WeRead Powered by ReaderPub
Kabouters in het Bosch cover

Kabouters in het Bosch

Chapter 11: Schipper Troll.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een serie sprookjesachtige vertellingen over kleine kabouters die in het bos wonen en met zorg, vindingrijkheid en soms angst reageren op dieren, mensen en veranderende natuur. Avonturen volgen kabouters zoals Kobold en Gnoom wanneer ze gewonde dieren verzorgen, kinderen ontmoeten en confrontaties meemaken met brutale jagers, spoorwegen en houtkap. De verhalen combineren tedere verzorging en praktische, bijna-magische oplossingen met eenvoudige moraal over goedheid tegenover wreedheid, en schetsen in korte episodes het alledaagse leven en de verbeelding van bosbewoners.








De Kabouters en de City-bag.


De lente was in 't Bosch gekomen met heerlijk weer en jong groen. Alles leefde weer op. De vogels waren luidruchtig en alle dieren hadden het druk. Zelfs de dieren, die zich den heelen langen winter verstopt hadden, waren weer voor den dag gekomen.

Kobold en Gnoom hadden de lente ook gevoeld en hadden pret in al dat nieuw ontwakende leven. Ze wandelden samen op hun zachte pantoffeltjes over het opveerende mos en bekeken de uitbottende knoppen en fluweelige blaadjes aan struiken en boomen, mooi afstekend tegen de dennenaalden, die het den heelen barren winter hadden moeten uithouden.

Alle dieren, die zij tegenkwamen, groetten ze vroolijk en aan de winterslapers vroegen ze schertsend of 't geen toer was geweest zoo'n maand of wat te dutten. Ze wisten wel, dat die langslapers van het bosch nog zoo dom niet waren.

"Zullen we eens aan de beek gaan kijken?" stelde Kobold voor.

"Mij goed," zei Gnoom, "ik wil de kikkers wel eens zien."

"En ik ben nieuwsgierig naar m'n bloemetjes," voegde Kobold er bij.

Ze gingen den kant op, waar de beek stroomde. Ze hadden geen haast en drentelden heuveltje op en heuveltje af, overal staan blijvend om te kijken, te ruiken en te luisteren. Ze hadden niemendal te doen en hadden 't toch zoo druk, dat ze haast geen tijd hadden om vooruit te komen. Ze waren nog lang niet aan de beek, toen Gnoom zei:

"Ik ben warempel nu al moe. Ik moet eens even rusten, Kobold. Zullen we 'n oogenblikje op die stronk gaan zitten?"

"Zooals je wilt," zei Kobold. "Maar ik ga in 't mos liggen."

Toen Gnoom op den afgezaagden boomstomp zat, zei Kobold:

"De menschen hebben voor 'n mooi bankje gezorgd, Gnoom, doch ik wou liever, dat ze onze boomen ongemoeid lieten. Als ik die houthakkers bezig hoor, zou ik wel kunnen huilen, en jij?"

"Ik loop hard weg, wanneer ik die groote kerels met hun bijlen en zagen maar zie aankomen," antwoordde Gnoom.

"Kijk eens, ze zijn van den winter hier ook weer bezig geweest. Eén, twee, drie, vier vijf dikke boomen hebben ze meegenomen."

"Ja," zuchtte Kobold, "'t is erg. Maar hier laten ze gelukkig genoeg staan. Dit bosch blijft. Weet je nog, dat we jaren geleden hierheen verhuisd zijn, omdat de menschen ons heele bosch hadden omgehakt? Al onze mooie boomen vielen onder hun bijlen en nu groeit er koren, geloof ik."

"De menschen zijn de baas, Kobold, wat zij willen dat gebeurt."

"Precies," zei Kobold. "En je moet ook niet vergeten, dat de menschen niet zooals wij in 'n bosch leven kunnen. 'n Enkele, zooals de boschwachter, dat gaat, maar die moet z'n voedsel toch nog ergens anders vandaan halen."

"Laten we nu maar opstappen en naar de beek gaan," zei Gnoom. "Ik ben weer heelemaal uitgerust. Met dat praten over de menschen raak je je vroolijkheid maar kwijt en daar is 't veel te mooi weer voor. Hoor je dien koekoek? Die heeft er ook zin in vandaag. Hij is al wel vijf minuten aan het koekoeken."

"En kijk eens," riep Kobold, "daar zit baas Specht met z'n vrouw te kloppen. Hé, Specht, goeien morgen, hoe heb jij 't met het mooie weer?"

"'k Heb geen tijd om te praten," riep de specht terug. "We moeten nog een gat hakken voor ons nest."

"Maar je hadt toch 'n flinke woning hier in de buurt, verleden jaar?" vroeg Gnoom.

"Jawel," schreeuwde nu vrouw Specht, "hier vlak bij. Maar ze hebben van den winter den boom omgehakt."

Klop, klop, klop gingen de bekken der spechten weer en de kabouters wandelden verder.

"Ik ben blij, dat ik geen specht ben," lachte Kobold. "Zoo'n gat in 'n boom hakken lijkt me 'n lastig werkje, zoo zonder gereedschap."

"Zonder gereedschap? Neen maar, hoe kom je dààr bij? Wou je nog mooier beitel hebben, dan zoo'n spechtensnavel? Ik wed dat de specht het vlugger doet, dan 'n timmerman!"

"Je hebt gelijk," zei Kobold. "'t Was dom van me."

"Zeg eens Kobold," zei Gnoom na 'n poosje, "we komen zoo nooit bij de beek. We loopen verkeerd."

"Dat zie ik ook," zei Kobold. "Maar dat is niemendal. Wij zijn hier vlak bij den plas. Daar is 't ook mooi, en naar de beek kunnen we morgen nog wel gaan."

"Ook goed. Ik vind het bij den plas nog wel zoo prettig," zei Gnoom. "Je kunt zoo'n eind over 't water kijken, dat net voor je ligt als 'n spiegel en aan den overkant zie je heel ver weg de boomen. En dan in 't midden het eilandje met al dat riet er om. Ik zou wel eens op dat eilandje willen kijken. Ben jij er wel eens geweest?"

"Ik wel," zei Kobold. "Maar 't is lang geleden. Op 'n boomstam ben ik er heen gevaren."

"Op 'n boomstam!" gaapte Gnoom. "Hoe durfde je! Kunnen we dat niet nog eens doen?"

"Als er maar 'n boom in 't water ligt," zei Kobold, "dan met alle plezier." Doch toen ze bij den plas kwamen lag er geen boomstam in 't water, hoe ze ook tusschen 't riet zochten, wat 'n heel erg gevaarlijk werk voor de kleine kabouters was, want zonder dat ze er erg in hadden stapten ze soms in 't nat. Maar ze hadden toch schik, want 't was o zoo mooi bij den plas. Tusschen de gele rietstengels, die hard en droog geknakt en verwaaid den heelen winter waren blijven staan, wuifden nu weer de groene biezen en riethalmen. De plompeblaren dreven al hier en daar boven als groene schuitjes en andere, die 't nog niet zoover gebracht hadden, kwamen met 'n randje boven 't watervlak uit. Er stond vlak bij de kabouters 'n reiger met z'n lange beenen in het water, alsof hij over iets stond na te denken, en tusschen het riet zwommen vlugge waterhoentjes met kleine donkere kuikentjes. En de zon scheen over de boomen van het bosch heen en spiegelde zich in het stille water, zoodat er twee zonnetjes waren.

De kabouters vonden het prachtig bij den plas. Ze raakten niet uitgekeken. Telkens wezen ze elkaar weer wat anders, dat ze nog niet opgemerkt hadden. Tot eindelijk Gnoom riep:

"Daar komt me zoo waar Troll ook aan!"

"Wat zeg je," riep Kobold, "Troll? Waar dan?"

"Wel daar, recht voor je, tusschen de boomen."

"Heb je ooit," prevelde Kobold verwonderd, "waar zou die zoo lang gezeten hebben? Den heelen winter heb ik niets van hem gezien of gehoord. Jij?"

"Ik ook niet," zei Gnoom. "Kijk, hij komt regelrecht op ons af. Hij heeft ons zeker gezien, Kobold, kan jij zien wat hij in z'n hand heeft?"

"Ik niet," zei Kobold. "Ik kan er niets van maken. Wat zou 't zijn?"

"Ik word nieuwsgierig," zei Gnoom "Ga je mee?"

Ze gingen met hun beiden den ander te gemoet en waren in 'n wip bij hem. Die ander was ook 'n kabouter en heette Troll, maar den heelen winter was hij zoek geweest en nu stond hij daar opeens weer voor Kobold's en Gnoom's oogen. Ze waren blij, dat ze hun kameraadje weer terugzagen en wel wat nieuwsgierig te vernemen waar hij dien heelen winter gezeten had, maar nog nieuwsgieriger waren ze te weten wat voor 'n ding hij bij zich had. Zoo iets hadden ze nog nooit gezien.

"Goeie morgen," riep Gnoom, "waar kom jij vandaan?"

En Kobold riep: "Dag Troll, hoe maak je het?"

"Dank je, heel goed," zei Troll, "en hoe maken jullie het? Den heelen winter in je holletjes gezeten?"

"Dat kan je begrijpen," zei Gnoom. "We hebben pret genoeg gehad, niet Kobold, met dat opgezette konijntje, hè?"

"Nou," zei Kobold, "of we. En toen 't erg koud was zijn we binnen gebleven, zooals kaboutertjes altijd doen."

"Zoo," kwam Troll, "doen kabouters dat altijd.... Behalve ik, hè? Ik ben op reis geweest."

"Den heelen winter?" vroeg Gnoom ongeloovig. "We dachten, dat je weggekropen was ergens diep onder den grond."

"Heelemaal mis—glad mis," lachte Troll. "Ik heb gedaan net als de menschen en ben ergens geweest waar 't gèèn winter was."

"Wat zèg je?" riepen Kobold en Gnoom te gelijk. "Dat jok je. 't Is overal winter."

"Je hebt geslapen al dien tijd, man," zei Gnoom, "en wat gedroomd en dat speldt je ons nu op de mouw. Loop heen, mannetje, wou jij twee slimme kabouters wat wijs maken?"

"Zoo, en wat is dit dan?" zei Troll triomfantelijk en hij hield hun het vreemde ding onder den neus. "Daaraan kan je zien, dat ik op reis geweest ben, of niet?"

"Dat weet 'k niet," zei Kobold. "Ik kan niks aan 't ding zien. Jij Gnoom?"

"Niemendal," zei Gnoom. "Wat is 't voor 'n ding?"

"Dat is mijn City-bag," antwoordde Troll, met 'n wijs gezicht.

Kobold stipte met z'n vinger op 't geel leeren ding en herhaalde: "Cit-y-bag. Cit-y-bag."

En toen zei Gnoom: "Cit-y-bag, Cit-y-bag. Begrijp jij er wat van, Kobold?"

"Geen steek."

"Ik ook niet. Cit-y-bag zeg je, hè Troll en 't is 'n tasch?"

"Dat is het," riep Kobold. "'t Is 'n tasch en jij zegt.... Wat zei je er ook weer tegen, Troll. Ik ben 't al weer vergeten."

"'t Is ook 'n tasch," zei Troll, "maar 't heet city-bag."

"Da's malligheid," riep Gnoom, "'n tasch is 'n tasch en geen... 'k ben 'n boon als ik 't nog zeggen kan."

"Dat komt," zei Troll, "omdat jullie nooit op reis geweest bent. Tegenwoordig gaat niemand meer uit zonder zoo'n city-bag. Daaraan ziet iedereen dadelijk, dat je op reis bent."

"Wat zit er in?" vroeg Kobold.

"O, van alles," legde Troll uit, "Ik heb er m'n kam in en...."

"En wat nog meer?" vroeg Kobold nieuwsgierig.

"Niks meer," zei Troll, "ik had niets meer om er in te doen."

Kobold rolde in 't gras van 't lachen toen Gnoom zei: "Je hadt er zelf dan nog best bij gekund."

"Och," riep Troll 'n beetje boos, "dat weet ik ook wel. Ik had die kam best in m'n zak kunnen steken, maar op reis hoor je alles in 'n city-bag te doen, al heb je niemendal, dan doe je 't nog in 'n city-bag."

"'t Is mij te geleerd," zei Gnoom. "Ga jullie mee?"

Ze gingen nu met hun drieën terug naar den plas en daar gingen ze in 't mos liggen. Troll was erg moe en viel in slaap. Kobold stootte Gnoom aan en fluisterde: "Zeg Gnoom, geloof jij, dat hij enkel maar 'n kam in die tasch heeft zitten?"

"Ik weet het niet," fluisterde Gnoom terug. "Maar we kunnen eens kijken. Weet jij hoe zoo'n ding opengaat?"

"Ik niet, 't is voor 't eerst van m'n leven, dat ik zoo'n... hoe heet het ook weer, onder de oogen heb. Doch we kunnen 't probeeren."

De twee kabouters gingen nu heel stil aan 't werk. Ze trokken en duwden en werkten zich in 't zweet, doch ze konden de tasch maar niet open krijgen.

"'t Is een raar ding," meende Gnoom, terwijl Kobold nog maar steeds aan 't tobben was. "Schei maar uit, Kobold, je krijgt 't toch niet open."

"Ik niet!" zei Kobold, "'t moèt open—al-zou-ik-het-heele-ding-stuk trekken.... Dààr! 't Is al open!"

"Hè!" riep Gnoom "eindelijk! Hoe deê je dat?"

"Dat weet ik niet," fluisterde Kobold. "Het ging geloof ik vanzelf. Mooi van binnen, hè? Voel eens met je hand. O, hier heb ik de kam."

"Willen we Troll eens bij den neus nemen?" zei Gnoom. "Dan moet jij de kam in je zak steken en dan doen wij 'n grooten kikker in den tasch."

"Da's goed," lachte Kobold. "Laten we dan gauw 'n kikker gaan vangen."

"Zou Troll niet wakker worden?"

"Wel neen, hij slaapt als 'n stekelvarken. Kom, we moeten 'n heele groote zien te krijgen."

Ze gingen nu samen op de kikkerjacht. Er zwommen bazen van kikkers in den plas en nu loerden de twee kabouters of er niet zoo'n dikkert in 't gras zat. Eindelijk zagen ze er een en ze joegen hem op, van 't water vandaan. 't Was 'n heele toer om 'm te pakken te krijgen. Telkens ontglipte de groenrok. Hij deed sprongen zoo groot, dat de kaboutertjes hem bijna niet konden bijhouden. Doch eindelijk hadden ze hem en hielden hem nu stevig met hun tweeën vast; hij was zoo glibberig en zoo sterk en hun handjes waren maar klein!

Troll sliep nog lekker en ze hadden tijd genoeg om den kikker in de City-bag te doen. Dat ging nog niet zoo gemakkelijk. Kobold wist niet goed meer hoe 't ding openging en Gnoom kon hem niet helpen, want die had tobberij genoeg met z'n kikker. Doch eindelijk was de tasch weer open en de kikker ging er in. Kobold en Gnoom deden nu net of ze sliepen, om Troll geen argwaan te geven bij z'n ontwaken. Ze vonden 't wel wat vervelend zoo zonder praten te blijven liggen, en 't duurde nog al lang ook. Maar 't kon niet anders, wilden ze hun plannetjes niet laten mislukken. Er verliep zeker nog wel 'n uur voor Troll wakker werd. Eerst geeuwde hij 'n paar keer en ging recht op zitten. Daarna riep hij: "Hè, hè, daar ben ik eens heerlijk van opgefrischt. Hé, Kobold, Gnoom, slaapmutsen, wordt eens wakker!"

Kobold bromde maar wat en Gnoom zei nijdig: "Hou je mond toch, ik kan niet slapen."

Maar ze hadden moeite genoeg om zich goed te houden. Na 'n kort poosje had Kobold er genoeg van. Hij sprong overeind en riep: "Hoelang heb ik wel geslapen? Gnoom, kerel, vooruit, luilak. Je slaapt nog langer dan Troll en die is nog wel op reis geweest."

Nu werd Gnoom toch ook wakker. "Wat zeg je?" riep hij, "Troll? Wat is er met Troll?"

"Och, je slaapt nog," zei Kobold. "D'r is niemendal met Troll. Kom sta maar op, ik wou naar huis."

Troll nam deftig z'n City-bag op. De twee andere kabouters vonden dat het nu tijd was om hun plannetje ten uitvoer te brengen. Kobold stiet Gnoom aan en zei met 'n strak gezicht:

"Je moest ons eerst eens in dat ding laten kijken, Troll."

"Ja," zei Kobold, "dat mocht je voor 'n paar oude vrienden wel over hebben."

"En ik heb jullie gezegd, dat er niets in zit, dan 'n kam!" riep Troll.

"Dat kan je ons wel wijs maken," zei Kobold. "Wat zeg jij Gnoom?"

"Nou, dat vind ik ook!" meende deze.

Troll smeet z'n City-bag nijdig neer en riep: "Daar dan, kijk zelf. Ik vind het lang niet mooi, dat je me niet vertrouwt. Vroeger geloofde jullie me altijd op m'n woord."

Kobold en Gnoom deden maar net of ze van Troll's woorden niemendal hoorden. Ze knielden bij den tasch en rukten en plukten en trokken en duwden, maar waren wel zoo wijs, dat ze de tasch niet openmaakten.

"Je kan er niks van," riep Gnoom, "Laat mij 't maar alleen probeeren." Kobold stond op en liet Gnoom z'n gang gaan. Tegen Troll zei hij: "'n Raar ding hoor! Ik heb het er niet op begrepen."

Gnoom peuterde ook nog 'n poosje, maar gaf toen 'n nijdigen schop tegen de tasch: "Is dàt 'n ding," riep hij, "'t kan niet eens open!"

Troll had schik over z'n domme kameraadjes. Hij ging op den grond zitten en nam de tasch voor zich. "Kijk," zei hij, "domooren, 't is heel eenvoudig, zoo gaat hij open."

De tasch was nog niet heelemaal geopend of daar wipte de kikker met 'n geweldigen sprong uit z'n gevangenis, vlak langs Troll's neus. Troll viel van verbazing en schrik languit op z'n rug en Kobold en Gnoom schreeuwden, alsof ze zich halfdood geschrikt hadden.

"Gooi weg dat ding!" riep Gnoom. "'t Is behekst. Gooi weg."

Troll, 'n beetje bekomen, keek in de tasch naar z'n kam, maar die was er niet. "Ik begrijp er niemendal van," zei hij. "Ik heb er m n kam in gedaan en nu springt er 'n groote kikker uit!" Hij greep de tasch, waarop hij zoo hoovaardig was geweest en smeet die in den plas.

"Wat doe je nou?" vroeg Kobold, "dien kikker hebben wij er in gedaan. Hier is je kam."

En Gnoom zei: "Je moet nòg eens op reis gaan, om slim te worden Troll!"

Troll zei niets, maar keek naar den plas, waar z'n mooie City-bag tusschen 't riet lag.










Schipper Troll.


Op zekeren dag kwamen Kobold en Gnoom hun vriend Troll tegen. Hij scheen bijzonder in zijn humeur en dat vonden Kobold en Gnoom erg pleizierig, want van booze Kabouters hielden ze niet.

"Waar gaan jullie naar toe?" vroeg Troll.

"We gaan eens kijken of er geen boom in den plas ligt," zei Gnoom. "Ik wou zoo graag eens op dat eiland gaan kijken."

Troll begon te lachen en zei: "Dat kan je heel gemakkelijk en je hebt er geen boom voor noodig. Ga maar mee."

"Hoe dan?" vroegen ze nieuwsgierig.

"Heel eenvoudig; d'r ligt 'n schuit op den plas."

"'n Schuit?" riep Gnoom.

"Ja zeker 'n schuit, ik heb 't gezien toen ik er voorbij kwam, vóór ik jullie ontmoette van de week."

"En kunnen we daarin overvaren met z'n drieën?"

"D'r kunnen wel honderd kabouters in," zei Troll. "Je moet niet vergeten dat 't 'n boot is waar zeker wel vijf menschen in kunnen zitten, misschien nog wel meer."

"'n Schuit op den plas," zei Kobold ongeloovig. "Zoo oud als ik ben heb ik er nog nooit zoo'n ding op gezien. Hoe kan dat nu? Die plas heeft nergens 'n uitgang, hoe kan je daar dan met 'n schuit in komen?"

"Ho, ho," riep Gnoom, "de menschen zijn sterk hoor. Met 'n paar man dragen ze gemakkelijk zoo'n bootje. Of anders op 'n wagen. Neen dàt kan best."

"Maar wat zouen ze met 'n boot op den plas?" zei Kobold weer.

"Wel, visschen," meende Gnoom, "of voor hun pleizier varen... of misschien waren ze wel nieuwsgierig naar het eiland!"

"In ieder geval," zei Troll, "de boot is er. "Hoe die er gekomen is kan ons niet schelen hé?"

"Troll heeft gelijk, riep Gnoom, voor mijn part was ie uit de lucht komen vallen."

"Maar," begon Kobold weer, "kunnen wij zoo'n groot schip hanteeren? Troll zegt er kunnen wel honderd kabouters in...."

"Nou, honderd... da's misschien wat veel," zei Troll, "laten we zeggen vijftig."

"Vijftig dan," zei Kobold. "Ik heb nooit gevaren, jij wel Gnoom?"

"Ik! Neen hoor, ik ben altijd een beetje bang voor 't water geweest. Kaboutertjes zijn nu eenmaal geen zeelui."

"Als we eens omsloegen," sprak Kobold verder. "Er is nog al veel wind. Kan je zwemmen Gnoom?"

"Zwemmen? Ben je mal. Ik ben geen eendvogel. Wat denk je wel van me?"

"Ik wou alleen maar zeggen, dat ie dan verdrinkt als we omslaan."

"Precies, als we," zei nu Troll. "Maar we slaan heel niet om, dat weet ik vast. Die boot is geen notedop, lang niet. En de wind komt ons juist van pas, we behoeven nu zelf niets te doen. De wind brengt ons op 't eiland."

"Hoera!" riep Gnoom. "Die Troll is 'n matroos geloof ik. Kom, vooruit naar de boot!"

Troll lachte weer en Kobold schudde z'n hoofd. Maar Gnoom werd kwaad toen ie Kobold dat zag doen. "Krabbel jij terug," smaalde hij. "Dan gaan wij alleen Troll. En diè zegt nog wel, dat ie op 'n boomstam overgevaren is en hij durft het niet in 'n schip! Je bent ook al geen held, hoor!"

"Beter bloode Jan, dan doode Jan," zei Kobold. "Maar als jij 't er nu eenmaal op gezet hebt te gaan varen in die schuit, dan laat ik je niet in den steek."

"Da's betere praat," riep Gnoom. "Vooruit, jongens! Dat kan een mooie dag worden!"

Ze stapten nu vlug door 't bosch en namen natuurlijk den kortsten weg naar den plas. Troll liep vooruit. Die scheen ook haast te hebben.

Ze moesten langs den oever van den plas loopen naar de overzijde en daar lag werkelijk een boot tusschen 't riet te schommelen, want de plas was erg onstuimig door den fellen wind. De boot was met 'n touw vastgemaakt aan 'n boom dicht bij den oever.

"Zie je nu wel Kobold, dat Troll gelijk had?" zei Gnoom erg in z'n schik. "Wat 'n prachtig schip! Ik kan er niet eens inkijken, zoo hoog steekt het boven 't water uit. Nu, maar dààrin zullen we niet verdrinken."

"Dat denk ik ook niet," zei Kobold ernstig, "maar misschien wel in den plas. Kijk het eens golven!"

Troll had de boot losgemaakt en trok haar naar den kant. Hij gaf het touw aan Gnoom en klom zelf in de boot. "Kom maar," riep hij, "ik ben er al."

Kobold en Gnoom deden nu ook net als Troll, en Gnoom sprong als 'n dolleman in 't rond, terwijl Kobold bedachtzaam de boot inspecteerde. Alles bekeek hij. Er waren twee bakjes midden en een voor en achter. Deze konden opgetild worden en dat deed Kobold.

Onder de bankjes was ruimte om wat in te bergen. De boot was 'n groote roeiboot met 'n vierkant gat in 't voorste middenbankje, om er 'n mast in te kunnen zetten voor 't zeil. Maar de mast en 't zeil waren er niet, evenmin als roeiriemen, doch er lag 'n soort vaarstok op den bodem.

Deze stok trachtte Troll alleen te hanteeren om van wal te steken. Dat lukte evenwel niet, de stok was voor één kaboutertje te zwaar. Gnoom hielp. Nu duwden ze met al hun kracht en brachten de boot uit het riet. 't Water was niet erg diep.

Ze bleven dus maar aan den gang met hun vaarstok. Kobold zat aan 't roer. In 't open water begon de boot te dansen op de schommelende golven en de kabouters waren geen erge waterrotten; ze vonden dat gehobbel niet zoo heel pleizierig. Kobold keek aldoor maar ernstig, die leek wel 't bangste van allemaal. Gnoom dacht aan z'n eiland en wilde niet bang zijn. Troll grinnikte soms van pleizier en dan keek Kobold een beetje verwonderd naar hem. Toen ze een eindje geboomd hadden kwam de wind hen helpen en nu ging 't wat vlugger. 't Ging gelukkig zonder ongevallen en toen ze eindelijk bij 't eiland aanlegden, zei Troll: "Zie je nu Kobold, dat het best gaat!"

"Maar hoe gaan we terug," vroeg Gnoom. "We varen aan den anderen kant van 't eiland af en dan helpt de wind ons weer naar den oever."

"En dan moet de eigenaar van de boot, zeker maar eens daar gaan zoeken als ie z'n vaartuig noodig heeft, zei Kobold. Of stuur je 'm 'n boodschap dat z'n schuit naar de overzijde van den plas is verhuisd?"

"Jij met je eigenaar," riep Troll uit z'n humeur. "Wat kan ons dien vent schelen? Kom, laten we eerst de boot maar naar de andere zij van 't eiland brengen. Kijk dat doen we zoo."

Hij wierp den zwaren vaarstok in de boot en ging op 'n bankje zitten aan den kant van 't schuitje. Hij greep nu telkens 'n overhangenden tak en trok 't scheepje vooruit. Gnoom had wel uit 't schuitje willen springen om maar op het eiland te kunnen zijn. Hem beviel dat varen naar den anderen kant niemendal.

"Hè, laten we dat maar doen, als we weg gaan," zei hij spijtig.

"Neen," zei Troll. "We moeten nu naar den anderen kant."

"Waarom kan dat zoo meteen niet?" vroeg Kobold. "Je ziet toch dat Gnoom van nieuwsgierigheid bijna uit de boot rolt!"

"Omdat...," zei Troll, alsof hij niet goed wist, wat hij zeggen zou, "omdat... we misschien te moe zijn, als we op dat eiland hebben rondgedoold."

"Nu goed dan!" zei Gnoom. "Eerst maar naar den anderen kant. Maar dan blijven we ook zooveel te langer hoor!"

"Je kan zoo lang blijven als je verkiest," mompelde Troll.

Kobold zei niets, maar begon evenals de anderen ijverig mee te trekken. 't Ging nu vlug vooruit soms tusschen 't riet en soms in open water en ze kwamen na 'n half uurtje goed en wel aan den anderen kant. Hier maakten ze de boot met het touw aan een boom vast.

"Ik heb een beding," zei Kobold: "We blijven bij elkaar."

"Waarom?" vroeg Troll. "Zóó groot is 't eiland niet en we weten alle drie waar onze boot ligt, zou ik denken. Wat jij, Gnoom?"

"Ik ben voor bij elkaar te blijven," zei Gnoom.

"De meeste stemmen gelden," sprak Kobold snel. "Dat is dus afgesproken."

"Voor mijn part!" bromde Troll en hij lachte stilletjes, doch dat zag Kobold net.

Nu begon een prettige tocht naar 't eilandje. Gnoom was in de wolken. Zoo'n echt wild bosch, als het daar was! Dikke boomen, waar de wilde klimop tegen opgekropen was tot in den top en dichte struiken, waar je haast niet door kon komen van al de prikkels. En dan ineens weer 'n open plek met 'n paar zware eiken, die daar stonden als koningen, niets in hun nabijheid duldend, dan wat nederig bij den grond bleef.

Gnoom werd telkens knorrig op Kobold, die hem aan z'n mouw trok en aanmaande om door te loopen. Kobold zei niet veel, maar hij lette op Troll, die erg veel lust scheen te hebben in de struiken te kruipen. Waar Troll heenging volgde Kobold en die zorgde er wel voor dat Gnoom bij hem bleef. Zoo ging het misschien 'n uur achter elkaar tot Kobold opeens bleef staan en tegen Gnoom zei: "Weet jij waar Troll is?"

"Troll!" zei Gnoom, "wel die was 'n poosje geleden nog daar voor ons."

"Ja, dat was een kwartier geleden," zei Kobold. "Hij heeft zich niet aan de afspraak gehouden."

"Och," zei Gnoom, "is dat nu zoo erg? We zullen hem wel weer bij de boot vinden tegen den avond als we teruggaan?"

"Als we zoolang wachten, dan is er heelemaal geen boot meer," zei Kobold.

"Heelemaal—geen—boot—meer?" riep Gnoom met 'n heel verbaasd gezicht. "Wat bedoel je daarmee?"

"Daar bedoel ik mee," zei Kobold, "dat Troll van plan is alleen met de boot weg te varen en ons hier te laten zitten, op het eiland, waar we natuurlijk in wie weet hoe langen tijd niet vandaan kunnen."

"Wat zeg je?" gaapte Gnoom. "Is hij dat van plan? Maar hoe weetje dat?"

"O," antwoordde Kobold, "dat zal ik je wel even uitleggen. Maar we kunnen onderhand wel teruggaan naar de boot. Misschien zijn we hem wel voor.... Weet je waarom hij de boot niet aan den anderen kant wilde laten liggen tot vanavond? Neen hè? Nu dat deed hij, omdat het voor hem alleen te moeilijk was de boot daarheen te brengen en hij toch onmogelijk met de boot kon vertrekken aan den windkant. Nu kan mijnheer heengaan wanneer het hem belieft, begrijp je? Ik heb hem den heelen dag al zien grinniken, 'n poosje geleden nog, toen ik bedong, dat we bij elkaar zouden blijven."

"Da's waar ook," zei Gnoom, "hij wou, dat we niet bij elkaar zouden blijven."

"Laten we maar wat doorloopen," zei Kobold. "anders is hij misschien al weg."

"Dan moet hij toch vlug zijn," meende Gnoom.

'n Poosje later bereikten ze den oever en vonden daar de boot in denzelfden toestand en er was geen Troll te zien.

Gnoom keek Kobold eens aan en zei: "Had je 't misschien mis, vriendje. 't Is gemakkelijk genoeg iemand van iets kwaads te verdenken."

"Ik hoop het," zei Kobold. "Maar we zullen de proef nemen. Kijk eens hier in de boot."

Ze klommen nu allebei in 't schuitje, en toen ging Kobold voort. "Hier voor, onder die bank is een kistje, daar kruip jij in. Daar is ruimte genoeg voor jou en lucht ook, want er zijn in het plankje twee gaatjes, die de menschen gebruiken om er hun vingers in te plaatsen als ze het plankje willen optillen."

"En jij?" vroeg Gnoom.

"Ik kruip in 't hoekje onder 't achterste bankje bij 't roer. Als Troll komt en hij wacht, dan heb ik ongelijk—en als hij alleen afvaart, dan neemt hij ons toch mee, al is het tegen z'n wil."

"Kobold, je bent de slimste kabouter dien ik ooit gezien heb. Ik kruip al weg."

'n Ogenblik later was Kobold ook in z'n hokje.

'n Poosje was het doodstil, maar toen hóorden de twee verstopte kabouters 'n gekraak van takken en 'n bons in de boot. Vervolgens hoorden ze plassen in 't water en 'n geschuur langs den kant van 't schuitje, zoodat Kobold en Gnoom begrepen, dat Troll was weggevaren, zonder op hen te wachten.

Gnoom was woedend over dat verraad en had wel te voorschijn willen springen om maar dadelijk met Troll af te rekenen. Maar hij bedacht, dat die slimme Kobold waarschijnlijk wel 'n plannetje zou hebben. Hij besloot dus maar te blijven zitten tot Kobold hem kwam roepen. 't Duurde erg lang, die overtocht. De plas was daar nog al breed en schipper Troll had alléén 'n verbazende toer met z'n zwaren vaarstok. De wind hielp wel 'n beetje, maar vlak onder het eiland was z'n kracht niet heel groot. Toen 't schuitje verder van 't eiland af raakte ging 't beter, maar Troll's tobberij met den vaarstok werd nog grooter, want 't schuitje ging dwars voor den wind liggen. Eindelijk hoorden Kobold en Gnoom 't schuitje weer schuren langs 't riet en daarna 'n bons van den neergeworpen vaarstok. Kobold luisterde scherp en tilde toen het deksel van z'n gevangenis 'n heel klein eindje op. Aan alle kanten zag hij hoog riet en in 't schuitje niemand. Hij kroop voorzichtig uit z'n kistje en sloop naar voren. Snel kwam nu ook Gnoom te voorschijn, en toen fluisterde Kobold hem toe: "Geen leven maken hoor! We zullen de boot door 't riet trekken, naar den kant. Troll heeft de schuit niet eens vastgelegd." Dat deden ze en waren in 'n wip op vasten grond. Op de plek waar ze geland waren stond dicht kreupelhout.

"Da's erg goed getroffen," fluisterde Kobold. "Onze schipper heeft 'n mooi plekje voor ons uitgezocht. We kunnen nu op ons gemak eens rondloeren waar hij gebleven is. Hierheen, Gnoom. Ik geloof, dat ik voetstappen zie. Kijk jij eens."

Gnoom keek en was van dezelfde meening en nu gingen ze omzichtig voorwaarts. Aan den rand van 't kreupelbosch gekomen tuurden ze door de takken en zagen onder 'n boom schipper Troll liggen.

"Hij is zeker moe," zei Kobold.

"Dat denk ik ook," lachte Gnoom. "Hij heeft werk voor drie moeten doen. Wat heb je voor 'n plannetje. Zouden we hem 'n pak slaag geven?"

"Wel neen," zei Kobold. "Als hij slaapt, gaan we naast hem liggen, ieder aan 'n kant en dan zal je zijn gezicht eens zien, als hij wakker wordt."

"Prachtig! prachtig!" fluisterde Gnoom. "Je bent een meester in 't verzinnen van prettige dingen. Da's veel, véél mooier dan 'n pak slaag! Maar hij kan wel zoo lang blijven slapen Kobold!"

"O dan maken we hem wel wakker. Kom nu maar mee. Hij zal nu wel slapen."

Ze liepen heel zachtjes en maakten een omweg, zoodat ze achter Troll kwamen en toen slopen ze op hun tenen naderbij. Troll sliep. Kobold en Gnoom gingen stilletjes naast hem liggen. 'n Minuut of tien hadden ze gelegen, toen Gnoom al begon te wenken aan Kobold dat ie 't tijd vond om Troll wakker te maken. Kobold nam nu een lange grashalm en gaf die aan Gnoom en beduidde hem, dat-ie daarmee Troll maar eens in z'n gezicht moest kittelen. Dat deed Gnoom met het grootste genoegen. Troll voelde er eerst niets van, maar begon langzamerhand allerlei gezichten te trekken en eindelijk aan z'n neus te wrijven, doch Gnoom hield niet op voor Troll met een geeuw wakker werd. Hij wreef z'n oogen uit en deed ze toen zoo wijd open als hij maar kon, want hij zag iets waar hij niemendal van begreep: naast hem lagen Kobold en Gnoom! Hij dacht eerst dat ie droomde, maar bemerkte al heel gauw, dat ie klaar wakker was. Bleek van schrik stotterde hij:

"Hoe—ben—jelui—hier—gekomen?"

"Ja man," zei Gnoom, "da's 'n kunstje, dat moet je van Kobold zien te leeren."

"Je moet de schuit nog op haar plaats brengen," zei Kobold. "We zijn hier gekomen om je dat even te zeggen."

"Dat—kan—ik—niet," kwam bibberend van Troll's lippen. "Die—boot—is zoo—zwaar."

"Wat zwaar!" stoof Gnoom op. "Je kunt alleen over den plas varen, met twee passagiers in je boot en nou wil je beweren, dat-ie te zwaar is met niemand er in? Vooruit, of ik zal 't je leeren!"

"Twee passagiers in de boot," mompelde Troll, "en de boot was leeg!"

Hij zette zoo'n verschrikt gezicht, dat Kobold en Gnoom in lachen uitbarstten en de laatste riep: "Ja Troll, hier staan je passagiers. Ze zaten in je boot terwijl jij dacht, dat ze op 't eiland waren achtergelaten. Knap hé?"