WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 121: Midir de trotsche.
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

Ethné hoort stemmen

Nu volgt een eigenaardig pathetische episode, die ons een blik doet slaan in de teederheid, men zou des noods kunnen zeggen het hartzeer, waarmede de oude Iersche Christenheid terug zag op de verloren wereld van het heidendom. Terwijl Ethné op zekeren dag in de kleine kerk aan de Boyne bad, hoorde zij plotseling een suizend geluid in de lucht, en ontelbare stemmen, naar het scheen op grooten afstand, die weeklaagden en haar naam riepen. Het waren haar verwanten uit het Volk van Dana, die nog altijd te vergeefs naar haar zochten. Zij sprong op om te antwoorden, maar werd zóó zeer door aandoening overmeesterd, dat zij flauw viel op den grond. Na korten tijd kwam ze weer bij, maar van dien dag af was zij door een doodelijke ziekte overvallen, en korten tijd daarna stierf zij, met het hoofd op de borst van St. Patrick, die haar het laatste oliesel toediende, en beschikte, dat de kerk naar haar Kill Ethné moest worden genoemd—een naam, die zonder twijfel in de dagen, dat dit verhaal werd vervaardigd, door een werkelijke kerk aan de oevers van de Boyne gedragen werd.41

Christendom en Heidendom in Ierland.

Deze verhalen, in verband met tallooze andere legenden, die zouden kunnen worden aangehaald, stellen de houding der oude Keltische Christenen, tenminste in Ierland, tegenover de godheden van het vroegere geloof, duidelijk in het licht. Zij schijnen het denkbeeld buiten te sluiten, dat ten tijde van de bekeering van Ierland tot het Christendom, de heidensche godsdienst verbonden was met wreede en barbaarsche gebruiken, waarop de nationale herinnering met afschuw en ontzetting zou terug zien.


1 Dealgnaid. Wij zijn hier, evenals op enkele andere plaatsen, verplicht geweest, de Iersche namen zóó te veranderen, dat zij door onze lezers kunnen worden uitgesproken.

2 Zie blz. 31, noot 2.

3 Wij volgen in dit verhaal de vertaling van R. I. Best, van den “Ierschen Mythologischen Cyclus” en d’Arbois de Jubainville.

4 De Jubainville “Iersche Mythologische Cyclus”, blz. 75.

5 Spreek uit zooals in het Engelsch Yeo’ hee.

6 De wetenschap der Druïden, werd, zooals wij zien in verzen overgebracht, en de dichters van beroep waren een tak van de kaste der Druïden.

7 Meyer en Nutt, “Reis van Bran,” II, 197.

8 “Moytura” beteekent “De Vlakte der Torens,” d.i. grafmonumenten.

9 Shakespeare maakt hierop een toespeling in zijn “As You Like It”. “Er zijn nooit zooveel verzen op mij gemaakt,” zegt Rosalind, “sedert de dagen van Pythagoras, toen ik een Iersche rat was—wat ik mij nauwelijks kan herinneren.”

10 Lyon, Leiden, Laon waren alle in oude tijden bekend als Lugdunum, de Vesting van Lugh-Luguvallum was de naam van een stad bij den Muur van Hadrianus, in Romeinsch Brittannië.

11 Het verhaal wordt door hem gegeven in een noot bij de “Vier Meesters,” Deel I, blz. 18 en wordt ook weergegeven door de Jubainville.

12 De twee andere zijn: “Het lot van de kinderen van Lir” en “Het lot van de zonen van Usna.” De verhalen van “De tocht der zonen van Turenn” en van “De kinderen van Lir” zijn door ons volledig vertaald in het werk “Groote daden van Finn en andere Bardenverhalen,” en dat van “de Zonen van Usna” (de Legenden van Deirdre) in de “Cuchulain” van Miss Eleonor Hull, beide uitgegeven door Harrap en Co.

13 Vertaling van O’Curry uit het gedicht “De slag bij Moytura”.

14 O’Curry, “Zeden en Gewoonten”, III 214.

15 De oude verdeeling van het jaar bij de Ieren bevatte slechts drie jaargetijden, daar de herfst bij den zomer was ingedeeld (O’Curry, “Zeden en Gewoonten”, III 217.)

16 S. H. O’Grady, “Silva Gadelica”, blz. 191.

17 Blz. 104 env. en verder op verschillende plaatsen.

18 O’Grady, ter aangehaalde plaatse.

19 O’Grady, ter aangehaalde plaatse.

20 Zie blz. 97.

21 Miss Hull heeft dat onderwerp in den breede ontwikkeld in de inleiding van haar onschatbaar werk, “De sage van Cuchullin.”

22 Zie het verhaal “Etain en Midir, in Hoofdstuk IV.

23 De naam Tara is afgeleid van een verbogen vorm van het zelfstandig naamwoord Teamhair dat beteekent “de plaats van het wijde uitzicht”. Het is nu een breede, grasrijke heuvel in het graafschap Meath, bedekt met aardewerken, die de plaats aanduiden der oude koninklijke gebouwen, die men nog alle naar oude beschrijvingen kan terugvinden.

24 Zie het verhaal van Etain en Midir. Hfdst. IV.

25 Zie blz. 99.

26 Wij kunnen niet instemmen met O’Grady, waar hij die godin met Dana vereenzelvigt, hoewel de naam “De Groote Koningin” schijnt te beteekenen.

27 Gerald, de vierde Graaf van Desmond. Men verhaalt, dat hij in het jaar 1398 is verdwenen, en de legende zegt, dat hij nog altijd leeft onder de wateren van Loch Gur, en dat men hem eens in de zeven jaar op zijn wit paard om de oevers heen kan zien rijden. Hij had den bijnaam van “Gerald de Dichter” wegens de geestige en vernuftige gedichten, die hij in het Galisch vervaardigde. Toovenarij, poëzie en wetenschap waren in den geest der oude Ieren in één begrip vereenigd.

28 “Populaire vertellingen van Ierland”, door D. Fitzgerald in “Revue Celtique,” Deel IV.

29 “De Reis van Bran”, Deel II, blz. 219.

30 In het Iersch, Sionnain.

31 Vertaling van R. L. Best.

32 De zonneschepen, die men in snijwerk op dolmens vindt. Zie Hoofdstuk II, blz. 156 env. Men houdt in het oog, dat de Keltische geesten, hoewel onzichtbaar, stoffelijk zijn en gewicht hebben, in tegenstelling met die bij Vergilius en Dante.

33 De Jubainville, “Iersche Mythologische Cyclus”, blz. 136. Beltené is de moderne Iersche naam voor de maand Mei, en is afgeleid van een oudere stam, die bewaard is gebleven in het Oud Iersche samengestelde woord “epelta”, “dood”.

34 “Iersche Mythologische Cyclus”, blz. 138.

35 Ook hier volgen wij de vertaling van de Jubainville; maar men zie ook in verband met dit en de vorige gedichten de “Verhandelingen van het Ossian-Genootschap”, Deel V.

36 Teltin, zoo genoemd naar de godin Telta. Zie blz. 88.

37 Uitgesproken als het Engelsche “Shee”. Het beteekent letterlijk het Volk der (Feeën) Hoogten.

38 In het Engelsch uitgesproken als “Eefa”.

39 Die naam beteekent “Meisje met den blanken schouder”.

40 De hier in het kort weergegeven vertelling wordt volledig gegeven in het werk van den Schrijver “Groote daden van Finn” (Harrap en Co.).

41 Het verdient vermelding, dat de lettergreep “Kill”, die in zoo veel Iersche plaatsnamen gevonden wordt (Kilkenny, Killiney, Kilcooley, enz.), meestal het Latijnsche cella, een kloostercel, tempelvertrek of kerk, voorstelt.

Hoofdstuk IV. De Oude Milesische Koningen.

Het Volk van Dana na de Milesische Verovering.

De Koningen en helden van het ras der Zonen van Miled vullen nu den voorgrond van het tooneel in de legendarische geschiedenis van Ierland. Maar, zooals wij hebben aangetoond, de godheden uit het Volk van Dana zijn nog volstrekt niet vergeten. Het tooverland, waarin zij vertoeven is gewoonlijk voor stervelingen niet toegankelijk, maar toch is het altijd dicht bij de hand; de onzichtbare slagboomen kunnen door sterfelijke menschen overschreden worden, en dit geschiedt dan ook dikwijls, terwijl ook het Volk van Dana zelf dikwijls daaruit te voorschijn treden; stervelingen kunnen zich bruiden uit het Tooverland winnen, die hen na een tijd geheimzinnig weer verlaten, en vrouwen brengen roemrijke kinderen ter wereld, verwekt door bovennatuurlijke vaders. En toch, wat ook het Volk van Dana moge geweest zijn in de oorspronkelijke vóór-Christelijke opvattingen der Iersche Kelten, het zou onjuist zijn te meenen, dat zij in de legenden, zooals deze thans tot ons gekomen zijn, te voorschijn treden in het licht van goden, zooals wij dien naam opvatten. Voor het meerendeel zijn zij schitterend schoon, zij zijn (met enkele beperkingen) onsterfelijk, en zij oefenen geheimzinnige machten van tooverij en bezweringen uit. Maar geen enkele wijze van zedelijk bestuur der wereld wordt hun zelfs een enkel oogenblik toegeschreven, en evenmin wordt hun (in de litteratuur der barden) op eenigerlei wijze godsdienstige vereering gebracht. Zij sterven nooit een natuurlijken dood, maar zij kunnen door elkander en ook door stervelingen gedood worden, en over het geheel genomen is het ras der stervelingen het sterkste. Hun kracht ligt, als zij (wat dikwijls gebeurt) met menschen in strijd geraken in krijgslisten en misleiding; als de strijd eerlijk kan worden uitgevochten tusschen de beide vijandige machten, is het de mensch die overwint. De oude koningen en helden uit het ras van Miled worden dan ook dikwijls voorgesteld als zóó zeer begiftigd met bovennatuurlijke macht, dat het onmogelijk is in dit opzicht een duidelijke scheidingslijn te trekken tusschen hen en het Volk van Dana. De laatsten, zooals zij in de bardenlitteratuur naar voren treden, zijn veel edeler en meer verheven wezens, dan de toovergestalten, waarin zij ten slotte in de volksverbeelding ontaardden; men kan zeggen, dat zij een plaats innamen, gelegen tusschen deze en de Grieksche godheden, zooals die in Homerus geteekend zijn. Maar zoowel in Ierland als daarbuiten schijnen de Kelten niet die poëtische personificaties hunner idealen van macht en schoonheid te hebben vereerd, maar veeleer de elementaire krachten, voorgesteld door werkelijke natuurverschijnselen—rotsen, rivieren, de zon, den wind, de zee. De krachtigste eed was die, waarbij men zwoer bij den Wind en de Zon, of een andere natuurkracht inriep; geen naam eener Dana-godheid komt voor in een Iersche eedsformule. Toen echter in de latere perioden der bardenlitteratuur, en nog meer in de populaire voorstellingen, de Dana-godheden waren begonnen af te dalen tot een soort van tooverwezens vinden wij dat een karaktertrek naar voren kwam, die waarschijnlijk ouder was dan die, welke hun in de letterkunde wordt toegekend, en die in zeker opzicht verhevener is. In de letterkunde waren zij blijkbaar oorspronkelijk vertegenwoordigers van wetenschap en poëzie—de verstandelijke vermogens van den mensch. Maar in den geest van het volk vertegenwoordigden zij, waarschijnlijk ten allen tijde en zeker in latere Christelijke tijden, niet verstandelijke vermogens, maar die, welke in verband stonden met de vruchtbaarheid der aarde. Zij waren, zooals een plaats in het Boek van Armagh hen noemt, dei terreni, aardgoden, en werden, en worden nog door de landbouwende bevolking aangeroepen om vermeerderde opbrengst en vruchtbaarheid te schenken. De litterarische opvatting omtrent hen is blijkbaar in oorsprong Druïdisch, terwijl de andere de populaire is; en de populaire en ongetwijfeld oudere opvatting is de meest duurzame gebleken.

Maar die karaktertrekken der Iersche mythologie zullen beter naar voren komen in de vertellingen zelf dan in haar critische behandeling; wij zullen dan ook tot de vertellingen terugkeeren.

De vestiging der Milesiërs in Ierland.

De Milesiërs hadden drie aanvoerders, toen zij optrokken om Ierland te veroveren—Eber Donn (Bruine Eber), Eber Finn (Blonde Eber), en Eremon. Den eerstgenoemden van dezen, werd, zooals wij gezien hebben, niet toegestaan, het land binnen te treden—hij kwam om als straf voor zijn onbeschaamdheid. Zoodra de overwinning over het Volk van Dana vaststond, riepen de beide overgebleven broeders de beslissing in van den Druïde Amergin, in verband met hun wederzijdsche aanspraken op de oppermacht. Eremon was de oudste van beiden, maar Eber weigerde zich aan hem te onderwerpen. Zoo begint de Iersche geschiedenis met tweedracht en afgunst. Amergin besliste, dat het land aan Eremon zou toebehooren tijdens diens leven, maar na zijn dood op Eber zou overgaan. Eber weigerde echter zich aan deze beslissing te onderwerpen, en eischte een onmiddellijke verdeeling van het onlangs gewonnen gebied. Hierin werd toegestemd, en Eber nam de zuidelijke helft van Ierland, “van de Boyne tot aan de Golf van Cleena”,1 terwijl Eremon de noordelijke helft in het bezit kreeg. Maar zelfs toen konden de broeders niet in vrede leven, en na korten tijd brak de oorlog tusschen hen uit. Eber sneuvelde, en Eremon werd alleen koning van Ierland, dat hij bestuurde van Tara uit, den traditioneelen zetel van dat centrale gezag, dat altijd een droom was van den Ierschen geest, maar dat nooit in de Iersche geschiedenis werd verwezenlijkt.

Tiernmas en Crom Cruach.

Er is slechts weinig te vermelden omtrent de koningen, die Eremon opvolgden, en de slagen, die zij leverden, en de bosschen, die zij velden en de rivieren en meren, die tijdens hun regeering ontstonden, totdat wij komen aan de regeering van Tiernmas, den vijfden koning na Eremon. Men zegt, dat hij den eeredienst van Crom Cruach, te Moyslaugt [de Vlakte der Aanbidding2] in Ierland heeft ingevoerd, en dat hij zelf met drie vierden van zijn volk is omgekomen, terwijl hij dat beeld den dag vóór de Novembermaand aanbad, op welken dag het rijk van den winter begon. Crom Cruach was ongetwijfeld een zonnegod, maar onder de godheden van het Volk van Dana kan er geen enkele worden vastgesteld, die met hem overeenkomt. Ook zou Tiernmas de eerste goudmijn in Ierland hebben ontdekt en kleurschakeeringen in de volkskleeding hebben ingevoerd. Een slaaf mocht slechts één kleur dragen, een boer twee, een soldaat drie, een rijke grondbezitter vier, een opperhoofd eener provincie vijf, en een Ollav of koninklijk persoon, zes. Ollav was een naam, die op een bepaalden Druïdenrang werd toegepast, het beteekent ongeveer hetzelfde als “doctor”, in de beteekenis van een geleerde. Het is een karakteristieke trek, dat den Ollav een titel is toegekend, die gelijk staat met dien van een koning.

Ollav Fōla.

De beroemdste Ollav van Ierland was tevens koning, en wel de bekende Ollav Fōla, die, naar verhaald wordt, ook achttiende koning was van Eremon af gerekend en zou geleefd hebben omstreeks 1000 v.C. Hij was de Lycurgus of Solon van Ierland, daar hij het land een wetgeving schonk; tevens verdeelde hij het land onder den Opperkoning te Tara onder de provinciale hoofden, aan ieder van wie zijn eigen rechten en verplichtingen werden toegekend. Aan Ollav Fōla moet ook de stichting eener instelling worden toegeschreven, die wat ook haar oorsprong moge zijn, in Ierland van groot gewicht was—het groote driejaarlijksche Feest te Tara, waar de onderkoningen en opperhoofden, geschiedschrijvers, barden en muziekspelers uit alle deelen van Ierland bijeenkwamen om de geslachtsregisters op te maken van de opperhoofden der clans, om wetten vast te stellen, rechtsgedingen te behandelen, de erfopvolging te regelen, en zoo voort; al die politieke en wetgevende werkzaamheden werden opgeluisterd door gezang en feesten. Het was een onwrikbare wet, dat in dien tijd alle vijandschappen moesten worden op zijde gezet; niemand mocht zijn hand tegen een ander opheffen, of zelfs een rechtsgeding beginnen terwijl de Bijeenkomst te Tara gehouden werd. Ollav Fōla werd beschouwd als de traditioneele stichter van al die politieke en nationale instellingen, op dezelfde wijze als Goban de Smid werd beschouwd als de stichter van kunsten en ambachten en Amergin van de poëzie. Maar het is moeilijk te zeggen, of er aan het bestaan van den Milesischen koning eenige vastere historische grondslag verbonden was dan aan de andere blijkbaar meer mythische personen. Men beweert, dat hij begraven is in den grooten grafheuvel te Loughcrew, in Westmeath.

Kimbay en de stichting van Emain Macha.

Met Kimbay (Cimbaoth) komen wij (omstreeks 300 v.C.) tot een mijlpaal in de geschiedenis. “Al de geschiedkundige berichten omtrent de Ieren, die van vóór Kimbay dagteekenen, waren twijfelachtig”—zoo schreef de geschiedschrijver uit de elfde eeuw, Tierna van Clonmacnois3, met voor zijn tijd bewonderenswaardige scherpzinnigheid. Er is heel wat onzekers in de mededeelingen, die volgen, maar zeker is het, dat wij op steviger historischen bodem staan. Met de regeering van Kimbay komt één belangrijk feit aan het licht en wel de stichting van het koninkrijk Ulster, en daarin Emain Macha, een naam, die bij den Ierschen geleerde de herinnering opwekt van luister en heldenmoed. Emain Macha wordt nu vertegenwoordigd door de grasrijke wallen van een groote vesting op een heuvel, in de onmiddellijke nabijheid van Ard Macha (Armagh). Volgens één der woordafleidingen die voorkomen in Keatings “Geschiedenis van Ierland”, is Emain afgeleid van eo, een pen of els, en muin, van nek, zoodat het woord overeenkomt met “doekspeld”, en Emain Macha zou dan beteekenen de doekspeld van Macha. Een Iersche doekspeld was een groote cirkelvormige ring van goud en brons, waarover een lange speld liep, en de groote cirkelvormige wal, die een Keltische vesting omgaf, kon in de verbeelding wel worden vergeleken met een doekspeld eener reuzin, die haar mantel, of grondgebied bewaakte4. De legende van Macha vertelt ons, dat zij de Dochter was van den Rooden Hugh, een vorst uit Ulster, die twee broeders had, Dithorba en Kimbay. Zij spraken met elkander af, dat zij om de beurt de regeering over Ierland zouden uitoefenen. Eerst kwam Roode Hugh aan de beurt, maar bij zijn dood weigerde Macha de regeering af te staan, en vocht daarover met Dithorba, wien zij overwon en doodde. Daarop dwong zij even heerschzuchtig Kimbay, haar te huwen en regeerde zij als koningin over geheel Ierland. Wij geven het overige deel der vertelling in de woorden van Standish O’Grady weer:

“De vijf zonen van Dithorba, vluchtten, nadat zij uit Ulster verdreven waren, den Shannon over en spanden in het westen van het koninkrijk tegen Macha samen. Daarop ging de koningin alleen naar Connacht, waar zij de broeders in het bosch aantrof. Deze, vermoeid van de jacht, braadden een wild zwijn, dat zij gedood hadden, en hielden een drinkgelag voor een vuur, dat zij hadden aangestoken. Zij verscheen in haar meest barsche gedaante, als de godin van den oorlog, rood over het geheele gelaat, vreeselijk en afschuwelijk als de oorlog zelf, maar met heldere en schitterende oogen. De broeders werden één voor één in vlam gezet door haar onheilspellende schoonheid, en één voor één overmeesterde en bond zij hen. Daarna tilde zij hen op haar rug en keerde naar het noorden terug. Met de pen van haar doekspeld zette zij op de vlakte den omtrek der stad Emain Macha uit, waarvan de wallen en de grachten werden gemaakt door de gevangen prinsen, die als slaven onder haar bevelen werkten.”

Macha meet den omtrek der Stad uit

“De diepere beteekenis van al die soorten van legenden”, zoo merkt O’Grady op, “is, als de man niet meester kan zijn over den oorlog, de oorlog meester over hem zal zijn; en dat zij, die aanspraak hadden op het Opperkoningschap over geheel Erin, de oorlogsgoden aan hun zijde moesten hebben”5.

Macha is een voorbeeld van de vermenging der attributen van het Volk van Dana met het menschenras, waarover ik reeds heb gesproken.

Laery en Covac.

De volgende koning, die in die legenden op den voorgrond komt te staan, is Ugainy de Groote, die niet alleen over geheel Ierland moet hebben geregeerd, maar ook over een groot gedeelte van westelijk Europa, en gehuwd geweest moet zijn met een Gallische prinses, Kesair genaamd. Hij had twee zonen, Laery en Covac. De eerste erfde de regeering, maar Covac ziek en verteerd van nijd, trachtte hem te dooden, en won den raad in van een Druïde, hoe dit kon geschieden, daar Laery, terecht achterdochtig, hem nooit zonder een gewapend geleide wilde bezoeken. De Druïde raadde hem aan, zich voor dood te doen doorgaan, en aan zijn broeder bericht te doen toekomen, dat hij op zijn lijkbaar lag, op het punt van te worden begraven. Dit deed Covac, en toen Laery aankwam en zich over het zoogenaamde lijk heenboog, stak hij hem zijn wapen in het hart, en doodde tevens één van zijn zoons, Ailill6, die hem vergezelde. Daarop besteeg Covac den troon, en onmiddellijk was zijn ziekte geweken.

Legenden over Maon, den zoon van Ailill.

Hij deed echter een onbeschaamde daad jegens een zoon van Ailill, Maon genaamd, over wien een aantal legenden bekend zijn. Maon werd als kind in de tegenwoordigheid van Covac gebracht, en werd daar, zooals Keating zegt, gedwongen een stuk van het hart van zijn vader en van zijn grootvader te eten en evenzoo een muis met haar jong. Het kind verloor de spraak door de walging, die het overviel, en Covac liet hem vrij, toen hij zag, dat het stom, en dus onschadelijk was. Het werd toen naar Munster, naar het koninkrijk Feramorc gebracht, waarover Scoriath koning was, en daar bleef de jongen eenigen tijd, maar ging later naar Gallië, het land van zijn overgrootmoeder Kesair, waar zijn lijfwacht den koning vertelde dat hij de erfgenaam was van den Ierschen troon; daarom werd hij met groote eer behandeld en groeide tot een edel jongeling op. Maar hij liet in het hart van Moriath, de dochter van den koning van Feramorc, een hartstocht achter, die niet tot bedaren kon worden gebracht, en zij besloot, hem naar Ierland te doen terugkeeren. Daarom begiftigde zij den harpspeler van haar vader, Craftiny, met een aantal rijke geschenken, en schreef voor hem een minnedicht, waarin haar hartstocht voor Maon werd blootgelegd, en waarbij Craftiny een betooverende melodie schreef. Toen Craftiny in Frankrijk was gekomen, begaf hij zich naar het hof van den koning, en vond daar gelegenheid zijn lied aan Maon voor te dragen. Deze was zoozeer onder den indruk van de schoonheid en den hartstocht van het lied, dat hij zijn spraak terugkreeg en het lied hemelhoog verhief: na dat oogenblik was hij niet stom meer. De koning van Gallië rustte toen voor hem een gewapende macht uit en zond hem naar Ierland om zijn koninkrijk te heroveren. Toen Maon vernam, dat Covac in een nabijgelegen plaats was, Dinzigh genaamd, deed hij met zijn leger van Galliërs een plotselingen aanval op hem en doodde hem met al zijn edelen en zijn lijfwacht. Na de slachting vroeg een Druïde uit Covacs troepen één der Galliërs, wie hun aanvoerder was. “De Zeeman” (Loingseach), antwoordde de Galliër, daarmede bedoelende den bevelhebber der vloot, Maon. “Kan hij spreken?” vroeg de Druïde, die de waarheid begon te vermoeden. “Ja zeker, kan hij spreken” (Labraidh), zeide de man, en van dat oogenblik af had Maon, den zoon van Ailill, den naam gekregen van “Labra de Zeeman,” en was hij onder geen anderen naam bekend. Daarna zocht hij Moriath op, huwde haar, en regeerde tien jaar over Ierland.

“De eerste boom was een wilg”

Volgens de overlevering is de naam der provincie Leinster afgeleid van dien inval der Galliërs. Zij waren gewapend met speren, die blauw-groene ijzeren gevesten hadden, laighne genaamd, en daar hun grondgebied in Leinster was toegewezen, en zij zich daar nederzetten, werd de provincie in het Iersch naar hen Laighin genoemd—de Provincie der Speerdragers.7

Een eigenaardig verhaal wordt medegedeeld omtrent Labra den Zeeman na zijn troonsbestijging. Hij liet zich slechts eens in het jaar het haar knippen, en de man, die dit moest doen, werd door het lot aangewezen en onmiddellijk daarna ter dood gebracht. De reden daarvan was, dat hij, evenals koning Midas in de soortgelijke Grieksche mythe, lange ooren had als die van een paard, en hij dit gebrek niet bekend wilde hebben. Eens echter geschiedde het, dat de man, die was aangewezen om zijn haar te knippen, de eenige zoon was van een arme weduwe, door wier tranen en smeekingen de koning bewogen werd hem het leven te schenken, op voorwaarde dat hij bij den Wind en de Zon zou zweren, dat hij niemand zou vertellen wat hij zag. De eed werd afgenomen en de jonge man keerde naar zijn moeder terug. Maar langzamerhand knaagde het geheim zóózeer aan zijn geest, dat hij door een ziekte werd overvallen, en op het punt was te sterven, toen een wijze Druïde ontboden werd om hem te genezen. “Hij sterft aan een geheim”, zeide de Druïde, “en hij zal niet genezen, voordat hij het openbaart. Laat hem daarom den straatweg langs gaan, totdat hij komt op een plaats, waar vier wegen samenkomen. Laat hem dan rechts afslaan, en het geheim vertellen aan den eersten boom, dien hij op den weg ziet staan, dan zal hij er van verlost zijn en herstellen.” Dit deed de jonge man, en het bleek, dat de eerste boom een wilg was. Hij hield zijn lip dicht tegen den bast, fluisterde daar het geheim tegen aan, en ging toen opgewekt als van ouds naar huis. Doch het ongeluk wilde, dat de harpspeler Craftiny kort daarna zijn harp brak en een nieuwe noodig had, en nu wilde het toeval, dat de eerste boom, dien hij vond, en die voor zijn doel geschikt was, de wilg was, die het geheim van den koning bezat. Hij hakte dien om, maakte daar zijn harp van en vervulde zijn taak dien avond als gewoonlijk in de koningszaal; doch tot verbazing der verzamelde gasten, hoorden zij, zoodra de harpspeler de snaren aanraakte, dat de harp de woorden deed weerklinken, “Labra de Zeeman heeft twee paardenooren.” Toen de koning bemerkte, dat zijn geheim bekend was, trok hij zijn kap van het hoofd en vertoonde zich zooals hij was; en na dien tijd werd niemand meer ter dood gebracht. Wij hebben vroeger gezien, dat de werking van de muziek van Craftiny de stomheid van Labra had genezen. Zoo ziet men hoe het denkbeeld van iets tooverachtigs in de muziek, alsof bovennatuurlijke krachten daarin spreken, in de Iersche legenden veel voorkomt.

De cyclus van legenden van Conary Mōr.

Wij komen thans tot een cyclus van legenden, die zich concentreeren om, of liever afsluiten met de figuur van den opperkoning Conary Mōr—een cyclus, zóó rijk aan schoonheid, geheimzinnigheid en romantiek, dat het, als men dien tot zijn recht wilde doen komen, veel meer ruimte zou kosten, dan daaraan binnen de grenzen van dit werk kan worden toegekend.8

Etain in het tooverland.

De inleidende gebeurtenissen van den cyclus hebben plaats in het “Land der Jeugd”, het mystieke land van het Volk van Dana, nadat zij door de kinderen van Miled van hun macht zijn beroofd. Midir, de trotsche zoon van den Dagda, een vorst uit het Volk van Dana, had een vrouw, Fuamnach genaamd. Na eenigen tijd nam hij een tweede vrouw, Etain, wier schoonheid en bevalligheid met niets te vergelijken was, zoodat de uitdrukking “zoo schoon als Etain” een spreekwoordelijke vergelijking werd voor iedere schoonheid, die iedere andere maat overtrof. Daarom was dan ook Fuamnach jaloersch op haar mededingster, en na haar door tooverkunsten in een vlinder te hebben veranderd, wekte zij een storm op, die haar uit het paleis verdreef en haar gedurende zeven jaar over de lengte en breedte van Erin heendreef. Ten slotte echter voerde haar een windvlaag toevallig door een venster van het tooverpaleis van Angus aan de Boyne. De onsterfelijken kunnen niet voor elkander verborgen blijven, en Angus wist wie zij was. Daar hij niet in staat was haar uit de betoovering van Fuamnach te verlossen, maakte hij een zonnig priëel voor haar, waar omheen hij alle soorten van prachtige, met honig beladen bloemen plaatste, waar zij op leefde zoolang zij bij hem was, terwijl hij haar in de verborgenheid van den nacht haar oude gedaante teruggaf, en van haar liefde genoot. Eindelijk echter werd haar schuilplaats door Fuamnach ontdekt; weer daalde de tooverstorm op haar neer en dreef haar weg; en nu overviel haar een merkwaardig lot. Toen zij in het paleis van een opperhoofd uit Ulster, Etar, gedreven was, viel zij in den drinkbeker van de vrouw van Etar, juist op het oogenblik dat deze op het punt was te drinken. Zij werd met den overigen inhoud van het glas ingeslikt, en werd, daar zij in den moederschoot van de vrouw van Etar was opgenomen, geboren als een schijnbaar sterfelijk kind, en groeide tot een bloeiende maagd op, zonder iets van haar waren aard en haar afstamming te weten.

Eochy en Etain.

Omstreeks dien tijd geschiedde het, dat Eochy9, de opperkoning van Ierland, die niet gehuwd was, en bij wien de edelen van zijn land aandrongen een koningin te kiezen—“want”, zoo zeiden zij, “als gij dat niet doet, zullen wij onze vrouwen niet op de bijeenkomst te Tara brengen”—boden uitzond, om te zoeken naar een schoone en edele maagd, die zijn troon zoude deelen. De boden kwamen terug met de tijding, dat Etain, de dochter van Etar, de schoonste maagd in Ierland was, en de koning ging op reis, om haar te bezoeken. Er volgt hier een beschrijving, die één der verhevenste en schitterendste proeven is van de Keltische, of misschien zelfs van de geheele litteratuur. Eochy vindt Etain met haar gezellinnen bij een fontein, waarheen zij gegaan was, om zich het haar te wasschen.

“Zij hield een zilveren kam in haar hand, de kam was met goud versierd; en naast haar stond, om zich te wasschen, een zilveren waschbekken, waarop vier vogels gedreven waren, en er waren kleine schitterende karbonkels op den rand van het bekken. Een heldere purperen mantel golfde om haar heen; en daar onder was een tweede mantel versierd met zilveren franje; de buitenste mantel was op haar boezem vastgemaakt met een gouden gesp. Zij droeg een kleed, waaraan een kap bevestigd was, die haar hoofd kon bedekken; dit kleed was stijf en glimmend met groene zijde onder rood borduursel, en was over haar borsten bevestigd met prachtig bewerkte zilveren en gouden gespen, zoodat men het schitterende goud en de groene zijde tegen de zon kon zien glinsteren. Op het hoofd had zij twee vlechten van gouden haar, en iedere vlecht bestond uit vier strengen; aan het uiteinde dier strengen was een kleine bol van goud. En daar was de maagd bezig het haar los te maken, om het te wasschen, terwijl haar armen staken door de armsgaten van haar hemd. Ieder van haar beide armen was even wit als de sneeuw van één enkelen nacht, en ieder van haar wangen was even rose gekleurd als het vingerhoedskruid. De tanden in haar mond waren gelijk en klein, en schitterden als paarlen. Haar oogen waren blauw als een hyacinth, haar lippen fijn en gekleurd als karmozijn; haar schouders waren hoog, zacht en wit. Haar polsen waren teeder, glad en wit, haar vingers lang en blank; haar nagels schoon en rose. Wit als sneeuw, of als het schuim eener golf was haar nek; lang, slank en zoo zacht als zijde. Haar dijen waren zacht en wit; haar knieën rond, stevig en blank; haar enkels zoo recht als de liniaal van een timmerman. Haar voeten waren smal en wit als het schuim van den oceaan; haar oogen stonden gelijk in de oogkassen; haar wenkbrauwen waren blauwachtig zwart, zooals men ziet op het schild van een kever. Nooit was een maagd schooner dan zij, of meer beminnenswaardig, door menschenoogen gezien, en het scheen hem toe, dat zij één van diegenen moest zijn, die van de tooverhoogten gekomen waren”.10

De koning dong naar haar hand, maakte haar tot zijn vrouw, en bracht haar mede naar Tara.

De liefdesgeschiedenis van Ailill.

Het geschiedde nu, dat de koning een broeder had, Ailill genaamd, die, toen hij Etain zag, zóó zeer door haar schoonheid bekoord werd, dat hij ziek werd van de hevigheid van zijn hartstocht en bijna wegkwijnde. Terwijl hij in dien toestand was, moest Eochy een vorstelijke rondreis door Ierland maken. Hij liet zijn broeder—van de oorzaak van wiens ziekte niemand eenig vermoeden had—in de hoede van Etain achter, en verzocht haar, voor hem al het mogelijke te doen, en hem, als hij mocht sterven, met de vereischte plechtigheden te begraven en een steen met Ogham-letters op zijn graf op te richten11.

Etain gaat den broeder bezoeken en vraagt naar de oorzaak van zijn ziekte; hij spreekt tot haar in raadselen, maar ten slotte ten gevolge van haar teederheid zich niet meer kunnende bedwingen, barst hij los in een bekentenis van zijn hartstocht. Zijn beschrijving van het smachtend verlangen eener hopelooze liefde is een lyrisch gedicht van buitengewone hevigheid. “Zij is meer gesloten dan de huid”, roept hij uit, “zij is als een strijd tegen een spook, zij overstroomt als een vloed, zij is een wapen onder de zee, zij is een hartstocht voor een echo”. Met “een wapen onder de zee” bedoelt de dichter, dat de liefde gelijkt op één der geheime schatten van het toovervolk in het koninkrijk van Mananan—even prachtig en even onbereikbaar.

Etain is nu in groote verlegenheid; maar zij komt tot het besluit, met een zekere naïeve goedhartigheid, hoewel zij volstrekt niet verliefd is op Ailill, dat zij iemand niet kan zien sterven van verlangen naar haar, en zij belooft, de zijne te zullen zijn. Misschien moeten wij dit zóó opvatten, dat zij door haar feeënaard bewogen werd, niet wetende wat goed of kwaad was, maar alleen gevoelig voor genot en lijden. Wij moeten erkennen, dat in de Iersche mythen in het algemeen, die “feeën” opvatting van zedelijkheid, zooals wij die kunnen noemen, zoowel onder het volk van Dana als onder de stervelingen in het algemeen overheerschend is—beiden maken den indruk van zedelijk niet verantwoordelijk te zijn.

Etain maakt nu een afspraak met Ailill, om hem te ontmoeten in een huis buiten Tara—want zij wil niet doen, wat zij haar “roemrijke misdaad” noemt, in het paleis van den koning. Maar den avond vóór den afgesproken dag valt Ailill in een diepen slaap en verzuimt de afspraak. Doch een ander, in zijn gedaante gehuld, komt bij Etain, maar alleen, om koel en medelijdend over zijn ziekte te spreken, en vertrekt weder. Als de twee elkander weer ontmoeten, is de toestand geheel gewijzigd. In zijn tooverslaap is de onheilige hartstocht van Ailill voor de koningin volkomen uitgeroeid. Etain van haar kant, komt tot de overtuiging, dat er achter de zichtbare gebeurtenissen mysteriën verborgen zijn, die zij niet begrijpt.

Midir de trotsche.

De verklaring volgt spoedig. Het wezen, dat bij haar gekomen was in de gedaante van Ailill, was haar vroegere echtgenoot, Midir de trotsche. Hij komt nu naar haar dingen in zijn ware gedaante, wonderschoon en schitterend uitgedost, en dringt er bij haar op aan, met hem te vluchten naar het Land der Jeugd, waar zij van nu af aan veilig kan zijn, daar haar vijandin, Fuamnach, dood is. Hij was het geweest, die den tooverslaap had uitgesproken over de oogen van Ailill. De beschrijving van het tooverland, waarheen hij haar wil voeren, wordt door hem gegeven in verzen van groote schoonheid.

Het land der jeugd.