WeRead Powered by ReaderPub
Jeugdherinneringen cover

Jeugdherinneringen

Chapter 11: NOG STRAATJONGEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A series of intimate childhood recollections traces early domestic life, neighborhood scenes, and formative moments in early schooling. The narrator recalls parental storytelling, specific household incidents, routines and rituals at nursery school, the sensory details of streets and bridges, playful teasing by siblings, and personal anxieties such as bedwetting. Short episodic chapters combine vivid descriptive memory with reflections on how ordinary names, habits, and modest embarrassments shape lasting impressions of family, language, and early moral education.

NOG STRAATJONGEN.

Volwassenen plagen—dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste straatgenoegens.

Hoe kwamen we daartoe?

Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen.

Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte, dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid.

Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden. Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd.

Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, bij eigen ervaring leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan, in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren?

Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van zulk een opvoeding. Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat ook zoo kunnen hebben.

Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug. Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd, ineens midden op straat.

De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar moest.

Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene.

Toen holde de „schooier” natuurlijk weg.

Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt?

Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard waren onder de bejegening van de ouderen.

Eén vriendelijk woord.

Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen, tenzij misschien tegen hun meerderen, ze achten zich gerechtigd, de jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een vijandelijke partij beschouwen?

Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet van oorlog. Aan wie de schuld?

* *

Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak traktaatjes van me „kreeg”, was een platte stoep in den vorm van een rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor, welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep wierp.

We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers. Als het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of een gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp op de straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje door. We vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die, het verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan, om het op te rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven, het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden, sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in van de ouderen overgenomen humor: „Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve Heer hoort hem brommen.”

Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en—'t was koud—weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te peuren. We hadden ook beet gehad.

Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met een stevig touw den belknop aan den deurknop vast te binden. Dit kon echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of te smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door. Doch in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen huis, totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren al lang verdwenen.

Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want er was in onze streken een mooie „opklimming van moeilijkheden”. De knop van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op zijn stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden, beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met ijzige kalmte—als wisten we van den prins geen kwaad—het vruchteloos rukken aan te zien. Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel twee—links en rechts—en konden deze, plotseling naar buiten schietend, ons insluiten. En dan zaten wij in de klem. Bij al onze ondernemingen waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen. Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het jongensinstinkt zit.

* *

Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn, ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen, als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. Niet een paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard. Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst.

Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze weten haast alles, ook wat er nu nog volgt.

En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen?

Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. „En als wij nu ook eens drie weken spijbelden?”

Maar dan is mijn vast antwoord: „Dat doe jelui niet.”

„En als we het dan tóch eens deden?”

„Jelui doet het niet.”

„Hoe weet u dat?”

„Omdat je 't hier veel te goed hebt.”

Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: „Haha, te goed!”

„Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen reden om te spijbelen. En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker van.”

„Jongens, ga je mee?” roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil. Maar halverwege keert hij lachende terug. „'k Zal maar hier blijven.”

„Dat wist ik wel.”

Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben kunt.

Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu—„of de meester ook een plaatsje voor hem had.”

„Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd geweest.”

De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe dwong—je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de slachtoffers dwingen hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op jagen—de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers.

„Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag komen, hoor!”

Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid.

„Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde.”

Vier vragende oogen keken mij aan.

„Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt.”

Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij. Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar gebleven, en heeft nooit aanleiding tot eenige klacht gegeven.

Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek. Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen: Ik volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit opzicht heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat we dit succes te danken hadden aan de methode van—toe, geef eens een mooien naam, liefst een Griekschen—de methode van.... zondaar-met-den-zondaar-te-zijn.

* *

Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als de sinaasappel-methode. Maar ik hoop, dat beide daar nog eens een plaats krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen, misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets goeds geboren wordt.

Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond, zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat uitvoeren.

Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei gebonden.

Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen in de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden.

De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist op dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt. Dan zit hij in de val. Want dan vraagt die kerel hem natuurlijk wat hij daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek....

O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar!

Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel. Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt. Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden.

Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen aan, en houdt zich gereed.

„Trek!” fluistert hij.

De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. „Een kind van de trap gevallen!” En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van dat slag mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de hulpvaardigheid zelf.

Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of de vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: „za-je opdondere, vuile flikkerkop!” En veiligheidshalve „dondere” wij op.

* *

Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een stervende zieke lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die van ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed?

Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen, liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet ik sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het een gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken. En ook gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een vrouw in de bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten, een woesten dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt, zou opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan nacht. Drank, armoede, ziekte, dood.

Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd, we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we van een radelooze moeder dat ze haar kind „verloren” had, of we staakten onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten rond onder het eentonig-zangerig geroep van: „Wie hét er een ki——nd gevonden, wie hét er een ki——nd gevonden,” net zoo lang totdat het verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: „Hoe oud is het, jongens?”—Drie jaar.—„Nee, niet gezien, hoor!”—En dan trokken we weer verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken, maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee.

Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof uittrekken?

* *

Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben gekregen voor de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van nu te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven zich aan u geven—en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht bij de genade der goddelijke liefde:

„Heer, wees mij zondaar genadig.” Wanneer kinderen in ons medezondaars weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in ons los.

Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende daad. Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal van meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het hém betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen jeugd verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen medelijden hadden met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was.

Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd, een—mogen we hopen—tijdige zege.

Dan mag er—we zijn immers onder kinderen—wel eens een vroolijken toon in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten, mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere.


NÓG STRAATJONGEN.

Waarom—zoo vragen vaak ouders—waarom glijdt die jongen nu liever langs de leuning van de trap naar beneden, in plaats dat hij, evenals wij, netjes over de treden loopt. Dit laatste is toch zooveel veiliger.

Ik denk, dat die jongen, behalve om het glijgenot, de leuning juist kiest omdat zij een beetje onveiliger is.

Kinderen zoeken moeilijkheden.

Langs uw trap zijn twee wegen. Den eenen volgt gij. 't Is de breede, gemakkelijke, met loopers geplaveide weg tusschen beide leuningen. De andere bestaat uit de kleine puntjes der treden, die nog even buiten de leuning uitsteken. 't Is de uiterst smalle weg, die voortdurend boven den afgrond van den hal hangt. En dien volgt hij. Daarbij zet hij zijn voeten dwars, houdt met één hand de leuning vast, laat zich half boven de diepte zweven, en slingert zich, boven gekomen, met vlugge beweging, op den heirweg, door u gevolgd.

Dat is een zeer duidelijk uitgesproken verschil van voorkeur.

Gij vraagt, waaróm die jongen zoo dwaas is, zich moedwillig in 't gevaar te begeven, en denkt er niet aan, hoeveel kostelijke krachtsontwikkeling ge hem beneemt, als ge hem dezen moedwil verbiedt. Hoe zal de jongen, te midden van zijn geriefelijke omgeving, een beetje leeren durven en wagen, als hij er niet op eigen gelegenheid wat ongerief mag scheppen?

Men beschuldigt in zulke gevallen de kinderen aanstonds van onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid en ranselt er dan die twee ondeugden uit. 't Is verkeerde paedagogiek. Men ranselt er op die manier een natuurlijken opvoedingsfaktor uit, slaat dien tenminste voor een poosje lam. De onhebbelijkheid en ongehoorzaamheid is een ademen der zedelijke natuur, 't is het uitslaan der vleugelen, 't is het uitgroeien der ethische krachten van moed en zelfvertrouwen, 't is het overwinnen van onmisbare zwarigheden, en daardoor het winnen in willen en kunnen.

Bekijk de zaak eens van dezen kant, en gij zult begrijpen, waarom die jongen liever op de tuinschutting zit dan op de tuinbank—ongeacht het wel wat smalle zitvlak van die tuinschutting; waarom hij zoo graag door het dakvenster klautert en liefst tegen de pannen op dan nog naar de vorst van het dak; waarom hij buiten zoo onweerstaanbaar door slooten wordt aangetrokken en als door een magnetische kracht wordt gedwongen daarover te springen; waarom hij, met zijn kameraad op de wandeling, zeker tienmaal, indien niet twintigmaal, vraagt: durf jij dat? en—als er maar geen ouders bij zijn—dan bij ieder kwestieus geval net zoo lang draalt en zich opwindt tot hij gedurfd heeft.

Gij zegt, dat hij aan zijn kleeren moet denken en aan alle mogelijke ongelukken. Hij denkt aan niets dan aan het lokkende gevaar en aan de zalige zege.

Toe, bekijk de zaak eens van dezen kant en vraag dan uzelf af, bij welke partij de ware opvoeding werkt: bij de officiëele opvoeders of bij het brutale, onnadenkende kind, bij de verlammende leiding of bij de stalende zelfstandigheid.

* *

Voor ons huis was een houten brug met een ijzeren leuning. Hoe dikwijls liepen wij jongens, een heel rijtje achter elkaar, langs den buitenkant der leuning. Ik voel dat ronde ijzer nog en aan het einde den bolvormigen knop. Ik zie nog het vuile water onder ons. En ik herinner me nog den even voorzichtigen als sierlijken zwaai, waarmee we om den eindknop heen weer op de straat terecht kwamen.

Zeker, als ik het nu van kinderen zag, ik zou mijn hart vasthouden, maar nooit is er bij die kunsten een jongen te water gevallen, zelfs niet als we, verstoken van alle gymnastiekwerktuigen, de ronde leuningen als rekstok gebruikten om er ons borstwaarts of ruggelings over te trekken. Er waren jongens, die, waar ergens een brugleuning van hout was met een plat bovenvlak, daar overheen liepen. Eén zwenking naar links, en ze tuimelden in het diepe water. Maar ze liepen met geconcentreerde zekerheid de heele leuning af, om dan aan het eind met een prachtigen sprong weer op den vlakken grond te komen. Wie het niet durfde, stond het bewonderend aan te staren.

Eén heldendaad van dien aard herinner ik me van mezelf. Er stond eens een vrij hooge stapel roode baksteenen opgetast aan den waterkant dicht bij ons huis. Dat zag men toen meer: de openbare weg deed bij de bouwerij nog al eens dienst als stapelplaats van materialen. Nu was er tusschen dien hoogen steenstapel en den waterkant natuurlijk een reepje weg onbedekt gebleven, een paadje dus achter den steenenmuur en vlak langs het water, een paadje waar een paar muizen konden wandelen, misschien ook een kat, maar stellig geen hond, en dat alzoo nu juist niet bepaald voor jongens was opengelaten. Daar kon geen kind langs. Reden te meer om het te willen.

„Durf jij daar langs?”

Nauwelijks was de vraag gedaan, of het paadje begon te trekken. Eerst trok het je oogen en die maten met een enkelen blik de breedte—smaller dan je voet—en de lengte—een meter of drie. Toen trok het je linkervoet. Die moest noodzakelijk even om het hoekje heen, den neus van je schoen rechthoekig tegen de steenen. Dat ging. Op je teenen en de voorhelft van je voet kon je er staan. En als je je voet dwars tegen de steenen drukte, met zijn binnenzij tegen den muur, dan kon hij er heelemaal op. Nu trok het je linker arm. Die strekte zich uit en legde zich, met uitgespreide vingers, vlak tegen den stapel. Je hand ging werken als een zuignapje. Hij zoog zich als aan de steenen vast. Pas op, het paadje trok je linkerbeen, je linkerzij, het trok je borst—je drukte die plat tegen de steenen—je rechterbeen moest volgen, dan je rechter arm, en je schoof, met uitgespreide armen, als een schaduw langs den steenenmuur. Hoe kón het? Dat weet ik niet, maar het kón.

Voetje voor voetje ging het schuivende verder. Eenmaal begonnen, was er aan teruggaan geen denken meer. De makkers keken ademloos toe. De menschen aan den overkant spraken er zeker schande van: „zulk tuig!” Ik zag niets, hoorde niets, dacht aan niets, wist alleen dat ik, klevende aan de steenen, moest voortschuiven. En ik schoof voort. Mijn leven hing af van een oogenblik aarzeling of twijfel. Mijn leven en mijn triomf. Ach, mijn hemel, het was alleronzinnigst. Maar waarom vertelde men ons dan ook de geschiedenis van De Ruyter? Ik had geen toren om te beklimmen. Moest ik dan de bevende heerlijkheid van het gevaar niet achter die steenen zoeken?

Ik kwam er. Even behoedzaam tastende als de tocht begonnen was, werd hij geëindigd. Geen roekeloosheid op het laatste moment. De linkerarm boog eerst om, de schouder volgde—maar reeds grepen de makkers dien arm beet en ik stond weer in hun midden. Doodstil. Zij juichten. Ik zweeg. Want als je wezenlijk verdienste hebt, met uiterste inspanning veroverd, dan bluf je niet. Dan ben je moe en stil.

Een tweeden keer heb ik dien tocht niet gedurfd. Toen trok ook het smalle randje niet meer. Het had zijn bekoring verloren, gelijk de jonkvrouw in Schillers ballade van „De handschoen”. En geen der kameraden volgde me na. Er zijn heldendaden, voor enkelen weggelegd, en die deze ook maar éénmaal in hun leven kunnen volvoeren.

Natuurlijk begrijpen de menschen niets van wat er omgaat in zoo'n jongen. Ze vinden het domme waaghalzerij en koelen hun angst voor zijn gevaar met scheldwoorden, pakken slaag, naar huis en naar bed. Daar is de bengel dan vooreerst weer veilig en kon hij over zijn zonden nadenken.

Op dat nadenken moeten de opvoeders echter nooit veel rekenen. Het bed is geen plaats voor zulke berouwvolle overpeinzingen. Daar, als waarschijnlijk in elke andere gevangenis, lig je te fantaseeren. Je ziet alles nog eens levendig voor je. Je geniet van nieuwe gevaren. Je klimt en klautert langs onmogelijke wanden. Je bent er veilig, nu ja, maar nadenken? Op grond mijner jeugdervaringen ben ik een overtuigd tegenstander van de celstraf. Ik geloof alleen in de verbeteringskracht van goed gezelschap en lustwekkenden arbeid.

* *

Hoe weinig ik in zulke waaghalzerijen kwaad zag, blijkt wel uit het volgende.

Ik had een nieuw zondagspak gekregen. Dat was heusch een weelde, die niet ieder jaar voorkwam. Met je moeder naar den winkel gaan, daar verschillende pakken bekijken en passen, eindelijk dat eene mooie te krijgen, juist dat eene waar je al je hart op gezet had, en dit dan den eerstvolgenden zondagmorgen te mogen aantrekken en er de straat mee te mogen opgaan, neen, dat was heusch geen kleinigheid, dat was een reeks zeldzame genietingen, zooals in ons kinderleven wel eens één keer in de drie jaar voorkwam; meestal werden onze kleeren gemaakt uit die der oudere jongens.

Het was dus een unicum, voor mijn ouders een groot geldelijk offer, en toen ik den eersten zondagmorgen den besten in het nieuwe pak uitging, liep Moeder mee tot aan de winkeldeur, tot op de stoep.

„Zal je er goed op passen, Jan?”

„Ja Moe!”

„Zal je er erg voorzichtig mee zijn?”

„Ja Moe!”

Ik stapte de gracht op, ging mijn vrindjes halen, liep niet als een gewoon kind, maar als een drager van nieuwe kleeren. Ik keek nog eens om. Moeder stond me nog met gelukkige, streelende oogen na te kijken. Ze moest er van genieten, hoe 't me stond als ik op straat liep, en hoe netjes haar jongen er uitzag. Ook voor haar was 't een weelde en een zeldzaam genot.

Met mijn vrindjes ging ik naar buiten. In de stad wandelden we nooit. Altijd naar buiten, naar de slooten, naar de balken bij den houtzaagmolen, naar de tuinschuttingen, naar de wilgen. Er moest water, groen en klimbaarheid zijn. En dat had je in de straten niet.

Eerst bewonderden de vrindjes natuurlijk het mooie pak, maar dat was gauw gedaan. Jongens vinden het wel een ellende met vermaakte kleeren te worden op straat gestuurd, en ze zijn wel grootsch op een nieuw pak, maar die ellende en die grootschheid duren beide gewoonlijk heel kort. Zoodra de kameraden hun schimp of hun lof hebben geuit, is 't gedaan met de macht der lichaamsbedekselen. Dan dénken de jongens eenvoudig niet meer aan hun kleeren—zoo heel anders dan meisjes—en voelen ze als lagen huid, die zich zoo gauw mogelijk moeten schikken naar de bewegingen van het lichaam.

Zoo ging het ook mij op dien Zondagmorgen. Mijn nieuw pak werkte al niet meer, toen we nog maar even buiten de poort waren, en het sprong net zoo gemoedelijk mee over de balken in de sloot als mijn oude plunje. Het schikte zich wonderwel in de manieren en plezieren van zijn eigenaar. Zelfs klom het al mee in een boom.

Er stond ergens aan den slootkant een knotwilg, die half over het water hing. Nu konden we reeds op drie manieren op het weiland komen: over het hek op den dam klimmen, over de balken in 't water loopen, of ineens over de sloot springen. Dat was voor een gewoon mensch al variatie genoeg, zoolang er echter niet een schuine knotwilg bij kwam. Maar nauwelijks had die al de bekoorlijkheden, waarover zijn uitgeteerde ouderdom nog te beschikken had, voor ons uitgespreid, of wij bezweken. We moesten in dat oud stuk stam klauteren, op den kruin staan, de takken wegschuiven, en dan over 't water op 't weiland springen. Die weg was veel moeilijker dan een der andere drie, en dus veel aangenamer. We genoten er wel tienmaal van, ook al kraakte soms een halfrotte rand van den hollen bast onder onzen voet. De zorg voor mijn nieuwe kleeren bepaalde zich hiertoe, dat ik telkens na een sprong broek en kiel met de hand netjes afveegde, omdat ze wat groen of vuil waren geworden van den ouden wilg, en hun rimpels daarna mooi wegtrok, rimpels van 't klimmen. Overigens kan ik met volle eerlijkheid verzekeren, dat ik mijn nieuwe kleeren totaal vergat.

Men versta dat toch goed. Ik zeg niet, dat ik ze moedwillig verwaarloosde, dat ik ze niet achtte, maar ik vergat ze. Ze bestonden niet meer voor me. De boom, de kruin, de takken, de sprong—die leefden en heerschten. Al dat andere was weggezonken, zooals men dat tegenwoordig met naïeven verklaringswaan uitdrukt: onder den „drempel van het bewustzijn”.

Mijn vader had echter weer een anderen drempel. Hoe de man, tot mijn en zijn eigen rampzaligheid, daar nu juist op dat buitenpad moest wandelen, juist op dien Zondagmorgen, ik weet het niet. Maar hij liep er, en nog eer ik hem in de gaten had, had hij mij gezien, klimmende en springende. Zijn buitengenot en landelijke rust zonken onder zijn bewustzijnsdrempel weg en daarboven op sprong, met tergende sprongen, zijn jongen in het nieuwe pak. Een oogenblik nog, en hij had die jongen in zijn nek genomen, een paar driftige kletsen om den kop gegeven, en naar huis gejaagd.

't Was voor dien jongen een doodschrik en een grievende krenking. Hij liep naar huis, op eenige meters gevolgd door zijn vader. Voor beiden was het genoegen van dien Zondagmorgen weg. Maar in die jongensziel ontkiemde, onzichtbaar voor hemzelf, de zekerheid, dat vaders domkoppen zijn. En hij hield op dat oogenblik meer van dien stommen, ouden knotwilg, dan van zijn vader.

* *

Het is hard om te zeggen, maar vaders zijn vaak domkoppen. Ze verstaan hun kinderen niet. Als ze zich de moeite eens wilden geven, naar hun kinderen te zien en naar hun uitingen te luisteren, eens heel oprecht met hen te praten, dan zou waarschijnlijk hun houding tegenover dat jonge goed heel anders zijn. Maar neen, ze volgen alleen hun eigen opwellingen van wrevel, ergernis, woede over allerlei recht kinderlijke „overtredingen” en schelden of slaan er dan maar op los. Daarmee vervreemden ze hun kinderen wel niet van ze—de band des bloeds is taai—maar ze bederven toch zooveel jeugdgenot en zooveel huiselijke vreugde. Wel, dat kon zoo gansch anders, en met veel meer gehoorzaamheid dan nu morrende gehuicheld wordt. Wanneer ik hier geen jeugdherinneringen schreef, maar degelijke paedagogiek, zou ik over de vaderzonden een hoogst leerzaam hoofdstuk kunnen schrijven. Misschien maak ik er nog een boek over en dat zal dan het beste paedagogische handboek zijn van de wereld, want het begint de opvoeding bij de opvoeders, en die hebben de verbetering het hardste noodig. Maar ik schrijf slechts ijdele jeugdherinneringen, laat dus de domheid der vaders onverbeterd, en ga voort met een stukje verregaand brutale heerlijkheid.

We lazen destijds veel indianenboeken en daarvan was het gevolg, dat we ook speelden van „Blanken en roodhuiden”. We verdeelden ons in twee partijen. Doch nu waren we niet tevreden met een simpel spelletje in de straat, neen, het moest echt wezen, zoo echt mogelijk, er moest een woud bij te pas komen, een wildernis, en dan oplichting, gevangenneming, bevrijding. Er moest eenzaamheid bij wezen, spoorzoekerij, sluipen, geheime teekens, vogeltaal. We moesten de volle ontroering genieten van het echte woudloopersleven, en nu zouden we geen jongens geweest zijn, als we ons dat niet hadden weten te verschaffen, ondanks al de tegenwerking van straatsteenen, huizen en volwassenen.

Om te beginnen verdeelden we ons in twee partijen, maar die verdeeling gold niet voor één avond, doch voor altijd. Wie eenmaal een roodhuid was, bleef een roodhuid, en dat bleef hij overal, op straat, in huis, op school, in de stad, buiten, Zondag en in de week. Zoo veranderde een blanke ook niet van huidkleur en van vijand. En nu was de afspraak, dat je, overal waar er slechts kans toe was, je vijand bestookte, besloop, gevangen nam.

Dat gaf aanleiding tot een voortdurende spanning. Nooit liep je op straat, of waakzaam loerde je rond. Was je als blanke alleen en kwamen er drie roodhuiden aan, dan maakte je tijdig dat je wegkwam, eer ze je te pakken kregen. De gang van school naar huis was weken of maanden achtereen een onafgebroken gevaar, en deed je boodschappen voor je vader of moeder, was dan maar dubbel op je hoede, want de vijand stoorde zich aan niets, vond je met je boodschappenmandje een te welkomer prooi en sleepte je naar buiten, naar een plantsoentje, waar je „dicht in 't woud” aan een boom werd vastgebonden. Vader of moeder mochten op de boodschap wachten, angstig worden, naar je uitzien—dat alles maakte de zaak „echter” en dus het genot grooter. 't Mocht geen komedievertooning wezen, maar 't moest echte werkelijkheid zijn met echte ellenden.

Nog zie ik me op een zomernamiddag in mijn eentje door de buurt dwalen, dan naar 't plantsoentje gaan tusschen Raam- en Zaagpoort, en daar zoo gauw mogelijk een boschje binnensluipen, op den heelen weg steeds rondziend en zooveel mogelijk ongezien blijvend. De avond valt reeds, 't begint althans te schemeren. Nergens bespeur ik onraad, maar ook nergens een teeken dat er vrienden in den omtrek zijn. Nauwlettend bekijk ik den grond, of de voetstappen iets te zeggen hebben. Luister, klonk daar niet het geroep van den koekoek? Dat is het teeken van de blanke jagers, waarbij ook ik behoor. Doodstil blijf ik staan en wacht. Opnieuw klinkt het: koekoek, koekoek, koekoek, driemaal. Is het de roep, wellicht de noodkreet van een blanke? Of de lokstem van een roodhuid, die aldus een verdoold jager in den strik wil lokken? Nu is de uiterste voorzichtigheid plicht. Mijn ooren richten zich naar alle zijden, vangen ieder geluid op. Men kon mij van verre omsingelen, zonder dat ik 't merkte. Maar geen verdacht geluid waarschuwt. Ik sluip dus verder in de richting van de telkens herhaalde koekoeksroepen. 't Is wel wat ongewoon, in dit plantsoentje een koekoek te hooren. Die komen anders niet onder de rook van de hoofdstad. Maar die ongewoonheid geldt alleen voor eerzame burgers en voor den boschwachter. Wij weten hier van geen hoofdstad, we zwerven in de wildernis van het verre westen. En daar klinken nog wel andere geluiden.

Naarmate ik de roepstem nader, meen ik er de stem van een vriend in te herkennen. Nu dient alles gewaagd. Toch laat ik me niet verleiden tot roekeloosheid. Onder voortdurende bedekking, vaak liggende, soms kruipende, tracht ik me tegen een overval te vrijwaren, totdat ik eindelijk, in de eenzaamheid van het woud, een makker vind, inderdaad vastgebonden aan een boom. Ik snel er heen, trek mijn zakmes, snijd hem los en vlucht met den geredde zoo spoedig mogelijk weg van de gevaarlijke plek. Eerst als we ons buiten gevaar weten, vertelt hij mij zijn wedervaren.

Hij moest voor zijn moeder een boodschap doen. „Gauw terugkomen,” had moeder gezegd. Toen, argeloos door de straat loopend, was hij door een paar roodhuiden gegrepen. Die hadden hem hierheen gesleurd. Al zijn gekerm mocht niet baten. Ze verstonden zijn woorden niet eens. In hun ijzeren vuisten gekneld hadden ze hem geblinddoekt, langs allerlei sluipwegen gevoerd, hem midden in 't bosch van al zijn bezittingen beroofd, ook van het geld voor zijn boodschap, en tenslotte vastgebonden. Stellig zouden ze hem den volgenden dag onder een woesten krijgsdans verbrand hebben, als ik hem niet tijdig had gered.

In de handen van welk opperhoofd hij gevallen was? Hij wist het niet, maar hij vermoedde van De Witte Arend, want die was den laatsten tijd erg in de weer. In zijn stam scheen een feest op til te zijn, en daartoe had men gevangenen noodig, om met hun lichaamspijnen, doodsangsten en gebraden spieren het feest op te luisteren. Goddank, dat de ongelukkige nog bijtijds aan deze onderscheiding ontsnapt was.

Samen gaan we naar huis, plannen beramend van wraak. We moeten zien, dat we De Witte Arend zelf gevangen nemen om hem alleen tegen een hoogen losprijs weer vrij te laten. We zullen al de blanke jagers in een vergadering bijeenroepen, om een gezamenlijken rooftocht tegen den ellendigen roodhuid te ondernemen. Kunnen we hem niet een zijner geliefdste vrouwen ontrooven—de ellendeling had onschuldige zusjes, die daarvoor in aanmerking konden komen—en hem dan noodzaken tot een vernederende onderwerping? Of tijdens zijn afwezigheid de wigwams in vlammen doen opgaan?

Hoe het zij, een gevoelige wraak moest volgen. Hiervan waren we zeker. En intusschen waren we innig gelukkig, dat we dezen avond weer zoo'n levensgevaarlijk avontuur hadden genoten. Al was De Witte Arend ook nog zoo'n ellendige roodhuid, voor geen goud, voor onze heele maatschappelijke toekomst zouden we hem niet hebben willen missen. Niet hebben kunnen missen.

Wat was onze vale buurt, wat ons dreinig schoolleven zonder De Witte Arend?

* *

Maar die moeder nu, die op haar boodschap wachtte? En dat geld?

Nu herhaal ik, wat ik reeds vroeger zei: in haar ontving de wereld der volwassenen haar trekken thuis. Deze maaide, wat zij gezaaid had.

Wie hadden indianen-boeken geschreven, gedrukt, verkocht? Toch immers niet de kinderen? Wie verdienden er hun brood en misschien zelfs een kapitaal mee? Toch immers niet de straatjongens? Wie kocht ze voor ons, leende of schonk ze ons, wie liet ze ons lezen? Waren het de volwassenen niet? Wat deden ze om ons andere lektuur te bezorgen, ons in andere lektuur smaak te doen vinden, ons door betere lektuur op te voeden? Ze lieten ons gaan, of—erger!—deelden onleesbare traktaatjes uit, hetgeen daarom erger is, omdat het de kinderen van het daarin aangeboden goede vervreemdt.

De volwassenen lieten ons gaan, zooals het tegenwoordig nog bij de meerderheid het geval is. Zij lieten ons doortrekken van indianen-zeden, d. w. z. zeden à la Aimard of Cooper. En als die zeden nu in ons begonnen te werken, aan wie dan de schuld? Wij konden het toch waarlijk niet helpen, dat we bij onze verbeelding moesten leven, dat we de romantiek tot werkelijkheid maakten. Dat lag zoo in onze kindernatuur. Maar wie had die verbeelding eerst vergiftigd, wie die romantiek aldus in onze fantasie gevoerd?

Het is met die brave volwassenen zoo wonderbaar. Eerst gaan ze de kinderen in 't vloeken voor, en als dan een kind ook verdomme zegt, ranselen ze dat kind af. Eerst steken ze hun sigaar op, en als dan het kind ook een sigaretje wil genieten, bestraffen ze het met strenge woorden, doorrookt van pas geofferde tabak. Eerst omgeven ze het kind met een wereld van drinken, rooken, vloeken, onreine scherts, en als dan het kind de gevolgen hiervan openbaart, verbeteren die volwassenen nóg niet zichzelf, maar gaan ze in een soort opvoedingsangst het kind te lijf.

Toen ik jongen was kon ik nooit de standjes en pakken slaag begrijpen, die we met onze toch zoo natuurlijke spelletjes opdeden. En om de waarheid te zeggen, nu ik al de vijftig voorbij ben, kan ik ze nog niet begrijpen, in den zin van: rechtvaardigen. Natuurlijk begrijp ik wel, hoe gemakzuchtige en genotzuchtige volwassenen liever kinderen afranselen dan zichzelf verbeteren. Maar ik begrijp niet, hoe ze daarvan eenig heil verwachten, ik begrijp hun domheid niet. De zaak is toch zoo eenvoudig: „Wie wind zaait, zal storm oogsten.” En wie zijn akker braak laat liggen, moet zich niet verwonderen als daarop het onkruid tiert, waarvan de zaden overal rondzweven en neervallen.

Die moeder, die op haar boodschap wachtte en noch boodschap, noch geld zag, had zeker recht om woedend te wezen. Maar op zichzelf. Ik vrees echter, dat ze niettemin op den rug van haar jongen die woede gekoeld heeft. Zoo zijn wij, opvoeders. Sterk—in de correctie. Waarbij dan de slagen vallen op de slachtoffers onzer nalatigheid.

We verwaarloozen eerst. En dan maar straffen.


KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL.

De kleintjes zaten in de voorste rijen, en naargelang je ouder en grooter werd, schoof je naar achteren.

Ik heb een idee, dat ik als kleintje van zes jaar ook op de eerste bank heb gezeten, dat ik gaandeweg in 't midden kwam, en geleidelijk de laatste banken bereikte.

't Waren gewone banken zonder leuning, op drie pooten. Een heele rij achter elkaar. En vóór dit bankenregiment stond als kommandant een catheder, hoog boven de lage, platte banken uit, een generaal te paard voor zijn soldaten.

We zaten daar 's Zondagsmorgens, heel stil, het petje in de handen, dat soms in de rondte begon te draaien, de ronde band tusschen de kleine vingertjes door, en dan weer vermoeid tusschen die vingertjes neerhing, of ook, plotseling, tusschen de vingertopjes uitviel op den grond. Die vingertopjes werden dan wat suf van het aldoor vasthouden en lieten het petje los, zonder dat ze het zelf wisten. Ze moesten onophoudelijk aan het petje denken, en konden daardoor niet zoo goed luisteren naar den meneer in den catheder.

Daarbij kwam nog, dat het eene handje ook twee halfjes moest bewaren, een voor het zakje en een voor het negertje. Het zakje ging rond en vroeg voor de armen, het negertje stond op een tafel en vroeg voor de heidenen. Die halfjes werden zoo heet in je kleine, vochtige handpalmen, maar je moest ze ook goed verstoppen in de dichtgeknepen handjes. Een halfje op straat verliezen, was een jammer van groote beteekenis. Broekzakken hadden de kleine jongetjes nog niet. En daarom waren de halfjes alleen maar veilig in den heeten oven van hun kleine brandende handjes. Het was een heele verlossing, als ze daaruit weg mochten, vochtig warm in het zwarte zakje of in het hoofd van 't metalen negertje, dat ook voor de kleinste gave dankbaar knikte.

Zoo hebben we daar gezeten, Zondag aan Zondag, telkens van 10 tot 12 uur, dus twee uur achtereen, in een klein, laag, benauwd lokaal—hetzelfde, waar we in de week bewaarschool hadden bij juffrouw Fietje. En dan gingen we er 's middags nog een uur ter Zondagsschool. Ik denk, dat het niet gezond was.

Nu, uit de verte gezien, vraag ik me af, wat de bekoorlijkheid van die uren was, want bekoorlijk waren ze. En dan denk ik allereerst aan het schoone, blauw-gestreepte katoenen kieltje, met het witte kraagje er in geregen, en het witte linnen broekje met korte pijpjes. Moeder had die alle gewasschen en gestreken en het was een heel genot, daar 's Zondagsmorgens in gestoken te worden als jongetje van zes, zeven, acht jaar, en er dan mee naar de kinderkerk te wandelen. Daar was iets voornaams, iets deftigs in. Je liep, stijf gestreken ventje, blinkend figuurtje, de halfjes in de linkerhand, netjes over de kleine steentjes. In heel je kleine lichaampje werkte nog Moeders waarschuwing, om toch vooral je goed niet vuil te maken. En de strakke voornaamheid van je glanzende kleertjes deelde zich aan den drager mee. De weg van huis naar de kinderkerk, nauwelijks drie minuten, was kort genoeg om ons buiten alle verleidingen te houden.

Maar behalve die ijdele uitwendigheden oefenden nog andere factoren hun invloed uit.

* *

Hebt u nooit eens gehoord van meneer Beekman en meneer Seeze? Nu, ge ziet, ik ken hun namen nog, en ze dateeren toch uit het Germanentijdperk van mijn levensgeschiedenis.

De eerste was klein en vriendelijk. Zijn oogen en zijn mond glimlachten ieder kind een onuitgesproken welkom toe. Een zachte, vriendelijke man.

De tweede was lang en statig. Maar ook vriendelijk, schoon op een andere manier. Hij glimlachte niet, maar groette beleefd.

De eerste trok meer dan de tweede. Voor den eerste zou je gauwer je zonden belijden. Heel zijn houding, heel zijn gelaat was een uitnoodiging: Vertrouw me maar, want je ziet wel, dat ik veel van je houd. Wanneer ik nu aan hem denk, valt mij het lied van Moody en Sanky in: „Kom tot uw Heiland, toef langer niet.”

Een man, wiens heele persoonlijkheid een uitnoodiging is van zúlk een kracht en van zúlk een aard, nu, dat is een geboren opvoeder, al is hij maar een zondagsschoolmeneer en van zijn vak koekbakker. Want dat was hij.

Is het niet eigenaardig, dat ik zijn vak wist, en dat van zijn medewerker niet? Dat is voor mij een bewijs, hoeveel dichter hij bij de kinderen stond. De ander was een ernstige verschijning, maar loste zich op in de nevelen van vormlijkheid en deftige statelijkheid. Meneer Beekman kwam uit de nevelen zijner predikatie hoe langer hoe dichter bij je en werd daardoor hoe langer hoe concreter. Je liep aan zijn hand vertrouwend mee. Voor den ander zette je, op een afstand, eerbiedig je petje af. We wisten ook precies, waar meneer Beekman woonde, en ik weet het nog. Maar de ander woonde „ergens”. Eigenlijk dacht niemand er aan, of hij woonde. Hij verscheen en verdween. Zijn kleine, glimlachende medewerker verscheen en bleef, bleef ook als hij weg was.

Van meneer S. wist ik niets geen kwaad, o neen, gansch niet. Hij was stellig een brave man, maar hij bleef buiten de kindersfeer. Dat zie ik nu zoo duidelijk. En die vriendelijke kleine was er dadelijk in, reeds als je hem bij 't binnenkomen een hand gaf, ja nog vroeger: als je hem bij 't binnenkomen zag.

Kinderen voelen je. Ze voelen je echtheid. Ze voelen je genegenheid. Ze voelen, of je hand ze verwelkomt of dat het evengoed een handschoen had kunnen zijn.

Welnu, behalve mijn schoon gewasschen en stijf gestreken zondagspakje, was ook meneer Beekman een stuk bekoorlijkheid van de kinderkerk. En daaruit kan nu iedere onderwijzer en iedere zondagsschoolmeneer en iedere dominé zien, hoeveel er van hem afhangt, van hem persoonlijk. Het mooiste gebouw en de geriefelijkste lokaliteit kunnen weerzinwekkend worden, door een mensch. En zoo'n armelijke, ouderwetsche bewaarschoolschaapskooi kan door één man zoo aantrekkelijk worden, dat een vrijheidlievend, speel- en zwerfgraag stuk straatjongen er week aan week zijn kostelijken zondagmorgen wil doorbrengen, terwijl buiten alles lokt en bloeit.

Eén mensch. En nog wel een onbestudeerd mensch. Een koekbakker. Maar—een kindervriend!

Dat was het heele geheim. De man kwam daar niet, om zichzelf te hooren preeken, maar omdat hij de kinderen zoo lief had. In die liefde zat zijn beste preek.

* *

En of ik nu nog iets weet van zijn eigenlijke preeken?

Niets.

Dus daaruit blijkt, dat hij die net zoo goed had kunnen nalaten?

Dat durf ik nog niet zoo aanstonds te zeggen.

Op een weiland staan millioenen grasjes en als je die stuk voor stuk vroeg naar wat ze zich nog herinneren van alle regenbuitjes in 't vroege voorjaar, zouden ze daarvan niets meer weten te vertellen. En toch is al dat water niet langs hun gladde lijfjes nutteloos weggevloeid. Ze zijn er van gegroeid. Ze herinneren zich niets meer, maar niettemin is het vergetene in ze. 't Is een deel van hun leven geworden. Is dat niet de beste herinnering?

Wat weet ge, aan feiten, nog van de dagelijksche moederzorg, waaronder ge groot zijt geworden? Wat weet ge van al de ernstige woorden, door ouders en meesters tot u gesproken? We zeggen het zoo licht, dat al die woorden langs ons weggedropen zijn. Maar ik heb een vermoeden, dat ze ons toch hebben gedrenkt.

Ga ik mijn jeugd na, dan herinner ik me alleen de bizondere voorvallen, maar van de gewone, dagelijksche invloeden heb ik alleen een stemming bewaard. En nu zou ik uit de stemming, die aan de kinderkerk verbonden is gebleven, een heel stuk opvoedende kracht durven afleiden. Zooals een kenner der oudheid uit enkele brokstukken marmer een geheelen Griekschen tempel reconstrueert, zou ik een heelen zondagmorgen kunnen schetsen. Daar was dan geen enkel geconstateerd feit in, en toch zou de heele schets waarheid kunnen zijn.

Uit het geheugen geraakte invloeden zijn daarom niet verloren. Ze zijn omgezet in geestelijke kracht. Nog eens, is dat niet de beste herinnering?

Hoezeer ik reden heb, gunstig over het gepreek te denken, blijkt wel uit het feit, dat ik thuis in allen ernst kerkje speelde. Dan zette ik twee stoelen met de ruggen naar elkaar. Dat was de preekstoel. Op de beide randen der rugleuningen legde ik den Bijbel. Liggende met de knieën op den eenen stoelmat, las ik uit den Bijbel voor en liet de gemeente opgegeven psalmen en gezangen zingen. De gemeente bestond uit Vader, Moeder, zus Christine en wellicht nog een paar anderen. Allen hielden zich ernstig. Dat weet ik nog heel goed, want het minste blijk, dat men er, mij ten gerieve, een spelletje van maakte, zou me diep gekrenkt hebben en driftig hebben doen wegloopen. De kerkgangers hielden zich voortreffelijk.

Maar meent ge, dat ik ooit lust had het schoolleven in de huiskamer te halen? Dat lag onder den ban van een killen haat. Hoe minder ik er aan dacht, hoe beter. De school bestond thuis niet voor me. Echter wel de kinderkerk. En langen tijd heette het zelfs, dat ik maar dominé moest worden. Nu zat er wat predikantenbloed in de familie, waar Grootvader en twee ooms dominé waren. Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Die zat bij den koekbakker. Deze beminnelijke christen wist zijn liefdewerk in mijn kinderoogen zoo bekoorlijk te maken, alsof hij een tramconducteur of koetsier was geweest. En dat wil heusch wat zeggen, want gelijk ieder weet, wil iedere jongen graag conducteur of koetsier worden. Welnu, meneer Beekman maakte zijn kinderkerk aantrekkelijk.... als een omnibus.

* *

Nog een wonderbare tegenstelling met de school ligt me in 't geheugen. Ik weet niet, dat ik ooit voor de school lessen leerde. Voor de zondagsschool leerde ik mijn teksten en psalmversjes graag. Nog zie ik die kleine bonnetjes, net etiketpapiertjes, waarop aan de eene zijde een tekst en aan de andere een vers gedrukt was. We kregen er elke week een mee en ik beijverde me steeds, die „les” goed en gauw in 't hoofd te werken. Aan wien was dat anders te danken dan aan den koekbakker?

In mijn tooneelstukje „Tóch Timmerhout” komt een ondeugende jongen voor. De schoolmeester weet hem niet te pakken, wil hem zelfs van school jagen. Maar een oude timmermansknecht grijpt den bengel in 't hart en redt hem. Men heeft me wel eens verweten, dat ik zoo de rollen had omgekeerd en een timmermansknecht tot paedagoog gemaakt. Maar als het leven mij dat nu eens aan de hand had gedaan? Als in dat tooneelstukje nu eens een stuk levenservaring stak? De maatschappelijke werkkring klopt niet altijd met den aanleg. Daar was een koekbakker, die ons opvoedde. En hoe menige opvoeder moest maar liever koek gaan bakken?

Er zijn menschen geneigd te zeggen: Het was de kracht van Gods Woord, het was de werking van Zijn Heiligen Geest, die je de teksten en psalmverzen zoo graag en grif deed leeren. En dan knoopen ze hieraan een heele beschouwing vast, alsof er in die Bijbelwoorden een zekere geheime tooverkracht stak. Maar ze vernederen derwijze de zieleuitingen van een vroom gemoed tot amuletten, maken van den Bijbel een soort magisch boek. Neen, het was niet de mystieke kracht van die Bijbelwoorden. En het was toch die kracht. Maar het was die kracht, levende, werkende in het nietige persoontje van onzen christelijken christen.

Ik weet van een schoolcatechisatie ('t was niet bij mij), waar de kinderen ook teksten en psalmverzen moesten leeren, maar waar die heilige woorden absoluut geen kracht hadden. De jongens bedankten hun leermeester wel lekker, om zich wat moeite te geven en maakten van hun papiertjes, „vrome” papiertjes, propjes, waarmee ze mekaar beschoten en het lokaal ontsierden. Eens bij zulk een les maakten de bengels het zoo bont, dat de arme catechiseermeester in radeloosheid uitriep: „Jelui bent van den duivel bezeten. Die heerscht hier in het lokaal. Maar straks zal de Heere Jezus zelf komen, om jelui af te straffen.”

De deur ging open, en binnentrad: de bovenmeester, een volslagen atheïst, die van den heelen godsdienst niets weten wou. Aanstonds waren de bengels op hun plaats en zaten doodstil.

Zijn tegenwoordigheid was genoeg, om alle duivelskunsten te bezweren.

Maar nu is de vraag: Wie was de duivel, die in het lokaal heerschte? Was dat niet de officiëele vertegenwoordiger van den godsdienst met een heel pak tekstpapiertjes? Al die machtvolle woorden werden satansmiddelen. En wie wist hier, als Christus op de wateren, den storm te bezweren? Dat was de totaal ongeloovige vertegenwoordiger van de driewerf verfoeide openbare school.

Wie meent dat de teksten zullen ordehouden en opvoeden, heeft het glad mis. En toch doen die teksten het, maar niet die bloote woorden. Neen, hun inhoud, hun geest, moet realiteit zijn geworden in hart en leven van den opvoeder. Waar dit het geval is, daar is de ware „School met den Bijbel”. En waar dit niet zoo is, daar heb je een heidensche school, ook al liggen de kasten vol bijbels en leeren de kinderen heel het nieuwe Testament uit het hoofd.

* *

Nu zal deze of gene zeggen: „Ah, daar heb je Jan Ligthart. Nu komt de aap uit de mouw. Hij wil niet, dat de kinderen Gods heilig Woord lezen en leeren, en om dat te bestrijden, gebruikt hij zijn Jeugdherinneringen.” Maar ge hebt het mis, lieve vrienden, hee—le—maal mis.

Ik ben wat blij en dankbaar, dat ik als kind zooveel teksten, psalmen en gezangen geleerd heb en niet alleen wil ik tot mijn collega's van de christelijke school zeggen: Ga voort op dien weg, maar zelfs zou ik als openbaar onderwijzer graag hun voorbeeld volgen. Er zijn heel wat woorden en liederen in Bijbel en psalmboek, die voor allen een levenvormende kracht bezitten. En al zouden een zeker soort Bijbelgeloovigen smalend zeggen: „Je moet den heelen Bijbel nemen, anders is het niet het echte,” ik meen te mogen aannemen, dat ook zij uit dien heelen Bijbel een keuze doen en hun kinderen maar niet alles doen memoriseeren.

Blij en dankbaar. Dat ben ik inderdaad. Hoe vaak hebben mij die woorden in uren van eenzaamheid en strijd verkwikt en gesterkt.