IN EEN NETTE BUURT.
De Jordaan was net een weefsel van straten: een schering van lengtestraten, met daardoor heen een inslag van dwarsstraten. De Lijnbaangracht en de Prinsengracht vormden aan twee zijden den zelfkant van het weefsel, dat in zijn geheel den indruk maakte van grof, grauw linnen. Het was een vunze buurt. Eigenaardig was echter, dat sommige lengtestraten en grachten als kleurige, glanzige zijden draden door dit weefsel waren getrokken en men dus uit de onbeschaafde armoede plotseling kon overgaan in den netten burgerstand. De Bloemgracht en de Rozengracht bij voorbeeld waren niet te min voor handelaars en dokters; daar zag je keurig onderhouden huizen met blinkend geverfde deuren; heldere dienstmeisjes bespoten iederen Zaterdagmorgen de onderpui uit een blinkend koperen glazenspuit; alles blonk er, tot de belknop en de roode wangen der dienstmeisjes toe. En geen drie minuten verder had je een armelijke Eglantiersstraat of Laurierstraat, met vuile houten trappen, donkere portalen en slobberige vrouwen. Wie den Jordaan doorkruiste, enkel maar doorsneed, kwam afwisselend in aanraking met het proletariaat, de kleine burgerklasse, en den gegoeden burgerstand.
De Nieuwe Leliestraat, waar wij nu huisden, was de straat van het financieel zwakke fatsoen. Heel nette menschen met kleine traktementjes bewoonden er een huis of een eerste of tweede bovenhuis. Er was geen vertrouwelijkheid in de buurt. Ieder bewaakte er angstvallig zijn stand achter lage gordijnen en gesloten deuren. Je kwam niet bij malkaar over huis. Op straat sprak je ook niet met mekaar. Je groette de buren beleefd met een nijging of een deftig hoedafnemen, maar verder kwam het niet. Zoo'n beetje gezellig op den stoep zitten, een luchtje scheppen op de groengeverfde houten bank, een buurpraatje maken over het weer, gelijk we dat op de Eglantiersgracht gekend hadden, geen kwestie van! Daarvoor was men hier te netjes. Ieder hield voor den ander zoo'n beetje schrale voornaamheid op. En zelfs achter het huis, in de tuintjes, had je dezelfde stijfheid. Nooit of uiterst zelden knoopten volwassen buren daar een gesprek met elkaar aan. Een afgemeten groet was het hartelijkste waartoe men komen kon. Ik had het gevoel, en herinner me dat nog heel wel, of ieder een stukje fatsoenlijke armoede te verbergen had en voor zijn naaste buren niet weten wou, hoeveel pijnlijke zorg en opofferingen het kostte, dagelijks knap voor den dag te komen. Al de meisjes uit de buurt hadden nette hoedjes en nette manteltjes, nette jurkjes en nette pijpenbroekjes, nette kousjes en nette schoentjes. Je had ze zoo in de uitstalkast van een poppenwinkel kunnen zetten. Onvertogen woorden hoorde je niet, ook niet van de jongens. Zelfs de honden waren hier fatsoenlijker dan een straat verder: ze blaften niet zoo onbehouwen. Maar er was ook geen leven, geen frisch, natuurlijk, spontaan leven. De heele Leliestraat was een zoet zijden draadje door 't grove zaklinnen. En wij jongens, vrijbuiters uit de vroegere buurt, werden er een heelen hoop braver. Dat we echter maar niet zoo onmiddellijk verlelied waren en nog lang iets van onze oude natuur behielden, moet ik, helaas, belijden, en zal de lezer vóór 't eind van dit hoofdstuk vernemen.
* * *
Boven ons woonden allerliefste jonggehuwden. Hij was den heelen dag op kantoor en haar hoorden we haast onafgebroken zingen en met het kindje praten. Wanneer het bij ons stil was, klonk het van boven met een lieve, heldere vrouwenstem: „Dág Pa! Dág lieve Pa!” of de jonge moeder haar nog niet eenjarig kindje leeren wou, hoe het zijn vader begroeten moest. „Dág Pa! Dág schattige Pa!” Het klonk als vogelmuziek, zoo frisch, zoo zuiver, zoo natuurlijk, zoo zangerig. „Dag lieve Paatje!” En dan nam Moeder het dingetje op, hield het in de hoogte, en we hoorden het jonge stemmetje kraaien. Nu werd het een beurtzang van moeder en kind. „Dag lieve schat! Dag Pa!”—„A-a-a-a!”—„Dag snoesje! Komt Paatje gauw thuis? Zeg dan maar: Dág Pa! Dág lieve Pa!”—„A-a-a-a-a!”
Wanneer Pa thuis kwam, hoorden we 't vroolijk gejubel van het kleine gezinnetje. Dan mengde zich zijn sonore mannenstem in het lieve gesjilp en gekweel van die twee anderen, en een innige geluksstemming zweefde in dat natuurlijke klankenspel. 's Avonds, vóór 't kleintje naar bed ging, droeg Pa het een poos rond, onder 't zingen van allerlei liederen, en dan hoorden we Moeder in stille bedrijvigheid rondtrippelen. We maakten aan de tafel ons huiswerk of kleurden en knipten onze legers, maar onderdehand dronken onze ooren de symphonie van huiselijk geluk in en genoot onze nog onontwikkelde verbeelding de idylle van het eenvoudige, vredige, blijmoedige gezinnetje.
We weten vaak niet, vanwaar sommige stemmingen en sympathieën in ons zijn gekomen. Maar wanneer later De Genestet's „Jong Hollandsch binnenhuisje” me bekoorde en ik genoot van dien jongen vader, die met zijn twee springende gedichtjes de kamer rondreed, hij op den vloer, zij op en over hem heen klauterend, dan dacht ik meermalen aan onze bovenbuurtjes, hoorde ik zijn warme mannenstem, het gekraai van 't kleintje, en haar: „Dág Pa, dág lieve Pa!” zoo helder, zoo blij, zoo onbezorgd.
Onlangs vernam ik, dat zij gestorven was, aan tuberculose.
Zoo werd haar idylle vernietigd.
Ik heb haar maar weinig gezien. Na betrekkelijk korten tijd verhuisden we naar een woning, die heelemaal aan 't andere einde der stad lag, een uur ver. Toen hebben we nooit meer iets van hem of haar vernomen. Ze behoorden dus met hun kleintje tot een voor ons geheel afgesloten verleden. Nooit hebben we met elkaar omgang gehad. En toch, toen ik vernam, veertig jaar later, dat de bliksem was geslagen is dit lieve nestje van huwelijksgeluk, toen ontroerde me dit smartelijk. Het was of een zingend vogeltje opeens de gorgel was dichtgeknepen.
Leeft hij nog? Leeft het kindje nog, het blijde kraaistemmetje.
Het is voorbij, alles voorbij.
En toch leeft het nog. Ik hoor voetgeschuifel boven mijn hoofd, ik hoor een kamerdeur opengaan, ik hoor een hartelijken welkomstkus, en dan die innig-blije stem: „Dág Pa! Dág lieve Pa!”
Ik hoor kindergekraai. Ik zie een man over de wieg buigen, een kindje kussen. Een knevel prikkelt het donzen wangetje. Een zwaar geluid trilt in 't zachte oortje. En dan: „A-a-a-a!”
Dat is 't kleintje.
Ze leven nog.
Wat zegen kan er neerdalen in kindergemoederen, als er lieve bovenburen zijn!
* * *
Tweehoog woonde een gezin, waarvan we niets gewaar werden, dan dat er veel meisjes waren, en allemaal keurig nette meisjes. Eenige van haar zijn later onderwijzeres geworden. Er is dus kans, dat ze deze regels lezen. Dan zullen ze zich het lieve gekweel herinneren van de jonge moeder en het piepjonge kindje, dat natuurlijk even goed omhoog steeg.
Beneden ons, in het onderhuis of den kelder, hadden we ook nog buren. Daar zakte ik vaak naar toe. Ze waren vriendelijk en gastvrij. Ik mocht er steeds binnenloopen. Maar omdat er geen kinderen van mijn leeftijd waren, had ik er niet veel. Kinderen willen kinderen, al zeiden de menschen vroeger terecht: Van malkaar meugen ze niet, en bij malkaar deugen ze niet.
Kinderen waren er in het huis naast ons, een schaar lieve meisjes en één jongen. Men weet nog, dat meisjes iets bizonder bekoorlijks voor me hadden. Nu, deze ook. Ik ken de voornamen nog, en één voornaam klonk me als muziek in de ooren: Rena. Die e werd zoo mooi ingeleid door de r, en de a had zoo'n zacht-voornaam klankje. Je kon dien naam zoo mooi-deftig zeggen. Net zoo iets als „zijkamer”.
Maar de meisjes leerde ik bijna niet kennen. Ik geloof eigenlijk, dat ons gezin, wat verarmd, en met vijf belhamels van jongens, te ruw was voor de meeste buren. Alleen met den jongen speelde ik wel eens. Echter niet op straat, alleen nu en dan op het plaatsje. Hij ging ook op een nettere school dan ik. Hij is later dokter geworden, ik ternauwernood schoolmeester.
Dat zegt alles.
Is het niet eigenaardig, dat ik heel goed een zekere minderwaardigheid voelde tegenover de omgeving? En dat ik mij daarnaar gedroeg? Hunkerend naar speelmakkertjes, was ik toch te fier om me op dringen. Dan speelde ik maar liever in mijn eentje, bij Moeder in de kamer. Bij Moeder was 't altijd goed. Heerlijk, dat veilige, vredige plekje bij Moeder. Standsverschil, zelfs reeds op deze schaal, deed mij een kring trekken, waarbinnen ik met mijn armoede rustig kon leven. Maar dat leven was toch genieten, als Moeders oog maar, stralend zonnetje, den kring verlichtte.
Toen Potgieter op zijn sterfbed lag, en men hem het portret liet zien, dat de uitgave zijner werken zou verrijken, was zijn opmerking: „'t Is toch maar een burgerman.” Iets dergelijks heb ik mijn heele leven gevoeld. Omstandigheden hebben me in menige vriendschappelijke, vertrouwelijke, hartelijke betrekking gebracht tot menschen van stand, rijkdom en positie. Maar immer voelde ik: „Je bent toch maar een burgerjongen.”
Men meene niet, dat ik hier iets vernederends of iets pijnlijks in vond. Precies het tegendeel. Nog altijd voel ik me het meest eigen onder de eenvoudige benedenburen in den kelder. Grootheid trekt me niet en streelt me niet. Maar ik zeg het alleen, om te doen uitkomen, hoe het karakter der jeugd voor goed een stempel in het leven drukt.
Eén jongen uit de buurt, ook uit eenvoudiger kring, werd mijn vriendje: Piet v. R. Zelfs werd hij het vriendje van mijn jongere zus, gelijk bleek uit een briefje, dat ze hem schreef (niet zond): liefe peit hoe gaat het met u en hoe gaat het met Naje1) nu liefe peit het is dijt dat sik uitseit dag peit.
De andere jongens van het gezin zagen het kind dit briefje schrijven en hebben er haar lang mee geplaagd. En als ze, de Jeugdherinneringen lezend, meenen mochten, dat deze nu al lang genoeg voortgezet waren, zouden ze, citeerend het episteltje, me zeker toevoegen: nu lieve peit het is dijt dat je uitseid dag peit. En dan zou ik er de pen bij neerleggen. Zoo ontstaan uitdrukkingen in familiën en in volkeren.
* * *
We maakten het er wel naar, dat de buren met een zekere behoedzame teruggetrokkenheid intiemeren omgang trachtten te voorkomen. Vijf drukke jongens tusschen 10 en 18 jaar waren wel in staat kalme, eerzame gezinnen af te schrikken. Het moet zeker druk genoeg bij ons zijn toegegaan, en van die levendigheid, niet altijd van vreedzamen aard, moet wel iets doorgedrongen zijn naar de stille hoven rondom. Levendigheid—met dit woord is het zeer zacht uitgedrukt. Vijf jongens, zoo dicht opeengepakt, stooten malkaar herhaaldelijk, en zijn dan aanstonds klaar met ruwe woorden, luid uitgeschreeuwd, of handtastelijkheden. Ik hoor Moeder nog roepen met ingehouden stem: Denk toch om de buren, waarop die buren uit een driftigen jongensmond konden vernemen: De buren kunnen naar den bliksem loopen of een andere hartgrondige verwensching. Dat meenden die jongens zoo erg niet, het was maar ruwheid, doch 't was voor die buren toch niet bepaald aanmoedigend.
Plagen was schier aan de orde van den dag. Als het jongste meisje, dat van lieve peit, begon te schreien, kon je er zeker van wezen, dat het heele koor een ontzettend gebulk aanhief, om die schreistem te smoren. Dan dreunde de kamer van de erbarmelijkste kreten. Vader werd in zulke gevallen woedend, maar kon de bende eigenlijk niet baas. Moeder drong driftig-angstig aan: „Hou jelui dan toch je mond”, wat alleen tot gevolg had, dat men riep: „Laat die meid dan d'r smoel houden.” Alleen Christientje, de oudste van allen en de zachtste, had dan vaak den slag, om den storm te bezweren. Als er een kleine pauze was ingetreden, begon zij een liedje te zingen, een geliefd wijsje. Dat kalmeerde de gemoederen. En het duurde niet lang, of de buren konden zich vergasten aan een veelstemmig: „Plechtig zwijgen, zoete vrede ruischt er nog om 's Heilands graf”, of „Rust in vree, o gij, van ramp ontheven. Nu reeds slapende in uw enge kluis”, welk laatste lied eigenlijk „bij het graf eens medeleerlings” gezongen moest worden, doch ook onder andere omstandigheden niet onstichtelijk klonk.
Uit dat voorbeeld van Christientje kan men zien, hoe je opgewonden gemoederen niet met opgewondenheid moet willen verwinnen. Met storm slaat men geen storm ter neer. Doe een zachte koelte aanruischen en de opgestoken winden verspreiden zich.
Heerlijk-helder vulden de jongensstemmen met de frissche sopraan van Christientje er boven uit dan de huiskamer. En eenmaal aan 't zingen, bleef de troep aan 't zingen. Vader voorop. Diens woedende drift sloeg in een moment om. Moeders angstige trek was gauw door een glimlach vervangen, en de buren luisterden met aandacht, ja, de bovenbuurtjes sloten zich wel eens bij den zang aan, hetgeen hieruit blijken kon, dat ze soms een paar maten achter, de laatste lettergrepen nog uitgalmden als wij reeds gereed waren. Dan steeg er bij ons een luid gejuich op, dat van boven vroolijk beantwoord werd. We zetten een nieuw lied in of namen er eentje van boven over en ondanks de scheidende zoldering vormden twee gezinnen een uur of langer één zangkoor.
Het is wel aardig en leerzaam, hoe spoedig de ruwe bende door een lied gevangen was. Wat zouden wij er van denken, als we op school, instee van met een stok op het tafelblad stilte te ranselen, eens zachtjes begonnen te zingen van b.v. 't Zonnetje gaat van ons scheiden? Ik wed, dat de zoete rust kwam, nog eer het klonk: Zoete rust mogen wij beiden.
* * *
Eén buurmeisje herinner ik me ook nog levendig, ofschoon ik haar nooit gesproken heb. Ze woonde niet in de Leliestraat, maar op de daarop volgende en nettere Bloemgracht. De tuinen van de Bloemgracht grensden echter aan die van de Leliestraat en zoo lag haar tuin vlak tegen ons tuintje. Ik zeg: haar tuin, want die was stellig wel acht maal zoo groot als ons plekje. Bij ons was er geen plaats voor hooge boomen, nauwelijks kon er een gouden regen of een sering staan. Maar in haar tuin verrezen hooge en zware kastanjes en eschdoorns. Daardoor lag haar huis—ze bewoonde een heel huis—in donkeren schaduw en gaf de tuin mij een gewaarwording van iets ouds en deftigs, zoo iets als een bejaarden kloostertuin.
Wanneer ik bij het eene raam van onze huiskamer mijn schoolwerk zat te maken, keek ik naar buiten en zag haar wandelen onder 't groen. Arm meisje! Ze was ongeveer dertien jaar, lang, mager, bleek. Ze droeg een netje over een geheel kaal hoofd. Haar schedeltje was bedekt met een korst van „klieren”. En nu stond het zoo griezelig, dat netje, strak getrokken over het achterhoofd, en van voren, boven de oogen, een donkere lijn teekenend over het voorhoofd. Arm meisje!
De andere buurmeisjes, die van twee-hoog en die van naast ons, hadden allemaal zulke mooie haren. Lange vlechten hingen op den rug, met aan het einde een fijn rood zijden strikje, of goudblonde krullen omgolfden het hoofd, in haar dartelheid bedwongen door een bleekblauw lint. En die haren maakten zelfs een alledaagsch gezichtje mooi. Vraag eens, hoeveel jongens verliefd zijn geworden op bruine of blonde haren. „Het haar,” zei mijn vader, „is het sieraad der vrouw.” En als Vader dat zoo voornaam zei, met dat deftige woord sieraad en dien deftigen genitief, beaamde onze jongenservaring dat al van ganscher harte.
Arm meisje! Ze speelde niet met andere kinderen. Naar school kon ze natuurlijk niet. Alleen in den tuin had ze ontspanning. En daar liep ze dan in haar eentje rond, maar zoo'n beetje kijkend. Angstvallig scheen ze de lage schutting te mijden. Wellicht schaamde ze zich gezien te worden. Als we in den tuin speelden, bleef ze weg. Alleen als ze onderstelde, dat we haar niet zagen, verscheen ze. Maar dan zagen we haar wel. En dan keken we naar haar, de oogen wat vochtig van medelijden.
Wat was ik graag naar haar toe gegaan! Wat had ik me graag aangeboden, om wat met haar te spelen. Ik was niet afkeerig van haar. Ik zou graag alles voor haar gedaan hebben. Maar ik durfde niet. Waarom niet? Waarom durven de menschen soms niet lief te zijn?
Ik liep langs de Bloemgracht, om haar huis aan te zien. Ik bleef er stil staan.
Ik wilde aanbellen.
Waarom deed ik het niet?
Men zou mij vreemd gevonden hebben. Men zou mij hebben teruggewezen.
Ik had geen vertrouwen genoeg op de menschen.
Maar ik weet zeker, dat ik het meisje zou hebben verkwikt, het arme eenzame kind.
Ze is gestorven, nog terwijl we daar woonden.
Maar ik heb altijd berouw gehad, dat ik aan de opwelling van mededoogen geen gevolg heb gegeven. O, het zou haar zeker goed gedaan hebben, dat een ander kind met haar wilde spelen, nog liever met haar dan met mooie meisjes.
Het heeft niet zoo mogen zijn.
* * *
En nu moet ik nog vertellen van mijn straatbaldadigheid ook in deze nette buurt.
Doch waartoe zal ik u opnieuw de straten doorslepen?
Ge kunt er onder mijn leiding toch niets dan kwaads leeren. Ik neem u b.v. op Zaterdagavond mee naar de kruidenierswinkels, die dan vol koopsters staan. De burgervrouwtjes en de dienstmeisjes, dicht opeengedrongen, wachten met het mandje in de hand haar beurt af. Ze praten wat onder elkaar, terwijl de winkelier en zijn knecht, stijve figuren in brandheldere buisjes, rustig voortgaan met afwegen, inpakken, afrekenen. Nu sluipen we gebogen naderbij. Op handen en voeten kruipen we den winkel binnen. We strekken een arm uit, zoeken de beenen van een geen onraad vermoedend dienstmeisje, knijpen haar plotseling in de kuiten en stooten daarbij een woedend geblaf uit.
De meid gilt het uit van schrik. Ze springt op en de heele klandisie komt in tumult. Zelfs vloeken er sommigen. De stijve winkelier raakt een oogenblik zijn kalmte kwijt. De schalen schokken in zijn hand. De vrouwen denken niet anders, of de meid is door een dollen hond gebeten, en ontsteld onderzoeken ze haar paarse japon. Geen scheur? De onderrokken. Nog geen scheur? De witte kousen. Ook die heel? Maar ze voelde het toch wel degelijk. „Och, die bliksemsche jongens zullen het wel weer gedaan hebben.” En de winkelier gaat even van achter zijn toonbank tusschen de vrouwtjes door naar de deur en kijkt daar naar links en rechts de halfdonkere straat in. Wij hebben uit een verborgen hoekje alles gezien en schreeuwen hem nu een triomfgehuil toe. Dan hollen we weg. We moesten de volwassenen niet alleen hinderen, maar ze moesten ook weten, dat ze dat aan ons te danken hadden, opdat ze, scheldende, en eeuwig wegjagende nijdigaards, goed mochten beseffen, dat we machtig waren ons te wreken.
Dat gehuil gaf zeker een heele geruststelling aan die arme dienstmeid, maar ik ben er niet zeker van, of ze 's avonds, vóór 't in bed stappen, toch nog niet eventjes haar kuit opmerkzaam heeft bekeken. Het mócht eens een hondje zijn geweest.
Zullen we nu nog verder rondtrekken? Kom, ge hebt al van streken genoeg gehoord. Meer dan u lief is. Of—hoort ge ze wel graag, mits anderen er de dupe van zijn? Dan is het inderdaad raadzaam, om te eindigen. Er schijnt ook in u, eerzaam volwassene, iets van den wilde te zijn overgebleven. Laten we het niet wakker roepen en voeden. Gij hebt tot plicht eerzaam te blijven, ook in uw diepste binnenste.
Laten we liever eens nagaan, hoe het kwam, dat onder de jongens van deze buurt veel minder neiging tot straatschenderij en plagerij bestond, dan onder de vroegere kornuiten, en hoe ook bij ons, die het kwaad hier trachtten over te planten, de lust langzamerhand wegstierf. Dat is leerzaam voor de autoriteiten, die, niet uit demokratische politiek, maar uit oprechte belangstelling zich om 't heil der jeugd bekommeren. Die kunnen er uit leeren, hoe men in groote steden het kwaad bestrijden kan door groei-ruimte te geven aan het goede.
Op de Eglantiersgracht hadden we geen plaatsje of tuintje, we móésten dus wel de straat op. En hier in de Leliestraat konden we een deel van ons genot vinden in de stilte en de vrijheid van ons achteruitje. Het is waar, we konden er niet hollen, niet met de bal of den hoepel spelen, geen vlieger oplaten en nauwelijks tollen, maar we konden er ongestoord kleuren en plakken en knippen en oorlogen, we konden er knutselen en planten, we konden er ons verliezen in „stil spel”. Er ging van ons rustig plekje, dat zoo heerlijk gelegenheid bood onszelf te zijn, stemming uit. De verkeerde invloeden van ruwe makkers hadden er minder macht.
In 't buitenland, en helaas ook in ons land, openbaart zich een streven om prachtige schoolgebouwen te stichten, ware schoolpaleizen. Bouwkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst moeten samenwerken, om de leerende jeugd al vroegtijdig onder de opvoedende kracht der schoonheid te brengen. Doch men kan den invloed dier schoonheid erkennen en toch meenen, dat er een verkeerde weg gevolgd wordt. Voor mij is er een schreeuwende disharmonie tusschen die monumentale gebouwen met hun ruime hallen, breede trappen, lange gangen, en die simpele kinderen. Het doet mij vreemd aan, die witte gezichtjes, schrale figuurtjes, armelijke kleertjes te zien dwalen door zoo'n rijkdom van ruimte en materiaal. Het is, of men een sjofel katje op de zijden kussens van een vergulden auto door de stad reed. Het is de arme knaap op den troon van Frankrijk.
Wel mag het schoolgebouw niet zoo'n foeileelijken fabrieksgevel hebben, rijen eenvormige vensters boven elkaar; wel mag het van binnen, door grauwe, donkere nauwte, niet de naargeestigheid zelve zijn; wel moet het door schoonheid de jeugd verkwikken; maar die schoonheid moet wezen naar kinderlijken trant en in overeenstemming met de geheele omgeving. Liever dan schoolpaleizen te zetten in armelijke buurten, moeten de arbeiderswoningen verbeterd worden, waarin de kinderen—én hun ouders—hun levensgeluk moeten vinden.
Ieder gezin in een eigen huisje met een tuintje er bij. Overal veel ruimte, licht, lucht en groen. Ruimte voor de kinderen, opdat ze kunnen hoepelen en vliegeren naar hartelust. Ruimte ook achter de woningen, opdat ze daar in rustige stilte genieten. En dan hier en daar een eenvoudige, vriendelijke school, met niet meer dan zeven lokalen en een open speelplaats, waar de kinderen der wijk, ook buiten de schooluren, veilig en vrij zijn—hún speelplaats. En aan de school verbonden een paar ruime lokalen, vereenigingszalen voor de rijpere jeugd en de volwassenen, waar deze in aanraking blijven met de beschaving, gelijk die zich in wetenschap en kunst openbaart.
Dat zou heerlijk zijn! En daardoor zou de baldadigheid binnen de perken worden gehouden!
Zullen we 't nog eens beleven?
Ik vrees. Maar al weet ik helaas te goed, dat de zedelijkheid niet afhangt van de omstandigheden, ik heb in mijn jeugd ervaren, dat heel wat baldadigheid wegsterft—in een nette buurt.
1) Naatje, het zusje van peit.
MOEDER VERTELT.
We zouden met Vader een dag uit visschen gaan.
's Avonds te voren hadden we alles in gereedheid gebracht, de snoeren en hengels, het aas, en ook de flesschen bessensap en boterhammen met worst.
Toen zijn we vroeg in bed gestopt, opdat we niet te veel van onze nachtrust zouden missen. En nu, na een onrustigen slaap, scharrelen we door de huiskamer.
't Is vier uur in den morgen. We voelen ons kil en huiverig. Het daglicht is nog niet aangebroken. In de kamer is het schemerig, buiten grauw.
Moeder heeft het petroleumstel aangestoken en theewater opgezet. Zij was natuurlijk het eerst op, een half uur vóór ons. Uit vrees dat we ons mochten verslapen, heeft ze den heelen nacht als in een bommeltrein gereisd. Telkens was ze wakker om even op het horloge te kijken bij 't nachtlichtje. Vooral na tweeën was bijna ieder kwartier een nieuw stationnetje, waar de trein stopte.
Nu loopt ze op haar kousen rond, heel zachtjes, om vooral de buren niet te wekken. Ik laat een schoen vallen. Dat klinkt hard in de morgenstilte. Sssst, zegt Moeder. Ze spreekt niet, ze fluistert. En zoo doen we allen. Die schoen—mijn hart stond er bij stil. We glijden als schaduwen voorbij mekaar, spreken met schaduwstemmen. 't Lijkt wel een schimmenspel in den valen ochtendschemer.
Moeder giet het theewater op. Wolken waterdamp krinkelen boven den trekpot. Alleen het gezicht reeds verwarmt je. Opwekkende theegeur vult de kamer. Heerlijk. Nog een paar minuutjes en we krijgen een kopje thee. Lekker warm. Met twee handen er omheen, drinken we het langzaam op.
Het is alles zoo vriendelijk, zoo vredig, zoo geheimzinnig, zoo rustig. Buiten sjilpen de musschen en dringt langzaam het licht door. 't Is gelukkig goed weer. Geen regen, alleen een beetje nevel. 't Zal een mooie dag worden. Ik kijk door 't venster. De schutting is nog nat, ook het deksel van den put en de steenen van 't plaatsje. Maar dat is niets, 't is maar dauw.
Ik zet mijn pet vast op en probeer hoe ik het gemakkelijkst de boterhammen kan dragen. De hengels leg ik schuin tegen den rechterschouder. Nog vijf minuutjes, en we gaan. Vader drinkt staande zijn laatste kopje thee....
Opeens, daar dringt een vreeselijke gil ons door merg en been. Een doffe plof volgt.
O God, daar is het weer. Die gil, zoo langgerekt en doodsbenauwd, we kennen ze.
Vader heeft een toeval gekregen.
Ik sta, verstijfd van schrik, met de hengels in mijn hand.
Moeder laat den trekpot haast vallen.
„Ach God!” zegt ze. En in die twee woorden breekt al de diepte van haar smart uit. Dan haalt ze gauw een kussen van bed en legt het den armen man onder 't hoofd. Ze maakt zijn goed los en wascht zachtjes wat schuim van de blauwe lippen.
Christien komt in nachtgewaad binnen geloopen, de oogen wijd starend. Ze was nog wat blijven liggen, eer ze om half zeven naar haar betrekking moest. Maar de angstkreet is tot haar diepen slaap doorgedrongen. Bevend staat ze met ons bij Vader, die bewusteloos ligt te schokken en stuiptrekken op den grond.
Ik zet de hengelstokken in een hoek, haal de boterhammen uit mijn kiel en leg ze op de tafel, naast het theeblad....
* * *
Arme, arme Vader.
Neen, we denken geen oogenblik aan het verlies van onzen heerlijken dag buiten. We zijn vervuld met innig medelijden. Arme Vader!
Moeder verzamelt ons in de keuken. Ze haalt het theeblad uit de huiskamer en zet het op de rechtbank. De een gaat op een keukenstoel zitten, de ander op een krukje, weer een ander op den vuilnisbak of op een treetje.
Telkens gaat ze even naar binnen, om te zien, of Vader al bijgekomen is. Eindelijk hooren we een diepen, kreunenden zucht. Nu is hij bij.
Moeder en Christien tillen hem voorzichtig op, dragen hem naar de bedstede. Met zachte hand trekt Moeder hem de overkleeren uit, legt hem dan te bed, dekt hem toe.
We weten, wat er nu volgen zal. Den heelen dag zal Vader daar doodstil blijven liggen met barstende hoofdpijn. Hij zal niets eten, alleen nu en dan een teugje drinken. Wij loopen onhoorbaar door 't huis, spreken heel zacht, ontbijten, koffiedrinken, eten in de keuken. Wanneer Moeder naar binnen is geweest, zullen we met smeekende verwachting in de oogen vragen, hoe 't er mee is, telkens weer. En dan zal Moeder zeggen: „Vader ligt doodstil. Erge hoofdpijn.”
Eerst tegen den avond zullen we even bij 't bed mogen komen, om Vader een hand te geven. Dan zal hij ons met zijn zachte blauwe oogen vriendelijk aanzien, alsof hij ons vergiffenis vroeg, dat hij ons zoo had teleurgesteld. En dan zullen we onze oogen vochtig voelen worden. En dan zal hij zeggen: „Nacht kind!” En we zijn blij, dat we zijn stem weer hooren. Rustig gaan we naar bed, en we danken Onze lieve Heer, dat Hij Vader toch weer beter heeft gemaakt.
Zoo zal de dag voorbijgaan. We weten het al vooruit. Want zoo is er al menige dag voorbijgegaan. Om de drie weken kreeg Vader een toeval. Soms wel twee in een week. Soms duurde het ook een paar maanden. Dan hoopten we al, dat het weg mocht blijven. Tot opeens, daar had je 't weer, die hartdoorsnijdende gil.
Zelf sprak Vader er nooit over. Ook niet als hij pas een toeval had gehad. Dan was hij meestal een paar dagen moe en suf van hoofd, ging stil zijn weg. Maar nooit roerde hij het onderwerp aan.
Waarschuwende verschijnselen, dat er een toeval op handen was, deden zich niet voor. Geheel onverwacht en op de meest ongelegen oogenblikken kwamen ze. Zoo praatte Vader nog met je, en zoo plofte hij neer. Alleen had Moeder meenen op te merken, dat er vaak dagen van groote prikkelbaarheid aan vooraf gingen. Wanneer Vader zoo ongemotiveerd driftig kon opstuiven—ach, aanstonds was hij weer bedaard—beefde Moeder al inwendig. „Er zit zeker weer een toeval,” zei ze met bekommerde, verontschuldigende stem. En dan zat er ook meermalen een toeval, als een donkere, dreigende onweersbui. Soms was het voor allen en ook voor Vader zelf een verademing, als de bui was losgebroken. Dan kwam er weer ontspanning.
Zoo is er ook nu, op dezen morgen, na den eersten hevigen schrik, ontspanning gekomen. We zitten rustig in de keuken. 't Is nog pas half zes. Wat zullen we doen? Weer naar bed gaan? Lezen? Spelen? Dat is onmogelijk. We scholen om Moeder heen, in het kleine keukentje. En Moeder praat zachtjes. Ze vertelt van haar leven.
't Is wel een vreemd verteluurtje. De morgenzon kleurt den hemel. Door 't keukenraam zien we boomtoppen verlicht. En 't is ook een zonderling plekje, in de keuken tusschen de glazenkast en de aanrechtbank. Ook het verhaal is ongewoon, een verhaal van levensleed. Zoo iets vertelt men gewoonlijk niet aan kinderen. Kinderen moeten immers sprookjes en grappen hooren? Maar dit alles wordt verklaard door de donkere bedstede daar in de huiskamer, door dien lijdenden man.
* * *
„Ach,” zegt Moeder, „zoo is het mijn heele leven gegaan.”
Ze zit stil, met ingekeerde oogen, alsof de oogen ver, ver in het verleden teruggingen. Dan gaat ze voort, zachtjes vertellend van wat die oogen daar zagen.
„Ik was nog maar pas getrouwd, toen je Vader een toeval kreeg. Je hoeft niet te vragen, of ik schrok, want ik had er niets van geweten. En ik had zoo iets nooit bijgewoond. Maar toen je Vader bijkwam, had ik zoo innig met hem te doen. Hij was zoo ellendig, en daarbij was hij zoo verlegen voor mij. Hij had er mij niets van verteld. Vóór ons huwelijk had hij ook al een paar maal een toeval gehad, maar zijn vrienden hadden gezegd, dat het in zijn trouwen wel zou overgaan. Daar had hij het maar op gewaagd.
We woonden toen in een grooten kruidenierswinkel. Daar hadden zijn voogden hem in gezet. Want je Vader was al vroeg een wees. Maar hij had geen verstand van zaken. En binnen tien maanden was de zaak failliet.
Toen moesten we verhuizen. Op een kouden avond in Januari brachten ze mij in een toe-slee over. Dien avond zal ik niet licht vergeten. Het vroor hard. 't Was bitter koud. Daarom hadden ze me goed toegestopt. Ik was hoogst zwanger. Iederen dag kon Christientje geboren worden. Toen ik aan de nieuwe woning kwam, moest ik een ongelukkige trap op, twee hoog, en daar vond ik een paar zoo goed als leege kamers. Er stond een tafel, een paar stoelen, maar geen kachel. Aanstonds brachten ze me naar bed. Toen voelde ik me toch zoo bitter ellendig. Geen brand, geen voedsel, niet eens een warm kop koffie, de kasten leeg en geen cent in huis. En daar werd den 25sten Januari Christientje geboren.
Zoo is mijn huwelijksleven begonnen. En nog geen jaar te voren zat ik in die heerlijke pastorie.
Natuurlijk kwam Grootvader gauw over. Die goeie man wist niet, wat hij zag. Hij schreide, toen hij voor mijn bed zat. En toen de broers, jullie ooms, het hoorden, waren ze woedend. Ze zeiden, dat je Vader me bedrogen had en wilden, dat ik weer naar de Klundert zou komen. Maar daar was ik niet toe te bewegen. Je Vader was zoo goed en hij leed er zelf zoo bitter onder. Hij hád me ook niet bedrogen, daar zou hij nooit toe in staat zijn geweest. Maar de man was veel te goed van vertrouwen. En dat is hij zijn leven lang gebleven. Dat is hij eigenlijk nog. Daarbij was hij niet goed opgevoed. Zijn ouders waren deftig en bemiddeld. Maar die stierven al vroeg. Toen ging hij met zijn broertje ergens in huis. Ze kregen goed onderwijs, je Vader is altijd knap geweest. Maar er werd niet gezorgd voor een bepaalde opleiding, en toen je Vader mondig was, werd er eenvoudig een zaak voor hem gekocht, of hij er geschikt voor was of niet. Hij dacht, dat alles best zou gaan. De man had van zijn eigen zaken nooit iets afgeweten.
Grootvader zorgde, dat ik het noodigste kreeg. Maar hij had zelf een groot gezin en kon er niet nog een gezin bij onderhouden. Toen hij weer weg was, bleven we met ons drieën achter. Je Vader kreeg een betrekkinkje en zoo konden we tenminste leven. Maar vraag niet hoe.”
* * *
Moeder in die slee, Moeder in die armelijke bedstede op een leeg bovenhuis, Grootvader, die waardige man, met beschreide oogen bij het gebroken leven van zijn dochter—het zijn tooneeltjes die ik zou kunnen uitschilderen. Moeder vertelde zoo, dat we alles voor ons zagen. En ik weet nog heel goed, dat ze zonder eenige aarzeling uitdrukkingen als „hoogst zwanger” gebruikte. Armoede en smart brengen de volwassenen zoo dicht bij de kinderen, maken de kinderen in zeker opzicht gauw groot. Moeder had geen tijd en geen stemming, om er een afzonderlijk taaltje voor kinderen op na te houden. Met wie moest ze alles bepraten en overleggen dan met haar kroost, en daarbij sprak ze de gewone taal der volwassenen. Wij vonden zulke woorden ook heel gewoon, al begrepen we er niet precies het rechte van. Maar zoo is het immers met haast ieder woord? We moeten het aanvankelijk met enkele vage notities stellen.
Zoo is het ook gegaan met het woord „verleiden”, in den specialen zin, zooals we het uit de geschiedenis van Jozef en Potifar's vrouw kennen. Moeder was al eenige jaren getrouwd, en woonde in Emmerik. Daar had Vader een betrekking aan het spoor gekregen. Wat, dat weet ik niet, we waren tevreden met het woord „betrekking”—naar bizonderheden informeerden we niet. „En toen”—vertelde Moeder—„werd ik eens op het kantoor ontboden bij een deftigen meneer. Ik kwam in een prachtige kamer. Die meneer was heel vriendelijk. Eerst begreep ik hem niet. Maar toen zei hij: Een mooie jonge vrouw als u hoeft toch geen armoe te lijden. En hij wees op een stapel geld, dat op zijn bureau stond, alsof hij zeggen wou: Neem het maar. Toen was het, of ik een ingeving kreeg. O God, dat nooit! En ik liep aanstonds naar den hoek van de kamer en trok aan het schellekoord: „Meneer, ik verzoek, dat u me onmiddellijk uitlaat.” Toen de knecht kwam, zei hij: „Laat jij de juffrouw eens uit” Hij moest wel. Maar toen ik thuis kwam, viel ik stijf van mezelve.”
Bijna woordelijk herinner ik me dit verhaal. Met dezelfde soberheid vertelde Moeder het. Ik zag de kamer, het bureau, het geld, het schellekoord, den knecht. En ik begreep, dat die man Moeder had willen verleiden tot iets kwaads, al begreep ik niet wat. Ik bracht het echter wel in verband met de geschiedenis van Jozef.
Moeder kon in Emmerik niet blijven. Gelukkig kreeg Vader nu iets in Amsterdam. Hij moest vooruit reizen. „Toen moest ik voor de verhuizing zorgen, alles inpakken en verzenden. En eindelijk ging ik zelf met drie kinderen, een spiegel en een schilderij. Dat was een heel gesjouw. Maar ik rekende altijd op de goeie menschen. Die hielpen je wel.”
Daar zat ze in de trein, natuurlijk derde klas, met drie kinderen, een spiegel en een schilderij, blij, dat ze Duitschland den rug kon toekeeren. „De menschen waren er wel vriendelijk—overal heb je goeie menschen—, maar ze begrepen me niet altijd. En in Amsterdam was ik natuurlijk dichter bij de familie. Ofschoon een mensch het in zijn armoede toch niet van de familie hebben moet. In 't begin is er wel veel medelijden, maar och, aan alles raak je gewoon. De familie was wel heel goed voor me, hoor——je oom Willem, die was student in Utrecht, en als hij dan een dag of wat overkwam, zei hij: Nans, hier is het geld voor het hotel, stop mij maar ergens in een hoekje. En dan ging hij niet naar een hotel, maar sliep heel armelijk bij ons. Dát was toch zoo'n lieve jongen. Daarom is hij zeker vroeg gestorven—nog als student—aan de tering. Hij was een engel van een jongen. Maar anders, het meeste lief heb ik van de buren gehad. Die zijn ook zoo iederen dag om je heen.”
En nu kwamen er verhalen van goeie buren.
* * *
„Wat ik van die menschen een hartelijkheid heb ondervonden—dat kan ik onmogelijk allemaal vertellen. Als je arm bent, moet je onder arme menschen gaan wonen, dan heb je het nog het beste. En het was aardig, zooals ze me altijd met zekeren eerbied behandelden. Ze zagen natuurlijk wel, dat wij van betere afkomst waren en betrokken ons nooit in hun standsgewoonten. „Dat kan de juffrouw niet doen,” zeiden ze dan. „Dat is de juffrouw niet gewoon. Dat zullen wij wel even voor u doen.”—En ze wilden nooit iets aannemen. „Wel nee, lieve mensch, je kan het zelf te best gebruiken.” Van hun eigen armoede deelden ze me meermalen mee.
Eén man zal ik altijd heel dankbaar herdenken. Dat was bakker Aalders. We woonden toen ergens op een kamer drie-hoog, en hij had beneden in 't huis zijn bakkerij. Iederen morgen bracht hij ons brood en in 't begin betaalde ik dat ook geregeld. Als je Vader Zaterdags zijn weekgeld thuis bracht, rekende ik 's Maandags altijd af met den bakker en den groentenman en den huisbaas en den bode van het begrafenisfonds. Maar toen je Vader weer een toeval gekregen had en hij zijn betrekking kwijt was, hield natuurlijk dadelijk ook het geld op. Bakker Aalders zag dat wel, zulke menschen weten direkt alles van je omstandigheden. Toch ging hij voort, iederen morgen brood te brengen, en nu zonder ooit om geld te vragen. Dat duurde weken en maanden achtereen. En altijd bracht de vriendelijke man zelf het brood boven, maakte even een praatje, vroeg niets en zinspeelde ook op niets. Eindelijk werd ik er zelf verlegen mee en ik zei, dat ik hem onmogelijk betalen kon, dat hij maar geen brood meer moest brengen. En wat zei de man? „Juffrouw, zoolang ik brood heb, zal u 't ook hebben. Dat geld komt wel terecht.” En toen je Vader weer wat verdiende, wou Aalders het achterstallige geld niet hebben. En hij heeft het nooit willen hebben. Ja, ik heb wat goeie menschen in de wereld ontmoet! Maar Aalders was toch wel heel bizonder.”
Terwijl Moeder vertelde, zag ik Aalders, een eenvoudig man, het petje op, met een brood in de hand de oude trap oploopen, aan de kamerdeur kloppen, het brood op tafel leggen, even een praatje maken, en weer verdwijnen. En als pendant daarvan dien deftigen meneer in Emmerik, in de prachtige kamer, aan zijn bureau, met het stapeltje geld, en Moeder staande op het dikke tapijt. En mijn gemoed wisselde als een voorjaarshemel bij veranderlijk weer. Nu eens was het helderblauwe lucht met zonneschijn—bakker Aalders met zijn brood in de geopende kamerdeur—dan weer donkere bewolking met angstig-dreigend grauw: de prachtige kamer.
Zou men denken, dat wij, luisterende kinderen, door zulke verhalen niet werden opgevoed? Moeder vertelde ze niet met die bedoelingen, ze vertelde ze alleen om haar hart uit te storten in heel vertrouwelijk samenzijn met haar kinderen. Maar ik voelde hun krachtige werking in mijn gemoed, ik voelde bewondering en afgrijzen, liefde en weerzin, dankbaarheid en verfoeiing. Ons hart werd tot in zijn diepste lagen bewogen en geen weloverdachte zedelijke opvoeding kon bewerken, wat hier, zonder opzettelijkheid en met door de paedagogiek misschien afgekeurde middelen, werd bereikt. Moeders leven, de ervaringen van een volwassene, de onkinderlijke verhoudingen en woorden, 't lijkt veroordeelenswaardig opvoedingsmateriaal voor jongens van elf en twaalf jaar. Doch niettemin—wij wérden er door opgevoed. En ik weet wel, waardoor dat komt. Dat komt, omdat daarin het echte, waarachtige, ons naderde, met bedoelingen van enkel liefde. Hoe geweldig werkt de waarachtigheid der natuur, ook van het zich onbevangen gevende Moederhart, tegenover het kunstmatige eener in elkaar gezette techniek. Moeder maakte niet wat voor ons, ze uitte zich, en in die uitingen stroomde ons het voedende leven toe. Dat is ook de kracht van den Bijbel en van alle zuivere springbronnen van leven.
* * *
De nood rees soms wel hoog, maar toch altijd kwam de redding. Vreeselijk was de toestand, toen één kind gestorven in zijn bedje lag, een ander ieder oogenblik geboren kon worden, en Vader met een toeval werd thuis gebracht. En dat midden in de armoede. Men kan zich zoo'n ellende niet indenken. En als Moeder 't ons vertelde, zei ze ook altijd: „Hoe komt een mensch het door!” Maar ze had een onwankelbaar vertrouwen, dat God haar wel helpen zou.
„Eens op een avond zat ik in mijn eentje in een arm bovenkamertje. Ik had alles netjes opgeruimd, want in de grootste armoede had ik er toch altijd plezier in den boel netjes te hebben. De kinderen lagen in theekisten, want wiegjes of ledikantjes had ik niet. Maar ze waren met heldere lakentjes toegedekt. En toen werd er geklopt en een paar dames kwamen binnen. Ze gingen zitten en praatten wat met me. Een van haar had een versje voor me uitgeschreven. Dat heb ik altijd bewaard. Ze las het me voor. En ze maakte me haar compliment, dat alles zoo netjes was. En toen ze heen waren, vond ik onder een bordje vijftig gulden, twee briefjes van vijfentwintig. Mijn gemoed schoot vol.”
Ook onze oogen sprongen vol tranen, als Moeder dat vertelde.
En als ze dan uit een oude doos het blaadje postpapier haalde, het geelgeworden blaadje, en ons het vers voorlas, hoorden wij met stille vroomheid toe. 't Was een vers van Godsvertrouwen. Waarom zou ik den naam der beide dames niet noemen? 't Waren twee zusters Salm—nu al lang gestorven. En nu noem ik dien naam niet als een bewijsstuk voor de echtheid der geschiedenis of als een eeresaluut nog boven het graf, maar alleen om mezelf het genot te gunnen, dien naam eens hardop uit te spreken, midden in den kring van wie naar me luisteren, zooals Moeder 't deed in het kringetje van haar kinderen.
Daar is nog een naam van een gestorvene, die in mijn hart leven blijft. Mijnheer Sanders was rijk en woonde in een groot huis op de Heeren- of Keizersgracht. Wanneer Moeder radeloos was, ging ze naar hem toe en kwam nooit ongetroost terug. Er waren bepaalde uren, dat de gang daar vol armen stond. Die man had zulk een mededoogend hart, dat hij soms met sterken aandrang een poos naar buiten moest worden gedreven. Hij kon „zijn” armen niet achterlaten en leed zoo zeer onder hun kommer, dat hij alleen gelukkig was, als hij geven en helpen mocht. Ik voelde toen al, dat de rijkdom voor dit gevoelige hart misschien nog zorgvoller was dan de armoede voor Moeder. De verantwoordelijkheid van zijn rentmeesterschap drukte hem als lood. Bij zooveel ellende kon hij met zijn geld niet gelukkig zijn. En al gaf hij al zijn geld weg, dan was de ellende toch niet merkbaar verminderd. Wanneer Moeder ons van hem en zijn milddadigheid vertelde, was het altijd met dankbaarheid en medelijden. Wel eigenaardig, dat de armoede medelijden had met den rijkdom.
Bij deze twee namen zal ik het laten. Namen noemen van goedgeefsche rijken—het is benden van dringende vragers op hen afsturen. Doch geen armen zullen een bedevaart naar deze graven doen. Hoe echter het namennoemen misbruikt kan worden, heeft Vader eens op een wonderlijke manier ondervonden.
Er was een man met wien hij sprak over zijn nooden en toen liet Vader zich ontvallen, dat hij van deftige familie was. Meneer X. was een neef van hem, Mevrouw IJ. een tante. Maar die familie wist van Vaders bestaan niet af. Vader was niet trotsch of hooghartig, maar hij kon niet bedelen. Hij stierf liever met zijn heele gezin van honger, dan ook maar een penning te vragen. Het was hem onmogelijk. Hierin was Moeder een beetje gemakkelijker. Welke rechtgeaarde Moeder waagt ook niet alles voor haar kinderen!
Die man dan hoorde Vader aan, informeerde naar de adressen, noemde Vader een gek, dat hij niet van dien rijkdom profiteerde, hij zou 't hem wel anders, leveren, en zoo voort en zoo voort. Vader liet zich niet opwinden, wilde geen misbruik maken van den naam zijner moeder, om daardoor geld los te krijgen, berustte liever in zijn armoede.
Twee of drie weken later kreeg Vader gansch onverwacht een brief, of hij zich op een bepaald uur wilde vervoegen aan het kantoor van Mr. X. Wat zou dat beteekenen? Hij, Moeder, allen waren even nieuwsgierig. Natuurlijk ging hij, en in spanning wachtten de anderen zijn terugkomst af. Wat was 't geval. Mr. X. vroeg aanstonds: „Bent u meneer Ligthart? Bent u het zelf?” En toen informeerde hij naar Vaders geschiedenis en omstandigheden. Er was een man geweest, die zich voor Ligthart had uitgegeven en schandelijk had opgespeeld—hij wou bij hoog en laag geld hebben, en als hij dat niet kreeg, zouden ze wel anders zien—hij verkoos niet te verrekken van honger, als hij zulke rijke familie had, en al zou hij er de heele wereld bij te pas brengen, hij wou geld hebben.
Mr. X. was zeker blij verrast, toen hij in den bescheiden en beschaafden man, die nu voor hem stond, den echten Ligthart zag. Beiden doorzagen de oplichterij gauw genoeg, toen Vader vertelde, hoe die man hem had uitgehoord. Mr. X. bedankte Vader voor zijn komst en Vader zou wel iets naders van hem hooren.
Spoedig kwam er bericht, dat Vader een levenslange toelage kreeg van vijf gulden in de week. Elken Maandagmorgen kon dat bedrag gehaald worden bij Ds. v. d. Goot, onzen Doopsgezinden predikant. Niemand hoefde er voor bedankt te worden, het was een familietoelage, op voorstel van Mr. X. De gevers bleven onbekend.
Meermalen heb ik zelf die vijf gulden bij Ds. v. d. G. gehaald. Die was dan altijd heel vriendelijk en behandelde je volstrekt niet als een bedeelde.
Maar is dit weer niet een zonderlinge geschiedenis? Zeg geen namen van goedgeefsche rijken, want oplichters maken er misbruik van. En zie, deze oplichter maakte het pad effen voor levenslange hulp.
* * *
Zoo vertelde Moeder ons de eene geschiedenis na de andere, terwijl Vader in bed lag. Slechts eenmaal was het haar te benauwd geweest. Toen had ze op het punt gestaan in 't water te springen. Maar de gedachte aan de kinderen had haar weerhouden. Nooit hebben we Moeder hooren klagen over haar lot. Al vertelde ze ons de droevigste ervaringen, het was nooit in den klaagtoon. En als ze over Vader sprak, was het met liefdevolle aanvaarding: „Ik heb altijd het gevoel gehad, dat God mij tot taak had gegeven, dezen man door het leven te brengen.” Hij was haar oudste kind. Vriend noch vreemd—en aan pogingen heeft het zeker niet ontbroken—heeft haar ooit kunnen bewegen, haar post ontrouw te worden. Ze heeft haar levenstaak met algeheele zelfverloochening volbracht.
Dikwijls als ze over goede menschen sprak, kwam het zoo uit de volheid van haar hart: „Die hebben den hemel aan me verdiend.” De uitdrukking was wat Roomsch, Moedertje, voor een predikantsdochter—wij doen niet aan werkheiligheid. Maar wat hebt Gij dan wel verdiend aan man en kinderen?
Moeder heeft een stukje van den hemel al op aarde gekregen. 't Kwam wel laat, maar daarom mocht ze zeker wat langer blijven. Toen ze, in haar drie-en-zeventigste, heenging, had ze al meer dan twaalf jaren een betrekkelijk, althans geldelijk, onbekommerd leven genoten. Dat was ongetwijfeld haar loon voor een leven van toewijding.
„O, als ik jelui alles vertelde, dan kon je er wel een boek over schrijven,” zei Moeder vaak.
Maar Moeder, dat moet U me nu eens niet kwalijk nemen, maar dat doen we tegenwoordig niet. We schrijven geen boeken over helden en heldinnen, die op 't leven zegevieren. We schrijven alleen boeken over slappelingen, die in 't leven ondergaan. Stel je voor, dat ik eens een boek over U schreef. Ze zouden zeggen: dat is maar een bedacht vertelseltje. Zoo is het leven niet.
Neen hoor, geen boek over Uw levensboek. Alleen heb ik mij in dit hoofdstukje veroorloofd, eenige bladzijden daaruit over te drukken. En dat heb ik gedaan met opvoedkundige bedoelingen. Want, lieve Moeder, ik ben—dank zij U—en ondanks de paedagogiek—zoo'n soort paedagoog geworden.
Dank zij U.
Uw leven doortrilt mijn leven.
Van U heb ik geleerd, neen als levensmelk ingezogen, onder alle, alle omstandigheden niet te versagen, trouw te volharden, te aanvaarden den plicht die ons wordt opgelegd, niet onszelf te zoeken, maar onszelf toe te wijden.
Of ik dat gekund heb?
Ik wou, dat het waar was. Maar mijn falen is niet uw schuld. Dat was meestal 't gevolg van te veel voorspoed. Gelukkig kwam de tegenspoed me dan eens flink door elkaar rammelen, om me tot bezinning te brengen en terug te voeren tot trouw.
Gij hebt, door Uw leven, de les gepredikt: We moeten geen heide ontvluchten en parken zoeken, maar heide ontginnen en parken maken.
Er is, heel sterk in onzen tijd, een jacht naar beter. Niet dat men zichzelf en zijn arbeid wil verbeteren—als gevolg waarvan vanzelf betere omstandigheden zouden ontstaan—maar een zoeken van en dingen naar altijd hooger, voordeeliger, voornamer positie. Daartoe verlaten honderden schoenmakers hun leest.
Gij hebt ons geleerd: Doe wat God je als levenstaak heeft gegeven, en doe dat met heel je hart. Blijf trouw.
En Uw succes heeft er de belofte aan toegevoegd: En je zult slagen, boven bidden en denken.
Heerlijk, Moeder, dat ik deze les, Uw wijsheid, als het summum mijner paedagogiek nu onder vele oogen mag brengen, hopen dat zij vele harten mag binnentrekken.
Blijf trouw! En vertrouw! En de kroon des levens is voor U weggelegd!
Is het niet eigenlijk—christendom?
IK WORD KWEEKELING.
We hechten aan het werkwoord worden in sommige gevallen een heel actieve beteekenis. Wanneer een jongen ons met een blijd voornemen in de oogen en de stem vertelt: „Meester, ik word zeeman!”—, dan is het, of we hem met volle zeilen op zijn doel zien afstevenen.
Zoo ging het bij mij niet. Kweekeling-worden, ik had er nooit aan gedacht. Naar den kansel was mijn blik en hartewensch wel eens heengegaan, die behoorde om zoo te zeggen ook tot de familie, maar zoo ver heugenis en overlevering reikten, had Vaders noch Moeders geslacht ooit de wereld met een schoolmeester verrijkt. Grootvader en twee ooms waren predikant, een derde oom studeerde er voor, geen wonder als er wat domineesbloed door mijn aderen vloeide.
Echter, er kon geen sprake zijn van een academische opleiding, daartoe ontbrak het ten eenenmale aan middelen, en zoo lag het in het duister, wat ik worden zou. Timmerman, gelijk de twee oudere broers, daar was ik te zwak voor. Maar wat dan? Misschien was ik behanger geworden—daar hoefde je niet zoo sterk voor te zijn—toen de armoede het vraagstuk heel practisch oploste.
Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de onderwijzers, die den kinderen harde standjes geven als deze hun schoolgeld hebben „vergeten”, wat dat voor een kind is? Ze kunnen er zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet. Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk zei Moeder: „Zeg dan maar, dat je 't vergeten hebt,” maar het kind wist wel, dat noch meester noch de kinderen dat gelooven zouden. Ten slotte, vijf minuten voor negenen, is het maar de deur uit geslenterd, met roodbeschreide oogen, zeurend naar school. En als het daar kleurend van schaamte en gekrenkte trots, de boodschap van Moeder verlegen naliegt, terwijl de omringende leerlingen zich in de welgegoedheid hunner ouders veilig voelen en wat vreemd en ongeloovig kijken, krijgt het van zijn meester nog een uitbrander. Hoe is het mogelijk!
Als een der voordeelen van een armelijke jeugd, vol vernederingen, heb ik het altijd gevoeld, dat ik, in beter omstandigheden gekomen, zulke arme kinderen begrijpen en wat ontzien kon.
Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje. Daar drukte hij me ernstig op 't hart, dat het achterstallige schoolgeld al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. Ik moest mijn ouders zeggen dat ik het schoolgeld moest meebrengen, en hij anders verplicht was mij van de school te verwijderen. (Is het, tusschen twee haakjes, ondanks de waarlijk goede bedoeling en den vriendelijken toon van den hoofdonderwijzer, toch niet al te erg, dat zulke geldelijke aangelegenheden, die toch eigenlijk alleen de volwassenen betreffen, worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) Echter, behalve betalen en verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden!
* * *
Kweekeling worden. Heerlijk! Nu het me daar zoo onverwacht werd voorgesteld, werd ik plotseling gewaar, dat er toch, volkomen onbewust, een groote liefde voor het onderwijzerswerk in mij gegroeid was. En dat had ik te danken aan den onderwijzer, die ons dagelijks les gaf en die, althans in mijn oog, van zijn taak en zelfs van zijn heele verblijf in de school, zoo iets behagelijks wist te maken. 't Was de man, die reeds den eersten morgen van onze aankomst verrukt was over de mooie namen en die met zulk een gezellige ingenomenheid nieuwe rekenboekjes uit de kast opdook, wanneer we al weer een rekenboekje uit hadden. Met zoo'n beloonende en aansporende blijdschap keek hij de twee volle kanten van je lei na, met zoo'n leuke gratie zwierde hij G's door je sommen ten teeken dat ze goed waren. Het leek wel voor hemzelf een feest te zijn, als hij, de griffel sierlijk in de hand, som na som met zijn zegelmerk voorzag, terwijl wij hem met spannende oogjes aankeken, innerlijk juichend bij elken gracieusen trek, even inzinkend bij iedere—maar toch mooie—streep door een foutieve oplossing.
Wat kon hij 's winters gezellig bij de kachel staan! Dan liep hij eerst rustig om de klas heen, wreef zich de koude handen, opende de kacheldeur, keek naar 't vuur met dezelfde belangstelling als naar onze sommen, greep den pook niet minder sierlijk dan de griffel, en pookte zonder ruwe rammelende geluiden, pookte gelijk hij op 't bord schreef, netjes en rustig, zoodat zelfs het randje van zijn hagelwitte manchet er plezier in had en zich nieuwsgierig verbreedde. Daarna hing hij den pook op zijn vaste plaats, draaide zich met den rug naar de kachel, sloeg de handen in elkaar op de achterpanden van zijn jas, en koesterde ze te gelijk met al de achterdeelen van zijn kleeding en wat daar onder zat. Onderwijzer-zijn, je zag het den man aan, was een dagelijksch genoegen. Maar ik denk nu, dat hij met hetzelfde genoegen winkelier was geweest. Alleen had de natuurlijke gave om zijn heele omgeving gezellig te maken hem dan wat meer geld opgebracht. Hij was gansch geen type van een verdroogden schoolmeester, nog al rijzig, gezet, kleurig en met springende haren. Zijn gezetheid bracht zeker mee, dat hij zomers nog al dorstig was. Dan kon hij zoo smakelijk een glas water leegdrinken. Eerst hield hij het tegen 't licht, en verkwikte zich met den aanblik van het kristalheldere vocht. Daarna dronk hij het met langzame teugen op, genietend van iedere aanraking. Zette hij 't glas weer netjes in de kast, dan kon je zeker zijn, dat hij nog even, heel even, met het puntje der tong langs de lippen streek, navoelend de zachte verkoeling.
Was het wonder, dat het opgroeien onder den stillen invloed van zulk een gemoedelijk-vriendelijk onderwijzersleven, bij ons onmerkbaar liefde voor dat leven deed ontkiemen? Zóó op 't bord schrijven, zóó de griffel hanteeren, zóó je koesteren bij de kachel, zóó een glas water savoureeren—je vond het een benijdbaar voorrecht, en thuis deed je met welbewuste pogingen dit aanlokkelijk voorbeeld na. Je schoof zelfs een afgedankte manchet van je grooten broer onder de mouw van je jongenskiel, om te kijken, hoe dat stond, en of die manchet ook zoo te voorschijn kwam, als je mouw optrok....
Mijn ouders armoede en het even vriendelijke als wijze voorstel van den bovenmeester, deden mij kweekeling worden, maar Uw onbedoeld voorbeeld, o Meester, was oorzaak, dat deze overgang mij onmiddellijk als een groote verrukking tegen schitterde. Het was de plotseling wakker wordende en glorende liefde van een meisje, wanneer „hij” haar gevraagd heeft. Zoo'n leventje te hebben! Ook zonder manchetten was het al zalig, de griffel, de pook, de kast, de kachel, het glas water, het vredig wandelen om de klas—het werd alles mijn deel. En innerlijk juichend holde ik dien morgen naar huis.
* * *
Vraag niet, of mijn moeder blij was. Zij zag ineens weer een nieuw verschiet. Staande voor een muur van geldelijke verplichting, niet wetend waarheen, loste die muur zich als door een toovermiddel op, de harde massieve steenmassa vervluchtigde, en daar lag, vóór haar, een open weg, ruim, zonnig, onafzienbaar. En nu was haar eerste werk, te zorgen, dat de nieuwe kweekeling er, overeenkomstig zijn positie, netjes uitzag, eer hij dien weg opwandelde.
De kweekeling was ruim twaalf jaar. Dit nam niet weg, dat hij toch aan 't onderwijzen toog. Flauw herinner ik me, dat ik tusschen kleine kinderen doorscharrelde en ze lezen leerde. Bizonderheden staan me niet meer voor den geest. Alleen weet ik de plaats, waar ik mijn eerste kommando's uitdeelde. 't Was in het ver-afgelegen achtergedeelte van de groote bovenschool. Zoo zijn ook allerlei andere herinneringen uit mijn jeugd nauw verbonden aan terreinen, en daaruit waag ik het af te leiden,—stoute sprong!—dat de landkaart een veel grooter rol moet spelen bij ons geschiedenisonderwijs. 't Is mij net, of al de herinneringen mijner jeugd, als stofjes door elkaar zouden dansen, wanneer ik ze niet gehecht zag aan een stukje aardbodem.
Het kweekeling-spelen bestond hoofdzakelijk uit kommandeeren en verbieden. Dit schijnen de eerste uitspruitsels te zijn van meerderheid. Je kunt dat bij alle kinderen zien. Wanneer ze schooltje spelen, of moedertje, of soldaatje, zijn ze aanstonds zich aan 't oefenen in vrijheidsbelemmeren. En je kunt dat ook bij jonge moeders en vaders zien. Ook bij jonge onderwijzers en bij bovenmeesters. Beheerscht door een geheime angst, dat het gezag hun ontglipt, niet vertrouwd met het jonge leven, en er ook niet op vertrouwend, knellen ze het zoo gauw en zoo vast mogelijk in banden. Dan blijven ze het meester, en kunnen er mee jongleeren als met een ingespeld bakerkind. Zelfs de politiek, en treuriger nog, de godsdienst vatten aldus hun opvoedingstaak aan. Ze schrijven programma's voor, leggen systemen op, dwingen binnen organisatie's, die evenwel meer lijken op dooie vlechtwerken dan op levensuitgroeiingen, volgen het militairisme als hun model, en zoeken eenvormigheid als hun ideaal. Organiseeren beteekent bij hen: recruteeren, reglementeeren, disciplineeren, regimenten-, bataillons-, legermachten vormen. En opvoeden is: den baas spelen.
Zoo begon ik als kweekeling. Menigeen brengt het nooit verder. Die sterft als korporaal, als is het onder den naam van legerkommandant. Hij blijft de man van bevel en dwang. Daarvoor heeft mij bewaard en zal mij immer beschermen—ge zoudt het nooit raden, als ik 't niet zei—de straatjongen. Doch niet de straatjongen buiten me, maar die in me. Hij, de vrijbuitende, zwerfgrage schavuit, hij leeft nog in me. Hij, de altijd langs en over gevaarlijke kantjes gaande, de vrijheidminner en vrijheidgunner, hij behoedt me voor gezaggerij. Zoodra ik, verantwoordelijk, braaf, ernstig paedagoog, dreig te ontaarden in versteening, komt hij te voorschijn, drijft den spot met gewichtighedens, en zegt me met de brutaalste oprechtheid, dat al die deftigheid maar larie is, dat ik er niets van meen, en dat alle anderen in 't diepst van hun ziel er ook niets van meenen. En zoo zorgt hij—meester-opvoeder—dat de paedagoog niet in baasspelerij ten onder gaat.
Wat een kweekeling later worden zal, kun je onmiddellijk afleiden uit zijn eerste keus. Blijft hij met zijn oud-kameraden stoeien en ravotten, ondanks zijn lange broek; of sluit hij zich voor goed bij den nasleep van de volwassenen aan. In 't laatste geval wordt hij een gezagsman, gevoelig voor strepen op de mouw en sterretjes op den kraag. In 't eerste geval een vriend van de kinderen. In 't laatste geval wordt hij een officieele paedagoog—in 't eerste geval blijft hij een jongen.
* * *
De theoretische opleiding, die ik gratis ontving, was heel eenvoudig. Ik kocht bij Ten Brink en De Vries in de Hartenstraat voor vijf cent een „Beknopt Overzicht van de Vaderlandsche Geschiedenis door A. A. Holst”, voor tien cent een „Kort Overzicht van de Algemeene Geschiedenis” van denzelfden schrijver, voor nog eens vijf cent de beknopte „Bijbelsche Geschiedenis” en zoo ook een beknopte Rekenkunde, Taalkunde, Aardrijkskunde. 't Waren dunne boekjes van 32–48 bladzijden, in een dun geel of anders gekleurd omslag—ieder overzicht had, meen ik, zijn vaste kleur—en bestaande uit een reeks lesjes.
Het eerste lesje ving steeds aan met een beschrijving en indeeling van de wetenschap, waartoe het de deur opende: „Geschiedenis of historie is het aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van een volk, met inachtneming van tijden, plaatsen en personen. Men verdeelt de geschiedenis in Algemeene, Vaderlandsche en Bijbelsche geschiedenis.”
Ik weet niet of dit citaat woordelijk getrouw is, maar 'k geloof het wel. Ver van de waarheid zal het in ieder geval niet zijn.
Dan volgde de opsomming der tijdvakken met de daarbij behoorende jaartallen. De Algemeene Geschiedenis kreeg haar Oudheid, Middeleeuwen en Nieuwe Geschiedenis, de Vaderlandsche haar vijf tijdperken. Zoo begon de Aardrijkskunde na de onmisbare definitie met de opnoeming der Werelddeelen. Vervolgens kreeg ieder tijdvak, ieder land zijn afzonderlijke behandeling overeenkomstig een vast schema.
Er is, gelijk men ziet, wel eenig onderscheid met de tegenwoordige opleiding aan een kweekschool. Een der voordeelen was, dat de boekjes goedkoop waren, zoodat men voor 50 cent, zijn heele bibliotheek van leerboeken had aangeschaft. Een tweede voordeel, dat ze dun waren, zoodat men ze zonder al te veel moeite kon doorkomen. Een derde, dat ze de volledige wetenschap bevatten, zoodat men ineens alles wist.
De studiemethode bestond hierin, dat men de lesjes woordelijk uit het hoofd leerde en ze daarna opzei voor den lesmeester. „Men kende dan al of niet zijn les.” Daarmee was 't uit. Leeren was memoriseeren. Zijn les opzeggen: een boek oplezen, zonder het boek.
Tegenwoordig moet dat nog hier en daar in de mode zijn, zelfs op gymnasia en hoogere burgerscholen. 't Verschil met vroeger zou dan wezen, dat nu de boeken talrijker en dikker zijn, en daarmee in overeenstemming de ellende ook veel grooter. In plaats van de heele aardrijkskunde in misschien 48 bladzijden, krijgen de leerlingen nu afzonderlijke boeken voor Nederland, Indië, Europa, de Werelddeelen, met een of meer atlassen. En dan maar leeren.
Ik denk er niet aan, mijn hoofdonderwijzer, die zelf een overgroot deel onzer opleiding voor zijn rekening nam, hard te vallen over het karakter dier opleiding. Eer bewonder ik het, dat hij 's avonds op de avondschool nog tijd kon vinden, om onze lessen te overhooren. Maar ik moet wel erkennen, dat ik voor mijn geestelijke ontwikkeling, zoo goed als niets aan dat lessengeleer te danken heb gehad. En ik acht het dringend noodig, dat heel luid uit te spreken, omdat je tegenwoordig waarlijk nog menschen hebt en zelfs weer krijgt, die dat memoriseeren aanbevelen, ook op wetenschappelijke gronden. Ik heb een opleiding gehad bijna uitsluitend van geheugenvulling en ik acht het verloren tijd en misbruikte energie, goed voor idioten, omdat die stakkerds niet beter kunnen.
Wij moeten elkaar echter goed begrijpen. Ik ben er niet tegen, dat men zijn kennis vastlegt en zorgt ze te onderhouden. We studeeren waarlijk niet, om weer te vergeten. Er is ook geen bezwaar tegen, enkele feiten, of rijtjes woorden of getallen, er machinaal in te stampen. Maar dit is iets anders, dan de geheele opleiding in dien toon te zetten. Hóófdzaak bij iedere geestelijke ontwikkeling is: belangstelling wekken. En met de memoriseer-cultuur wordt de belangstelling vermoord. Bij mij althans heeft het lang geduurd, eer—dank zij het lessenleeren—ik me voor den inhoud dier lessen ging interesseeren. En toen ik daarmee begon, zaten me nog die lessen in den weg.
Er zal later nog gelegenheid te over zijn, op dit onderwerp terug te komen, wanneer ik ook over mijn jongelingsjaren zal mogen verhalen. Dan hoop ik, mede ter leering van hen die naar het oude terug willen, het zij al dan niet onder wetenschappelijke, of would be wetenschappelijke vlag, eens heel precies te vertellen, wat lijdens- en verstompingskuur men ons deed doormaken. Nu, met die boekjes-van-Holst-ontwikkeling, zijn we nog pas aan 't begin van de ellende, en daar ik spoedig deze school en daarmee deze opleiding verliet, is het nu niet het juiste moment, die verderfelijke cultuur met haar heidensche woordenkramerij in al haar onvruchtbaarheid en bedriegelijken schijn ten toon te stellen. Dat komt later, als God mij het leven en de krachten gunt. Alleen moest ik nu, heel even, maar heel ernstig, waarschuwen voor een neiging tot terugkeer naar het verkeerde van vroeger. Nieuwe dwaasheden rechtvaardigen geen oude.
En nu ik aan die verplichting heb voldaan, volgen de laatste herinneringen aan deze school en aan mijn kinderjaren.
* * *
Ik mag tot mijn geluk zeggen, dat ik als twaalfjarig onderwijzer een vriendje bleef van mijn oude schoolmakkers en geen collega werd van de heeren. Met de jongens ging ik trouwer om dan met de verschillende overzichten van Holst, en boven het leeren koos ik het spelen. Dat waren voor mijn toekomst geen ongunstige teekenen. Een kind van 12 jaar, dat graag zijn lessen leert, is geen echt kind en wordt dus ook nooit een echt man. Ik wilde wel, dat de ouders in dit opzicht wat meer vertrouwen hadden in hun leerafkeerige kinderen. Het is toch ook een goed verschijnsel, als de kindermond geen smaak heeft in notedoppen en oesterschelpen en de maag die onverteerd afvoert of teruggeeft. Hoe zuiverder een kind kind is, hoe meer zijn geest zich verzetten zal tegen een zoogenoemd geestelijk voedsel, dat niets anders is dan geestelijke cellulose. En kinderen die zulk een krachtige kindernatuur bezitten, dat ze, niet brutaal onwillig, maar instinctief onverwinbaar, zich verzetten tegen de verkrachting dier natuur, beloven veel voor de toekomst. Dat zijn de gezonden, die eenmaal, als de tijd daar is, ook krachtige mannen en vrouwen zullen zijn. In dit opzicht heeft de wetenschappelijke paedologie schoon gelijk, waar ze beweert dat elke leeftijd zijn speciale belangstellingen en belangen heeft, en wordt de wetenschappelijkheid van onze grootmoeders recht gedaan, die al verklaarden: Mettertijd komt Harmen in 't wammes en Krelis in de broek. Met-ter-tijd. Een speelgraag kind heeft groote kans een leer- en werkgraag man te worden. Vroege catechismus—late vroomheid.
Wie niet onbekend is met de boekjes van Tuttie1), herinnert zich wellicht, dat daarin een verhaal voorkomt: De meter van den meester. Dit verhaal is in hoofdzaak waar gebeurd. Het dateert uit deze periode.
Aan de overzijde van de Bloemgracht, maar een eind verder, was een Stadsarmenschool. Daar gingen de „schooiers”, met wie we vaak oorlog voerden. Er waren geen deftiger scholen in de buurt, die in haar meerdere voornaamheid, een voldoende casus belli konden schenken, dus moest de „klompenschool” ons maar het krijgsgenot bezorgen. Klompen en een stadsschool, het waren inderdaad redenen genoeg, daar behoefde maar een geringe aanleiding bij te komen, om het oorlogsvuur te doen ontbranden.