[1] vromigheid: prouesse.
HET NEGENDE CAPITTEL.
Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte, om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's Konings Volk, die hun Koning wreken wilden.
Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was, "want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."
Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was, en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.
De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe, de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren werwaards zij hunnen weg zouden nemen.
Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen schreiden om hun wechreizen.
Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel dat men de valbrug nederliete.
De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet. Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."—"Wildy gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat, Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat, dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.
Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar, en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden, vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning, dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en wisten wij niet, waar ons te onthouden."—"Wat is ons aan dit verblijf gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het zoude onder onze handen koper worden."
Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem, dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet—het zal hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen." De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning, mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide: "Zeg uw Heeren—inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!—dat ik ze noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.
Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet, Heer!"—"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze have[1] eischtet?"—"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet meer een penning."—"Zeide hij dat?" riep Reinout.—"Ja hij, Heere! en hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet mij in 'et vuur."
Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide: "Ik beveel u en Writsaert—Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."
—"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat beters!"—"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.
Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg. "Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet kleeden—geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede, dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog berouwen!"
De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave u kleederen noch schat."
Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!—Maakt u des wech—men geeft u niet een mijte!"
—"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....—
"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en 'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote felheid.
Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout te paerd gezeten—en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot, zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat zij veel volks versloegen.
Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen—en hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.
"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn bedwang—nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te sneven."—"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan niet zijn!"
Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van overbleef.
"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed," zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."
—"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker verblijf."—"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.—"Bij Ywein van Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand, daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan," ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en er een goed verblijf vinden."
"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.
"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.
Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.
In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat Yweins slot."—"Welk is 'et?" zeide Reinout. —"Naast aan de rotsen; bij dat woud: dat hooge kasteel—daarginds —met dien breeden ringmuur en die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"
—"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders; legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.
Zij spoedden zich onverpoosd voort.
Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"
Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden —om hen te zien en het Ros met de schoone gestalte.
Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem neder.
"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en dag, en u uit ál ons vermogen helpen."
Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."—"Dat loone u God!" sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." —"Zoo 't u gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."—"Al-te-gader," zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn, de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel ridder. Nu kent gij onze namen."
[1] have: goed.
HET TIENDE CAPITTEL.
Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich versterkte tegen den grooten Koning Carel van Frankrijk.
Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde, dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne wonden genezen waren.
Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun knijven en zwaerden vervegen[1]: hunne harnasplaten waren mede vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe, prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de goede Ridders zaten moedig op.
Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit Ywein groote schade gedaan werd.
Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.
Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan drie jaren.
Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij erfschap gekomen ware.
De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.
Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen zone Lodewijk zoû uitleveren."
Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning —en spoedig bracht men hem voor Ywein.
"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel, de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."
De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond[2] hem en las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk hadden doodgeslagen.'
Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden, opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.
"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak? Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze den Koning niet—zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen land."
Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't ook niet—u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de keel."
Hugo van Averne[3] sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen dienst—zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert—uw huismeyer[4]. Verriedt gij ze—'t ware een wandaad."
Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar gewapend nader.
Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout: "Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning! En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren—daar is alom menig Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije, in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk—de hoogsten van het land zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden. Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."
Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem ten spijt—ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens Carel."
Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf[5] aan uw eer gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze zoû doen folteren en dooden—dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar volgt ge mijn raad, Heere—gij zult ze in Poelgiën of een ander land laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."
Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar vallen."
Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning—ik had 'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan! nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer bewaren—zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem de rots aan de Gironde[6]: hij zal er aanstonds een vaste burcht op bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen bij uw dochter te verwekken—dan is hij op het innigst aan u verbonden, en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."
—"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan, dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."
De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.
"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.
"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee[7]—ik zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen voorzien.... Nu zegt mij—wilt ge handelen als de wijzen, en mijn voorstel aanvaerden?"
—"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde staat een rots—wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang, waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."
Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."
—"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw zone—zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste Jonkvrouwe van Christenrijk!"
Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."
Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein geroepen.
"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken, opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"
—"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone, roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er bij."
Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.
Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met éen woord, een groote, goede bruiloft.
Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen aanstonds het huis te vesten.
Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had. Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen; twee paar muren gingen er om rond.
Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen, vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500 personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede gesticht.
En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij: "Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"
—"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."
—"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."
[1] vervegen: op zwaardvegerswijze herstellen.
[2] ontwond: ontdeed van het zegelkoord.
[3] Averne: Auvergne.
[4] huismeyer: hofmeester.
[5] geen kaf: zooveel als niets.
[6] Gironde: mond van Dordogne en Garonne.
[7] Zuidzee: Middellandsche Zee.
HET ELFDE CAPITTEL.
Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden "Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde.
Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob. Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo schoon."—"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich over 't water zetten.
Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein—Reinout met zijn dochter gegeven had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'
Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'
De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk; hij is uit zijn land verdreven."
—"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout. Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der burcht, aangelegd een schoone stad."
—"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."
Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket genade: en hij zal ze u doen."
Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."—"Wilt gij u dan tegen Koning Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone Lodewijk!"—"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen—ik wil hem Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit zeggen?—Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met mij te dreigen."
Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide: "Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet mijn boodschap aan den Koning."
Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer gedaan.'
Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout, verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te helpen.
Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang. En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.
HET TWAALFDE CAPITTEL.
Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze wilde doen hangen.
Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert, zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van rouw."
—"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't mag, ik moet mijne moeder zien."
—"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren, kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen. En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen voor de onzen."
Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't, dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben —maar een ander Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als waren onze kleederen nog wat beter—doet 'er meê dat gij wilt."
Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns Kinderen, die ze aantrokken.
Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.
Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land, te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat gij ons inlaat."
Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet doen."—"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."—"Om Gods wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen! laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood, God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat ze God van der dood behoeden wil!"
Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en spijzigen ter liefde der Jonkheeren."—"Dat loon u God!" zeide Reinout. Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"
—"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout, "wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën, en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst als thands."
Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en drinken geven."
De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.
Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"
De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide: "Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte—ik duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij, Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel wijn niet drinken, als gij alleen doet."
Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ... reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij dat ik u mijn leven lang danken zal!..."
De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.
Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij, "ik wilde dat ik meer had van dien wijn!—want had ik nog een schale, ik en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens wech van Reinout.
Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide: "Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt 'et gezworen; en wilt gij 't niet doen—zoo zal ik tot den Koning rijden en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."
Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders begeven!"
Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende, werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder. "Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide: "Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere, Koning Carel, wien ik het gezworen heb."
Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft ons raad! Weet gij ons geen raad te geven—wij zijn verloren; want Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide: "Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas, geen anderen raad!"
Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden voor de kamer staan.
Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert: "die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef dood, of zeer gekwetst.
Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste; maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op; hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne slagen.—Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden zwak."
Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem vluchtte als den dood.
Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij geraakt—het blijft er ál dood."
Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben, maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen! Sloegt gij onzen vader dood—die vreeselijke misdaad mochten wij nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel verworven wij nimmermeer zoen!"
—"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem haastelijk tot Koning Carel."
De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan; want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede." Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan, indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.
"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude gedaan hebben."
De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't paerd ligt?"
Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan; ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!" De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden. Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem: "Zijt wellekom, Heer Haymijn!"—"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u, ontferm u mijner!"—"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik 't vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."
—"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.
Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich wapenen zouden; zoo Edel als onedel.
En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar tenten begonnen te slaan voor het kasteel.
Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons geenen raad?"
Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig: "Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan; hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn broeders moest laten.
Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden God voor hem.
"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart! nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen, doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets, tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen bidden."
Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam, wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."
Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.
Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede de broeders zorgvuldig bewaken.