„Daar was is ’n mannetje, dat was niet wijs.
Dat bouwde z’n huisie al op ’t ijs;
’t Begon te dooièèèè, maar niet te vriezèèèè …
Toen most ie z’n huissie ver-lie-zèèè …”
„Nou slaapies doen.”
„Ja, mamma.”
Halftien, zachtjes loopend, kwam ’k thuis. Georgine lei met nog natte oogen bij het kermisbedje ingeslapen. Kaatje sliep. Haar adem zaagde pieperig uit ’t open mondje. Voorzichtig ging ’k bij de tafel zitten. Kloos lag opengeslagen. Er naast een aantal beschreven, genummerde velletjes. Glimlachend, dàn heel ernstig [310]begon ’k te lezen, wat nìèt voor me bestemd was. Boven ’t eerste velletje stond:
VERZEN VAN GEORGINE CASPER
in nagebootste drukletters, dan volgde deze voorbereiding op een kladje.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
- geprezen
- onderwezen
- vreugd verheugt jeugd
- vlood dood nood lood rood
- tooverkracht aangebracht gedacht zacht lacht verwacht
- verdragen wagen vragen jagen
- spiën gezien lien
- verklaard openbaard verjaard
- kind wind begint
- scheef dreef
- verwinnen beginnen verzinnen
- gezicht bericht
- verwant verstand
- fier getier
- wreek smeek
- bericht gewicht vergezicht
- wagen dragen
- benomen betoonen
- streven leven geven beven zweven
- gezworen hooren booren gloren
- verstiet niet winden binden
- krachten smachten verzachten klachten betrachten
- slagen behagen vragen vlagen knagen
- spijs wijs grijs
- graf af straf
- kleed gereed streed leed misdeed
- wijken gelijken rijken bezwijken
- gronde stonde sponde ronde monde
- profiteeren leeren kleeren
- ontspringt dwingt zingt klinkt winkt rinkt blinkt
- toon gewoon hoon loon koon
- speelen velen heelen
- vlijt tijd nijd snijdt spreidt krijt
- huid bruid luid kluit fluit ruit
- binnenschreidt wijd.
[311]
VERZEN VAN GEORGINE CASPER.
I.
Stikdonkere nacht, geen enkle ster.
Duister, gelijk het graf, zwart mijn gedachte
gelijk een nevel ondoordringbaar is mijn ziel
O kon ik mijn geest die klaarheid geven
tot wetenschap en poëzie doordringen
O! daal! op mij neer helderheid des geestes
Verscheur die wolk, die mij het genot der poëzie ontneemt.
II.
O mogt het mij toch eens gelukken
Mijn best gevoel in verzen uit te drukken
Een vers van schoone poëzie.
Kon ik in verzen voor het menschdom strijden
Aan u zeggen wat velen moeten lijden
O poëzie verheven Majesteit.
Dring! tot mij door ontsluijer mijn gedachte
Mijn boezem gloeit, laat langer mij niet wachten
Geprezen! gij! een godheid u gewijdt.
III.
Even als de bloem die het zonnetje mint,
de vlinder fladdert als dartelend kind
even als de roos die heerlijk van geur
bezaaid door parelendauw schitrend van kleur
even als de vogel die hoog in de lucht
vriendelijk tjilpt met vroolijke vlucht,
bloemen en vogelen minnen de zon, wijl ’t al door haar bloeit
en alles in gouden glans gloeit …
Maar deze min komt in vergelijking nog niet
die ik mijn lieven Alfred aanbied.
IV.
O kon ik ù in vreugde doen leven
O kon ik vroolijk zijn
O kon ik rozen op uw weg doen bloeien [312]
O kon ik in liefde u voor mij doen gloeien
O kon ik aan úw hart mij veilig wanen
Dan zou ik staken mijne tranen.
V.
Ik heb verdriet!!
mij kwelt een bitter leed
’t is in mijn hart gelijk aan een woestijn
Maar zwijg arm hart en smoor uw zielekreet
Vertrouw op hem! Dat geeft u zonneschijn
Wend u tot hèm
Hij zal u rust weer geven
terwijl weemoed en leed uw hart doorsmacht
Hij kust ze weg!
de smart die u het hart doet beven
wijl hij toch niets dan uw geluk betracht.
Donderdag
Georgine.
VI.
Ik sta u bij!!!
ik wil met u lijden
al treft u zware levensstrijd
in armoed wil ik mij met u verblijden
ik sta u bij!
kus weg de wolken van uw voorhoofd.
ik sta u bij!!!
mochten zorgen u nog zoo drukken
’k ben met hart en ziel uw leven toegewijd
een kus van u! dàt slechts kan mij verrukken
ik sta u bij!
denk ik: mijn hoofd uw schouders aangevleid.
Woensdagavond.
VII.
Weer gaat een schip!!!
met honderden soldaten
weer gaat het schip met mannen in volle kracht,
om in verre tropen te gaan strijden.
Zij staan geschaard en uiten geen enkle klacht
Nu gaan ze vechten, nood en ellende lijden
Nu gaan ze vechten ver verwijderd van ons
En de ouders moeten hun zoons verliezen
En ’t moederhart breekt bij het laten van het kind. [313]
Hoe menig man gaf niet zijn leven,
verkocht zijn lichaam voor des handgelds bloed’gen prijs
om dat zijn arme ouders dan te geven!
VIII.
’t Is laat in den nacht
Men snelt huiswaarts henen
Sneeuw vlokjes dwarlend in de lugt,
de kou bevangt een elkeen,
een snerpende vorst. En toch een droef gezucht
stil smart gekerm, gesmoorde tranen sprangen
twee kindertjes bedolven onder sneeuw bevangen door de kou
trachtend van elk een gave te erlangen
Een kleine aalmoes kermt de vrouw.
Gij arme vrouw gij zijt wel te beklagen
’k voel de smart die het u lijden doet
om zoo voor uwe kindren brood te vragen.
Ik lijd met u, o ween! O, tranen doen zoo goed.
Dinsdagavond.
IX.
Ook ik was kind, ook ik had kinderen-illusie,
Ook ik had graag ’t moois dat ’k bij and’re kind’ren zag.
Doch niet lang mocht ik kinder-denken houden,
’k Was groot en slank, verdiende vroeg reeds geld.
’t Brood verdiende ik met mijne arme ouders,
Die in den vreemde zochten hun bestaan,
Geen thuis, geen school, was mij ooit toegewezen
Als paria in woestheid opgebracht.
O, vreugdevolle kinderjaren
Wat bracht gij mij blond kind voor vreugd en heil,
O, gouden jeugd, vol zonnige lentedagen,
Voor mij geen lente en voor mij geen heil.
En dikwijls kwamen rijke heeren,
Ze vroegen aan mijn moeder mij te koop,
Belust op ’t mooie, blonde kinderhoofdje,
Mijn goudblond haar, mijn flinke vorm en leest.
O rijken, die armen het brood ontnemen,
Uw geile zonen, die met hun kapitaal
De dochtren ook trachten af te koopen
Als zwarte zorg de ouders nijpend drukt.
[314]
O, maklijk valt het meisjes der hooge standen
Te smalen op de diep gevallen vrouw,
Voor hoer en dief u neuzen op te halen
Als gij op kostschool of bij moeders pappot zit.
X.
Ik zag twee zwarte kruisen staan,
Geplaatst in ongewijde aarde,
Geheel alleen in schaduw hoek,
Van ongewijde aarde.
Ook stonden er kruisen wit en zwart,
Beschermd door muur van roode steenen,
Daar rust de dood, zonder smet of blaam
Door zonnegloed beschenen.
Bimbam, zoo klinkt het klokje luid
Bimbam, met zwaren, loomen galm,
Bimbam, o dood, in ongewijde aard,
Bimbam, rust gij ook zacht en kalm?
En ’t herfstwindje ruis-suisde zacht,
De blaadjes vielen teeder,
Ze vlogen op gewijde aard’,
Toch ook op ongewijde lagen zij neder,
Het klokje bamde steeds maar voort,
’t Kerkje tot bidde noodde,
O, zoo ik innig bidden kon,
’k Bad voor elken doode.
XI.
O, Lente, groot in uwe fiere machte
Als alles nog in vorst en sneeuw geboeid,
En weenend bloem en vogelen wachten,
Op kus van u en ’t nieuwe leven bloeit.
En als ge komt op uwe zachte schreden
En ziet de aard’, in somb’re kille smart,
En uwe lippen drukt op bloemen zwaar geleden,
Glorie van godheid, goude Lent’ in ’t hart.
[315]
Die teere kus die bloem en vooglen doet herleven,
En baden zich in zee van zonneglans,
In frissche blanke dauw, en dartlend vlinder zweven,
Dan, tooit ge u met gouden stralen krans.
Heil dan o lente, met uwe gouden stralen,
Betoov’rend schoon zijt ge door ’t zilveren gekweel,
Als blank zacht, leeuwrikken door ’t luchtruim dwalen,
Van topazen blauw, wolkjes zacht en geel.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Aldus waren de naïve gedichten mijner ingeslapen vrouw. Een allerlaatst vers was zoo begonnen:
XII.
Ziek! Is ze ziek
mijn lieve kinderkopje!
mijn roze knopje!!
bloeide ze om me heen.
O laat mij God nu klagen
Hoor aan mijn stil en droef geween
Het is uw schuld!, zoo klaagt thans mijn geweten
Het is uw schuld!
O, ik kan niet meer schreien
Ik zal …
Hier was ze zeker opnieuw begonnen te schreien en naar het kinderbedje gegaan.
Naïf-mooi, dat probeeren, dat gedeeltelijk kinderlijk stamelen—en Kloos er naast. Het laatste vers was ze dien avond begonnen. De andere waren van verschillenden datum. Jawel—jawel—lief—heel gebrekkig—gevoelig—maar wààrom die regels … „Ik heb verdriet … mij kwelt een bitter leed”… waarom?… was dat verzenmakend gejòkt?… Of hád ze dingen die ze níét zei?… Goeie snoet!… Hoe heerlijk dat ze geen literaire vrouw was, géén aanstaand lid voor de Hollandsche Maatschappij, maar een vrouw!… Met een schrik sprong ik op. Georgine werd wakker. „Dag Mol, hoe is ’t met Ka?” zei ik onnoozel.
„’t Zelfde … Kom je pas binnen?” vroeg ze wantrouwig.
„Nèt.”
„Je heb toch niet me papiere”…
„Wèlke papiere?”
„Héúsch niet?… Làter mag je ’t lezen, nóú niet … Heb je heusch niet geleze?” [316]
„Heusch niet.”
Ze lei de velletjes in Kloos, sloot haar gezamenlijke gedichten in de la van het kastje onder haar gewezen schminkdoos.
„Heb je gehuild?”
„Ikke—nee.”
„En je heb zulke dikke ooge.”
„Van de slaap.”
„Mamma! Mamma!” Schrikkerig-angstig snerpte het kinderstemmetje uit de alkoof.
„Wat is ’r schatje?”
„O, mamma! Màmma! ’k hè-zoo’n pijn, zoo’n pijn!”
„Toe-nou, niet huile! Bèn je mamma’s kindje! Niet-huile!”
„’k Hè-zoo’n pijn op me buik.”
„Da’s natuurlijk d’r borst, Georgine.—Poeiertje slikke, Ka? Lekkere poeier?”
„Neeéé! Neeéé!”
Kregel duwde zij het papiertje uit mijn handen. De poeder stoof op den grond.
„Hè! Hè!… Wat ’n stoute meid!… ’t Is maar suiker!… Proef is.”
„Nee-éé … Nee-éé!… Ik wil niet!… O mamma!… Mammaatje!… ’k Hè zoo’n pijn!”
’t Klagelijk smartstemmetje huilde tegen Georgine’s borst.
„Wi-je niet wat drinke?… Kom nou, hartje.”
„Nee-ee! Nee-ee!”
„’n Zacht eitje?”
„Nee-ee!… Niks drinke!”
„Koppie chocola?”
„Wèl chocola … niks drinke!…”
„Maak jij ’n beetje chocola klaar, Alf … en doe ’t poeiertje ’r in, hè?”
„Nee géén poewertje … ’k Lus geen poewertjes!”
In de keuken zocht ’k warm water. Maar de kachel was uit. Beneden hoorde ’k iemand scharrelen.
„Juffrouw!” riep ik zachtjes aan de trapdeur.
Geen geluid. Dan maar even naar benee.
Het was een nauw kronkeltrapje, door een gordijn van de kamer gescheiden. Met den rug naar de trap zat juffrouw Doedelaar De Rooie Duivel te lezen.
„Hm!”
Ze keerde zich verschrikt om.
„O ben ù ’t!… Is dat schrikke! Hè!”
Eenigzins verbaasd keek ik haar aan. In haar mond stak een doorrookte bruine pijp. Verlegen-grinnekerig lei ze ’m neer, blies een rookwolk weg. [317]
„Wil u mij voor ’t kind ’n beetje heet water geven?”
„Seker. Wel-seker,” zei ze affabel: „met plesier. Is ’t kind nog niet beter?”
„Nee, nog niet.”
Ze schonk wat water over. Terwijl keek ik vluchtig rond, zag dat de Doedelaars hun kelder voor woonkamer hadden ingericht. De grond was van rood-achthoekige tegels, de wanden van aangeslagen, schimmelig wit. In het kolenhok hadden ze ’n soort bedstee van withouten planken getimmerd. Hier huisden, sliepen, leefden ze. Het gaf me een zonderling-vinnig verwijt—dàt—dàt—dàt fàtsoenlijk miserabel, tergend barbiers-geleef in dien kelder van roode tegels, wit-beschimmelde muren, gekalkte balken. Ik er boven. In hùn huiskamer, in hùn alkoof. Zij scheen wel zoo iets te gevoelen, zei gegeneerd glimlachend:
„… We benne an de schoonmaak.”
„… ’t Is hier héél gezellig …”, glimlachte ik stroef terug.
„… Vin u niet?… Ja we krijge ’n nieuwe lamp en d’r komt ’n behangetje da-we vandaag sijn weese uitsoeke … Hier heb-u ’t water … As u niet genoeg het kan u meer krijge …”
„Dank u.”
’k Stond al op de trap, toen ze me nog even nariep.
„… Meneer … meneer …”—haar stem schaduwde weg in verlegenheid—„… u sou soms denke da’k rook, hè? hè?”…
„Welnee juffrouw, ik denk niks”…
„… Siet u—’k rook nóóit … rooke vin ’k vies … maar ’k ben soo hardlijvig siet-u … en dan trek ’k wel ’s an de pijp van me man, siet-u, hè-hè-hè!… Begrijp-u?… Anders kàn ’k in geen dàge”…
„Natuurlijk. Natuurlijk … Da’s er héél goed voor … ’k ken ’n dame die precíés voor ’t zelfde sigaretjes rookt.”
„… Soo. Welsoo … Nou maar sigaretjes is voor ons mense te duur, niewaar?… Ik trek maar is an de pijp van Jacob, hèhèhè!…”
„Morge of overmorge zal ’k u de resteerende tien gulde geve … juffrouw … ’k moet ’n heele boel geld ontvangen … dat ’r nog niet is”.…
„O, da’s niks meneer. We sitte ’r niet op te wachte … As de juffrouw nou maar is die servet en die handdoek geeft …”
„’k Zal ’t ’r zegge … Dag juffrouw.”
„Dag meneer … Beterschap met ’t kind … As ’k u nog is diene kan.”
„Dank u.”
Georgine had Ka in ’n deken gewikkeld, zat met ’t kind bij den gloeienden kachel.
„Hoe kàn je nou die ellendige mense ’n dienst vrage!” verweet zij. [318]
„Sust!… Ze was heel vrindelijk.”
„Jawel!… Van avond wou ik Frits hebbe om citroene te hale … en kwam de boodschap, dat Frits niet meer voor me uit mocht … Zulke lammelinge as je met ’n ziek kind zit!…”
„Misschien zijn ze voor mij bang”… veronderstelde ik: „Kijk is Ka … Kijk is, m’n kind … Lekker, hè?… Eerst chocola … en suiker … en nou ’t water … Lekker, hè?”
Slaperig-kregel keek ze toe, slikte lepeltje voor lepeltje met ’n vies gezichtje.
„Niet zóóveel mamma!… Schei nou uit!”
„Nog één lepeltje.—Zoo-o. Zoo-o.—Nou weer naar bedje, hè?”
„Nee-éé! Niet naar bed,” zei ze huilerig-kribbig.
’k Legde ’t thermometertje an. Ze had stevige koorts.
„Niet doen! Niet doen!”
„Zoo.—En morge moet je ’t in je mondje neme, dan kan oome beter zien hoe warm je van binne ben—Gek, hè?”
In haar bedje lag ze nog te woelen toen wij slapen gingen, ’t Licht brandde laag.
„O God—o God, ’k ben zoo ongerust!”
„’t Is nìèts, Mol—niks. ’t Komt zoo dikwijls voor.”
Ka ijlde ’n beetje, zei met piepende ademstootjes brokken van kinderrijmpjes, hoestte krakend, lei weer ’n poosje stil, soms kindersmartelijk zuchtend. Het was ’n nàre, angstige nacht. Droog-hortend klonk het stemmetje … „Onder ’t tafeltje daar ikke zat—daar ikke gebrade vleessie at … daar ikke rooie wijntje dronk—die al in mijn hartje klonk”… Zoo bleef ze doordrensen, klagelijk, hoestend, telkens over ’t zelfde, schoolliedjes, rijmpjes,… „Iene miene mutte—tien pond grutte—tien pond kaas—jij ben de baas”…
’t Heele huis was stil, slaap-stil—alleen ’t druk, benauwd, ijlstemmetje klonk … „Iene miene mutte … Iene miene mutte … Ienemienemutte …”
Georgine was opgestaan, lei in haar hemd op de bloote knieën op ’t koude zeil gehurkt, kloppend het rugje als er ’n hoestbui kwam, zacht-klagelijk neuriënd … „Suja … suja … suja … kindje”… als Kaatje koortsig wakker kwam.
Brandend van moeheid keek ik toe naar dien witten, geknielden vorm met de afhangende haren, naar ’t kermisbedje, beluisterde het geijl, de schampere, vreemde klankjes … „Hake en ooge … tikke-takke-toge—goudpapier—tierelierelier …”
In mijn loomzwaar hoofd kreeg ik één enkel moment de malle, klare visie van den … lief glimlachenden man … met z’n hoog puntboord … z’n mooie das … z’n glad geplakte haar om ’n vierkant hoofd.
Volgende dagen waren in buien van gerustheid en spanning. [319]’t Kind was hárd ziek, soms monter, vroolijk, soms kregel, lusteloos, maar áltijd met koorts.
Juffrouw Stengevis kwam één keer op bezoek met kleine Toos.
„Soo, Sorsien … ik kommie nog maar is opsoeke … Jij laat niks van je hoore … D’r is ’n brief met geld uit Amerika … heb ’k maar voor je afgeteekend … googem van me, hè?”—„Met geld?… Met geld?… ’n Brief …”—„En is-die kleine Ka soo siek?”—„Ja moeder … ik ben lekker ziek … Dag Tóósie!”—„D’r onder blijve, Ka.”—„Ja oome.”—„God, waarom zendt die man me nou nog … geld,” zei Georgine angstig, bleek.—„Ja, dat begrijp ’k ook niet,” zei ik, onaangenaam-verrast.—Juffrouw Stengevis, vies van leed-lachje, met ’t ouwe viezig velbobbelen om den blauwig-dunnen neus, wreef de kalkhanden in den zijden schoot.—„… Wat sou ’t?… Wat sou ’t?… Mot-ie niet voor sijn kindere sorge, die swabber?”—„U had den brief niet moete afhalen,” zei ik.—„Niet motte afhale?”—„Nee,” zei Georgine, altijd-nog-bleek, „’k wil van hèm geen cent meer … ’k Zend ’t zóó terug.”—„Wel godallemachtig wat ’n onsin, Sorsien!… En mot ik nou nòg langer wachte?… Hoeveel weke krijg ik wel?… Ik kan ’t soo lang niet uitsinge … Je sal ’t wel late … Sal jij mijn huur betale?”…—„Over ’t geld hoef u niet ongerust te zijn,” zei ik, ongeduldig.—„Seker. Seker. Ik ben ook niet ongerust.—Maar ’t is nou wel seve weke—dat kan ’k niet uitsinge … En verschot van ’t kind!… Geef jij mijn maar ’t geld van de angeteekende—dan geef ik jou ’n kietantie en steek jij ’r geen cent van in je sak—Is ’t waar of niet?—Sooveel sendt-ie je niet en soolang je nog niet gescheien ben mag je toch wel wat anneme voor je kindere … Hè’k gelijk of ongelijk?”…—„Ja, dà’s waar,” zei Georgine, den brief openscheurend. Ze lei ’n paar Greenbacks op tafel, las haastig ’t half velletje postpapier, verscheurde ’t zonder me an te kijken, wierp de snippers in de kachel.—… „Mòcht ik ’m niet leze?” vroeg ik.—„Ach, wel já … D’r stond niks in … Niks wat jou kan interesseere”…—„Dan had j’m ook wel kunne late lezen.”—„Hè, zanik nou niet … d’r stond nìks in … Zeker heeft-ie m’n brief nog niet ontvange”…—„Dat kàn niet”…—„O! Kàn dat niet?… Hoelang doet zoo’n brief ’r over?… Hij schrijft enkel maar: hier heb je vijf dollar en zoen de kindere … Anders niks … Wat kijk je me nou an?… Denk je da’k jok?”—„Soo’n brief naar Amerika,” meende juffrouw Stengevis, de banknootjes in de kalkhanden verkneukelend—: „… doet ’r wel ’n drie weke over, sou ’t niet?… Drie weke en drie weke dat sijne d’r ses … reken dan maar is uit.”—„Niewaar?” zei Georgine:—„dà’s toch zoo’n ongeloovige Tobias!”—„Dan krijg ik nou nog víér weke, Sorsien … Daar kom ’k dan wel is om na ’n dag [320]of veertien, hè?… ’k Sal nou maar gauw weggaan hè, anders is ’t wisselkantoor dicht … Kom Toosie … Dag Kaatje! Beterschap hoor!”—„Dag moeder,” riep Ka uit de alkoof.
„Zoo iets moet je nu nòòit weer doen,” zei ’k toen de deur achter Stengevis dichtging.
„Wàtte?”
„Je wéét wel wàt … Je zou me achterdochtig make.”
„Hè, schei uit!… Je zoekt overal wat achter”…
Tegen den avond werd Ka weer onrustiger. Bax was ’s middags geweest, had den toestand vrij gunstig gevonden.
„Als die dokter van jòù ’t maar goed weet.”
„Maakje dáár niet ongerust over.”
„Kijk is hoe ze gloeit.”
„Afwachten. Rustig afwachten.”
„O mamma! mamma!”… ’n Zware benauwde hoestbui dee ’t klein kinderlichaam in schokkende krampen stuipen. ’t Gezichtje werd blauw. ’t Mondje zoog lucht met pijnlijke fluitingen.
„O God me arm schaap! M’n schatje!… Ik kan ’t niet ànzien niet ànzien!”
Zenuwachtig-huilend hield ze ’t kind rechtop.
„Kalmte, Mol … Je maakt Ka nog méér overstuur … ’t Zal wel overgaan … Niet zoo opgewonden.”
’t Borstje kraakte, de kuch reutelde op van héél diep, als ’n benauwd stikgeluid, naslepend met snerpende hijgingen.
„O mamma!”…
„Ze stikt … God! God! Ze stikt!”
Als ’n krankzinnige trok ze zich de haren uit ’t hoofd. Ik had Ka op m’n schoot genomen, hield haar wat voorover, klopte zacht op ’t rugje. De bui bedaarde. Ka lachte weer. Maar Georgine, òp van die rekkende spanning, óp van moeheid, lag in de voorkamer te snìkken. ’k Stopte Ka onder ’t dek, probeerde haar te troosten. Zij weerde me af … „La-me maar liggen!… La-me maar dood gaan! dood!… God straft me!… Me Kaatje, me Kaatje! O God! o God!… Als àlles verrekte!… als ’k honger most lijde … als ’k geen droog brood te eten had!… Alles goed! àlles!… Maar me Kaatje!… Me engel van ’n Kaatje!… Waar ’k zoo àlles van hou … méér dan van ’t andere kind al is ’t slecht van me!… Praat ’r niet tegen in!… Wat hellept prate!… Je ziet wel da’k ’r verlieze zal!… Verlieze! Verlieze!… En ’t is me straf … me stràf … de straf van Gòd!… Ben ’k geen overspelige vrouw?… Is ’t niet geméén wat ’k doe?… Kijke ze me niet àllemaal met verachting an?… Ben ’k geen mintenee geworde, geen hoer!… O God!… La-me toch ùìtstappe!… La-me toch doodgaan!… ’k Weet wel da’k slecht ben, slècht, gemeen-slècht … [321]da’k niet waard ben om kindere te hebben!… O! O! O! O!”…
Haar hartstochtelijke smart gaf mij tranen in de oogen, sloeg me met ’n verwondering, alsof er iets kil-vreemds langs me ging. Zachtjes redeneerde ik.
„… ’k Heb ’t je laatst al gezegd, Georgine …”
„… Rèdènèèr nou niet! Toe, klèts niet! Je maakt me krankzinnig! Je maakt me gèk.”
Ik keek haar alleen maar aan en plots sloeg ze de armen om mijn hals:
„… O God, Alf—je mot niet dènke over wa’k zeg—’k ben zoo ellendig … zoo kapot … God straft me zoo zwaar, zoo schrikkelijk in me kind!”…
„Groote, gróóte meid!… Als je je god dan met gewèld wil voorstellen als ’n boeman”…
„Toe! Toe!”, smeekte ze driftig: „spreek geen kwaad van Gód!… Ik sméék ’t je! Nóú niet! Nòù niet!… Ach toe, hou je mond … Verzoek ’m niet!”…
„Kom wor kálm, Mol … Wíé spreekt ’r van godslastering? Ik wil ’t je zeggen, nóg eens zeggen, nóg eens—dat ’r geen god is, die menschen straft omdat ze van elkaar houen … Pijnig je zelf toch niet … Verneder god niet tot ’n stompzinnige ploert—God is geen ouwe orthodoxe dominee, geen fanatieke pastoor—stel je, als je dat wil, ’n god voor, maar dán één die schaterlacht om ’t gemier van de menschen, om d’r rotte, fatsoenlijk gewurm!… En àls Ka … maar daar moet je niet an dènken—ze had haast geen koorts—je moet ’r héélemaal niet aan denken—maar stèl ’t geval dát ze … Dan is ’t geen stráf van god, dan moet je niemand en niets vloeken of lasteren, dan mot je blij blijven opkijken naar het Oneindige, trachten niet mee onder te gaan in de wanhopige verwarring van de stumpers, de ellendelingen die alles verwringen, bevuilen, verpesten!… Kom nou kind, kom vrouw … Ik weet ’t beter dan jij!… Ik zal je toch niet belìègen!”…
En in dezelfde moeë, verweekende wanhoopsstemming snikten we beiden.
„… Als ze maar niet dood gaat!”
„… Ze gáát niet dood.”
„Erger kan me niet overkomme”…
„Ik zeg je, dat ze niet dood gaat.”
„… Als dàt gebeurde!… Dàt!… ’t Is zoo’n héérlijk kind … En jij heb me zoo geléérd van ’r te houe … Want wéét je wel, toen je ’t éérst bij me kwam, die avond bij juffrouw Bok … toen zag ’k wel an je ooge, dat je d’r verwaarloosd von”…
„Dat von ’k níét,” verdedigde ik.
„Dat von je wèl … En ’k was tóén ’n slechte moeder … want dat tooneel … en al de vùìlike, die me achterna liepe …” [322]
„Doe je geen verdere verwijte … Ben je goed voor d’r geworden, toen je zèlf ’n thùìs had?… Ja, niewaar?.… Je moest nu wat gaan slape, hè?”
„Nee, ’k ga niet slape.”
„Je gaat wèl slape … Ik zal bij m’n vrouw en m’n kind—hoor je, mijn kind—in de alkoof gaan zitten, op jullie passe. En dan roep ’k je tegen ’n uur of elf, hè?… En dan zal ’k terwijl zachies koffie zetten.”
„Hè, ja, oome—kom u in de alkoof zitten? Vlak bij me?”
„Ja, dot.”
„Enne mag ik opzitte?”
„Nee, anders ga je weer hoeste … Kijk, mamma gaat in ’t groote bed, zie je—en nou kom ik bij Ka zitten … zóó … zóó … en nou slaapies doen.”
„… Ga u nou strakkies bij mamma legge?”
„Ja. En dan passe we same op Ka, hè?”
„Is mamma op u ook zoo boos as u op d’r plaatsie legt?”
„Nou! En wat!”
„Op mijn vroeger ook.”
„Ga nou slape—mamma slaapt ook.”
„Vertel u dan wat.”
„Roodkappie?”
„Nee-éé—áltijd Roodkappie!”
„Goed—wacht maar—Zal ’k je is vertelle van ’t zussie van Piet de Smeerpoets?… Ja, hè … Ga dan zòò legge … Nou—Nou—D’r was ’r is ’n meissie die heette Netje …”
„Nee-éé—Niet Netje: Ka!… Ikke!”
„Goed—Die heette Ka en dat meissie dat wou d’r haar niet late knippe en toen wier ’t zoo lang als de hééle Kalverstraat en de heele Jan Steen … Enne toen ging ze wandele enne toen sleepte d’r haar over de straat en toen kwam ’r ’n diender en die viel en die bleef in d’r haar vastzitte—begrijp je?… en die werd door Ka meegetrokke, al maar meegetrokke en toen kwam ’r ’n koekiesbakker die ook wel is drama’s schreef en die viel ook en die kon òok niet loskomme en ’n slager en meneer Doedelaar en juffrouw Doedelaar met d’r kiespijndoek en juffrouw Stengevis … en die viele allemaal in ’t haar van Ka en konde ’r niet meer uitkomme en toen zei de Koningin—als die wat zeit dan mòt ’t—die zei tegen àl de politie: hakke jullie me dat haar is af … enne toen kwam ’r zoo’n groote kip met ’n schaar en die zei knip, knip … Enne toen viel al ’t haar op den grond en toen moeste d’r drieduizend mense twee maande lang werke, tegen vijftig cent per dag, om al ’t haar op te ruime … en meneer Doedelaar die kocht ’t allemaal om valsche vlechte van te make”… [323]
’k Hield slaperig op, om te zien òf ze sliep, maar ze lag nog klaar wakker: „En toen, oome?”—: „Nou en toen liep Ka zònder haar en toen vatte ze ’n kou omdat ze zoo’n kale knikker had en toen moest ze honderd-duizend poeiertjes slikke om weer beter te worde … En nou is ’t uit”…
„Hè jassus, nou al uit!”…
„Nóg eentje?… Op ’n anderen dag—ja wàt toen?—op ’n andere dag—toen wou—toen wou—ja wátte?—toen wou ze d’r nagels niet late knippe en toen groeiden ze an d’r voete en vingers zóó lang—zóó lang as de Kalfjeslaan! Schrikkelijk, hè?… en toen ginge de nagels van d’r voete vastzitte an Naatje-van-den-Dam—en toen zei ’n andere koningin: Wel potdorie wat is dat nou weer?—En toen zei de burgemeester: da’s van Kà—Van wèlleke Ka, zei die andere koningin die d’r tande liet zien van kwaadheid—Van Ka met d’r lange hare, zei de burgemeester. Toen kon de koningin niet eten van schrik. Ze liet d’r varkenskluif-ie en d’r aardappele staan zóo boos als ze was en toen kwame d’r zes groote oorlogsschepe en die ginge an ’t schiete … Boem! Boem! Boem!… Maar ’t hielp niet … Toen kwame d’r zesduizend arbeiders en die ginge hakke, dat de stukke tegen de rame vloge, tegen vijf-en-veertig cente per dag. En die werkten zeven dagen en nachten. Schrikkelijk, hè!… En ’t hielp nog niet!… Maar toen kwam ’r ’n groote kikker en die riep kwèk-kwèk-kwèk en toen viele de nagels af. Ze ware zoo dik als boome en zoo hard als steen.—Enne toen zei die koningin tegen de arreme mense: die magge jullie nou hebbe om ’r soep van te koke en toen ware ze allemaal blij en zonge tot diep in den nacht: „Wèg met die sosiale, leve Willem III!”… Enne toen … Enne toen … Enne toen …”
Ze was ingeslapen. Roerloos bleef ’k in de alkoof, bij het rustige ademhalen van mijn vrouw, bij het drukke, droge hijgen van mijn kind.
Op den dag van de crisis was er véél aanloop. Karel kwam sigaren brengen en Dirk, dien ’k in weken niet gezien had, bleef ’n kwartier bedremmeld praten. Hij vertelde van de begrafenis van Stientje. Meijer was in een koets voor het sterfhuis gekomen, was beneden gebleven. Duif, die zich „geneerde” om in koffiehuizen te komen, dronk thúís brandewijntjes met suiker en—oranjebitter. Ik vroeg hem niet hóé hij zich met Guus verzoend had. Hij sprak er niet over. De ouwe geslotenheid was over hem, het plomp sterk-lijvige. Maar ik vóélde zijn verdriet en zijn zorgen.
’s Middags een gróóte verrassing. Er was een heer voor Georgine. In de gang hoorde ’k haar opgewonden-blij. [324]
„… Wat doet me dàt ’n pleizier!… Wat zal Ka blij zijn!… Hè, wat vin ’k dat aardig van je!”
Ze kwam binnen met een knap jongmensch, die op haar geleek. Z’n gezicht was gladgeschoren-blozend, z’n neus mopachtig.
„Alf! Alf!… Kom is uit de alkoof … Da’s me broer Jan—, meneer Spier.”
„Dag meneer.”
„Bonjour meneer.”
„Mooie broer ben jij om zoo wèìnig an te komme!… Hebbe jullie me brief gekrege?”
„Gistere … Toen zei ik: ’k ga is naar Ka kijke.—We ware ongerust—’k Heb net ’n goed uur voor me.—Van avond spele we Samson et Délila… En waar is Ka?”
Het was een raar-stijve ontmoeting, ’n kennismaking als op straat met ’n vreemde an wie je zoo eventjes wordt voorgesteld. Hij was dikverlegen met z’n houding—ik kalm-gereserveerd. Alles wat ’k van ’m gehoord had, maakte dit muzikantje, dat als minteneerend bourgeois leefde, niet bijzonder sympathiek.
„Dag oome Jan!”
„Dag Kaatje … Hoe maak je ’t meid?… Kijk ik is voor je meegebracht hebbe?”
„Ze mag nou niet snoepe, Jan.”
„Ach wat zou ’t? Steek ’r maar een in je mond”…
„Nee, ze màg niet”…
„Onzin! Onzin!… ’t Kind ziet ’r best uit!… Eet ’r maar eentje, Ka,” hield hij aan.
„Nee, meneer Casper—Ka mag niet snoepe. We zullen ’t voor je beware, hè, Ka? tot je beter ben”—, kwam ik tusschenbeiden.
„Nou dan nìèt… Mij goed …”
„En wat ben jij dik geworde, Jan.”
„Kan je zoo hebbe. Kan je zoo hebbe. Goed leventje!”
„… En hoe gaat ’t met moeder?”
„Niet best. Z’ is laatst van de stoep gevallen. Maar niet èrg hoor. Niks erg. Been wat bezeerd. Stilzitte. Anders niks … ’t Is hier benauwd.”
„En hoe maakt ’t je vrouw?”
„Me vróúw? Me vróúw? Wat voor vrouw?”
„Dòòrtje?”
„Doortje? Hoe kom je daar an?”
„Van moeder.”
„God allemachtig wat kletse jullie vrouwe toch met mekaar … Wat had jij daar nou mee noodig!…”
„Die is ook goed!… Mag je zuster niet wete da-je getrouwd ben?… Maak jij daar geheime van?” [325]
„Getrouwd! Getrouwd! Wat zaag je toch van getrouwd! Wie is er getrouwd? Ben ik getrouwd? Hahaha! Nee, da’s weer zoo iets van jou!… Haha!”
„Nou ’k dàcht ’t,” lachte Georgine mee: „jij ben ook zoo’n ràre en men ziet je zoo zelden?”
„Nee ik trouw nóóit—of ’k most is ’n meissie met ’n berg cente tegenkomme! Haha! Wat zeg u meneer?… ’k Ben nog jong, hoor?”
„Ja, dat zeg ’k ook.”
„O zoo.”
„Ben je dan niet meer met die Door?”
„Wat mot jij toch van Door, van Door!… Van Door!… Ik ken ’n Jo en ’n Marie en ’n Rika en ’n Door en ’n Jansie! Haha!… Dat kan ’k me zoo voorstelle hoe moeder weer an ’t kletse is geweest … Net iets voor d’r om zich te bemoeie met allemaal dinge waarmee ze niet noodig heeft!”
„Wil u ’n sigaar, mijnheer Casper?”
„Asjeblief meneer. U woont hier wel gezellig.—Wat ’n lang kippehok!”
„Nee, da’s niet van ons.”
„O zoo. En zing jij nog veel, Georgine?”
„Nee. Ik zing niet meer.”
„Zoo. Zoo.”
’n Ouwe stilte van volkomen uitgesprokenheid, van elkander niks meer te zeggen te hebben.
„Drink je ’n bittertje, Jan?”
„Ja, ’n bittertje wil ’k wel. Eentje maar. Anders verzuim ik me trein.”
„Oome Jan! Oome Jannie!”
„Ja, Ka.”
„Kom u is hier.”
„Wat is ’r dan?”
„Ga u weer weg?”
„Strakkies.”
„Heb-u me speelgoed al gezien?”
„Nee.—Laat me je speelgoed is kijke.”
„Da’s me keuken—en dat benne me poppe—enne dat is ’n winkel—enne dat is ’n sevies—enne dat is ’n pienpien—daar mot u an draaie—kijk zóó—hoor u?—Mooi hè?”
„En van wie heb je dat allemaal?”
„Van me oome.”
„Nou da’s ’n gòèie oome.”
„Waar ga u strakkies na toe?”
„Naar De-Haag.”
„Hier staat je bittertje, Jan.” [326]
„Nou proost. Proost meneer en op de aangename kennismaking.”
„Dank u.”
„En kom jij niet is over naar De-Haag, Georgine, as ’t kind beter is?”
„Ze is nog niet beter.”
„Kwestie van ’n paar dage.—Als ik ’r over te zegge had, liet ’k ’r opstaan. Je maakt kindere ziek met ze in bed te late legge.”
„De dokter zal ’t toch wel wete.”
„Ach wat. Dokters wete niks. Die raaie net zoo goed.”
„Da’s gekheid—’n dokter weet ’r toch altijd meer van dan jij of ik.”
„Dat zit nog. Wat weten ze van je? Niks. Als je dood mot, mòt je dood. Laat daar ’n dokter maar is tegen opkomme.”
„Nou ja. Dood. Jij komt ook met zulke groote woorde. Maar heb jij maar is kiespijn.”
„Dan steek ’k ’n pruimpie tabak in me mond en hou me cente in me zak. O zoo. Kip ik heb je.”
„Dat zou ’k wel is wille zien. Je heb mooi prate nou je gezond ben.”
„Nou an mijn lijf geen onkoste. Ik zou je blaze. Wat u, meneer? Gloof u an dokters?”
En ik begon mee te praten. Wij praatten alle drie, tot ’t uur dat-ie bij ons wóú doorbrengen in lauw gesprek-gegrinnik verwezenloosd was.
Vroeg kwam ’k thuis. Georgine, bleek, met blauwe kringen onder de oogen, lag in den leunstoel. Haastig veegde ze de kaarten van de tafel.
„Wat heb je gedaan?”
„… Niks”…
„Jawel. Je hèb wat gedaan.”
„’k Heb de kaarten voor Ka gelegd.”
„Hoe kún je dat doen!”
„Ze staan op niks. ’k Kan ’r niet uit wijs worde. Maar ze is zoo onrustig—ze gloeit weer zoo.”
„Natuurlijk. ’t Is vannacht de crisis … Half negen.—Nou moest jij gaan slape. Je ziet ’r èrg vermoeid uit.”
„’k Ben dood op van vannacht en gisternacht.”
„Ga dan slape. Ik ga zitte schrijve tot ’n uur of drie, hè? En dan waak ik meteen.”
„Nee, laat me opblijve.”
„Je gáát naar bed.”
„’k Ben zoo ongerust! Zoo ongerust! ’t Is net alsof ’r iets boven me hoofd hangt.” [327]
„Dat doet ’t ook. Kijk maar naar den spiegel!”… spotte ik. „En nou naar bed, naar bed! Dan heb jij rust en ik rust.”
„Als je maar weet da ’k tegen twaalf uur opsta.”
„Goed. Goed.”
In de rusteloosheid van ’t kamertje begon ’k met onfrisch hoofd te werken. Vóór ging telkens ’t schelletje in den barbierswinkel over en de gesprekken bromden door de alkoof. Wachten tot de winkel gesloten werd, tot ’t heelemaal stil was. Even keek ik naar Ka, die met gloeiend gezichtje, benauwd-pieperig te ademhalen lei. Wààrom ’k zoo van dat kind híéld?—In de voorkamer heen-en-weer loopend op m’n kousen, dacht ik er over na, over die mogelijkheid van dood, die me desperaat maakte. Kaatje was een deel van mezelf geworden. In haar adoreerde ik leven in z’n teerste wonderbaarlijkheid, in z’n grootste geheimenis. O, een kind is mooi bij dag en bij avond, als het praat, als het gaat, als het slaapt, bij uchtend en nacht, een kind is mooi als het kijkt, vraagt, droomt, lacht, beweegt, begeert.
Een kind is als zonlicht op weiden en de dagende, roodende dag en de purper-komende nacht en vogelgefluit in bladerbrokaat en liefdeweelde in groen en het trotsche slaan van den haan en een ster die verschiet als een vonk en bazuinen van marmerbleek ijs stootend in maannacht, en laaiende brand in wolken van rots en bladerloos takkengerag op de hei en stuifmeelgejoel in den wind en voorjaarsdauw op de blaren en diep zwaarmoedig nachtgaal-rouleeren en vreugdegeschater over de wereld van bergen en dalen, zeeën en lichten, over de wereld in ons kleine hoofd die gróóter en wijder is dan de kleine rondom. O, een kìnd is een vreugde, een smart, een einde, begin, een weelde, een vlam en een háát. En wie niet in het kind heeft gezien en aanbeden het àl-schoonst menschlijke, niet uit kinderoogen heeft gedronken het àl-heerlijkst, het tot goden en zonnen opduizlend levensgeluk, die staat nààkt en jammerlijk met zijn bevleeschde, ruige, harige botjes in dit heelal, in dezen blauw-zonnigen koepel, die te hoog en te luchtend en te doorzichtlijk is—voor zijn pover doodkistje van 1 Meter zooveel, bij zóóveel en zóóveel duim.
Ze zeggen dat vaderliefde is liefde van ’n pa voor z’n (op ’t stadhuis behoorlijk geregistreerd) kind. Ik geloof en ik zeg dat er géén vaderliefde is. Gewóónlijk is vaderliefde een vorm van ijdelheid, een maatschappelijke trots op een naam, een náám. Liefde? Liefde! O liefde! Wat weten jùllie van Liefde!
Vaderliefde is ijdelheid èn stadhuis-verplichting. Waagt ’n pa [328]z’n leven dan niet voor zijn kind? O ja. Voorzeker. Multatuli was óók ’n pa, redde zelfs z’n hondje. En ìk ken ’n meneer die ’n juffrouw uit ’n bijt haalde—èn een met zes klewanghouwen en ’n lintje—Opoffering.… Zorgen.… Opvoeding.… Toewijding.… Vaderliefde, touchant, áándóénlijk. Zie historie. Zie ónechte kinderen. Zie bordeelen.
Een man heeft geen baarmoeder, geen lange, lánge pijnen, geen melk, geen warmkoestrend lichaam. Een man is de aanmatigende bijslaper van zijn vrouw. Natuur kent geen vaderliefde. Zie beesten en ongecultiveerde volken of omgekeerd.
Er is geen vaderliefde. Er is liefde voor één kind, voor het kind, liefde die groeit, gekweekt wordt door het gewoonte-leven. Je houdt van je dagelijksche lamp, van je dagelijksche broek, van je dagelijksche schoenen. Zoo hou je in meerdere mate of leer je houen van ’t kind, dat je élken dag ziet, hoort, waarneemt, waarvan je bent gaan houen omdat het ’t kind van je vrouw is. Maar in den beginne, melieven, hield je niet van dat poepende, zuurkwijlende, rooie, haarlooze wurm. Burgerlijk-lief-sentimenteel wer je aangedaan bij ’t zien van je vrouw in d’r kraambed. Je had een gevoel van gelukkige rust na de angsten der baring. Je was blij dat zij geen pijn meer had. Maar die indringer die je vrouw zoolang misvormde, daar voelde je alleen voor omdat-ie van je vrouw, omdat je vrouw—die ’r martelpijnen om duldde ’r zielsgelukkig mee was. En je vergeleek je zelf bij ’n leeuw en z’n welpen. Jij klootje. O zoo. Zie niet Natuur. Je plaatste ’n advertentie. Eerst toen ’r leven in ’t kind kwam, toen ’t niet meer ’n kind van làst, altijd warm-nat van onderen, altijd schreeuwend, altijd storend was, eerst toen z’n oogjes glansden van goudbloeiende geheimenissen en het stemmetje sprak, vroeg, vróég—eerst tòèn is ’r liefde gekomen, liefde die je even zoo, even groot, even waar, éven waarachtig, éven natuurlijk zou gevoelen, wanneer je simpelweg ’n kind in díé jaren, ’n kind in zijn prachtigste wordingsperiode zou hebben aangenomen of wanneer—gesteld je kwaamt van verre landen—je vrouw je belogen had en je kind ’t kind van ’n ander was. En, melieven, ge weet wel dat ge àllen egoïsten zijt, dat ge àllen moeite hebt uw geslachtsdriftjes te bedwingen, dat ge àllen uren hebt gehad van begeerige óógen en alleen maatschappelijk en huiselijk geharrewar—godzaligen, christenen, diakenen, pastoortjes en-meerdere-kamfergebruikenden staan natuurlijk ver boven deze aantijgingen—den domper zette op uwe smakkers-wellustjes.
Vaderliefde, zusterliefde, broederliefde, nevenliefde, tante-en-oomes-liefde is een ding zonder overheerschend-natuurlijken band. [329]Er is liefde voor het ontwakend kind, voor het kind in de ontwakende jaren, liefde voor het leven dat uit mysterie-windselen breekt, liefde voor de oogen, de trekken, het geluid van het kind, zooals er bij niet-groven liefde kan zijn voor een luidloos-bloeiende kamerplant.
Weet dat ik van mijn vader houd; hij van mij. Niet terug te dringen is in ònze éérste gevoelens. Weet dat ìk houd van het kind van mijn vrouw, er van spreek als mijn kind, dat het mij vader zou noemen als ik ’t zoo wilde, dat het voor mij hééft de liefde van kind tòt vader.
En om dit alles, melieven, dat in uwe hoofden moge dringen, zult ge begrijpen dat wij dienen te spreken niet van vaderliefde, maar van Gewoonte-genegenheid van een man voor één kind.
Vóór was het stil geworden. Ik schreef m’n gedachtetjes op, niet omdat ’k ze zoo merkwaardig vond, maar om te trachten een eenvoudige waarheid te definieeren. Waarschijnlijk zou ’k ’t verder uitgewerkt hebben, ware Georgine niet wakker geworden. Het spreekt vanzelf, dat ze de verspreide velletjes met mijn wijsheden over vaderliefde las. Even zat ze stil, toen me verwijtend aankijkend zei ze: „Als je van me híéld, zou je dàt niet geschreven hebbe.”
„Niet geschrèven hebbe?”
„Nee.… Want ik verlàng, àltijd en àltijd, telkens weer, ’n kind van jóú, van jou—en als jij évenveel van me hield, zou je óòk ’n kind van mij willen hebben … ’r niet zóó over denke.”
’t Was de eerste maal dat ze over ’n kind sprak. ’t Sloeg me tot droomerig nadenken. Als zij ’t zóó voelde kòn ’t wel juist zijn. Ik voelde ’t niet. Hoe kwam dat?
„En je hóúd ook niet van me”—, vervolgde ze warm: „’k droom niet ellek oogenblik voor niks, dat je van me weggaat!”
„Krijg ’k nou ook al uitbranders voor wat jij blieft te droomen? Droom níét!”, lachte ik.
In de alkoof hoestte ’t kind, minder-droog, toch met benauwde nakreunen. In eens zwègen we.
„Mamma!”.…
„Ja, snoetje!”
De hoest kraakte in ’t borstje, duurde kort. De zieke was aan ’t beteren. Koorts was er haast niet.
En ook den volgenden dag ging Ka vooruit, teerzwakjes in ’t bedje, met buien nog van kregeligheid, maar ’t gevaar leek voorbij en ’k was ’r zeer gelukkig om, gelùkkig dat mijn blonde kindje [330]weer druk en vroolijk was en naar m’n malle verhaaltjes luisterde met limpiede kinderoogen. Er gebeurde alleen nog dit in die dagen, dat ’k ’n slordig geschreven briefje kreeg.
„Beste Alf,
Mijn moeder is gister gestorven, zonder dat ik aan ’t sterfbed was.
In haast.—Scherp.”
[331]