo naar San-Francisco, ter overbrenging van het japansch gezantschap naar de Vereenigde-Staten; de korvet de Soembing, een geschenk van den koning der Nederlanden; het jacht de Emperor, een geschenk van koningin Victoria, en voorts fregatten in Holland of in Amerika gebouwd. Uitsluitend met japansche zeelieden bemand, zeilde dit eskader de baai van Jedo uit, voorbij kaap Sagami en het voorgebergte Idsoe, door de straat van Linschoten, langs de oostelijke kusten van het eiland Awadsi, en wierp eindelijk het anker op de reede van Hiogo, waar de Taïkoen zich onder herhaalde salvo’s van het geschut aan wal liet zetten.

Officier van den Taïkoen, in hofkostuum.

Eenige dagen later hield hij zijn plechtigen intocht in Kioto, zonder andere militaire vertooning dan van zijn eigen leger: om de eenvoudige reden, dat de Mikado noch troepen noch kanonnen tot zijne beschikking heeft, maar slechts eene eerewacht van boogschutters, allen van keizerlijken bloede, of althans tot den ouden feodalen adel behoorende. Ondanks dat, valt het hem moeielijk de kosten zijner hofhouding te bestrijden; aangezien de inkomsten uit de residentie daartoe te kort schieten, is hij verplicht eenerzijds een jaargeld aan te nemen, dat de Taïkoen de vriendelijkheid heeft hem toe te leggen; en anderdeels te leven van de opbrengst eener collecte, die sommige orden van bedelmonniken jaarlijks voor hem gaan doen, van stad tot stad en van dorp tot dorp, tot in de verwijderdste provinciën des rijks. En zelfs met deze hulpmiddelen zou hij nog zijn rang niet kunnen ophouden, zonder de nobele zelfverloochening van een aantal zijner hooge hofbeambten. Er zijn er velen onder hen, die hem kosteloos dienen, zonder eenige andere belooning dan het vrije gebruik der rijke, voorgeschreven kostumen uit de keizerlijke garderobe. Wanneer zij hun hofgewaad hebben afgelegd en in hunne woningen zijn weergekeerd, schamen deze hooggeboren edelen zich niet, om voor een weefgetouw of borduurraam plaats te nemen, en aldus met handenarbeid hun brood te winnen. Meer dan een dier schitterende zijden gewaden van Kioto, waarvan de bewerking zoo algemeen geroemd wordt, is vervaardigd in het huis van vorstelijke geslachten, wier namen in den kalender der kami’s geschreven staan. Ziedaar wel inderdaad de echte, oude adel, de echte, oude trouw en toewijding aan den geboren vorst. Zou ook de Taïkoen, onder zijne hovelingen van nieuweren stam, zulke mannen vinden?

Maar de beperktheid van zijne middelen mocht den Mikado niet beletten, den dag der samenkomst in te wijden met de groote processie van den daïri: dit schouwspel wilde hij zijn vorstelijken bezoeker niet onthouden. Van zijne boogschutters, zijn militair huis, zijn hof en geheel zijn priesterlijk gevolg vergezeld, verliet hij zijn paleis door de zuidelijke poort, die tegen het einde der negende eeuw werd versierd met de historische tafreelen van den beroemden schilder en dichter Kosé Kanaoka. Hij toog de singels langs tot aan de voorsteden aan de oevers der Idogawa, en keerde toen naar het kasteel terug, na eerst al de hoofdstraten der stad te zijn doorgetrokken.

Officier van den Taïkoen, in gewone kleeding.

Aan het hoofd van den schitterenden stoet werden, in volle staatsie, de oude insigniën der keizerlijke oppermacht gedragen: de spiegel van Izanami, de stammoeder der Mikado’s, de liefelijke godin, die op het eiland Awadsi aan de zon het leven schonk; de beroemde vaandels, wier lange papieren wimpels de legerbenden van den veroveraar Zin-moe ten zegepraal hadden geleid; het vlammende zwaard van Yorimassa, den held van Yamato, die den achtkoppigen draak doodde, aan welken jaarlijks jonkvrouwen van vorstelijk bloed moesten worden geofferd; verder het zegel, waarmede de oudste rijkswetten werden bekrachtigd; de cederhouten waaier, die tot schepter dient, en sedert meer dan tweeduizend jaren uit de handen van den stervenden Mikado in die van zijn opvolger overgaat.

Op deze eerste groep volgde eene andere, niet minder schitterend bijna, maar die ik niet in alle bijzonderheden beschrijven kan. Het waren de banieren met de geborduurde wapenschilden van alle oud-adellijke geslachten des rijks. Misschien wel was deze vertooning bestemd om den machtigen Taïkoen te herinneren, dat hij, in de oogen van den ouden territorialen adel, niet meer was dan een parvenu: maar deze parvenu kon zich troosten met de gedachte, dat alle japansche baronnen, de groote en de kleine daïmios, verplicht zijn zes maanden van het jaar aan zijn hof te Jedo door te brengen, en hem hulde te bewijzen te midden der edellieden van zijne eigene schepping.

Voor tweehonderd jaren, bij eene dergelijke gelegenheid, wilde een zijner voorgangers de beleefdheid van den Mikado, op zijne manier, met gelijke beleefdheid beantwoorden. Hij beval dat het plebs van Kioto op de groote binnenplaats van het kasteel zou worden verzameld, en liet toen onder hen eene groote som gelds uitdeelen. Deze handeling was zeker, vooral tegenover den armen Mikado, die bijna van aalmoezen moet leven, eenigszins vulgair en inderdaad een rijken parvenu waardig: maar in Japan, als elders, geldt de ook zeer vulgaire regel: wie betaalt beveelt.

De talrijkste en schilderachtigste groep der processie vormden de vertegenwoordigers van al de verschillende sekten, die de geestelijke opperheerschappij van den Mikado erkennen. De dignitarissen van den ouden kami-dienst waren, wat hun kostuum betreft, nauwelijks van de groot-officieren van het paleis te onderscheiden. Ik zeide het reeds: ook dit is een bewijs, dat de nationale godsdienst van Japan aanvankelijk geene eigenlijke priesterschap kende. Het Boeddhisme integendeel, uit China ingevoerd en snel door het geheele rijk verspreid, kent eene oneindige verscheidenheid van sekten, afdeelingen, orden en broederschappen. De bonzen en monniken van deze godsdienst vormden, in den keizerlijken stoet, onafzienbare rijen: al deftige personages, met half of heel kaal geschoren kruin, nu eens blootshoofds, dan weer gedekt met zonderlinge baretten, met mijters, met mutsen of breedgerande hoeden. Sommigen hielden een staf in de rechterhand; anderen een rozekrans; nog anderen een waaier, een zeeschelp, een papieren wijwaterskwast. Hunne kleeding vertoonde een mengeling van soutanen, koorkleeden, mantels en kappen van allerlei vorm en allerlei kleur.

Achter hen volgde het militaire huis van den Mikado. De leden der pontificale lijfwacht schijnen, bij de keuze van hun kostuum, in de eerste plaats op sierlijkheid te hebben gelet. Helmen en harnassen laten zij over aan de soldaten van den Taïkoen: zij bedekken zich het hoofd met een klein verlakt mutsje, aan de slapen versierd met zijden strikken, in den vorm van geopende waaiers; een nauwsluitend zijden wambuis, op alle naden met kanten belegsels getooid, omvat hunne welgevormde taille. Hunne voeten verdwijnen onder de plooien van hun wijden pantalon. Een groote kromme sabel, een boog en een koker met pijlen gevuld, ziedaar hunne wapenen. Sommigen hunner, op rijk getuigde paarden gezeten, voeren eene lange roede, die door middel van zijden koorden met kwasten wordt vastgehouden.—Dit schitterend uiterlijk verbergt echter al te vaak eene zeer ergerlijke gemeenheid. De toomelooze losbandigheid en zedeloosheid der jonge edellieden van het hof van Kioto heeft meermalen aanleiding gegeven tot tooneelen, die aan zekere episoden der romeinsche geschiedenis doen denken. De Hollander Koenraad Kramer, afgezant der Oost-Indische Compagnie aan het hof van Kioto, woonde in 1626 een feest bij, ter eere van het bezoek van den wereldlijken keizer aan zijn geestelijken soeverein. Hij verhaalt, dat den volgenden morgen in de straten der hoofdstad een aantal lijken werden gevonden van vrouwen, jonge meisjes en kinderen, die als slachtoffers der nachtelijke buitensporigheden waren gevallen. Een nog grooter aantal van gehuwde vrouwen en jonge meisjes, die met hare echtgenooten en bloedverwanten uit de omringende steden naar Kioto waren gekomen, om het schouwspel te zien, verdwenen in het gewoel der straten, en werden eerst verscheidene dagen later weder terug gevonden, zonder dat zij zelven of hare familiën deswege eenige vergoeding of recht konden verkrijgen. Ook nu nog is Kioto, ondanks den titel van heilige stad, eene der meest verdorven plaatsen in Japan.

Daar de Mikado de eenige is, wien het bij de wet is vergund verscheidene vrouwen te bezitten, is het vrij natuurlijk dat hij, bij voorkomende gelegenheden, zich al het genot van dit privilegie wil gunnen. Hij boet er genoeg voor, en betaalt dat dubbelzinnig voorrecht wel duur! Het serail is inderdaad de met bloemen bedekte afgrond, dien de overweldigers van het keizerlijk gezag voor de voeten der opvolgers van Zin-moe hebben gedolven; en wel mocht een boosaardige glimlach om de lippen van den Taïkoen spelen, toen hij de koetsen van den daïri, in lange rij, naderen zag. Ieder dezer logge rijtuigen, van kostbare houtsoorten vervaardigd en met verschillende kleuren verlakt, was bespannen met twee zwarte buffels, door pages in witte lijfrokken geleid. In deze koetsen zaten, achter de met jaloezieën gesloten portieren, de Kisaki en de twaalf andere wettige vrouwen van den Mikado: het was hem toch welstaanshalve niet mogelijk geweest, haar het voorrecht te ontzeggen zich van een soortgelijk rijtuig als hij zelf te bedienen. Zijne meest geliefde bijzitten en de vijftig eeredames der keizerin volgden mede in den stoet, maar gedragen in norimons of overdekte palankijnen.

De Mikado zelf verlaat nooit zijn kasteel, dan gedragen in zijn pontificalen norimon. Deze palankijn, aan lange handboomen bevestigd, en door vijftig mannen in witte liverei gedragen, steekt hoog boven de menigte uit, en valt reeds van verre in het oog. Hij heeft den vorm eener mikôsi of heilige reliekkast, waarin de overblijfselen der kami’s worden bewaard. Wilt gij u voorstellen hoe deze keizerlijke draagstoel er uitziet, denk u dan een tuinhuisje, met een koepelvormig dak, dat van onderen breed uitloopt en met klokjes is behangen. Op den koepel rust een bal, en op den bal prijkt een vogel, eenigszins gelijkende op een haan, met uitgespreide vleugels en opgezetten staart: dat is het beeld van dien in China en in Japan hoog vereerden mythologischen vogel Fôo, het zinnebeeld der hoogste macht en zaligheid.

Deze van goud en verguldsel schitterende draagstoel is van alle zijden zoo hermetisch gesloten, dat ge moeite hebt te gelooven, dat zich werkelijk daar binnen iemand bevindt. Wat overigens wel bewijst, dat hij inderdaad zijne hooge bestemming vervult en den heiligen persoon van den theokratischen Keizer herbergt, is, dat ter wederzijde nevens elk portier de vrouwen gaan, aan wie de verzorging van den Mikado is toevertrouwd, en die alleen het recht hebben hem te naderen en zijn aangezicht te zien. Niet alleen voor zijn volk, maar ook voor zijn hof, is de Mikado slechts eene gedachte, een ideaal wezen, een soort van onzichtbaar, zwijgende, ongenaakbare godheid. Zelfs in zijne ontmoeting met den Taïkoen verloochende hij dit karakter geen oogenblik.

Onder de gebouwen van den keizerlijken burcht, die meer bepaaldelijk aan Kioto den stempel eener residentie (miako) geven, is er ook een dat men den tempel der pontificale audiëntiën zou kunnen noemen: want het is in denzelfden stijl opgetrokken als een kami-tempel en draagt ook, even als deze, den naam van Mia. Het beslaat den achtergrond eener groote, met zerken geplaveide en met boomen beplante binnenplaats, en staat in dadelijke gemeenschap met de door den Mikado zelven bewoonde appartementen. Bij plechtige gelegenheden scharen zich de eerewachten en dienaren op deze binnenplaats, allen volgens rang en orde.

Ook nu wordt deze ruimte achtervolgens ingenomen door een detachement der ordonnans-officieren en lijfwachten van den Taïkoen; en door verschillende dignitarissen uit het gevolg van den Mikado, begeleid door eenige boogschutters van den daïri.—De vrouwen hebben zich in hare vertrekken teruggetrokken. De deputaties der bonzen en der monniken-orden scharen zich in de open zalen, rondom de binnenplaats. Soldaten van het garnizoen van Kioto, van afstand tot afstand geplaatst, houden het middenpad open, dat naar de breede trappen der audiëntie-zaal leidt. Langs dat pad schrijden, met afgemeten tred, de hovelingen van den Mikado statig voort, gekleed in ruime mantels met lange slepen; zij bestijgen deftig de trappen en plaatsen zich rechts en links onder de veranda, met het gelaat gewend naar de nog gesloten deuren der troonzaal. Eer zij op hunne plaats nederhurken, nemen zij de slepen hunner mantels op en werpen die over de balustrade der veranda, zoodat de op den zoom van hun gewaad geborduurde wapenschilden der menigte beneden in het oog vallen. Welhaast is de geheele galerij met deze schitterende decoratie getooid.

Daar weergalmt, aan den linkervleugel van het gebouw, het vrij onharmonisch geluid der fluiten, tritonshorens en gongs der pontificale kapel: dit is het teeken dat de Mikado zijn tempel heeft betreden. De diepste stilte heerscht onder de op het binnenhof geschaarde menigte; de edelen zitten roerloos op de estrade, nog steeds ziende naar de gesloten deuren. Een geheel uur gaat aldus in eerbiedige afwachting voorbij, eer alle toebereidselen voor de receptie zijn afgeloopen. Eensklaps kondigt eene krijgshaftige fanfare de komst van den Taïkoen aan. Hij nadert langs het middenpad, te voet en zonder eenig geleide; zijn eerste minister, de bevelhebbers van het leger en de vloot en eenige leden uit de hooge regeeringscollegiën van Jedo, volgen hem, op behoorlijken afstand. Hij staat eenige oogenblikken eerbiedig aan den voet van den trap stil, en aanstonds worden de deuren des tempels langzaam, ter rechter- en ter linkerzijde, weggeschoven. Hij bestijgt eindelijk de treden, en nu vertoont zich het schouwspel, dat de aandacht der menigte zoo lang in gespannen verwachting hield.

Een groote, groen geschilderde jaloezie van bamboes hangt van het plafond der zaal naar beneden, tot op ongeveer twee à drie voeten boven den grond. Door deze nauwe opening bespeurt men een rustbed van fijne matten en tapijten, half overdekt door de wijde plooien van een ruimen witten mantel. Dit is alles, wat de ongewijde oogen kunnen aanschouwen van den Mikado op zijn troon!

De gevlochten jaloezie vergunt hem echter alles te zien, zonder zelf door iemand gezien te worden. Zoo ver zijne blikken reiken, bespeurt hij niets dan eerbiedig neergebogen hoofden, in zwijgende aanbidding zijner onzichtbare majesteit. Een enkel hoofd nog slechts verheft zich boven den trap en de ter aarde gebogen schare; maar dat hoofd is gedekt met de hooge gouden muts, het koninklijk teeken van den wereldlijken gebieder des rijks. En toch: zoodra hij de estrade betreden heeft, buigt ook hij, de machtige monarch, wiens heerschappij schier geene grenzen kent, zich langzaam neder; hij valt op zijne knieën, strekt de armen uit naar den drempel der troonzaal, en neigt zijn hoofd ter aarde.

Daarmede is de plechtigheid afgeloopen; het doel der samenkomst is bereikt: de Taïkoen heeft zich, voor aller oog, aan de voeten van den Mikado nedergebogen. Eene loutere, politieke plichtpleging, zegt ge; eene ijdele en onwaardige vertooning, waarvan niemand dupe is, zelfs hij niet, die de eerbewijzing ontvangt!—Het is mogelijk: maar toch schijnt tot dusverre de traditioneele eerbied voor den gewijden persoon van den Mikado te diep in het gemoed des volks geworteld, om te kunnen gelooven, dat bij dergelijk gelegenheid al dit eerbiedsbetoon slechts komediespel is. Ik weet wel, de macht van den Mikado is tot niets herleid: en waar de macht ontbreekt, valt het moeielijk aan de oprechtheid der hulde te gelooven, vooral van de zijde van hen, in wier handen de macht is overgegaan. En inderdaad, het zou mogelijk zijn dat ook in Japan, even als elders is geschied, de letter eener verouderde legale fictie werd gehandhaafd en geëerbiedigd, terwijl langzamerhand de oorspronkelijke beteekenis ter zijde was gesteld. Dan blijft de vorm wel, maar de geest wijkt; langen tijd nog, zeer lang soms, wordt dan die ledige vorm met bijgeloovigen ijver in stand gehouden; tot eindelijk, als het bestemd oogenblik is gekomen, een ademtocht, een niets, dit ijdel schaduwbeeld verstuiven doet.

Eene straat te Simonoseki.

De gebeurtenis zelve, die ik beschreven heb, is een merkwaardig teeken van de omwenteling in de denkwijze der meestal zeer verlichte en verstandige mannen, aan wie de regeering van Japan is toevertrouwd. Naar men zegt, hadden reeds sedert meer dan twee eeuwen de opvolgende Taïkoens verzuimd, aan den theokratischen souverein van Nippon de hulde te bewijzen, hem door hunne voorgangers gebracht. De tegenwoordige ontmoeting stelde nu bovenal twee feiten in het licht, waarvan het eene als van een ondergeschikt belang werd geacht, terwijl het andere juist aan de omstandigheden eene zeer groote beteekenis ontleende.

Aan de eene zijde had de wereldlijke souverein getoond, dat hij steeds, bij traditie, de gehoorzame zoon wilde blijven van den opperpriester der nationale godsdienst; maar van den anderen kant had de theokratische keizer formeel den vertegenwoordiger erkend van een gezag, dat niet van den kleinzoon der zon was ontleend. Schijnbaar hadden de beide machthebbers slechts eenige beleefdheden gewisseld: inderdaad had de wereldlijke souverein niets van zijn gezag afgestaan, en had daarentegen de Mikado iedere aanspraak op de regeering opgegeven. Ja meer: had hij niet, in den persoon van den Taïkoen, diezelfde moderne beschaving erkend en gehuldigd, waartegen hij zoo menigmalen zijn banvloek had geslingerd? Zou voor den Mikado het oogenblik der verdwijning gekomen of althans nabij zijn? Het is moeielijk te zeggen: in deze oostersche wereld blijven de gestorven lichamen, als mummiën, nog zeer lang een uiterlijken schijn van leven bewaren; en ik zou niet durven beweren, dat de Mikado werkelijk reeds een lijk is. Maar dit is wel zeker: hij vertegenwoordigt het verleden, een verleden, dat blijkbaar zijne roeping heeft vervuld en zich zelf overleefd; een verleden, dat van alle zijden wordt verdrongen en overstroomd door den onweerstaanbaar voorwaarts dringenden vloed van nieuwe ideeën, behoeften, toestanden. De Taïkoen heeft het talent gehad, zich aan het hoofd dezer beweging te plaatsen: hem behoort de toekomst. Hoe lang dan ook wellicht de krisis moge duren, waarin Japan op dit oogenblik gewikkeld is, haar einde is vrij gemakkelijk te voorzien: het zal de vestiging zijn eener zuivere monarchale macht, van een half militair despotisme waarschijnlijk, ontslagen van allen priesterlijken en kerkelijken invloed.