The Project Gutenberg eBook of Kamertjeszonde
Title: Kamertjeszonde
Herinneringen van Alfred Spier
Author: Herman Heijermans
Release date: July 16, 2023 [eBook #71207]
Language: Dutch
Original publication: Netherlands: H.J.W. Becht, 1903
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (Prepared from scans made available by the Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
KAMERTJESZONDE
VAN
ALFRED SPIER
AMSTERDAM
H. J. W. BECHT
1903
[V]
Inleidend woord tot den eersten druk.
Den Heer Koos Habbema.
Amsterdam.
Waarde Heer,
Met verwondering en gedeeltelijke verbazing nam ik nota van uw verzoek om Kamertjeszonde bij het Hollandsch publiek in te leiden. Om het maar in eens te zeggen: schaamteloozer boek ken ik in onze geheele literatuur niet, schaamteloos door de inkleeding, vooral door de moraal. Hoofdstuk XII bijvoorbeeld is vèrregaand onzedelijk. Het spijt mij dat gij uwe talenten verspilt aan een soort realisme dat inderdaad geen realisme is maar een valsch nabootsen der werkelijkheid. Van sommige scènes wàlgde ik, waarde heer, wàlgde ik werkelijk. U laat uw personen om het hardst vloeken, godlasteren, moraal ontkennen—kortom ik vind uw boek een slecht, een verderfelijk boek, waarvan de uitgave bij de wet verboden moest worden. Niet alleen dat uw propaganda van onze samenleving een modern Sodom zou maken (volkomen terecht treedt de Duitsche Keizer op voor godsdienst, huwelijk en familie), maar uw werk als artistieke arbeid lijkt mij geheel waardeloos. Alweer neem ik het straks genoemd hoofdstuk XII dat als los zand aan het voorafgaand hangt. In een goed gecomponeerd boek mogen geen gapingen zijn en het uwe is vol gapingen. De stijl is plat. U schijnt zonderlinge voorliefde voor platheden te hebben. Het verloop van het zoogenaamd verhaal eindigt als een nachtkaars. De behandeling der stof is langdradig, vervelend. Telkens onbezonken meeningen en heethoofdige beweringen. En de verregaande schaamteloosheid! Ja, de schaamteloosheid, mijnheer. Hoe meer ik er over nadenk hoe schaamteloozer ik uw boek vind. U kon toch wel veronderstellen dat de lezing van dit werk voor iemand van mijn positie in zekeren zin een beleediging is? Durft u het uw vader, [VI]uw moeder ter lezing toevertrouwen? Hebt u geen zusters? Vindt u het zelf bij nadenken niet meer dan schaamteloos dat uw „held” spreekt van zijn vrouw, zijn kind? Indien u mij in gemoede vraagt, wàt met het manuscript te doen: verscheurt het, verbrandt de snippers. U is op een geheel verkeerd pad. Zola was dikwijls excessief in zijn realisme, maar in elk geval hééft hij ook boeken geschreven die wij onze dochteren ter lezing kunnen geven en dat is één van zijn verdiensten. Maar in elk geval is Zola’s realisme in de mooie, vloeiende Fransche taal geschreven en kwetst ons minder dan wanneer wij op Hollandsche platheden onthaald worden. De Hollandsche taal leent zich niet tot realisme, hoogstens tot beschaafd realisme van Beets, tot aardig realisme van Van Maurik, tot gezond realisme van Van Looy. Niet gaarne zou ik ook maar één bladzijde van uw realisme in gezelschap van dames voorlezen. Wel foei! Wij behoeven de mesthoopen toch niet op te zoeken! Vindt u een ruzie in een achterbuurt verkwikkelijk genoeg om haar te beschrijven? De Sadduceeën, Farizeeën haatten en belasterden Jezus. Zoo komt het mij voor dat de jongeren in literatuur en in politiek het bestaande haten, belasteren. Nòg eens, geeft dit werk niet uit. U zult er geen pleizier aan beleven. Ik voorspel u slechte recensies of doodzwijgen. Waarom schrijft u geen schetsen en novellen? Die passen toch beter voor iemand van uw opvoeding en ontwikkeling. Het moet uw held slecht gaan in het leven. Iemand die zóó de traditie met voeten treedt en met God èn zijne geboden èn het huisgezin èn het Koningschap spot—wel foei: is het waardig om zulke onzinnige grapjes uit te halen als in hoofdstuk XVIII?—zoo iemand verdient niet beter dan ten onder te gaan. De maatschappij zal in hem niets verliezen. En uzelf wijs ik als ouder man op hetgeen Jezus in de gelijkenis van den verloren zoon leerde—denk eens aan den tijd van uwe catechisatie—, Lukas 15. 11–32, dat God den mensch die door zonde ellendig geworden is, wanneer hij zich bekeert, in genade aanneemt en hoe in de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan echte liefde tot den naaste en niet wraakgeroep als in hoofdstuk XXI gepredikt wordt. Maar ik wijk als ik hierover begin af van mijn oorspronkelijke bedoeling om u te zeggen dat ik dit boek onder geen omstandigheden wil aanprijzen, noch in gunstigen zin inleiden bij het Hollandsch publiek. Wat u in een begeleidend briefje schreef: „dat er geen literatuur meer gemaakt moet worden, dat de wereld beu is van literatuur, dat in dezen tijd van maatschappelijken overgang alleen dàt boek rechten heeft, dat in goeden klank iets te bewèren heeft”, ben ik in het geheel niet met u eens. Integendeel. Geeft [VII]ons liever aangename schetsen tot leering onzer dochteren, schetsen die onze vróúwen kunnen lezen. Wat is hooger, schooner dan het familieleven? Gelooft mij dát is uw richting. U verheugt zich in een rijke fantasie. U heeft talent. Er is nu zulk een verbazend groote produktie van oorspronkelijke literatuur die slecht is, dat wij dubbel behoefte hebben aan een goed opmerker, aan iemand die vooral voor den huiselijken kring werkt. Onder terugzending van het manuscript—tusschen haakjes: het is veel te lang: wie leest zulke langademige romans?— — —
Hoogachtend
Uw dw. dienaar
J. T.
29 December 1896.
Antwoord aan J. T.
te Amsterdam.
WelEd.geb. Heer,
U vindt o.m. dit boek onzedelijk, plat, slecht gecomponeerd, vol gapingen. Ongetwijfeld is het gemis aan beschrijving van de wijze hóé Georgine en Alfred de eerste maal „overspel” pleegden eene gaping. Ohnet, Daudet, Zola, anderen, verkiezen de overbrugging van deze en diergelijke gapingen. Ziedaar o.m. het verschil tusschen deze auteurs en mij (het spijt me dus redeneerend mijn persoontje op den voorgrond te stellen.) Ik heb dezen roman niet geschreven om een publiek bezig te houden, te ontspannen, nòch tot eenigen prikkel van het ploertig zoodje dat realisme gelijk stelt met geslachtsgemeenheid. Dit boek is een simpele smart, een opstand. Het moest zóó geschreven worden, niet anders. Het móést in zijn naaktheid, ruwheid, wildheid afstooten, niet smàkelijk zijn. Phrases zooals genoemde auteurs en hun volgers in alle landen gebruiken, als: „Toen liet zij zich achteroverglijden op de sofa”—of: „toen zij uit hun roes ontwaakten”—of: „toen zij wakker werd, begon zij te weenen”—of: „zij vielen in het gras en de stilte werd alleen verbroken door hun kussen”,—of: „hij bedekte haar mond met gloeiende kussen en zij zakte bedwelmd in zijn armen”—en zoo voort tot in het oneindige, behooren tot een meest verachtelijke, onware methode. Zij spreken met zekere geheimzinnigheid over eene verrichting die niets geheimzinnigs behoorde te hebben, daar de coïtus nòch onschoon, [VIII]nòch gemeen, nòch ont-eerend is. Het gezond naar bed gaan van twee gezonde menschen die van elkander houden, is een eenvoudige natuurvreugde, die de bourgeois beschaving met een kleverigen privaatdoek omhangt. Daarom zijn de sexueele flikjes en geslachts-pasteitjes welke genoemde auteurs en hun scholieren een geilgraag publiek voorzetten, kernrot en typisch als product der klasse, te wier gerieve zij geschreven werden en waaruit zij voortkwamen. Zonder er dieper op te willen ingaan in een zoo vluchtig geschreven brief, vermeen ik dat het realisme, zooals dit in lateren tijd met zekere pretentie van nieuwheid is opgestaan, niet de eerlijke kunst van eerlijke waarnemers is, maar de uiterste grens tot welke schrijvers, geboren in den bourgeois-stand en bourgeois geblèven, kunnen of durven gaan. Gaven zij iets anders dan een verbourgeoisd-realisme, iets anders dan geschaafde realiteit? Ik kan mij gereedelijk voorstellen dat dit consequent voor niets teruggaand boek u een ergernis is, later anderen ergernis zijn zal: het vermeent immers even oprecht de werkelijkheid in deze struisvogel-beschaving te cracheeren, als het viezerikken om de ooren slaat. Als u nadenkt zult u inzien dat niet ik de aanstootgever ben, maar de toestanden die voor elk die zìèt bestaan. Nooit kan iets gemeen zijn dat volkomen-wáár beschreven wordt. Een boek wórdt gemeen door de schipperende methode van den auteur. Want het gemeene repugneert zoodanig, is zoo plat, zoo van modder alleen, dat het nooit een verderflijken indruk kan maken. Daarom is alle spelen met geslachts-realisme m.i. gevaarlijk en onzedelijk. Goed geschreven geslachtsleven zal nóóit een prikkel zijn. Wel komt de triestigheid, zelden het gemeene van een ding tot ons. Maar juist de insinueerende voorstellingen, de insane fantasieën maken een bedrijf liederlijk. Zoo zijn genoemde citaten van gerenommeerde realisten niet realistisch maar geméén. Deze lieden geilen door een gordijnreet, kijkend naar een zich uitkleedende vrouw, sjaggeren met bedekt vrouwevleesch, spreken gedempt over dingen in schemering; ik tracht in het volle licht de menschen, de toestanden, de taal, zooals die in den kring, welken ik beschrijf, gesproken wordt, weer te geven. Met de voortzetting der serie erotisch horizon-loos realisme doet men een perversen arbeid.
Met verzekering mijner bijzondere Hoogachting
Uw dw. dienaar
Koos Habbema.
Amsterdam, 9 Januari 1897. [IX]
Voorwoord bij den 5den druk.
Toen dit boek van jeugdige gisting eind 1896 was geschreven, bleek het moeilijk er een uitgever voor te vinden. Nu gaat een vijfde druk ter perse, eene belangstelling waarvan allerminst ik dupe ben. In vroegere periodes van openbare schriftuur achtte een auteur zich dikwerf met vuil besmeten door een publiek, dat om uitnemend andre redenen dan die hem tot arbeid dreven, kocht, las, smulde. Wij peinzen minder romantisch en determineeren een big als big. Het is eene ongezellige methode die evenwel aan strenge wetenschappelijkheid weinig te wenschen overlaat.
Met dat al schijnt dit zeer onvolkomen boek, dat de fouten en kwaliteiten van jongelings-onstuimigheid bezit—mede de sporen van een vermoeiend driejarig journalistiek scholierschap—eenigen menschen tot verheffing te zijn geweest, hebben waarlijk enkelen zich tot epistelen van heetbloedigheid gezet die de kalmte des tijds ontsieren. In een moerasgrond dient men zacht-aan te stappen. Op lateren leeftijd betreurt men verloren schoenen en verslibberde reputatie. Het bezadigen is eene vreugde.
De lotgevallen van Alfred Spier en Georgine Casper zijn voor een bijkomstig deel aan bepaalde gebeurtenissen ontleend, voor het overwegend geheel schakelen zij, wat in alle eeuwen het recht des schrijvers was, de herinnering aan meer dan één levenslot, incident, voorbijgaand geschieden. Toen Habbema in 1896 van werkelijkheid sprak, vermoedde de windmolen-kampioen niet dat de dartele hollandsche lezer een plat-pamphlet-achtig photographeeren van lévende personen in dit boek zoude zoeken. Het antwoord aan J. T. kon denkende menschen overtuigen dat het om iets principieelers ging, dat fantasie zich in werkelijkheids-weergave omzet, dat men geen schamperen toon tegen gerenommeerden voert, als men niets anders in z’n mars heeft dan eene chronique scandaleuse, dat het eene eenvoudige zaak van compositie wordt het karakter, het [X]wezen, de daad van hoofd- en bijpersonen naar vrije willekeur, naar absolute ingeving van het oogenblik te vervormen. Maar de hollandsche lezer, ondergaande het realisme van dit boek, lodderde den pogenden, boetseerenden auteur voorbij. ’n Man die zóó schreef, moest door ’t leven met ’n reporters-boekje loopen, was ’n kiekjes-verzamelaar. Sprak hij niet zelf beslist en fel van werkelijkheid? Bleef er dan ruimte voor beginsel en ziening-in-de-verbeelding?
Nu de eigen naam eenige meerdere bekendheid verwierf, lijkt het billijk in rechte lijn het verder gekakel der bittertafel, der reine gehuwden en der tintelende lettrés te aanvaarden. In den kern van het boek, dat geheel ongewijzigd ter perse gaat, is sinds 1896 geene verandering gekomen. Het huwelijk marcheert nog. De achtenswaarde koppeling van afhankelijken, ras-zieken, geïnfecteerden, de negotie in lichamen, het schaapachtig-bol gebler over de vrouw met wat ze noemen ’n smetje, ’t blijmoedig begroeten van den man-hoer—’t marcheert nog.
Dit boek is slechts een kuchje, een slappe keelschraping bij geraas, getier en gebulder. Men kucht zoo ééns in prettige onnoozelheid. Geen tweeden keer.
HERM. HEIJERMANS Jr.
Katwijk-aan-Zee, Maart 1903. [XI]
INHOUD.
| Bladz. | ||
| Hoofdstuk I. | Gestoorde melankolie | 1 |
| Hoofdstuk,, II. | Een diner. Nòg meer pessimisme. Bij Prot. | 8 |
| Hoofdstuk,, III. | Avondje | 19 |
| Hoofdstuk,, IV. | Ik redeneer onhebbelijk zwaar en drink zwarte koffie | 29 |
| Hoofdstuk,, V. | Georgine | 38 |
| Hoofdstuk,, VI. | Kabotijn-leven | 52 |
| Hoofdstuk,, VII. | Voorstelling | 65 |
| Hoofdstuk,, VIII. | Avond | 79 |
| Hoofdstuk,, IX. | Scheveningen en nog wat | 93 |
| Hoofdstuk,, X. | Moos verlooft zich | 115 |
| Hoofdstuk,, XI. | Eerste diner bij Georgine | 131 |
| Hoofdstuk,, XII. | Biecht | 153 |
| Hoofdstuk,, XIII. | Gezellige verjaarspartij | 171 |
| Hoofdstuk,, XIV. | Juffrouw Thomas krijgt een toeval | 191 |
| Hoofdstuk,, XV. | Bezoeken.—Ik verzoen me met Scherp | 210 |
| Hoofdstuk,, XVI. | Kamertjespijn | 235 |
| Hoofdstuk,, XVII. | Een véélbewogen hoofdstuk | 249 |
| Hoofdstuk,, XVIII. | Oudejaarsavond te Rotterdam | 265 |
| Hoofdstuk,, XIX. | Gebeurtenissen | 290 |
| Hoofdstuk,, XX. | Een brief. Ik raadpleeg een advocaat. De familie Doedelaar | 331 |
| Hoofdstuk,, XXI. | De kinderen. Wij belanden in een rendez-vous | 358 |
| Hoofdstuk,, XXII. | Opgang | 390 |
[1]