WeRead Powered by ReaderPub
Jerusalem cover

Jerusalem

Chapter 30: XVII.
Open in WeRead

About This Book

Een reeks levendige portretten en korte scènes schetst het dagelijkse leven in de stad: bruiloften, sabbatsvieringen, markten en huiselijke taferelen binnen verschillende Joodse gemeenschappen. De verhalen volgen individuen — zoals Hamame, een Jemenitisch dienstmeisje bij een huwelijksfeest — en registreren zorgen over armoede, familiebanden, traditie en moderne veranderingen. Er wisselen humoristische observaties, rituele beschrijvingen en sociale kritiek elkaar af, waardoor een intiem en sfeervol beeld ontstaat van gewoonten, muziek, voedsel en onderlinge spanningen zonder opgeblazen oordeel.

IV.

Nietwaar, na deze gunstige informatiën mogen wij gerust gaan. Wie ook bestolen worden, de gasten van den hoofdman zeker niet. Wij zullen Amin dus een brief schrijven, dat wij hem Dinsdag aanstaande zullen komen bezoeken. Adil belast zich daarmede. Het is een heel moeilijk werk, want Amin Effendi is een groote sjech. Wij bedenken ons op ieder woord. Maar 't wordt dan ook een mooie brief: "Aan Zijne Excellentie, den Geëerde, den heer Amin el Hawadja, dat hij altijd leve. Amen!

Wij groeten Uwe Excellentie zeer en wij vragen naar zijn welvaren. Gij weet, dat gij naar El Kuds zijt gegaan en dat gij daar hebt bezocht Zijne Eminentie, den Groot Mufti Kamil Effendi Husseini. Gij hebt daar eenen vreemden heer ontmoet, dien Gij later hebt uitgenoodigd Uwe Excellentie te komen bezoeken. Daarom schrijven wij Uwe Excellentie dezen brief, dat wij hopen te komen op den Derden Dag van de volgende week. Allah is groot. Wij hopen Uwe Excellentie en zijne familie in gezondheid te vinden.

Zij, die u schrijven,

Adil Awedah,
Jacob Israël de Haan.

Geschreven te El-Kuds, op den vierden dag van den eersten maand Rabia, van het jaar 1338."

Ook het adres is heel mooi. Rechts boven, vlak in den hoek: "Van El-Kuds," dat beteekent: "De Heilige." Zóó noemen de Arabieren Jeruzalem. Links vlak in den hoek: "Naar Naälin." En midden in één lange lijn: "Aan Zijne Excellentie, den heer Amin el Hawadja, dat hij lang leve. Amen!"

Gij, Hollandsche lezer, denkt nu, dat wij op dezen brief een mooien gelen postzegel hebben geplakt van vijf millièmes, en toen hebben gepost? Maar dan zou de brief misschien niet aangekomen zijn binnen de zes dagen tot ons bezoek. Neen, wij hebben den brief medegegeven naar Rehoboth, en vandaar is hij per looper naar Naälin gebracht. Dat kostte maar zeven shilling. Des Zaterdagavonds hebben wij ons bezoek telegraphisch bevestigd. Kijk, en dat is nu aardig: dat telegram kwam juist aan, toen wij, Woensdagochtend, van Amin's huis vertrokken. Het kostte negen piaster.

V.

Adil, die zich rijk op de reis verheugt, belast zich met alle inkoopen. Daar ik niet in de reishotels eten kan, koopt hij voor mij conserven. Wij hebben eieren. En chocolade, die van Bensdorp blijkt te zijn. Hoe is die hier in de Bazar gekomen? Adil koopt ook bonbons voor de vier vrouwen en de vele kinderen. Hij koopt vier kilo felgekleurde zuurtjes voor den civielen prijs van vijf gulden. Hoe feller gekleurd, hoe lekkerder. Hij koopt ook vier kilo Turksche jujubes, die hier halkoum heet. Ze kosten ook vijf gulden. En een mooie blikken doos van zestig cent. Ik vraag of acht kilo bonbons niet wat veel is? "Neen," zegt Adil: "bezoeken wij niet een machtigen sjech? Zou men ons meer achten, wanneer wij hem minder gaven?" Zóó is het hier. Men dingt op alles af tot het uiterste. Maar met geschenken over en weer is men ruim. En de bezoeker wordt geschat naar de waarde van zijn geschenk. "Zeker zal men ons achten," zegt Adil wel voldaan. Wanneer Adil iets niet wil, dan zegt hij: "Zeker zal men ons daarom minachten." En dan is 't uit.

VI.

Allah is groot. Het is Maandagmiddag mooi weer. De regenwind is nog niet begonnen. Wij kunnen dus nog wel op mooi weer vertrouwen. Wij rijden (voor twintig piaster!) naar het station. En voor zestig piaster de man van Jeruzalem door de bergen naar Ludd. En dan weer voor vijf en twintig piaster in een heerlijk zonnig tentwagentje langs eenen vol en bontlevenden weg naar Ramleh. Omdat er in Ludd geen hotel is. Het hotel in Ramleh is echter ook geen hotel, maar een holletje. Niet duur. Dat is waar. Er zijn twee kamers. Een met vier, en een met zes bedden. Van kamers met één bed heeft de waardin nooit gehoord. Zijn wij dwazen? Wij betalen twee shilling per persoon. Willen wij daarvoor ook nog schoon beddegoed? Zijn wij dwazen? Wanneer wij een shilling den man bijbetalen, dan zal zij ons schoon beddegoed geven. En dan op stap naar paarden. Wij gaan daarvoor naar de apotheek. Dat is de sociëteit van Ramleh. De apotheker heeft met Adil's broer tegelijk te Beyrouth gestudeerd. Nu, tegen den avondval, komen alle notabelen van Ramleh een praatje maken bij den apotheker. Paarden? Rijpaarden zijn er niet. Die zijn veel te duur geworden. Maar wij kunnen Amin el Hawadja wel een brief zenden om rijdieren en een gids, Wij offeren dus weder een half pond voor een nachtlooper naar Naälin. Wij geven hem een Engelschen brief mee, vol van 's mans goede bedoelingen, voor het geval hij door een Engelsche patrouille wordt aangehouden. Een mooien Arabischen brief voor den sjech. De man wapent zich met een dikken stok tegen de jakhalzen. En dan maar loopen.

VII.

En zoowaar, met den mooien morgen, daar verschijnt Sakhib, de tweede zoon van den sjech. Groot en waardig in een bruin gewaad. Zijn vader wacht ons half-weg Naälin in zijn landhuis, dat heet Dar Salameh: Woning des Vredes. Hij zendt ons zijn mooiste paard voor mij. Een mooien witten ezel voor Adil. En hij, Sakhib, rijdt een gezellig grauw ezeltje. Wij eten eerst samen. Wij doen dat zonder messen en vorken. Wij breken het brood in groote brokken. Wij doopen dat in de olie van onze sardientjes en nemen met onze vingers de stukken sardien. Ik sidder af en toe. Maar zou ik den tweeden zoon van een machtigen sjech mogen beleedigen? En eten als de dwaze Europeanen doen met een vork en een mes? Ieder van een bord apart, als vergiftigde vijanden!

En dan rijden wij af. Sakhib op het kleine grauwe ezeltje, dat in een grooten zak ook nog onze twee koffers draagt. Dan Adil. En dan ik. O, het mooie paard. De sjech is groot. Hij zendt een raspaard. En het paard heeft een veulentje van twee maanden, dat het overal naloopt. Het draagt een blauw kralensnoer om het ranke bruine halsje. Tegen het Booze Oog. En het tiptipt op héél lichte voete-pootjes. Zoo open. Zoo vrij te rijden door het Land. Overal de wijde blik tot aan de verre, blauwe berglijnen. Wij rijden langs het dorp van Ludd. Palmen. Er is al eerste regen gevallen en er staat stil water. Zoo stil als de hemel zelf. Het is een prentje, zooals wij die zagen in atlassen en aardrijkskundeboeken. Nu denk ik aan mijn jeugd en zucht. Maar ik verlaat mijn jeugd. En het is de wonderlijke vertelling van Aart van der Leeuw: "Sint-Veit". Omdat het zonnelicht geen tijd kent.

VIII.

De domheid. En het wonder. Sakhib heeft het gezegd. Het bruine moederpaard, dat heet Saäda, de Rijke, is een lief, goed-loopend paard. Het wordt alleen lastig in de buurt van auto's en van motors. Maar die zijn er niet. En men moet het niet slaan. Zelfs niet koozend met het leidsel. Dan slaat het door. O, als Sakhib maar niets had gezegd! Want wanneer we Ludd voorbij zijn en in de heuvelvlakte komen, dan beginnen de woorden van Sahkib mij te hinderen. En na een langen strijd, die klopt in hart, keel en pols, heb ik het paard een tik gegeven met het leidsel. En het draaft dadelijk op. Een korte, krachtige draf. Als ik aan het leidsel trek, zal het misschien bezinnen en weer gelijk op stappen gaan. Maar als een groote bevrijding geef ik het paard weer een slag met het leidseleinde over den hals. Ik ben bevrijd. Het is genoeg. Maar het paard, wreedbeleedigd, heeft galop gezet. Ik voel den langen galopslag. Het vreemde paard heeft zich vrijgemaakt. Knel de knieën en trek het gebit aan. Het paard op de achterpooten. Neer en holt verder. Ik ben niet bang. Straks zal ik vallen, voeten in den stijgbeugel. En toch zijn de twee slagen met een wreeden dood niet te duur betaald. Maar het leven is niet zoo. Ik zal wel ergens sterven op het een of andere bed. Plotseling staat het paard. Het kleine veulen is achter gebleven. Daar komt het gedraafd. En ver, heel ver, van achter een heuvel, Sakhib en Adil. Zij ranselen hun ezels. Zij trappen hun ezels in den buik. Sakhib jammert: "wat heb ik gedaan? Wil ik jammer brengen over zijn hoofd? Hoe zal hij durven verschijnen voor zijnen vader, wanneer den gast een ongeluk overkomen was." Zij blijven nu verder vlak vooruitrijden. Adil heeft niets gezegd. En ik denk dit: "wanneer Adil werkelijk een goed vriend was geweest, dan zou hij hebben gezegd: "wanneer gij gewond waart, had ik mij zelven gewond. En wanneer gij gedood waart, had ik mij zelven gedood."

Den volgenden dag, wanneer wij terugrijden, zegt Adil: "wanneer gij gisteren gewond waart, had ik mij zelven gewond. Wanneer gij gisteren gedood waart, had ik mij zelven gedood."

Ik kijk doodverschrikt op. Maar er is niets dan de Eeuwigheid.

IX.

Dar Salameh. Hij mag dan den sjech van de dieven zijn: hij ontvangt toch netjes. Het huis op den heuvel. Zij kijken uit van het platte dak. Wanneer wij naderen, komen zij beneden. De sjech, zonen en bedienden. De vrouwen zullen wij niet zien, behalve het personeel. Er is een bonte binnenhof: pauwen, fazanten, kippen. En de kleine lammeren. Het is hier nu de tijd. Gij kunt geitjes en lammetjes nu zien geboren worden op de velden. Dan trappen op, buiten het huis. En de salon. Er staat ook een ledikant. De sjech is al een moderne sjech. Er zijn stoelen en er is een tafel. Ik krijg een makkelijken stoel voor het open, zonnige raam. Ja, open en zonnig. Ik weet het: gij hebt sneeuw en ijs van begin November af. Hier hebben wij tusschen de regendagen de zonnedagen, dieper en schooner dan in de zomers. En het uitzicht. Zoo ver als onze blikken, gaan de landen van onzen gastheer. Heel, heel ver bouwen de huizenhoopjes van Ludd en van Ramleh.

Ik kan hem nu op mijn gemak opnemen. Een korte, stevige kerel. Proper in zijn bruin en wit overgewaad. Hij gaat in huis op blanke, bloote voeten. Een scherp, verstandig gezicht. Geen opvoeding? Hij zal zich zelven hebben opgevoed. Wilt gij beter?

Hij is heel mild en heel spraakzaam. Ja de Turken haat hij. Ze hebben hem ter dood veroordeeld. En ze zouden hem hebben gehangen als een hond, hadden zij hem kunnen krijgen. Met de Engelschen daartegen zeer bevriend. Hij heeft hen in den oorlog zeer geholpen. Hij laat getuigschriften zien van Engelsche generaals. Mooi, hè? Hij kan het wel niet lezen. Maar Adil Effendi wil het zeker nog wel eens vertalen. Hij heeft ook mooie geschenken gekregen van de Engelschen. Natuurlijk heeft hij hun fraaie geschenken teruggeven. Hij vertelt ons precies de waarde van hun geschenken en van zijne geschenken. Hij heeft er niet op verdiend. Maar Allah is groot. Allah heeft hem ruim gezegend.

Hij is zestig jaar. En hij lijkt goed veertig. Hij lacht lief gevleid. Maar ik had zijn vader moeten kennen. Die was wel tachtig jaar toen hij stierf. Allah is groot. Hij had acht zonen. Zij waren heel blij, toen de vader stierf. Zeker, heel blij. Want zoolang hij leefde, kon hem nog van alles overkomen, nietwaar? Nu is hij veilig bij Allah. Allah is groot.

X.

Ik vraag naar zijn eigen zonen. Ja, tien. En achttien dochters. Sakhib is ons komen afhalen. En Soliman heb ik bij den Mufti gezien. Nu komt de oudste binnen. Een prachtkerel, die Fares, dat is: Ruiter, heet. Daarom heet Amin ook Aboe Fares, de Vader van Fares. Dat is zoo: de Vader heet hier naar zijn zoon. Is iemand getrouwd, maar heeft hij geen zoon, dan heet hij Aboe met den naam van zijnen vader. Daarin ligt dan de wensch, dat een zoon moge worden geboren, die naar den grootvader heeten zal. Sjech Amin heeft ook al naamkaartjes. Engelsch en Arabisch. Daarop heet hij natuurlijk Amin Osman el Hawadja. Maar iedereen kent hem onder den naam Aboe Fares. Sakhib is ook getrouwd, en heeft een kind Mohammed. Waar is de kleine Mohammed? Hij is gestorven. Meskien, zeg ik meewarig. Maar Aboe Mohammed berust: min Allah.

Aboe Fares heeft nu nog vier vrouwen. Zij wonen in het groote huis te Naälin, waar wij vanmiddag zullen heengaan. Houden zij onder elkander altijd vrede? Maäloum, zegt Aboe Fares met een medelijdenden glimlach: "zij zijn allemaal bang voor mij."

XI.

Er zijn gasten gekomen. Vier dorpshoofden uit de buurt van Gaza. Groote stoute Arabieren. Zij zijn hier gekomen om vee te verkoopen. Misschien is het wel gestolen vee. Maar dat weet Amin el Hawadja niet. Zij noodigen ons uit tot bezoek. Adil's oogen blijven stil en koel. Wij kunnen samen veilig Fransch spreken. "Zouden wij gaan, Adil?" En hij antwoordt: "Zeker zullen wij niet gaan. Zijn zij groote sjechs? Zullen zij ons lekker eten geven, zooals Aboe Fares straks zeker doen zal? Zal men ons achten, wanneer wij een bezoek gaan brengen, zóó ver, bij zoo geringe dorpshoofden? Ik twijfel of wij zullen gaan." De vier dorpshoofden, buiten besef, dat over hun lot wordt beslist, kijken eerbiedig naar Adil Effendi, die spreken kan met den vreemden heer. En Adil antwoordt hun, dat wij zeker gaarne zullen komen, zoodra de wind en de regen goed zijn. O, Adil heeft goede manieren. Maar de Europeanen hebben ze niet.

De gasten krijgen nu een diep bord fel gekleurde zuurtjes en een diep bord Turksch zoet. Daar gaan de acht kilo's! Ze eten de bonbons als brood.

En dan gaan ze eten in den hof. Men eet hier zóó: een platte blikken schotel. Ik schat een halve meter in doorsnee. En die belegd met pannekoeken, waarmee ook de opstaande wanden afgezet. De schotels vol rijst. En op de rijst stukken vleesch. Eerst handen wasschen. Dan een stuk pannekoek. En een vuistvol rijst. Die samen kneden in de rechterhand. Een stuk vleesch daarbij. En dan de geheele bal binnenwippen. Doe 't maar na. Niet morsen. Aboe Fares, die een goed gastheer is, eet met zijn gasten mee. Straks zal hij ook met ons mede-eten. De pannekoek-, rijst- en vleeschschotel is volkomen afgewerkt. Handenwasschen en koffie.

XII.

Wij eten aan tafel. Er zijn ook stoelen, messen en vorken. Aboe Fares is een gul en goed gastheer. Hij heeft een kok laten komen uit Jaffa. Jammer, dat ik van des koks lekkernijen niet eten zal. Maar voor mij is er ook gezorgd: versche dadels, sinaasappels, tomaten en olijven. De zonen eten niet met ons mee. Dat zou niet passen. Zij staan achter de tafel. Nemen de schotels aan van den kok. Nemen ze weg. Geven ons water. En wijn. Van Rischon le Zion. Sjech Amin Osman gezegd Aboe Fares eet alsof hij nooit een pannekoek-, rijst-en vleeschschotel hadde gezien. Nu, de kok heeft goed gezorgd. Hij geeft een schotel vleeschkoekjes, een macaronitaart als een huis, gebakken aardappels met gemurwd hamelvleesch, kip met gekookte appels, een schotel van rijst met geitjes-vleesch. Dessert. "Adil," mag ik als oudere den jongere zoo waarschuwen: "ik vrees, dat gij te veel eten zult." "Natuurlijk eet ik te veel," antwoordt Adil, "zoudt gij willen, dat ik van al deze goede zaken weinig eten zou? Wat zou Aboe Fares van mij denken?" Ik verontschuldig mij, dat ik niets eten mag. "Min Allah, min Allah," antwoordt de Sjech met een goeden glimlach: "wat er heden overblijft, geven wij aan de armen, opdat zij den dag van uw bezoek lang zullen gedenken. Er zal veel overblijven, en zij zullen vele gebeden voor u uitspreken."

XIII.

Na de koffie gaan wij naar Naälin, het voornaamste van de twaalf dorpen, waarover Aboe Fares sjech is. Adil beweert wel, dat men ons meer zou achten, wanneer wij rustig te Dar Salameh bleven. Maar ik verzeker, dat men in Europa nooit de hoofdplaats van eenen sjech onbezocht laat. En voor Europeesche argumenten zwicht Adil altijd zeker. Wij gaan. O, een wonderlijke optocht. Ik heb weer het mooie moederpaard met het veulentje. Adil den witten ezel. Drie zoons gaan mee, op ezeltjes allen. En een neefje, dat een groote zaag naar Naälin brengt.

De bergen trekken wij in. Heel groot en heel verlaten. De wilde winterregens zijn nog niet gevallen. En de wadi, waarin des winters het water bruist is nog droog. Daardoor trekken wij heen. En dan de smalle rotspaden op, waar paard en ezel voorzichtig de pooten zetten en toch nog dikwijls glijden van de gladde steenen. Rijden één achter één. Geen ander geluid dan de stappende pooten en de echo daarvan. En het kleine paardje, dat soms hinnikt, wanneer het verloren is tusschen de rotsen, en zijn moeder wel ziet, maar er niet bij komen kan. Dan strijdt het kleine paardje heel lang, bang voor de rotsen. En bang om zijn moeder te verliezen. Als de afstand heel groot is geworden, breekt de strijd. En het paardje komt aangedraafd en vlijt zich tegen de moeder.

Wij gaan heel langzaam en heel vermoeiend. Ik zie geen weg. Maar mijn vrienden zien de wegen. Zij vinden hier den weg zonder nachtlicht in de zwaarste winternachten.

Wij rusten bij de bron van Natouf, een diep en hoog hol in de rotsen, waar water langzaam doorheen droppelt. Ik heb het water al te Dar Salameh gedronken. Het was zoet als gesuikerd. En scherp als gekruid. Toch was het enkel water. Hier vangen wij het uit de rotsbron dadelijk. Het is ijskoel.

Na den eersten regen is frisch, als lente, groen opgekomen. De rijdieren eten daar van. Het kleine paardje drinkt van zijn moeder. Wij zitten met ons zessen in het donkere bronnenhol, spelen met het water en kijken naar het licht. Adil, bevangen door een slaap van geluk, zegt het: "Allah heeft ons lief vandaag."

XIV.

Wij zijn weer opgestegen. Hoog en ver boven het handvol huizen van Naälin. Breedte des hemels enkele kilometers. Maar de weggetjes winden uitvoerig door de rotsen, tusschen dalen, hellingen. Wij moeten gaan zeer voorzichtig. Glijden de paardpooten glad ijzer uit over harde rotsen. Zoeken de pooten voorzichtig naar plekjes aarde, waar zij steviger staan. In de middeleeuwen moet Naälin een ongenaakbaar diefnest zijn geweest. Maar er zijn geen middeleeuwen meer. En geen ongenaakbare nesten. Men zou nu Naälin slaan vanuit de zee. Of bommen werpen van uit de lucht. Wat denken de anderen? Ik kan het niet vragen aan de drie zonen en aan den neef, omdat zulke dwaze vragen niet in Arabische leerboekjes voorkomen. Maar ik kan het Adil vragen. En zijn antwoord: "Aan Allah."

En nog het stijgen en wenden. Hoe lijkt Naälin dichtbij. De ezeltjes glijden niet uit. Maar 't paard is al tweemaal uitgegleden, met de achterpooten tegen de voorpooten aan. Dan weer rechtop. Adil zegt: "Stijg af. En neem den ezel." Maar ik wil liever doodvallen dan mij vernederen.

Het laatste deel is vlakke weg. De ezeltjes in draf. Het felle paard in draf. Laat middag draven we binnen. En het kleine paard draaft achteraan.

XV.

Er is een school in Naälin. En er zijn jongens die schrijven kunnen en lezen. Voor de school is een pleintje met een gemetselden wal daar omheen. Op het pleintje twee stoelen. Daarop wij. En op het walletje zitten alle notabelen van het dorp. Al de andere zonen van Aboe Fares komen voor den dag. De kleinste kan nog niet loopen. En ze zijn van allen leeftijd en van alle kleur. Allemaal heel schuw en heel aardig. Ze brengen ons koffie. En Aboe Fares heeft Sakhib, gezegd Aboe Mohammed, een deel van de acht kilo's bonbons medegegeven. Eerst heeft Sakhib op het walletje naast mijn stoel gezeten. Maar hij heeft die eereplaats later afgestaan aan een oom, een broer zijns vaders. Daarnaast de Imam, en daarnaast de Meester. Zij allen prijzen Aboe Fares' wijsheid. Vroeger waren er vele twisten tusschen de vele dorpen. Maar nu Aboe Fares de sjech van allen is, zijn er geene twisten meer. Hij is wijs en zij eeren hem allen. Ook vreezen zij hem. De broer naast mij is ook een aanzienlijk man. Aboe Fares eert hem. Telkens, wanneer er bij Aboe Fares weer een kind geboren werd, is hij bij hem gekomen om een naam. Wel een bewijs, hoezeer hij hem eert.

XVI.

Maar nu moeten wij terug gaan rijden. De schemering is begonnen over de bergen en in de diepe dalen. Ver in het Westen, waar de Zee van Jaffa is, verzinkt de zonnebol groot en vurig. Twee zonen en de neef met de zaag blijven te Naälin. Sakhib zal met ons naar Dar Salameh rijden. O, de wondere tijd. Er zijn geen zonneschaduwen meer. En de maneschaduwen nog niet begonnen. Alles één groote teederheid. De herders met de kudden schapen en geiten. Herdersjongetjes dragen geitjes, die zoo even geboren zijn in het veld. Maar verder weg van het dorp is niemand meer. De hemel ongestoord blauw. De zilvermaan. En al de gezaaide sterren. En de stilte tusschen de verlaten bergen. Later de zwartgouden maneschaduwen. Wij spreken niet. Ik ben moe. Heerlijk moe. Het goede, groote paard weet den weg. En het stapt vroom en voorzichtig over het pad, verloren tusschen de steenen. En altijd de liefde van het kleine paardje. Soms, als het achterblijft, roepen wij: "Taäl, Taäl." En dan komt het aangeslagen. God heeft ons wel lief vandaag. Ik glimlach om de woorden van Adil. En in glimlach van alles rijden wij verder. Hoog en ver op zijn heuvel bouwt Dar Salameh. Wij zien de huislichten. Wij zien lichtjes gaan. Maar 't is nog heel ver. Waar wij rijden langs zwarte tenten slaan de waaksche honden aan. Men brengt lichtjes buiten. Wie rijden er laat langs de bergwegen naar huis?

XVII.

Adil zucht. Is hij moe? Neen, maar hij heeft honger. Gelukkig, dat wij thuis zijn. En het binnenkomen. De maan schijnt en schaduwt door de bogen en de gebouwen. De herder is met de schapen binnengekomen. Ze woelen op den hof dooreen. Wit en wol in den maneschijn.

Maar Adil heeft honger. Gelukkig heeft de kok uit Jaffa gezorgd. Er is een schotel gevulde koolbladeren met vleesch. Haché met gestoofde aardappels. Kip met rijst en Spaansche peper. Lamsbout met snijboonen. En een groote visch, die vanmiddag expres uit Jaffa gebracht werd. Dan, koekjes, velerlei vruchten. Koffie en thee. Morgen is Adil ziek. En de armen zullen nog wel vele dagen voor ons bidden.

Wij blijven natuurlijk logeeren. In den salon. Ik krijg het ledikant. Voor Adil een goed bed op den grond. En daarnaast de gastheer. Dat behoort hier zoo. De gasten en de gastheer slapen samen. Hij moet zorgen, dat er met de gasten geen kwaad gebeurt. Van de verre vlakten schijnt de maan in de kamer. Over de Turksche tapijten spint tapijt van licht en schaduw.

En, vraagt ge nu wellicht: "wat is nu het laatste geweest, dat ge dien avond met uwen vriend hebt besproken? Zeker iets heel poëtisch?" Neen, lieve vrienden, niet iets heel poëtisch. Adil Effendi vraagt mij, hoeveel baksjisj wij morgen zullen geven. Heeft Aboe Fares ons niet kostelijk ontvangen? Heeft hij ons niet de rijdieren gestuurd? Zeker zal hij ons morgenochtend, vóór wij weggaan, nog vele lekkere dingen te eten geven. Wij moeten elk van de huisbedienden een half pond baksjisj geven. Zeker zal men ons dan achten. Den sjech zelven kunnen wij geen geld geven. Maar hij wil gaarne onze portretten hebben en een visitekaartje. En Sakhib, die ons uit Ramleh heeft gehaald, zal ons zeker nog meer achten dan hij reeds doet, wanneer wij hem een mooie lantaren ten geschenke geven. Ik zeg, dat wij moeten doen, zooals het behoort. Zooals Adil het heeft gezegd, zóó is het goed. En dan gaat hij slapen, gelukkig in het vooruitzicht van alle achting, die hem morgen ongetwijfeld zal ten deel vallen.

XVIII.

Het vroege wakker worden in den morgen. De koelte. En de hitte, die stijgt. De vogels en de zon. Al het bonte leven in huis en hof van den eerwaarden sjech, die misschien wel het Bed der Dieven, Yatack-il-Kharamiyeh is. Maar wie zal 't zeker weten? Er wordt zoo veel gelasterd. Moge Allah, die groot is, alle lasteraars straffen en alle dieven.

En het ontbijt op het platte dak met den wijden, vrijen blik. Voor het laatst heeft nu de kok zijn best gedaan. En voor het laatst vraagt Adil of hij een zoo machtigen sjech mag beleedigen door niet veel te eten van de vele goede zaken, die ons worden voorgezet? Geven de baksjisj. En rijden af. Ditmaal met een knecht, die loopt en straks de paarden terugbrengen zal. Dus rijden wij langzaam over het heerlijke land. Een anderen weg dan dien wij kwamen. Langs de Joodsche kolonie. Ben Shemen. Alleen mooie dingen. Hebreeuwsch spreken van een prachtig Arabisch paard af met een Joodschen boer en boerin, die samen ploegen voor het wintergraan. De bewaarschooljuffrouw met haar Joodsche jongetjes en meisjes buiten tegenkomen. En ze mogen allen spelen met het lichtbruine paardeveulentje, dat een blauw snoer om het ranke halsje draagt. Tegen het Booze Oog. Een Joodsche smid. Alles Joodsch leven.

En dan komen in het stationnetje te Ludd. En daar Jabotinsky vinden, die naar Jeruzalem rijdt. En de trein naar El Kuds, gezegd Jeruzalem, die vandaag op tijd is. Ongehoord.


WIJ VASTEN.

O, dat Jeruzalem het hart is van het Jodendom, wij merken het hier, dag aan dag, wanneer dag aan dag de berichten komen van de meest schrikkelijke pogroms in Polen. Ook gij, mijne Joodsche vrienden in Holland en in Amsterdam, zult zwaar geslagen zijn door deze berichten. En wij allen in Jeruzalem houden ons overtuigd van de deelneming van vele vrienden, van vele volken, nu zonder noodzaak de beste lievelingen van het Joodsche Volk door de Polen worden geslacht. Maar hier te Jeruzalem. Vele vrome Joden zijn afkomstig uit de streken van Polen, waar de doodsbeul thans rondgaat. En zich koelt aan de kinderen van Gods vrome leerscholen, die machteloos zijn. En des avonds, bij het avondgebed, gaat er een groot geween langs den Klaagmuur. Zij weenen hier om de vermoorde kinderen van Gods vrome leerscholen. Zij weenen, omdat de vrede het Joodsche Volk geen vrede brengen zal. Jeruzalem, Jeruzalem, waar stijgen de smeekgebeden en de klaaggebeden vromer op? En weenend gedenken wij de schrikkelijke middaggebeden van den Grooten Verzoendag. De Joodsche martelaren hebben de wreedheden der Romeinsche beulen geleden. Twintig eeuwen. Eén ademtocht der Eeuwigheid. De Joodsche kinderen van de vrome leerscholen afgeslacht. Twintig eeuwen. Eén ademtocht. Amalek. Amalek, dat de Joodsche kinderen en de Joodsche vrouwen aanviel, toen het Heilige Land in het verblijd gezicht kwam. Wij zullen noch Polen, noch Palestina vergeten.

Er is een wanhoop over Jeruzalem. O, het zonnige bonte leven gaat. Hassan, Mohammed, Ibrâhîm, Dzjumma: al de Arabische kinderen, die hun rolletje afspelen in mijn leven hier. Maar ik geniet het niet. Hart en ingewanden beven om de verslagenen mijns Volks. En de vrome groote Rabbijnen van Jeruzalem hebben het laten aanplakken in hun machtig Hebreeuwsch: dat alle feestelijkheden streng verboden zijn. Geen muziek. Geen dans. Niets, niets. Rouw en ootmoed. Opdat God zich erbarme en de slagen afwende van Zijn Volk.

Iederen dag komen de berichten wreeder. Het hangt zwaar boven Jeruzalem. Als een belegerde stad. Als een stad, waarin de pest rondgaat. Neen, men behoeft ons niet te vragen geen feest te vieren. Wij zijn geslagen. Want de vermoorde lievelingen van Gods vrome leerscholen, dat zijn de kinderen, waarop wij gehoopt hebben voor den opbouw van het Joodsche Volk in het Joodsche Land.

En de vrome, groote Rabbijnen van Jeruzalem laten het aanplakken in hun machtig Hebreeuwsch, dat wij zullen vasten ter treure om de verslagenen van ons Volk. Overal om de aanplakbiljetten staan de vrome mannen, met de mooie scherpzinnige gezichten, zij lezen. En wij zijn verslagen. Als in een hopeloos belegerde stad.

De Dag. De morgen is heet. En niet het heerlijke, tintelende, koele ochtendbad. Men onthoudt zich van alles, wat genot geeft. En niet het bonbon-geurende mondwater. Ik wil wat lezen. Ik wil wat schrijven. Maar ik kan het niet. De hitte staat. Wreed. O, mijn hoofd is zoo zwaar. De kinderen in Polen, die vermoord zijn. En de mannen. De Moeders. De meisjes. Wreede visioenen branden. De lijken verminkt. Maar als ik goed zie, zijn het rozen. Witte en roode rozen. Geen menschelijke wereldmacht schijnt sterk genoeg te zijn om te beletten, dat de Polen de Joden vermoorden. En ons Land, ons eigen Land, zal het in staat zijn de verdrevenen van ons Volk op te nemen. R. Chaïm Sonnefeld, de groote, de vrome, heeft ons getroost: "Het Land zal plaats geven voor allen... wij zullen nooit behoeven te klagen: deze plaats is te nauw om er te wonen." Maar ik klaag het weer uit: "Waarom de pogroms... waarom worden Gods lievelingen als beesten geslacht?" Hij troost mij, de groote, de vrome, zooals een wijze man een dommen jongen troost.

De hitte. Mijn mond brandt. Ik vraag: "waarom drink ik niet." Omdat de Polen de lievelingen van mijn Volk hebben vermoord. Amalek. De honger scharrelt in mijn keel. Waarom eet ik niet? Omdat de Polen de lievelingen van mijn Volk hebben vermoord, Amalek. De visioenen. Bloed of rozen. Mijn hoofd duizelt. De wereld duizelt. En allemaal vogels fluiten. Mijn bloed fluit. O, de verslagenen van ons Volk. Zal ik uitgaan? De dag is zoo zwaar. De dag is zoo lang. Maar hij moet zwaar zijn en hij moet lang zijn. Wij rouwen om de verslagenen. O, wij zullen noch Polen noch Jeruzalem vergeten!

Het is half twee. De heete dag. De lange dag. De wreede dag. Om twee uur zullen wij bij den Klaagmuur komen voor de gebeden. Ik ontmoet dr. Keller op den weg, den Amerikaanschen Mizrachist. Natuurlijk vast hij ook. Wij vragen elkander niet, waar wij heen gaan. Wij gaan naar den Klaagmuur. De Joodsche winkels in de Jaffastraat zijn gesloten. De Moeder rouwt om hare kinderen. En de vraag hamert door mijn hoofd: "Zal er waarlijk in het huis van Moeder plaats zijn voor alle kinderen, de hongerende, de opgedrevenen?"

De Klaagmuur. Het staat er vol tusschen den Muur en den muur van de overzijde. Zelfs op het platte dak tegenover den Muur zitten de genooten. De middag davert heet. Van verre het geluid van de Stad. De gebeden worden aangeheven. De Klaagbeden en Smeekbeden. De bazuin wordt geblazen. Geweldig. Zooals de Bazuin geblazen wordt op de Groote Dagen, Nieuwjaarsfeest en Grooten Verzoendag. En tusschen de Gebeden om Vergiffenis schreit het gebed: "O, God, Koning, die zit op den Troon der Barmhartigheid." En luid weenen de woorden "God, o, God, die Barmhartig en Genadig zijt." De kinderen van de vrome Joodsche leerscholen van Jeruzalem zijn gekomen. Zij weenen met luide, schreiende stem. De oude mannen weenen. De sterke gestalte van Doctor Keller siddert. De Bazuin schreit. En de hitte. Ongenadig. Rabbi Ben-Zion Adler spreekt de rede uit. Troost. Berusting. Vermaning. Hij spreekt geweldig. Luide schreien de vrome kinderen van de leerscholen van Jeruzalem, wanneer hij Gods genade afsmeekt voor de machteloos vermoorden van het Joodsche Volk. Wij zijn moede tot den dood, staande in de samengepakte menigte. Wij staan hier al twee lange, wreede uren.

Er is een heilige Wetsrol gebracht. En de Afdeeling der Vastendagen wordt gelezen, waarin Mozes de genade van God afsmeekt voor het Volk. Het is geheel stil. De wind ruischt. De stem van den Voorlezer gaat. Een heel oude Man leest de Haftarah: Jesajah 55 vers 6 tot 56 vers 8, zooals die alle vastendagen gelezen wordt. Het begin met de milde vermaning: "Zoekt God, die altijd is te vinden. Roept hem aan, die steeds nabij is. De boosaard verlate zijnen weg, en de zondaar laat zijne gedachten. Hij keere tot God, die Zich zal erbarmen, en tot den Eeuwige, die veel zal vergeven." En de zachte troostwoorden aan het eind: "Zoo spreekt God, die de verdrevenen van Israël verzamelt: "bij de verzamelden zal ik nog nieuwe voegen"."

Wij zijn allen moede in de heete menigte. Maar de stem van den ouden Man, die de Haftarah leest, gaat als een zachte wind van troost over de hoofden en over de harden. De late middagwind is doorgebroken. Er komt beweging in de milde lucht. De wreede dag doet ons genade.

Heel aan het eind van den Klaagmuur, ver van den voorzanger af, ga ik zitten op de stoep van het huis van Hassan. Ik ben zoo moede. Een lange dag. Een wreede dag. De kleine Hassan komt ook buiten. Hij kan nu niet spelen op de straat naast den Klaagmuur met den kleinen manken Mohammed, zijn vriendje. Het is er zoo vol. Niemand kan zich bewegen. Hassan zou misschien wel graag naar den Bazar willen gaan. Maar hij kan er niet door. Zijn bloote pootjes heel ernstig onder het japonnetje uit, peinzend. En zijn gazellenoogjes in het smalle smoeltje. Neen, hij vraagt geen baksjisj vandaag. Hoe vele Joden! Hoe vele Joden! En hun bazuin. En hun weenen. Zijn oogen in het smalle gezichtje peinzen. Wonderlijk, met welk een lief gemak de Polen de Joodsche kinderen vermoorden, die zoo mild en klein als Hassan zijn. En de machtige wereld laat de Polen maar stil hunne moordgangen gaan. Is een lief en vroom kinderleven dan zóó weinig waard?

De avond daalt. De menigte bij den Muur is nu wat losser geworden. Er is tenminste nu weer doorkomen aan, al moet het heel langzaam en voorzichtig aan. Ik kan niet meer blijven. Ik ben zoo moe. O, de verslagenen, de lieve, vrome verslagenen mijns Volks. Doctor Keller blijft nog, sterk en standvastig.

De avond schemert reeds wat in de nauwe straatjes bij den Muur. En in den Bazar. Voor mij uit gaat de heer Goldsmit met het jongens-weeshuis. Ook de vrome joodsche jongens van het weeshuis zijn ten gebede opgegaan voor de vermoorden. Velen hunner zijn zelf heele of halve weezen geworden door de Russische pogroms. En toen door liefdadige vereenigingen hierheen gebracht. Ook de meisjes van het meisjes-weeshuis hebben gevast tot den middag. Een geheelen dag vasten is in dit heete weer wel al te zwaar.

De schemering. De teedere schemering. De honger en de dorst zijn niet erg meer. Vanuit mijn kamer. Het veld met de boomen en met de heuvelen. De herders, die naar huis gaan. Het is alles zoo mooi en zoo teer. Ongelooflijk, dat wij vandaag hebben gevast, omdat de Polen onze mannen uitmoorden, onze moeders en onze kinderen. Aan de teeder-blauwe lucht bloeien de sterren. Ik zie: een, twee, drie. De zware vastendag is voorbij.


WIJ KOOPEN EEN EZELTJE.

Het water in den regenbak van het weeshuis van mevrouw Zilversmit raakt op. Nu al! En dus wordt er in den familieraad besloten, dat wij een flink ezeltje zullen koopen.

Ik heb in het "Handelsblad" gelezen, dat er watergebrek is in Waterland. Daarvan kunnen wij hier ook meepraten. O, ieder huis heeft zijn regenbak. Cisterne zeggen wij hier heel plechtig. In Amsterdam begint men den huizenbouw met de heipalen. Hier met den regenbak. Het meisjesweeshuis heeft natuurlijk den zijne. En het heeft van den winter niet kwaad geregend. Maar tegen de zindelijkheid van mevrouw Zilversmit is geen Jeruzalemsche regenbak bestand. Ja, wanneer zij er toe kon besluiten de meisjes en de vaten alleen maar af te stoffen of droog af te doen, dan zou het wel gaan. Maar dat is nu juist iets, waartoe zij niet besluiten kan. Andere weeshuizen komen wel met het water toe.

Ieder jaar watergebrek. Dan moet water gekocht worden. Bijvoorbeeld van de buren, de Abessinische monniken. Zij stoffen zich droog af. Meer niet. Omdat ze toch zwart zijn. En zij komen dus ruim met hun water toe. Bovendien hebben zij een groote dakoppervlakte en vele cisternen, groot en klein, overal in hun terrein verscholen. Maar dan moet 't water met petroleumblikken in het weeshuis worden gebracht. Dat loopt in de honderden guldens jaarlijks.

Maar hebben wij dan geen waterleiding, vraagt ge wellicht? Ge hebt toch in de couranten meermalen gelezen over de waterleiding van Jeruzalem. Ja, dat is ook wel zoo. We hebben een waterleiding, door de Engelschen aangelegd. Booze menschen spotten en zeggen: de Engelschen hebben ons water gebracht en de Zionisten alleen maar steenen. Namelijk, van de Universiteit. Maar onze waterleiding is altijd nog slechts eene betrekkelijke waterleiding. Zij brengt het water niet in de huizen. Er zijn kranen op straat, waar men tappen kan. Verleden jaar is de Regeering het Weeshuis goed gezind geweest. En heeft den regenbak gevuld. Dat gaat dan zóó: een hulpbuis wordt over de straat gelegd, van af de hoofdbuis, en weder weggenomen als de bak vol is. Maar dat kost óók geld. En de dichtstbijzijnde waterkraan is nog tamelijk ver. Af en toe laten de waterdragers u in den steek. En dan is het: droog afdoen. Hebben wij dan Challad niet, den braven Arabier? Ja zeker hebben wij Challad. Maar die kan al dat water niet dragen.

En, nu ziet ge meteen het causale verband tusschen een leegen regenbak en een ezel. Want wij zullen het watervervoer in eigen beheer nemen. Er zal een ezeltje worden gekocht, waarmede Challad water zal gaan halen uit Mea Scheariem. Als de regentijd komt, zal het ezeltje weder worden verkocht. Het zal mogen wonen in den tuin achter het huis. En volle vrijheid genieten, behoudens de beperkingen van een boom en een touw. Veertig meisjes maken zich juichend gereed om het ezeltje des huizes te verwennen. Zeker zal het een welgedaan ezeltje worden. En het zal met winst worden verkocht. De winst voor Challad. En wij zullen volop water hebben. Zooveel als de Hollandsche zindelijkheid maar vereischt.

Vrijdagochtend zullen wij het ezeltje gaan koopen, op de ezeltjesmarkt, buiten de Jaffapoort, voorbij de buurt Jemien Mosché. Wie zullen gaan? Mevrouw Zilversmit zal niet gaan. Zij is wel de directrice. En haar man heeft zijn eigen werk. Maar zij houdt niet van optreden naar buiten. Haar heele leven gaat op in haar kinderen. Als er dus iets te doen is met plaatselijke autoriteiten, de Zionistische commissie bijvoorbeeld of de ezeltjes, dan neemt haar man dat waar. Hij zal dus gaan. En ik zal hem vergezellen.

Maar dat is nog niet veilig genoeg. Want wij zijn beiden wel heel lang bij het onderwijs werkzaam geweest: lager, middelbaar en hooger, maar van deze ezeltjes hebben wij toch nog geen verstand. Maar Challad! Zijn brutale, bruine snuit weifelt geen oogenblik: ja, hij heeft verstand van ezels. Veel verstand. Hij kan aan de tanden zien, hoe oud ze zijn. En aan het geheele gezicht, of ze lui zijn, of dom. Ook kan hij voelen, of zij aderspatten hebben. Hij zal dus medegaan. Ook moet hij immers straks het ezeltje naar huis brengen.

Toch durven wij in deze aangelegenheid niet op Challad vertrouwen. Maar Mohammed, de Arabier van het jongensweeshuis van den heer Goldsmit, die heeft eerst recht verstand van ezels. Ofschoon Vrijdag nu wel een heel lastige dag is, wil de heer Goldsmit ons zijn Mohammed wel leenen. Bovendien heeft Mohammed een bloedverwant, Ibrâhîm. En die heeft eerst het superieure verstand van ezeltjes. En hij weet ook precies den prijs. Ook Ibrâhîm zal dus medegaan.

Ibrâhîm zal Mohammed komen halen. Met hun tweeën komen zij den heer Zilversmit en Challad halen. Met hun vieren zullen ze mij komen halen, omdat het Herzlhuis op den weg naar de ezeltjes-markt is.

Ik wil wel bekennen, dat ik dien nacht weinig heb geslapen. En ik was op vóór de koele morgenschemering heet en licht begon te worden. Precies half zeven geklopt. De dag was toen al heet. Wit. Straten stoffig en droog. Huizen streng in de zeer heete sfeer. Het bonte leven door, bij de Jaffapoort. De buurt langs Jemien Mosché. Een Joodsche buurt. De naam beteekent: Rechterhand van Mozes. De stichter: Mozes Montefiore.

Het is heel heet. Geen markt. Geen ezeltje. Ik zucht: ma fisch. En dat beteekent: "niets". Fi, fi, roept de ijverige Challad. En wij zijn er. De Markt. Ezelen, kameelen, paarden en geiten. Een diepe dalkom, wijd en ruim. Hooge wallen overal rondom. Wij staan in de diepte. Van de Stad niets te zien dan de muren, grauw gekanteeld. En de toren, wit-wit op felblauw-blauw van de Kerk op den Zionsheuvel. Door de hooge wallen breken de wegen van alle kanten in. Breken naar alle kanten uit. Zij gaan. Zij komen. Mannen met kameelen, paarden, ezels of geiten te koop. Vrouwen met versche vruchten, versch water, fruit. De limonadekoopman, zijn watervaas gekapt met bonte bloemen. Het woelt dooreen. Zij, die de wijde Bedouïen-gewaden dragen met de fijne hoofddoeken. En de Europeesche kleederen, maar met de fez. Wit. Zwart en bont. Tegen de balkons en wallen zitten ze. Op rotsblokken. Op steenranden. Van beneden af tot boven toe, in lagen. Zij kijken. Zij droomen. Ezeltjes draven op proef. Paarden draven op proef. Zware kameelen trappen plat, schipschommelend. Het fijne zand stuift wreed. En de zon drijft haar licht daar doorheen, gesluierd. Wij dwalen naar den ezeltjes-hoek. Er zijn er vele. Wij beginnen met een grooten grauwe. Challad springt er dadelijk op. Rent, schandelijk buiten de regie, over het tooneel. Zand stuift. "Een goede ezel," zegt hij prijzend. Maar Mohammed is een ernstig man. Hoe kan Challad nu zóó lichtvaardig een ezel prijzen? Heeft hij de tanden al gezien, om te weten, hoe oud hij is? Heeft hij de pooten al bevoeld naar spataderen? Mohammed doet dat. En hij is het met Challad eens: het is een goede ezel. Wij vragen den prijs. Zeventien pond. Dat valt ons tegen. Wel is zeventien pond hier volstrekt niet zeventien, maar bijvoorbeeld tien, elf of twaalf. Doch het budget laat ook dat niet toe. Hoogstens zes of zeven pond. Daarvoor had men vroeger een prachtezel. Wij wenden ons dus tot andere ezeltjes. O, wij zullen wel een goeden ezel vinden. Aan raadgevers ontbreekt het ons niet. Koopen wij den ezel dien zij ons aanraden, dan zullen zij ons natuurlijk een baksjisj vragen. En wij zullen hun natuurlijk een baksjisj geven. Er zijn twee prachtige, slanke Sephardische Joodsche jongens. Ze hebben hemel en hel in hunne oogen. En ze zijn heel lui. Zwaarder werk dan scharrelen op de markt en daar raad geven, doen ze liever niet. De één zegt, dat we op moeten passen met Challed. En de ander beweert, dat Mohammed een ezel in het kiezen van ezeltjes is. En er is een schuwleelijke Arabier, die beweert ezelendokter te zijn en die ons verzekert, dat hij wel een goeden ezel voor ons koopen kan.

Ook de Duivel is gekomen. Een oud mannetje, steunt als een heks op zijn stok. Hij spreekt Duitsch. Het is smoorheet om hem heen. Het spookt. Wij stikken in het licht. Ik grijp naar mijn hoofd, duizelig in de hitte. Wat gebeurt hier? De wereld wankelt. Een Arabische vrouw ziet, dat de wereld wankelt. Zij geeft mij water. Het is voorbij. Wij zijn nu met ons tienen bezig. Zullen wij slagen? O, dit is weer een heel mooi ezeltje. En de wereld is ook op adem gekomen. Zullen wij dit ezeltje koopen? Neen, wij zullen dit ezeltje niet koopen. Want Mohammed, de wetende Mohammed verzekert ons, dat dit ezeltje aderspatten heeft. Ook Ibrâhîm zegt het. En de ezelendokter zegt het. Eén van de prachtige Sephardische jongens zegt wel, dat het niet waar is. Maar wij zijn bang. De eigenaar is heel boos. Dit ezeltje is in zijn stal geboren. Het is een zoon van zijn eigen ezelin. Dus om zoo te zeggen familie. Mogen wij aderspatten werpen op den naam van zijn ezeltje? Allah weet, dat het ezeltje geen aderspatten heeft. Ja, maar wij weten het niet. En dus zullen wij dit ezeltje niet koopen.

Het is al negen uur. De licht-witte-lichte dag ongenadig. Het stof. De zon. De hitte. Het duizelingwekkende woelen. Zullen wij waarlijk zonder ezeltje thuiskomen, ezels, die wij zijn? Maar neen. Dit is nu nog een heel mooi beestje. Een bruinrood ezeltje, met een kruis over rug en schouders. Iedereen prijst het: Mohammed, Ibrâhîm, de dokter, de twee Sephardische luilakken, en de eigenaar. Hij vraagt acht pond. Dat is vijf of zes. Dit ezeltje zullen wij koopen. Maar wij hebben buiten Challad gerekend. Er is iets uitgebroeid in Challads duisteren kop. Water dragen zonder ezeltje is zeker zwaarder dan water dragen met een ezeltje. Maar heelemaal geen water dragen, dat is eerst een goed werk. En als de heer Zilversmit niet slaagt in den aankoop van een ezeltje, zal hij den regenbak wel door de Engelschen laten vullen. Dus is Challad tegen het ezeltje. Hij gelooft zeker, dat het een lui ezeltje is, met een slecht karakter. En hij moet er mee werken. Wij spreken het ezeltje voor. Maar Challad houdt vol. Koppig. Hij durft het met dit ezeltje niet aan. Zoo een gewichtig werk. Het is een lui, slecht ezeltje. Allah kan daar zijn zegen niet op geven. En omdat Challad stroef-koppig niet wil, daarom gaat het niet. Want als Allah geen zegen op dit arme ezeltje geeft, en als het lui is en slecht, dan zou het misschien op een dag een poot breken of overreden worden. O, heelemaal niet door de schuld van Challad. Maar omdat Allah zijn zegen niet heeft gegeven, en omdat het ezeltje lui en slecht is.

En dan gaan wij naar huis. Doodmoe, geslagen door de open, genadelooze, brandhitte. Het is tien uur. Welk een teleurstelling voor de veertig meisjes, die zich zóó op een ezeltje des huizes hadden verheugd. En ik zeg het heel boos tegen Challad: "En toch was het een heel goed ezeltje." En hij, met dat tong-keelgeluid van alle Arabieren: "Ma fisch! Het was geen goed ezeltje en Allah zou zijn zegen er niet op hebben gegeven."


IN DEZELFDE REEKS VERSCHEEN:

IS. QUERIDODe Jeugd van Beethoven.
CAREL SCHARTENDe bloedkoralen doekspeld.
M.J. BRUSSEIn 't verbouwereerde oude stadje.
JOHAN DE MEESTERGezin.
LOUIS COUPERUSLucrezia.
KAREL WASCHDialogen.
TOP NAEFFVriendin (2e druk)
TOP NAEFFCharlotte von Stein.
JO VAN AMMERS-KÜLLER,De Zaligmaker.
CARRY VAN BRUGGENEen Indisch Huwelijk.
GERARD VAN ECKERENDe late Dorst.
KEES VAN BRUGGENDe Freule.
EMMY VAN LOKHORSTPhil's laatste wil.
ANTOON THIRYPauwke's Loutering.
MARIE SCHMITZWeifeling.