WeRead Powered by ReaderPub
Judith: treurspel in vijf bedrijven cover

Judith: treurspel in vijf bedrijven

Chapter 9: VIJFDE BEDRIJF.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The drama depicts a besieged community menaced by a proud, occupying commander whose authority relies on spectacle and secrecy. A resolute woman from the city undertakes a perilous plan to save her people, infiltrating the enemy camp and precipitating an intimate, morally fraught confrontation. Rival imperatives of faith, desire, and political calculation shape the characters' choices and blur the line between heroism and transgression. The five-act structure follows shifting loyalties and mounting psychological pressure toward a violent resolution. Recurring themes include power and its performative force, the ambiguous motives behind sacrifice, and the personal costs of asserting agency under siege.

VIERDE BEDRIJF.

(Tent van Holofernes.—Holofernes en twee zijner hoplieden).

Een der hoplieden. De veldheer ziet er uit als een vuur dat op het punt van uitgaan staat.

De tweede hopman. Voor zoo'n vuur moet je oppassen, het verslindt al wat in zijn nabijheid komt om zich te voeden.

Eerste hopman. Weet je dat Holofernes vannacht er dicht aan toe was zichzelf van kant te maken?

Tweede hopman. Het is toch niet waar?

Eerste hopman. Ja zeker. Hij had een nachtmerrie. In zijn slaap denkt hij dat iemand zich op hem stort om hem te wurgen. Hij grijpt zijn dolk en, door zijn droom misleidt, meenend den aanvaller ruggelings te doorboren, stoot hij hem in zijn eigen borst. Gelukkig glijdt het staal op een van zijn ribben af. Hij wordt wakker, ziet het en roept den kamerdienaar, die hem wil verbinden, lachend toe: „Laat maar loopen, dat koelt me af, ik heb toch te veel bloed.”

Tweede hopman. Het klinkt ongelooflijk.

Eerste hopman. Vraag het den kamerdienaar maar.

Holofernes (zich snel omwendend). Vraag 't mijzelf! (zij schrikken). Ik roep je dit toe, omdat ik je graag mag lijden en niet wil dat twee helden, die ik gebruiken kan, uit verveling door allerlei kletspraatjes en vergelijkingen hun hoofd verspelen. (voor zich) Zij verbazen zich er over dat ik hun gesprek gehoord heb. Schande genoeg voor mij, dat ik er tijd en aandacht voor had. Een hoofd dat zich niet zelf met gedachten weet te vullen, dat nog ruimte heeft voor de grillen en invallen van anderen, is niet waard dat men het voedert. De ooren zijn de aalmoezeniers van den geest, alleen bedelaars en slaven hebben ze noodig en men wordt een van beiden wanneer men ze gebruikt. (tot de hoplieden) Ik maak je er geen verwijt van; het is mijn schuld dat je niets te doen hebt en praatjes moet maken om jezelf te kunnen voorliegen dat je leeft. Wat gisteren spijs was is vandaag drek; wee ons, dat we daarin moeten rondwoelen. Maar zegt mij toch eens: wat zoudt ge gedaan hebben als ge mij eens werkelijk vanmorgen dood in mijn bed gevonden hadt?

De hoplieden. Heer, wat zouden we hebben mòeten doen?

Holofernes. Al wist ik het, ik zou het je niet zeggen. Wie zichzelf uit de wereld wegdenken en zijn plaatsvervanger noemen kan, die hoort er niet meer in! Ik ben mijn ribben er dankbaar voor dat ze van ijzer zijn. Dat zou me een dood geweest zijn als een klucht! En stellig zou deze vergissing van mijn hand een of anderen mageren god, bijvoorbeeld dien der Hebraeërs, vet hebben gemaakt. Hoe zou Achior gepraald hebben met zijn voorspelling; welk een respekt zou hij voor zichzelf hebben gekregen!—Één ding zou ik willen weten: wat de dood is.

Eerste hopman. Dat is terwille waarvan wij het leven liefhebben.

Holofernes. Dat is het beste antwoord. Ja, alleen omdat wij het ieder uur verliezen kunnen houden wij het vast, persen het uit en zuigen het in tot berstens toe. Ging het eeuwig maar door zooals gisteren en vandaag, dan zouden wij waarde en beteekenis van zijn tegendeel wel inzien; rusten en slapen zouden wij en in onze droomen voor niets anders sidderen dan voor het ontwaken. Nù zoeken wij ons door eten te behoeden voor het gegeten worden en vechten we met onze tanden tegen de tanden der wereld. Daarom is het ook zoo bij uitstek heerlijk door het leven zelf te sterven, den stroom zòo te laten aanzwellen dat de ader die hem moet opnemen springt, den hoogsten wellust en den huiver der vernietiging met elkaar te vermengen. Dikwijls komt het mij voor als had ik eens tot mijzelf gezegd: Nu wil ik leven! Toen werd ik losgelaten als uit een teedere omhelzing, het werd licht om mij heen, ik rilde... een schok... en ik was er! Zoo zou ik ook eens tot mijzelf willen zeggen: Nu wil ik sterven! En als ik niet, zoodra ik het woord heb gesproken, opgelost in alle winden verstuif en door alle dorstende lippen der schepping wordt opgezogen, dan zal ik mij schamen en mij zelf bekennen dat ik wortels gemaakt heb uit ketenen. Ik houd het voor mogelijk dat zich nog eens iemand doodt alleen door de gedachte.

Eerste hopman. Holofernes!

Holofernes. Je wilt zeggen dat men zich niet moet bedwelmen. Dat is waar, want wie geen bedwelming kent weet ook niet hoe armelijk nuchterheid is! En toch is bedwelming de weelde onzer armoede en ik heb het zoo graag, wanneer het als een zee uit mij te voorschijn breekt en al wat op dijk of beperking lijkt, wegspoelt! En wanneer het eens in àl wat leeft zoo stuwde en stroomde, zou het dan niet kunnen dòòrbreken en samenvloeien en als een geweldig onweer met donder en bliksem triomfeeren over de natte, koude, verrafelde wolken die de wind naar willekeur in het rond jaagt? O stellig! (tot de hoplieden) Je verbaast je over mij, omdat ik van mijn hoofd een spinnewiel maak en het droom- en hersenkluwen daarin draad na draad afwikkel als een bundel vlas. Zeker, de gedachte is de dief des levens; een kiem, die men uit de aarde rukt in het licht, zal niet uitloopen, dat weet ik heel goed; maar vandaag, na die aderlating, mag het wel! We hebben bovendien den tijd, want die daar in Bethulië schijnen niet te weten dat een soldaat zijn zwaard zoolang scherpt als men hem belet het te gebruiken.

Een hopman (binnentredend). Heer! een Hebreeuwsche vrouw, die we op den berg hebben opgepakt, staat voor de deur.

Holofernes. Wat voor soort?

De hopman. Heer, ieder oogenblik dat ge haar niet ziet is verloren. Als ze niet zoo schoon was, had ik haar niet bij u gebracht. Wij lagen bij de bron te wachten of ook iemand zou durven naderen. Toen zagen we haar komen, haar maagd, als haar schaduw, achter haar aan. Zij was gesluierd en liep aanvankelijk zoo snel, dat de maagd haar nauwelijks kon volgen; maar plotseling hield zij op als wilde zij omkeeren, wendde zich naar de stad, wierp zich ter aarde en scheen te bidden. Daarna kwam zij op ons af en ging naar de bron. Een van de bewakers trad haar tegemoet en ik dacht al dat hij haar iets wilde doen—want de soldaten zijn slecht geluimd door het lange luieren—maar hij bukte zich, schepte water en reikte haar de schaal toe. Zij nam het aan, zonder te danken, bracht het aan de lippen, maar liet het, vòòr zij nog gedronken had, weer zakken en goot het langzaam uit. Dit verdroot den bewaker; hij trok zijn zwaard en hief het op. Toen sloeg zij haar sluier open en zag hem aan; het scheelde weinig of hij had zich voor haar voeten geworpen. Maar zij zeide: „Breng mij naar Holofernes, ik kom om mij voor hem te verdeemoedigen en hem geheimen van mijn volk te onthullen”.

Holofernes. Brengt haar hier! (de hopman af) Alle vrouwen ter wereld zie ik graag, behalve ééne, die heb ik nooit gezien en zal ik ook nooit zien.

Een hopman. Welke is dat?

Holofernes. Mijn moeder! Ik zou haar even graag zien als mijn graf. Dit verheugt mij het meest: dat ik niet weet vanwaar ik kom. Jagers hebben mij als een stevigen knaap in een leeuwenhol gevonden. Een leeuwin heeft mij gezoogd, daarom is 't geen wonder dat ik den leeuw zelf eens in deze armen dooddrukte. Wat kan dan ook een moeder voor haar zoon zijn? Een spiegel zijner onmacht van gisteren of morgen! Hij kan haar niet aanzien zonder te denken aan den tijd dat hij een erbarmelijk wurm was, dat de paar druppels melk die het slikte met smakken betaalde. En als hij dat vergeet, ziet hij een spook in haar, dat hem ouderdom en dood voorspiegelt en hem een afkeer inboezemt van zijn eigen gedaante, zijn eigen vleesch en bloed.

Judith (treedt binnen, begeleid door Mirza en den hopman, die beiden bij den ingang blijven staan. Aanvankelijk is zij verward, beheerscht zich echter snel, treedt op Holofernes toe en valt hem te voet). Gij zijt dien ik zoek, gij zijt Holofernes!

Holofernes. Je denkt zeker dat hij, op wiens gewaad het meeste goud glimt, hier de meester zijn moet.

Judith. Slechts één kan er zoo uitzien!

Holofernes. Als ik een tweeden vond, zou ik hem het hoofd voor de voeten leggen; op mijn gezicht meen ik het eenige recht te hebben.

Een der hoplieden (tot den ander). Een volk dat zulke vrouwen heeft is niet te verachten.

De ander. Je zoudt het alleen al terwille van die vrouwen bevechten. Nu heeft Holofernes een tijdverdrijf. Misschien dat zij met kussen zijn heelen toorn verstikt.

Holofernes (in den aanblik van Judith verloren). Is 't niet of men, zoolang men haar aanziet, een kostelijk bad nam? Men wordt wat men ziet! De rijke, groote wereld vond geen plaats in dat beetje uitgespannen huid waarin wij steken: oogen kregen wij om haar bij brokstukken te kunnen inslikken. Slechts blinden zijn rampzalig! Ik zweer het: nooit meer zal ik iemand doen blinden. (tot Judith) Ge ligt nog op de knieën? Sta op! (Zij doet het, hij neemt plaats op den vorstelijken zetel onder een tapijt) Hoe heet ge?

Judith. Ik heet Judith.

Holofernes. Wees niet bang, Judith. Je bevalt mij zooals nog gééne mij beviel.

Judith. Dat is het doel van al mijn wenschen!

Holofernes. En zeg mij nu: waarom heb je die daar in de stad verlaten en ben je bij mij gekomen?

Judith. Omdat ik weet dat niemand u kan ontkomen! Omdat onze eigen God de mijnen in uw hand wil overleveren.

Holofernes (lachend). Omdat je een vrouw bent, omdat je vertrouwt op je zelf, omdat je weet dat Holofernes oogen heeft, niet waar?

Judith. Hoor mij genadig aan. Onze God is vertoornd op ons, hij heeft sinds lang door zijn profeten laten verkondigen dat hij zijn volk wil straffen om zijner zonden wil.

Holofernes. Wat is zonde?

Judith (na een pooze). Een kind heeft mij dit eens gevraagd. Dat kind heb ik gekust. Wat ik u antwoorden moet weet ik niet.

Holofernes. Vertel verder.

Judith. Nu staan zij tusschen Gods toorn en ùw toorn en zijn zeer bevreesd. Daarbij lijden zij honger en moeten versmachten van dorst. En hun groote nood verleidt hen tot nieuwe misdaden. Zij willen eten van het heilige offer, dat ook maar aan te raken hen verboden is. Het zal tot vuur worden in hun ingewanden!

Holofernes. Waarom geven zij zich niet over?

Judith. Zij hebben er den moed niet toe. Zij weten dat zij het ergste hebben verdiend; hoe zouden zij nog kunnen gelooven dat God het van hen zal afwenden? (voor zich). Ik wil hem verzoeken. (luid) In hun angst gaan zij nog verder dan gij in uw toorn gaan kunt. Uw wraak zou mij verpletteren als ik het waagde u te zeggen hoe hun vrees den held en man in u durft te bezoedelen! Ik zie tot u op; ik bespeur in uw gelaat de edele grenzen van uw toorn; ik ontdek het punt waarboven hij in zijn wildste vlammen niet kan uitlaaien. En nu moet ik blozen, want ik herinner mij daarbij hoe zij zich niet schamen iedere gruweldaad van u te verwachten, die een schuldig geweten in laffe zelfkwelling maar weet te verzinnen; hoe zij zich verstouten in u een beul te zien omdat zijzelf den dood waardig zijn. (zij valt voor hem neer) Op mijn knieën smeek ik u om vergeving voor deze beleediging van mijn verblinde volk.

Holofernes. Wat doet ge; ik wil niet dat ge voor mij knielt.

Judith (opstaand). Ze denken dat ge hen allen zult dooden. Ge glimlacht inplaats van te toornen? O, ik vergat wie ge zijt. Ge kent het gemoed der menschen; u kan niets verbazen; u prikkelt het slechts tot spot wanneer uw beeld in een doffen spiegel misvormd en vertrokken schijnt. Maar dìt moet ik toch ten gunste der mijnen zeggen: zijzelf zouden nooit op die gedachte gekomen zijn. Zij wilden u de poort openen, toen Achior, de aanvoerder der Moabieten, tusschen hen trad en hen bang maakte. „Wat wilt ge doen?” riep hij. „Weet ge niet dat hij u allen den ondergang gezworen heeft?” Ik weet dat ge hem het leven en de vrijheid geschonken hebt; ge hebt, omdat ge geen wraak wildet nemen op een onwaardige, hem tot ons gezonden, hem grootmoedig in de rijen uwer vijanden geplaatst. Hij loont het u door uw beeld in bloed te schilderen en elks hart van u af te keeren. Niet waar, mijn klein volkje verbeeldt zich àl te veel, wanneer het zich uw toorn waardig acht. Hoe zoudt ge kunnen haten wie ge in het geheel niet kendet, wie ge maar op uw weg tegenkwaamt en die slechts daarom niet voor u weken, omdat de angst hen verstijfde en hen leven en bezinning roofde? En wanneer werkelijk iets als moed hen had bezield, zou dàt dan u er toe kunnen prikkelen, uzelf ontrouw te worden? Zou Holofernes zichzelf, al wat hem groot en éénig maakt, in anderen haten en vervolgen? Dat is tegennatuurlijk, dat kan niet gebeuren! (zij ziet hem aan, hij zwijgt) O, ik wilde dat ik u was! Eén dag maar, één uur maar! Dan zou ik daardoor dat ik het zwaard in de scheede stak, een triomf vieren als nog niemand door het zwaard gevierd heeft. Duizenden sidderen nu voor u in gindsche stad. „Ge hebt mij getrotseerd,” zou ik hen toeroepen, „maar juist omdat ge mij beleedigd hebt, schenk ik u het leven; ik wil mij op u wreken, maar door uzelf; ik straf u niet, opdat ge geheel en al mijn slaven zijn zult.

Holofernes. Vrouw! beseft ge niet dat ge mij dit alles onmogelijk maakt doordat ge er mij toe aanspoort? Als die gedachte in mijzelf was opgekomen, misschien had ik haar uitgevoerd. Nu is zij de uwe en kan nooit de mijne worden. Het spijt mij, maar Achior zal gelijk krijgen!

Judith (in een wild lachen uitbarstend). Vergeef. Sta toe dat ik mijzelf hoon! Er zijn kinderen in de stad, zóó onschuldig dat zij lachen zullen als zij het staal zien blinken dat hen moet spietsen. Er zijn maagden in de stad, die sidderen voor den lichtstraal die door hun sluier dringt. Ik dacht aan den dood die deze kinderen wacht, ik dacht aan de schande die deze maagden bedreigt; ik stelde mij het afschuwelijkste voor en ik dacht dat niemand zóó sterk kon zijn dat hij niet ineen zou huiveren voor zulke tafereelen. Vergeef dat ik ù mijn eigen zwakheid onderschoof.

Holofernes. Je wilde mij vermooien en dat verdient mijn dank, al staat de manier mij ook niet aan. Judith, wij moeten niet met elkaar kibbelen. Ik ben voorbeschikt wonden te slaan, jìj wonden te heelen. Als ik nalatig was bij mijn werk, had jij geen tijdverdrijf. En met mijn soldaten moet je 't zoo nauw niet nemen. Lieden, die vandaag niet weten of ze er morgen nog zijn zullen, moeten wel driest toegrijpen en zich de maag wat overladen, wanneer ze hun deel van het leven willen krijgen.

Judith. Heer, ge overtreft mij in wijsheid evenzeer als in moed en kracht. Ik was verdwaald in mijzelf en ù dank ik het dat ik den weg weer vond. Ah, hoe dwaas was ik! Ik weet dat zij allen den dood verdiend hebben, dat hij hun allang voorspeld is; ik weet dat de Heer, mijn God, aan ù de wraak heeft overgedragen; en toch werp ik mij, door een erbarmelijk medelijden overmand, tusschen u en hen. Heil mij! dat uw hand het zwaard vast hield, dat ge het niet vallen liet om de tranen eener vrouw te drogen. Hoe zouden zij versterkt zijn geworden in hun overmoed! Wat hadden zij nog te vreezen wanneer Holofernes hen voorbij trok als een onweer dat niet tot uitbarsting kwam? Wie weet of zij niet lafheid zouden zien in uw grootmoedigheid en spotliedjes zouden maken op uw barmhartigheid. Nù zitten zij in zak en asch en doen boete. Maar voor ieder uur van ingetogenheid zouden zij zich misschien schadeloos stellen door een dag van wilde uitspatting en razernij. En al hun zonden zouden op mìjn rekening komen; ik zou vergaan van berouw en schaamte. Neen Heer, gedenk uw eed en verdelg hen! Dìt laat de Heer, mijn God, u gelasten door mìjn mond; Hij wil uw vriend zijn, zooals gij hun vijand zijt.

Holofernes. Vrouw, het komt mij voor dat ge met mij speelt. Maar neen, ik beleedig mijzelf door dit voor mogelijk te houden. (na een poos) Ge beschuldigt de uwen zwaar.

Judith. Denkt ge dat het mij gemakkelijk valt? Het is de straf voor mijn eigen zonden dat ik hen moet aanklagen wegens de hunne. Geloof niet dat ik slechts daarom van hen gevlucht ben omdat ik den algemeenen ondergang dien ik zag naderen, wilde ontloopen. Wie voelt zich zòò rein, dat hij wanneer de Heer een groot gericht houdt, zou durven wagen zich er aan te onttrekken? Ik kwam tot u omdat mijn God het mij gebood. Ik moet u naar Jeruzalem voeren, ik moet u mijn volk overleveren als een kudde die geen herder heeft. Dat heeft Hij mij gelast in een nacht toen ik in vertwijfeld gebed voor Hem op de knieën lag en duizendvoudig verderf over u en uw mannen van Hem afsmeekte; toen elk mijner gedachten u zocht te omsnoeren en te wurgen. Zijn stem klonk en ik jubelde luid... maar Hij had mijn gebed verworpen, Hij sprak het doodvonnis over zijn volk uit en belastte mijn ziel met het beulsambt. O, welk een verandering! Ik verstijfde, maar ik gehoorzaamde; haastig verliet ik de stad, schudde het stof van mijn voeten en trad voor u om u aan te sporen hen te vernietigen, voor wier redding ik nog kort te voren lijf en leven zou hebben geofferd. Zie, zij zullen mij smaden en mijn naam voor eeuwig brandmerken. Dat is méér dan de dood; en toch blijf ik standvastig en weifel niet.

Holofernes. Dat zullen zij nìet. Kan iemand je smaden wanneer ik niemand in leven laat? Waarlijk, als je God volbrengt wat je gezegd hebt, dan zal Hij ook mìjn God worden, en jou zal ik groot maken als nog nooit een vrouw geweest is. (tot den kamerdienaar) Breng haar naar de schatkamer en geef haar te eten van mìjn tafel.

Judith. Heer, ik mag nog niet eten van uw spijs, ik zou mij bezondigen. Ik kwam immers niet tot u om van mijn God af te vallen, maar juist om Hem goed te dienen. Ik heb zelf iets meegebracht om van te eten.

Holofernes. En als dat op is?

Judith. Wees gerust. Nog vòòr ik dit weinige kan nuttigen, zal mijn God door mij hebben uitgevoerd wat Hij van plan is. Voor vijf dagen heb ik genoeg en binnen vijf dagen volbrengt Hij het. Nog weet ik het uur niet, en mijn God zal het mij niet eer zeggen voor het er is. Geef daarom bevel dat ik, zonder door uw mannen gehinderd te worden, naar buiten kan gaan, naar het gebergte, tot voor de stad, opdat ik daar bidden kan en wachten op een openbaring.

Holofernes. Het verlof heb je. De schreden eener vrouw liet ik nog nooit bewaken. Dus binnen vijf dagen, Judith!

Judith (werpt zich voor zijn voeten, gaat dan naar de deur). Binnen vijf dagen, Holofernes!

Mirza (die haar ontzetting en afschuw reeds een poos door gebaren te kennen gaf). Vervloekte! zijt ge gegaan om uw volk te verraden?

Judith. Spreek luider! Het is goed dat allen hooren dat ook jij mijn woorden gelooft.

Mirza. Maar zeg zelf, Judith, mòet ik u niet vervloeken?

Judith. Heil mij! als jìj niet twijfelt, zal Holofernes het zeker niet!

Mirza. Weent ge?

Judith. Vreugdetranen omdat ik je misleidde. Ik huiver voor de kracht der leugen in mijn mond. (af).


VIJFDE BEDRIJF.

(Avond. De verlichte tent van Holofernes. Op den achtergrond een gordijn dat het slaapvertrek afscheidt).

(Holofernes. Hoplieden. Kamerdienaar).

Holofernes (tot een der hoplieden). Ben je op verkenning uitgeweest? Hoe staat het er mee in de stad?

Hopman. Het is of ze zich daar allemaal begraven hebben. Die de poort bewaken zien er uit alsof ze uit hun graf zijn verrezen. Op een van hen legde ik aan, maar nog éér ik kon afschieten viel hij al vanzelf dood neer.

Holofernes. Dus overwinning zonder strijd. Als ik jonger was zou 't mij ergeren. Toen dacht ik mijn leven te stelen als ik het mij niet dagelijks opnieuw veroverde; wat mij geschonken werd meende ik in het geheel niet te bezitten.

Hopman. Priesters ziet men stom en ernstig door de straten sluipen. Lange, witte gewaden, zooals bij ons de dooden dragen. Holle oogen die den hemel pogen te doorboren. Kramp in de vingers wanneer zij de handen vouwen.

Holofernes. Dat men zulke priesters vooral niet doode! De vertwijfeling op hun gelaat is mijn bondgenoot.

Hopman. Wanneer ze nù ten hemel opzien, zoeken ze er niet hun God, maar een regenwolk. Doch de zon slurpt de dunne wolken die een druppel lafenis beloven òp en op hun berstende lippen vallen haar gloeiende stralen. Dan ballen zich vuisten, dan rollen oogen, dan stooten hoofden zich te pletter tegen de muren, dat bloed en hersens vloeien.

Holofernes. Dat hebben we meer gezien. (lachend) Hebben we niet zelf eens een hongersnood bijgewoond, waarbij de één schuw achteruitdeinsde wanneer de ander hem kussen wilde, uit pure angst voor een beet in de wang? Hallo! Bereidt het maal; laat ons vroolijk zijn! (het geschiedt) Is het niet morgen de vijfde dag?

Hopman. Ja.

Holofernes. Dan komt de beslissing. Geeft Bethulië zich over, zooals de Hebreeuwsche voorspelde, komt ze uit eigen beweging naar mij toegekropen, de hardnekkige stad, om zich voor mijn voeten te leggen...

Hopman. Twijfelt Holofernes?

Holofernes. Aan al wat hij niet bevelen kan. Maar gebeurt het zooals die vrouw beloofde, doen zij open zonder dat ik met mijn zwaard behoef aan te kloppen, dan...

Hopman. Dan?

Holofernes. Dan krijgen wij een nieuwen God. Waarachtig! ik heb gezworen dat de God Israëls ook mijn God worden zal, wanneer hij mij een dienst bewijst, en bij allen die reeds mijn goden zijn, bij Bel te Babylon en bij den grooten Baal, ik zal woord houden! Hier, dezen beker wijn zal ik hem plengen, dien Je... Je... (tot den kamerdienaar) hoe zei je ook weer dat hij heet?

Kamerdienaar. Jehovah!

Holofernes. Laat u dit offer welgevallen, Jehovah. Een màn brengt het u, en een die het niet behoeft te doen.

Hopman. En als Bethulië zich niet overgeeft?

Holofernes. Eed tegen eed. Dan laat ik Jehovah afranselen en de stad... maar ik wil mijn toorn niet reeds nu zijn grenzen afbakenen. Dat ware den bliksem beschoolmeesteren. Hoe is 't met de Hebreeuwsche?

Hopman. O, ze is schoon... Maar ze is ook preutsch.

Holofernes. Heb je dat ondervonden?

Hopman (zwijgt verlegen).

Holofernes (met woesten blik). Dàt durfde je? Terwijl je wist dat ze mìj behaagt? Daar, hond! (hij slaat hem neer) Haalt hem weg en brengt die vrouw hier. Het is een schande dat zij ongerept onder ons Assyriërs rondloopt! (Het lijk wordt weggedragen) Vrouw is vrouw en toch verbeeldt men zich nog dat er verschil is. Ja, wel voelt een man nergens zoo duidelijk wat hij waard is dan aan de borst eener vrouw. Ha! wanneer ze sidderen bij het verwachten zijner omhelzing, in tweestrijd tusschen wellust en schaamte; wanneer ze doen als wilden ze vluchten, maar dan opeens, door hun natuur overmand, hem om den hals vliegen als hun laatste beetje zelfstandigheid en bewustheid opvlamt en hen, omdat ze niet meer weerstaan kunnen, drijft tot vrijwillige tegemoetkoming; wanneer dan hun begeerte, door verraderlijke kussen opgewekt in iederen druppel bloed, met de begeerte van den man om het hardst loopt en zij hem aanzetten waar zij weerstand moesten bieden... ja, dàt is leven; dan voelt men 't waarom de goden zich de moeite gaven menschen te maken; dan heeft men eens genòeg, een overloopenden beker! En vooral wanneer hun kleine ziel nog een oogenblik te voren vol haat en laffen wrok was; wanneer de oogen, nu in wellust gebroken, zich donker sloten toen de overwinnaar binnentrad; wanneer de hand die nù vleiend streelt, hem graag vergif in den wijn gemengd zou hebben! Dat is een triomf als geen andere, en dikwijls heb ik dien al gevierd. Ook deze Judith... wel is haar blik vriendelijk en lachen haar wangen als zonneschijn; maar in haar hart woont niemand behalve haar God... en dien zal ik er nu uitjagen! In de dagen van mijn jeugd heb ik soms wel als ik een vijand ontmoette, inplaats van mijn eigen zwaard te trekken, hem het zijne uit de hand gewrongen en er hem mee neergeveld. Zóó wil ik ook háár vernietigen; vergaan zal zij voor mij door haar eigen gevoel, door de trouweloosheid harer zinnen.

Judith (met Mirza binnen tredend). Ge hebt bevolen, hooge Heer, en uw maagd gehoorzaamt.

Holofernes. Ga zitten Judith, eet en drink, want je hebt genade bij mij gevonden.

Judith. Dat zal ik, Heer. En ik wil vroolijk zijn, want nog nooit in mijn leven ben ik zòò geëerd geworden.

Holofernes. Waarom aarzel je?

Judith (huiverend, op het versche bloed wijzend). Heer, ik ben een vrouw.

Holofernes. Kijk er eens goed naar, naar dat bloed. Het zal je ijdelheid streelen; het heeft gevloeid omdat het voor jou ontbrand was.

Judith. Wee mij!

Holofernes (tot den kamerdienaar). Andere tapijten! (tot de hoplieden) Gaat heen. (De tapijten worden gebracht, de hoplieden verwijderen zich).

Judith (voor zich). Mijn haren rijzen te berge; maar toch dank ik U, mijn God, dat Ge mij den Verschrikkelijke ook in deze gedaante liet zien. Een moordenaar zal ik lichter kunnen vermoorden.

Holofernes. Ga nu zitten. Je bent bleek geworden. Je boezem jaagt. Ben ik zoo afschrikwekkend voor je?

Judith. Heer, ge zijt vriendelijk voor mij geweest.

Holofernes. Wees oprecht, vrouw!

Judith. Heer, ge zoudt mij moeten verachten als ik...

Holofernes. Nu?

Judith. Als ik u kon liefhebben.

Holofernes. Vrouw, je waagt veel! Vergeef, je waagt niets. Zulk een woord hoorde ik nog nooit. Neem dezen gouden ketting voor dit woord.

Judith (verlegen). Heer, ik begrijp u niet.

Holofernes. Wee! zoo je mij wèl begreep! Een leeuw ziet een kind dat hem vermetel aan de manen trekt omdat het hem niet kent, vriendelijk aan. Wilde het kind, groot en wijs geworden, hetzelfde probeeren, de leeuw zou het verscheuren. Kom bij mij zitten, laten we wat praten. Vertel mij eens: wat dacht je wel toen je voor het eerst hoorde dat ik met mijn leger je vaderland bedreigde?

Judith. Niets dacht ik.

Holofernes. Vrouw, men denkt aan velerlei als men van Holofernes hoort.

Judith. Ik dacht aan den God mijner vaderen.

Holofernes. En vervloekte mij?

Judith. Neen, ik hoopte dat mijn God het doen zou.

Holofernes. Geef mij den eersten kus. (hij kust haar).

Judith (voor zich). O, waarom ben ik een vrouw!

Holofernes. En toen je het rollen mijner wagens hoorde, het stampen mijner kameelen en het kletteren van mijn zwaarden, wat dacht je toen?

Judith. Ik dacht dat ge niet de eenige man op de wereld waart en dat er uit Israël een zou opstaan die u evenaarde.

Holofernes. Maar toen je zag dat mijn naam alleen voldoende was om je volk in het stof te werpen; dat je God het wonderen-doen verleerd had en dat je mannen naar vrouwenkleeren verlangden?

Judith. Toen riep ik schande over hen en verborg mijn gelaat wanneer ik maar een man zag en als ik bidden wilde kwamen mijn gedachten tegen mijzelf in opstand, verscheurden elkaar wederkeerig en kronkelden zich als slangen om het beeld van mijn God. O, sinds ik dàt voelde, gruw ik van mijn eigen hart; het komt mij voor als een hol waar de zon inschijnt, maar dat toch in verborgen hoeken het gevaarlijkste gedierte herbergt.

Holofernes (haar van terzijde aanziend). Hoe zij gloeit! Zij doet mij denken aan een vuurbal dien ik eens in een donkeren nacht aan den hemel zag opstijgen. Wees mij welkom, wellust, ziedend bij de vlammen van den haat!—Kus mij, Judith! (zij doet het) Haar lippen zuigen zich vast als bloedzuigers, en toch zijn zij koud. Drink wijn, Judith. In den wijn is al wat ons ontbreekt.

Judith (drinkt, nadat Mirza haar heeft ingeschonken). Ja, in den wijn is moed, moed!

Holofernes. Dus moed heb je noodig om met mij aan tafel te zitten, om mijn blik te verduren en mijn kussen te beantwoorden? Arm schepsel.

Judith. O gij... (zich beheerschend) Vergeef. (zij weent).

Holofernes. Judith, ik zie in je hart. Je haat mij. Geef mij je hand en vertel mij van je haat.

Judith. Mijn hand? O hoon! die de bijl slaat aan de wortels mijner menschelijkheid!

Holofernes. Waarlijk, waarlijk, die vrouw is begeerenswaardig!

Judith. Spring open dan, mijn hart, houdt nu niets meer terug! (zij richt zich op) Ja, ik haat je, ik vervloek je en ik moet het je zeggen, weten moet je hòe ik je haat, hoe ik je vervloek, wil ik niet krankzinnig worden.—Doodt mij nu!

Holofernes. Je dooden? Morgen misschien; vandaag zullen we eerst samen naar bed gaan.

Judith (voor zich). Hoe is het mij opeens zoo licht? Nù mag ik het doen!

Kamerdienaar (treedt binnen). Heer, een Hebraeër wacht buiten voor de tent. Hij verzoekt dringend toegelaten te worden. Zaken van 't hoogste belang...

Holofernes (opstaand). Van den vijand? Breng hem binnen. (tot Judith) Zouden zij zich willen overgeven? Noem mij dan nog gauw de namen van je bloedverwanten en vrienden; die zal ik sparen.

Ephraim (hem te voet vallend). Heer, waarborgt ge mij mijn leven?

Holofernes. Ja.

Ephraim. Welaan! (nadert hem, trekt snel zijn zwaard en slaat naar Holofernes, die uitwijkt).

Kamerdienaar (snel binnen tredend). Schurk! ik zal je leeren hoe je een man neerslaat. (wil Ephraim neerslaan).

Holofernes. Halt!

Ephraim (wil zich in zijn eigen zwaard storten). Judith heeft het gezien! Eeuwige schande over mij!

Holofernes (hem weerhoudend). Probeer dat niet voor den tweeden keer! Wil je 't mij onmogelijk maken mijn woord te houden? Ik heb je het leven toegezegd en moet je dus ook tegen jezelf beschermen. Grijpt hem! Is mijn lievelings-aap nìet verrekt? Stopt hem in zijn kooi en leert hem de kunstjes van zijn potsierlijken voorganger. Die kerel is een merkwaardigheid; hij is de eenige die er zich op beroemen kan, naar Holofernes geslagen te hebben en er heelhuids te zijn afgekomen. Ik wil hem aan 't hof laten kijken. (Kamerdienaar met Ephraim af). (tot Judith) Zijn er veel slangen in Bethulië?

Judith. Neen, maar veel razenden.

Holofernes. Holofernes dooden! Den bliksem uitdooven die met den wereldbrand dreigt; een onsterfelijkheid in de kiem smoren; een koen begin maken tot een praalhans met een grooten mond, door hem vóór zijn tijd te dooden! O, dat moet iets aanlokkelijks zijn! Dat noem ik het noodlot de teugels uit de hand nemen! Daartoe zou ikzelf mij kunnen verleiden, als ik niet was die ik ben! Maar het groote willen doen op kleine wijze, voor den leeuw eerst een net knoopen uit zijn eigen edelmoedigheid om hem dàn te sluipmoorden; de daad wagen, maar laf en listig het gevaar van tevoren ontduiken; niet waar Judith, dat is goden maken van drek, daarover zul je toch schande roepen moeten, al probeerde je beste vriend het tegenover je ergsten vijand.

Judith. Gij zijt groot en de anderen zijn klein. (zacht) God mijner vaderen! bescherm mij tegen mijzelf, dat ik niet vereeren moet wat ik het diepst verafschuw. Hij is een màn!

Holofernes (tot den kamerdienaar). Maak mijn leger gereed. (Kamerdienaar af) Ziehier, vrouw! Deze armen waren tot de elbogen gedompeld in bloed, elk mijner gedachten baart gruwelen en verwoesting; mijn woord is de dood; de wereld lijkt mij jammerlijk en ik geloof dat ik geboren ben om haar te verwoesten, opdat er iets beters komen kan. De menschen vervloeken mij, maar hun vloek hecht zich niet aan mijn ziel; die breidt haar wieken uit en schudt hen van zich af als niets. Ik moet dus wel gelijk hebben. „O Holofernes, ge weet niet wat dit is” kreunde eens een man dien ik op een gloeiend rooster liet braden. „Dat weet ik werkelijk niet” zei ik en ging naast hem liggen. Bewonder dat niet, het was een dwaasheid.

Judith (voor zich). Houdt op, houdt op! Ik moet hem vermoorden als ik niet voor hem knielen wil.

Holofernes. Kracht, kracht! dat is alles! Laat komen wie tegen mij opstaat, wie mij neerwerpt! Ik hunker naar hem! Het is eenzaam niets te kunnen eeren dan zichzelf. Hij mag mij in een vijzel laten fijnstampen en als hij er zin in heeft met den brij het gat stoppen dat ik in de wereld reit. Dieper en dieper boor ik met mijn zwaard; als het angstgeschreeuw den redder niet wekt, dan is er geen. De orkaan bruist door de lucht: hij wil zijn broeder leeren kennen. Maar de eiken die hem schijnen te trotseeren ontwortelt hij, de torens werpt hij omver en den aardbol heft hij uit zijn aspunten. Dan wordt het hem helder dat zijnsgelijke niet bestaat en hij slaapt in van walging. Of Nebucad-Nezar misschien mijn broeder is? Mijn gebieder is hij zeker. Misschien werpt hij mijn hoofd nog eens den honden voor. Wel bekome 't hen. Misschien voer ik met zìjn ingewanden nog eens de tijgers van Assyrië. Dan, ja dàn zal ik weten dat ìk de grens der menschheid ben en een eeuwigheid lang zal ik voor hun duizelende oogen staan als een onbereikbare, schrik-omgorde godheid! O, het laatste oogenblik, het laatste! Was het er toch reeds nù! „Komt hier, allen die ik leed gedaan heb”, roep ik uit, „gij, die ik verminkte, wien ik uw vrouw uit de armen, uw dochters van de zijde sleurde, komt allen en verzint martelingen voor mìj! Tapt mij het bloed af en laat het mij drinken; snijdt het vleesch uit mijn lendenen en geeft het mij te eten.” En wanneer ze meenen mij het ergste te hebben aangedaan en ik hun nog steeds iets ergers noem en hen vriendelijk verzoek het mij niet te onthouden: wanneer zij in gruwende verbazing rondom mij staan en ik hen, trots al mijn pijnen, door mijn glimlach tot dood en waanzin drijf; dan zal ik hen toedonderen: „Knielt neer, want ìk ben ùw god”. En dan lippen en oogen sluiten, en sterven, stil en ongemerkt.

Judith (sidderend). En als de hemel een bliksem naar u slingert om u te verpletteren?

Holofernes. Dan strek ik mijn hand uit, alsof ikzelf het hem gebood en de doodende straal zal mij met duistere majesteit omkleeden.

Judith. Ondier! Gruwelijk! Mijn gevoelens en gedachten stuiven door elkaar als dorre blaren. Mensch! vreeselijke mensch, ge dringt u tusschen mij en mijn God. Ik moest bidden en ik kan niet.

Holofernes. Val neer en aanbidt mìj!

Judith. Ha! Nù zie ik weer helder! U? Ge pocht op uw kracht. Voelt ge dan heel niet dat ze veranderd is, dat zij uw vijand is geworden?

Holofernes. Ik ben blij eens iets nieuws te hooren.

Judith. Ge meent dat ze er is om storm te loopen tegen de wereld? En als ze er eens was om zichzelf te beheerschen? Maar gìj hebt haar tot voedsel van uw hartstocht gemaakt. Gij zijt een ruiter, die door zijn rossen wordt verslonden.

Holofernes. Ja ja, kracht is tot zelfmoord geroepen, zegt de wijsheid, die geen kracht is. Strijden met mijzelf; uit mijn linkerbeen den knook maken waarover mijn rechter struikelt, om toch vooral niet op den mierenhoop er naast te trappen! Die zot in de woestijn, die tegen zijn eigen schaduw vocht en toen het nacht werd uitriep: „Nu ben ik verslagen, nu is mijn vijand zoo groot als de wereld!” die zot was eigenlijk heel verstandig, niet waar? O, toont mij het vuur dat zichzelf uitdooft! Kunt ge het niet vinden? Dan toont mij toch het vuur dat zichzelf voedt! Kunt ge 't ook niet vinden? Maar zegt mij dan of de boom dien het verteert, wel het recht heeft over het vuur te vonnissen!

Judith. Ik weet niet of men u iets antwoorden kan. Waar mijn gedachten huisden is nu leegte en duisternis. Zelfs mijn hart versta ik niet meer.

Holofernes. Je hebt het recht mij uit te lachen. Men moet een vrouw zooiets niet begrijpelijk willen maken.

Judith. Ge zult de vrouw leeren achten! Zij staat vòòr u om u te vermoorden! En zij zegt het u!

Holofernes. En zij zegt het slechts om zich die daad onmogelijk te maken! O lafheid die zichzelf voor grootheid houdt! Maar je wilt dat ook omdat ik nog altijd niet met je naar bed ging. Om mij voor je te beveiligen hoef ik je alleen maar een kind te maken.

Judith. Ge kent geen Hebreeuwsche vrouw. Ge kent slechts schepsels die zich het gelukkigst voelen in hun diepste vernedering.

Holofernes. Kom Judith, ik wil je leeren kennen! Spartel nog maar wat tegen, ik zal je zelf wel zeggen hoelang. Nog een beker! (hij drinkt) Nu is 't genoeg, nu is 't uit met tegenstribbelen! (tot den kamerdienaar) Weg met jou! En wie mij dezen nacht stoort, dien kost het zijn kop. (hij trekt Judith met geweld mee).

Judith. Ik moet... ik wil... schande over mij in tijd en eeuwigheid als ik niet kan! (beiden af in het slaapvertrek).

Kamerdienaar (tot Mirza). Blijf je hier?

Mirza. Ik moet mijn meesteres bedienen.

Kamerdienaar. Waarom ben je toch niet een vrouw zooals Judith? Dan kon ik even gelukkig zijn als mijn Heer.

Mirza. Waarom ben jij niet een man als Holofernes?

Kamerdienaar. Ik ben wie ik ben, opdat Holofernes zijn gemak hebbe. Opdat de groote held niet zelf zijn spijzen behoeft op te dienen en zijn wijn in te schenken. Opdat hij iemand hebbe die hem naar bed brengt als hij dronken is. Maar geef jij mij nu eens antwoord: Waarvoor zijn er leelijke vrouwen op de wereld.

Mirza. Opdat een zot ze zal kunnen bespotten.

Kamerdienaar. Ja, en opdat men hen bij licht in het gelaat kan spuwen, als men het ongeluk had ze in het donker te kussen. Holofernes heeft eens een vrouw die op een ongelegen oogenblik bij hem kwam, neergeslagen omdat hij haar niet mooi genoeg vond. Die heeft het altijd bij het rechte eind. Kruip maar weg in een hoek, jij Hebreeuwsche spin, en houd je stil (af).

Mirza (alleen). Stil, ja stil. Ik geloof (wijst naar het slaapvertrek) dat daar iemand vermoord wordt; ik weet niet of het Holofernes is of Judith. Stil, stil! Ik stond eens bij een water en zag een mensch verdrinken. De angst dreef mij hem na te springen en de angst hield mij er ook van terug. Toen schreeuwde ik zoo hard als ik kon en ik schreeuwde àlleen om zijn schreeuwen niet te hooren. Zòò spreek ik nu. O Judith! Toen je bij Holofernes kwam en hem in een spel dat ik niet begreep beloofde je volk aan hem over te leveren, hield ik je een oogenblik voor een verraderes. Ik deed je onrecht, dat voelde ik dadelijk. O deed ik je ook nù onrecht! Je halve woorden, je blikken en gebaren, bedrogen zij mij ook nù zooals toen! Ik heb geen moed, ik ben heel bang, maar het is nu geen vrees die uit mij spreekt, niet de vrees voor mislukking. Een vrouw moet mannen baren, nooit mag zij mannen dooden!

Judith (stort met loshangend haar wankelend naar binnen. Een tweede gordijn wordt opengeslagen. Men ziet Holofernes slapen. Aan het hoofdeinde van zijn leger hangt een zwaard). Het is hier te licht. Doe de lichten uit, Mirza, ze zijn te onbeschaamd.

Mirza (jubelend). Zij leeft... en hij leeft (tot Judith). Wat hebt ge, Judith? Uw wangen gloeien, als wilde het bloed er uitbersten! Uw oogen zien zoo schuw.

Judith. Zie mij niet aan, meisje, niemand mag mij meer aanzien (zij wankelt).

Mirza. Leun tegen mij aan, ge wankelt.

Judith. Wat? Zou ik zòò zwak zijn? Weg van mij! Ik kan staan, o ik kan nog meer dan staan, ìk kan oneindig veel meer!

Mirza. Kom, laten we vanhier vluchten!

Judith. Ben je in zijn dienst? Dat hij mij meesleurde, dat hij mij tot zich trok op zijn schandelijk leger, dat hij mijn ziel verstikte, dat alles liet je toe? En nu ik mij wil doen betalen voor de vernietiging die ik in zijn armen onderging, nu ik mij wreken wil over die ruwe greep in mijn menschelijkheid, nu ik met zijn hartebloed de onteerende kussen die nog op mijn lippen branden wil afwasschen, nu bloos je er niet over dat je mij wilt meetronen?

Mirza. Ongelukkige, waaraan denkt ge?

Judith. Ellendig schepsel. Dat zou je niet weten? Dat zou je hart je niet zeggen? Ik denk aan moord! (als Mirza achteruit deinst) Is er dan nog een keus? Zeg 't me, Mirza! Ik kies geen moord als ik... Wat zeg ik daar? Spreek geen woord meer, Mirza. De wereld draait nu om mij!

Mirza. Kom!

Judith. Nooit! Ik zal je je plicht leeren. Zie, Mirza, ik ben een vrouw. O, dat moest ik nu niet voelen! Hoor mij aan, en doe wat ik je vraag. Als mijn kracht mij verlaten mocht, als ik in onmacht mocht vallen, besprenkel mij dan niet met water. Dat helpt niets. Roep mij in 't oor: „Je bent een hoer!” Dan zal ik opspringen; misschien grijp ik je beet om je te wurgen. Schrik dan niet, maar roep me toe: „Holofernes heeft je tot een hoer gemaakt en Holofernes leeft nog!” O, Mirza, dan zal ik een held zijn, een held als Holofernes.

Mirza. Uw gedachten groeien u boven het hoofd.

Judith. Je begrijpt mij niet. Maar je zult, je mòet mij begrijpen. Mirza, je bent een maagd, laat mij een lichtschijn werpen in het heiligdom van je maagdenziel. Een maagd is een dwaas wezen, dat siddert voor zijn eigen droomen, omdat een droom het doodelijk kan kwetsen, en dat toch alleen maar leeft van de hoop niet eeuwig maagd te blijven. Voor een maagd ìs er geen grooter moment dan dat waarin zij ophoudt maagd te zijn en iedere aandrift van het bloed, dien zij eerst bestreed, iedere zucht die zij versmoorde, verhoogt de waarde van het offer dat zij in dat moment moet brengen. Zij geeft alles... is het dan een te trotsch verlangen door dit alles ook verrukking en zaligheid te willen geven? Mirza, luister je?

Mirza. Hoe zou ìk niet luisteren?

Judith. Denk het je nu in zijn heele, naakte afschuwelijkheid; stel het je voor tot aan het punt, waarop de schaamte zich met geheven handen tusschen jou en je verbeelding werpt en je een wereld vervloekt waarin dit ontzettendste mogelijk is.

Mirza. Wat dan? Wàt moet ik mij voorstellen?

Judith. Wat je je voorstellen moet? Jezelf in je diepste vernedering; het oogenblik waarop je naar lichaam en ziel uitgeperst wordt om in de plaats van misbruikten wijn te treden en een gemeenen roes met een nog gemeeneren te helpen besluiten; het oogenblik waarop de inslapende begeerte van je eigen lippen zooveel vuur leent als ze noodig heeft om het heiligste in je te vermoorden: waarop je zinnen zelf, als dronken gemaakte slaven die hun meester niet meer kennen, tegen je opstaan; waarop je begint je heele voorafgaande leven, al je denken en voelen, voor niets dan hoogmoedig gedroom te houden en je schande voor je waarachtige wezen.

Mirza. Wèl mij, dat ik niet schoon ben!

Judith. Daaraan dacht ik niet, toen ik naar hier kwam. Maar hoe zichtbaar trad het mij tegemoet toen ik (zij wijst naar het slaapvertrek) daar binnen ging, toen mijn eerste blik viel op het klaarstaande leger. Op mijn knieën wierp ik mij neer voor den verschrikkelijke en steunde: „Spaar me!” Had hij naar den angstkreet van mijn ziel geluisterd, nooit, nooit zou ik hem... maar zijn antwoord was dat hij mij den halsdoek openrukte en mijn borsten prees. In zijn lippen beet ik hem, toen hij mij kuste. „Matig je gloed, je gaat te ver!” lachte hij hoonend en... O, mijn bewustzijn ging mij begeven, ik was alleen nog maar één kramp... Toen blonk mij iets glanzends in de oogen, het was zijn zwaard. Aan dit zwaard klemde mijn duizelende gedachten zich vast, en heb ik ook door mijn onteering mijn recht op bestaan verspeeld, met dit zwaard zal ik het mij weer heroveren! Bid voor mij... nu doe ik het! (zij stort de kamer binnen en neemt het zwaard af).

Mirza (op haar knieën). God, laat hem wakker worden!

Judith (op de knieën vallend). Mirza, o, wat bid je daar?

Mirza (weer opstaand). God zij geloofd, zij kan het niet!

Judith. Niet waar, Mirza? de slaap is God zelf, die de moede menschen omarmt; wie slaapt moet veilig zijn. (Zij staat op en beschouwt Holofernes) En hij slaapt zoo rustig, hij vermoedt niet dat de moord zijn eigen zwaard tegen hem opheft. Hij slaapt rustig... Ha! laffe vrouw! wat je in opstand brengen moest, wekt je medelijden? Die rustige slaap, na zùlk een oogenblik... is dat niet de ergste misdaad? Ben ik dan een wurm dat men mij mag vertreden en dan, alsof er niets gebeurd was, kalm inslapen? Ik ben geen wurm! (zij trekt het zwaard uit de scheede) Hij glimlacht. Ik ken hem, dien helschen glimlach, zòò glimlachte hij toen hij mij tot zich neertrok, toen hij... Doodt hem, Judith! hij onteert je ten tweeden male in zijn droom; zijn slaap is niets anders dan een hondsch herkauwen van je schande. Hij beweegt zich. Zal je dralen, tot de weer hongerige begeerte hem wekt, tot hij je opnieuw grijpt en... (zij slaat Holofernes het hoofd af). Zie, Mirza! daar ligt zijn hoofd. Ha! Holofernes, acht ge mij nu?

Mirza (bezwijmt). Houdt mij vast!

Judith (door een siddering overvallen). Zij bezwijmt; is mijn daad dan zulk een gruwel dat zij deze vrouw het bloed in de aderen doet verstijven en haar voor dood neerwerpt? (heftig) Ontwaak uit je onmacht, zottin, die onmacht is een aanklacht tegen mij en dat duld ik niet.

Mirza (weer bijkomend). Werp er toch een doek overheen!

Judith. Wees sterk, Mirza, ik smeek het je, wees sterk! Elke huivering van je kost mij een deel van mijn zelf. Je terugduizelen, dat wreede afwenden van je blikken, dat verbleeken van je gelaat zou mij kunnen doen denken dat ik iets onmenschelijks gedaan heb en dan moest ik immers ook mijzelf... (zij grijpt naar het zwaard).

Mirza (werpt zich aan haar borst).

Judith. Juich, mijn hart! Mirza kan mij nog omarmen! Maar wee mij, zij vlucht misschien alleen maar aan mijn borst omdat zij den doode niet zien kan, omdat zij beeft voor een tweede onmacht. Of kòst je die omarming een tweede onmacht? (stoot haar van zich weg).

Mirza. U doet me pijn, en uzelf nog meer.

Judith (haar hand vattend). Niet waar Mirza, als het een gruwelstuk was, als ik werkelijk een wandaad begaan had, dan zou je mij dat immers niet laten voelen? Je zoudt, al wilde ikzelf mij vonnissen en verdoemen, vriendelijk tot mij zeggen: „Je doet jezelf onrecht, het was een heldendaad?”

Mirza (zwijgt).

Judith. Ah! verbeeld je maar niet dat ik al als een bedelares voor je sta, dat ik mij reeds veroordeeld heb en van jou begenadiging verwacht. Het ìs een heldendaad, want hìj was Holofernes en ìk... ik ben een ding, als jij. Het is meer dan een heldendaad; ik zou den held willen zien, wiens grootste daad hem slechts half zooveel gekost heeft als mij de mijne!

Mirza. U sprak van wraak. Eén ding moet ik u vragen: Waarom kwaamt ge in den glans uwer schoonheid in dit heidensch kamp? Hadt ge het nooit betreden, dan had ge niets te wreken gehad.

Judith. Waarom ik kwam? De ellende van mijn volk zweepte mij hierheen, de dreigende hongersnood, de gedachte aan die moeder die zich den pols openreet om haar versmachtend kind te laten drinken. O, nù ben ik weer met mezelf verzoend. Dit alles had ik vergeten door mijn eigen smart.

Mirza. Ge hadt het vergeten. Dàt was het dus nìet wat u dreef toen ge uw hand in bloed dompelde.

Judith (langzaam, vernietigd). Neen, neen, je hebt gelijk... dat was het niet... niets anders dreef mij dan de gedachte aan mijzelf. O, hier zit de knoop! Mijn volk is verlost, maar als een steen Holofernes verpletterd had, zou het dien steen meer dank verschuldigd zijn dan nù mij. Dank? Wie vraagt om dank? Maar nu moet ik mijn daad alléén dragen en ze vermorzelt mij!

Mirza. Holofernes heeft u omhelsd. Als ge hem een zoon baart, wat zult ge dien dan antwoorden wanneer hij naar zijn vader vraagt?

Judith. O Mirza! Ik moet sterven en ik wil het. Ha! ik zal door het slapende kamp hollen, ik zal het hoofd van Holofernes in de hoogte houden en mijn moord uitschreeuwen, dat duizenden opspringen en mij in stukken scheuren! (zij wil gaan).

Mirza (kalm). Dan verscheuren ze mij ook.

Judith (blijft staan). Wat moet ik doen? Mijn hersens lossen op tot rook, mijn hart is één doodwond. En toch kan ik aan niets denken dan aan mezelf. O dat dit toch anders was! Ik voel mij als een oog dat naar binnen gericht is. En terwijl ik mij zoo scherp bekijk, wordt ik kleiner, steeds maar kleiner, nog kleiner... ik moet ophouden of ik zal in niets verdwijnen.

Mirza (luisterend). God! men komt!

Judith (verward). Kalm, kalm. Er kan niemand komen. Ik heb de wereld in het hart gestoken. (lachend) En ik trof haar goed. Moet ze blijven bestaan? Wat God er wel van zeggen zal als hij morgen vroeg naar omlaag kijkt en ziet dat de zon niet meer gaan kan en dat de sterren lam geworden zijn! Of hij mij wel straffen zal? O neen, ik ben immers de eenige die nog leeft? Waar zou dan nieuw leven vandaan komen? Hoe zou hij mij kùnnen dooden?

Mirza. Judith!

Judith. Au! mijn naam doet mij pijn!

Mirza. Judith!

Judith (als wrevelig). Laat mij slapen; droomen zijn droomen! Is 't niet belachelijk? Ik zou kunnen weenen als er maar iemand was die mij zeide waarom.

Mirza. Het is met haar gedaan... Judith, je bent een kìnd.

Judith. Ja ja, goddank! Verbeeld je, dat wist ik niet meer, ik had me echt in de verstandigheid ingespeeld; als in een kerker, en ze was achter mij dicht gevallen; vreeselijk, dicht als een bronzen deur. (lachend) Niet waar? morgen ben ik nog niet oud en overmorgen ook nog niet. Kom, laten we weer wat gaan spelen, maar iets beters. Daareven was ik een slechte vrouw, die iemand had omgebracht. Hu! Zeg maar wat ik nu zijn moet.

Mirza (afgewend). God, ze wordt krankzinnig!

Judith. Zeg me wat ik zijn moet! Gauw, gauw! Anders wordt ik weer wat ik was.

Mirza (op Holofernes wijzend). Kijk!

Judith. Denk je dat ik het niet meer weet? O zeker, zeker! Ik bedel immers maar om den waanzin; maar het schemert alleen zoo hier en daar een beetje in me, donker wordt het niet. In mijn hoofd zijn duizend molsgangen, maar zij zijn allen te klein voor mijn groote, logge verstand, het probeert vergeefs er in te kruipen.

Mirza (in hoogsten angst). De morgen is niet ver meer; ze zullen mij en u doodmartelen als ze ons hier vinden, ze zullen ons lid na lid uitrukken.

Judith. Geloof je werkelijk dat men sterven kan? Ik weet wel dat allen dat gelooven en dat men het moet gelooven. Vroeger geloofde ik het ook, nù lijkt de dood mij een onding, een onmogelijkheid. Sterven! Ah! wat nu in mij knaagt, zal eeuwig in mij knagen; dat is niet als kiespijn of koorts, het is één met mijzelf en het is genoeg voor altijd. O, men léért iets in smart. (op Holofernes wijzend) Ook die is niet dood. Wie weet of niet hìj het is die mij dit alles zegt, of hij zich niet daardoor op mij wreekt, dat hij mijn gruwenden geest het geheim zijner onsterfelijkheid openbaart.

Mirza. Judith, heb medelijden, ga mee!

Judith. Ja, ja... ik smeek je, Mirza, zeg mij maar telkens wat ik doen moet, ik heb zoo'n angst er voor zelf nog iets te doen.

Mirza. Volg mij dan.

Judith. Ach... maar je moet het belangrijkste niet vergeten. Steek het hoofd in dien zak daar, dat laat ik hier niet achter. Je wilt niet? Dan verzet ik geen voet! (Mirza gehoorzaamt met afschuw) Kijk, dat hoofd is mijn eigendom, dat moet ik meebrengen, opdat men het in Bethulië geloove dat ik... Wee, wee! men zal mij roemen en prijzen wanneer ik het vertel. En nog eens wee!... het is me als had ik ook dááraan tevoren gedacht.

Mirza (wil gaan). Nu?

Judith. Het wordt licht in me. Mirza, luister, ik zal zeggen dat jij het gedaan hebt.

Mirza. Ik?

Judith. Ja Mirza, ik zal zeggen dat op het beslissend oogenblik de moed mij ontzonken was, maar dat de geest des Heeren over jou gekomen is en dat jij je volk van zijn grooten vijand hebt verlost. Dan zal men mij verachten als een werktuig dat de Heer heeft verworpen en jouw deel zal eer en lofzang zijn in Israël.

Mirza. Nooit.

Judith. O, je hebt gelijk! Het was een lafheid. Hun gejubel, de klank hunner cymbalen, het gedreun hunner pauken zal mij verpletteren en dat zal mijn loon zijn. Kom! (beiden af).


(De stad Bethulië, zooals in het derde bedrijf. Openbaar plein met gezicht op de poort, waarbij wachtposten. Veel volk, liggend en staand in verschillende groepen. Het wordt dag).

(Twee priesters, omringd door een groep vrouwen, moeders enz.).

Een vrouw. Hebt ge ons dan bedrogen, toen ge zeidet dat onze God almachtig is? Is hij als een mensch, dat hij niet kan nakomen wat hij belooft?

Priester. Hij ìs almachtig. Maar gijzelf hebt hem de handen gebonden. Hij kan jelui slechts helpen naarmate ge het verdient.

Vrouwen. Wee, wee! wat zal er met ons gebeuren?

Priester. Ziet achter u, dan weet ge ook wat vóór u staat.

Een moeder. Kan een moeder dan zóó zondigen, dat haar onschuldig kind moet verdorsten? (zij houdt haar kind omhoog).

Priester. De wraak heeft geen grenzen, want ook de zonde heeft er geen.

De moeder. En ik zeg u, priester, dat een moeder niet zoo kan zondigen. In haar schoot kan de Heer, zoo hij toornt, haar kind nog verstikken, maar is het geboren, dan moet het leven. Daarom baren wij, om ons Zelf dubbel te bezitten, opdat wij het in het kind, als het ons rein en heilig toelacht, kunnen liefhebben wanneer wij het in òns moeten haten en verachten.

Priester. Je vleit je. God laat je baren om je in je eigen vleesch en bloed te kastijden, om je nog tot voorbij het graf te kunnen vervolgen.

Tweede priester (tot den eerste). Is er nog niet genoeg vertwijfeling in de stad?

Eerste priester. Wilt ge luieren terwijl ge zaaien moest? Schiet wortel waar de bodem los is.

Moeder. Mijn kind mag niet voor mìj lijden. Hier, neem het. Ik zal mij opsluiten in mijn kamer; ik zal al mijn zonden overdenken en mij voor elke een dubbel zoo groote marteling aandoen; ik zal mijzelf pijnigen tot ik sterf of tot God zelf uit den hemel roept: houdt op!

Tweede priester. Behoud je kind en verzorg het. Dàt wil de Heer, je God.

De moeder (drukt het aan haar borst). Ja, ik zal het zóó lang aanzien tot het bleek wordt, tot zijn kreunen stikt in zichzelf en zijn adem ophoudt; geen oog zal ik van hem afwenden, zelfs dan niet als de foltering zijn kinderlijk oog vóór den tijd wijs maakt en een afgrond van ellende er mij uit tegen huivert. Ik zal het doen, om te boeten zooals nog niemand boette. Maar wat, zoo het nòg wijzer wordt en naar omhoog ziet en de vuistjes balt?

Eerste priester. Dan zult ge zijn handen vouwen en met sidderen erkennen dat ook een kind in opstand kan komen tegen God.

De moeder. Mozes' staf sloeg op een rots en een koele bron sprong te voorschijn. Dat was een rots! (slaat zich op de borst) Vervloekte borst, wat ben jij? Van binnen dringt de gloeiendste liefde, van buiten drukken je heete, onschuldige lippen, maar toch geef je geen druppel! Doe het, doe het! Zuig me alle aderen uit en geef het wurm nog één keer te drinken!

Tweede priester (tot den eerste). Ontroert u dit niet?

Eerste priester. Zeker. Maar ik zie in die ontroering altijd slechts een verleiding tot ontrouw aan mijzelf en onderdruk haar. Bij u lost de man zich op in water; ge kunt hem opvangen in uw zakdoek of er viooltjes mee laven.

Tweede priester. Tranen, waarvan men zelf niets weet, zijn geoorloofd.

Een andere vrouw (op de moeder wijzend). Hebt ge geen troost voor haar?

Eerste priester (koud). Neen.

De vrouw. Dan woont uw God nergens dan op uw lippen!

Eerste priester. Dit woord alleen verdient dat Bethulië in Holofernes' handen valt. Op jouw ziel wentel ik den ondergang der stad. Je vraagt waarom zìj lijdt? Omdat jìj haar zuster bent. (zij gaan voorbij).

(Twee burgers die het tooneel aanzagen, komen naar voren).

Eerste burger. Door mijn eigen leed heen voel ik het leed van deze vrouw. Het is ontzettend.

Tweede burger. Het is het ontzettendste nog niet. Dat begint eerst, als die moeder op het denkbeeld komt dat ze haar kind kan opeten! (Hij slaat zich voor het hoofd) Ik ben bang dat mìjn vrouw dit al bedacht heeft.

Eerste burger. Je raast!

Tweede burger. Om haar niet te moeten doodslaan, ben ik uit huis gevlucht. Lieg niet! Ik holde weg, omdat ik gruwde van de onmenschelijke spijs, waarnaar zij begeerig scheen en omdat ik tòch vreesde dat ik zou kunnen mee-eten. Ons zoontje lag op sterven, zij, in vreeselijke smart, was op den grond neergevallen. Plotseling stond zij op en zei, zacht, heel zacht: „is 't dan een òngeluk dat de jongen sterft?” Daarna boog ze zich over hem en mompelde, als wrevelig: „Er is nog leven in hem”. 't Werd mij gruwelijk duidelijk: ze zag in haar kind alleen nog maar een stuk vleesch.

Eerste burger. Ik zou je vrouw zòò kunnen gaan neersteken, al is ze mijn eigen zuster.

Tweede burger. Je zoudt te vroeg of te laat komen. Wanneer ze zich niet zelf doodde vòòr ze at, deed ze 't toch zeker nadat ze gegeten had.

Derde burger (er bij komend). Misschien komt nog redding. Heden is 't de dag waarop Judith terug zou komen.

Tweede burger. Nù nog redding? Nu nog? God, God! ik herroep al mijn gebeden. Dat Gij ze zoudt kunnen verhooren nu het te laat is, dat is een gedachte die ik nog niet dacht, die ik niet verdraag. Ik zal U roemen en prijzen als ge Uw oneindigheid òòk kunt openbaren in toenemende ellende, als Ge mijn ontzetten geest buiten zijn grenzen kunt drijven, als Ge mij een gruwel kunt laten zien die mij alle gruwelen die ik tot nu aanschouwde, doet vergeten en bespotten. Maar vervloeken zal ik U, als Ge nù nog tusschen mij en mijn graf treedt, als ik vrouw en kind begraven en met aarde in plaats van met de klei en rotting van mijn eigen lichaam moet bedekken! (gaan voorbij).

Mirza (voor de poort). Doet open, doet open!

Bewakers. Wie daar?

Mirza. Judith is het. Judith, met het hoofd van Holofernes!

Bewakers (roepen, terwijl zij openen, de stad in). Hallo, hallo! Judith is terug!

(Het volk verzamelt zich, ouderlingen en priesters komen. Judith en Mirza treden de poort binnen).

Mirza (werpt het hoofd neer). Kent ge dien?

Volk. Neen, dien kennen wij niet.

Achior (naderbij tredend, valt op de knieën). Groot zijt ge, God van Israël! en er is geen God buiten u! (hij staat op) Dit is het hoofd van Holofernes! (hij grijpt Judith bij de hand) En dit is de hand, waarin hij gegeven werd? Vrouw, het duizelt mij wanneer ik u aanzie!

Ouderlingen. Judith heeft haar volk bevrijd! Haar naam zij geloofd!

Volk (bijeen stroomend). Heil Judith!

Judith. Ja, ik heb den eersten en laatsten man op aarde gedood, opdat gìj (tot een der omstanders) in vrede uw schapen weiden en gij (tot een ander) uw kool planten en gij (tot een derde) uw nering drijven en kinderen die u gelijken, teelen kunt.

Stemmen uit het volk. Op! naar het kamp! Nú zijn ze zonder Heer!

Achior. Wacht nog even. Zij weten nog niet wat vannacht gebeurde. Wacht, tot ze ons zelf het teeken tot den aanval geven. Als we ze hooren schreeuwen, zullen we ze bespringen.

Judith. Ge zijt mij dank schuldig, dank, dien ge mij niet kunt afbetalen met de eerstelingen uwer kudden en tuinen. Ik moest de daad doen, aan ù is het haar te rechtvaardigen! Wordt heilig en rein, dan kan ik haar verantwoorden. (Men hoort een wild verward getier).

Achior. Hoort! nu is het tijd!

Een priester (op het hoofd wijzend). Steekt het op een spiets en draagt het vooraan!

Judith (zich voor het hoofd plaatsend). Dit hoofd moet dadelijk begraven worden!