WeRead Powered by ReaderPub
Jeugdherinneringen cover

Jeugdherinneringen

Chapter 27: INHOUD.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A series of intimate childhood recollections traces early domestic life, neighborhood scenes, and formative moments in early schooling. The narrator recalls parental storytelling, specific household incidents, routines and rituals at nursery school, the sensory details of streets and bridges, playful teasing by siblings, and personal anxieties such as bedwetting. Short episodic chapters combine vivid descriptive memory with reflections on how ordinary names, habits, and modest embarrassments shape lasting impressions of family, language, and early moral education.

We waren weer eens aan 't vechten, en ik was al kweekeling. Inplaats van mijn positie hoog, en mijn fatsoen òp te houden, maakte ik van de vrijheden, mij als kweekeling toegekend, misbruik. Ik mocht vroeger in school—of móést vroeger in school, om voor een en ander te zorgen—en haalde de jongens naar binnen, nu wel niet in 't gebouw, maar toch in de lange overbouwde gang, die van de Bloemgracht naar 't gebouw leidde en die onder gewone omstandigheden was afgesloten door een zware deur.

't Was nog vóór schooltijd, misschien acht uur, maar overal zwierven al troepen jongens van beide partijen. De onzen verzamelden zich om de schoolpoort, de vijanden een eind verder op de gracht. De laatsten hadden blijkbaar een aanval in den zin en rukten hiertoe langzaam, maar zeker, naar onze vesting op.

Wonderlijk. Geen van de twee partijen wou vechten, en toch wilden ze het allebei. Niemand zocht de aanraking, en toch zochten we die wederzijds. Ieder hoedde zich voor de verantwoordelijkheid van den eersten klap, en toch liet hij zich prikkelen en verleiden tot die verantwoordelijkheid. Ik weet dit heel, héél goed, en begreep daardoor later zoo gauw het wederzijds prikkelen en beschuldigen der vlootvoogden, als ik in mijn geschiedenisboeken las, hoe deze niet het eerste schot willen lossen, en er toch van verlangen naar brandden. Waarlijk, er is niet zulk een reuzenverschil tusschen de veertien- en de veertigjarige jongens. Ze zijn van één geslacht.

Er hoopte zich een soort van gemoedselectriciteit op, bij den eenen hoop positieve en bij den anderen negatieve, daardoor ontstond er een geweldige spanning en moest er een ontlading volgen. Zonder deze waren we gebarsten. Het moest bliksemen en donderen, anders kon er onmogelijk een neutrale atmosfeer terugkeeren. Dat vechten was een natuurverschijnsel in de physisch-ethische wereld. Belangen waren er niet mee gemoeid, absoluut niet. Grieven bestonden er alleen in de verbeelding en de overlevering. 't Was om de ontlading te doen, en nergens anders om. We werden onder onbekende invloeden electrisch en máákten ons grieven, die voor het verstand als motieven konden gelden.

Zou het ook mogelijk kunnen zijn, dat de oorlogen tusschen de volkeren alleen om belangen heeten te gaan, en dat de belangen slechts worden opgeworpen, omdat er oorlogskrachten in de lucht werken? Is het een reusachtige zelfverblinding van geheele natiën en spelen geheime, geweldige natuurmachten hun spel met de kinderen der menschen?

't Is slechts een vraag.

Hoe 't zij, wij werden gedrongen tot vechten. Daartoe naderde de vijand meer en meer, ieder oogenblik aangroeiend met nieuwe mannen; daartoe trokken wij, ook voortdurend versterkt, ons terug in de gang.

Eindelijk was het zoover, dat we de dikke deur moesten sluiten en grendelen, en daar brak onmiddellijk de opgehoopte electriciteit los in trappen, steenworpen en schreeuwen. De vijand waagde er de hakken van zijn schoenen en de klinkers uit de straat aan, al wist hij heel goed, dat daarvoor de deur niet bezwijken zou. Zulk een succes zou hij waarschijnlijk ook niet begeerd hebben, want wat zou hem de toegang hebben gebaat tot een gang, die hij toch niet zou durven binnendringen? Daar in die donkere engte, in dat diepe hol, zou hij zich nooit wagen, maar niettemin moest hij de deur bombardeeren, louter om den woesten wellust van het bombardement, de zaligheid der uitbarsting! Geen berg kan met heeter drift zijn gloeiende steenen uitspuwen, als dit jeugdig menschdom zijn woede!

Wij, in de donkere gang, beefden van gekrenktheid, haat, strijdlust. Soms stonden we doodstil, luisterend naar het tieren der wilde bende, dan weer dwaalden we onrustig rond, zinnend op wraak. Zeker, we waren veilig, maar veiligheid is voor een edel krijgsmanshart niet genoeg. „Kom er uit, als je durft!” jouwden ze daar buiten. En die tergende uitdagingen joegen ons het bloed naar de wangen. Veiligheid is mooi voor vrouwen en kinderen maar wij dorstten naar de triomf! Triomfeeren moesten we op dien tierenden troep! Nooit zouden we den smaad kunnen dragen, dat we uit lafheid ons hadden schuil gehouden! Liever het leven gewaagd, dan veilig in de vernedering! Liever met eere te sneven, dan in schande te leven!

We zochten een middel om de verloren positie te herwinnen, en beraamden een uitval. Plotseling zouden we de deur openen, schreeuwend naar buiten rennen en onvervaard op den vijand losstormen. Maar dan moesten we een wapen hebben, een flinken stok, om er op in te houwen. Nu wist ik raad, ik, de kweekeling. Ik ging naar binnen, haalde een meter, een vierkanten, die bij 't onderwijs dienst moest doen, en hield dien als een slagzwaard in de vuist.

Nog steeds beukte de vijand op de onbeweegbare deur. Hadden ze een mast bezeten, ongetwijfeld hadden ze de Watergeuzen nagevolgd en de poort van Den Briel gerammeid. We stonden, saamgedrongen, vlak bij de deur. Voorzichtig schoof ik den grendel weg, bang dat men het buiten hooren mocht. Toen trok ik het slot terug en draaide met een ruk de deur wijd open.

De vijand schrok. Hij deinsde. Van dat oogenblik maakten we gebruik. Zwaaiend met den meter rende ik er op in, aanstonds gevolgd door de heele bezetting. Schreeuwend en gillend waagden we ons midden in de massa: een handjevol dapperen tegen de overmacht. En we zouden ze wel verjaagd hebben, vooral omdat daarginds bijstand voor ons opdaagde en de vijand dan tusschen twee vuren zat, als maar niet een noodlottig ongeval ons met één slag beroofd had van ons wapen, ons élan en onze waardigheid.

Ik sloeg met blinde woede in 't rond en raakte zoo niet een vijand, maar de houten paal van een hek. Door dien slag brak de meter in tweeën, het eene eind hield ik in de hand, en het andere vloog de lucht in.

Een ontzettend gejouw ging onder de vijanden op, een van hen wist spoedig het weggevlogen stuk te bemachtigen, en nu renden ze weer op ons toe.

Grooter ongeluk had ons niet kunnen treffen. Verlamd van schrik trokken we ons snel terug en hadden nog juist tijd de deur te sluiten. Toen stonden we daar, vernederd, machteloos, in de donkere gang, zonder eenige hoop op herwinning van het terrein, en met het overblijfsel van den meter in de hand. 't Was bitter treurig.

Eerst toen de onderwijzers kwamen, trok de vijand langzamerhand af.

Het stuk meter legde ik op de plaats, waar ik den heelen vandaan had gehaald. Maar daarmee was de zaak natuurlijk niet afgeloopen. In den loop van den morgen werd ik in 't kamertje geroepen, moest daar alles opbiechten, en meneer de kweekeling kreeg, behalve een duchtig standje, den last voor een nieuwen meter te zorgen, met welken last hij—waar moest hij er anders mee heen?—zijn lieve moeder bezwaarde.

Gelukkig verdiende ik geld. Toen ik na beëindiging van het eerste kwartaal twee rijksdaalders kreeg—ik weet nog, dat ik ze ontving—holde ik naar huis en was zalig, dat ik mijn lieve moeder ook met dien last bezwaren mocht.

* *

En nu komt er tot slot iets veel ergers dan het breken van den meter.

Een vriend van ons huis was gymnastiek-onderwijzer aan een stadsschool. Hij vertelde dat het „aan de stad” zooveel beter was dan op een bizondere school en spoorde mijn ouders aan, mij op een stadsschool te doen; dan verdiende ik meer, ontving beter opleiding, en had mooier toekomst.

Hij deed dat met de beste bedoelingen. Mijn ouders gaven gevolg aan zijn raad en ik kwam op een stadsschool. Zij meenden ook er goed aan te doen. En toch.... altijd is mij een gevoel bijgebleven, dat we ondankbaar hebben gehandeld tegenover de school op de Bloemgracht. De meester had ons het achterstallige schoolgeld kwijtgescholden, mij tot kweekeling gepromoveerd voor de klas, en aan 't geldverdienen gezet, en nu werd die vriendelijkheid aldus beantwoord.

Mijn heele leven, telkens als ik daaraan dacht, voelde ik dit als trouwbreuk, en ook nu nog, terwijl ik het feit vertel, schaam ik mij. Dat had de meester niet verdiend.

Het breken van den meter heeft me nooit gehinderd, wel het breken met de school. En toch heette het eerste een verregaand brutale daad en was het laatste in ieders oog niet slechts geoorloofd, maar zelfs heel verstandig. Men mag zijn belang toch wel behartigen?

Ik kon mijn ouders niet hard vallen over hun handelwijze. Zij worstelden zoo om het hoofd boven water te houden, dat iedere jaarwedde-verhooging hun reeds welkom was. En dan de toekomst van hun jongen! Maar voor mijzelf heb ik steeds het gevoel gehad, dat ik iets tegenover die school had goed te maken.

Wat is dat voor een gevoel? Vanwaar komt het? En waarom hindert het een mensch?

Zoo is het einde mijner jeugdherinneringen een zelfverwijt....

Maar dit mag mijn laatste woord niet wezen, gelijk ik hoop, dat het ook ons laatste levenswoord niet zij.


1) De vier deeltjes van Blond en Bruin, 2e serie „De Wereld in!”


SCHOONSTE VRUCHT.

Aan mijn ouders.
Mijn laatste woord, een woord van dankende herdenken
Voor Ouderzorg zoo teer en trouw, in leed zoo groot.
Een jeugd van armoe, ziekte en worstlen—zaalge nood!—
Zij kon mij in Uw min slechts rijker zegen schenken.
Ik ben niet jong meer. Langzaam nadert reeds de Dood.
Ik zie zijn vinger al van verre vriendlijk wenken.
Mijn kindren trouwen—straks speelt er aan Grootvaêrs schoot
Een kleinkind—ai, wat dát een achtbaarheid zal schenken!
En toch, ik voel me nog Uw kind, Uw dankbaar kind,
Gezegende Ouders, eens met heel mijn hart bemind,
En trots Uw sterven immer om en met mij levend.
Uw kind, al grijst mijn haar en trilt mijn hand.
Dat is Uw werk: Gij hebt die liefde in 't hart geplant,
Thans rijpste, schoonste vrucht in dankbre liefde gevend.

Naar 't oud te-huis.

Aan mijn broeder en zuster.
Ons oud te-huis, 't lag overgroeit van dicht gebladert,
Verborgen in het bosch van 't stil verleden.
Toen zijn wij samen eerbiedvol genaderd,
En zijn heel zacht zijn kamers ingetreden.
't Was alles nog als vroeger.... Maar wat deden
Die vele vreemden, daar met ons vergaderd?
Waartoe had ik hen op bezoek gebeden,
't Intieme plekje met nieuwsgierigheid dooraderd?
„Komt allen binnen!” noodde een vriendelijke mond,
„De kinderen en ook zij die niet mijn kindren heeten.”
Dat was wel Moeders toon en Moeders geest.
Zij leefde nog. Eén woord—'k herkende haar terstond,
Zij die van onderscheid nooit kon of wilde weten,
Voor vreemd en eigen bei, steeds Moeder is geweest.

NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

„In mijn jeugd heb ik veel hooren spreken over Oom Kuyper, die toen reeds overleden was, maar wiens nagedachtenis in onze familie in hoog aanzien werd gehouden als van een oprecht christen. Hij was hoofd van een school op de Lindegracht. Zijn weduwe, de jongste zuster van mijn vader, overleed in 1895 te Utrecht.

Naar alle waarschijnlijkheid zijn dat de personen over wie u schrijft op pag. 20, 55 en 56. Zelfs het hondje komt uit. Ik herinner mij, dat mijn moeder met afkeer sprak over „Jenny” van tante Lena, die zoo afschuwelijk kefte.

Ik ben in het bezit van een portret van beiden, en gerekend naar de vriendelijke wijze waarop u over hen schrijft, vermoed ik dat u er prijs op zult stellen die portretten eens te zien.”


Dezen brief ontving ik 23 Januari 1914.

De portretten waren bij den brief ingesloten en ik mocht ze een maand lang behouden. Ze hebben die maand, dag aan dag bij me gestaan. Herhaaldelijk heb ik ze met liefde en groote aandacht beschouwd, mij daarbij geheel verliezend in het verleden. Maar ofschoon het portret, met die zachte, vriendelijke oogen en gelaatstrekken, zeker sprekende gelijkenis toonde, ik herinnerde mij geen enkele uiterlijkheid, en herkende mijn meester niet. Wel begreep ik, dat de uitdrukking van zijn gelaat zoo had moeten zijn, maar verder kon ik het niet brengen.

Dit is een ervaring, waarmee de opvoeding haar voordeel kan doen. Als kind van 7, 8, 9, 10 jaar heb ik dien meester dagelijks gezien en mijn geest heeft geen duurzaam beeld van zijn uiterlijk opgenomen. Ik heb echter met hem verkeerd en mijn gemoed heeft een zeer juist beeld van zijn innerlijk gevormd en bewaard. Immers: Ik voelde in hem een waar christen, en thans, jaren later, komt een neef mij bevestigen, dat die indruk volkomen zuiver was.

Kinderen voelen ons innerlijk.

Ziedaar de waarheid, die uit dit feit tot ons spreekt. En daarom: bedrieg u niet. Speel geen komedie met de jeugd, verwacht niet dat de kinderen uw innerlijke gezindheid niet zullen opmerken, omdat ze maar kinderen zijn. Zij photografeeren in de camera obscura van hun hart uw gemoed veel helderder en nauwkeuriger, dan hun oog uw uiterlijk ziet, en in dat hart bewaren ze het voornaamste deel van uw persoonlijkheid, niet het steeds veranderend uiterlijk, maar het zichzelf gelijk blijvend innerlijk.


Treffend wordt deze opmerking bevestigd door een tweeden brief, dien ik 21.2.1914 ontving:

„Toen onze nieuwe pastorie hier werd gebouwd, moesten we 'n tijd in pension te D. en woonden toen naast 'n emeritus-predikant Beekman. Deze vertelde mij in dien tijd van z'n jeugd en ziedaar, nu had u van zijn vader, den koekbakker, nog onderwijs gehad. Toen ik uw boek had gelezen, heb ik hem dadelijk geschreven, dat hij het portret van zijn vader moest koopen. En 'n paar weken geleden, er een bezoek makende, vertelde mij z'n dochter, ook zich haar grootvader nog zeer goed te herinneren en diens liefde voor kinderen.”

Die liefde voor kinderen had ik dus als kind weer zuiver gevoeld.

Nog vele en zeer hartelijke brieven hebben mijn „Jeugdherinneringen” me bezorgd, van oude vrienden en buurmeisjes, die alles bijna geheel onderschreven, en van vreemden, die in mijn verleden, hun eigen verleden herleefd zagen. Hoe velen hebben mij verteld, dat hun vader dezelfde zwakheden en beminnelijkheden had als de mijne!

Een der brieven maakte melding van een bizonder opmerkelijke overeenkomst. „Zelfs”, heette het, „heb ik hetzelfde kindergebedje 's avonds opgezegd, en de regel, dien u vergeten hebt, luidde: Ach, vergeef mij al mijn zonden!”

Inderdaad, zoo was het, en het is schandelijk, dat juist die regel me ontschoten was, waar ik zoo dringend noodig had, om die vergeving van „al mijn zonden” dagelijks te bidden.

Gelukkig, dat de verlorene me teruggebracht is, want zulke regels kan een mensch eigenlijk nooit missen.

Mei 1914.

BIJ DEN DERDEN DRUK.

En nu ontving ik sedert weer vele vriendelijke uitingen van belangstelling. Een dezer wil ik, en mag ik, hier opnemen.

Mej. J. M. van Schelven schreef me 30 Augustus 1914 uit Amsterdam o. a.: „Eén passage trof mij vooral. 't Was daar, waar U het hadt over een zekeren Mijnheer Sanders, die op de Heeren- of Keizersgracht woonde en die Uw Moeder enkele malen heeft mogen bijstaan. Die Mijnheer Sanders was mijn Grootvader. Hij woonde Heerengracht 568. Moeder vertelt ons vaak, dat Grootvader zoo bizonder milddadig was. Zoo weet Moeder zich nog te herinneren, dat elken Maandagochtend de gang van het benedenhuis vol menschen stond, die door hem geholpen werden. Ook was hij van een zeer melancholieke, zwaarmoedige natuur. Dit klopt alles merkwaardig met wat U over hem schrijft.”

Bij lezing van dit briefje, was ik dubbel blij, dat ik den naam van den Heer S. genoemd had: niet alleen omdat mijn herinneringen nu een nieuwe bevestiging ontvingen, maar bovenal omdat ik nu een woord van erkentelijke liefde heb kunnen wijden aan de nagedachtenis van een braaf man, onverplichte en daarom te meer ongeveinsde hulde.

Mej. van Schelven merkt nog op: „Ik denk, dat Moeder het ook wel aardig zal vinden, dat iemand zoo over haar Vader schrijft.”

Terecht. Hoe heerlijk, als onze Ouders aldus nog na hun verscheiden gezegend worden. We zouden ons bijna inspannen.... onzen kinderen ook dat geluk te verzekeren.

Nov. 1914. Jan L.