WeRead Powered by ReaderPub
Karolingsche Verhalen cover

Karolingsche Verhalen

Chapter 31: HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of medieval Carolingian legends rendered into modern Dutch that retells four traditional narratives. The pieces portray courtly ceremony and honor, disputes that erupt into sudden violence, kin-driven vengeance, alliances with outlaws, martial tests and quests, and a chivalric romance threaded through trials of love. The editor preserves the narrative rhythms of older sources while adding concise commentary and linguistic modernization, presenting folklore, legal custom and devotional sentiment as dramatized episodes that illuminate medieval social codes and recurring narrative motifs.

Ten leste zonk het Ros...

De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende minlijk liet gaan!"

Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden met hem te hebben, en reed weder naar het heir.

Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare kniën en bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet verzoenen.

En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft—en mij toelaten daarmeê naar welgevallen te handelen—zoo mag hij tegen mij verzoenen—en anders niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst; zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen mogen."

Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had, zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan—maar welhaast barstte Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede, droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig: "Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is onze Koning—en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag—wij mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den Koninge Beyaert geven zoude.

Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen meê handelen zoude—maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'—"Mij dunkt," zeide de Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang gewacht."

[1] truwant: lage knaap, bedelaar.

[2] blijden: steenwerptuigen.

[3] reedschap: instrumenten.

[4] engienen: machines, krijgstuigen.


HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.

Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe Reinout een heremijt werd.

Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft Reinout—Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer Koning, doet er mede naar uw welgevallen."

En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse, en werpen in de rivier.

Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout; toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn muil.

De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout—geeft gij den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy gehad; met slechten loon wordt gij beloond!"

Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende: "Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet omzien zoude na Beyaert.

Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere; toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen.

Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te Montalbaen.

Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide: "Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, beleîde ons in Ardennen, en vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene zóo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede; aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert verdrinken."

De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en mochten hem en zijner machte niet wederstaan."

Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken tot den voeten. Geen Ros, zoû hij na Beyaerts doode meer beschrijden; geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden!

Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen, door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar hem niemant en kende.

Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide: "Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar éenen wensch: dat ik mijn zonde konde biechten en boeten—want mijne misdrijven benauwen mij onlijdelijk."

De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de zonden laten en niet meer doen—zoo valt dan op uw kniën en bidt God oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig einde moogt brengen."

Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik blijve dood van koude en van honger, want mijne kleêren zijn aan stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken."

Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide: "Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien." Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God. Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide, dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende: "Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen verloren hebben."—"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem.

Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte dat hij daar wél op rusten zoû; want de nacht overviel hem. En als 't begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat hij kwam in Sinte Jores' Braes[1]; daar vond hij schepen en voer in het land van den Islamme[2]. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat hij kwam in de haven van Tripoly.

[1] Sinte Joris' Braes: Bras de St George, de Dardanellen.

[2] Islamme: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet Stamme, het duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda.


HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.

Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en hoe Madelgijs bij hem kwam, én hoe Madelgijs dood bleef in het beleg van Jerusalem.

Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een nieuwmare kwam, dat Tabarië belegerd en Akers in grote zorge was, en dat er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te voorkomen.

En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen, werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knieën en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom, dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde. Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen. Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild. Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig Sarazijn mede doodsloeg.

Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder, liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich, en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden.

En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam van zijn oom Madelgijs.

Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen—de Christenen bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen. Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem kwam eene stemme van Godes wege, die hem opleîde, "dat hij zoude gaan en helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner konste en van zijner Godsvrucht.

Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele land.

Uit het land van Syrië, van Tripoly en Antiochië vloeiden de scharen bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van Syrië gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten leggen, om elken verderen uitval te beletten.

Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk werden gesteld.

De Soudaan van Babylonië daarbinnen deed echter met mangneelen en blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen. Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig Christen sneefde daar, die te dier tijd vóór de stad de Turken kwam bevechten.

In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en vochten al d' andere vóór. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel[1] zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere; "vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!"

En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs.

Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf, stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen raad: wilt gij de stad winnen —laat ons dan wegen en poorten naauw bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad—en anders niet." Deze raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas.

Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren, werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met hulpe van Mahomet en Apolijn."[2] De Soudaan gaf toe, en de Turken reden uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag: zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen er vele; vele gaven er zich gevangen.

Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar Reinout vóór lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!"

Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten," 't welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan, dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze in zekerheid.

Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem.

En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'—"Wat mij betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout. Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden den Soudaan gevangen.

Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van Jerusalem, en viel voor hem op zijn kniën, en bad hem, dat hij hem zijn zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren. Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de Edelsten van den lande.

Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsiliën. En als zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen, die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't schip.

Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit goeden raad.

Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam, waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad. Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij van zijn vader zoû gehad hebben—daarom willen wij den Koning zeggen, dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant méér gehoord?'—'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittanniën, Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn[3].' Toen Koning Carel dit hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zoû doen vangen. Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken. Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem 'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide: 'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving. Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'—'Ik stem daarin,' zeide Guweloen."

Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend.

[1] quareel: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten.

[2] Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als Sarazijnsche afgoden voor.

[3] Dr. Mannes leest Herclijn; de vl. uitg. heeft Hebron.


HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.

Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot zwaren arbeid vernederde.

Reinout ging tot Koning Carel, en stond vóór hem als een arme pelgrim.

"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van over Zee en van de stad Jerusalem?"—"Heer Koning!" andwoordde Reinout, "ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg "wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning! hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man."

Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten: maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen aantrekken, en bewees hem groote gunste.

En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader, moeder, en zijne broeders niet weêrvond.

Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp, dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet: God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat zij kampen zouden.

Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad van Parijs.

Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden. Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar kwetste Galeran niet.

Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde. "Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd, waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en het loon kreeg voor zijne valschheid.

En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil, dat men dit wel versta!

Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen, en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan met den Koning.

Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.

Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der wegen droeg hij hout aan, en mortel[1] en steen, en was de minste onder de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.

[1] mortel: ciment.


HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.

Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen, en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam.

Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards timmerliên en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen.

Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden. Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde.

De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote, mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zoû kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen eenen penning!"

Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij méér verdienen zult: wilt gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga—'k en wil zoo veel niet winnen."

De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken."

—"Heere," zeide hij, "dat doe ik!"

En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alléén steenen aan, die ze met hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden.

Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar éenen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alléén meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar éen gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman." Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest—hij zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking.

Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en het werk schier alléén deed. De meesters, hoogst voldaan over hem, vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen: "Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."—"Ik weet beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan."

En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed, bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water—nochtans en mocht de last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf.

In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had 'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was, en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij genezen.'

De vrouw ontsprong[1] met dien visioene en dede zich kleeden, en op den Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar kniën, en zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken, en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken om de ware oorzaak te vernemen.

Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren—wist ik wie u verslagen hadde, ik zoû hem den Koning zenden!"

Als die van Dortmunde[2] dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en vielen op de kniën voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun woû geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk: "Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde, 'twelk menig mensch zeer verwonderde.

De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom. En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes, Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken.

[1] ontsprong: stond op.

[2] Dortmunde: stad in Westfalen.


HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.

Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen kwam.

De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.

Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen, en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning! wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in den Rijn.

Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was. Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien 'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad: "Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder menschen hulpe—dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel: "Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote rouwe en misbaar.

En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.

Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in 'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest! Amen.

Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.



WILLEM VAN ORANJE.

A. D. 806.

"Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs!
"Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs.
"Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten—
"Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten.
"Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt:
"De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;"
Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus,
Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.

"Maar wie zal...?"—Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;.
"Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man!
"Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder,
"Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder,
"En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen meê.
"Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André
"Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden....
"Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.

"Geef gij aan den broeder het noodige geld!"
Nu dit hem met-een in de hand is geteld,
Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden,
En was ook al gaauw uit het klooster gereden.
Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort.
De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord....
Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren....
Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren.
Zoo'n kloostergeleerde—'t staat vréémd op een paard!....
Die staljongen—is zonder grónd niet vervaard;
Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)
Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek.
Zoo denkt ge!—maar och, hoe bedriegt soms de schijn!
Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!—
Al lijken de kappen een haar op elkander,
Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.

Nú rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch;
Twee korfjens, een knaap, voert hij meê op zijn ros;
Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede
Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.
Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst—
Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht
Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden—
Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden—
En de vuist, die den slappenden toom soms vervat—
En de knie, die zich spant en het bergachtig pad
Den klepper op éénmaal soms over doet schieten,
En springen en waden, waar beektakken vlieten
Of heester en kloof hem den weg soms verspart—
Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.

Geen wonder! geen wonder!—de bode, die heden
Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden,
Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard;
Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard
Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje:
Dat schild—was het wapen van 't Prinsdom Oranje.
Oranje! geen held onverwinbaar als hij!
Een Roelant-alléen stréeft dees Willem op zij.
Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven.
Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven.
Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp—
Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp:
Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen,
Herroepend zijn helden:——Geen dooden, die hooren!
Oranje!—steeds galmden de harpen zijn naam!
Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam!
De dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen—
Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen!

Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn
De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn:
Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen.
Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.

't Is lang geleên!—hij had, na felgevochten strijd,
Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.
Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne,
Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhône.
Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr;
Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir,
Dat op de wallen van de leêggeroofde veste
Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte
De stoutste plonderaars te levren in zijn hand
En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band,
Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden
Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden
Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door
Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor,
Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have,
Naar wellust martlen woû, den jongen Christen Grave
Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht—
Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht.
En de Emir, dol van spijt, doch met betóomde woede
De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede
't Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees;
't Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees
"Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade
"Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade!
"Uw woord tot onderpand—en, om mijns Heilands wil,
"Ontboeit hem, knechten!"—Maar op eens, wat luide gil!
Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen;
Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren;
De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat,
Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat
Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen,
Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen,
Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros.
En barst in dank op dank en tranenstroomen los.
"Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten!
"En wat de vader deed—ik wil daar nóg voor boeten,
"Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed
"Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet
"Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behouën?...
"O, vraag een losprijs!—dat mijn harte moog vertrouwen!"
—"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert,
"Die mij mijn vijand leert beminnen—die begeert
"'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden
"Der dochter weêrgeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!"
Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst:
Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst.
En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden—
Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden
Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre stem:
"Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?"

O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven
Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven.
Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot:
De God van Willem werd der teedre maged God:
En—knielend voor den troon van Keizer Charlemanje,
Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.

Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel
Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel,
Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden,
Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden
In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag!
Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:—de volle dag,
Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister:
Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister
Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên—
Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen!
Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!...
Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen;
Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast....
Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast
Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte
En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte.
Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint,
En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt.

"Heer!—Heer!—hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch?
"'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis,
En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten
De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.

"Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man,
Zóo zijn wij het bosch uit——Ons valt men niet ân:
"Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren;
"Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren.

"Gedraafd en gezongen met vrolijken zin!
"Dan halen niet eens die kornuiten ons in."
—"Heer ... 'k durf niet;... maar—daar gij 'et wilt—zal 't gebeuren."
En bevend begon hij een lied jen te neuren.

Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch
Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!'
Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen,
Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.'

En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft,
Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd.
Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden,
Die ginds langs het lover de takken ontblaarden:
Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach
En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag
Den een na den ander een zevental ruiters,
Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters!
"Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht,
Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht.
En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mâmêt:
"Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!"

"Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak
"Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...."
En Willem betoomt zich met moeite van binnen;
En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen:
"Dat pak?—'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij
"Voor schatten vermoeden in grauwharen pij!
"Ik bid—laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!...
"Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen."