WeRead Powered by ReaderPub
Jeugdherinneringen cover

Jeugdherinneringen

Chapter 16: GOEDE SCHOOL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A series of intimate childhood recollections traces early domestic life, neighborhood scenes, and formative moments in early schooling. The narrator recalls parental storytelling, specific household incidents, routines and rituals at nursery school, the sensory details of streets and bridges, playful teasing by siblings, and personal anxieties such as bedwetting. Short episodic chapters combine vivid descriptive memory with reflections on how ordinary names, habits, and modest embarrassments shape lasting impressions of family, language, and early moral education.

Zalig hij, die in dit leven
Jacobs God ter hulpe heeft,
Hij die, door den nood gedreven,
Zich tot Hem om troost begeeft,
Die zijn hoop in 't hachlijkst lot
Vestigt op den Heer zijn God.

Dit vers had ik maar in mijn eentje op te zeggen, regel na regel mij bewust makende, en de nood werd zegen. Hoe goed is het, wanneer in moeilijke tijden zulke woorden in ons gereed liggen en dan vanzelf opborrelen als water in de bron, het dorstend gemoed lavend. Natuurlijk konden die woorden dat nooit doen, als ze niet levenswoorden waren, dragers van zielservaringen, en als ze niet door hun innig menschelijken toon onze eigen gemoedsbewegingen deden meetrillen.

En dan dat andere:

Leer mij, Vader, U verbeiden,
Volgen waar Gij ons wilt leiden,
Steunen op uw trouw en macht,
Psalmen zingen in den nacht,
Hooren wat Gij ons wilt leeren,
Uw bevel met daden eeren,
En voor de uitkomst willig blind,
Stil zijn als 't gespeende kind.

Dat „psalmen zingen in den nacht”, dat juichen in de duisternis, dat jubelen in de ellende—het is de heerlijkste vrucht van het geloof. Een geloovige is wel de grootste egoïst: Hij wil zelfs zalig zijn in de rampzaligheid. Hij wil den vrede des harten, neen de blijdschap des harten genieten, ook als alles hem ontzinkt, alles—behalve het eene noodige: het volle vertrouwen in Gods Vaderliefde. „Met mijn God spring ik over een muur,” roept de psalmdichter uit. Zonder zijn God is hij niets.

Kent ge een mooier uiting van vertrouwenvolle gehoorzaamheid dan die twee woorden „willig blind”? Onlangs sprak ik een man van veel smartelijke levenservaring. Hij was wat de menschen een ongeloovige noemen. En toen hij zoo een en ander uit zijn leven verhaald had, zei hij: „Weet je, wat ik vooral geleerd heb? Dat we ons leven niet naar onzen zin hebben te maken. Dat we hebben te vragen, wat God van ons wil. En dan maar gehoorzaamd, willig blind voor de uitkomst.”

Ik verstond hem. Die twee woorden „willig blind” vonden weerklank in mijn eigen ervaringen. 't Is niet de blindheid der dwaasheid, maar de blindheid der wijsheid. Wat de uitkomst moge zijn, we vragen er niet naar, mits we zeker zijn van onze richting. En die zekerheid verwerven we, als we—zoo moet het—Zijn bevel met daden eeren. Woordeneer wordt er genoeg gebracht, veel te veel. Maar hooren, wat Hij ons wil leeren, en dan: Zijn bevel met daden eeren, alleen luisteren en doen, in plaats van praten en stilzitten—dat is de eisch. De verzuchting van dit waarlijk vrome lied heeft menig hart gesterkt. Zou ik niet dankbaar zijn, dat ook ik het voor mijn zondagsschool-meneer had mogen leeren? Voor mijn zondagsschool-meneer, maar dat was eigenlijk: voor mezelf en niet slechts voor mijn kinderjaren, doch voor mijn gansche leven.

* *

Hoe kwam het, dat ik op zekeren Zondag de kinderkerk verwisselde met de groote kerk? Ik weet het niet, maar het was een proef, waarvoor ik bezweek.

De groote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Die afstand was te groot. Onderweg waren er te veel verleidingen. We verkochten onze kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hooge stoepen op en af en telden de brievenbussen. Dit was een wedstrijd. Mijn broer en ik, soms een zusje er bij, speelden, wie de meeste brievenbussen zag in de deuren der huizen. Dan holde de een den ander voorbij, om het eerst een bus te ontdekken. De vlugste won het natuurlijk, want die kaapte al de bussen voor de anderen weg.

Op die manier moesten we, steeds op een drafje loopend, wel tijdig in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen we eenmaal ervaren hadden, dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde steenen bruggen, de oude iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zoo vredig zijn. Vooral onder kerktijd liepen er maar weinig menschen. Gereden werd er haast niet. Een enkele platte zolderschuit lag ledig tegen den wal. Het water weerspiegelde huizen en boomen en bruggen en den hoogen witbewolkten hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog. Kinderen behooren niet in de groote kerk, net zoo min als in de societeit.

De enkele malen, dat mijn vader meeging, moesten we natuurlijk wel de heele preek bijwonen. Dan luisterden we echter niet. Ik zag den dominé zijn gebaren af, om die thuis te kunnen navolgen, en hoorde hoe hij de psalmverzen afkondigde: „De gemeente gelieve te zingen van.... Ik herzeg....” Die deftige woorden en vooral de toon waarop ze werden uitgesproken, hadden een zekere bekoring. Thuis bij mijn eigen preeken zei ik ze plechtig na. Meer bracht ik uit de kerk niet mee. Toch zat ik me niet geheel te vervelen. Er hingen aan lange pijpen gaskronen, en nu klauterde ik in mijn verbeelding aanhoudend het heele gebouw rond. Ik klom in een hoogen pilaar, greep een daar langs geleide gaspijp, kromde er mijn vingers om, enterde langs de zoldering, liet me langs een andere gaspijp weer zakken, bezocht den preekstoel, het orgel. Het waren gevaarlijke reizen, maar mijn verbeelding stond voor niets. Was het noodig, dan maakte ik een luchtsprong en kwam immer op het gewenschte punt terecht. Geen rand zoo smal, of ik kon er langs. Soms speelde ik op die manier krijgertje. Een makker liep en sprong en klom me na. Hij zat me dicht op de hielen. Dat gaf een spanning. Maar ik waagde alles, om aan zijn greep te ontkomen, gleed langs de orgelpijpen, kroop door open vensters.. heerlijk!

Wat moest een kind toch beginnen zonder verbeelding. Het zou zijn godsdienstige opvoeding, „onder het geklank van Gods heilig Woord”, eenvoudig niet kunnen verdragen. Maar gelukkig heeft Onze lieve Heer het arme schaap de toovermacht der fantasie geschonken, om zich over de dwaasheden der volwassenen te kunnen heen leven. En zoo kan het de ellenden doorstaan, die ouders en meesters hem tot zijn heil opleggen. Eén ellende heeft me echter te zeer gedrukt en dat kwam, omdat mijn fantasie haar verergerde. Men moet mij verteld hebben van de hel. Maar wie? Dat kan toch onmogelijk meneer Beekman geweest zijn. Maar wie dan? Zijn medewerker? Of zou hij het toch geweest zijn, meenende dat een kind niet tot God kon worden gebracht dan door het hellevuur?

Vreeselijk heb ik daaronder geleden. Dat ik dag aan dag zondigde, wist ik maar al te goed, en hieromtrent zal de lezer ook wel niet in 't onzekere zijn. Ik moest dus, ik móést—neen, niet verbrand worden, maar eeuwig branden. Eeuwig. Stel u dat eens voor. Nooit een einde aan die folterende pijn—nooit, nooit. Die gedachte was al een hellesmart.

O die vreeselijke gewisheid van het onontkoombare. Kon ik maar terug naar het niet-geboren-zijn. Maar dat was onmogelijk. Ik leefde eenmaal, dat was niet meer ongedaan te maken. En sterven baatte niet. De dood was de overgang tot eindelooze marteling van nooit verterende vlammen.

Ik weet zeer positief, dat ik toen de planten en de dieren benijdde, dat ik er de boomen en de koeien jaloersch op aankeek, dat ze geen onsterfelijke ziel hadden. Ik weet, dat soms, plotseling, midden in mijn spel, de angst der hel me aangreep, als een vergif dat begon te werken. Maar ik weet ook, dat die angst mij nooit van het kwade heeft afgehouden. Ze bedierf veel, en maakte niets goed.

Zou de godsdienstige opvoeding, of wat men zoo noemt, geen afstand kunnen doen van dit onchristelijk kindergemartel?

Meneer Beekman heeft ons iets beters geleerd. Hij zei—en ook dit weet ik nog zeer positief—dat we elken avond, na ons gebedje, nog moesten zeggen: „Heere, schenk mij Uwen heiligen Geest. Amen.” Anders niet dan die paar woorden.

Dat heb ik trouw gedaan, jaren achtereen. Of het geholpen heeft?

Alleen weet ik, dat vaak, wanneer de verzoekingen van buiten, maar vooral wanneer de lage neigingen van binnen het mij, volwassene, al te benauwd maakten, de verzuchting in mij oprees: „Uw heilige Geest, o Heer!”

En die verzuchting—was mij een verhooring.


VERANDERING.

Door verlies tot winst. Hoe vaak heb ik dat in mijn leven ervaren. En toch, telken keer als ik weer iets verlies, kijk ik zoo zeer het verlorene na, dat ik verzuim het nieuw gewonnene op te merken. Een mensch is toch zoo hardleersch, al heet die mensch een paedagoog.

Het ging immer slechter met den kruidenierswinkel. Crediet was er niet meer. Geen grossier wilde zonder contante betaling leveren. Zoo was mijn vader genoodzaakt zijn inslagen te doen bij kleine hoeveelheden, waarmee hij natuurlijk een winst van eenige beteekenis dierf. Het was een dag aan dag tobben en worstelen om staande te blijven. Wij, jongens, moesten b.v. vijf pond suiker of koffie koopen in een grooten winkel, ver uit de buurt en liefst 's avonds opdat men 't niet zien zou, en dan werden die weer bij onsjes en halfonsjes verkocht. De winkelklanten zakten, bij het kariger en minder worden der waren, steeds meer in aantal en gehalte. Alleen de ver weg wonende uitbrengklanten bleven trouw, uit onkunde. De winkel was als een innerlijk verzwakt rijk, dat nog alleen teerde op de inkomsten der verwijderde wingewesten. Zij, daar in de verte, zagen niets van de toenemende verarming, leefden in ongeschokt vertrouwen op den ouden naam bij den angstvallig bewaarden schijn.

Een achteruitgaande zaak is als een door ziekte beslopen mensch. De eertijds gezonde en krachtige wil 't niet weten. Hij houdt zich goed tegenover anderen, maar meest tegenover zichzelf. Hij sluit zijn oogen voor de waarschuwende verschijnselen. Hij forceert zijn krachten. Vergeefs. De ziektekiemen vermenigvuldigen, verspreiden zich, en strijdensmoede, verwonnen, moet de worstelende zich toch eindelijk overgeven.

Wilde men 't maar tijdig inzien en erkennen. Dan werd er niet zooveel goed geld naar kwaad geld gesmeten, gelijk ons handelsvolk het typisch zegt. Maar wij veinzen de ongunstige teekenen weg. Wij struisvogelen. En eerst wanneer alle geld, alle kracht verbruikt is, dan laten we ons op genade of ongenade los. Als we niet meer kunnen, dan pas zinken we ineen. Dat is zoo menschelijk. En daarom is 't ook zoo kinderlijk. En niet alleen op geldelijk en lichamelijk gebied. Evenzeer openbaart zich die zwakheid op moreel gebied, en daar te gevaarlijker, omdat moreele achteruitgang niet door meten en wegen wordt geconstateerd. Minder geld in de winkellade is een feit. Wie er zijn oogen voor sluit, voelt het toch in zijn hand. Minder lichamelijke weerstand evenzeer. Maar zedelijke verslapping ontgaat ons zoo licht, omdat ze meestal gepaard gaat met de bevrediging van allerlei neigingen. Al genietende gaan we ten gronde. De geldgierige ziet met zooveel genot zijn geld vermeerderen, dat hij de vermindering van zijn barmhartigheid niet opmerkt. De zinnelijke zweeft van de eene bedwelming in de andere. Eerst wanneer al onze moreele kracht verwaarloosd is, en we hiervan de ellendige gevolgen gaan ondervinden, geven we ons zedelijk failliet, om pas daarna aan onze rehabilisatie te werken, of—te bezwijken.

De winkel ging over in andere handen en wij verhuisden. Doch eer we nu voor goed afscheid nemen van deze buurt en ervaren, hoe de verslechtering op verbetering uitliep, willen we nog een paar figuren gedenken, die voor mij onafscheidelijk aan dit wereldje gebonden zijn.

* *

En dan komt allereerst aan de beurt ons perehietvrouwtje.

In 't najaar, als 't koud en mistig was bij donker weer en killen motregen, zat 's avonds een oud vrouwtje, in een dikken doek gewikkeld, de armen goed verstopt, achter een ijzeren pot met houten deksel, die boven een vuurtje stond te warmen. Het vrouwtje zat op een hoogen stoel, altijd een stoof onder de voeten. Een gebogen figuurtje, rond oud hoofdje boven een wat gekromden rug, met bijna geen hals. En dan riep ze nu en dan met hooge stem: „Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!” Dat „hie-ie-iet!” steeg hoe langer hoe meer in de hoogte en werd aan 't eind in de scherpe t plotseling afgesneden, nadat het eerst op de ie een poos zingend gezweefd had.

Het vrouwtje zat altijd op haar vaste plaatsje, in de Eglantiersstraat, vóór een smalle gang, waardoor ze, uit het achtergelegen woninkje, met haar zaakje naar de straat was gesukkeld. Ze sjouwde waggelend stooktafeltje, vuurtest, ijzeren pot, stoel, en stoof een voor een naar voren, zette daar het zaakje in elkaar, en ten slotte als laatste stukje meubilair zichzelf er bij. Met haar stoel en tafeltje en dampenden ijzeren pot vormde ze, even onbewegelijk als de andere onderdeelen, één aaneengesloten groepje.

Nu en dan kwam er verandering in haar houding. 't Was vooreerst als ze haar „warme, lekkere perehiet!” aanprees. Dan rees de gestalte een weinigje omhoog, als bij een haan die begint te kraaien ging het hoofd een ietsje naar boven, en kwamen de zingende klanken uit de oude keel. Maar de beweging was vooral niet ruimer dan de longen voor den zingschreeuw noodig hadden, en nauwelijks was haar perehiet de lucht in gekraaid, of hoofd en lijfje zakten weer ineen, bang dat de kou komen mocht in de ruimten van het even uitgeplooide figuurtje, en daar zat ze weer, gebogen achter haar standje.

De tweede gelegenheid dat ze zich een beetje uiteenwikkelde was de verschijning van een kooper, steeds een man of een jongen. Ik heb nooit een vrouwelijk wezen aan haar tafeltje gezien. De kooper legde zijn cent neer. Dan tilde zij met den mageren rechterarm—de linker bleef onder den doek—het houten deksel op, zette dit schuin ter zij, nam de stalen vork, prikte in het dampende water, haalde een peer naar boven en reikte dien den kooper toe, die een heelen toer had om te genieten van den heeten peer zonder zich te branden. Gewoonlijk pakte hij den peer bij den steel beet en liet hem meteen op de linkerhand liggen om te verhoeden dat hij weer in 't water viel. Maar, al was 't mistig koud, voor die linkerhand was de peer toch wel wat heet, en dadelijk begon de kooper dan maar te eten. Zoo warm in den mond en in de maag, dat deed hem goed. Nog een peertje, want je kreeg er twee voor een cent, en het deksel ging weer op den pot, de cent in een kommetje, de rechterarm onder den doek, en daar zat het vrouwtje weer: „Warme, lekkere pere-hie-ie-iet!” Een mooi, zacht verlicht groepje tegen den achtergrond van de donkere gang.

Meermalen heb ik ook zelf een cent of een halve cent bij haar genoten, en nog voel ik den strijd van de drieledige keus: den heeten peer in de hand houden, in den mond, of in de maag. 't Was alles al even erg, en—even heerlijk. Zoo'n weldadige hitte in den kilnatten avond.

Vies? Dat armoedige vrouwtje, het troebele water, het vuile vorkje, dat op het tafeltje lag in stof en nattigheid? Vies? Daar dachten we nooit aan. Vieze varkens worden niet vet. En als dat zoo ongezond was, zou dat vrouwtje toch ook niet zoo oud zijn geworden. En al die mannen dan, die ook even in 't voorbijgaan een warme verkwikking genoten? Ze waren voor hun cent beter af bij 't perehietvrouwtje, dan een eindje verder voor hun vier centen bij „De Bisschop”, waar ze jenever kregen uit een vaatje met blinkend koperen banden in een kristalhelder glaasje, ook warm in den mond en in de maag, maar een pest voor 't lichaam en voor 't huisgezin. Het perehietvrouwtje vormde in haar sjofele verschijning een armoedige en ook onzindelijke figuur tegenover die nette herberg. En toch? Het was den mannen beter op de modderige straat bij haar donker stalletje dan op den zoo keurig met wit zand bestrooiden vloer bij de geregeld gereinigde toonbank.

Maar wat dreef ons, jongens, nu, om dat vrouwtje na te galmen? Nauwelijks hoorden we, dwalend door de straat, de sympathieke stem roepen van

Warme, lekkere perehiet-ie-iet,

of wij rijmden en riepen in denzelfden toon:

Ik lust ze wel, maar ik krijg ze nie-ie-iet.

En geregeld werd haar geroep, nu uit deze dan uit gene richting, door die echo gevolgd. Soms zelfs kwamen ze uit verschillende richtingen te gelijk.

Waarom deden we dat toch?

Om 't vrouwtje te plagen?

Absoluut niet. We voelden voor haar met zekere teerheid. Ze schold nooit, dreigde nooit, zat als een oud muschje maar stil inééngedoken, deed niemand kwaad. We misten haar als ze er niet was. We genoten, onbewust, van haar aanwezigheid. Niet alleen van haar heete peertjes, maar ook van haar verkwikkende verschijning, zooals we van een mooie plaat of een gezellig boekenrekje in de huiskamer genieten. Ze gaf toon en stemming, koesterend en rustgevend, aan onze straatatmosfeer. Waarom schreeuwden wij haar dan na?

Ja, waarom?

Omdat we 't niet laten konden, zoo min als de ruiten 't laten konden het vlammetje van de straatlantaarns te weerkaatsen. We bedoelden er heelemaal geen kwaad mee, heelemààl niet. We zouden 't vrouwtje beschermd hebben tegenover ieder die haar overlast wilde aandoen. Maar dat gekraai van ons hoorde er nu eenmaal bij. De hanen in de buurt gaan immers ook alle aan 't kraaien, als er een begint? Die eene stem wekt alle hanekelen in den omtrek; ze prikkelend met de hemel weet wat. En zoo ging het ook hier. Droomerig, de handen in den zak, slenterden we door de straten, en schreeuwden onze nagalmen het schemerduister in.

De groote menschen denken daar wel eens anders over, vooral zij die op jongensondeugendheden moeten letten, zooals politieagenten en onderwijzers. Die zien er boos opzet in. Maar ze zien verkeerd. Natuurlijk kan zich in dat naschreeuwen moedwillige plagerij uiten, maar die booze geest kan ieder middel, ook het onschuldigste, gebruiken om zijn leelijken lust te bevredigen. Doch het echo-en op zichzelf is—ik wil ook wel eens een geleerden term gebruiken—zuivere reflexbeweging. En daar mogen we wel aan denken. Het stemt ons vergevingsgezind ten gunste van de jongens—en ten bate van onze eigen gemoedsrust.

* *

Een tweede figuur was de houthakker.

Wat was het toen toch een leuke tijd. De menschen werkten nog zoo schilderachtig aan de straat. Mijn vader moest daar geregeld eens in de veertien dagen koffiebranden. Men weet natuurlijk wat dat is. Hij ontving de koffieboonen rauw, een paar zakken vol van die geelwitte boontjes, en dan werd er op bepaalde tijden een hoeveelheid gebrand, niet te veel te gelijk, omdat ze anders hun geur verloren, en die werden in den winkel verkocht, al of niet gemalen. Dat malen geschiedde ook al bij kleine portie's en liefst in tegenwoordigheid van de koopster, zoodat het kostelijke aroma niet vervluchtigen kon in den winkel, maar telken keer bij het zetten de kameratmosfeer der koopsters kon vervullen.

Koffiebranden. Op de straat, bij den waterkant, werd de vuurhaard gelegd, daarboven de liggende, cilindervormige, zwarte, ijzeren trommel aan het spit gehangen, de trommel gevuld met rauwe boonen, het vuur aangemaakt, een vuur van talhouten, en dan maar draaien. De liggende cilinder draaide om zijn as, de boontjes rolden mee, en die werden onder de hand door de warmte geroosterd. Dat draaien was een werkje voor den winkelknecht of voor ons. Soms werd het een oogenblik gestaakt, als Vader onderzoeken moest, of de boonen al gaar gebrand waren. Dan schoof hij met een ijzeren lepel een schuifje van den trommel open en schepte wat donkerbruine boontjes naar boven. Wij stonden er met den neus bij, genoten van den opwekkenden geur, en luisterden naar het eigenaardig knetteren en spatten daar binnen in die donkere ruimte. Wat was dat alles heerlijk: het vuurtje stoken, het draaien, het gewichtig onderzoek van je Vader, het ruiken, het hooren. En dan, als 't koud was, zoo'n paar arme jongens er bij, zich koesterend aan de vlammen, soms zelfs een paar volwassenen. O, wat weet ik alles nog goed. Toch zonder meester geleerd, zonder school. Het leven was de school, de ervaring de meesteres.

Zooals mijn vader recht had op dat plekje straat voor zijn koffiebranderij, beschikte een eind verder de houthakker over een stukje grond aan den waterkant voor zijn hakkerij. Hij woonde in een kelder, sjouwde zijn hakblok naar buiten, dan zijn hout en zijn bijl, en hakte. Maar 't was een onvriendelijke man. Dat hij klein en dik was, kon hij niet helpen, ook niet, dat hij dientengevolge bij zijn werk erg zuchtte en zweette, maar dat hij ons uitschold en wegjoeg, als we zoo gemoedelijk aanzagen, hoe het scherp van zijn bijl het hout kloofde, dat kon er niet mee door. En dat wegjagen kwam, omdat wij hem nazuchtten.

Zie je, in dien houthakker stak geen kindervriend en geen paedagoog, zooals in het perehiet-vrouwtje. Het sprak toch vanzelf, als wij met hem meeleefden, als wij de bijl zagen rijzen, ver boven zijn hoofd, zagen neerschieten in het hout, als wij met ons volle hart die bewegingen meemaakten, dat wij dan ook zuchtten. Dat snapte die man niet. Zijn wantrouwende ziel zag plagerij in wat.... sympathie was. En zoo máákte hij ons meegevoel tot plaagzucht, want nu konden we hem niet over de straat zien waggelen, of we haalden al de lucht tot uit onze teenen toe, en zuchtten hem die uit de verte al tegen.

Nu op een afstand gezien, was hij zoo'n mooie figuur in de buurt. Zonder hem was die gracht daar zoo leeg. Zijn verschijning bracht teekening in het brokje leven. Waarom moest nu die man zoo'n brombeer zijn. Had hij vriendschap met ons gesloten, hij zou eens ervaren hebben, wat jóngenshulp beteekent. We zouden stellig, uit eerbiedvol medelijden met zijn dikte en diepe zuchten, heel wat voor hem gesjouwd hebben. Maar nu—hij maakte vrienden tot vijanden. Hij verstond het jongenshart niet. En zijn eenige paedagogische waarde is, dat ik nu, jaren later, zijn waarschuwend voorbeeld aan mijzelf en anderen kan voorhouden met den raad: Spiegelen we ons er aan!

* *

Nu volgt onze lieve Mietje de Porster.

Wat hebben die vrouwen toch, dat we haar zoo gauw lief vinden.

Zij was maar porster en ze heette Mietje, twee hinderlijkheden die ze tegen had, want wie wordt er nu graag gewekt—we slapen liever door met al onze ongerechtigheden—en wat zit er nu voor poëtisch in den naam Mietje.

Stel je voor een vrouw die Mietje heet, en die 's morgens vroeg met een dikken stok op je deur staat te bonken. Die bonkt toch al haar bekoorlijkheid weg?

En toch hielden we veel van haar.

Dat zat in haar stem.

Ze schreeuwde. Natuurlijk schreeuwde ze. Hoe kon ze anders, buiten staande, de slapers daar binnen met haar stem bereiken. Maar in haar schreeuw zat toch dat ik-en-weet-niet-wat, waarin je teerheid en liefde voelt.

De houthakker zuchtte maar alleen. En in zijn zucht zat nijd.

Mietje schreeuwde. En in haar schreeuw zat liefde.

't Is niet de zucht of de schreeuw, gij beginselvaste debaters over den invloed van dit of dat.

't Is de mensch, die er zich door uit.

Mijn oudste broer heette Dorus, en hij was het, die eigenlijk ieder morgen Mietje's aubade ontving. Hij moest, timmerman, vroeg op, om tijdig op zijn werk te zijn, en Mietje zorgde daarvoor.

Eerst hoorde je 's morgens om vijf, zes uur een roffel op de deur. En dan kwam, na een heel korte pauze, de stem: „Douwerus! Ben je wakker?”

Stilte. Mietje luisterde.

Ik, ook gewekt, hoorde uit de overliggende bedstede een diep gegrom, als van een leeuw, die uit zijn donkeren slaap, oprijst. Het kwam van Douwerus.

Maar Mietje hoorde niets.

Daarom nog eens de roffel. Nog eens de pauze. Nog eens dat lieflijke: „Douwerus! Ben je wakker?” Nog eens de luisterende stilte.

„Jáááá!” ronkte Douwerus eindelijk.

Maar dit was Mietje niet naar den zin. Op dit ja—haar geoefend porsteroor hoorde het wel—zou hij weer inslapen. En Mietje begon een gesprek met Douwerus.

„Ben je er al ui-ui-uit? 't Is mooi weer, hoor!”

„Ja!” riep Douwerus, nu kort en nijdig.

Juist, zoo moest ze 't hebben. Nu was haar porstershart gerust. Nu kon ze veilig verder gaan. Mietje voelde haar verantwoordelijkheid.

Is dat niet allerliefst? Voor acht centen in de week!

Ik hield van Mietje. Ik geloof, we hielden allemaal van Mietje. En toch zagen we haar nooit. Maar we hadden haar gehoord.

Toch, eenmaal hebben we haar ook gezien. 't Was op een Nieuwjaarsdag. Dan kwamen de vrinden allemaal—lantaarnopsteker, nachtwacht, vuilnisman—al de loopende gemeente-ambtenaren nieuwjaar wenschen en boden daarbij een mooie prent met een gedicht aan, welkome schatten voor de kinderen, en die wel tegen een fooitje opwogen, ware 't alleen om de rijke heilwenschen aan de eerzame burgerij. Voor mij waren 't schatten voor mijn kokertje. Tegenwoordig zijn de prenten verdwenen en de fooien verdubbeld.

Op zulk een nieuwjaarsdag kwam ook Mietje feliciteeren, mét een prent natuurlijk.

Gewoonlijk waren we dien dag afwezig, zelf met heilwenschen voor familieleden op chocolade en oliebollen uit, wellicht ook nog op wat anders. Maar ditmaal waren we thuis, en zoo zagen we Mietje. Want toen Mietje nu haar gedicht kwam aanbieden, werd ze niet aan de deur met een geldstukje losgelaten, maar moest ze binnenkomen en een kopje chocolade drinken.

Ze kwam, mutsje op, omslagdoek om, den winkel door, het trapje op, de kamer in, klein vrouwtje, wat krom.

Nu moest ze gaan zitten en daar zag ze het heele gezin, ook Douwerus.

Maar daar schrok ze nu toch van. Ze zag een 18 à 20 jarigen jongeman voor zich, als heer gekleed, met boord en strik, kastanje-bruine krullekop.

Mietje schrok.

„Bent ú.... meneer Douwerus? Ach, dat heb ik nooit geweten.”

We hielden ineens nog meer van haar bij die gulhartige uiting.

Maar meneer Douwerus verlangde niet, dat ze voortaan roepen zou: „Meneer Douwerus, bent u wakker.” En zoo is het, ondanks de persoonlijke kennismaking, bij de oude vertrouwelijkheid gebleven.

Meer dan dezen eenen keer heb ik, bij mijn weten, Mietje niet gezien. Maar hààr „Douwerus” en het „Perehiet” van de andere, ochtendgroet en avondroep, zijn mij bijgebleven als mooie zonsopgangen en -ondergangen in onze buurt.

* *

Als er toch geen vrouwen in de wereld waren! Waar moesten wij kleine en groote jongens naar toe!

Hebt ge wel opgemerkt, bij hoeveel lieve vrouwen ik me al gekoesterd had? Bij juffrouw Gottman van de eerste bewaarschool en juffrouw Doortje van de tweede. Bij juffrouw Van Streelen uit den winkel naast ons en bij het Perehietvrouwtje. Bij Mietje de Porster en mijn zuster Christine. En onder alle omstandigheden—bij mijn Moeder!

O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade onder, ik vrees dat het een verhanselde man is.

Toch heb je ook wel eens een goeden man. Maar ekstra goede hebben dan iets vrouwelijks.

Zoo Chris de Mooy.

Hij was onze winkelknecht, een lange jongen met vaalrood haar, sproeten in het grauwbleek gezicht, en een verkeerde uitspraak van de letter s. Men ziet, hij was van buiten slecht uitgerust en had zeker nooit een meisje gekregen, als de meisjes niet verstandiger en braver waren dan de jongens. Doch 't is bij hem nooit tot een meisje gekomen, door een andere oorzaak.

Toen de winkel achteruit ging, moest hij weg. Vader kon hem niet meer betalen. Maar hij wou niet, hij wou voor niets blijven.

Ach, zúlke liefde heb je alleen bij de eenvoudigen en de armen. De niet-eenvoudigen redeneeren te veel, en de niet-armen offeren dan te veel op. Die kunnen niet ineens veertig graden zakken. Zoo'n plotselinge temperatuursverlaging van hun welstand zou ze ziek maken. Maar de armen, die merken 't zoo erg niet, als hun thermometer vier graden daalt. Dan loopen ze maar wat harder en worden toch niet kouder dan ze al waren. Ja, een arme gaat gemakkelijk in het koninkrijk der hemelen.

Rooie Chris had er wel zoo in kunnen stappen. Hij was eerlijk, trouw, ijverig, vriendelijk, en hij hield van ons allemaal. Hij kon zoo hartelijk lachen, en zoo aardig „Juffrouw Christientje” zeggen met die—bij hèm—welluidend, slepende s. Hij was in alle geheimen van den winkel ingewijd, kende alle geldelijke nooden, en vluchtte niet van het zinkende schip.

Ik weet alleen niet, of hij trouw naar de kerk ging. Maar Onze lieve Heer wou hem zoo toch wel hebben, reine, liefdevolle, zelf-verloochenende ziel. Van zulke menschen zeg je: Onze lieve Heer heeft ze al, want zij hebben Onzen lieven Heer al, wat eigenlijk op 't zelfde neerkomt.

Hij wou dus niet weg. En of hij nog gegaan is, zie, dat weet ik nu niet. Hier is een leemte in mijn herinneringen.

Ik zie rooien Chris nog wel, maar niet in den winkel. Ik ben bij hem thuis, in zijn kamer, bij zijn bed. Ik zie hem liggen, het vaalroode haar op 't witte kussen, het grauwbleeke gezicht nog wat fletser, maar dezelfde lieve, zachte, lachende oogen. Ik kom afscheid van hem nemen, want rooie Chris is ziek en hij gaat sterven.

Ik voelde op dat oogenblik, dat ik erg veel van hem hield, met dankbare en vereerende liefde voor al wat hij gedaan had jegens mijn ouders.

Hij is gestorven. Maar mijn liefde is gebleven. En die leeft nog.

En waarom vertel ik dat u? Wat hebt gij te maken met rooien Chris, die bovendien al meer dan veertig jaar dood is? Een arme winkelknecht van een verloopen winkel?

Niets, tenzij gij hem zoudt willen navolgen.

Maar hiermee hebben we allen te maken, dat mijn herinneringen bewijzen de over dood en graf heen doorwerkende kracht van de liefde.

En dat is paedagogiek want dat leert ons, hoe wij op te voeden hebben en hoe de eenvoudigsten onder ons, de armsten in geleerdheid, misschien de beste opvoeders zijn, och zonder dat ze 't zelf weten. Gelukzaligen!


DE TWEEDE LAGERE SCHOOL.

„En hoe heet je van je voornamen?”

„Henri.”

„Neen, voluit.”

„Meindert Henricus.”

„En jij?”

„Gerard Jan.”

„Mooie namen!”

Dit zei hij. En ik gloorde.

Letterlijk zoo is het gebeurd.

We stonden met ons drieën voor de klas, hij en wij tweetjes.

Hij was meester, wij de nieuwe leerlingen.

Hij was een nog al rijzige man, een beetje dik gezond uiterlijk. Ik zie hem nog heel duidelijk. Zijn haar krulde wat, sprong tenminste. En ik zie het plaatsje nog waar we stonden, en de banken met de onderzoekend kijkende kinderen, en de opschuifborden aan den muur.

Maar bovenal hoor ik nog die twee woorden: mooie namen.

Meester.... had mijn hart gewonnen, en voor goed.

„Mooie namen!” Zoo had hij ons verwelkomd. Hij een gewone meester. Als hij smalend gezegd had: „Gekke namen!”—dat had ik eer begrepen. Want meesters waardeerden nooit, waren uit hun aard niet vriendelijk, gromden en veroordeelden. Doch nu dit, zoo gansch onverwacht.

Voor een kind is zijn naam maar niet een onverschillig ding. Het is een stuk familietrots en in zijn vóórnaam voelt hij zichzelf. Hij is er zoo graag in geëerd. En deze meester streelde ons in dit bezit, mijn twee jaar ouder broertje en mij, jongens van ongeveer 12 en 10 jaar, dus geen kleine kindertjes meer, jongens die al verhard waren door scheldwoorden.

Hij zij er nog voor gezegend, met alle vriendelijke menschen die ik op mijn weg ontmoet heb.

* *

Het was op mijn nieuwe school, de school van de „Christelijk Gereformeerde Gemeente” op de Bloemgracht, naast en onder het patronaat van de Kerk dierzelfde Gemeente, beter berucht onder den naam van „Afgescheidene”.

„Fijn genoeg!”

Afgescheiden—dat was reeds voor onze kinderooren het summum van „fijnheid”. Géén „mooie naam”. Een naam met een onbehagelijken bijklank, waartegen je je verdedigen moest. „Ben jij”—met groote geringschatting—„áfgescheiden?”—„Neen hoor, ik ben Doopsgezind.”—O, dan was de zaak in orde.

We voelden niets van het mooie moedige in dit woord. En dit bleef jaren lang zoo, zelfs toen we warme sympathie en bewondering schonken aan de pelgrimvaders en aan alle voor hun geloof uitgewekenen. Afgescheiden beteekende nu eenmaal fijn, en daarbij een beetje huichelachtig. Nota bene, zij die voor hun geloof openlijk uitkwamen en er voor durfden breken met de landskerk, waren huichelaars. Een vreemd soort huichelaars. Maar zoo diep gingen onze gedachten niet. Ze bleven aan de algemeene oppervlakte, onder suggestie van het partijdig gekleurde woord „afgescheiden”. En zoo sterk was die suggestie, dat ik bij die breed-bleeke ei-klank nooit dacht aan een frisschen zeemanskop, maar aan een vaal, gelig-wit bakkersgezicht, met meel bestoven fletsheid.

Toch moesten de afgescheidenen, die kerk, geld, betrekking, eer, alles om Godswille in den steek hadden gelaten, krachtige, heldhaftige naturen geweest zijn.

Ik weet wel, vanwaar mijn indruk komt. Grootvader had als predikant de afscheiding ervaren, zoo niet in zijn gemeente, dan toch in zijn Kerk, en die als een hoofdigheid, een spelbreken, een krenking gevoeld. Afgescheidenen waren koppige, bekrompen scheurmakers. Zoo werden ze in zijn pastorie beschouwd, zoo bleef Moeder er over denken, zoo leerden wij ze veroordeelen. En zoo zelfstandig is de meening van duizenden en millioenen nu nog. Ze bewonderen de stugge geloofsopoffering, mits in 't verleden. Zoodra die zich in 't heden vertoont, stelt men zich partij en verguist.

Maar zoo gaat het ook op ander gebied. Zijn afgescheidenen huichelaars, liberalen zijn godloochenaars en sociaal-democraten duivelskinderen. Opstandelingen van eertijds zijn nu helden des volks. Hoe zullen de huidige omverwerpers over eenige eeuwen heeten? Oordeelen is moeilijk.

Als kind, als leerling der afgescheiden school had ik geen enkele reden, om in 't bizonder ongunstig over deze „fijnen” te denken, en ieder moet erkennen, dat althans het joviaal en hartelijk welkom een veelbelovend begin was. De opinie mijner ouders was trouwens ook zóó ongunstig niet en in ieder geval waardeerender voor déze school, dan voor de „stadsschool” op dezelfde Bloemgracht, maar een eind verder en aan de overzijde. Een „stadsschool” stond bij ons in den reuk van ruwheid, ongodsdienstigheid en vooral onfatsoenlijkheid. Daar werd niet gebeden, niet uit den Bijbel gelezen, en vooral, daar gingen de schooiers. Je moest al erg gezakt zijn en bijvoorbeeld klompen dragen, om naar een „stadsschool” te gaan. Ziedaar al weer een zelfde suggestie. Zooals het woord „afgescheidenen” tot mij gekomen was met den klank van huichelachtig gefemel, hoorde ik in dat harde „stádsschool” geklepper van klompen. Afgescheidenen waren tenminste netjes, misschien zelfs een beetje te, maar stadsschooljongens lagen onder de vunze kleur van straatvuil. Daar ging je niet mee om, daar had je geen enkel kontakt mee, daar vocht je alleen zoo nu en dan tegen, gelijk de beschaafde natiën tegen de kaffers, of eertijds de Romeinen tegen de Germanen. Ze waren goed om uitgeroeid te worden, of met het zwaard bekeerd.

Eigenaardig toch, dat vooroordeel, zonder kennis van personen en toestanden, louter onder den invloed van het milieu. Men kan er zeker van zijn, dat zoo nog duizenden met zekeren afschuw het woord „openbare school” hooren. Het brengt hen aanstonds in een atmosfeer van tabaksdamp, jeneverlucht, goddeloosheid. Ik kan dat best begrijpen. Maar het is niet goed. Evenmin als dat schimpen op afgescheidenen. O, de voorlichters van 't volk, ze hebben zwaar gezondigd en ze doen het nog. Ze hebben zich vergrepen aan de waarheid. Ze hebben het hart van 't volk vergiftigd met leugen. In stee dat ze zochten, volhardend en liefdevol, het goede bij de andersdenkenden, en hierop het volle licht lieten vallen, beijverden ze zich dit goede onzichtbaar te maken in de dikke, donkere nevelen van hun partijdigen laster. Heel de sfeer van het volksleven, van het leven der menschheid is verleugend. En millioenen onwetenden, onnoozelen, dwalen met hun valsch oordeel rond als schapen onder slechte herders. Dat is voor een groot deel de schuld van hen, die, leiders, zich niet zelf laten leiden door „den goeden herder”, ook al beweren zij tot zijn schapen te behooren.

* *

Op mijn afgescheiden school heb ik enkele goede jaren doorgebracht. Natuurlijk herinner ik me ook nog wel eenige verkeerde dingen, b.v. een nu en dan wel wat te haastig en hardhandig gebruik van „de tuchtroede”, en zoo liggen me ook nog een paar scheldwoorden in 't oor, alsof iedere ondeugende jongen een „ongelikte beer” was en ieder lastig meisje „een nijdige tang”, maar die ruwheden in daad en taal behoorden tot dien tijd. Men kon zich een school kwalijk anders denken, dan als een bende meerendeels onwillige kinderen, die er met strengheid onder gebracht en onder gehouden moesten worden. Zoo denken zelfs thans nog velen er over. Van hartelijke, goedgezinde, vreugdevolle samenwerking tusschen meester en leerling is ook nu nog lang niet overal sprake, en schrijver dezes ziet zijn pleiten daarvoor zelfs van paedagogische zijde menigmaal bestreden als zoetsappige paedagogiek. Op hun donder moeten ze hebben. Gedwongen moeten ze worden. Tusschen meester en leerling bestaat een „natuurlijke”—lees: onnatuurlijke—„antagonie”.

Ik denk er dus niet aan, mijn tweede lagere school ook maar eenigszins te verwijten, wat toenmaals tot de gewone schoolpraktijk behoorde, en nu nog door velen principieel wordt aanbevolen, maar heb de feiten alleen gememoreerd om te doen zien, dat ze een kind zijn leven lang bijblijven. Het scheldwoord, dat we in zijn jeugd als opvoedingsmiddel een leerling naar 't hoofd werpen, hoort hij nog in zijn grijsheid. En dat vergeten we wel eens. Maar ik heb mijn afgescheiden school veel te veel te danken, dan dat ik haar deze averechtsche deugden toerekenen zou.

Zij heeft de kunst verstaan, mij te doen werken, en werken met lust. Ik kwam in een klas, waar de kinderen al een heel eind gevorderd waren in 't Fransch, en ik had er nooit iets aan gedaan. Dat gaf dus strubbeling. Ik moest bijgewerkt worden en kreeg een boekje mee naar huis. Het was een boekje met kleine verhaaltjes, ik geloof van Engelbert Gerrits, met de vertaling der moeilijke woorden aan den kant.

Zaterdag nam ik het boekje mee, den ganschen Zaterdagnamiddag en avond zat ik er uit te vertalen, ook den heelen Zondag, ook nog de vroege morgenuren van Maandag, en toen bracht ik den meester anderhalf schrift met vertalingen. Het boekje was uit.

Ik weet nog, hoe hij opkeek, toen hij die massa werk onder de oogen kreeg. Ik was een wonder van vlijt. Daar had ik echter zelf geen idee van. Ik wist alleen, hoe heerlijk het was te werken, zoo te werken, dat ik mijn klasgenooten inhaalde. En dat gelukte. Achtereenvolgens, maar nu natuurlijk veel langzamer, werkte ik de les- en themaboekjes van Van der Hoeven door en na een paar jaar zat ik volop in de onregelmatige werkwoorden van het zooveelste stukje.

Hoe was het mogelijk, dat de brutale spijbelaar van de Lindengracht zich zoo ontpopte op de Bloemgracht? Dat lag misschien aan 't verschil van één meester.

Meesters, die dit leest, denkt er aan, als je dagtaak je soms eens zwaar valt, als je er soms eens moedeloos bij wordt. Mogelijk zit er één jongen in je klas, die je later voor je arbeid danken zal, zooals ik het nu nog mijn meester doe.

* *

Aan die buitensporige vlijtvlaag is nog een herinnering verbonden. De kinderen konden elke maand een kaartje „voor vlijt en goed gedrag” krijgen. Wie er zoo twaalf per jaar had ontvangen, ontving op het jaarlijksch examen een prijs. Dat was voor mij het eerste jaar een onmogelijkheid, want in den loop van den kursus op school gekomen, had ik het op 't examen maar tot acht kaartjes kunnen brengen. Toch ging ik met plezier naar 't examen en zag aan 't einde daarvan zonder eenige jaloezie, dat mijn medeleerlingen mooie boekwerken en getuigschriften ontvingen, terwijl ik verstoken zou blijven. Als je zoo iets maar vooruit weet, is 't niet zoo erg. De smart zit minder in het gemis dan wel in de teleurstelling. Daarom hebben sommigen er een handje van, je teleurstellingen aan te doen, opdat je het toch maar goed vóélen zult.

Toen alle prijzen waren uitgedeeld, was er een oogenblik stilte in de school. En toen hoorde ik mijn naam noemen, langzaam, plechtig: Gerard—Jan—Ligthart.

Ik trilde—zag alles in een nevel—geloofde 't niet—bleef bevende zitten.

De meneer van 't examen zag de klasse rond, en riep toen nog eens met deftige stem: Gerard—Jan—Ligthart.

Alle kinderen keken naar mij.

„Kom jongen, jij bent het,” zei de meester.

Ik stond op en liep naar voren, gauw, zenuwachtig.

Daar stond ik tegenover den deftigen meneer. Ik klein, hij groot. Ik ontroerd, hij rustig.

En hij glimlachte mij kalm tegen.

Hij had een boekje in de hand en las luid: „Loon naar werk, door E. Gerdes.”

Ik hoor het nog.

En toen sprak hij: „Jongen, je bent nog te kort op deze school, om reeds het vereischte aantal kaartjes voor een prijs te bezitten. Toch wilden je onderwijzers je een prijs geven voor je buitengewonen ijver. En die prijs heet: Loon naar werk. Hij is dan ook loon naar werk. Ziehier.”

Ik nam het boekje aan.

Heerlijk, héérlijk oogenblik.

En toen stil naar mijn plaats.

Of ik onder het dankgebed geluisterd heb?

Daarvoor trilde het daarbinnen te veel. Maar ook dat was danken. En onze lieve Heer weet dat wel. Die heeft een fijn oor.

Gezegende school! Zij leerde mij werken. Zij leerde mij school en meesters liefhebben. Zij leerde mij danken in gemoedsontroering. Het echte.

Toch maar een „afgescheidene”.


En nu wil ik meteen vertellen, hoe het met mijn prijs verging.

Daar was een jongen en die heette Kees. Zijn vader was timmermansbaas, en hij woonde daar en daar.

Kees las zoo graag en daarom kreeg hij eens mijn prijs ter leen.

Maar Kees gaf hem nooit terug.

Telkens als ik vroeg, ontving ik een ontwijkend antwoord.

Eindelijk vermande ik me en ging naar Kees zijn huis. Ik wou zijn vader spreken. Ik moest toch mijn prijs hebben, mijn prijs. Een prijs is toch niet een gewoon boek.

Ik sprak Kees zijn vader. Hij wist er niets van. Maar wacht r's. „Zoo'n boekje, zoo wat zoo groot?”—Ja, meneer.—„Dat zal je niet meer terugzien. Kees bracht altijd boeken mee, en ik wou dat vervloekte gelees niet meer hebben, en toen heb ik gezegd: als je weer een boek meebrengt, smijt ik het in de kachel. Dat heb ik ook gedaan, en dat is dan zeker jouw prijs geweest.”

Ik heb mijn tranen weerhouden,—o, natuurlijk, natúúrlijk—maar toen ik weer buiten was en op straat liep, was ik gebroken.

Mijn prijs....

Weg....

Onherroepelijk....

De man heeft er niet aan gedacht, welk een bitter leed hij mij had berokkend, heeft er niet aan gedacht, mij mijn prijs terug te koopen.

„Dan had ik hem maar niet moeten uitleenen.”

Zoo'n ellendeling!

* *

Laat ik hem vergeten en aan lieflijker dingen denken.

Van de vrouwen is altijd een bizondere bekoring voor mij uitgegaan. Men weet, dat begon al op de bewaarschool, waar ik schriftelijk verzocht, of ik van zeker vijfjarig Betje de vrijer mocht wezen. Ik was toen ook nog geen zes. En dat hield zelfs niet op, wanneer het pere-hietvrouwtje of Mietje de porster mij in haar toch zoo ongecultiveerde stemmen omstrikten.

Wat is het toch, die bekoring van „das ewig Weibliche”.

Ik weet het niet.

Het is een der mysteries bij de talloos vele andere. Maar het bestaat en oefent zijn invloed reeds vroeg. De aanwezigheid van meisjes in de school verzachtte heel wat leerellende. Als je onder het doodelijk stilzitten, een uur achtereen, steeds met je handen gevouwen aan den rand, naar het overhooren van een droge les moest schijnen te luisteren, was het een heerlijkheid, in alle stilte te genieten van een mooie, blonde vlecht, of ál meer intiem te worden met een rood lintje om een zwart kopje. De jurkjes, de schortjes, de kantjes, de beentjes der meisjes, waarmee ze zoo aardig stappen konden, de stemmetjes en de fraaibelijnde gestalten, ze gaven aan de dorre woestijn iets liefelijks. En zonder meisjes had ik het in mijn eerste school zeker absoluut niet uitgehouden.

Wat ik voor haar voelde, was onmogelijk te zeggen. Geen enkele onvoegzaamheid, dat weet ik echter zeker. 't Was een vage stemming van adoratie; zij omhulden mij als in rozige morgennevels. Een zelfde stemming kreeg je buiten, als je niets dan groen en lucht zag en een enkele boerenwoning. Het alledaagsche ging weg en je was in een andere sfeer.

Geheel in strijd met deze vage stemming scheen onze liefhebberij om bij 't uitgaan der school de meisjes na te rennen.

Dan holden zij hard weg, zwaaiend met de schooltasschen, en wij vlogen ze na. Hadden we ze ingehaald en gegrepen, dan deden we nog niets. Eigenlijk waren we dan verlegen met onzen buit, schudden—schijnbaar ruw, maar eigenlijk teer—de Sabijnsche wat door elkaar, spraken wat vreeselijke dreigementen, en, als 't héél erg werd, gaven we ze een zoen ergens op een vindbaar plekje van het weggestopt gezicht en anders maar op de haren. Die zoen beteekende evenwel niets anders dan een triomf. Daarna mochten ze gaan.

Nog op den huidigen oogenblik weet ik niet, wie met dit spelletje begon, de jongens of de meisjes. Of wij haar opjoegen, dan wel zij ons oplokten. Eén ding is zeker: meisjes die niet wegliepen deden we niets. En zoo geloof ik, dat die vluchtende hinden niet zoo onnoozel en zoo bang waren, als ik toen wel dacht. Maar ik durf toch niet stellig zeggen, of ook deze verzoeking eigenlijk van Eva uitging, en dus zal ik dit vraagstuk maar laten oplossen door de eerlijke jeugdherinneringen van een vrouw, die in haar schooljaren dupe of bewerkster van die jacht is geweest.

De Paedologie zal ongetwijfeld ook deze naren- en afzoenerij eens tot onderwerp van haar wetenschappelijk onderzoek maken. Dan vernemen we, hoe in dit kinderspel zich handhaaft een vrouwenroof uit den oertijd, of anders hoe—spel is toch levensvoorbereiding—het jonge volk zich bij dat onbehoorlijk gevlieg praepareert op 't geen later komen moet. Een zij en een hij moeten elkaar vinden, daartoe moet zij lokkend wegfladderen, hij haar volgen: „Errötend folgt er ihren Spuren”, en als hij haar gevonden, veroverd heeft, sluiten zij zich innig aaneen. Dat moet in de schooljaren door wijze Moeder Natuur worden voorbereid. Vandaar die, alleen door onwetenschappelijke kortzichtigheid tegengewerkte, naren- en afzoenerij, die de opvoeders als een mooi, redelijk, noodzakelijk en dus wenschenswaard verschijnsel moesten begroeten, en eer behoorden aan te moedigen, dan als onfatsoenlijk te bestrijden.

Zien echter alle ouders en onderwijzers het onder dat licht?

* *

Op mijn afgescheiden school waren gelukkig ook meisjes, en zoo had ik den Hemel opnieuw te danken, die mij niet uit Roomsche ouders had doen geboren worden en tusschen enkel donkere jongenskielen doen opgroeien.

De meisjes zaten vooraan, in de eerste rijen, de jongens daarachter. Ik denk, dat in deze plaatsing, die men op alle gemengde scholen en ook in de kerken aantreft, waar de mannen de vrouwen als een heiligenkrans omringen—geen krans van heiligen—, ik denk dat in deze rangschikking zich hetzelfde wegloop- en narenelement openbaar. Men noemt dat met allerlei mooie namen: hoffelijkheid, beleefdheid, eerbied voor het zoogenoemd zwakkere geslacht, maar die namen zijn niet anders dan kleurige sluiers, die het wezen der zaak aan ons oog onttrekken. Die stil en devoot luisterende vrouwen—natuurlijk weten ze het niet—ze loopen weg, en die eerbiedig doende mannen, ze rennen na. Die hele zwijgende, stilzittende schare is in haar rangschikking een door de eeuwen vastgelegde beweging. Het is lokken en volgen, jagen en vlieden, maar nu vastgegroeid tot een maatschappelijk gebruik. Alleen ziet men nu en dan, zelfs in de kerk, het oude spel herleven, als een achttienjarig meisje minder getrokken wordt door de godsdienstoefening, omdat ze zelf te sterk trekt iemand die daar in de verte achter haar zit. Al is die gedachte niet aangenaam voor den preekenden voorganger, hij worde er toch niet boos om, wetende dat het verlies van aandacht nu, hem later rijkelijk vergoed wordt door een mooien huwelijksdienst en wie weet hoeveel doopbeurten. Pierre de Coulevain, de auteur van Sur la branche, heeft de verliefdheid van 't meisje terecht genoemd: moederliefde in knop.

Ik had het geluk, een tijdlang in de eerste jongensrij te zitten, vlak achter de meisjes. Dit verhinderde mij niet, hard te werken. Integendeel. Het spoorde mijn werkdrift aan. Ik deed mijn best in haar oog een mooi figuur te maken. Een pluimpje van den meester wapperde veel sierlijker onder het welgevallig en bewonderend oog der meisjes. Zij behoefden mijnentwege niet goed te kunnen rekenen en ontleden. Als ze maar haar lieftallige en gratievolle bewondering aan ónze overwinningen konden schenken. Iedere moeilijke som, door ons als een machtig vijand verslagen, riep haar streelenden eerbied op, en wij sloegen er op los om dien eerbied te verwerven. „Wat kan jij goed rekenen!” of: „Hoe kun je dat toch!” of: „Ik begrijp er niks van!” of: „Toe, help je me nog even!”—het waren omwademingen van bloemgeurige zefirs, zwanger van lenteweelde. Ha, wat voelden we ons gelukkig, als we zulk een hulde ontvingen of zulk een hulp mochten verleenen!

Das ewig weibliche. Wondervolle macht in een knapenziel.

Neen, gij die meent dat onreine gedachten als zwarte wolken langs dezen blauwen voorjaarshemel moeten drijven, gij weet het niet. Er ging een reinigende bekoring uit van de tegenwoordigheid der meisjes. Zij riepen ridderlijke gevoelens in ons wakker, huldigende driften, artistieke gaven. Mijn oudste broer teekende mooi en leerde mij in de huiskamer landschapjes teekenen en watergezichtjes. Een boerenwoning, half verborgen onder 't loover, een hooiberg daarbij, slingerend landweggetje, en in de lucht wat vogels—of een schip, opbruisend tegen de watervlakte, het zeil omhoog, den wimpel wapperend, het roeischuitje er achter—ik wierp ze met handige potloodstrepen op het papier, trok er een strakke lijn om, zette in een benedenhoek een beetje schuin mijn naam—ach, mijn jongens op school kunnen dat laatste ook zoo artistiek: kinderen blijven kinderen—en bood ze de jonkvrouwen mijner vereering aan. Hoe heerlijk, als ze het mooi vonden en zuinig bewaarden. En als ze 't niet begrijpen konden, hoe een jongen, die al zoo goed sommen kon maken, ook nog mooi kon teekenen. En als ze dan een eigengemaakten boekenlegger of inktlap als tegengave schonken. Precies als de koningen der aarde, en ook precies als de primitieve volkeren. Lezer, vriend, zijt ge wel eens jaren achtereen gelukkig geweest met een simpel potloodje, dat ge dag aan dag bij u droeg, nooit gebruikte uit vrees dat het slijten zou, en telkens weer met teederheid tusschen uw vingertoppen nam? In dat potloodje—'t heette een herinnering aan háár—bewaardet ge al de reine teederheid van uw eigen jongensziel, gewekt door „das ewig Weibliche”.


GOEDE SCHOOL.

Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed en psalmgezang. Daarna volgde 's voormiddags een vol uur „Bijbelsche Geschiedenis”. Dat was dus zes uur in de week de historie van het oude Israël en het verhaal der Evangeliën.

In overeenstemming daarmee kreeg de Kaart van Palestina meer beurten dan die van Nederland. Zoo kwam eigen land en volk wel wat in de verdrukking door de buitengewone belangstelling aan Kanaän gewijd. Perea, het Over-Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen, het meer van Genezareth mij vertrouwder dan het Slotermeer, en langs de Jordaanoevers wandelde ik vrediger dan langs de Rijnboorden.

Over de keuze van dit belangstellingsgebied voor de lagere school kan men verschil van meening hebben, maar ieder beseft, hoe dit samengaan van geschiedenis en aardrijkskunde beide ten goede kwam. De vlakten en de hoogten, de meren en de stroomen, de steden en de vlekken van Kanaän kregen beteekenis, doordat ze leefden in de Joodsche geschiedenis en literatuur. We hoorden ze uit den mond der psalmdichters en profeten, zagen ze als terrein van arbeid en strijd, bezochten ze rondwandelend met den leerenden Heiland.

Dat was iets anders dan rijtjes namen, die maar rijtjes namen bleven. Het innige verband tusschen het Joodsche land en het Joodsche volk, dat nog thans in zoo vele Joodsche en ook Christen-harten gevoeld wordt, maakte de aardrijkskunde van Palestina tot terreinlessen der historie. Alles leefde daar. Men was als in de schouwburg der menschheid en zag volksdrama's afspelen op het tooneel der velden, met begroeide bergen tot coulissen. Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth, zie ik visschers hun netten uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren, Petrus wegzinken in kleingeloof. Aan gene zijde der Jordaan staat Mozes op den berg Nebo, ziende naar het Heilige Land, dat hij niet mag binnentreden. Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle herberg en de kribbe in den beestenstal. Geen plaatsnaam, of hij roept personen op, toestanden, gebeurtenissen. De landkaart gaf aan de geschiedenis een gebied, gelijk deze aan de kaart leven schonk.

Of de school dit prachtige en eigenlijk ook onmisbare samengaan met volle bewustheid in de hand werkte, om de waarheid te zeggen, ik geloof het niet. Het staat mij zoo voor, alsof de geschiedenisles alleen luisterde naar de stem van den meester en nooit keek naar de kaart, alsof de aardrijkskundeles alleen aanwees en opzei, maar nooit bevolkte, en of het samenvloeien van feiten en terreinen aan het toeval en de kinderlijke voorstellingsbehoefte werd overgelaten. Maar indien dit zoo was, dan zal het nu in de christelijke scholen toch wel anders zijn. Men zal daar nu toch die mooie kans niet ongebruikt laten. Wellicht gaat men er nog een stapje verder en durft een les in natuurlijke historie gebruiken, om het landschap met zijn planten en dieren uit te beelden. „Kent gij het land?” vraagt Pfarrer Schneller op het titelblad van zijn voortreffelijk werkje. „Wij kennen alleen stippen en strepen en namen,” zeggen de kinderen. En dit zeggen zelfs de volwassenen. Ook de volwassenen, die op de lagere school of op de zondagsschool Bijbelsche Geschiedenis onderwijzen?

* *

Wanneer deze jeugdherinneringen onderwijskundige bijbedoelingen hadden, zou ik graag van Palestina naar ons eigen land overgaan en zelfs de vraag willen stellen en beantwoorden, of de aardrijkskunde der geheele wereld niet een beetje intiemer kon worden met het leven der volkeren. Maar nu moeten we verder.

Daar zit een klasse kinderen te rekenen. 't Is de hoogste. Ook ik zit daar zoo wat midden in de klasse, vlak achter de meisjes. Gevaarlijk plaatsje?

Dat denkt ge maar.

't Zou gevaarlijk geweest zijn wellicht als de meester onzen geest had gekneveld in banden van verveling, als hij ons gedoemd had tot stilzitten en kijken en handen vouwen.

Maar op mijn bank ligt een lei, daarnaast een dik boekje in een donkerblauw omslag, en tusschen mijn vingers leeft een griffel, hunkerend naar 't uitvloeien en uitstroomen van cijfers. 't Is of die arme griffel 't benauwd heeft, in barensweeën verkeert. Ze moet schrijven, schrijven, cijfers uitgooien, een lei vol, twee kanten, vol, nóg een lei. Eer komt ze niet tot rust.

En al die arbeid maakt, dat ik niet eens meisjes zie. Die griffel wint het van haar bekoorlijkheid. Het instrument, waardoor de van werkdrift trillende geest een uitweg vindt in de grijswitte figuurtjes op de blauwzwarte lei.

Werken. Laat je jongens werken. De kleinen en de grooten. En ook de heel grooten.

Maar zorg dan, dat ze werken met lust, en daardoor met volle kracht.

De beste rekenaars hadden ieder hun eigen rekenboek. Ik moet daar ook onder behoord hebben. Ik herinner me den hartstocht, om een boekje uit te hebben.

De Boesers had ik al.... opgevreten. De „eerste verzameling”. De „tweede verzameling”. Toen had de meester er niet meer. Die „verzamelingen kwamen na en boven de gewone serie. Een soort bekroning. „Gemengde vraagstukken”. Voor de goeie rekenaars, die geen geleidelijke leiding meer noodig hadden. Die konden aanpakken, telkens wat nieuws.

Maar ik had ze uit.

Toen zei de meester: „Ja, wat zal ik je nu geven!” En hij snuffelde in zijn kast. Daar had hij zoo'n stapeltje van allerlei. „Hier, probeer dit maar eens.”

't Was—heb ik het goed onthouden?—„Koopmansrekenen” van Adam van Lintz, het—vierde?—stukje. 't Was dat dikke boekje in donkerblauw omslag. En Adam van Lintz boeide mijn oogen en mijn handen en mijn gedachten en mijn neigingen.

Ik zag geen meisjes, ik zag sommen.

Heerlijke werkuren. Ze deden me al vroeg ervaren, waar een stuk reine levensvreugde te vinden is. Bijstand tegen verzoekingen. Troost in smart.

Nooit in mijn verder leven heb ik Adam van Lintz teruggezien, terwijl ik toch onafgebroken tusschen de schoolboekjes heb gezeten. Waarschijnlijk was hij dus toen al aan 't verdwijnen. Versluys en Wisselink kwamen de Boesers verdringen. Toch onthouden, met uiterlijk en titel. Bewijst dat niet—wat ik reeds vroeger opmerkte—dat het geheugen in 't hart zit? En dat het werk in de school het kinderhart moet weten te pakken?

* *

Men zou uit deze rekendrift willen afleiden, dat ik later een rekenmeester had moeten worden. Doch dan zou men verkeerd afleiden. Mijn aanleg en mijn lust hebben nooit de cijfers gezocht. Verzen opzeggen, lezen met een mooie stem, de muziek der taal genieten—dat was mijn eigenlijke voorkeur. Mijn aanleg was, om het met een groot woord te zeggen: literair. Als ik in mijn eentje liep, zei ik in mezelf verzen op, vaak psalm- en gezangverzen. En dan had ik een gevoel, of mijn stem de mooie klanken moest liefkoozen en de golvende regels in zangerig rythme moest laten vloeien. Een meester, die mooi voorlas, had me gauw te pakken, en onwillekeurig bootste ik de bekoorlijke eigenaardigheden van zijn voordracht na.

Toch herinner ik me van mijn leesboekjes niets meer. Welke waren het? Ik weet het niet. Belletristische? Leerende? Verhalende? Ik weet het niet. Verzen of proza? Ik weet het niet. Geen inhoud, geen titel, geen uiterlijk—ik weet er niets meer van. Waren ze wellicht te droog? Ik weet het niet. Te vroom? Te braaf? Te onkinderlijk? Ik weet het niet. Wonderlijk toch, de rekenboeken zie ik nog, ken ik nog, hoewel ik geen rekenman ben, en de leesboeken zijn totaal weggezonken in vergetelheid, hoewel de toekomst bewezen heeft, dat ik voor 't leesboek toch wel iets voelde. Vanwaar dit onderscheid? Het moet wel hieraan zijn toe te schrijven, dat—door 't werken—in de rekenboeken mijn hart is gaan zitten, en dat de leesboeken dit hart niet hebben gelokt en vastgehouden. Dat hart wou wel. Maar 't boek wou niet. Of misschien wou het arme ding wel, maar kon het niet. Het zal onze harten te opzettelijk hebben willen vangen. En dat is altijd mis.

Het is toch eigenlijk sterk, dat ik niet meer weet, uit welke schoolboeken ik als twaalf- en dertienjarige jongen gelezen heb. Maar voor 't feit sta ik in. Wellicht wordt het een beetje nader verklaard door mijn overgang, als kweekeling, naar de openbare school. Daar kwam ik in zoo'n heel andere boekjeswereld. Maar dat rekenboek dan? en het zingen? Want dát herinner ik me heel wel. Ik zie het schoolbord vol muziek staan, driestemmige liederen in notenschrift. En ik ken nog die liederen die we leerden. Eén lied is te kenmerkend en te vereerend voor de school, dan dat ik het hier niet zou vermelden. De Fransch-Duitsche oorlog was uitgebroken, 1870. Ik was elf jaar. Overal hoorde je „Die Wacht am Rhein”, tot op draaiorgels toe. Toen leerde de meester ons de woorden en de muziek, de woorden in 't Duitsch, ofschoon we in die taal geen les kregen. En we zongen uit volle borst meerstemmig: