Wie Schwertgeklirr und Wogenprall:
Zum Rhein, zum Rhein, zum Deutschen Rhein!
Wer will des Stromes Hüter sein?
Lieb Vaterland magst ruhig sein:
Fest steht und treu die Wacht am Rhein.
Ik noemde dat kenmerkend en vereerend voor de school. Immers, het was een bewijs, dat men in de school leefde. Het lied van den dag, ondanks de vreemde taal, in de zangles gebracht—dat was toch wel waarlijk: school en leven.
En die school was een—„afgescheidene”, van veertig jaren her.
* * *
Het is wel begrijpelijk, dat deze schoolliederen me zijn bijgebleven. Vooreerst hadden ze dezelfde veroveringsmethode als de sommen. Ze zetten ons aan 't werk. Zingen moest je wel, of je wou of niet. Je kon er niet bij suffen of afdwalen. Daar had je nu je zuivere zelfwerkzaamheid. Maar dan ook, de liedjes werden thuis vrijwillig gerepeteerd. Niet, gelijk dat in gegoeder kringen geschiedt, op bepaalde uren bij een piano, maar op alle tijden van den dag en in alle hoekjes van het huis. Vader zong, Moeder zong, Christien zong, de jongens zongen, ik zong, we zongen allemaal. Zingende leerden we mekaar de liedjes, en als er een moeilijke val was, werd die soms in de keuken onder 't werken door ingestudeerd. Christien sneed de andijvie of de rooie kool, ik stond bij haar aan de rechtbank, en daar had je een formeele zangles.
Niemand was verlegen om den mond open te doen, niemand schaamde zich zijn stem. Het huis weergalmde van lied. Je zong in de keuken bij 't schoenenpoetsen, je zong in de gang, je zong in alle kamers, in de huiskamer, de slaapkamer, de bestekamer. Leege oogenblikken werden gevuld met lied. En dat was nooit een zacht geneurie, maar een luid gejuich, vol uit de borst. Ook de bovenburen zongen en de benedenburen. En 't waren allemaal schoolliederen van „Zie de leliën op het veld” of „Als de zwaluw ons verlaat” of „Eere zij God”. De Zangvogeltjes, die lieve uit de boekjes van C. Regeer, fladderden door onze woning, en jubelden hun heerlijkste liedjes.
Dat had en heeft een burgergezin voor op de deftigheid. Er wordt gezongen in huis. De kinderen behoeven geen zangles te krijgen. De liederen leven er, gelijk buiten in veld en bosch, en—evenals daar—piepen de jongen naar 't zingen der ouden.
Wat kon Vader mooi zingen! En met welk een liefde en toewijding zong hij! Dan kon hij zoo'n uur achter elkaar heen en weer loopen, geen jas aan, de handen op den rug, van de huiskamer door de gang en omgekeerd, en aldoor maar zingen. Hij haalde de liederen op uit zijn verleden, veel Fransche. Van „La Brigantine, Qui va tourner.” Wat vonden we 't mooi! En als Vader dan met ingehouden stem bad: „O, Vierge Marie! Pour moi priez Dieu!” dan werden onze oogen wel eens vochtig van ontroering en viel er een traan tusschen de sommen of de Fransche thema's. Dat waren heerlijke oogenblikken.
En 's avonds, vooral Zondags in 't schemeruurtje, wanneer alleen een zacht theelichtje het duister bekampte, klein, dapper, rustig vlammetje in een donkere wereld, en wij, door de kamer verspreid, ons gelegerd hadden als in een Zigeunerkamp, de ouderen op stoelen, ieder op een geliefkoosd plaatsje, de jongeren op den grond, de beenen rechtuit of de knieën opgetrokken—een „vrije orde”—dan begon er maar een te zingen, en vanzelf vielen de anderen in. Het eene lied na het andere. Maar nooit straatliederen. De school en de overlevering hadden ons een heel repertoire bezorgd, altemaal liederen vol kleur en sentiment, beschaafd van taal en van toon. En steeds ging het ten slotte naar het godsdienstige toe. Met de Hernhutters zongen we: „Laat mij, slapend, op U wachten, Heer, dan slaap ik zoo gerust.” En eindelijk met de Christelijke gemeente dien stemmenden avondzang:
U prijzen in mijn avondlied.
Het zonlicht moge nederdalen,
Maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.
Dan trilde Moeders stem. Zij was weer in de pastorie van haar kinderjaren.
* * *
Liefelijke schemeruren. Hoe heerlijk toch, dat alle uren van den dag hun eigen kleur en toon hebben. Het uur van 9–10 in den voormiddag is een heel ander dan dat van 2–3 in den namiddag. Men kan ze onmogelijk verwisselen, zonder het gelaat van den dag een vreemd en onbehaaglijk uiterlijk te geven. En zoo heeft ook het schemeruur zijn karakter en bestemming. Wie denkt er aan in den morgen zoo vertrouwelijk bijeen te zitten en te zingen als bij het vallen van den avond tusschen licht en donker. Het zou niet gaan. En nu heb je wel redeneermenschen die zeggen: een uur is een uur, ze hebben allemaal precies zestig minuten, en zingen is zingen, dus je kunt het zingen van 't eene uur net zoo overbrengen naar een ander, maar deze verstandige lieden behooren tot die waanzinnigen, waarvan Chesterton zegt, dat ze krankzinnig zijn, omdat ze alles verloren hebben behalve hun verstand. Neen, een uur is niet een uur, elk heeft zijn eigen aard, en daarom brengen en vragen de avonduren, die van vijf tot zeven, iets anders dan hun vroegere of latere broeders.
Wij hadden avondschool, liefelijker gedachtenis. Ze werd in de bovenverdieping gehouden. Daar genoten we van het warmgele licht der gasvlammen, het stille suizen, en van meesters stem en lange pijp. 's Avonds scheen meester een heel andere stem te hebben dan overdag. Kwam dat door het gaslicht? Of doordat er veel minder kinderen waren? Neen, 't was de invloed van de uren. Die veranderden niet alleen zijn stem, maar zijn heelen persoon. Hij was veel vertrouwelijker, veel gezelliger, veel gewoner. Zijn houding en toon naderden ons veel dichter, hij werd een soort familielid van je. De schoolnarigheid ging er af. Zijn handdruk was zelfs anders dan die van 's morgens vóór negenen.
En dan was zijn lange pijp ook een van zijn aanbevelingen. In het vensterkozijn lagen eenige opgevouwen papierstrooken—fidibussen. Daarmede spaarde meester een zwavelstok uit. „Geef jij me eens een fidibus.” De gelukkige nam er een uit het kozijn, stak hem aan boven de gasvlam, en hield hem bij meesters pijp. We genoten van het opkrullen der tabak, van de blauwe rookwolken, en van de manier waarop meester den dop op de pijp zette. Nu trok hij een poosje achter elkaar, dan legde hij de pijp neer, nam de zijden pet van 't hoofd en zei ernstig: „Prions!” Wij vouwden de handen, sloten de oogen, luisterden naar het suizende gaslicht en naar de eerbiedige stem: „Notre père qui est aux cieux! Ton nom soit sanctifié. Ton règne vienne!” Er zweefde stille vrede in onze harten.
Pas had het „Amèn” onze oogen en handen ontsloten, of we hoorden: „Chantons—pseaume....” Dan sloegen we de psalmboeken open, echte Fransche, zochten het lied op, en zongen. Terwijl ik dit schrijf, valt me een lied in, dat ik toen geleerd heb, met dit slot:
Purifie,
Sanctifie,
Renouvelle
Tout en nous, Sauveur fidèle!
en ik hoor de kinderstemmen nog, gedragen door meesters stem, en wegstervend in de donkere einden van het groote lokaal.
Van zoo'n avondschool ging kennis en wijding uit en 't was ons daar beter, dan dat we ons thuis verveelden of op straat bedierven. Om opvoedkundige redenen is de avondschool overal afgeschaft. Maar als ik nu nog op een avondcursus de kinderen zoo stil genoegelijk zie werken, denk ik: Wat zit jelui hier vredig! En wat heb je het toch goed!
* * *
Dat lijkt sommigen misschien wat erg bekrompen ouderwetsch en zeer bevreemdend van iemand, die zoo hardnekkig pleit voor vrijheid en spel en tegen leerdwang. Maar wie trouw gevolgd heeft, wat door dien hardnekkigen pleiter verdedigd en bestreden is, die weet wel, dat het nooit ging tegen het leeren, maar tegen de vervloekte kunst om het leeren tot een ellende te maken, tot een hersenkwelling en zenuwvernieling. Leeren moet een vreugde zijn, en het kan een vreugde zijn. Maar de examens, het opdrijven boven peil, bederven het genot. Kinderen leeren graag, naar de mate hunner capaciteit. Maar de school houdt geen rekening met die capaciteit en maakt zoo den zin tot tegenzin.
Prof. Jelgersma—en hij kan het weten—heeft eens geschreven, dat nooit het werken iemand zenuwziek maakt, maar wel de onrust, de spanning, de zorg. Mijn eigen ervaringen bevestigen deze uitspraak. Natuurlijk heeft onze arbeidskracht haar grens, maar de instortingen in mijn leven zie ik heel duidelijk als gevolgen van emotievolle tijden, tijden van kommer en angst. Het zijn de gemoedskwellingen, die ons knauwen. En dit is zoo waar, dat juist meermalen de arbeid, in stede van een ondermijner, een hersteller onzer gezondheid is. Werk maar, werk maar trouw, volhardend, inspannend. Echter—werk met liefde. Laat je werk een vreugde zijn. En dan bevordert het je gezondheid.
Mijn jeugdherinneringen prediken mij dit ook met overgroote klaarheid en zekerheid. De arbeidsdrift en de arbeidskracht mijner schooljaren hebben mijn gezondheid nooit geschaad, doch wel mijn lichamelijken en zedelijken welstand gebaat. Maar als door averechtsche schooltucht het leeren tot een straf werd, dan liep het mis. En nu zal men wellicht mijn achterlijke ingenomenheid met de avondschool begrijpen. Wij werkten met lust. Hoe meer de kinderen leeren en werken, des te beter. Mits lust de drijfveer en vreugde de vrucht is.
Van mijn afgescheiden school heb ik nog eenige herinneringen mee te deelen. Die bewaar ik echter tot het slot. Eerst werpen we nog een blik in het hartje van den Jordaan en dan gaan we naar de nieuwe woning in de Nieuwe Leliestraat.
JORDAANPAEDAGOGIEK.
De Jordaan, de Amsterdamsche, heeft niets te maken met de gelijknamige rivier in Kanaän. Vroeger waren er in deze volksbuurt der hoofdstad allemaal tuinen. De Fransche vluchtelingen, de refugiés, vestigden zich daar en zij spraken van „les Jardins”. Vandaar de naam.
Het is wel eigenaardig, dat deze naam, die geen enkel officieel cachet heeft, in den volksmond is blijven voortleven. De stadhuisregisters kennen hem niet, maar bij de geboren Amsterdammers zal hij niet gauw wegsterven.
De herinnering aan les Jardins wordt, behalve door de verbastering Jordaan, ook bewaard in de namen der straten en grachten. Wie deze hoort, waant zich in een lusthof verplaatst Alles spreekt van bloemen en boomen. De Palmgracht, de Goudsbloemstraat, de Lindengracht, de Anjelierstraat, de Tuinstraat en de Eglantiersgracht, de Leliestraat en de Bloemgracht, de Laurier- en zelfs de Rozenstraat. Het geurt en kleurt om u heen. Dáár zoudt ge willen wonen. Onder de palmen, tusschen de rozen.
Wees voorzichtig. Namen bedriegen. Op de Lindengracht was mijn eerste school, en het stonk er. Op de Bloemgracht mijn tweede, en het stonk er ook. Op de Eglantiersgracht woonden we, en het stonk er afgrijselijk. Geen wonder: de gracht was zoo iets als een groep voor het menschelijk vee, alle emmers met excrementen uit de heele buurt werden er avond aan avond in leeggestort. Die schonken hun geuren aan les jardins. Zoo leefden we daar tusschen rozen en anjelieren. Ik weet nog, dat er een cholera-epidemie heerschte. Duinwater hadden we niet, elken dag voeren er schuiten met vaten zuiver drinkwater door de gracht, en terzelfder tijd spoelden sommige vrouwtjes hun waschgoed in die grachten uit. 't Water zag er altijd vuilzwart: leliën en rozen. En de bakker maakte er zijn dweil in nat, waarmee hij den oven „reinigde” voor ons brood.
Ook de meeste straten waren vuil. Glibberige keitjes tusschen armoedige huizenrijen. Wie laurieren en goudsbloemen verwachtte, vond gore onderkleeren, afhangend van droogstokken.
Het is nooit verstandig, straten en ook meisjes van die heel mooie namen te geven. Men weet niet, of ze de belofte van hun naam vermogen te houden en zoo loopen ze gevaar, levenslang, bij iedere kennismaking, in zichzelf een teleurstelling aan te bieden.
Allereerst aan het Oranjehuis is het gelukt, een inval te doen in die rijen van bloemen en groen. Vroeger heette een der grachten, n.l. de Goudsbloemgracht, in den volksmond het Fransche pad. Je had daar, ter weerszijden van een drabbig water, smalle, slecht geplaveide wegen. Franschen woonden er niet meer, wel dieven en ander gevaarlijk volk. Wij, jongens, wisten elkaar te vertellen van zulk een held, die, door de politie achtervolgd, royaal over de gracht sprong en zoo zijn vrijheid redde. Het was „De achtkante Boer”. Overigens leefde dit Fransche pad bij ons alleen voort in een verachtelijken scheldnaam. Wie ons àl te min was, scholden we uit voor Franschepatter. In den Haag zegt men tegen zoo iemand: stuk vullis.
Het Gemeentebestuur vond het verstandige opvoeding zijner burgerij, de gracht van dit Fransche pad te dempen, waardoor het in een breede straat veranderde, toegankelijk voor handhavers der orde. Maar het gaf daarbij een tweede bewijs van paedagogisch inzicht. Het liet de straat naar Koning Willem III vernoemen, door Z. M. plechtig openen, en sedert verdwenen de namen van Goudsbloemgracht en Fransche pad voor dien van Koning Willemstraat. De Jordaners waren altijd reeds beroemd door hun Oranjeliefde, maar nu was Oranje hun een broeder, en meer dan dat. Wanneer Koning Willem III zijn jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad bracht en dan natuurlijk ook in open rijtuig de Willemstraat bezocht, spanden zijn trouwe Willemstraters de paarden van den wagen en trokken dien zelf in statigen optocht langs hun heirweg. Dat was een jaarlijksch verbond tusschen Bokkebek, den Koning van de Willemstraat, en Willem III, Koning der Nederlanden.
Wat is een naam? vraagt de dichter.
Een naam is een levenslange ontgoocheling. Maar een naam is ook een eer, een verplichting, een verantwoordelijkheid, en dan is hij een stuk opvoeding. Maak van uw Franschepatters—Willemstraters.
* * *
Zoo ziet men, hoe er uit dien vuilen Jordaan nog paedagogiek kan opbloeien. Met de paedagogiek is het trouwens evenals met de poëzie, ze schuilt
't Is de vraag maar, wie haar al,
Wie haar niet kan vinden.
Dat móét immers ook? De paedagogiek is een levenskracht, die in heel de menscheid en zelfs in de dierenwereld werkt. Sinds men echter een paedagogische priesterschap heeft, die haar paedagogisch leerstelsel heeft opgebouwd, is de paedagogiek schuil gegaan, en kost het vaak moeite haar op te sporen. Het zuivere hemelwater is tot staande grachten geworden, vol menschelijke onreinheid, stinkende van domheid en pedanterie. Geef den menschen zoo'n leerstelsel, en zie, wat ze er van terecht brengen. Je kunt ze er in examineeren, maar dan—in de practijk—laten ze het in den steek, omdat het hen in den steek laat. De priesters hebben altijd het werk der profeten bedorven. Wie iemand paedagogisch wil sterken, brenge hem in aanraking met de paedagogische profeten. Van hen gaat kracht uit, die onze krachten wekt en ontwikkelt.
In ieder menschelijk wezen—en in hoeveel dieren—leeft een paedagogisch instinkt. Vandaar dat we overal opvoeding zien, opvoeding móéten zien. Naarmate we die opvoeding meer beperken tot een bepaalde klasse, zal ze er te treuriger aan toe zijn. Dan verdroogt de levenskracht tot schoolmeesterij.
Ziedaar, zelfs Willem III was een opvoeder, toen hij zich door de Willemstraat liet trekken. Zonder karton- of houtslöjd paste hij daar de zelfwerkzaamheid toe. Hij stelde die mannen in de gelegenheid, iets voor hem te doen. Iets dat ze graag deden. Iets dat hen een eer werd, een levenslange trots: „Ik heb den Koning nog voortgetrokken!” Daarmee riep hij van het beste wakker, wat in die mannen leefde: huldigende toewijding aan Majesteit.
Vischkoopers, kroeghouders, geldschieters in zelfgewilde dienstbaarheid zich te doen inspannen voor Majesteit, zij het aardsche, het is een begin van zedelijke opvoeding. En het is de bittere fout onzer hedendaagsche zoogenoemde democratie, dat ze den eerbied voor Majesteit vernietigt. O, ik weet, dat er veel valsche majesteit is, maar daarom kan dat eerbiedsgevoel toch echt zijn. En niet die majesteit daar buiten, maar dat eerbiedsgevoel daar binnen is de opvoedingskracht. Wellicht buigen wij allen voor valsche majesteit, wij blinde zoekers der Waarheid. Doch beter is het, een Koningskar voort te trekken, dan den zegewagen van de Zelfzucht. Als er maar een element van toewijding is!
Jaren later heb ik in denzelfden Jordaan het zoogenaamde palingoproer bijgewoond. Het Gemeentebestuur had een aloud volksvermaak verboden, waarbij een paling aan een touw boven het grachtwater hing en gegrepen moest worden door een onder het touw door varenden man. Zoo iets als het katknuppelen, maar weer wat anders.
Het verbod was gerechtvaardigd,—ofschoon, als men toch beschermen wou, er in de gevangenissen en bordeelen heel wat menschen nóg dringender behoefte aan hulp hadden dan die paling.
't Ging echter waarschijnlijk minder om het palingbelang dan om de zedelijke opvoeding der Jordaners, die nu toch eindelijk eens afstand moesten doen van zoo onmenschelijk vermaak. Afstand, nog eer ze er in hun hart afstand van hadden gedaan.
De Jordaners verzetten zich, en soldaten trokken den Jordaan binnen. Het werd een formeel oproer.
Natuurlijk wonnen de geweren het en tegenwoordig worden de palingen alleen maar levend gevild en in stukken gesneden door de gemoedelijke handjes der vriendelijke vischvrouwen. Meneer het Gemeenteraadslid ziet het zonder gewetenswroeging aan, zijn kinderen kijken ook met een zeker welgevallen. Het vischvrouwtje doet het zoo kwiek, en paling is lekker. Maar de Jordaners mogen niet meer „palingtrekken”, denken er niet eens meer aan. Dat is voorbij. Door kogels getroffen.
En dit was nu juist de fout, dat de kogels het geveld hebben.
Er was een betere manier geweest.
Men had er Willem III voor moeten spannen. Gelijk de Jordaners Zijne Majesteit hadden voortgetrokken, had deze Majesteit—majesteitelijke roeping en roem!—zich in dienst moeten stellen van hun zedelijk heil.
Men had de voornaamste palingtrekkers moeten opzoeken, hen uitnoodigen tot een vergadering ten Raadhuize, en daar had de Burgemeester, ter eere der vergadering in ambtsgewaad, moeten zeggen, hoe graag de Koning wou, dat dit vermaak uit „Zijn Jordaan” verdween, om dan te vragen, of de mannen daar geen middel op wisten: „De Koning vond, dat de Jordaners tegenwoordig te hoog stonden voor zulk een toch altijd wreed genoegen.” En dan had men het daarheen moeten sturen, dat bij het eerstvolgend bezoek van Willem III een eere-comité van Jordaners onder leiding van Bokkebek, den Koning, „het besluit der burgerij” meedeelde, om voortaan ter liefde van hun vorst en de palingen, niet meer aan het palingtrekken te doen.
Dan had men, en waarlijk opnieuw zonder houtslöjd, de zelfwerkzaamheid in actie gebracht ten bate van het zelfheil.
* * *
Doch wellicht vindt deze of gene, dat deze paedagogiek een politiek bijsmaakje heeft, dat zij eigenlijk slinksche middelen gebruikte, en, om het maar ineens te zeggen, in haar wezen onoprecht was. Koning en Burgemeester zouden zeer goed geweten hebben, dat de Jordaners niet te hoog stonden voor dat wreed genoegen, en heel die opgezette komedie zou niet anders geweest zijn dan een speculeeren op de menschelijke ijdelheid, dus op een menschelijke fout.
Laat de Jordaan mij tegen deze bedenking mogen verdedigen.
Het is marktdag en de Noordermarkt is vol kooplui en koopers. Er liggen allerlei nuttige en noodige dingen, die de drentelende burgervrouwtjes vandaag voor een prijsje willen meester worden. Maar daar staat ook een koopman, die iets totaal overbodigs aanbiedt. Niemand zal zoo gek zijn, daarvoor zijn geld uit te geven. Zoo meent ge. En de omgeving van het kraampje is ook dood van leegte. Maar wacht een oogenblik. De koopman begint met rijksdaalders te werken. Hij smijt ze tegen een tafelblad, zoodat ze terugspringen, vangt ze op, laat ze rinkelen, gooit ze omhoog, weet ze met een sierlijken greep te vangen, en binnenkort staat hij midden in een breeden kring van menschen. Eerst kwamen de jongens en gaapten zijn kunsten aan, toen ook de mannen en de vrouwen. De blinkende geldstukken, neen de wijze waarop de koopman er mee manoeuvreerde, heeft het volk doen toestroomen. En onder de hand heeft de kunstenaar, steeds oreerende, iets aangeduid van hetgeen hij het achtbare publiek wenscht aan te bieden.
Het publiek wacht en kijkt. Het is nieuwsgierig. Maar geen sterveling is van plan iets te koopen. Ze hebben hun geld te lief en geven niets om die prullen. Doch ze kennen den koopman niet en hun eigen rampzalige zwakheid. Hij haalt iets onder zijn tafel vandaan. Een doos. Hij opent ze. Het publiek rekt de halzen uit om te kunnen zien. Hij neemt iets tusschen wijsvinger en duim, maar 't blijft nog verborgen. Nu roemt hij de deugden van dit inderdaad buitengewone. Men zou al geld geven, om het te mogen aanschouwen. En dan te denken, dat je zoo iets bizonders voor luttel geld je kunt toeëigenen. Dat je 't je heele leven kunt meedragen. Het is een zeldzaam kansje. En uit een omhulling van rose watten—zoo waardevol bergt men geen prullen—wikkelt de koopman het wonder te voorschijn. En dat kun je nu krijgen voor slechts vijf cent.
De jongens hebben geen vijf cent Zij gapen het wonder maar aan. Doch die mannen, en die vrouwen, de centen rammelen al in den zak. Komaan meneer, is het niets voor uzelf, dan is het toch voor uw kinderen. Komaan juffrouw, u hebt zoo iets toch immers nog nooit in huis gebracht? En meneer laat zich verleiden: Vooruit, geef me dan maar zoo'n dingetje. De centen telt hij al neer. En de juffrouw laat zich verleiden. En anderen volgen. En het is den slimmen koopman gelukt, de menschen zoo ver te brengen, dat ze het geld offerden, dat ze noodig hadden en wilden behouden, en een prul mee naar huis namen, dat ze niet behoefden en eigenlijk zelfs niet eens begeerden.
Die koopman heeft maar één methode: beduvel je menschen.
En die methode heeft succes. Alleen, hij wendt haar aan tot nadeel van zijn volk en ten bate van zichzelf. Daardoor is hij geen paedagoog. Maar had hij omgekeerd het heil van anderen op 't oog en wilde hij daartoe zelf offers brengen, dan was hij met zijn methode van „beduvel ze” een geboren opvoeder. Of is het niet onze grootste kunst, kinderen en menschen het goede te laten doen, waar ze in hun hart afkeerig van zijn? Hen smaak te doen krijgen in hetgeen hen noodig maar niet aantrekkelijk is?
„Jordaanpaedagogiek!” roept hier de echte paedagoog verachtelijk uit. „Een paedagogiek, die haar achterbuurtsche afkomst niet verloochent. Men kan wel zien, dat deze paedagoog een Jordaankind is, bij vunzige grachten opgegroeid.”
Dat is hij. Maar nu blijkt meteen zonneklaar, dat hij geen paedagoog is, hetgeen hij, ziende de echte paedagogen, wel altijd gevoeld heeft.
Stel u voor: de methode van beduvel ze maar. En dat in naam der pae-da-go-giek!
* * *
Er was r's een moeder, die altijd 's avonds, als het bedtijd was, tegen haar spruit zei: „Kom, nu gaan we ons eens lekkertjes uitkleeden en dan lekkertjes naar bed.”
Nu moet ge weten, dat die spruit het lang niet lekkertjes vond, het uitkleeden niet en het naar bed gaan ook niet, en veel liever bleef spelen. Maar als moeder dat zoo zei, dan was het net, of er over het uitkleeden en naar bed gaan een zekere bekoring kwam, of het vriendelijk licht, dat den heelen avond het spel beschenen had, wat draaide en zijn schijnsel wierp om den stoel waar 't kind zich ontkleedde. Het speelhoekje kwam in den schaduw.
Een gewoon mensch, die geen verstand van paedagogiek heeft, begrijpt dit best. Er is inderdaad zoo'n lichtje in 't moederhart, en dat straalt zijn schijnsel in stemmende woordjes uit. Als moeders zoo iets zeggen, verwisselen lust en onlust in 't kindergemoed. Dat is de wonderlijke uitwerking van haar woorden.
Maar eigenlijk volgde moeder daarbij die veroordeelde methode van je-weet-wel.
Toen kwam moeder eens in aanraking met een echte paedagoog, nog wel een moeder, en die keurde de gevolgde manier beslist af. Die deed het paedagogisch. Het kind moest op tijd eindigen met zijn spel en dan naar bed, lekkertjes of niet. En zoo gebeurde 't ook bij haar kind. Maar 't ging altijd met tegenzin; en als 't heel mooi was met gelaten berusting. Nooit met een warm gevoel van vriendelijke instemming. Moeder, ik bedoel nu de eerste, zag dat, en ze had een buitengewoon respect voor die degelijkheid, maar ze bleef toch maar liever bij haar eigen manier: die vond ze voor 't kind gezelliger, en eigenlijk ook voor haarzelf.
Doch ik geloof, dat ik haar begrijp. Ze wilde zoo graag, dat het kind lekkertjes ging slapen, ze vond het voor 't kind zoo goed als het, zonder conflict, in die zachte stemming het spel verving door de nachtrust. Ze wist echter wel, dat zoo'n overgang voor 't kind moeilijk is, en om het nu daarbij te helpen, kwam ze het kind met háár stemming te gemoet. Wat heilzaam was voor 't kind, maar door jeugdige kracht nog niet spontaan en zonder bijstand ontwikkeld kon worden, kwam nu te voorschijn—en toch in het kind—door moeders wijze, liefdevolle, steunende inwerking. Deze riep in het kind iets wakker.
Neen, dat is geen bedriegen. Met leugens heeft men nooit succes. Die mogen ons voor 't oogenblik uit den nood helpen, ze brengen ons in 't spinrag der onwaarheid, waarin we steeds meer verward raken.
Die methode van „beduvel ze maar” bedoelt, het goede in kind en mensch op te roepen, dat er in aanleg aanwezig is, en daarmee te overwinnen het kwaad dat dreigt of heerscht.
De potentiëele deugd reëel te maken.
Den engel aan te gorden tegenover den duivel.
En daarom moest ze in de paedagogiek eigenlijk heeten: Verengel ze maar.
Dat klinkt echter te mooi voor Jordaanpaedagogiek. We zeggen het daar liever wat ruw. Maar we meenen het daarom toch goed. En wellicht dat menig onderwijzer, die zijn kinderen dag aan dag moet inprenten, wat die schapen absoluut onverschillig is, en die naar zijn zin de medewerking dier kinderen bij toepassing der heerschende methoden niet in voldoende mate kan winnen, wat meer succes heeft, als hij 't eens probeert met de methode van.... doch nu weet hij 't al.
IN 'T NIEUWE HUIS.
Menige woning is als de schelp van een weekdier. Je kruipt er van voren in en dan ontwikkelt zich een stel ruimten, met aan alle zijden wanden. Wil je er uit, dan dien je weer terug te kruipen. Toegang en uitgang zijn dezelfde.
Dat geeft altijd zoo iets beklemmends. Overal stuit je tegen muren. Als de voordeur achter je gesloten is, ben je gevangen. Je bent in een fuik gezwommen. Aan den achterkant is geen uitbreken.
Zoo kan je ook zoo leelijk een vereeniging, een partij binnenzwemmen. Ben je er eenmaal in, dan kun je geen hand uitsteken, of je slaat tegen een muur van het programma. Akelig benauwd. Je dacht je tusschen die wanden recht behagelijk en thuis te voelen? Niets er van. 't Zijn dwangbuizen voor je geest. Je willen en je denken, je neigingen en je inzichten botsen voortdurend tegen de geformuleerde overtuigingen en je dankt den hemel, als je er goed en wel uit bent, zij het ook, dat ze je door het inkruipgat er principiëel hebben uitgesmeten.
Dan ben je weer heerlijk in de vrijheid.
Het nieuwe huis had gelukkig een achteruitje.
Wanneer je had aangebeld, kwam je in de gang. Een zijdeur gaf toegang tot de „zijkamer”. Als kind heb ik bij dezen naam nooit aan de eigenlijke beteekenis gedacht. Die zijkamer was de mooie kamer, daar stonden de beste meubelen, daar zat je alleen zondags, daar ontving je visite. Er was dus iets fijns aan dien naam verbonden, en dit hoorde ik in den naam. Ik dácht er niet bij aan zijde en satijn, maar ik kwam er bij in een stemming van die stoffen. De zijkamer behandelde je met een zekere reverentie, gelijk een zijden japon. Dat was geen stuk gemeenzaamheid. En als je tegen een bezoeker zei: „Ga u maar even in de zijkamer,” dan kwam er, en niet alleen door de beleefdheid, iets zijigs in je stem.
Ziedaar het effect der klanken. Fijne, mooie, beschaafde klanken kunnen beschavend werken door het intoneeren van fijne stemmingen.
Aan 't eind van de gang kwam je door een andere deur in de huiskamer. Hier was het, dat we in schemeravond onze liederen zongen, op stoelen en op den grond om de kachel gegroept. Vulkachels waren er toen gelukkig nog niet. Je moest nog telkens „een schepje op de kachel” doen, je zag den pot gloeien, je zag bij 't poken de vonken vallen, ja zag zoo'n heerlijk warmgeel licht uit het pookgat schijnen, altemaal genietingen, waarvan de gemakzucht, de techniek, de hygiëne en andere ongerechtigheden ons hebben beroofd. Vader stak den pook in de kachel, om met de punt zijn pijp aan te steken; een stukje roodvlammend leven midden in de duisternis. Onze kinderoogen genoten van alles. Met volle teugen dronken we de poëzie van dit huiskamerleven in. De zijkamer had iets stijfs en kils. Maar de huiskamer—ze mocht dan laag en donker zijn met dat eene raam op den tuin, ze mocht vol rook hangen van Vaders pijp, ze mocht door gloeiende kachel, bedstede en nog zoo een en ander een benauwde atmosfeer hebben, ze was toch een gezegend oord. Er zweefden gezelligheid, vertrouwelijkheid, hartelijkheid. Je voelde je er warm en veilig.
* * *
Ga nu eens mee voor dat eene raam zitten. Dan zie je tuintjes. Hier vlak voor je is ons eigen tuintje. Eerst een plaatsje en daarachter een tuintje, beide maar klein. Het plaatsje van groote vierkante tegels, het tuintje niet anders dan een lapje zwarte grond. In drie of vier stapjes heb je beide doorloopen. Maar toch een tuintje. Een lage, donkere schutting scheidt het, rechts, van buurmans tuintje. Daar kun je ook in kijken. En dan ligt er weer een, en nog een, en nog een, een heele rij. Links staat een vrij hoog houten loodsje van twee verdiepingen, dat daar het terrein en alle uitzicht afsluit. Maar achter ons tuintje en dat van de buren zie je weer de tuintjes van de achterburen. Die zijn grooter dan de onze, want daar wonen rijkere menschen. In hun tuinen staan heele boomen, waar de musschen in sjilpen.
Is dat niet een heerlijk bezit? Ruimte, lucht, groen, vogels.
Toen we bij 't verhuizen onze eerste stappen in de nieuwe woning zetten en ik door dit eene raam keek, wist ik niet wat ik zag. Echte boomen. Aanstonds ging ik uit de huiskamer de keuken in, opende een glazen deur, liep een trapje af, en stond buiten. Ik keek rond als Columbus. Een nieuw werelddeel. En alles even verrukkelijk. Daar was een waterput. Als je er op ging staan, kon je over de schuttingen kijken. Ik deed het. Wát een ruimte! En hoor die vogels! Misschien kon je ze lokken en kwamen ze ook hier in den tuin. Dan was je heelemaal buiten.
Wanneer ik nú ons tuintje zag en daar mijn buitengenietingen moest maken, zou ik me zeker erg mistroostig voelen. Ik ben nu, helaas, zooveel beter gewoon. Maar toen? 't Was voor 't eerst van mijn leven, dat we de weelde van zoo'n tuin hadden. En dan is ieder plekje grond een verrukking. Vader nam natuurlijk den aanleg van 't geheel voor zijn rekening. Die goede man genoot niet minder dan wij. Als een kind was hij in zijn schik. De winkel met al zijn zorgen lag achter hem. Doodarm had hij dien verlaten. Hij had een soort betrekking gekregen aan „'t Heeren Logement”, een inrichting waar allerlei inboedels verkocht werden, een venduhuis. Hij verdiende er luttel. Maar de kwellende angsten van den verloopenden winkel was hij kwijt, en nu genoot hij inderdaad als een kind.
„Tegen die schutting zullen we lathyrus zetten.” Ik hoor het hem nog zeggen. Het pijpje in den mond, het onmisbare „krommertje”, scharrelde hij nu over het plaatsje, in 't schuurtje, door den tuin. Een spa en een hark had hij al weten machtig te worden. En daar spitte en harkte hij al zijn zorgen mee weg, in misschien twaalf vierkanten meter zwarten grond. Ik zie hem nog alle steenen en vuil opruimen, een perkje aanleggen, een paadje plat trappen. En ik mag hem helpen. Ik ga met hem mee naar de Bloemmarkt, op den Singel bij de Munt, wat planten koopen en zaad. De namen „geranium” en „lathyrus” met de spelling er bij heb ik toen geleerd. Vaders liefhebberijen wekten en bevredigden mijn leergierigheid.
Een nieuw huis, een nieuwe omgeving, een nieuw leven. Uiterst bescheiden in zijn behoeften, was Vader gauw voldaan en gelukkig. Als die ellendige geldzorgen maar niet drukten. Daarvoor alleen was hij bang. Hij was absoluut geen man, om zelfstandig zaken te drijven. Hij was een model van trouwe gehoorzaamheid, een uitstekend dienaar. En zoo was hij dan nu, bevrijd van zijn bezit, ontheven van zijn verantwoordelijkheid, onttroond als chef, den koning te rijk. Menigeen krijgt het beter door een vermindering. Waarom zoeken de menschen toch zoo vaak hun ongeluk in een levenspositie, te groot voor hun aanleg?
* * *
We woonden in de Nieuwe Leliestraat. Vader had een gering inkomen. Waar leefden we dan van? Christine, de oudste, ging in een betrekking, voor nacht en dag, als winkeljuffrouw. Dan had ze tenminste goede huisvesting, goeden kost, en wat geld voor haar kleeding. Maar dat geld ging meer naar Moeder dan naar de kleederwinkels. Het lieve meisje kon het niet voor haarzelf besteden, als ze wist dat Moeder „zonder een cent zat”. En dan worden zulke meisjes wel eens beschimpt, omdat ze er zoo kaal uitzien.
Daarbij begon de oudste zoon al wat te verdienen en waren er twee kostjongens. Op die manier scharrelden we er doorheen.
Hoewel ik toen pas 10 jaar was, wist ik toch precies en weet ik nu nog, hoeveel er elke week inkwam. Ik weet zelfs, hoeveel kostgeld er voor die twee jongens werd betaald. In de armoede leven de kinderen veel meer met het gezin en zijn nooden mee, dan in de welvaart. Hoeveel kinderen in den gegoeden stand van 10, neen 20 jaar, hebben een flauw besef van wat Vader verdienen moet, om het gezin te onderhouden, zijn jongens te laten studeeren? Daar leven de kinderen zoo zeer in de onbezorgdheid, dat het wel eens in de zorgeloosheid wordt. Zij spelen student, maken naaistersrekeningen, zonder ooit „te rekenen”. Dat geld komt er wel, daar bekommeren ze zich niet om. Zoo leeren ze niet waardeeren de inspanning der ouders, niet kennen de waarde van 't geld, en verstaan niet tijdig de kunst evenwicht te bewaren tusschen inkomsten en uitgaven. Armoede is een opvoedster voor 't leven, kan het althans zijn.
Zullen we nu zeggen: we moeten de armoede zoeken, opdat we in haar een goede opvoedster voor onze kinderen hebben? Dat nooit, daartoe gaat ze met te veel bittere ellende gepaard: ziekte, angst, vernedering. Maar wel acht ik een sobere levenswijze zeer gewenscht, en daarbij zulk een samenleven van oud en jong, dat de jongeren geleidelijk en als vanzelf in de levenspraktijk komen. De kinderen mogen gerust weten wat dit en dat kost, en dat er maar zóóveel beschikbaar is, en dat we ons deze of gene zelfs kleine weelde moeten ontzeggen. Vele ouders houden zich echter liever groot voor hun kinderen; andere bewaren een zekere geheimzinnigheid: „zulke dingen gaan den kinderen niet aan”, nog andere kunnen hun kinderen niet gelukkig maken zonder ze te overladen. Met zorg? Kun je denken. Met heerlijkheden.
Nood leert bidden en werken. Zorg leert zorgen. En het kan voor een kind niet anders dan goed zijn, als het intieme gezinsleven, rekening houdend met kinderkrachten, het kind actief betrekt in zijn moeilijkheden. Dat is ook een „leeren door doen.”
* * *
Ik zie, nu al bijna dertig jaar, hoe zeer vele ouders mijner leerlingen, menschen die er geldelijk volstrekt niet slechter bij staan dan ind'rtijd mijn ouders, hun jongens zoo gauw mogelijk uit geldverdienen sturen en er niet aan denken die kinderen een vak te doen leeren. Jongens, die goed het zesde leerjaar hebben doorloopen, worden eenvoudig loopjongen in een winkel. Bij uitzondering gaat er een naar de ambachtsschool, en al hun kennis van taal, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde zijn ze binnen eenige maanden verloopen in hun nieuwe wereld van belangen. Die laten ze graag slippen bij al hun gesjouw door de stad.
Hoe kwam het nu, dat mijn ouders, onder alles door, zoo trouw zorgden voor goede scholen en twee hunner jongens de heele ambachtsschool lieten doorloopen, terwijl de derde voor onderwijzer mocht leeren, d. w. z. vóór zijn achttiende jaar bijna niets thuis bracht?
Ik meen hier een leerzaam verschijnsel te ontdekken. Vader en Moeder hadden het wel heel zorgvol, maar niet door eigen lakschheid, niet door eigen geestelijk of zedelijk onvermogen. Beiden waren van goede afkomst, beider familiën behoorden tot dat deel van den burgerstand, waaruit dokters, notarissen, predikanten, handelaars voortkomen, beiden hadden een ontwikkelde opvoeding genoten. Maar Vader leed aan toevallen en al zijn bekwaamheid en braafheid konden hem niet in een betrekking handhaven. Daar zat de hoofdoorzaak van den achteruitgang. Voor winkeldrijven had de goede man niet de noodige talenten—men is koopman of men is het niet—en iederen anderen werkkring bekleedde hij slechts zoo lang, tot hij in zijn arbeid een toeval had gekregen. Daar waren de menschen bang voor, patroons zoowel als mede-ondergeschikten, en Vader werd ontslagen. Later hoop ik van deze bittere ellende voor die twee zoo goed kunnende en zoo goed willende menschen iets meer te vertellen, maar nu moest ik reeds het feit mededeelen. De oorzaak der armoede is van overgroot belang voor de opvoeding en de toekomst der kinderen. Moreele en geestelijke verslapping laten de kinderen los, in wie vaak reeds dezelfde lakschheid en lamlendigheid huizen. Maar mijn ouders behielden onder allen tegenspoed hun energie, lieten zich niet wegzinken, trachtten zich aldoor op te houden en op te werken, kampten alleen tegen een overmachtigen vijand, doch hielden den strijd vol tot hun kinderen volwassenen waren; ze offerden die kinderen niet op, maar zochten er van te maken wat onder de gegeven omstandigheden maar eenigszins mogelijk was, ja, beproefden in hun kinderen de verloren maatschappelijke positie te herwinnen.
En dat is hun gelukt Dat hebben ze nog mogen beleven. In hun maatschappelijken strijd ging het eerst al maar naar beneden: er werd kind op kind geboren, tot zeven toe, en betrekking na betrekking verloren. Daarna bleef het jarenlang worstelen in de diepte. Maar toen ging het geleidelijk omhoog: de kinderen werden grooter, en—wonderbaar—de toevallen bleven na het 50ste jaar weg. Zoo hebben Vader en Moeder het in de laatste periode van hun leven nog heel goed gehad, beter dan ooit in hun huwlijksjaren—hoofdzakelijk ten gevolge van de in hen wonende onuitroeibare energie, die zich zoo heel duidelijk openbaarde in dit eene feit, dat ze hun jongens, te midden van groote geldzorgen, niet opofferden aan het heden, maar deden opleiden voor de toekomst.
* * *
Het verschil tusschen den wijze en den dwaas, zei iemand mij eens, bestaat hierin, dat de eerste een betrekkelijk klein genot van het oogenblik weet prijs te geven voor een betrekkelijk groot genot in de toekomst. Dwaas was Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een schotel linzensoep. En de hoogste wijsheid sprak uit het woord, dat wie zijn leven om Christus' wille durfde verliezen, het leven eerst recht winnen zou.
Ik houd niet van de woorden wijs en dwaas in dit verband. Ze zijn me te berekenend. Jacob, rustig overleggende bij Ezau's honger, zelf in stilte hongerend naar diens eerstgeboorterecht, en heel verstandig gebruik makende van de gelegenheid, is mij hierin meer antipathiek dan zijn kortzichtige broeder. Ezau zag, slaaf van het lagere, op dit oogenblik het hoogere niet. Jacob zag dit zoo goed, dat zijn wijsheid niet terugdeinsde voor iets eigenlijk veel lagers: het uitbuiten van de zwakheid zijns broeders.
En toch is het waar, dat men voor het heden de toekomst moet koopen. Maar dat moet niet geschieden in welwijze berekening, wier egoïsme zelfs geen oog heeft voor de belangen der naasten en deze baatzuchtig opzuigt, maar in krachtsontplooiing, die—uitwerking van innerlijke spanning—alle moeilijkheden van het oogenblik trotseert en zelfs zoekt. Het mag niet heeten: dáár is mijn doel en daarom zal ik in vredesnaam deze plichten maar vervullen. Doch het moet wezen: in die richting leidt mijn leven en nu kan ik niet anders dan worstelend voortgaan, zij het, dat ik worstel tot den einde toe, zij het ook, dat ik worstelend bezwijk.
Omdat in het leven mijner ouders waardevolle krachten werkten, konden zij jarenlang zoo vele en schier onoverwinbare tegenspoeden doorworstelen, gelijk de wortels van gezonde planten steenen doordringen en ten slotte zelfs rotsen doen splijten. En omdat die krachten zoo menigmaal ontbreken, zinken anderen in steeds dieper armoede en ellende weg. Dat is natuurlijk voor niemand een reden tot verhoovaardiging en al evenmin tot hulpweigering. Maar dat dringt ons bij iederen ernstigen bijstand, die niet helpende afschuift maar helpende aantrekt, te onderzoeken naar de oorzaken der heerschende ellende en dienovereenkomstig middelen aan te wenden. Het voornaamste middel zal dan wel steeds blijken: gelegenheid bieden tot krachtsontwikkeling, al zijn de aanwezige krachten ook nog zoo miniem.
En hieruit volgt voor onze opvoeding, dat we, in huis en in school, toch voornamelijk moeten zorgen voor het groeien der kinderen, zoodat er krachten in hen uitwassen. Geen groei zonder arbeid, die de krachten aan 't werk zet. En daarom: laat ze werken, werken.
En hieruit volgt voor onze philantropie, dat we—tenzij aan afgeleefden en zieken—nooit slechter kunnen helpen dan door te geven.
Het vraagstuk van het pauperisme is een ontzettend moeilijk probleem. Maar de oplossing kan nooit gevonden worden in het verstrekken van „brood en spelen”. Daarmee gaat het volk ten gronde. Er is maar één middel om aan de aarde het brood te ontworstelen: De hand aan den ploeg. Alleen werkende zegeviert de arme op de armoede.
VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN.
Och, mijn goede vader! Van die koopziekte was hij nog niet genezen. Hij had het in de krenten en de rozijnen nu toch zoo volmaakt afgelegd. De onopengesneden afleveringen van „De Aarde en hare Volken” en het „Bijbelsch Magazijn” waren als stomme aanklagers mee verhuisd. En toch bezweek hij weer. Neen, dat kwam niet, omdat hij het zocht. De goede man ging nooit op koopen uit. En hij had wel een portemonnaie op zak, maar er zat nooit geld in. Van schulden maken had hij bovendien een afkeer. Maar het zocht hem.
Laat ieder eens eerlijk zijn eigen leven nagaan. Dan zal hij zien, hoe hij door dat leven een of ook eenige gebreken meedraagt, inwonende neigingen, die als erfhonden rustig in hun hok blijven liggen zoolang er niemand vreemds op 't erf komt, maar aanstonds opschrikken en opspringen als ze naderende voetstappen hooren. Geen goed beginsel is zoo waaksch als deze booze begeerten. En nauwelijks zijn ze gewekt, of ze beheerschen ons.
We zijn niet zoo bedorven, dat we het kwaad zoeken. Maar we zijn slecht en zwak genoeg, om ons door 't kwaad te laten vinden als 't ons zoekt. En dat doet het. Op allerlei onverwachte oogenblikken loopt het ons erf op. En als de lusten dan wakker worden, het is niet om als een trouwe hond den verleider aan te vallen en te verjagen, maar om door hem te worden gestreeld. Het is ook zoo heerlijk, zich zachtjes te laten gaan onder de zoet-behagelijke bevrediging onzer sluimerende verlangens. Adam en Eva gaan er niet op uit, gedreven door slechte driften. Ze zijn volkomen gelukkig en denken niet eens aan kwaad. Argeloos dwalen ze door den hof, rustig genietende van de balsemende atmosfeer, de harmonieuse omgeving, en den stillen vrede des gemoeds. Maar dan komt de verleider tot hen en hij vindt ze niet, als later Jozef, met een onwankelbaar: „Zou ik zulk groot kwaad doen en zondigen tegen God?” Hij vindt ze niet, als later Jezus, met een onwrikbaar: „Ga weg van mij, Satan!” Maar hij vindt ze bereid tot redeneeren. En wie eenmaal met den verzoeker aan 't redeneeren gaat, verliest het, onverbiddelijk. Hij is een fijn redeneerder en ons, door lusten beneveld verstand, veel te slim af. Luister niet naar hem. Luisteren is vallen.
Waarom moest mijn vader nu juist een betrekkinkje krijgen aan dat venduhuis? Daar woonde hij dag aan dag de verkoopingen bij, en daar zag hij, hoe waardevolle dingen voor luttele bedragen van de hand gingen. Dat kon hij niet laten passeeren, dan waagde hij ook een bod, en dan kreeg mijn moeder allerlei overbodige meubelen thuis. Zoo raakte de brave man wezenlijk aan 't speculeeren, want hij kocht voorwerpen tegen lagen prijs, met de stellige verwachting die eenige dagen later tegen hooger prijs weer te verkoopen—'t was zonde, zulke koopjes te laten gaan—en daarmee raakte hij in de schuld.
* * *
Men begrijpt natuurlijk dat ik dit niet vertel, om mijn braven vader jaren na zijn dood te bekladden. Wanneer de lezers van hem een anderen indruk krijgen dan dien van een groot, naïef kind, dan heb ik hem niet goed geteekend. Hij was de rechtschapenheid zelf en behalve een paar driftvlaagjes was zijn grootste fout: een beetje te veel goed vertrouwen in zijn geslepen en hardvochtigen medemensch. Die kooplust was voor een groot deel averechtsch handelsgenie. Hij dacht daarbij erg slim te werk te gaan, maar werd steeds zelf het slachtoffer van berekenender naturen, die er hun voordeel bij hadden, hem in zijn ongeluk te laten loopen, of daarin te brengen. Hij was uiterst fijn van geweten, en werd de dupe van gewetenlooze harteloosheid. Eerlijk tot op een spijkerkop, was hij een gezochte buit voor dat heirleger maatschappelijke parasieten, dat ook uit de armste organismen nog levenssappen weet weg te zuigen. Doch, wat nu het wonderbaarlijke is, waar dit hem natuurlijk vaak in geldelijke moeilijkheden bracht—juist hem, den fijngevoelige, den argelooze, den ridderlijke—daar groeiden uit die moeilijkheden bijna altijd mooie levenservaringen. Ik geloof vast, dat de kapitalen, in kroegen en bordeelen verdiend, moreele ellende in de familiën brengen, en een mijner schoonste jeugdherinneringen dank ik aan de verliezen dier onpractische natuur, die zich onvoorzichtiglijk op het gladde ijs der zakenwereld waagde, en wiens zelfoverschatting—voorzeker een fout—zoo aandoenlijk werd goedgemaakt door de kinderlijke deugden van een onbedorven gemoed. Eer ik echter mijzelf nog eens verkwikken wil in die schoone heugenis, moet ik een ander deel kinderzaligheid voor u uitspreiden op onze tuintafel.
Zoodra er gebeld werd en een beladen handkar voor de deur stond, wist Moeder al hoe laat het was. „Juffrouw, dit komt van de verkoopening, van Meneer zelf,” zei de bezorger, en Moeder had weer iets, vaak iets heel onpractisch, aan te nemen en op te bergen. Zoo verscheen er op zekeren dag een reusachtige tuintafel: een groot, groen, vierkant houten blad op een ijzeren onderstel met cirkels en krullen en vier gekrulde pootjes. Het ding kwam zeker uit een grooten tuin, maar Vader had het prachtig gevonden voor ons plaatsje en het daarom gekocht en per handwagen naar de Leliestraat gestuurd. Moeder was eigenlijk recht boos met deze zending van de „verkoopening” en ze wou dat „Meneer zelf” maar wat minder koopgauw was. Doch ze kon de tafel toch niet terugsturen en liet haar dus naar het plaatsje brengen, waarvan ze een al te groot deel in beslag nam.
Maar wat heb ik op die tuintafel genoten!
Het was nog in den tijd, dat de handenarbeid zich beperkte tot het spel en nog niet de scholen was binnengedrongen om zich daar te laten fatsoeneeren. Ze leefde nog vrij, als een heidensch natuurkind, liep, dartelde, sprong, precies zooals ze wou. Zelfs was ze nog niet gedoopt, en geen sterveling dacht er aan, dat ze eenmaal dien uitheemschen naam Slöjd zou ontvangen met daarnaast den deftigen van Handenarbeid. Ze heette.... ja, ze heette eigenlijk heelemaal niet. Ze was innig opgenomen in allerlei hulp aan Vader en Moeder, en in allerlei spel op straat en in de huiskamer. Uit die natuurlijke verbinding was ze nog niet als zelfstandig element naar buiten gekomen om onder de verzorging der deskundigen als een apart wezentje in een eigen zondagsch pakje netjes de wereld te worden ingestuurd. Ze was nog zoo zonder pretentie, zonder opdringerige braafheid, ze was nog zoo anspruchslos en aantrekkelijk.
Wanneer we voor onze zondagscent geen drop of zoethout kochten, was het omdat de Pruisische Uhlanen ons te machtig waren. Die hingen in heele rijen op prenten voor de winkelruiten. En daarnaast de huzaren op dravende paarden. En ook de vliegende trein, kanonnen en kruitwagens, door zes paarden getrokken. De geheele Duitsche armee boeide onze oogen dermate, dat de snoepgoedwinkel het aflegde: het lager zinnelijk begeeren werd overwonnen door hooger lust—een stuk moreele opvoedingstheorie, dat je zoo maar zonder universiteit, professor en lijvig boekdeel ontving, dat de simpelste ervaring aan een eenvoudig menschenkind gratis thuis stuurde, zelfs in een achterbuurt. Je had het als 't ware maar van de straat op te rapen. Voor onze zondagscenten kochten we legermachten, liefst ongekleurde, en verfden die. Een bescheiden verfdoosje—als we 't niet op onzen verjaardag kregen—brachten we ook zelf met centen en halvecenten bijeen. Je kon losse verfjes koopen van allen prijs en in alle kleur, en evenzoo penseelen. Ik zie ons nog in den winkel uitzoeken: karmijnrood, marineblauw, geliefde kleuren, waarvan de naam ons reeds zoet in de ooren klonk. En al lieten die goedkoope penseeltjes ook vaak een haar los, al „haarden” ze, we deden het er toch mee, we kleurden er te voorzichtiger om. O weelde der wijsheid bij schraalheid der centen!
Als de uniformen dan gekleurd waren, plakten we mannen en paarden en wagens op dun bordpapier—er waren altijd wel oude doozen en Moeder kookte graag wat stijfsel voor ons. Daarna werden ze netjes uitgeknipt: voorzichtig, uiterst voorzichtig, met die natuurlijke voorzichtigheid, die ieder kind aangeboren is—niet waar, lieve Sien?—eer ouderlijke angst en meesterlijke bemoeizucht ze heeft verlamd met waarschuwing, bedreiging en verbod, en dan gingen er houten blokjes achter, zoodat ze staan konden.
Lieve Sien, neem me niet kwalijk, dat ik jou daar zoo ineens midden tusschen mijn huzaren haal. Maar toen ik daar zoo stil aan 't uitknippen was, en al mijn aandacht wijdde aan de teugels der paarden, zoodat die als sierlijke lijnen mooi bij den bek neerhingen, en toen ik ál mijn geestelijke energie in vingerbeheersching concentreerde, om, alleen uit eigen volkomenheidszucht, geen knipje te veel te doen, toen dacht ik plotseling aan jou. Toen was ik weer dien zondagmiddag bij je ten eten, en toen zag ik weer je driejarig kereltje—driejarig!—de borden—de mooie borden!—een voor een uit de kast halen, er mee door de kamer waggelen, ze netjes op de tafel zetten. „Hij hielp zijn moeder.” Wat heb ik toen genoten. Wat een lieve, lieve spanning in dat gezichtje, in die armpjes, in die beentjes, in die heele houding! En hoe zongen de zuchten een jubel van kindertriomf, telkens als er een reisje van de kast naar de tafel was volbracht. Sientjelief, dat was nu paedagogiek, waar ik de heele wereld wel op had willen trakteeren, tot de paedagogenwereld toe. En als je jarig bent, krijg je van mij de Paedagogische Encyclopedie van Prof. Rein cadeau. Niet om er in te lezen—de hemel beware me!—maar om er je lieve Henkie mee te laten sjouwen, van de kast naar de tafel, en van de tafel naar de kast. Wat zal dat een lekker speelgoed zijn, al die dikke deelen! En dan haalt Henkie er nog meer paedagogiek uit dan zijn vader!
Hoeveel moeders durven hun kinderen zoo op te voeden? Met zulk een vertrouwen in de kinderlijke eigenschappen? Met zulk een absoluut hooger schatten van een kind boven een bord? Wie 't probeeren wil, moet zelf rustig, kalm, geduldig zijn, stil met zijn kind meeleven, niets aan 't kind opdringen, vooral niet wat het kind uit eigen beweging al wil en doet, en niet boos wezen, als er door een ongelukje eens iets mocht breken.
* * *
En nu aan 't oorlogen!
Doch waar zou de veldslag geleverd worden? Waar was het terrein, uitgestrekt genoeg om deze talrijke troepen in twee partijen op te stellen en te doen strijden? De kamervloer? Maar daar liep iedereen. De aanrechtbank in de keuken? Daar moest telkens gewerkt worden. Hebt ge wel eens gezien, hoe zulke jongetjes met hun schatten alle ruimten rondscharrelen, om ergens een goed speelhoekje te vinden? De volwassenen kijken hen meestal voorbij, grauwen ze weg, zijn te vol van eigen belangen om oog voor de kinderen te hebben. Maar Vaders kooplust had mij mijn strijdveld bezorgd. Dat tuintafelblad was—nu in mijn herinnering—van reusachtige afmetingen. Er kon een heel Waterloo worden afgespeeld.
Naast ons woonde een heel net en rustig gezin met veel meisjes en één jongen. Die jongen keek eerst, klom toen over het lage schuttinkje, en we waren twee veldheeren, die onze troepen tegen elkaar aanvoerden. Er werden toen ter tijd kleine kanonnetjes verkocht, waarmee je echt schieten kon. We bedelden en spaarden net zoo lang, totdat we er een paar machtig waren, laadden ze met kleine groene erwten en vuurden ze op den vijand af. Elke held, die omkantelde, was voorloopig dood.
Maar die kanonnetjes schoten niet krachtig genoeg.
Daarom verschaften we ons koperen en glazen buizen—erwtenblazers—en joegen daardoor met de kracht van onzen eigen adem de groene projectielen tegen de papieren heldhaftigheid. Nu ging het beter. We zagen hooge ruiters wankelen, vallen en in hun val anderen meeslepen. Dat was een heerlijk gezicht. Van het aantal gesneuvelden hing het af, aan welke zijde tenslotte de zege verbleef. En we bliezen met een hartstocht en een volharding, alleen geëvenaard door de toewijding en het geduld, waarmee we eerst al die benden hadden gekleurd en geknipt.
Doch stond ooit de vernielzucht op het oorlogsveld stil? Er was ook bij ons climax in de wapenen. De proppenschieter kwam in 't vuur. Dat was een geweldenaar. Die richtte heele tooneelen van verwoesting aan. Wanneer de kurk uit het nauwkeurig gerichte kanon werd afgeschoten, deed hij zelfs een heel vijandelijk kanon omtuimelen. En als de strijd te lang onbeslist bleef, konden alleen de bommen der proppenschieters hem beslechten. Die moesten dan ook aan 't werk, en de doffe tikken van kurk tegen karton donderden onafgebroken door de vijandelijke gelederen.
Dikwijls bracht de duisternis pas een einde aan den strijd. Dan werden mannen en paarden en kanonnen in hun onderscheidene doozen gelegd. Gesneuvelden en overlevenden, winners en verliezers, lagen daar plat en vredig op elkaar, zoo, dat de blokjes der voeten netjes tegen elkaar aansloten. En dan gingen de veldheeren naar binnen en slapen. De eene klom over het lage schuttinkje, terug naar zijn eigen heim. De ander sleepte de doozen mee. „Adjuus!”—„Adjuus!”—„Kom je morgen weer vroeg?”—„Ja, als ik kan.”—Twee keukendeuren klapten toe, en het groene slagveld lag in den donkeren nacht, leeg en verlaten.
Had die groote tuintafel ooit beter plaatsje kunnen krijgen dan hier, waar ze veel te groot was voor de kleine ruimte? Ze bracht duizendvoude rente op in een heirleger van gewonden en gesneuvelden. En „Meneer zelf” mocht er voldoening van hebben, dat hij „dat bakbeest”—met welken naam Moeder het eerst begroet had—van de „verkoopening” naar de Leliestraat had gestuurd. Hij heeft er twee jongensharten mee verrukt.
* * *
Verrukt?
Zeg liever bedorven.
Jongens mogen niet soldaatje-spelen, want dan groeit de moordlust in hen aan, raken ze vertrouwd met doodslag en bloed, en, en, en....
Zoo fantaseert het principe.
Maar die eene jongen is nu al lang een braaf dokter in de hoofdstad des rijks, die dag aan dag zich inspant om zieken te genezen, levens te redden. En die andere heeft later, toen hij zoo wat twintig jaar was, gedichten tegen den oorlog geschreven, waar alle kanonnen door overstemd hadden behooren te worden, als kanonnen niet de onbescheidenste bulderaars van de wereld waren.
Men moet niet zoo vertrouwen op het fantaseeren der principes, al noemt men dit ook, met veel aplomb, logisch redeneeren. Je ziet het immers in de politiek? En in den strijd der vakvereenigingen? En in de paedagogiek? „Logisch redeneerende”, uitgaande van een „zuiver beginsel”, zet men de heele maatschappij recht, dwingt men alle verhoudingen, voedt men de kinderen tot engelen op; doch enkele simpele feitjes, door het verheven principe hooghartig voorbijgezien, zijn sterker dan het geweldigst principe, en maken ten slotte het schijn-succes tot een nederlaag.
Zulke ervaringen deden het voorgeslacht al uitroepen: De mensch wikt, God beschikt.
Volgens de zuiverste logica moest die overbodige tuintafel een oorzaak van groote narigheid zijn, en zie, ze werd ons de oplossing van het probleem, hoe de beschikbare legers, tusschen de ongeriefelijkheden van onze omgeving, een slagveld konden vinden. Als je eenmaal legers hebt, dienen ze dan toch te vechten. En hoe vecht je zonder terrein?
En volgens dezelfde logica had die kooplust mijn vader in de gevangenis moeten brengen, en zie, ze bracht ons in aanraking met het christendom.
Dat ging zoo.
Bezwijkende voor de dagelijksche verzoeking, had Vader, gelijk ik reeds vertelde, menig stuk gekocht met de bedoeling het straks bij gunstiger markt, weer te verkoopen, en zoo was hij op zijn manier aan 't speculeeren en natuurlijk in de schuld geraakt. Die schuld was gaandeweg gestegen tot een bedrag van misschien een paar honderd gulden, en vroeg, gelijk schulden dat zoo plegen te doen, op haar tijd om aflossing. Maar de eerzame schuldenaar kon zijn schuldeischer, den makelaar der verkooping, niet anders aanbieden dan de opgestapelde schatten die hij zelf gekocht had en die nu vruchteloos naar een nieuwen kooper uitzagen. Hiervan was de makelaar niet gediend: die goederen waren eenmaal gekocht en geleverd, het geld moest er zijn, zaken zijn zaken. En Vader zat in de ellende. O, wat was de goede man prikkelbaar in zulke tijden. Ik weet dat nog zoo best. En hoe zenuwachtig stond Moeders gezicht. Wij kinderen voelden mee de hopeloosheid van 't geval: een som geld op te brengen, die eenvoudig niet te krijgen was. En dan de dagelijks aandringende persing van een gevoelloos schuldeischer op de leege beurs van een dood-eerlijk, pijnlijk-conscientieus, maar alleen wat onnadenkend, eigenlijk ondóórdenkend man.
Nu gebeurde het in dien tijd, dat zeker iemand, die ook in zijn zaken achteruit gegaan was, ook een winkel had moeten verlaten, en verhuisd was naar een veel bescheidener woning, een deel zijner zeer goed onderhouden meubelen wilde verkoopen, om daarmee wat overbodige stukken in te ruilen voor zeer noodig geld. Die zeker iemand had een vrouw en ik meen vijf of zes nog jonge kinderen, een talrijk gezin, dat alleen van zijn verdiensten moest leven. Wij kenden het gezin, en daarom kreeg Vader verlof, de meubelen op eigen naam te verkoopen, opdat hij de provisie zou hebben, die hieraan verbonden was. Zulke extraatjes van een paar gulden waren altijd bizonder welkom. Vader, Moeder, en ook wij—meelevende kinderen—waren dan ook erg blij met de opdracht.
Maar hoe droevig en vernederend liep dit uit. Op zekeren dag kwam Vader thuis, gebroken. De meubelen waren verkocht, maar de verkoopgelden waren Vader niet uitbetaald. De makelaar had ze ingehouden ter afbetaling van de schuld, die Vader bij hem had. Dat kon hij doen, omdat Vader de meubelen op zijn eigen naam had doen verkoopen.
Daar zaten we. Die meneer, die zeker iemand, had Vader alles toevertrouwd, hij zag verlangend naar het geld uit, en zou er geen penning van ontvangen. Zijn oude, degelijke meubelen verkocht, misschien wel opgeofferd als geliefde familiestukken, en niets er voor terug.
In zulke omstandigheden was Vader zoo machteloos. Hij durfde den man niet onder de oogen komen—en die man woonde vlak tegenover ons. Ook wij gingen gebukt onder de dreigende schande. In plaats van heel vertrouwelijk en hartelijk te groeten, namen we wat schuw onze petjes af en ontliepen al de leden van het gezin. Hoe verachtten we dien gemeenen makelaar, die heel goed wist, dat de meubelen niet van Vader waren, maar hier zijn kans schoon zag, om het hem toekomende geld te krijgen. Als hij zijn geld maar had, kon 't hem niet schelen, of Vader daarmee een onschuldige te kort deed, misschien beschuldigd zou worden van oneerlijkheid, van oplichterij.
Oplichterij. Het woord ging als een koude rilling door ons gezin, en van dag tot dag stelden we het uit, het noodlottig bericht aan de overburen mee te deelen. Doch eindelijk, het moest. En, gelijk steeds in zulke gevallen, Moeder ging er op af. O, vrouwen zijn zoo vaak duizendmaal moediger dan mannen.
Wij wachtten thuis met angst. Hoe zou 't afloopen? Het ergste zou zijn, dat Vader werd aangeklaagd wegens oplichterij en naar de gevangenis ging. Het minste, dat de benadeelde familie er in berustte, maar wij gebukt zouden gaan onder haar verachting. In ieder geval, er zou een koele scheiding komen. We zouden de vriendschap van onze goede overburen verliezen. Moeder kwam terug. Ademloos hoorden we haar aan.
„Meneer—had alles begrepen, en hij had erg met Vader te doen.”
„En waren ze niet boos?”
„Neen, ze schrokken natuurlijk wel erg, en Mevrouw werd wit. Ach, ze konden het geld ook zoo best gebruiken. Maar Meneer zei: Uw man heeft geen schuld. Het is zeker Gods wil geweest.”
We waren duizend pond lichter. De houding der getroffenen tegenover ons veranderde in niets. Ze spraken nooit meer over 't geval, bleven vriendelijk—maar die man.... ik heb hem als een heilige mee door 't leven gedragen. Hij was zoo rustig-vroom, zoo eenvoudig-christelijk. Zijn blik, zijn gelaat, zijn stem, zijn heele gedrag was zonder eenig vertoon. Ik wou, dat ik zijn naam mocht noemen. Niemand kent hèm. Hij was geen schrijver, geen schilder, geen geleerde, geen staatsman. Alleen een kantoorheer—boekhouder op een wijnkooperskantoor—maar.... een christen. In hem heb ik het christendom ontmoet. En dat ik het zoo zuiver heb mogen aanschouwen, het was te danken aan Vaders argelooze koopneiging.