WeRead Powered by ReaderPub
Karolingsche Verhalen cover

Karolingsche Verhalen

Chapter 23: HET VIJFTIENDE CAPITTEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of medieval Carolingian legends rendered into modern Dutch that retells four traditional narratives. The pieces portray courtly ceremony and honor, disputes that erupt into sudden violence, kin-driven vengeance, alliances with outlaws, martial tests and quests, and a chivalric romance threaded through trials of love. The editor preserves the narrative rhythms of older sources while adding concise commentary and linguistic modernization, presenting folklore, legal custom and devotional sentiment as dramatized episodes that illuminate medieval social codes and recurring narrative motifs.

[1] —een uitroep.

[2] Ferragute: een reus.

[3] Simonie: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, waarbij voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan verbonden is, méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of kunst-waarde; het verkoopen van al wat slechts geestelijke waarde heeft, wordt als zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. Hand. der Apost., Hoofdst. VIII, v. 18—20.


HET VIJFTIENDE CAPITTEL.

Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden, dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning daar hij lag en sliep in zijne kamer.

Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal 'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en nemen de schuld op mij."

Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen, "Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning.

Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" —"Heer," sprak hij, "ik neem de schuld op mij."—"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning streng.

"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent Beyaert—gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen vangen—alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." — "'t Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem ondoenlijk was."

—"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschiên."

Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep: "Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!"

Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon 'et u Heer Koning!"

En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen langer uitstel."

De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is."

"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten nog heden doen hangen."

De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u, zoo gij ze ter dood laat brengen."

De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"—"Neen ik," zeide de Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen—en gij zult u niet kanten tegen uwen Koning."

—"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij—maar tegen deze wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning! daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten." Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zoû laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon.

Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen—'t moge gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen mij—wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u leven en sterven willen.

Toen trad de Bisschop naar éene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen, die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondiën, en zeide: "Heer Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen, die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije; daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hém daartoe niemant aangezocht!

Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?—Ik zie wel, ik heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in de nood!"

—"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij zijn uw vleesch en bloed!"

Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren nu over u voldoende gewroken zijn." Met-één ging hij daar de drie Heeren zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!"

—"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land."

Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op zijn grijzen baard.

De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten, zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste: laat ze verdingen."

De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde, heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede scheidde de raadsvergadering der Heeren.

En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet beter van ure tot ure of Koning Carel zoû ze doen hangen.

Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u," zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten.

Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig.

Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan —wij moeten sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden." En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis meê had, en zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!" Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse." Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker.

Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem en gedaante des portiers—"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal u geen verlof geven—dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de Heeren, en ging tot den Koning.

Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op Montalbaen.

Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede veiligheid.

Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et werkelijk geschied ware.

En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat 'er àan was—droom of wezenlijkheid.

En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt was.

Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval.


HET ZESTIENDE CAPITTEL.

Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel, en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg.

Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe mare."—"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd duchte, eer gij daar komt."

Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg—nu bidde ik u, dat gij derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000 mannen."

Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier: "Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met 8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier, de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en gingen uit elkander om zich reede te maken.

Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.

De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en stond met gestrekte handen.

Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.

De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"

Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.

De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met zijne scharen: God wil ze beschermen!"

Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien—zoo vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam reden zij naar Keulen.

Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.

Als de Heidenen—de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en vele Ridders van den paerde gestooten.

Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door Roelant.

Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant verstelde noch verschoot er niet af.

De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe, dat hij hem kloofde tot den paerde.

Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er 60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een geharnasten Heiden in tweeën.

Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig Sarazijn met der dood bekocht.

Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden, daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.

En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren vriendelijk wellekom.

De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u, Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille, hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."


HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.

Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende, en het de kroone won.

De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik zulk een Ros, ik zoû 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout dwingen."

En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt gij er Reinout meê dwingen."

Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede, de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant, dat hij u daarmede dwinge."—"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht brengst du mij! waar zoû hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zoû onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!"

Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem: "Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne, het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat 'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al zijn opzet van geener waerde."

"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt; maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt."

Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen.

Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen. En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was, ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap.

Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur—want hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde gehad.

Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders, zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf zoo wit als sneeuw.

Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe! onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen." Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."—"Nu laat ons de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen."

Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen; hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten.

Ondertusschen—het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen."

"Wat zegt gij, bode?" andwoordde dé Koning; "ik weet, dat Reinout hier niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarmeê winnen!" —"Edel Heer Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs."

Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide: "Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga; en is 't dat gij hem vindt—zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u met goud opwegen."

Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit, en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout wierd gevangen[1]: want de wegen zijn nauw bezet!

Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde—zoo zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!"

Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs. Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo zoetelijk in Brittaansch of gij geen Françoisch en kondet."

Op dat oogenblik zag Fouke—Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand! laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien wij ongedeerd gaan kunnen."

—"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op Reinout toe en hadde een lancie in de hand.

Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?—God helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik zoude zeggen dat hij 't was."

Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke: "Spreekt Françoisch!—de Booze moog dy verstaan! —Vaar heen en heb ramp!"

Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet verslagen?"—"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem verstaan: want hij is gekomen uit Brittaniën." Toen stak Naymes zijn zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat 't paerd maar loopen mocht.

Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide: "Spreekt Françoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind, maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij, van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en maaksel."—"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want 'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling, mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout daarmeê te dwingen—'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker hopende de kostelijke kroon te winnen."

—"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde: "Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen heel Senlis, Blois en Amiëns." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven."

Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t' vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'—"Neen wij, Heer Koning!" antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen Amiëns en Orleans."—"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des, en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost—ware 't dat mij Reinout ontkwame!"

—"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!"

Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort 30 gewapende mannen.

En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn hoofd door het klinket[2], en zag daarbinnen een gewapend man staan; dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten."

Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!" Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik heb gehoord dat hij vóór of achter is, en het sterk op 's Konings oneere heeft toegelegd."

Bij Reinout stond een rabout[3], en zeide: "Zag ik ooit Reinout—zoo zie ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit: Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor zijn borst, dat hij dood viel.—"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs, "'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide: "Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden.

Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden.

Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten had.—Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die geen goed paerd en had, was verdrietig.

Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet, deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en geen geld daaraan sparen."

Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde stappen maken."

Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste, en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren.

Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te winnen, een groot eind voor.

"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone winnen?—dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning, werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zoû zeggen dat 'et Beyaert ware."

Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout verre vóor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de kroone wech.

Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever, verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is, wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit Reinout—zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne kroone weder!" Reinout zeî: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zoû!... Dat mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!"

Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?" —"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!"

—"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zoû ons niet baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning! gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij reden te zamen in Montalbaen.

[1] ''t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen: Reinout werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen.

[2] klinket, ook winket genaamd: hier een luikjen in een poortdeur.

[3] rabout: slechte knaap.


HET ACHTTIENDE CAPITTEL.

Hoe Koning Carel—Koning Ywein ontbood, toen hij Hof hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne broeders leveren zoude in Koning Carels geweld.

Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij een andere kroone moest doen maken.

Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en ging met hem in een duistere welf.

Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"—"Maar laat niemant van ons opzet vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam hij 'et, hij zoû mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel; want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."—"Vreest niet," zeide Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet ontgaan om geen goed."

Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere Heeren, en reed met haaste na zijn land.

En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning, "ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer[1], gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen, ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud." Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings woorden, want zij hadden het goud lief.

Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel[2] van den heire." Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten.

Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongiën gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter jachte te Bordeas in 'et woud.

God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen op zijnen schilde.

"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder: want wij hebben te lange gejaagd."

Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse, mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede achtergelaten!"

En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide: "Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij zijn!"

Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." —"Waarom hebt gij mij niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen, met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn."

—"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt." Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom bieden? zal ik voor den Koning op de kniën vallen?" Ywein zeide: "Gij zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken, wollen en barvoets."

Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag."

—"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300 mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze mij en mijn broeders te hulp kwamen!"—"Dat en mag niet zijn," andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alléén derwaards trekken; gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt, dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van Arragon, zonder wapens in uwe kleederen."

Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zoû ik zoo in Vaucoloen varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!"

—"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!"

—"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."—"Zoû ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen."

—"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel gewapend: zoo mag u geen kwaad geschiên: want, acht! ik ben zoo zeer bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil, zoo gaat—gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn."

Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!" sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware, vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den voetval doen."

Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen halen, en de mantels daar ze in rijden zouden.

De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe; zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zoû niet gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en verborg ze onder zijne kleederen.

Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam!

Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."—, "Gij zegt waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"—"Hoe is 't u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?" Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!"

Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen zeiden de broeders: "Reinout laat ons vliên, want Koning Ywein heeft ons verraden."—"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad niet zoude plegen!" zeide Reinout.

Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien, en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen."

Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u, wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden, opdat ik den Koning te voet valle!"—"Ik zegge u, Reinout," antwoordde Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om 20000 kroonen."

Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag, riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en hebbe geen nood."

Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij, broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout aan.

Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst. "God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen voeren den Koning."

Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde, hebben zijn broeders elk een François van den paerde geveld en de rossen bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden wij—want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft ons verraden."

—"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand; wijk ik heden eenen man—God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags.

Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen.

Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert andwoordde niets.

Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging.

Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen —van Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en ontzetten hem!"

—"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen: Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle."

—"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem den Koning, die hem hangen zoû, ware 't dat hij hem kon meester worden? Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat zoû men zeggen?—'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning Carel strijden wilden: schande over hen—want de Koning heeft éen broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!"

Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd, dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte[3]: zoo veel was Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai, Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn broeders: mij ziedy nu nimmer weêr."

Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam—niet als een mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle dood."

Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij nabij kwam in tweeën: doodde nog twee andere: de overigen boden geen weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!"

Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u voor God: gevalt het u weêr—ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide: "Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen: dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den zadel.

"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen, den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen."

Maar Reinout was reeds weêr bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep Reinout.

En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om niet: hij heeft 'et met de dood bekocht."

Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en vochten als deze broeders deden.

Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en hij viel in onmacht.

Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde.

Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder!

Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert: maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur niet wederstaan en konden.

Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen.

Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe, en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk.

Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig.

Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij—lieden moogt u wel klagen vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag."

Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier: "O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"—-"Calon, gij liegt daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds geboet."

De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet—gij zoudt verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet, ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer betichtet met verradenis."

De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige stede getrouwelijk gediend—maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog langer strijden."

—"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?"

—"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier—want, zoo helpe mij God! ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar mij leed."

Ogier zag Reinout met zijn broeders op de kniën liggen, en zeide: "Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide: "Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide: "Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft hij aan mij!"

Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u geleiden!"

Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen." Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben hier hooger zake: dunkt het u goed —ik zal vertrekken, en gij zult met uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg, wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag."

Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken.

Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was belegerd—had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had.

Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger."

De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert—Madelgijs zag, sloeg hij naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel, dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede, greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij 't niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs, op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven verliezen, is 't dat du niet en helpst."

Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs.

Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke speer in de hand, en reed na Vaucoloen.

Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen; en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit.

Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden alle de dood voor oogen.

Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons thands wel uit de nood helpen!"

Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide: "Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar, mocht ik Beyaert zien—ik ware gezond."—"Ik zie hem komen, broeder!" andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht slaan."—"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste."

Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen, en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal, daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder! ik voel mij genezen."

Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader, dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!"

—"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied, ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en liep ter rotsewaart.

Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied." Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen en voeren ze tot Koning Carel."