TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.
„De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.”
Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep: „Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte in.” Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven. En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten, om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best een landlooper begrijpen. Een landlooper, niet een straatslijper. Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?
Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom, of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water, die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes, waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen—niet uit steelzucht, maar uit loutere baldadigheid—, dan was iedere belknop een magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van „opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden”.
De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die „christelijke en maatschappelijke deugden” heel wat geredeneerd. En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die „christelijke en maatschappelijke deugden”, waarin bestond toch het verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield. Het ware te wenschen geweest, dat men van die „christelijke en maatschappelijke deugden” ernst had gemaakt, waarachtigen ernst. Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't maar een klein beetje. De christelijkheid van „Laat de kinderen tot Mij komen En verhinder ze niet”. Maar wij—werden verhinderd.
Maar hebben ons verhinderd met hun leven.
* * *
Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.
Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar, een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten: steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen, zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan, eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging van altijd vijandige agenten of marktmenschen. „Wil je bliksemsgauw opdonderen”, lag in ons gehoor bestorven. Maar wij „donderden op”, net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer „neer te donderen” als de bedreiging voorbij was. En onder dat „op- en neer donderen” oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den rechtervoet naast de rechterknie gezet—romp rechtop, even rusten—en het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden.
Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden, afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen den wil om te winnen, die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er later natuurlijk wat pralerij bij, maar zegezucht. Geheel in ons eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht, maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in—zooals een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie—want in zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk—die in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en het zelfvertrouwen, maar die door de volwassenen niet begrepen werden.
De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den naderenden voet, maar die andere—men stelt het zich toch, hoop ik, wel voor?—konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.
Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?
* * *
Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?
Het is Hendrik Busman.
En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?
Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?
Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp, Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.
Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.
Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.
We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist. Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer terug. De moed van enkelen—niet waar?—de moed van enkelen is de kracht van allen. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook onze helden hun leven waagden.
Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.
Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste komedie.
Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren „schooiers” of „kalen”, al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden. We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen, wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of andere „gemeene streek” of verregaande aanmatiging. Dat was voor de massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.
En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de grootmoedigheid van onze boekenhelden.
Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij. Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en verdween, als de stormen in de atmosfeer.
Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af. Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle „gezellig levende dieren” te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!
* * *
Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me nog heel levendig.
Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten gaatjes hebt—of hadt—aan elken kant een. Die dienden, geloof ik—we kregen toen nog geen zaakonderwijs—om er pennen door te steken, die 's nachts de buitenblinden moesten vasthouden.
Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak, kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander niet te zwaar voorwerp.
Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een ding rinkelend om, dan holden we hard weg.
Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.
Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.
Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.
Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar, dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een razende vaart ontsnappen.
Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst in ons gehad.
Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle, behalve één paar. En die waren van mij.
Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik durfde niet door die woedende bekken heenbreken.
Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote hoofd.
Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel. Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.
Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte suikerletters stond er bij te lezen:
Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld.
Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.
Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me hoorde: „Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!”
„Waarbij, meneer?”
„Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien.”
„Ik weet nergens van, meneer!”
„Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?”
„Nee meneer, heusch, ik weet nergens van.”
Dat woord „heusch” was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden gebruikten.
De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig gezicht toch te laten „bedondere”. Hij was niet zeker van zijn zaak. Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.
Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving volkomen beheerscht.
Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken, dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.
„Wie niet sterk is, moet slim zijn.” Juist. Wie niet sterk is, dient slim te zijn. Of hij gaat ten onder.
Wie niet sterk is, is slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.
Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht. Ze was mezelf een verrassing. De slimheid—ge moogt ook zeggen: de huichelarij—was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt, gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.
Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.
Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze gevreesd, dat ik „in die kerel z'n poote” was gekomen. (Jongens gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs, uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van elkaar.
En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval bewonderden.
Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan de schade, die we den man berokkend hadden.
Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We kwámen niet in zijn geval.
„Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote gebeten hebbe!”
Dat was ons medelijden.
* * *
Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den bovenmeester.
Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door, naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.
Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend. 't Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen huis!
Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een looper.
Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in een kamer.
Ik stond er, doodstil.
Wat was het hier rustig.
Wat was het hier vredig.
En zoo netjes.
Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.
Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.
En dat onder die allerstrengste straf.
Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.
Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.
Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen. Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.
Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging ze even naar binnen, en bracht me een boterham.
Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij, huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.
Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.
Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij haar verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding, dat was christelijke opvoeding.
Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.
Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en geheiligd door een teere hand.
* * *
We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we buiten staan.
't Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: „De zieke heeft een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde.” Dan loopen ze zacht door en gaan stil naar binnen.
Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.
Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten. Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is een poos geen barbaar.
De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.
We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.
De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we: „Hedennacht overleden.” De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.
Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem weer aan 't orgel.
Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.
Ik denk aan 't hondje.
En nu, veertig jaren later, denk ik:
Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende jongetje, daar boven in de gang—ze herinnert zich geen jongetje?—hoe dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft gehouden. Zijn leven lang.
Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld was, maar zeker weet ik het niet.
Maar ik was blij, dat ik wegging.
IN HUIS.
Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van, hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van den winkel.
Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich wel de prachtige strofe: „Oud Amsterdam was 't kijkje waard,” waarin onze dichter verklapt: „Ter sluik werd op die bank gekust.” Dat nu deden wij nog niet.
De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep, waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger, hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om, evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die geschiedenissen.
Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen. Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: „Christemeijer. Verhalen uit de lijfstraffelijke regtspleging.” Hoe is het mogelijk, dat ik dien titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van „lijfstraffelijke regtspleging.” Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet verbiedt!
Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar van „Het huis met de hoofden.” Dat stond op de Keizersgracht, een groot heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie van dat huis uit en een meid alleen thuis. Die hoorde 's avonds laat gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje, snijdt hem in één haal den kop af—we hoorden dien vallen—en trekt dan den kerel naar binnen. „Kom maar,” riep ze daarna met een gedempte mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis, om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel echt zeven waren.
De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke beteekenis het woord heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van „Het huis met de zeven hoofden”.
Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet, zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht rondspookte, om zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet de verteller het dwalende kind roepen: „Mijn beentje, mijn beentje! Wie heeft er mijn beentje?” Ademloos zaten we te luisteren naar den grafgewelfgalm in de klanken van dat beentje, de donkere ee, gevolgd door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de werking van die beenderklanken hooren: „Wie heeft er mijn beentje?” De ee van heeft werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden, dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders, en riep met woedend uitvallende stem: „Jij hebt mijn beentje!”
We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk.
Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft een vreemd geluid zijn oor. 't Is of er iemand de steenen trap oploopt. „Slof, slof, slof, slof!” Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte, in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader. Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot, en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, hoort hij dat zachte, maar doordringende: „Slof, slof, slof, slof.” Hij stopt zijn ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de deur, maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen.
Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van 't huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot. „Wat zijn de jongens stil,” zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: „Wie heeft er mijn beentje,” of het huiveringwekkende: „Slof, slof!” Die vertellingen met zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het liefste, want dan hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen. Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil in huis en naar bed.
* * *
Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons, kinderen? Een last en een lust.
De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je hoorde: „Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie.” Die of die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap niet noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat te spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben deze—natuurlijk!—haar grenzen.
Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij een ellende. Dan moesten we geregeld „klantenloopen”. Met zware manden sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere.
Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar je altijd een paar centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid. Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is niet hetzelfde als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen de kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van weekloon wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet meer gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie.
Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen, met gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een mensch altijd een kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel, die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd, niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen. Vermoeidheid en—gemoedsstemming.
Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde—wat weet ik dat nog goed—binnenshuis (we zeggen tegenwoordig „en pension”) op den Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg een heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude, vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius, den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de brug over. Die naam Hagtingius—ik durf er op zweren—is goed gespeld, en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en, zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar en las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk veel in—als 't hun niet verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat op straat bij ieder stuk „taalwerk” staan blijft, om het opmerkzaam te lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet.
Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den zak onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel, hoe listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was „stelen”. Den zak openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want je kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen, dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?” Ons onschuldig kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij nicht waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte hand al die brokken, dan stonden we daar met een schijnheilig gezicht bij, namen als zoete jongetjes—het petje in de linkerhand—de brokken met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en, kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd, want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch eerlijk gegeven? „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding.”
En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze ons de deur opende met haar temerig: „Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw voetjes vegen!” Als neefjes van haar „commesales” behandelde ze ons met voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend, zich gansch anders uiten. „Daar komme die jongens weer met d'r vuile poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon.” Toen had ze voor goed bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene huichelarij.
Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze, ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons niemendal.
Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn? Zou er ook nu nog een hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze?
Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven. Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan uw huichelarij en daar mijn veroordeelend vonnis over strijk.
We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten. Die kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het nog in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en den balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het kind aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker—te genieten met de oogen dicht.
* * *
De lusten van den winkel—het is droevig, dit opnieuw te moeten belijden—bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders. Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog naar de huiskamer. Op mijn „kaart” is het trapje door een paar lijnen aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen: de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door, zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak, een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders—ik beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf.
En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: DE CONCURRENT. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets lager geprijsd dan bij ons.
De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons, natuurlijk niet de „uitbrengklanten”, maar de „winkelklanten”, de burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij, die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan. Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand. Ze konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te hooren.
Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden—ik weet nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen—en door de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak, nu daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen, om met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee, vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje lager prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk bleven ze weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent. Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed, bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch niet helpen kon.
Maar hoe hielp ik? Door——te blijven snoepen.
Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig bad ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort.
Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon, waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had bestolen?
Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende redeneering?
O neen, 't was veel erger. Ik voelde mijn misdrijf niet eens. Ik wist het, en ik zag het toch niet.
Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat zijn geweest!
Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze niet als schuld in me werkte.
Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart schuldonrust zijn, schuldellende.
Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet met een preekje. Afkeer van het kwaad is zoo moeilijk aan te brengen. We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare gevolgen van het kwaad. Als die ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die is er niet. We verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart. Daarom is de bede om een „nieuw hart” zielkundig zoo juist en zoo dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet het prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig begeeren is al een bewijs van het „nieuwe leven”.
Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard zijn gansche gezin ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen zijn.
* * *
Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen.
De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar. Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen van het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een winkel—ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten.
Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen, en daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik ging naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen.
Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje, liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het uitgestoken handje.
Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze smart—en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor. Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb. Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun vader gestorven is of hun broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist bij „ruwe jongens”, maar ook bij heel „lieve en gevoelige meisjes”. Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen—de uitzonderingen daargelaten—niet schijnen te worden gevoeld.
Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat Zus voor „mottige” uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me dan zelf nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde ik het niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden zij terug. Maar zulk een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En is er iets edeler, dan op te komen voor een „mottig” zusje? Zij kon het toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had?
Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was voor een scheldwoord dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat—als hoedanig wij onszelf nooit beschouwden—scholden nog wel eens van: „Je ouwe vaar, die gezete het”, of, nog erger, „die gehange het”. Maar werd die smaad niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten zitten. „Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf je af,” luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers—hoe is 't mogelijk—die zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dàt is haast niet te gelooven.
IN HUIS.
(VERVOLG.)
Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer, sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede leerschool was.
's Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de stoel er naast het bootje.
't Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam, een scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer. De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best.
De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte, de kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder. Met allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling. Dag schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het maar door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het geboortebriefje in Vaders kassette.
En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie nu beter noemen dan rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting. Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit de fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk proces bederven door een onzedelijk bijmengsel?
Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze, waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar uitmaken, is ja wat hatelijker.
* * *
Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op, meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten.
Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig aangezien. Dan ging ze eerst naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren pot op een „stookkacheltje”. Het houten tafeltje, van een bizonder model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen ijzeren pot op drie pootjes.
De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een paar harde turven „ingerekend”. Die hadden den heelen nacht zachtjes gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje „op te rakelen”. Dan kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur te ver weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar „doove kolen” genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker aan den overkant, om een paar centen „doove kolen” te koopen, hij had ze in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb ik die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te belijden kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker bekend als een brutale schooier, en thuis—ik kon mijn moeder of zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. „Jan, ga jij eens gauw naar....”—„Moet ik nu al weer?”—„Toe, Moeder wacht er op.”—En ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam was, en het is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles van me gedaan krijgen. Een vriendelijke vraag—en ik moest het doen. Anders lag die vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend verwijt, in mijn gemoed. Ik moest—niet door buitenafschen dwang, maar door innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en mijn zuster begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo onontvluchtbaar—vragen. Niets anders dan vragen. En die meester op school—hij kwéékte verzet—hij máákte ongehoorzaam.
Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde. Ze zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten lastige jongens van 11–13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen zei dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer onder schooltijd tegen Jan: „Zeg Jan, je moet me een beetje helpen. Je moet niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het nog leeren.” En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan een kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen.
Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de paedagogiek noemt: „je gezag hooghouden”. Maar zij hield er haar gezag mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn eigen grootmoedige bereidwilligheid.
Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig willen nadoen, mislukt het. Politiek slaagt niet in de opvoeding. Integendeel, ze wreekt zich.
Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht.
Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten? Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen.
En nu weer naar den vuurhaard.
* * *
Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee „talhouten” op gelegd, zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den muur naast den haard.
Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den runmolen en van de run naar de leerlooierij, en ik heb nooit geweten, dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den aschpot had gelegd. Dat hoefde je ook niet te weten, als je je les maar kon opzeggen. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die opzeggerij een 9 of een 10.
Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door een boerenknecht. Die vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de geleerde schoolmeesters.
Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels. Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren verwijderd—hennepzaad—en de bastvezels waren los geweekt voor de touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog om er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers zoo'n stokkerig geknap.
„Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren,” zei de zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen.
Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot, damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten liep mijn zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit, maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar, dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk, is dat niet het wezen van het christendom? „Alzoo lief....” we kennen toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst, als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje. Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden. Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk.
* * *
Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds. Moeder of Zus bracht ons naar bed. Bij het uitkleeden treuzelden we altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden. En dan was het: „Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje.” Dat zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed.
Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op: