WeRead Powered by ReaderPub
Japan / De Aarde en haar Volken, 1867 cover

Japan / De Aarde en haar Volken, 1867

Chapter 6: IV.
Open in WeRead

About This Book

A descriptive survey of Japan combines physical geography, climate, agriculture, forestry and mineral resources with observations on landscape and population density. The narrative traces early contacts with foreign visitors and the nation’s gradual opening while describing social habits, industry, and a general willingness to adopt useful foreign techniques alongside preservation of native customs. Ethnographic and linguistic questions about origins are raised, and religious material appears in accounts of cosmogony, the Izanaghi and Izanami legend, the role of kami, and temple practices, producing a blend of travel reportage, historical summary, and cultural commentary.

Japansche ambachten.

Het maken van waaiers.

Het vervaardigen van verlakte mutsen.

Het spiegelslijpen.

Een graveur.

Het maken van visitekaartjes.

Een touwslager.

III.

Onze buurt.—Het eiland Benten.—De tempel.—Theehuizen.—De wijk der Yakoeninen.—Een bezoek mijner buurvrouwen.

Benten, eene der wijken van de japansche stad te Jokohama, ontleent haar naam aan eene godin der zee, wier heiligdom op een eilandje ten noordwesten van onze residentie wordt aangetroffen. Vóór de komst der Europeanen was deze gewijde plek slechts door een nietig visschersdorp omgeven, dat door een moeras van het niet veel meer beteekenende Jokohama gescheiden werd. Tegenwoordig is de geheele vlakte tusschen Treaty-point en de rivier nabij onze woning ingenomen door straten, kaaien, woonhuizen en magazijnen. Alleen het eiland Benten met zijne onmiddellijke omgeving heeft zijn vroeger voorkomen behouden. Het eiland ligt in een kleinen inham, dien de rivier even voor haar uitmonding in de reede van Jokohama vormt. Aan alle zijden door een dam van granietblokken omringd, is het met de stad verbonden door eene brug, die schier geheel wegschuilt achter het dichte gewas van struiken, bamboes en biezen, die op deze plek het bed der rivier halverwege innemen. Maar de eigenlijke toegang tot het eiland is ook aan de andere zijde, meer ten westen: en deze toegang is beter in overeenstemming met de heiligheid der plaats. Onder de straten die van Benten naar het naast gelegen marktplein der japansche stad voeren, is er eene die bovenal de aandacht trekt. Zij schijnt geheel met pijnboomen beplant: en inderdaad, wanneer ge den slagboom zijt doorgegaan, die hier des nachts iedere straat afsluit, ziet ge eene lange laan van pijnboomen voor u, en vlak op den voorgrond eene dier eigenaardige poorten, die men hier toris heet. Deze poorten bestaan uit twee houten palen, die naar boven elkander langzaam naderen en in een punt zouden samenloopen, indien zij niet, op zekere hoogte, door twee dwarsbalken werden doorsneden en vereenigd: de beide uiteinden van den bovensten en zwaarsten dezer balken zijn licht omgebogen. Een tori verkondigt altijd de nabijheid van een tempel, eene kapel of eene of andere gewijde plaats. Wat wij in onze prozaïsche nuchterheid eenvoudig eene natuurkundige curiositeit noemen: eene grot, eene levende bron, een reusachtige boom, eene fantastisch gevormde rots—is voor den Japanner het voorwerp òf eener eerbiedige vereering òf eener bijgeloovige vrees, naarmate hij meer of minder door de boeddhistische geestenleer wordt beheerscht; en de bonzen uit den omtrek blijven nooit in gebreke, aan dit volksgeloof eene zichtbare uitdrukking en wijding te geven, door nabij de merkwaardige plek een tori op te richten.

Soms verrijzen, op regelmatige afstanden, verscheidene toris achter elkander op den weg, die naar een of anderen beroemden tempel geleidt: zóó aanschouwt ge hier, in haar eenvoudigsten vorm, dezelfde kunstenaarsgedachte, die te Athene de propylaeën en te Rome de kolonnade van Sint-Pieter schiep.

De pijnboomen der laan te Benten zijn slank, spichtig en, meerendeels, eenigszins gebogen door den invloed der zeewinden. Van afstand tot afstand dragen zij lange dwarsbalken waaraan de bonzen, op feestdagen, opschriften, kransen en vlaggen hechten. Aan het einde der laan verrijst een tweede tori, minder hoog dan de eerste, zoo als dat, om den wille der perspectief, behoort. Daarbij gekomen, ontwaart ge met verwondering, dat de laan een hoek maakt en zich rechtsom wendt. Het ziet er hier geheimzinnig uit: de grond is met gras en struiken en pijnboomen bedekt; links kabbelen de kalme golfjes der kleine baai, door een arm der rivier gevormd; voor ons, eene houten brug, ernstig en toch sierlijk, breed en sterk gewelfd; aan de overzijde der brug een derde tori, fantastisch afstekende tegen het donker groen der zware boomen op den achtergrond. Wij gaan over de brug, wier palen met koperen ornamenten zijn versierd, en betreden eindelijk de gewijde plek. De derde tori, van boven prijkende met een gouden opschrift op een zwarten grond, is geheel uit graniet van zeldzame witheid opgetrokken, even als de grafmonumenten, smaakvol ter linkerzijde der laan gegroept. De tempel daar vóór ons duikt bijna geheel weg in de dichte schaduw der ceders en pijnboomen. Nauwelijks bespeuren wij, in de geheimzinnige schemering, de op de trappen neergeknielde geloovigen, die der godin hunne hulde komen brengen. Is er niemand in den tempel, dan kunnen zij een der dienstdoende bonzen roepen: en wel door middel van een bundel schelletjes, die met een langen lap in beweging worden gebracht. Aanstonds komt dan de bonze te voorschijn, gereed om, al naarmate van hem verlangd wordt, raad te geven, kaarsen of amuletten uit te deelen, de verplichting op zich te nemen om gebeden op te zeggen, of wel litanieën te lezen: alles, wel te verstaan, tegen betaling.—Alvorens het heiligdom te betreden, moet de Japannees zich wasschen en het gelaat en de handen reinigen; te dien einde heeft men, dicht bij den tempel, aan de rechterhand eene kleine kapel gebouwd, waar ge een bekken met wijwater vindt voor de wasschingen en handdoeken van krip-zijde. Twee andere naburige kapellen bevatten, de eene de groote trom, die voor klok dient, en de andere de ex-voto’s der geloovigen. De bonzen, die in den tempel van Benten dienst doen, schijnen juist niet in overdaad te leven: hunne kleeding is doorgaans slordig en onzindelijk; de uitdrukking van hun gelaat heeft iets stompzinnigs, iets dierlijks zelfs, en tegenover vreemde bezoekers zijn zij meestal hoogst onaangenaam. Ook is men onwillekeurig geneigd, zich op een eerbiedigen afstand van deze heilige mannen te houden.

Ik ben nooit in de gelegenheid geweest, de dienst bij te wonen, dan slechts eens: bij de processie ter eere der schutspatronesse. Het schijnt, dat de bonzen, in gewone tijden, zich er toe bepalen om, zoo te zeggen, eenige uren van den dag zitting te houden. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, kwamen maar weinig lieden hun raad of voorbede inroepen: en dat waren meest vrouwen van boeren of visschers, of ook doortrekkende pelgrims. Maar meermalen heb ik des avonds, bij het ondergaan der zon en zelfs nog diep in den nacht, het geluid der tamboerijnen gehoord, waaruit, behalve bij plechtige gelegenheden, het geheele orkest van den tempel van Benten bestaat. De bonzen bespelen dit vervelend instrument uren achtereen en altijd op dezelfde maat: en niets evenaart den treurigen, somberen indruk van dit dof en eentonig geluid, wanneer het, in de diepe stilte van den nacht, zich met het zwaarmoedig suizen in de zware cederen en het geruisch der golven vermengt. Het vervolgt u en stoort zelfs uw slaap, als een benauwde droom. Maar weegt niet de godsdienst zelve, die dergelijke praktijken in het leven roept, als een akelige en benauwde droom op den geest van geheel het volk? Wel verre van de natuurlijke godsdienst te zijn, is het heidendom de vijand der menschelijke natuur, de godsdienst van den gevallen en ontaarden mensch; en vandaar dat zijn aanblik eene onbeschrijfelijke ontroering, een instinktmatigen afkeer in onze ziel verwekt: een gevoel, dat niet enkel een gevolg onzer christelijke opvoeding, maar veeleer de onwillekeurige uiting onzer innigste natuur is.

Tot de noodzakelijke omgeving van iederen japanschen tempel behooren de theehuizen: dat zijn herbergen, waar men voornamelijk thee, maar ook saki drinkt, een bedwelmenden drank, uit rijst gestookt; ook zijn er vruchten, visch en taartjes van rijst of tarwe te krijgen, en wordt er uit zeer kleine metalen pijpen fijn gehakte tabak gerookt, die evenwel van alle narcotische bestanddeelen vrij is: het gebruik van opium is in Japan onbekend. Deze etablissementen, waar ge altijd door vrouwen bediend wordt, en waar, in den regel, niets uw gevoel van betamelijkheid kwetst, zijn echter, bijna zonder uitzondering, huizen van zeer slechten naam. Vooral is dit het geval met die, welke men bij de toris te Benten aantreft. Misschien is dit nog een overblijfsel uit den tijd, toen het kleine eiland, aan de godin der zee gewijd, door vele pelgrims werd bezocht. Tegenwoordig staat de tempel der godin bijna verlaten; maar in de nabijheid is een groot militair etablissement, waarmede de tegenwoordige regeering, die wel eenigszins het régime van den sabel huldigt, de stad Jokohama begiftigd heeft. Dit etablissement beslaat de geheele ruimte tusschen het eiland Benten en de hollandsche residentie.

Eene merkwaardige verzameling van hofjes, door ons de wijk der Yakoeninen genoemd, wordt uitsluitend bewoond door de verschillende ambtenaren, die van wege het gouvernement met den dienst der douane, de policie in de haven en de publieke plaatsen, de instructie der militie, de bewaking der japansche stad en van de toegangen naar de europeesche wijk, zijn belast. De Yakoeninen dragen geen ander uiterlijk teeken hunner waardigheid, dan een ronden punthoed van verlakt karton, en, ter linkerzijde, twee sabels in den gordel: een grooten met een lang gevest, en een kleinen die eenigszins op een zwaard gelijkt en bij het gevecht van man tegen man wordt gebruikt. Die sabels zijn dan ook het eenige krijgshaftige van deze ambtenaren, wier getal eenige honderden beloopt, en die meest gehuwd en vaders van gezinnen zijn. Zij zijn allen op dezelfde wijze gehuisvest, zonder dat daarin eenig onderscheid van rang schijnt te bestaan.

Het is niet onaardig te zien, hoe de regeering van den Taïkoen het heeft aangelegd om, met inachtneming van de regels der afgepaste en strenge discipline, die dit gouvernement kenmerkt, een geheel leger van ambtenaren als het ware in de stad te doen kampeeren. Het is in zekeren zin de toepassing van het cellulaire stelsel op het familieleven. Verbeeld u eene menigte houten woningen, die te zamen een langwerpig vierkant vormen, en met de straat gemeenschap hebben door middel van lage deuren, op regelmatige afstanden in eene houten schutting aangebracht. Iedere dezer deuren geleidt naar eene binnenplaats, met een kleinen tuin, een waterbak, een stookplaats en andere aanhoorigheden; op den achtergrond ziet ge, gelijkvloers, eene ruime kamer, die door middel van losse schutten, in twee of drie vertrekken kan worden verdeeld. Deze plaats en deze kamer maken te zamen de woning uit eener yakoeninenfamilie. Elk der vierkante vakken, die de straten dezer wijk vormen, bevat ongeveer een dozijn zulke woningen, zes aan zes geschaard; de kamers zijn gedekt met grijze pannen, en alle daken zijn even hoog. Deze wijk der Yakoeninen is inderdaad een meesterstuk van eenvormigheid en regelmatigheid! De straten zijn doorgaans ledig, want de mannen brengen het grootste gedeelte van den dag in de tol- of wachthuizen door; en gedurende de afwezigheid van het hoofd blijft ieder gezin in zijn eigen perk opgesloten. Zelfs wordt meestal gedurende dien tijd de lage deur aan de straat niet eenmaal geopend. Intusschen heeft deze gewoonte niets gemeens met de dwaze maatregelen, die in Turkije en andere oostersche landen noodig worden geacht ter bescherming van de deugd der gehuwde vrouwen: zij is veeleer een uitvloeisel van de eigenaardige verhouding, waarin de japansche zeden den vader des gezins plaatsen. De vrouw eerbiedigt hem als haar heer en meester. In zijne beschermende tegenwoordigheid wijdt zij zich, zonder eenige terughouding, aan de zorgen des huisgezins, zonder zelfs op de blikken van den vreemdeling te letten. In zijne afwezigheid echter, neemt zij eene terughouding in acht, die de vreemde bijna geneigd zou zijn aan zedige ingetogenheid toe te schrijven, maar die slechts het gevolg is van de afhankelijkheid, waarin het huwelijk haar plaatst.

Langzamerhand is er eene zekere vertrouwelijkheid ontstaan tusschen onze residentie en de wijk der Yakoeninen. In Japan, zoo goed als overal elders, wordt de vriendschap door kleine attenties, geschenken en dergelijken, gekweekt. Wisten wij dat ergens eene kraamvrouw of eene kranke was, dan werd daar suiker of koffie heengezonden; en deze geschenken werden met dankbaarheid aangenomen.

Eens, dat ik alleen te huis was, des middags tusschen vier en vijf uren, kondigde de monbar mij het bezoek aan eener vrouwelijke deputatie uit de wijk der Yakoeninen, en vroeg mij wat hij doen moest. Deze dames hadden van hare echtgenooten vergunning gekregen, om ons te komen bedanken; en te gelijk wenschten zij van de gelegenheid gebruik te maken, om ons europeesch ameublement eens op haar gemak op te nemen. Ik antwoordde den portier, dat hij de bezoeksters moest binnen leiden, en dat ik gereed was haar te ontvangen. Weldra hoorde ik het geklepper van een aantal houten sandalen op de kiezelsteentjes der paden van den tuin, en zag ik aan den voet der trap, tegenover den salon, eene vroolijk glimlachende groep verschijnen, waaronder ik al dadelijk vier gehuwde vrouwen, twee jonge meisjes en kinderen van allerlei leeftijd onderscheidde. De eersten waren kenbaar aan den stemmigen ernst van haar toilet: geen versiersel in hare haren, geene schitterende kleuren aan haar gewaad, geen blanketsel op de wangen; maar daarentegen de tanden zwart geverwd, zoo als het, naar japansche zeden, aan eene gehuwde vrouw voegt. De jonge meisjes verhoogen de natuurlijke blankheid harer tanden nog door de lippen met karmozijn te verwen; zij blanketten zich het gelaat, vlechten door hare zware lokken purperen linten en dragen een breeden veelkleurigen gordel. De kleeding der kinderen bestaat uit veelverwige jurken en gordels: hun haar wordt nooit gekapt; dikwijls zelfs zijn hunne hoofden kaal geschoren, met uitzondering van enkele vlokken, in lengte en gedaante verschillend, naarmate van den ouderdom en de kunne.

Na de gebruikelijke groeten en buigingen, begonnen de woordvoersters der deputatie—want er spraken altijd twee of drie tegelijk—mij in het japansch allerlei liefelijkheden en complimenten toe te voegen, waarop ik in het fransch antwoordde, tegelijkertijd het gezelschap uitnoodigende in den salon te komen. Blijkbaar had men mij begrepen; ik hoorde welbekende dankbetuigingen: en toch, in plaats van de trap te bestijgen, scheen men nog iets van mij te willen weten. Ik begreep niet wat men verlangde; maar eindelijk kwam het gebarenspel de taal te hulp, en nu begreep ik het. Moeten wij onze sandalen in den tuin uitdoen, of is het goed, als wij ons eerst onder de veranda ontschoeien? Wel, natuurlijk het laatste, dames! En zie, daar besteeg het geheele gezelschap de trappen; de houten sandalen werden uitgetrokken en op een rij gezet; en nu gingen allen naar binnen, de kinderen blootsvoets, de volwassenen op katoenen sokken, even als onze wanten in tweeën verdeeld: een vak voor den grooten teen, en het andere en grootste voor het overige van den voet.

De eerste indruk was die eener ongekunstelde bewondering, dadelijk gevolgd door een algemeen gelach: want de groote spiegels der zaal weerkaatsten overal, ten voeten uit, de beelden onzer bezoeksters. Terwijl de jongsten bezig waren dit ongekend en voor haar zoo aanlokkend schouwspel te genieten, vroegen mij de moeders, wat de schilderijen tegen den wand beteekenden. Ik beduidde haar, dat dit de portretten waren van den Taïkoen van Holland, van zijne gemalin en van verschillende groote daïmios of prinsen van den bloede. Zij maakten toen eene eerbiedige buiging; maar eene van haar, nieuwsgieriger dan de anderen, vroeg, met eenige aarzeling op een portret wijzende, of dat de bêto van Zijne nederlandsche Majesteit was en hoe die in zoo aanzienlijk gezelschap behoorde? Ik beantwoordde die vraag maar toestemmend: want nooit zou ik haar aan het verstand hebben kunnen brengen, dat een echte prins aldus, staande nevens zijn paard en met den teugel in de hand, kon worden afgebeeld. Intusschen hadden anderen nauwkeurig de damasten zittingen der stoelen en sofa’s onderzocht, en kwamen mij nu opheldering vragen omtrent het gebruik dezer meubels, waarover zij het oneens waren. De stoelen, begrepen zij, waren bestemd om er op te zitten; maar de sofas? Moest men daar niet met gekruiste beenen op neêrhurken, vooral wanneer men zou eten aan de daarvoor geplaatste tafel? Zij schenen de heeren en dames van het westen, die zich het ongemak getroosten van met afhangende beenen op dit meubelstuk te zitten, hartelijk te beklagen. Daar mijne kamer nevens den salon was en de deur open stond, was zij spoedig ingenomen. Ook hier waren allerlei zaken, die de aandacht mijner bezoeksters trokken; maar wat haar het meest boeide, was een stel knoopen, waarop het kruis uit het zwitsersche wapenschild was gegraveerd. Zij moesten er noodzakelijk eenigen van hebben, al kon ik niet raden wat zij er mede zouden doen, daar in Japan de kleederen beiden van mannen en vrouwen met zijden koorden worden dicht gesnoerd.

Ik bood aan de dames eenige fleschjes reukwerk en aan de kinderen prenten ten geschenke, zwitsersche landschappen en kleederdrachten voorstellende. Voor afscheid liet ik aan de volwassenen een photographisch album met familieportretten zien, dat zij met wezenlijke belangstelling en aandoening beschouwden. In waarheid, hier in den kring der natuurlijke banden van liefde en vriendschap, openbaart zich aan alle plaatsen en onder alle volkeren de eenheid van het menschelijk hart. Wat is de verscheidenheid der talen tegenover deze eene algemeene spraak, die zich verstaanbaar maakt door een blik, door den traan, die aan de wimpers beeft, door de zachte trilling der zielvolle stem? In het oog van alle half beschaafde volken is de reiziger een voorwerp van innig mededoogen, want hij is verwijderd van alles wat het leven zoet en bekoorlijk maakt: het gezin, het ouderlijk huis, het land der vaderen. Een heilige eerbied tempert het medelijden, zoo het blijkt dat hij zijn vaderland verlaten heeft, om in verre streken een vromen pelgrimstocht te volbrengen: maar louter om stoffelijk belang zoo verre van het vaderhuis te zwerven, is iets waarvan mijn beminnelijk gezelschap zelfs geen flauw begrip heeft. Als zij vernemen, dat ik noch balling noch pelgrim ben, mengt zich eene eigenaardige verbazing, haast eene zekere huivering in de betuigingen van sympathie en vriendschap dezer goede vrouwen.—Wel, wel, ik ben ver van Europa, in eene wereld, aan onze beschaving geheel vreemd;—en het was hoog tijd, niet waar? dat men deze arme eilanders uit hunne afzondering kwam scheuren, om hun denkbeelden in te prenten die beter passen in onze industriëele eeuw!—

Een japansch gouverneur.

IV.

Op het land en aan de zee.—De kustbewoners.—Japansche landschappen.—De landbouw.—Rijstcultuur.

Ik heb u in onze buurt rondgeleid en met hare bewoners doen kennis maken; volg mij nu naar buiten: ook daar wachten ons goede vrienden en bekenden. Ge hebt immers toch ook een hart, om de sprake der heerlijke natuur te verstaan; ge gevoelt u immers toch ook wel aangetrokken door dat rijke leven rondom u, zich in zoo veelvuldige, zoo geheimzinnige vormen openbarende? Voor mij ten minste: mijne trouwste gezellen zijn hier de vogelen: zij verlaten mij bijna nooit, en ik... inderdaad, ik schat hun gezelschap op hoogen prijs en reken hen onder mijne beste vrienden in dit vreemde land. Toch durf ik mij niet vleien, dat mijne vlugge gasten alleen om mijnentwil zich in zoo grooten getale hier verzamelen. Juist aan den voet van ons terras spoelt de zee voortdurend eene menigte overblijfsels van planten en gewassen aan het strand; en met dezen ook duizende kleine visschen, schaal- en weekdieren van allerlei soort, nu eens nog levend en half verbluft door den plotselingen overgang, dan reeds gedood door den schok der golven op de rotsige kust. Deze allen zijn de dagelijksche spijze van een groot aantal vogels, verschillend in grootte, in gevederte, in stem. Zoodra de eb begint, komen zij van alle kanten haastig aanvliegen, en tijgen rusteloos aan den arbeid voor zich zelven en voor hun kroost. Verheft zich de vloed weder, dan keeren zij, met loome vlucht, naar hunne nesten terug. Waar huizen zij? Sommigen op het wijduitgestrekte dak onzer woningen, anderen in de cederen van den tuin, de pijnboomen van de wijk der yakoeninen, de gewijde bosschage van Benten, of ook wel op de heuvelen en in de moerassen rondom Jokohama. Onder deze vogels komt wel eene eerste plaats toe aan de musch, den wereldburger, dien ge overal wedervindt en overal dezelfde: altijd even rumoerig, even zelfzuchtig, even onbeschaamd: rusteloos jacht makende op insecten en vliegen en wormen, en zijn aandeel rijkelijk nemende van het graan, ginds bij de ontscheping uit de zakken gevallen. Ons dak herbergt eene gansche kolonie van duiven, die niemand weet van waar gekomen zijn, en die in volstrekte onafhankelijkheid leven. Zij gelijken op onze europeesche duiven, even als de musschen op alle musschen ter wereld. De raven echter schijnen mij tot eene bijzondere soort, aan China en Japan eigen, te behooren: zij zijn eer klein dan groot, en hun geschreeuw klinkt eenigszins anders dan wij in Europa gewoon zijn. De kraaien maken een klagend geluid, dat bijna op eene menschelijke stem gelijkt. Een lust is het, den scherpen, doordringenden kreet van arend of sperwer te hooren: vooral des avonds, bij het plechtstatig ruischen der golven en de duizenderlei stemmen van het woud, als de frissche zeewind door de hooge takken der ceders vaart.

Ik zeide het reeds: al deze gevleugelde gasten van Benten zijn zeer tam en familiaar: de sperwers strijken onbeschroomd neder op onzen vlaggestok of op ons dak, waar zij wellicht eene geheime bergplaats hebben gevonden voor hun gevangen visch. Wandel ik door den tuin, dan denken de raven en duiven, die op de paden heen en weder trippelen, er niet aan, weg te vliegen: och neen, zij gaan eenvoudig wat op zijde, om ruimte voor mij te maken, en staren mij, met schuin opgeheven kop, nieuwsgierig aan. Maar er zijn nog andere vogels, die ik slechts van verre kan zien. Dat zijn in de eerste plaats gansche zwermen van zeemeeuwen, die om de ter reede geankerde schepen heenvliegen, of de in zee geworpen balen van rijststroo napluizen, waarin de mondbehoeften der bemanning aan boord werd gebracht. Verderop, in de stille kreken van den zeearm, die ons van het dorp Kanagawa scheidt, vlak tegenover mijne vensters, huizen over dag geheele benden van wilde eenden en ganzen, die haar voedsel zoeken in de dichte rietbosschen; is de zon ondergegaan, dan vliegen zij met groot gedruisch op, om hunne nachtverblijven te gaan opzoeken in de kanalen van gindsche rijstvelden, en beschrijven in de lucht allerlei sierlijke figuren en slingerende lijnen. De moede karavane vervolgt zwijgend haren weg; van tijd tot tijd slechts hoort ge twee of drie gerekte kreten, als het kommando van een veldoverste, die zijne benden bijeenroept.

Al deze bewoners der lucht en der wateren hebben de gezelligheid lief en leven in troepen bij elkander: maar er zijn ook anderen, die de eenzaamheid zoeken. Zie daar een hunner, en niet een der minst schilderachtigen: de schuwe reiger, geduldig wachtende op zijne prooi, het oog onafgewend op de heldere wateren gevestigd, het lichaam in rust op een zijner lange pooten, terwijl de andere tusschen zijne vederen verscholen is. Hoe goed komt dat schitterend wit van zijn gevederte uit tegen dien achtergrond van hooge rieten en de sierlijke stengels der waterlelies. Soms ziet ge hem onder een gewelf van overhangende pijn- of wilgentakken: eene geheimzinnige lichtverschijning te midden der donkere schaduw: inderdaad, het is als wist deze vogel welke omgeving het best voegt bij zijne eenzame, ietwat melancholische figuur en levenswijze. Een geheel anderen indruk maakt de kraan. Als deze schoone vogel, van zijne haast voor het oog onbereikbare hoogte in de blauwe lucht, langzaam en statig naar de aarde daalt, doet hij onwillekeurig aan een hemelbode denken. Geen wonder dan ook, dat het volksgeloof den kraanvogel bijzonder heilig acht, als gewijd aan den dienst van een of ander der talrijke halfgoden uit de japansche mythologie. Onzichtbaar voor het sterfelijke oog, troont de hemelgeest rustig op de breede vleugelen van den Tsouri, zoo als de Japanners de kraan noemen; of liever, van Zijne Heerlijkheid den kraanvogel, O-Tsouri-sama: want met dezen titel spreekt hem het landvolk aan, als gold het een kami of een heilige. Met de schildpad is de kraan voor de Japanners het symbool van een lang en gelukkig leven; naar hunne schatting bestaat het geluk in gemoedsrust en kalmte van geest.

De meeste inlanders, die langs de baai wonen, leiden in menig opzicht een leven, aan dat der zoo even genoemde vogelen niet ongelijk. Terwijl de visschers gansche dagen ver van de kust zwerven, en hunne ranke vaartuigjes zachtkens voortglijden te midden der zwermen van zeevogels, even rustig dobberende op de deining der golven:—ziet men, bij invallende eb, geheele scharen van vrouwen en kinderen zich naar het strand spoeden. Tred voor tred volgen zij de wijkende zee, en vergaderen in hare matten korfjes den overvloedigen en veelvoudigen oogst, dien de oceaan achterlaat. Het zijn eetbare zeeplanten, oesters, mosselen, kleine visschen, schelpdieren van allerlei soort. Krabben en kreeften vooral wekken de begeerlijkheid op: en dat te meer, omdat het vangen dezer wonderlijke schepsels, die zich met eene haast onbegrijpelijke snelheid in alle richtingen kunnen voortbewegen, ver van gemakkelijk is. Hoe ze, onder luid gelach en geschreeuw, worden nagejaagd tot in hunne laatste schuilhoeken! en welk een pret, als het vervolgde dier eindelijk onder een steen vlucht, die dan dadelijk met een langen bamboes, aan het einde van een ijzeren haak voorzien, wordt omgewenteld! Geen uitkomst meer voor den armen vluchteling, die nu den buit, in de korf vergaard, helpt vermeerderen.

Wij zijn op zeer goeden voet met elkander, die brave kustbewoners en ik. Als ik langs het strand wandel, bejegent mij menige vriendelijke groet; de kinderen brengen mij mooie schelpen; de vrouwen pogen mij de voortreffelijkheden te doen begrijpen van de afschuwelijke, kleine monsters, die zij gretig in hare korfjes verzamelen. Deze goedhartigheid en vriendelijkheid is trouwens aan de volksklasse in Japan overal eigen. Meer dan eens werd ik, op mijne voetreizen in de omstreken van Jokohama of Nagasaki, door de landlieden uitgenoodigd hunne woning binnen te treden. Daar moest ik de bloemen in hun tuin zien, en doorgaans sneden zij eenige der schoonsten af, om daarvan voor mij een ruiker te vlechten. Vergeefs poogde ik hun daarvoor eenig geld te doen aannemen; integendeel, ik mocht niet vertrekken, voor ik in de huiskamer een kop thee had gedronken en van de rijsttaart gegeten.

Die wandelingen langs de baai van Jedo zijn zoo schoon, en vooral in de lente. Bestijg dan een der heuvelen aan de kust, en laat uwe blikken weiden over het binnenland tot aan den voet van den Foesi-Jama: het is eene aaneenschakeling van boschrijke heuvelen en vruchtbare dalen, doorslingerd met rivieren, hier en daar afgebroken door kreken en inhammen, die van verre op meren gelijken. Langs de oevers dezer wateren ziet ge, half in het geboomte weggescholen, welvarende dorpen; en, verspreid te midden der vlakte, groote bouwhoeven door tuinen omringd, waar schaduwrijke lanen heenvoeren. De vroegtijdige ontwikkeling van den plantengroei in de rijstvelden en op de bebouwde heuvelen geeft echter in Japan aan de lente een eigenaardig karakter van rijpheid en van ernst, dat overal elders aan dit lachende jaargetijde der hoop vreemd is. Ook dragen daartoe bij de vele altijd groene boomen, die aan alle kanten, waarheen ge ook ziet, uw oog treffen, en u des te meer het teedere groen onzer ontluikende bosschen doen betreuren. En toch zoudt ge moeilijk een weelderiger groeikracht, een rijker en vriendelijker lentedos kunnen vinden. Tegen de sombere tinten van het dichte gebladerte van eiken, dennen, cederen, cypressen, laurierboomen en bamboes; die den achtergrond van het landschap vormen, komen zoo schoon en zoo bevallig de schitterende kleuren uit der bloesems en bloemen, in de hagen en de gaarden, en rondom de dorpen. Hier ziet ge de groote witte bloemen van den wilden moerbeziënboom; elders prachtige camelia’s, die hier in het open veld groeien en de grootte onzer appelboomen bereiken; nog verder bloeiende kersen- en pruimen- en perzikenboomen, de meesten prijkende met dubbele bloemen, witte en vuurroode, soms op denzelfden tak: want de Japanneezen, die op de vrucht dezer boomen weinig prijs stellen, kweeken ze doorgaans alleen aan, om dubbele bloesems te verkrijgen en alzoo de soorten te wijzigen en te vermenigvuldigen. Het bamboes, dat dikwijls voor heg of staketsel dient, mengt vaak zijn sierlijke bladeren met hunne bebloemde dorens aan de buigende takken der jonge vruchtboomen, wier eenige tooi hunne bloesemtrossen zijn. Maar schooner nog is het bamboes, wanneer het alleen staat en in krachtige groepen, als bundels reusachtige rieten, uit den grond rijst. Niets schilderachtiger, dan die hooge, gladde, groene stengels; met hun gouden weerglans en dicht bewassen kronen; en rondom de stevige middenzuilen, die slanke en buigbare twijgen met hare wapperende pluimen, en die menigte lange bladeren, golvende op den wind, als duizende wuivende wimpels.

Een japansche boer in wintercostuum.

De wegen zijn meestal met viooltjes omzoomd, maar deze missen haar geur. Over het geheel is het getal welriekende bloemen hier uiterst gering. Het is opmerkelijk, dat zangvogels, zoo als leeuweriken, nachtegalen en anderen, even zeldzaam zijn. Aan dit gemis van bloemengeur en vogelenzang is het wellicht voor een groot deel toe te schrijven, dat de japansche landschappen, ondanks hun weelderigen plantengroei en rijke fauna, niet dien indruk maken, dien men op het eerste gezicht verwachten zou. Zeker is het, dat ge hier nooit die zachte aandoening, die wegslepende bekoring gevoelt, die de aanblik van een schoon europeesch landschap, bij het eerst ontwaken der natuur, in ieder ontvankelijk gemoed onfeilbaar verwekt. Maar daargelaten nog in hoeverre dit gevoel wordt verlevendigd door persoonlijke herinneringen, plaatselijke omstandigheden en traditioneele begrippen, die in de wereld van het verre Oosten niet te pas komen: zoo is er, naar ik meen, nog een andere reden, waarom de natuur ons hier onverschilliger laat: zij is te veel gecultiveerd. Met uitzondering van de weinige nog overgebleven oorspronkelijke wouden, en van de opzettelijk aangelegde bosschen, voor wier instandhouding de regeering nauwlettend waakt, is de grond overal door den landbouw ingenomen. Dit is nu wel goed en voortreffelijk in de oogen van een econoom of statisticus, in wiens schatting heuvel en dal en gaarde, land en zee, geen andere bestemming hebben dan zooveel mogelijk voort te brengen:—maar de dichter, de kunstenaar, de minnaar der schoone natuur, zij allen, die het maar niet kunnen gelooven, dat Gods prachtige schepping niets meer zou zijn dan een markt of een koophuis, zij allen hebben daar wel iets tegen in te brengen. Te midden dier overstelpende vruchtbaarheid kan hun soms een zoo innig heimwee overvallen naar de bruine hei, naar de blonde duinen, naar de groene grasvelden der oneindige prairieën, naar de doodsche vlakte der woestijn zelfs! Wilt ge u een denkbeeld maken van de japansche natuur, vergun mij dan u eene der valleien in den omtrek van Jedo te beschrijven.—Wij zijn eerst in April, en reeds staan de boekweitvelden, die de hooge bosschen boven op de heuvelen omzoomen, in vollen bloei. De rogge- en tarwehalmen, die iets lager groeien, en in November zijn gezaaid, zullen binnen vier of vijf weken voor den sikkel des maaiers vallen. In Japan wordt het koren gezaaid, even als men in Europa de aardappelen poot: dat wil zeggen, in rechte lijnen en regelmatige vakken;—tusschen iedere voor blijft alzoo eene open ruimte, en daar ziet ge weer een ander gewas uitspruiten: dat zijn bonen, die op zullen schieten, zoodra het veld afgemaaid zal zijn.—Dat groene tapijt, dat ge misschien eerst voor een grasveld of uitspruitend koren hebt aangezien, is gierst, die in Maart is gezaaid, en in September rijp zal wezen. In het veld daarnevens ziet ge een boer, die zijn kleinen, met één paard bespannen ploeg voortdrijft. Hij zal katoenzaad in de voren strooien; en in September of October reeds zal uit ieder zaadje eene plant van twee of drie voet hoog zijn opgeschoten, prijkende met een twintigtal rijpe bollen. Eenige witte vogels, van het geslacht der steltloopers, der ooievaars of kranen, schijnen den landman in zijn arbeid behulpzaam te zijn: met deftigen stap volgen zij hem en steken telkens hunne lange bekken in de geopende voor: zij verslinden gretig al de wormen en insecten, die de ploeg uit hare stille verblijven heeft opgeschrikt.—De bodem der vallei is voor de rijstcultuur bestemd. Ongeveer een maand geleden, heeft men de besproeiingssluizen geopend en den grond onder water gezet. Toen is de ploeg er doorheen gegaan, en de doorweekte bodem bovendien gekneed door de buffels en de landlieden, die zelven tot aan de knieën in het water plasten en de harde kluiten met de spade verbrijzelden. Nadat zoo de grond tot een soort van vloeibare pap was gevormd, is met het zaaien een aanvang gemaakt. Mannen en vrouwen, voetje voor voetje over de uitstekende dijkjes voortgaande, hebben met volle handen het zaad gestrooid in de afgepaste vakken, die tot kweekbedden moeten dienen, en die daarop nog eens met eene soort van egge zijn omgewoeld, om het zaad te bedelven en den grond te effenen. Nu is het water weggeloopen; de kweekbedden zijn met een kort, dicht gewas begroeid, dat met wortel en al wordt uitgetrokken: maar alleen om de stengels zorgvuldig, in gelijke vakken, over te planten in den weeken bodem der tot dusver ledig gebleven grootere bedden. Daar moet nu de rijst verder groeien, tot zij tegen de maand October haar volle rijpheid zal hebben bereikt. Maar in dien tusschentijd heeft zij met een ergen vijand te kampen: een klein, mooi vogeltje, met roode en witte vederen. Als eene vernielende hagelbui strijken deze gasten in dichte zwermen op de volle halmen neder, en doen de rijpe vrucht ter aarde vallen. Het is inderdaad een genot hun gefladder en gewemel, hun getrappel en rumoerige beweging te zien, en hunne luide vreugdekreten te hooren. Jammer maar, dat de eigenaar van het rijstveld zelden in de rechte stemming is, om dit genot te smaken. Veeleer verzint hij allerlei middelen, om de aardige vogeltjes weg te jagen. Op de meest bedreigde punten zet hij draaimolens van bamboes; stokken, met strooien mantels omhangen en dito hoeden gedekt; poppen, met boog en pijlen gewapend, en mikkende op de roovers..... Maar helaas! niets van dat alles heeft tot dusver de diefachtige vogels kunnen bekeeren! Zoo heeft men zich verplicht gezien, tot een uiterst middel de toevlucht te nemen; men heeft boven het gansche rijstveld een net van gevlochten stroo uitgespannen, met afhangende bossen en bundels van dezelfde stof. En zelfs dit helpt niet, tenzij deze toestel voortdurend in beweging worde gehouden. Dat is, als het niet waait, de taak van een kleinen jongen, die den ganschen langen dag, door middel van een touw, het beschermende net onophoudelijk heen en weer doet golven. Als het dijkje rondom het rijstveld niet hoog genoeg is, om het kind behoorlijk te kunnen plaatsen, richt men hem op vier bamboespalen een verheven zetel op, door een rieten dakje beschermd.

De theeplant wordt in onze omstreken niet aangekweekt. Soms ziet men haar wel, op zeer gunstig gelegen plaatsen; maar de eigenlijke theedistricten liggen vele dagreizen ten noorden van de baai. Veel dichter bij is de streek waar de zijde wordt vervaardigd en niets zou beletten, dat deze industrie ook in onze onmiddellijke nabijheid werd uitgeoefend, zoo er slechts de noodige plaats te vinden was voor het planten der moerbeziënboomen. Het komt mij voor, dat het landvolk in deze streek, en misschien over het algemeen aan de zuidkust van Nippon, aan de bewoners van het binnenland de aankweeking der belangrijkste uitvoerartikelen, zooals zijde, thee en zelfs katoen—die hier ook maar schaars wordt aangetroffen—overlaat, om zich meer uitsluitend, hetzij aan de vischvangst en scheepvaart, hetzij aan den eigenlijk gezegden land- en tuinbouw, te wijden.

Ziedaar een getrouw beeld der japansche natuur in de vruchtbare dalen, die op de golf van Jedo uitloopen. Ginds, bij den Foesi-Jama, in de bergen van Akoni, zouden wij waarschijnlijk andere tooneelen zien. Reeds de menschen, die van tijd tot tijd van daar komen om in het lage land handel te drijven of werk te zoeken, onderscheiden zich door hun krachtiger lichaamsbouw, hun fier voorkomen en vrije manieren zeer duidelijk van de zachtaardige en vriendelijke, maar tevens ook wat slaafsche en weekelijke bewoners der valleien. Doch ongelukkig is de toegang tot die landstreek, voor als nog (1867), voor de vreemdelingen zoo goed als gesloten, en zal, om niet slechts met den landbouw, maar ook met de industriëele werkzaamheid van het japansche volk volledig kennis te maken, later tijd moeten worden afgewacht.

Landschap op het eiland Kioe-Sioe.

V.

Voorkomen der Japanneezen.—Lichaamsbouw.—Gelaatstrekken.—Kleederdracht.—Woning en huisraad.—Levenswijze.—Huiselijk leven. Opvoeding der kinderen.

Om van Benten naar buiten, naar het land, te gaan, is het niet noodig de japansche stad te doorkruisen. Aan de grens der heilige plaats begint een breede straatweg, die langs de rivier loopt en op paalwerk rust; deze weg verheft zich boven de lage straten en het moeras van Jokohama, en voert naar eene kleine voorstad, grootendeels door arme werklieden bewoond, en waar een militair wachthuis en een kantoor der douane worden aangetroffen. Hier gaat ge over de rivier, door middel van eene fraaie houten brug, die hoog genoeg is om zeilvaartuigen door te laten, en ge bevindt u op den straatweg aan den linkeroever. Volgt ge dien weg in noordoostelijke richting, dan komt ge op den grooten weg naar Kanagawa; slaat ge naar het zuidwesten af, dan bevindt ge u weldra op een der landwegen, die naar de Mississippi-baai voeren.

Aan alle zijden is het land bebouwd en met talrijke woningen bezaaid. De alleenstaande woningen nabij den weg, en zelfs de huizen in de dorpen, zijn doorgaans geheel open. Om koelte te maken, schuiven de bewoners de beweegbare schermen, waarmede zij hunne woningen afsluiten, rechts en links weg: het inwendige der huizen ligt alzoo geheel open voor de blikken der voorbijgangers. Onder zulke omstandigheden is het niet moeielijk, zich van de inrichting des huisgezins en de eigenaardigheden van het huiselijk leven een vrij juist denkbeeld te maken.

Het conventioneele onderscheid tusschen de klassen der japansche maatschappij berust niet op een wezenlijk verschil van ras of ook maar van levenswijze. Van den top des heuvels, waarop de residentie van den gouverneur van Kanagawa verrijst, ziet men aan de eene zijde neder op eenige gebouwen, tot woning bestemd voor de yakoeninen en hunne gezinnen; aan de andere zijden op groepen van kleine huizen of hutten van werklieden en landbouwers. Menigmaal heb ik opgemerkt, hoe èn hier èn daar dezelfde gewoonten, dezelfde levenswijze heerschten; met dit verschil alleen, dat wat voor de arme woningen op de openbare straat geschiedde, in het verblijf der yakoeninen beperkt bleef tot de door houten beschotten omringde binnenplaatsen. Mijne latere herhaalde bezoeken bij de hooge ambtenaren van den staat hebben mij in de overtuiging bevestigd, dat de heerschende type en de levenswijze der geheele bevolking van het midden des keizerrijks—dat wil zeggen, van de drie groote eilanden Nippon, Kioe-Sioe en Sikokf—overal dezelfde zijn, en zich in eenige algemeene trekken laten samenvatten.

De Japanneezen zijn van schrale en middelbare gestalte; veel zwakker van lichaamsbouw dan de volkeren van zuiver germaansch ras, gelijken zij wel eenigszins op de bewoners van Spanje en van zuidelijk Frankrijk. De vrouwen zijn over het algemeen aanmerkelijk kleiner dan de mannen: dit onderscheid is hier veel meer in het oog vallend dan in Europa. Volgens Dr. Mohnike, voormalig geneesheer der hollandsche factorie te Nagasaki, is de middelbare lengte der mannen vijf voet en een à twee duim, parijsche maat, en die der vrouwen, vier voet en een à drie duim.—Zonder rechtstreeks mismaakt te zijn, zijn de Japanneezen toch verre van schoon. Zij hebben een groot hoofd, een korten hals, eene breede borst, een lang bovenlijf, uitstekende heupen, magere en korte beenen, maar kleine voeten, en fijn gevormde en dikwijls bij uitstek fraaie handen. Is het voorhoofd soms wat al te schuin en steken de wangbeenderen wat ver vooruit, dan gelijkt het hoofd, in profiel gezien, meer op een driehoek dan op een ovaal. Dit is echter niet algemeen: maar wel, de weinige diepte der oogholten en de van boven bijna platte neus, waardoor de oogen veel meer naar voren komen dan bij de Europeanen. Ook staan ze een weinig schuin. Toch—ik weet zelf niet waarom—is de algemeene indruk niet die van de chineesche of mongoolsche type: het hoofd van den Japannees is grooter, zijn gelaat langwerpiger en, over het algemeen, regelmatiger; ook komt de neus meer voor en is schooner van vorm, soms zelfs zweemt hij naar een arendsneus. Moest ik eene vergelijking maken, dan zou ik die eer zoeken onder de bewoners van den indischen archipel. Dr. Mohnike zegt, dat de schedel van den Japannees die is van het touranische ras.—Alle Japanners, zonder onderscheid, hebben glad, zwaar en raafzwart hair. Het hair der vrouwen is hier niet zoo lang als in Europa of Indië; dat der mannen komt misschien geheel met het hair der Javanen overeen, en onderscheidt zich zeer duidelijk van de kroezige hairen der oorspronkelijke bewoners van de Filippijnsche eilanden en der Alfoeren uit zuidelijk Australië. De Japanneezen hebben een vrij zwaren baard, maar zij laten dien niet groeien en scheren zich minstens om de twee dagen. De kleur hunner huid verschilt bij de verschillende standen, en doorloopt al de onderscheidene tinten tusschen de donkere koperkleur uit de binnenlanden van Java en het matte of door de zon gebronsde wit der bewoners van zuidelijk Europa. De meest heerschende tint is olijfbruin; nooit ziet ge de leelijke gele kleur der Chineezen. In tegenstelling met de Europeanen, zijn bij de Japanneezen doorgaans het gelaat en de handen lichter van kleur dan het overige des lichaams. De kleine kinderen en de jongelieden van beiderlei kunne hebben, even als bij ons, eene frissche kleur en blozende wangen. De kleur der vrouwen is lichter dan die der mannen: in de hoogere standen en zelfs onder de burgerklasse ziet men vele bijna geheel blanke vrouwen; de adellijke dames beschouwen de mat-witte tint als de meest gedistingeerde. Toch zijn zij van hare europeesche zusters door twee onuitwischbare teekenen gescheiden: vooreerst, door de schuine en ietwat uitpuilende oogen, en ten andere door eene ingedrukte borst: een misstand, die zelfs bij de schoonst gevormde jonge vrouwen voorkomt.—Mannen en vrouwen hebben zwarte oogen, witte en sterke tanden, die door regelmatige tusschenruimten gescheiden zijn en eenigermate vooruit steken. Het gebruik wil, dat gehuwde vrouwen hare tanden zwart verwen: misschien een flauwe herinnering aan Java of Achter-Indië, waar iedereen min of meer zwarte tanden heeft, door het betel-kauwen. De bewegelijkheid en de groote verscheidenheid van de gelaatstrekken der Japanners schijnen mij enkel het gevolg hunner meer verstandelijke, meer vrije ontwikkeling, waardoor zij zich van de overige aziatische volken zoo gunstig onderscheiden. De veelvoudigheid van het individueel karakter drukt zich bij hen, als bij ons, in de verscheidenheid der physionomieën af.

Het nationale kleedingstuk der Japanneezen is de kirimon, eene soort van kamerjapon, van voren open, en die bij de vrouwen iets langer en van fraaier stof is dan bij de mannen. Dit kleed wordt op de borst overgeslagen en door middel van een gordel saamgebonden: welke gordel bij de mannen bestaat in een smalle zijden sjerp, en bij de vrouwen in een breed stuk doek, dat op eene eigenaardige manier van achteren wordt toegeknoopt. Linnen onderkleederen kent men in Japan niet, maar ieder neemt er dagelijks een bad. De vrouwen dragen een hemd van roode krip-zijde. Daarentegen gaan de boeren, de visschers, de werklieden en koelies, althans in den zomer en als zij aan den arbeid zijn, bijna geheel naakt; terwijl hunne vrouwen zich slechts een rok om de heupen binden. Als het regent, slaan zij mantels van stroo of geolied papier om, en dekken zich het hoofd met bamboezen hoeden, die, even als op Java, den vorm van een schild hebben. Des winters dragen de mannen uit het volk, onder den kirimon, een wambuis en een nauw-sluitenden pantalon van blauw katoen; de vrouwen, een of meer schoudermantels, met watten gevoerd. De lieden uit de burgerklasse gaan nooit uit zonder wambuis en pantalon. De kleeding der verschillende standen verschilt overigens minder in vorm dan wel in stoffage. De edelen alleen hebben het recht zijden kleederen te dragen; echter trekken zij hun pronkgewaden slechts aan, wanneer zij naar het hof gaan of een beleefdheidsbezoek afleggen. De ambtenaren der regeering, de yakoeninen, dragen, als zij in dienst zijn, een wijden pantalon en, in plaats van den kirimon, een overkleed met wijde mouwen, dat tot de dijen afdaalt en niet onsierlijk van vorm is. Het schoeisel is voor allen hetzelfde, en bestaat in grof linnen sokken en sandalen van gevlochten stroo of wel van hout, die met een om den grooten teen geslagen riem worden vastgehecht. Als de wegen morsig zijn, bindt men aan de voeten eenvoudige houten zolen, op twee dwarsplankjes rustende. Het grootste gedeelte van het jaar loopen de lieden uit het volk òf barrevoets òf hoogstens met strooien sandalen. Bij het binnentreden eener woning, hetzij eigen of vreemde, ontschoeit men zich en laat zijne sandalen op den drempel staan.

De vloeren der woningen in Japan zijn altijd met matten belegd. Daar de kamers allen even groot zijn, zoo zelfs, dat er eene vaste maat voor de matten bestaat,—zij zijn veranderlijk zes voet drie duim lang, drie voet twee duim breed, en vier duim dik—kan men die altijd en overal gebruiken. De matten zijn zeer netjes van rijststroo gevlochten. Door middel der beweegbare schermen, die de afscheiding tusschen de verschillende kamers vormen, verdeelt de Japannees zijne woning in zoo vele vertrekken als hij verkiest, echter altijd met inachtneming der strengste symmetrie, en zonder dat hem dit veel tijd of moeite kost.—De mat vervangt de plaats van bijna alle andere meubelen. Zij dient vooreerst voor matras: op haar vlijt de Japannees zich des nachts neder, in een wijden kamerjapon en een grooten, met watten gevoerden deken gewikkeld, terwijl een klein, bekleed houten blok hem tot hoofdkussen dient; op de mat zet hij ook het porceleinen en verlakt gereedschap neder, dat hij bij zijne maaltijden gebruikt; de mat wederom is zijn divan, waarop hij nederhurkt met zijne gasten, om, onder het genot van een kop thee, zonder melk of suiker, en het rooken van tabak uit mikroskopische pijpen, uren en uren lang te keuvelen. In de herbergen van Japan vindt men denzelfden toestel, die op Java onder den naam van bali-bali bekend is: namelijk, eene soort van beweegbaren houten vloer, of liever eene groote tafel, met matten belegd en slechts een voet ongeveer boven den grond verheven. Daar, op dien vloer, zet zich de reiziger neder, daar eet en drinkt hij, daar houdt hij zijne siësta en praat er met zijne buren. Doch het huis van iederen Japannees is eigenlijk niet anders dan een bali-bali in het groot, een rustplaats, een tijdelijk verblijf, waarheen men zich begeeft, nadat de arbeid op de straat of op het veld is afgeloopen; het is niet het heiligdom van zijn gezin, niet het middelpunt van geheel zijn leven. Trouwens, deze beteekenis van het huis is niet wel te verwachten bij een volk , dat van den eenen dag op den anderen leeft, het gisteren vergeet en zich om het morgen niet bekommert.

Eens woonde ik op eene school eene les bij: een half dozijn kleine jongens zaten rondom hunnen meester neergehurkt, en zeiden in koor eenige woorden op. Toen ik naar de beteekenis dier woorden vroeg, antwoordde men mij, dat de kinderen het irova van buiten leerden: eene soort van alphabet, waarin niet de klinkers en medeklinkers, maar de acht-en-veertig grondklanken der japansche taal, in een vierregelig versje zijn saamgevat. Het eerste woord van dit koepletje is irova: van daar de naam van het alphabet. Ik liet mij dit versje voorzeggen: en wat mij het meeste trof, was de beteekenis dezer woorden, die dag aan dag, aan het andere uiteinde van ons halfrond, door zoo vele duizende kinderen—immers even als wij met eene onsterfelijke ziel begaafd?—worden opgezegd. Ziehier dit koepletje:

Een zwevende viaduct.

“Kleur en geur vervliegen.—Wat is er in onze wereld blijvend?—De dag van heden is verzonken in den afgrond van het niet.—Hij was een ijdel droombeeld: hij laat geen indruk achter.”

Stedeling in wintercostuum.

Inderdaad, dit nationale a. b. c. liet mij een dieper blik slaan in het eigenlijke volkskarakter, dan gansche boekdeelen konden doen. Sedert eeuwen reeds roepen de wegstervende geslachten aan die na hen komen toe: Er is niets blijvends in de wereld; het heden gaat als een droom voorbij en laat geen indruk achter. Dat deze wijsbegeerte van het niet de ziel niet geheel bevredigt, bewijst wel de ontwikkeling van het godsdienstig gevoel ook in Japan; maar toch mag men aannemen, dat zij in stilte machtig voortwerkt en haar invloed doet gevoelen in menige betrekking des levens. Is zij het ook niet, die het comfort van den huiselijken haard—immers de vrucht van zorg en overleg voor de toekomst, vernietigt en de huiskamer, het heiligdom van de herinneringen der kindsheid en van de traditiën der familie, onmogelijk maakt? De woning van den Japannees is steeds voor de behoefte van het oogenblik ingericht, en bewaart geene herinnering aan de vervlogene dagen. Al wat zij poëtisch heeft, ligt in hare overeenstemming met de buitenwereld. Zoodra de avond valt, worden de schermen dichtgeschoven, de kamers worden tot slaapvertrekken ingericht, en in eene hooge houten kooi, met geolied papier beplakt, wordt een lamp aangestoken, wier schijnsel de duisternis verhelderen moet, even als het flauwe licht der sterren daar buiten. Maar zoodra de dag aanbreekt, wordt alles wat aan een slaapvertrek doet denken, weggeruimd en in een hoek verborgen. Aan alle kanten worden de schermen geopend en de woning wordt van het eene einde tot het andere aangeveegd. De morgenlucht kan er vrij door spelen, en de zonnestralen teekenen breede lichtstrepen op de glinsterende matten, even als buiten op den akker. Gedurende de heete uren van den middag daarentegen, wordt het huis zoo dicht gesloten, en weert men lucht en licht zoo volkomen met zeilen en schermen af, dat men, den drempel overschrijdende, zou wanen eene duistere grot binnen te treden.—Deze eigenaardige levensbeschouwing, deze manier om slechts op de uiterlijke omgeving te letten en het leven te beschouwen als eene reeks van uren, dagen en jaren, elkander opvolgende zonder verband of samenhang; dit zich geheel overgeven aan den indruk van het oogenblik,—verhoogt zeker het genot, maar geeft ook aan de smart en den tegenspoed eenigermate het karakter der fataliteit en berooft eindelijk den dood van dat geheimzinnige en ontzagwekkende, dat hij altijd in onze oogen heeft. Geheel het aanzijn mist daardoor diepte en beteekenis: men droomt het door, zonder er verder eenige waarde aan te hechten, dan die het oogenblik medebrengt.—Zij die bij deze levensmanier het meeste winnen, zijn zonder twijfel de kinderen. Vooreerst is het voor ieder uitgemaakt, dat het kind van zijn leeftijd genieten moet. Maar bovendien: vader en moeder volgen denzelfden regel en vinden in het betrachten daarvan hun grootste vreugd; wel verre dus van hunne kinderen eenigszins in hun vermaak te storen, moedigen zij ze daarbij veeleer aan en vermaken zich met hen. Men heeft gezegd, dat de kinderen in Japan nooit schreien: hierin is voorzeker overdrijving, maar dat ze bij uitstek veel pret hebben, is waar. Nog andere oorzaken werken hiertoe mede. De Japannees heeft maar eene echte vrouw. Deze trouwt zeer jong: hetgeen misschien in menig opzicht verkeerd is, maar zeker niet uit het oogpunt der opvoeding, waarmede wij ons nu bezig houden. Bijna zonder overgang verruilt het meisje haar pop voor haar kind, en nog langen tijd blijft zij zelve kind. Aan den anderen kant belet haar de gewoonte des lands, haar zuigeling te vertroetelen; zij moet hem aanstonds aan de lucht gewennen en hem iederen dag naar buiten brengen, en zelfs met ongedekt en kaalgeschoren hoofd aan de zon blootstellen. Om zoo lang mogelijk haar kind te kunnen dragen, zonder zich te veel te vermoeien, plaatst zij het op haar rug, tusschen haar hemd en den kraag van haar kirimon. Menigmalen ziet men de boerinnen dus beladen op het veld aan den arbeid, terwijl achter haar chignon een klein hoofdje te voorschijn komt. Te huis kan men de kinderen veilig aan zich zelven overlaten: zij mogen rollen, stoeien, op handen en voeten kruipen, voortscharrelen over de matten, naar hartelust: nergens toch staat er een meubelstuk, waartegen zij zich zouden kunnen stooten, of iets, dat zij kunnen beschadigen of omverwerpen. Tot speelkameraden hebben zij de huisdieren: eene soort van kleine langharige honden, met korte pooten en waggelende van vet; en eene bijzondere soort van katten, wit met gele en zwarte vlakken, zeer slechte muizenvangers, schandelijk lui, maar zeer aanhalig. Even als op Java, hebben deze dieren geen staart, of liever, hun staart wordt aan den rug in een knoop saamgebonden en daardoor de verdere groei belet.

In ieder welgesteld gezin vindt men een aquarium, vol purperen, zilver- en goudkleurige, haast doorschijnende visschen: sommigen rond als een bal, anderen voorzien met een breeden en langen staart, die tot roer dient en als een fijn gaas door het water drijft. Men heeft ook kooien, uit stengels van bamboesschors vervaardigd, in vorm aan eene sierlijke woning gelijk, en waarin, op een bed van bloemen, groote vlinders of krekels, wier geluid bij de inlanders zeer geliefd is, worden bewaard.

Ziedaar, in enkele trekken, de omgeving waarin de jonge Japanner in volle vrijheid opgroeit: in de eerste en voornaamste plaats, de natuur, het open veld; en daarna, als bijzaak, het ouderlijk huis, dat voor hem niet veel meer is dan eene overdekte speelplaats. Zijne ouders ontzeggen hem noch speelgoed, noch uitspanning, noch feestjes, zoowel voor hun eigen vermaak als in het belang zijner opvoeding. Het eigenlijke onderwijs bestaat in het van buiten leeren en opzeggen van het irova en eenige andere leesoefeningen, en in het schrijven, of liever teekenen met chineesche inkt, eerst van letters, dan van woorden, dan van volzinnen. Men maakt daarbij volstrekt geen haast, en wakkert ook niet, door het uitloven van prijzen, de eerzucht aan: het geldt hier toch eene zaak, die door hare nuttigheid zich zelve genoeg aanbeveelt, en eerst door lange oefening kan verkregen worden. Niemand komt het in de gedachte, zijne kinderen niet te laten onderwijzen. Men kent noch schoolreglementen, noch schoolplichtigheid, noch examen: en toch kan de geheele volwassen bevolking, vrouwen zoowel als mannen, lezen, schrijven en rekenen: dat is, juist wat de groote menigte eigenlijk alleen behoeft. Zou het japansche stelsel van opvoeding wel zoo verwerpelijk zijn?