WeRead Powered by ReaderPub
Kamertjeszonde cover

Kamertjeszonde

Chapter 38: XXII. Opgang.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een ik-verteller, Alfred Spier, herinnert zich verstrikte huiselijke verhoudingen en een episode van overspel die sociale veroordeling uitlokt; het verhaal bevraagt de hypocrisie van de burgerlijke moraal en beschrijft seksuele relaties onomwonden, bewust in strijd met beleefde literaire omgangsvormen. Door scherpe, ongekunstelde scènes en opgenomen polemische brieven over realisme en zedelijkheid zet de tekst aan tot debat over schaamte, familiale plichten en de dubbele standaard die verlangen stigmatiseert. De toon is confronterend en direct, bedoeld om conventies van sentimentele verbeelding ter discussie te stellen.

[Inhoud]

XXII.

Opgang.

.….….…… Ween vrijelijk, mijn vrouw: er bestaat geen wijde, wijde wereld—er is ’n aarde met klamme kamertjes en straten; er is geen God: er zijn kérken—er is geen liefde: er is gehoereer om geld en bezit—er zijn geen mènschen: er zijn nìèt-voelende, stupiede clowns—er is geen vrijheid: er is de gedrochtlijke overheersching eener alles bevuilende klasse. Laat uw tranen gaan door dit boek, mijn kind,—dit eerlijk boek dat ik rinklen zal door de ruiten dezer liederlijke burgerij, niet vragend om datgeen waarom anderen plegen te vragen.

O, ik bén weer sterk door mijn geloof in de bevrijding van alle verdrukten—er daagt een horizon, er daagt nieuw leven. En al ondergaan wìj nog de smart, de ellende der heerschende levensbeschouwing, wij mogen niet te lang verwijlen bij dingen die klein zijn in verhouding tot den grooten strijd dien wij mede gaan strijden. Want nù weet ik hóé het zal zijn, nu wéét ik volkomen wat mij vroeger vaag voor den geest stond, nu wéét ik dat geen waarlijk vrije, bevrijde liefde voor een vrouw of een kind mogelijk is, vóór het moeras dat ons allen verpest is gedempt.

Berusting, mijn kind, is een schoon iets en voorwaar zij past ons als denkende menschen, als kleinlingen tegenover eene godheid, die wij ons voorstellen willen als almacht van waarheid en recht. Het past ons ernstig te bepeinzen de dagen des ouden dags en het onvergankelijk-grootsche der materie in hare oneindige phasen.

Maar berusting tegenover deze clowns, die wreed, zelfzuchtig en driest, geen andere schoonheid kennen dan het beest Kapitaal, berusting tegenover onderdrukkers, lieden-zonder-verheffing, zònder idealen, ware de dood voor ons best zieleleven.

Samen zullen wij thans mede onze schouders zetten onder dit oude, hideuze gebouw, onder deze verachtelijke ruïne, al beleven [391]wij nimmer de donderende instorting, den razenden tuimel van binten en muren op de hoofden der fulpen schooiers.

Nù nog is huwelijk een beschimping, een hóón, een stinkend bourgeois-braaksel, nù nog is de godheid boerenbedrog, kwijl van dienstjes en boeken, maar het einde nadert van dit verkankerd leugenras dat moordt, er op los hoert, vrouwen versjaggert en kinderen opkweekt in bedrog.

Het einde nadert door hén, die onze makkers en genooten zullen zijn.

Mijn kind, ge moet mèt mij trachten het triestige van kamertjesleven te ontvluchten. Bij tijden in stille schemeruren zullen wij zacht-spreken over onze herinneringen, de oude smart hervoelen. Maar nu wij geleerd hebben kracht bij en met andren te zoeken, zullen wij beiden den schoonen opgang kennen uit dezen stratenwalm, uit de besmetting der bourgeoisie, den opgang door de wijde poorten van ons nieuw en groot geloof.

En, wanneer onze kinderen ouder geworden, zullen zij tot ons komen—in eerbiedige liefde.