Goede God, die altijd waakt.
Wil mij door Uw gunst bewaren,
Als het kwade mij genaakt.
Dan leg ik mijn hoofdje neer.
Doe mij niet angstvallig vreezen,
Want Gij zijt mij heil, o Heer!
In bewaring dezen nacht,
Opdat morgen bij 't ontwaken
U de lof zij toegebracht.
Amen.
Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed.
De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten overvloede uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord „angstvallig”, waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. „Doe mij niet alsvalik vreezen.” Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer, en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak voelden we.
Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden toegebracht? En wat dan wel?
Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes, tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm gaat met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het kind vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet wel, je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit kritiseeren, nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen, gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag, of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen.
Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen als 't leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke onjuistheden te voeden. Moedermelk—de mooie vergelijking is van Paulus—moedermelk is dezelfde spijs als volwassenen ontvangen, maar in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven.
Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit „Ot en Sien”.
„Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten is.”
Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't algemeen naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het:
Zy loert, zy loert, om in te vaeren.
Sluit d'oogen, vensters van het licht,
Indien ghy wilt uw hart bewaeren.
Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in 't zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje,
Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak?
En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak?
O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van?
Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe!
Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe.
Vondel zou zeggen: „Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht.” Wij zeggen: „Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!”
* * *
Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen en—in de benauwde bedstede—knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel. Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en in plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in gesmoord lachen.
Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden 't niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen. Zijn drift had het gewonnen op onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd aftrekken.
Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer, om onder die omstandigheden te bidden: „Neem mijn ouders in bewaring dezen nacht,” waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost en de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't gebed niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon we hem eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op, zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren.
Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe. We wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd. Toch was er iets onrustigs in ons: we hadden met het leven van Vader gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had weggenomen!
Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert in gevoelens, in neigingen—wat trouwens de volwassenen ook doen—en onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan redeneert men er geen opinie in—dan redeneert men er juist een opinie uit. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf.
De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde voor hem. Maar wel aan ons respekt.
We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden opgewekt, en—let wel—vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk, maar in ons hart.
Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede kussen.
Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de mogelijkheid niet, maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje in mijn leven bezet. Nooit heb ik de slaande hand gezegend. Nooit. Wel—de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand Gods—dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende gevolgen van ons kwaad.
Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde. En ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven—en alleen daarover kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk leven?—ik zeg, dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb gezocht naar de zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed. Maar die rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit kunnen erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar vooral niet minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs het plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren is eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten. Dit nu heb ik al heel vroeg gevoeld—en dat zal wel bij meer kinderen 't geval zijn—en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen, dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar voor zijn? Nooit.
Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan niet vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift. Je zag, dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die bengels hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer aardig tegen je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een je meester en de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun vader zoo veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de een toonde een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is alles. Maar dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door je hart gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee volkomen tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar zijn. Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart.
We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie met klappen kan opvoeden, kan 't ook zonder. En wie 't niet zonder klappen kan, kan 't ook niet met.
Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en—aan tijd.
NOG IN HUIS.
In de keuken sliepen we, speelden we, stoeiden we, hoorden we dreigende bombardementen boven ons hoofd, kregen we op ons kop van een driftig, vertoornd vader, en lagen we in alle stilte het vredig bedrijf van een oudere zuster te bespieden. In diezelfde keuken oefende ik me ook in mijn eersten handenarbeid en verdiepte ik mij in mijn eerste bibliotheek.
Mijn eerste handenarbeid was schoenenpoetsen. Wie onzer huidige jeugdige slöjdbeoefenaars wordt in dat practische werk ingeleid en er mee vertrouwd? Ik verzeker u, dat ik mij oefende in de bekende slöjddeugden van netheid en nauwkeurigheid, zonder dat iemand die mij als paedagogische gewichtigheden oplegde. 't Was louter liefhebberij.
Hebt ge wel eens schoenen gepoetst? Neen, ik bedoel niet: uw schoenen wel eens een enkel keertje glimmend gemaakt, maar den arbeid van 't schoenenpoetsen verricht. Elken Zaterdag stond een rijtje voor me gereed. De mannen en de groote jongens droegen toen laarzen, schoenen met vrij hooge schachten. Bottines kende men niet. Er waren rijgschoenen, knipschoenen, en laarzen, achtereenvolgens voor kinderen (en meisjes), jongens en mannen. De dames droegen „stoffen laarsjes” zonder hakken, die dus nooit gepoetst behoefden te worden.
Zoo'n rijtje schoenen en laarzen was een mooi gezicht.
Eerst zette ik ze netjes naast elkaar naar de grootte, de rijglaarsjes van mijn jongste zus aan 't eene eind, de kaplaarzen van vader of mijn oudsten broer aan 't andere eind. 'k Weet nog heel goed, dat ik genoot van zoo'n rij. Ik zag er ons heele huisgezin in. En dan eerst alle afborstelen, zoodat de modder verwijderd werd, daarna alle insmeren met schoensmeer uit een cylindervormig grijssteenen potje (doosjes schoensmeer waren er nog niet), en eindelijk stuk voor stuk uitborstelen. Nu kwam bij 't genot der orde ook nog 't genot van 't blinken. En als tenslotte de heele rij in dezelfde orde, maar nu glanzend, in de keuken prijkte, stond daar vóór mij een stuk schoonheid, waaraan de Vereeniging „Schoonheid en onderwijs” wellicht nog nooit heeft gedacht. Een stuk schoonheid, waarin drie schoonheidselementen leefden: orde, reinheid en glans.
Wie had mij voor die elementen de oogen, het hart geopend? Ik weet het niet. Misschien de sterrenhemel? Misschien waren ze ook in mij opgerezen zonder eenige opvoedkundige oorzaak. Als die schoonheidselementen niet in de menschheid waren, hoe zouden ze er dan ooit uit kunnen komen? Onlangs zag ik op een landweggetje een vijfjarig meisje uit een woonwagen, een kermiskar, spelen met steentjes en stukjes glas, die ze blijkbaar van den weg bijeen gezocht had. Ze legde haar schatten in mooie rijtjes—als ik mijn schoenen—en genoot daarvan. Wie had het haar geleerd? Als schoonheid en onderwijs 't haar maar niet verleeren. Ik bedoel: de lessen in schoonheid en alle overige onderwijzingen.
Wat deed ik mijn uiterste best, om het schoeisel tot in de puntjes mooi te krijgen! Niet alleen om ieder plekje van het bovenleer te doen glimmen, maar ook de hakken en ook de zoolranden, en ook—u gelooft het niet?—ook den bocht tusschen zool en hak! Dus een ondergedeelte, dat toch niet gezien werd en straks weer onmiddellijk vuil zou worden. Ik gaf de schoenen niet uit mijn handen, eer ze onberispelijk waren.
* * *
Er was nog een handenarbeid, waarin ik mij ijverig bekwaamde. Een groot gezin heeft dagelijks groote hoeveelheden aardappelen noodig, en die moeten alle stuk voor stuk geschild worden. Dat was natuurlijk meidenwerk, en, zoo er geen meid was, dan meisjeswerk. Natuurlijk? Waarom? Mag een jongen wel het mes hanteeren, om onnoodige doosjes te maken, en niet om noodige aardappelen te schillen? Ik voelde dat toentertijd niet zoo en schilde menigmaal een grooten bak vol aardappelen.
Meen weer niet, dat mij dit altijd verdroot. Ja, als 't mooi weer was en de andere jongens op straat speelden. Dan viel het mij wel eens hard. Maar overigens? Er was een eigenaardig genot in, aardappel na aardappel te schillen. Iedere aardappel was weer anders. Je had kleine en groote, ronde en lange. Net als oliekoeken. Ze waren niet uit één vorm gekomen, maar in vrijheid gegroeid, en ieder bracht zijn eigenaardigheden mee, precies als de kinderen. Hoe boeiend en afwisselend was het, met die eigenaardigheden rekening te houden. Je pakte ieder weer van een anderen kant aan.
En dan de kunst om dun te schillen. „Zal je ze dun schillen, Jan?”—„Ja Moe.”—En dit was geen ja moe, om me er af te maken, en ook niet om in Moeders oeconomie te komen, maar de instemming van een geest, die een probleem erkent en daarin iets aantrekkelijks voelt naderen. Met het kleine aardappelmesje, dat met door ervaring ontwikkelde beslistheid ergens—neen niet ergens, maar bij het rechte beginpunt, in den aardappel werd gezet, haalde ik de schil er zoo dun mogelijk af, terwijl de aardappel tusschen vingers en duim verstandig ronddraaide, zich richtend naar zijn bizonderen van de natuur meegekregen vorm. En dan werden de „pitten” er uit gehaald, de oogen. Er zijn vrouwen, die dat altijd slordig doen. Hoe is het mogelijk! Weet je nu iets leukers, dan om telkens met de punt van je mesje zoo'n zwart oog er uit te wippen? Je steekt de punt in den harden aardappel, wipt, en met een knapje vliegt hij er uit. Geen oog werd vergeten, ook niet het kleinste. Niet alleen, omdat het een schande was, als de aardappels 's middags van den schotel je „aankeken”, maar in de eerste plaats——omdat je ze niet kon laten zitten. Dan ware je werk niet af geweest.
Eén zonde bedreef ik nog wel eens onder 't aardappelschillen. Ik zette den emmer met water een eind van me af, en gooide dan iederen blanken knol, uit de verte, er in. Dat gaf een dubbel genot. Vooreerst moest je goed mikken, en dan hoorde je telkens zoo'n heerlijken plomp. Maar 't kwaad was, dat je den grond om den emmer heen aanhoudend bespatte. Enfin, die zonde vergaf Moeder me. „Jongen, wat spat je weer!” Maar dit klonk nooit als een verwijt of een verbod, maar steeds als een soort instemming met je plezier. Dat hooren de kinderen gauw genoeg.
In plaats van oefeningen in karton en klei bestond mijn handenarbeid dus in oefeningen met leer en knollen. Het mes en de borstels leerde ik daarbij hanteeren. Deugden van netheid en nauwkeurigheid werden in mij ontwikkeld. Vraag het maar aan de schoenzolen en de aardappelpitten. Maar weet je, wat nu hard is? Terwijl ik die kunsten nu nog volkomen meester ben, ja nu nog, kan ik er geen examen in doen. Ik moet bepaald karton kunnen snijden en geen aardappel schillen. En zoo beteeken ik als handenarbeider niets en zijn de anderen autoriteiten. Ook krijg ik er geen extra geld voor. Je hebt geen schoenen- en aardappeldiploma's. De heeren op het stadhuis geven niet om glimmende laarzen en kruimige aardappelen. Die zijn dol op kartonnen doosjes en aardappelen, nagebootst in klei. Daar gaat hun hart en hun beurs bij open. Daarvoor geven ze ƒ50 per jaar meer. Wat zou mijn moeder er van zeggen? „Wees jij maar tevreden, jongen. Jij hebt je Moeder geholpen.”
* * *
Ik zou nog van anderen handenarbeid kunnen vertellen, maar 't is zoo genoeg. Men heeft me wel begrepen: Ook in het schijnbaar eentonigste werk zit genot en leering. Mijn moeder vertelde ons vaak, dat zij als kind in de Klundertsche pastorie—Dominé van Spall had een heel groot gezin—de meiden hielp bij 't aardappelschillen, en dan legde ze de geschilde aardappelen netjes in rijen van zes op de rechtbank. En ze genoot nog, als ze er ons van vertelde.
In iederen arbeid, ook in den—schijnbaar!—eentonigsten, zit genot en leering. De kunst is echter, die er uit te halen. Het simpel aangroeien van het resultaat is al een vreugd. Maar de opvoeders zijn zoo dom, zoo vreeselijk dom. De doodeenvoudige, de vlak-voor-de-hand-liggende, de spotgoedkoope voortreffelijkheden zien ze niet. En ze halen met opoffering van geld de modedingen in, omdat die.... in de mode zijn. Zoo laten zelfs wijze menschen zich verblinden. En dan wordt die verblinding bewerkt door wat wetenschappelijk geleuter. 't Is altijd de oude geschiedenis. Hier vloeien de bronnen, maar men wendt zich van het levende water af, om zich te richten naar de „steenen bakken” van Jeremia, „die geen water geven”.
Een kind is toch met zoo weinig gelukkig!
Dit ondervond ik ook met mijn bibliotheek en mijn eigen kamertje.
Dit kamertje—doch wáár moest dit in huis te vinden zijn, daar we toch met ons vijven in de keuken sliepen en we dus niet eens een afzonderlijk slaapvertrek hadden?
't Was in diezelfde keuken en 't heette „het kokertje”. Nú pas, bijna een menschenleeftijd later, weet ik waaróm het zoo heette. 't Was een lichtkokertje, en natuurlijk een horizontaal, anders had ik er niet in kunnen kruipen en er een rustig plekje vinden.
Ge weet nog van den winkel, dat er achter de toonbank een trapje van vier treden naar de huiskamer leidde? Tusschen de treden van dit trapje was ruimte. Als je nu, achter de toonbank, op je hurken ging zitten, kon je tusschen die treden door kijken, en dan zag je een ruit vertikaal. Achter deze ruit was een kokertje, een lichtkokertje voor de keuken, en dat was mijn kamertje. Men kan begrijpen, hoe licht het er was. Het schemerlicht achter de toonbank, moest tusschen de schaduwende treden heen, eer het mijn kokertje bereikte. Toch viel er, een enkelen keer, wel eens een zonnestraal in. 't Is wonderlijk, in welke verborgen hoekjes zonnestralen al niet weten te komen.
De toegang tot mijn heiligdommetje was in de keuken. Ik moest daar eerst van den vloer op een kist klauteren en me in het kokertje werken. Maar zat ik er eenmaal, dan zat ik er zoo veilig. Niemand kwam er.
't Leek net een klein kamertje: vloer, zolder en drie wanden, waarvan een van glas. Ik denk, dat het ongeveer een meter breed en hoog was, en niet veel dieper. 't Had tenminste iets van een liggenden, hollen, vierzijdigen prisma, die den kubus naderde. Beknopter woon was moeilijk te denken. En toch heb ik daar zalige uren en heele middagen doorgebracht. Ja, zelfs heele dagen in de vacantie. Als Jan maar in zijn kokertje zat, was hij zeker stil. En als je hem in huis niet wist te vinden, had je maar, tusschen de treden van het huiskamertrapje, even tegen de ruit te tikken.
Het moet in mijn eigen hokje zeker vrij schemerig zijn geweest, vooral op regenachtige namiddagen, wanneer ik er bij voorkeur mijn toevlucht zocht. Maar daar weet ik niets meer van. 'k Weet alleen, dat ik er mij recht behagelijk voelde. 'k Had er al mijn schatten, netjes gerangschikt, evenals de schoenen en laarzen, en keek door de ruit naar de afgesneden stukken van de beenen van mijn vader, als deze achter de toonbank stond, of anders van den winkelknecht. 't Was een misfortuin als moeder of zuster in den winkel hielpen, want die wierpen, door haar rokken, breede wolkschaduwen in mijn toch al donker verblijf. Maar 't was daarentegen een voordeel, als, op een zonnigen zomerdag, de winkel lang leeg bleef. Dan reisde er, gedurende eenigen tijd, als de zon wat hoog stond, wel eens een heele lichtbundel mijn kokertje rond, waarin de stofjes zoo rustig vroolijk krioelden. En als er dan in de bovenkamer gemurmureerd werd over het wegblijven der koopers, zat daar beneden iemand, zonder zich daarvan rekenschap te geven, in stilte heel erg te genieten door datzelfde wegblijven. Hij was gelukkig met zijn zonnegoud.
Kinderen en volwassenen hebben zoo vaak tegenstrijdige belangen.
* * *
En welke schatten waren het nu, die me zooveel genot bezorgden?
In de eerste plaats traktaatjes, die ik nooit las. Op de zondagsschool, trouw bezocht, deelde men geregeld traktaatjes uit, sommige zelfs van acht bladzijden, sommige van dof, andere van glanzend papier, sommige met en andere zonder een prentje, kleine en groote.
Die traktaatjes bevatten maar zelden verhaaltjes, meestal godsdienstige beschouwingen, en ik las ze dus nooit. Niemand las ze bij ons thuis. Maar ik sleepte ze dadelijk naar mijn kokertje en legde ze daar op een stapeltje, waartoe ze naar grootte, dikte, papiersoort of illustratie behoorden. Dan werden ze genummerd en ingeschreven in mijn catalogus. Sorteeren was mijn liefhebberij, een wetenschappelijke liefhebberij, gelijk men haar aan de hoogeschool en in het voddenpakhuis kan vinden. Sorteeren van planten en boeken heet echter hooger te staan dan sorteeren van vodden.
Wanneer er een bepaald getal traktaatjes op een stapeltje lag, werd dat met een draadje of lintje saamgebonden als dierbare brieven, die men ook niet meer leest, en bijgezet in het mausoleum dezer soort godsdienstigheid, dat ik mijn bibliotheek noemde. Gelijk mijn zusje met haar poppekleeren, solde ik met mijn geschriften. Ze werden in- en uitgepakt, opgenomen en neergelegd. Dat was het al. En zoo hebben die traktaatjes aan mijn opvoeding meegewerkt, zij het op andere wijze dan de vriendelijke uitdeelers bedoelden. Ze hebben me materiaal bezorgd, om mijn ordezin te ontwikkelen. Ze hebben me bezigheid geschonken en daarin een weldoende afleiding op donkere uren.
Meen niet, dat ik onverschillig was omtrent die drukwerken. Dat is een kind en een wilde immers nooit omtrent een nieuw stuk voornaamheid, dat hem vereerd wordt. Ik voelde me er zelfs rijk mee. Maar het was een rijkdom als van den gierigaard. 't Genot zat alleen in het hebben, niet in 't gebruiken.
Aan die traktaatjes is nog één herinnering verbonden. Men weet nog wel van den avond, toen de kleine spijbelaar toch naar het verjaarsfeestje mocht. Bij die gelegenheid moest hij een verjaarsgeschenk meebrengen, want op een verjaarpartij gaan, zonder een cadeau aan te bieden, dat was een onmogelijkheid. Hij had echter niets om aan te bieden. Toen, eer hij in zondagsgewaad de gracht opvloog, kroop hij eerst naar zijn kokertje. Kon Moeder geen geld missen om iets te koopen, dan moest hij maar iets van zijn eigen schatten opofferen. En hij nam het dikste pak tractaatjes uit zijn verzameling, om dat mee te nemen. Doch een snel oprijzend voorgevoel waarschuwde hem, in een seconde, dat dát toch eigenlijk te min was. Daarom nam hij nóg een pakje, en nóg een. Eindelijk de heele verzameling. En hiermee vloog hij naar het feest. 't Was voor hem een offer. Hij heeft echter nooit kunnen merken, dat het als zoodanig door den ander gewaardeerd werd. Voor dien ander zat ook niet het verzamelplezier er in. En zónder dat was het heele pak eenvoudig waardeloos.
Ik heb later wel eens in stilte gebloosd over het gekke figuur, dat ik op dit verjaarfeest maakte met dat cadeau. Wat moet de jarige, wat moeten zijn huisgenooten er wel van gedacht hebben. En de vraag is meermalen in me opgerezen, of het van mijn Moeder goed was, me dus naief er in te laten loopen. Had zij haar kind zoo aan de kritiek mogen prijsgeven, al hoorde hij die kritiek ook niet. Mijn verontschuldiging was—want gij weet het immers, ouders, hoe kinderen hun ouders beschuldigen en verontschuldigen?—mijn excuus voor haar was dan, dat ze zelf in allerlei zorg zat en op dit oogenblik zeker geen gelegenheid wist, om gauw iets te koopen. Maar toch.... gij ouders, die niet zulke excuses hebt, profiteert niet van de naiveteit uwer kinderen. Ze verwijten het u later. En terecht. Behandel de dieren met zachtheid en uw kind met ernst.
En nu denk ik ineens aan iets anders. Wellicht heeft die jarige Piet in zijn leven meermalen de geschiedenis verteld, hoe hij als jongen—nota bene als jongen!—voor zijn verjaardag een pak oude traktaatjes kreeg, en niet van een ouwen sok van een catechiseermeester, maar van een vrindje! Wie weet hoe dikwijls hij zich ten koste van mij heeft vermaakt! Misschien, terwijl ik dit schrijf, zit hij ergens in de wereld, midden in zijn gezin, en haalt de historie weer eens op ten pleziere zijner haast volwassen kinderen. En ze genieten met elkaar van mijn onnoozelheid, gierigheid, of wat het zij. Piet heeft zijn leven lang die zaak gezien onder zijn licht. En ik onder het mijne, dat zoo heel anders was.—Denk er aan, als gij over personen en feiten oordeelt. Gij ziet slechts uw zijde van de werkelijkheid.
* * *
Ik kan van mijn kokertje geen afscheid nemen, zonder een beminnelijke zonde van mijn vader te gedenken. Die driftige, goeie man had het zwak, moeilijk te kunnen weigeren. Daardoor kocht hij van gewetenlooze commissionairs in zijn onnoozelheid bedorven waar. Daardoor leverde hij aan gewetenlooze koopers zijn goederen tegen wanbetaling. En daardoor teekende hij in—ons ten voordeele, maar Moeders beurs en humeur ten nadeele—op alle boekwerken, die colporteurs hem aanpreekten. Ieder keer als de rekening kwam, was hij weer kwaad, vanwege het geld, en ieder keer als er een nieuw plaatwerk werd opgedrongen, bezweek hij weer: 't was ook maar een dubbeltje in de week.—Jammer, dat die afleveringen al spoedig rondzwierven. De eerste werden opengesneden en, zoo al niet gelezen, dan toch bekeken. De latere dreven vaak onopengesneden door de huiskamer, totdat eindelijk Moeders netheid ze bij een opruimwoede maar telkens in een kast stopte. „Die ellendige boeken! Eerst koop je ze, en dan lees je ze niet eens! En dan nog betalen!” Vader mopperde wat op die verwijten, maar de gegrondheid viel niet te loochenen. Dat beseften wij, kinderen, reeds.
Jammer van die afleveringen. En toch weer niet jammer. Want toen ik merkte, dat er in de huiskamer geen belangstelling en ook geen ruimte voor was, sleepte ik ze naar mijn kokertje, natuurlijk met Vaders goedvinden en tot Moeders dankbaarheid. En daar lag ik dan, vlak bij 't lichtraam, de donkere platen te bekijken uit het „Bijbelsch Magazijn voor alle standen” en de jachttafreelen uit „De Aarde en haar Volken”. Hoeveel stemming ik daaraan te danken heb, ik weet het niet. Ontwikkeling waarschijnlijk niet veel, want de lektuur was er altijd op ingericht, leesgierige menschen en kinderen af te schrikken. De kunst om lezers te lokken, verstaan de kroegbazen in 't vak beter dan de dominé's. Alleen de jachten in Afrika boeiden. Maar overigens niets. Ik herinner me heel goed, dat ik het telkens probeerde, maar telkens moest ik het weer opgeven. Toen heb ik ervaren, dat men een groot kwaad doet, met het vrome en leerzame ongenietbaar te maken. Niet slechts—neen, dat is nog niet het ergste—omdat men daardoor geen vat heeft met zijn brave pogingen, maar—en dit is fataal—omdat men daarmee afkeerig maakt van hetgeen ons juist aantrekken moest. Ga les nemen bij den duivel, als ge uw kinderen in den hemel wilt hebben.
Later—ik weet niet hoe—zijn al die afleveringen naar zolder verhuisd. Ik verdenk daar mijn goeie moeder van. Moeders hebben zoo'n genadeloozen slag, om allen onpraktischen rommel (gelijk boeken! wat héb je aan die vodden!) naar zolder te expediëeren. De zolder is rustig en ruim. Daar liggen ze niemand in den weg. En zoo heb ik, in later jaren, daar de schatten mijner jeugd weer ontdekt in een paar rozijnenkisten van ruw blank hout. Toen heb ik ze me opnieuw toegeëigend. En sedert hebben ze me niet meer verlaten. De Bijbelsche Magazijnen liet ik gaandeweg schieten. Die waren te saai. Daarvoor behelsden ze dan ook godsdienst. Maar de gele afleveringen van „De Aarde en hare Volken” liet ik tot boekdeelen inbinden—ondanks de verdwenen vellen—en die zeven boekdeelen zijn met me door 't leven gereisd. Héél vaak heb ik er in genoten. Mijn aardrijkskunde konden, dientengevolge, mijn latere lesoverhoorders me niet heelemaal vergallen. En toen in de Tullinghstraat de kinderen opgroeiden, zat Moeder menig, menig uur met ze te smullen in de plaatrijke boeken. De oude verworpelingen, zuchtend in een rozijnenkist op een kouden, stillen zolder, werden lievelingsprentenboeken voor Grootvaders kleinkinderen in de warme huiskamer.
Als Grootvader dát nu nog eens had kunnen bijwonen! Hoe zou hij getriumpheerd hebben op zijn mopperende vrouw! „Zie je nou, vrouw, dat ik nog zoo gek niet was?” En dan zou de vrouw, in wijsgeerige berusting gezegd hebben: „Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!”
Inderdaad, als we alles maar eens vooruit wisten! Op Vaders zondig zwak, om zonder geld te koopen, heeft—voor zoover ik zien kan—nog meer zegen gerust, dan op de toch inderdaad heel vrome traktaatjes.
Doch laat ik nu op 't laatste oogenblik geen nieuwe onbillijkheden begaan. „Voor-zoover-ik-zien-kan.” Beseffen we wel allen de kracht van die woorden? Wie weet, of ook zij den last hunner zending niet hebben vervuld? Op Gods tijd. En op Gods plaats.
„Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!”
* * *
Wellicht heeft, onder 't lezen door, menigeen medelijden gevoeld met het arme jongetje, dat zijn ontspanning moest zoeken in een benauwd hokje, spaarzaam verlicht, en bovendien onfrisch als verzamelhoek van allerlei keukendampen. Het spijt me wel voor de gevoeligheid, hem gewijd, maar—dit medelijden zou absoluut misplaatst en dus overbodig zijn. Dat jongetje voelde zich in zijn hokje zalig. Het was voor hem een toevluchtsoord. Wanneer het hem te druk, te roezemoezig, te onrustig werd in de wereld der volwassenen, trok hij zich terug in zijn eenzaam verblijf, en kon daar—ver van de menschen, vrij in zijn alleen-zijn—zoo volkómen genieten. En dan had hij toch niets, dan wat traktaatjes, wat afleveringen, een boek, of wat eenvoudig speelgoed.
Wil ik u eens iets heel sterks zeggen? Wanneer hij later in den bijbel las van „De Heer is mijn hoogvertrek”, dacht hij altijd aan zijn kokertje. Zóó veilig en vredig was het ook bij den Heer.
Ik geloof, dat het goed is, niet slechts voor grooten, maar ook voor kleinen, dat ze zoo'n retraite hebben, midden in hun eigen kring. En wat is het dan heerlijk, als de ziel, midden in de benauwdheid des levens, altijd zulk een toevlucht heeft. Ja, de psalmdichters wisten het wel.
Maar nu moet ik nog iets opmerken. Over 't algemeen is het medelijden met arme kinderen schromelijk overdreven. Natuurlijk, die kleinen moeten gevoed, gekleed, gewarmd, gehuisvest worden. Ach, dat spreekt immers vanzelf. Maar meen niet, dat ze zoo bar lijden onder wat kou en wat gebrek. En dit zeg ik niet uit meedoogenlooze hardheid, maar uit ervaring. 'k Heb zelf de armoede doorgemaakt, de fatsoenlijke armoede, waarbij er echter ook een aanzienlijk tekort was in de eerste levensbehoeften. Niet hier in den kruidenierswinkel, daar ging het nog wel, maar later. 'k Heb ook in koude nachten mij onder karpetten (oude wel te verstaan), rokken en jassen moeten warmen, omdat ik de wollen dekens naar de bank van leening had moeten brengen. En toen was ik al kweekeling. 'k Heb het armer gehad, dan menig kindje op mijn school, dat thans van schoolkleeding en schoolvoeding geniet. Ontbering is mijn jeugd niet vreemd geweest, en jaren achtereen. Maar—en hieromtrent ben ik volmaakt zeker—nooit heeft die ontbering mij zoo schromelijk gekweld. Daar kon ik me wonderwel in schikken. En ik herinner me zelfs niet, dat ze me ooit diep het gemoed heeft verstoord. Neen, mijn kinderellende kwam niet door gebrek aan eten, vuur en dekking, maar door gebrek aan liefde. Versta mij wel: ik meen niet, dat ik daarover te klagen had, en in huis wel het allerminst. Maar als ik in mijn kinderjaren echt leed heb gehad, was het altijd veroorzaakt door liefdeloosheid van onderwijzers, van wantrouwende volwassenen, van hartelooze jongens.
Ik leg hier zoo den nadruk op, omdat ik inderdaad geloof, dat—en niet alleen voor kinderen, ook voor volwassenen—de schrijnendste pijnen in het gemoed, en niet in de maag worden gevoeld, en dat men vooral kinderen veel meer verkwikken kan met in hen te komen, met begrijpend meeleven, met waarlijke welwillendheid, met mild vertrouwen, dan met de voorziening in stoffelijke behoeften.
Mijn kokertje. Hoe kan het getuigen van de geringe nooden der jeugd. Armelijker kan het wel niet. Twee kinderen konden er niet in zitten. Daarvoor was het te eng. Eén kind kon er zitten, als het zijn hoofd maar steeds gebogen hield, en anders moest het er half liggen. De wanden van het zeepvat en het vat met appelgelei, onder de toonbank, vormden het uitzicht tusschen de treden der trap. Wandelende broekspijpen donkerden het vale schemerlicht nu en dan tot halfduister. En toch, toch was ik er gelukkig. Toch was het mijn hoogvertrek. Toch zweefde er, voor mij, hemelvrede. Dat komt—de haat kon er niet komen, de hardheid het niet bereiken, de nijd het niet bezoeken. De vernielzieke menschheid, tuk op gemoedsverstoring, kon er de atmosfeer niet vergiftigen. En wat beteekenden, daarbij vergeleken, de benauwde keukenluchtjes?
Een kind heeft aan weinig genoeg, mits het in een zuivere gemoedssfeer mag ademen. En zoo kan het nooddruftige kind volkomen gelukkig zijn, ondanks een schrale voeding. En zoo kan het rijke kind, bij overdaad, bitter misdeeld zijn. Het eerste, wat een kind noodig heeft, is een zuivere dampkring voor zijn gemoed. Dat beetje eten komt wel. Maar hoe velen kunnen zulk een dampkring scheppen? Zalig dan de eenzaamheid van mijn kokertje.
* * *
Een laatste tocht naar het dak.
Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering. In de Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk blinden muur, waartegen we van een onzer balspelen konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist den weg naar den zolder, klom door 't dakraam, liep door de goot en haalde den verlorene. Dat deed ik altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen, maar omdat het me dan stellig geweigerd zou worden. Vader zou me nooit veroorloofd hebben, op het dak te klimmen. Dat was veel te gevaarlijk. Maar jongens zijn gelukkig zoo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens waarlijk gehoorzaam waren, wat zou er, bij de bekende verbiedmanie der volwassenen, dan van hen terecht komen. Nooit werd een jongen een man. Doch nu gehoorzamen ze hun zuiver instinkt vaak meer dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp dat goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende paedagoog. De jongen is niet ongehoorzaam uit onwil, uit boos opzet, maar omdat een wijze natuur hem tot taak heeft gesteld, de fouten uwer domme paedagogie te corrigeeren.
Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was heusch een allerbeste man, maar het is ongelooflijk hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was. Net zoo dom, als tegenwoordig de overgroote meerderheid der vaders nog is. Dan weet ge 't wel. Net zoo dom—als gij het nu nog zijt, vriendelijke lezers. Dan weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige wijsheid is meestal domheid. En daaruit vloeien zooveel konflikten voort met uw jongens.
Vader was dan een dier massa-paedagogen, die alles verbieden, toch alles laten gaan, in drift pakken slaag toedienen, en toch veel van hun schavuiten houden. De opvoeding is hun te machtig. En zoo gebeurde het op een Zaterdagmiddag, dat ik weer een aframmeling kreeg voor een mooie daad van zelfopvoeding.
Er lag voor de zooveelste maal een bal op het dak. Ik naar boven. En gauw zat ik in de goot. Mijn makkers keken natuurlijk. Daardoor keken ook eenige voorbijgangers, en nu hield een van hen „zijn hart daarbij vast” en ging naar den winkel, om mijn vader te waarschuwen. Dat deed die domoor natuurlijk weer met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin deed hij er gruwelijk kwaad mee.
Vader verliet snel den winkel, en zag me. Nu is het voor een vader veel erger zijn jongen in gevaar te zien, dan voor dien bengel zelf om in gevaar te zijn. Maar zulke kinderen móét een vader ook niet zien. Laat hij zijn oogen dan ook thuis houden. Mijn goeie vader stond zich op te winden van bedwongen drift bij persenden angst. Gelukkig riep hij niet, dat ik omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel te bang, dat ik dan schrikken en naar beneden tuimelen zou. Met starende oogen volgden ze allen mijn kattebewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen, hoe ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik mij bukte, weer terugschoof en door het raam naar binnen klauterde, volkomen rustig. Geen moment was ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest. Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid had, mijn vriendjes iets te zeggen, vloog mijn vader op me af, sloeg me waar hij me maar raken kon, greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en dat alles onder toejuiching der andere vaders, die ook een stuk voldoening eischten voor den doorgestanen angst. „Zulke beesten van jongens! Een mensch staat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig dan al meer dan erg!” Vader besefte bij die woorden te dieper zijn paedagogenplicht en ranselde nog wat genadeloozer, om vooral te doen blijken, dat hij een degelijke vader was, die om den drommel er niet van hield, zijn kinderen te verwennen. Kinderen begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat is nu nog zoo. En ik werd met schelden en klappen naar huis geranseld.
Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zoo volkomen kalm, dat zware stuk volbracht, een en al rustige beheersching. En daar werd ik zoo getrakteerd. De menschen praten, van je vader in dank zoo'n kastijding af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol woede en verwijt. Ik besefte tot in mijn fijnste vezelen, dat ik zoo'n behandeling niet verdiend had. En dan zoo gruwelijk beleedigd te worden in tegenwoordigheid van die vreemde straatmenschen, en van mijn makkers. Want het was een beleediging, dat afranselen. En nog meer dat smadelijk naar huis jagen. Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker langen tijd noodig, om weer in evenwicht te komen.
Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in tegenwoordigheid van anderen. Wij, schoolmeesters, hebben daar ook zoo'n handje van. Dan zeggen we zelfs: „Toe jongens, lach die domkop eens uit, die kent nog niet eens de tafel van zes!” En dan geven we het domme kind prijs aan de harde bespotting zijner medescholieren. „Die domkop!” Wie is de domste van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij, die het kinderhart niet kennen?
Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte noodig, om mijn vader weer in genade aan te nemen. Een vader, die zóó zijn kinderen kon offeren aan zijn drift en zijn goeden naam bij het straatpubliek, dat was geen vader. Maar—in zijn hart was hij toch een goeie man. Een half uur later was hij zelf verlegen met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks weg, vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding weer aan te knoopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand dan maar vinden. Ik kon toch ook niet goed hebben, dat die groote man zich voor mij wat vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er omheen gedraai.
Dit alles kon ik toen niet zoo juist formuleeren, maar ik zag het zeer goed in. En het heeft mij altijd bevreemd, dat Vader dan niet door een ruiterlijke spijtbekenning, met een beroep op zijn drift en andere verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde bracht. Dat gaat juist met een kind zoo gemakkelijk. Een kind gelooft je dan op je woord en is grootmoedig beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk een afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor was hij, paedagogisch, te dom. Domme paedagogen zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige zelfverhooging is. Niets ontwapent den tegenstander sneller dan erkenning van ongelijk. Niets wapent ons krachtiger dan de waarheid.
Ziedaar de eenige herinnering, die ik van het dak heb behouden. Ik wilde er een bal halen, en kwam met een vroege paedagogische ervaring thuis. Van al de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald, weet ik niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen hebben geen herinnering nagelaten. Maar die eene mislukte—is geworden tot een stuk, niet opvoedkundige leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot levenswijsheid.
„Zie je nou jongen,” zou mijn Vader zeggen, „dat dat pak slaag nog zoo gek niet was?”
En dan zou ik antwoorden:
„Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist!”
STRAATJONGEN.
De straat. Dat was het terrein onzer zelfopvoeding. Daar kwamen onze krachten los, geestelijke en lichamelijke. Daar wisten we niet van landkaarten of andere vervelendheden, daar knelde ons geen schoolbank en kwelde ons geen schoolmeester, daar hadden Vaders paedagogische handgrepen geen vat op ons, daar waren we vrij.
Het is verwonderlijk, hoe een vuil stuk dwarsstraat en een brok „gracht” naast een altijd stinkend water zooveel heerlijkheden kunnen bevatten. Maar die heerlijkheden brachten we mee in ons eigen jongenshart. Het vuil zagen we niet, den stank roken we niet—aan zulke nesterijen raakt een mensch gauw gewoon—en alles lag overdekt door den glans onzer verbeelding, de heele atmosfeer was doortrokken van gelukszon. Jeugd is zaligheid, mits ze vrijheid hebbe. En die vrijheid hadden we, namen we, op straat.
Daar had je „de gouden stoep”. 't Was een hardsteenen stoep, drie treden op en dan een bordesje. Langs de treden en het bordesje stonden ijzeren paaltjes, die ijzeren leuningen droegen. En nu spreekt het vanzelf, dat wij voor onze spelen alle stoepen naastten, dus ook deze. De straat was te smal, om daar genoeg aan te hebben. Dan moest je wel de huizen en de schuiten annexeeren. Bij 't krijgertje-spelen had een kameraad je veel te gauw te pakken, maar dan vloog je een stoep op, en als hij je daar narende, schoof je bliksemsnel onder de leuning door, de straat weer op, vrij. Die stoepen waren inrichtingen, die je uit de benauwdheid redden. En het was verwonderlijk, hoe we van ieder klein voordeeltje gebruik maakten. Nood maakt vindingrijk.
De bewoners hadden daar natuurlijk wel een beetje last van, maar de meesten berustten er in. Eén meneer echter was er, die dat gevlieg niet hebben wou. Nauwelijks had hij in de gaten, dat zijn stoep in ons spel was betrokken, of hij rukte de huisdeur open en joeg ons weg, soms met een stok in de hand. Daarom heette zijn stoep „de gouden stoep”, daar mocht je niet aan komen. En nu was het gevolg van zijn grauwen en jagen, dat we juist altijd naar zijn stoep toe gingen, en, ook zonder noodzaak voor ons spel, er over holden en onder de leuning doorgleden. De gouden stoep werd een apart spelletje.
„Jongens, ga je mee naar de gouden stoep?”
Aanstonds waren er een paar gereed.
„Durf jij er op?”
„Ik wel.”
„Pas op, daar staat die kerel.”
„Waar? Waar? Ik zie niks.”
„Ja, daar achter 't gordijn. Hij schuilt weg. Hij loert op je.”
„Laat hem stil loeren.”
En dan opeens vloog je de stoep op, greep de leuning, gleed er onder door, en—„Hoera!” schreeuwden de jongens. Dat was de eerste zege.
Allen stoven een eindje weg, als opgeschrikte musschen. Dan keerden ze voorzichtiglijk terug, stapje voor stapje, totdat ze weer de stoep omkringden.
De tweede waaghals volgde. In een oogwenk was hij naar boven en weer op straat. Hoera! Maar nu werd het een schande, als je achterbleef. De andere jongens hadden 't gewaagd, jij moest het ook doen. Doch 't werd hoe langer hoe gevaarlijker. Natuurlijk had „die kerel” ons al lang in de gaten gehad. Hij had zich zeker al staan opwinden van drift en woede. Mogelijk had hij zijn stok al gegrepen en was hij al naar de huisgang geslopen. Wellicht stond hij al achter de deur. Misschien had hij de schuif al in de hand. Onmiddellijk zou de deur openvliegen, een kerel in zijn overhemd naar buiten springen, een stok op je lijf ranselen. Je wist dit alles niet, en toch wist je het. Niemand had iets gezien, en toch was ieder er zeker van.
„Jongens, hij staat al in de gang, hoor! 'k Geloof, dat ik den smeerlap gehoord heb.”
Maar nu werd het pas echt. Je koos, met een fijn straatjongens-instinkt voelend, het juiste oogenblik. Je sloop naar boven, dat hij je niet hooren kon, en dan, ineens, met een luiden triumfkreet, onder de leuning door. Hoeraaaa! De kerel stond zich zeker te verbijten van nijd.
De jongens die de eerste beurten gehad hadden, waren in de gunstigste conditie geweest. Doch nu werd het gevaar hoe langer hoe grooter. De vijand werd opgeschrikt, getergd, vol woede. De lont, door den eersten aangestoken, naderde het kruit. Het gevaar der ontploffing was het grootst voor de laatsten. Maar dat gevaar was toch ook weer zoo aantrekkelijk, dat de eersten 't er nog eens op waagden.
„Daar hei je-n-em.”
Ik was juist op de stoep. Teruggaan? Nooit. Dat zou een eeuwige schande zijn geweest. Ik greep de leuning, wilde er onder door glijden, maar in mijn verbouwereerdheid schoof ik niet laag genoeg weg, en kwam met mijn gebit tegen de ijzeren leuning aan. Een geweldige schok, te krachtiger, omdat ik juist zoo haastig weg moest schieten.
Of de kerel me geslagen en geraakt heeft, weet ik niet. Bij de pijn in mijn tanden viel alles weg. 't Was of ik flauw zou vallen van de pijn. Maar een jongen valt niet flauw. Hij maakt dat hij weg komt.
Zoo deed ook ik. Ik holde mijn makker achterna. Maar toen ik een eindje verder stil bleef staan en tot bezinning kwam, bemerkte ik dat er van een mijner oogtanden een stuk was afgebroken. Dat was in den strijd gebleven.
Met een verminkten oogtand moest ik verder het leven in. En was het daar maar bij gebleven. Zoo'n verminking schijnt echter den heelen tand aan te tasten. Langzamerhand brokkelde hij verder af. En op 't laatst moest ik schoolmeesteren en zelf redenaren met een leelijk gat vóór in mijn gebit.
Zoo draagt de mensch de zonden zijner jeugd mee door 't leven.
* * *
„Dat heb je er nu van. Verdiende loon.”
Aldus sprak de opvoedingswijsheid van die dagen. En zoo spreekt ze nog.
„Eigen schuld. Wat deed je dien man te tergen. Loontje komt om zijn boontje. Nu was je zeker wel wijzer geworden.”
Wat dat „wijzer geworden” betreft, neen brave paedagogen, dat heb jelui glad mis. We gingen voort, den man te tergen. Nu meer dan ooit. Er viel nu een stuk tand te wreken. Daar zou hij voor bloeden. De „gouden stoep” bleef een aantrekkingspunt. Heb jelui ooit gezien, dat ontdekkingsreizigers zich door bevroren teenen en ijsberen van den pool lieten terughouden? De pool trok ze, trok ze met onweerstaanbare kracht. En als ze er eenmaal hun leven bij hadden verloren, waagden ze er een tweede aan. Neen, met vloeken en stokken houd je nooit jongens van gouden stoepen af.
Hoe dan wel?
Ik woon in een achterbuurt. Menigmaal staan er jongens en meisjes voor ons venster. Die kijken naar binnen. En dan roepen ze tegen elkaar: „Kijk, daar zitten ze. Ze eten. Zie je wel, sinaasappelen. Een schaal vol. Kijk, die eene schept zijn eigen op. Zeg, wat eten ze? Kan jij het zien?”
Dat is wel lastig, zoo'n bekijk. Je bent niet vrij. En wat doe je dan? Dan word je kwaad, je tikt driftig tegen de ruiten en jaagt het straatpubliek weg, liefst met booze woorden. Niet waar?
Neen, er is een betere manier. Ik denk aan mijn gouden stoep.
Ik ga naar 't venster, schuif het gordijn weg, en houd den kinderen een sinaasappel voor: „Wil je dien hebben?”
Ze zijn op 't punt van weg te hollen. Maar ik roep ze, houd ze vast met mijn vragende oogen, schuif het raam op, en geef ieder een sinaasappel, ieder een heelen.
Ze nemen hem aan, krijgen een hoogroode kleur, prevelen: dank u, en gaan weg, zonder dat ik het vraag. Een eind verder blijven ze staan, bekijken met blijde gezichten—héérlijke gezichten—den sinaasappel, wijzen mekaar de heerlijkheden, en trekken dan langzaam af.
„Een mooie manier!” zegt smalend de echte paedagoog. „Zoo stijf je die brutale schooiers in hun kwaad. Welzeker, geef ze maar sinaasappelen. Ze zullen morgen wel terugkomen. Zoo kun je aan 't geven blijven. Straks brengen ze hun makkers mee. Dan krijg je een heele kolonie voor je vensters. Daar valt wat te halen.”
Die echte paedagoog heeft evenwel in dit geval ongelijk. Hij heeft bij zijn beschouwing alleen zijn eigen machtsmiddelen in rekening gebracht en geen nota genomen van dat wonderlijk gevoel in menschenzielen, dat men een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid, beschaming kan noemen, en dat ook in schooierszielen woont, maar door de echte paedagogiek hardnekkig wordt kapot gestraft en aan flarden gescholden. Die kinderen komen niet terug. Ik pas die methode nu al meer dan vijf en twintig jaar toe, dus je kan bijna zeggen, dat ik een paedaloog ben, tenminste zoo'n soort, en volhardend experimenteer op levende straatschooiertjes. Welnu, nooit hebben die kinderen mij in mijn vertrouwen beschaamd. Ze kwamen niet bedelen om sinaasappelen, en keken zelfs niet meer door de vensters.
Beredeneer dat nu maar, of—nog liever—reken het uit in een statistiekje. Niet waar, dan alleen staat het wetenschappelijk vast. Vóór dien tijd is het alleen maar zoo'n beetje geliefhebber. Je moet het in cijfers voor je zien. Er moet een algemeene enquête worden uitgeschreven over 't heele land: a. Hoeveel straatschooiers kijken per jaar onbeschaamd door je vensters? b. Hoeveel gaan weg, als je ze een sinaasappel geeft? c. Hoeveel van die komen weer terug, geenmaal, eenmaal, tweemaal of meermalen? En als je dan bladen vol opgaven hebt—enkel betrouwbare, o zoo betrouwbare—dan bereken je, op een honderdste nauwkeurig, de resultaten. Dan staat de heele wereld verslagen van je wetenschappelijkheid en word je nog dokter honoris causa in de paedagogiek. Hoe zullen we 't in vredesnaam klaarspelen, wij onnoozele zielen, aleer we onze wetenschappelijke zekerheid hebben.
Er is voor ons dat heerlijke Christuswoord: „Laat de kinderen tot Mij komen, en verhinder ze niet.” Indien er iets, ook maar iets van Christus' liefde in ons woont, kunnen we ons daardoor veilig laten leiden. Laat dan de kinderen ook tot u komen, en verhinder ze niet. Verhinder ze niet met uw grauwen en booze blikken, niet met uw schelden en uitjakkeren. Het is wel droevig en schandelijk, dat op tot heden onbezochte eilanden de vogels nieuwsgierig en vertrouwend den mensch zien naderen, en dat te midden der beschaving de vogels verschrikt wegvliegen: „Een mensch, een mensch!” Zooals de musschen voor ons wegvliegen, doen 't ook de kinderen. Ze weten zich bij ons niet veilig. Verander dit. En wanneer ge twijfelt, hoe in bepaalde gevallen te handelen, herinner u dan uw eigen jeugd. Beter leerschool voor opvoeding is er wel niet. Herinner u, hoe uw kinderziel gereageerd heeft op de handelingen der volwassenen. Hoe men den engel in u opriep, en hoe den duivel. En handel dan soms, misschien zelfs heel vaak, precies omgekeerd. Die gouden stoep heeft mij gebracht tot een open venster. De dreigende stok tot een sinaasappel. En daar heb ik mij wel bij bevonden. Waarschijnlijk mijn straatpubliek ook.
* * *
Ik wil over deze sinaasappelmethode nog een paar ervaringen vertellen.
Er zijn in de buurt van onze school natuurlijk andere scholen, ook christelijke en katholieke. Nu hadden sommige leerlingen van die scholen er plezier in, ons overlast aan te doen. Ze schreeuwden onder onze schoolvensters, scholden de onderwijzers uit die poortwacht hadden, holden door de rij kinderen die zoo ordelijk op het trottoir bleef bij 't verlaten der school.
Klaagden we bij hun onderwijzers, dan werden we altijd heel welwillend ontvangen en hadden het succes, dat de bengels duchtig onder handen werden genomen. Doch hieraan was een ander gevolg verbonden, dat die jongens n.l. nog wat vijandiger tegenover ons kwamen te staan. Hinderden zij ons niet meer, bang voor een pak slaag, welnu, ze hadden nog vrindjes, die niet meer op school gingen en wel als hun wrekers wilden optreden.
Toen volgden we de sinaasappelmethode, die je heel goed kunt aanwenden al heb je ook geen sinaasappelen. We lokten de jongens met vriendelijke woorden, met een hand, zelf met een uitnoodiging om eens binnen te komen, op de speelplaats naar de duiven en de bijen en de tuintjes te kijken, in de school al de mooie platen te zien. Soms liepen we wel met meer dan tien jongens, na schooltijd, de lokalen rond. En aardig, ontroerend was het te zien, hoe die „schooiers” dan gaandeweg hun schuwheid aflegden, belangstellend naar alles keken en vroegen: hoe het kind zich in hen ontpopte, het vriendelijke kind.
„Meester, die platen hebben wij ook op school.”
„Da's aardig.”
„Meester, mijn vriendje gaat hier. Kent u hem?”
„Hoe heet hij dan?”
„Piet.”
Daar valt een kameraad hem in de rede: „Zeg, d'r zijn zooveel Pieten in de wereld. Je mot toch zijn achternaam noemen.”
„Net zoo,” zeggen wij. „Maar je bedoelt Piet Verbrugge, niet waar?”
„Zie je nou wel, dat de meester hem kent.”
„Nó ja, omdat de meester hem dikwijls bij jou ziet, niet waar meester?”
„Netzoo.”
Ze babbelden vrij uit, zetten uit eigen beweging de petjes af, en bedankten ons bij 't vertrek. „Dank u wel, meester!” En—kwamen den volgenden dag met een paar vrindjes: „Meester, of zullie ook eens magge kijke.”
„Welzeker, wat graag!”
De collega's van de bizondere school zullen me nu toch niet verdenken, dat ik hun kinderen naar de openbare school lok? Eerlijk kan ik verzekeren, dat we er nog nooit eentje van die gasten als leerling hebben ingehaald. We hebben alleen wat straatvrindjes gemaakt. En als we nu poortwacht houden, komen verschillende jongens van de broederschool ons broederlijk de hand geven. Dat is alles.
Zullen ze niet besmet worden door zoo'n openbare-school-hand?
Kom, kom. Openbare en bizondere school moeten elkander de hand reiken.
* * *
Als nu de Bond van Ned. Onderwijzers op zijn eerstvolgende Algem. Vergadering geen motie tegen me aanneemt, wil ik ook wel mijn collega's schoolhoofden aanraden—voor zoo ver noodig!—er wat minder gouden stoepen op na te houden en tegenover de klasse-onderwijzers, onder hun leiding, wat meer die sinaasappel-methode te volgen.
„Dus,” zegt de strijdgrage, doch al te vaardig concludeerende klasse-onderwijzer, „dus, wij zijn zoo iets als straatjongens, die op de vensters van de bovenmeesters hangen, om te kijken naar hun welvoorziene tafels, en die dankbaar wegsluipen, als ons genadiglijk een sinaasappel wordt toegestoken? Wij danken u feestelijk voor deze genade. Wij willen zelf om den disch zitten, en gij moogt onze vaten wasschen.”
Goed, goed. Er is eenmaal een Meester geweest, die zich niet ontzag, neen, die zijn grootheid openbaarde, door vrijwillig de minste te zijn en zijn discipelen de voeten te wasschen. Nooit onteert het werk den man. Wij worden alleen ontroerd door eigen onzedelijkheid. Geen buitenafsche glans van rijkdom of rang kan wegschitteren de doffe nevelen der innerlijke onreinheid. En alle nuttig werk kan geadeld worden door den geest die het verricht.
Goed, goed, ik wil uw vaten wasschen, als gij op die wijze mijn gaven het best aanwendt tot heil van allen. Maar dan zal er toch wel iemand zijn, een uit uw midden, gelijk ook ik uit uw midden ben voortgekomen, of anders een uit voornamer levenskring, een dokter, advokaat, officier, in ieder geval iemand, een mensch, door u gekozen of aangesteld vanwege de door u gekozenen, een.... medemensch, d.i. een medezondaar, aan wien wat leiding en toezicht is opgedragen. Noem hem president en laat hem gezag voor een bepaalde periode, gelijk ook gijzelf telkens opnieuw gekozen wilt worden, afkeerig van stabiliteit in uw positie, of noem hem inspecteur en gun hem bij een blijvende taak ook een blijvende bestaanszekerheid, er zal iemand zijn, die over u en mij te zeggen heeft. En tot dezen iemand—misschien zijt gij, Bondsman, het zelf wel: er kunnen meer Ketelaars van klasse-onderwijzer gezagsman worden—tot hem en zijn gelijken zeg ik: geen gouden stoepen. Reik ons hartelijk-welmeenend als 't noodig is een sinaasappel toe. Ge zult eens zien, hoe die ons opvoedt.
Er was eens een bovenmeester, die steeds zelf graag veel vrijheid had genoten, en nóg genoot, en die daarom (ja daarom, en niet desniettegenstaande) ook den onderwijzers veel vrijheid gunde en toestond. Je kon zeggen, dat de man er voor hen heelemaal geen gouden stoepen op nahield. Ze mochten letterlijk alles. Mits dat alles overeenstemde met hun plicht. Ze hadden volle vrijheid om te doen, wat hun plicht hen gebood.
Maar nu was er onder het personeel eens een jonge, al te levenslustige vrijbuiter, die zoo nu en dan wel eens wat geholpen moest worden in het genieten zijner vrijheid tot plichtsvervulling. Komaan, daar was hij jong voor. Hij sprong wel eens wat buiten den, ook door hemzelf noodzakelijk erkenden band. En dan moest natuurlijk de bovenmeester hem vriendschappelijk daarop attent maken.
Eens bij zoo'n gelegenheid was onze vrijbuiter echter wat ál te nonchalant. En toen de bovenmeester hem de onmisbare perken wees, maakte de schavuit het nog erger. Wat denk je, dat hij antwoordde op de zeer gegronde aanwijzing? „Och, stik!”
Het kwam er heel joviaal en jongensachtig uit, maar men moet erkennen, dat het, zacht uitgedrukt, toch getuigde van wat al te weinig eerbied voor het regelmatig gezag.
Wat deed nu de bovenmeester? Hij had dit antwoord kunnen rapporteeren, te meer, daar het hem onder getuigen was toegevoegd. Wellicht had hij het móéten rapporteeren, zoo niet ter wille van zijn persoon, dan toch ter wille van zijn ambt. Hier had iemand, niet in speelsche dartelheid, maar, althans schijnbaar, in respektlooze onbeschaamdheid, een noodzakelijk gouden bordesje niet betreden, maar bespuwd.
Wat dééd de bovenmeester?
Hij noteerde niet en rapporteerde niet. Hij gaf niet eens een standje. Hij zweeg. Ik denk, dat hij zich uit zijn jeugd ook herinnerde, hoe grauwen en dreigingen averechtsche gevolgen hadden. Maar hij rekende op iets. Hij rekende op dat „wonderlijke gevoel in menschenzielen, dat je een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid en beschaming kunt noemen”. En hij rekende niet te vergeefsch.
Den volgenden dag kwam de vrijbuiter bij zijn gezaghebber en zei, met iets heel trouwhartigs in zijn stem, een eigenaardige tinteling in zijn oogen, en een kleur van verlegenheid:
„Bent u boos, om wat ik gisteren gezegd heb?”
„Boos niet, maar....”
„Och,” kwam het er toen innig vertrouwensvol uit, „u moet maar denken, dat u zoo'n soort oudste broer van me bent.”
Toen stak de gezaghebber zijn vrijbuiter hartelijk de hand toe, en die twee bleven de beste vrinden, wat ze al waren, en nooit heeft in de kranten gestaan, dat een jong onderwijzer tegenover zijn rechtmatigen chef op een gegronde aanmerking „stik” had geantwoord. Daar is geen zaak van gemaakt, daar is het publiek niet in gemengd, daar zijn de vakbladen niet mee gevuld, daar zijn geen Hoofdbesturen voor opgetrommeld. En er is geen jonge rebel gestraft. Die jonge rebel heeft sedert een mooie carrière gemaakt.
Dit alles was te danken aan de sinaasappel-methode, ofschoon men terecht opmerkt, dat de bovenmeester zijn onderwijzer toch geen sinaasappels offreerde. Maar wie nu nog niet heeft begrepen, hoe het kenmerkende dezer methode hierin bestaat, dat zij zich richt tot de goede eigenschappen der menschelijke natuur, dat zij die wekt en te hulp roept, om het kind, het kleine en het groote, zichzelf te doen verbeteren—die is niet waard, onderwijzer of bovenmeester te zijn.
Ik zou het een groote onderscheiding achten, wanneer op een algemeene vergadering van Paedagogen de motie werd voorgesteld en bij acclamatie aangenomen:
„De Alg. Verg. van enz.....
gehoord enz.....
overwegende enz.....
verklaart, dat de sinaasappel-methode van Jan Ligthart de voortreffelijkste is,
en gaat over tot de orde van den dag.”