WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 168: De Morrigan.
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

Koningin Maev en de Druïde

Cuchulain brengt den Troep onder Geise.

Den volgenden morgen ging de troep op weg onder aanvoering van Fergus mac Roy, en toen zij de grenzen van Ulster naderden, beval hij hen scherp toe te zien, dat niet Cuchulain van Murthemney, die de passen van Ulster in het zuiden bewaakte, hen onverwachts zou overvallen. Cuchulain en zijn vader Sualtam13 waren aan de grenzen der provincie, en Cuchulain vermoedde, door een waarschuwing, die Fergus hem had gezonden, dat een groot leger naderde en verzocht Sualtam noordelijk naar Emania te trekken en de mannen van Ulster te waarschuwen. Maar Cuchulain zelf wilde daar niet blijven, want hij zeide, dat hij een afspraak had met de kamenier van de vrouw van Laery den bodach (pachter), daarom ging hij het bosch in, en daar ging hij op één been staan en gebruikte slechts één hand en één oog, en sneed een eikenplantje af en draaide het in een cirkelvormig teentje van wilgenhout. Daarop sneed hij in Ogham letters, hoe het teentje gemaakt was, en hij plaatste het leger van Maev onder geise, dat zij die plaats niet mochten voorbijgaan, voordat één van hen onder dezelfde voorwaarden een dergelijk teentje had gemaakt; “en ik zonder mijn vriend Fergus mac Roy” uit, voegde hij er aan toe, en schreef zijn naam aan het uiteinde. Daarna plaatste hij het teentje rondom den steenen pilaar van Ardcullin, en ging op weg om aan zijn afspraak met de kamenier te voldoen.14

Toen het leger van Maev te Ardcullin kwam, werd het teentje om de pilaar gevonden en naar Fergus gezonden om het te ontcijferen. Niemand van de troep kon Cuchulain zijn handeling nadoen, daarom gingen zij in het bosch en kampeerden gedurende den nacht. Er had een hevige sneeuwval plaats, en allen waren in groote moeilijkheden, maar den volgenden dag verrees de zon schitterend, en over de witte vlakte trokken zij naar Ulster, in de meening, dat het verbod slechts voor één nacht gold.

De Wadde van den Vertakten Paal.

Cuchulain volgde nu onmiddellijk hun spoor, en daarbij schatte hij, naar de sporen, die zij hadden achtergelaten, het aantal der troepen op achttien triucha cét (54000 man). Na om den troep heen getrokken te zijn, ontmoette hij hen nu van voren, en zag hij spoedig twee wagens, die spionnen bevatten, welke door Maev vooruitgezonden waren. Deze versloeg hij, iederen man met zijn wagenmenner, en na met één slag van zijn zwaard een vertakten paal met vier vorken uit het bosch te hebben gehakt, dreef hij den paal diep in een wadde der rivier, en plaatste op iedere vork een bloedig hoofd. De plaats waar dit geschiedde, heette van toen af aan Athgowla15. Toen het leger kwam, waren zij verbaasd en verschrikt over het gezicht, en Fergus verklaarde, dat zij onder geise stonden, de wadde niet te mogen overtrekken, voordat één van hen den paal op dezelfde wijze had uitgetrokken als hij er in was geslagen, met de vingertoppen van één hand. Daarom reed Fergus het water in, om dien kunstgreep te beproeven, en zeventien wagens braken onder hem, terwijl hij aan den paal trok, doch ten slotte trok hij hem uit; en daar het reeds laat was geworden, kampeerde het leger op die plek. Deze listen van Cuchulain hadden ten doel, de indringelingen tegen te houden, totdat de mannen van Ulster zich van hun zwakheid hadden hersteld.

Cuchulain in den Strijd

In het epos, zooals het gegeven wordt in het Boek van Leinster, en de andere oude bronnen, heeft er nu een groot tusschenbedrijf plaats, waarin Fergus aan Maev uitlegt, wie het is—en wel “mijn kleine leerling Setanta”—die het leger zoo hindert, en waarin zijn daden als jongeling, waarvan in dit verhaal reeds sommige zijn verteld, worden medegedeeld.

De Wagenmenner van Orlam.

Het leger ging den dag daarop verder, en de volgende ontmoeting toont ons onzen held in een vriendelijker gemoedsstemming. Hij hoort het geluid van het vellen van hout, en toen hij in het woud gaat, vindt hij daar een wagenmenner, die behoort tot één der zonen van Ailell en Maev, die disselboomen van hulst hakken. “Immers,” zegt hij, “wij hebben onze wagens vreeselijk beschadigd bij het jagen op dat bekende wild, Cuchulain.” Cuchulain, die, zooals men zich zal herinneren, in gewone tijden een nietige en weinig indrukwekkende gestalte had, hoewel hij in den slag in gestalte uitzette en vreeselijk verwrongen werd, een symbool van Berserker woede—helpt den wagenmenner bij zijn werk. “Zal ik,” zoo vraagt hij, “de palen hakken of ze voor u glad maken?” “Maak gij ze glad,” zeide de wagenmenner. Cuchulain neemt de palen bij de punten, en trekt ze tegen de rijen takken tusschen zijn toonen door en laat ze dan op dezelfde wijze tusschen zijn vingers heen gaan, en geeft ze hem even glad en gepolijst terug, alsof zij door een timmerman waren gladgeschaafd. De wagenmenner staart hem verbaasd aan. “Ik vermoed, dat het werk, dat ik u liet maken, niet uw gewoon werk is,” zegt hij. “Wie zijt gij dan toch?” “Ik ben de Cuchulain, over wien gij zoo even hebt gesproken.” “Dan ben ik zeker een kind des doods,” zeide de wagenmenner. “Neen,” antwoordt Cuchulain, “ik dood geen wagenmenners of boden of ongewapende mannen. Maar loop snel weg en deel uw meester Orlam mede, dat Cuchulain op het punt is hem te bezoeken.” De wagenmenner holt weg, maar Cuchulain haalt hem in, ontmoet Orlam het eerst, en slaat hem het hoofd af. Een oogenblik slechts ziet het leger van Maev hem, terwijl hij die bloedige tropee vóór hen heen en weer slingert; daarna verdwijnt hij uit het gezicht—het is de eerste glimp, die zij van hun vervolger te zien krijgen.

De Strijdwoede van Cuchulain.

Nu volgen een aantal op zich zelf staande gebeurtenissen. Het leger van Maev verspreidt zich en verwoest het grondgebied van Bregia en van Murthemney, maar zij kunnen niet verder in Ulster doordringen. Cuchulain is voortdurend om hen heen, en verslaat hen bij twee of drie te gelijk, en niemand weet, waar hij een volgenden keer zal nederschieten. Maev zelf is bang, als door de worpen van een onzichtbaren slingeraar een eekhoorntje en een lievelingsvogel gedood worden, terwijl zij op haar schouders gezeten zijn. Later, als de woede van Cuchulain heftiger wordt, daalt hij met bovennatuurlijke kracht neer op heele troepen van het leger van Connacht, en honderden vallen onder zijn aanval. Er volgt een beschrijving van de karakteristieke vervorming of riastradh, die hem in zijn strijdwoede overviel. Hij werd een ontzagwekkend en veelvormig schepsel, zooals nooit te voren gezien was. Ieder deeltje van zijn lichaam beefde als een waterriet in stroomend water. Zijn kuiten en hielen en dijen kwamen aan zijn voorzijde, en zijn voeten en knieën van achteren, en de spieren in zijn nek stonden rechtuit als het hoofd van een jong kind. Zijn ééne oog zat diep in zijn hoofd, terwijl het andere naar buiten uitstak, zijn mond bereikte zijn ooren, het schuim stroomde uit zijn kaken als de wol van een hamel van drie jaar. Zijn hartslagen klonken als het gebrul van een leeuw, die zich op zijn prooi stort. Een licht scheen boven zijn hoofd, en zijn haar werd verward als ware het de takken van een rooden doornstruik, die in de opening van een haag was gestopt. Grooter, dikker, harder, langer dan de mast van een groot schip was de loodrechte straal van donker bloed, die uit het midden van zijn schedel opspoot en zich verspreidde in de vier hoofdrichtingen, waarbij een magische nevel van duisternis gevormd werd, die geleek op het berookte kleed, dat een koninklijk paleis omhult, als een koning tegen het vallen van den avond na een winterdag daar nadert.16 Dit was het beeld, waarin Galische schrijvers de voorstelling van bovenmenschelijke woede hulden. Men verhaalt dat eens, bij het gezicht van Cuchulain in zijn woede, honderd der krijgslieden van Maev dood van afgrijzen neervielen.

De Overeenkomst aan de Wadde.

Maev trachtte hem toen door groote geschenken over te halen, de zaak van Ulster in den steek te laten en had een onderhoud met hem, waarbij beiden aan de overzijde van een bergpas stonden, waarover zij met elkander de zaak bespraken. Zij bekeek hem zorgvuldig en werd getroffen door zijn nietig en jongensachtig uiterlijk. Zij kon hem niet van zijn trouw jegens Ulster afbrengen, en meer dan ooit daalt de dood neder op de troepen van Connacht; de mannen zijn bevreesd met minder dan twintig of dertig op strooptochten uit te gaan, en ’s nachts fluiten door het kamp de steenen uit den slinger van Cuchulain voortdurend, die de hersens verbrijzelen of de mannen verminken. Eindelijk kwam men door bemiddeling van Fergus tot een overeenkomst. Cuchulain verbond zich de troepen niet te hinderen, als zij slechts één kampioen tegelijk zonden, met wien Cuchulain slag zou leveren bij de wadde der Dee, welke wadde thans die van Ferdia heet.17 Zoolang het gevecht duurde, mocht het leger verder trekken, maar als het geëindigd was, moesten zij tot den volgenden morgen kampeeren. “Het is beter, dagelijks één man te verliezen dan honderd,” zeide Maev, en de overeenkomst werd gesloten.

Fergus en Cuchulain.

Er worden dan verschillende tweegevechten vermeld, waarin Cuchulain steeds de overwinnaar is. Maev overreedt Fergus zelfs tegen hem in het strijdperk te treden, maar Fergus en Cuchulain willen onder geen voorwaarde tegen elkander vechten, en Cuchulain doet het voorkomen alsof hij voor hem vlucht onder belofte van Fergus, dat hij, als het noodig is, hetzelfde voor Cuchulain zal doen. Hoe die belofte gehouden werd zullen wij later zien.

Het rooven van den bruinen stier.

Gedurende één van de tweegevechten van Cuchulain met een beroemden kampioen, Natchrantal, doet Maev met een derde deel van haar leger plotseling een strooptocht in Ulster en dringt zelfs tot Dunseverick, op de noordkust, door, op hun tocht plunderend en verwoestend. De bruine stier, die oorspronkelijk te Quelgny (Graafschap Down) was, was reeds vroeger door de Morrigan18 gewaarschuwd, zich terug te trekken, en hij had daarom met zijn kudde koeien een toevlucht gezocht in een bergpas van Slievegallion, in de Graafschap Armagh. Daar wordt hij gevonden door de plunderaars van Maev en met de kudde in triomf weggevoerd, waarbij zij op den terugtocht Cuchulain tegenkomen. Cuchulain doodt den aanvoerder van het geleide—Buic, den zoon van Banblai—maar hij kan den stier niet bevrijden, en “dit was,” zoo wordt verhaald, “de grootste beleediging, die Cuchulain kon worden aangedaan gedurende den geheelen strooptocht.”

De Morrigan.

De strooptocht had nu moeten ophouden, want het doel daarvan was bereikt, maar in dien tijd waren de troepen der vier zuidelijke provincies19 bijeengebracht onder Maev teneinde Ulster te plunderen, en Cuchulain bleef nog steeds de eenzame bewaker der moerassen. Ook hield Maev zich niet aan de afspraak, immers troepen van twintig krijgslieden tegelijk werden op hem losgelaten, en het kostte hem groote moeite zich te verdedigen. Nu geschiedt de merkwaardige episode van zijn strijd tegen de Morrigan. Een jonge vrouw, in een veelkleurigen mantel gekleed, verschijnt voor Cuchulain, en zegt hem, dat zij de dochter van een koning is, en dat zij aangetrokken is door de verhalen van zijn groote krijgsdaden en gekomen om hem haar liefde aan te bieden. Cuchulain vertelt haar op ruwe toon, dat hij vermoeid en uitgeput is door den oorlog en er geen lust in heeft zich met vrouwen af te geven. “Het zal u slecht gaan,” zeide daarop de maagd, “als gij met mannen zult te doen hebben, en ik zal mij als een aal aan uw voeten vasthechten, op den bodem der wadde.” Daarna verdween zij met haar wagen uit het gezicht en hij zag niets dan een kraai op den tak van een boom zitten, en wist, dat hij met de Morrigan had gesproken.

Het gevecht met Loch.

De volgende kampioen, die door Maev tegen hem werd uitgezonden, was Loch, de zoon van Mofebis. Om met dien held te kunnen strijden moest Cuchulain volgens het verhaal zijn kin met braambessensap insmeren, ten einde het te doen voorkomen, alsof hij een baard had, daar anders Loch zich niet zou verwaardigen met een knaap te strijden. Zoo streden zij dan in de wadde, en Morrigan kwam tegen hem in strijd in de gedaante van een witte vaars met roode ooren, maar Cuchulain verbrijzelde haar oog met een worp van zijn speer. Daarna kwam zij de rivier op zwemmen als een zwarte aal, en hechtte zich vast aan zijn beenen, en voordat hij zich van haar kon losmaken, werd hij door Loch gewond. Daarna viel zij hem aan als een grijze wolf, en weer werd hij, voordat hij haar kon ten onder brengen, door Loch gewond. Daarop maakte zijn strijdwoede zich van hem meester en stootte hij de Gae Bolg tegen Loch, waarbij hij zijn hart in tweeën spleet. “Laat mij opstaan,” zeide Loch, “opdat ik op mijn gelaat moge vallen aan uw zijde van de wadde, en niet op den rug naar de mannen van Erin gekeerd.” “Het is het geschenk van den krijgsman, dat gij vraagt,” zeide Cuchulain, “en het is toegestaan.” Zoo stierf Loch; en, zoo verhaalt men, een groote moedeloosheid overviel Cuchulain, want hij was uitgeput door voortdurenden strijd en zwaar gewond. Hij had sedert het begin van den strooptocht nooit anders geslapen dan op zijn speer geleund; en hij zond zijn wagenmenner Laeg, om te zien of hij de mannen van Ulster niet eindelijk kon opwekken om hem te hulp te komen.

Lugh de beschermer.

Maar toen hij treurig en terneergeslagen des avonds bij den grafheuvel van Lerga ter neder lag, het oog gericht op de kampvuren van het groote leger, dat over hem gekampeerd was en op de flikkering van hun ontelbare speren, zag hij een grooten en bevalligen krijgsman uit de menigte komen, die onstuimig naar voren trad, en geen der troepenafdeelingen, langs welke hij heenging draaide het hoofd om, om naar hem te zien, of scheen hem zelfs op te merken. Hij droeg een zilveren opperkleed met goud geborduurd, en een groenen mantel, vastgemaakt met een zilveren gesp; in één hand hield hij een zwart schild met een zilveren rand en in de andere twee speren. De vreemdeling kwam naar Cuchulain toe en sprak vriendelijk en zachtaardig met hem over zijn langen strijd en zijn voortdurend waken en zijn pijnlijke wonden, en zeide ten slotte: “Slaap nu, Cuchulain, bij het graf van Lerga; slaap drie dagen vast door, en gedurende dien tijd zal ik uw plaats innemen en de wadde verdedigen tegen het leger van Maev.” Daarop zonk Cuchulain in een diepen slaap en in bewusteloosheid, terwijl de vreemdeling genezende balsems van magische kracht op zijn wonden legde, zoodat hij hersteld en verfrischt weer ontwaakte, en gedurende den tijd, dat Cuchulain sliep, verdedigde de vreemdeling de wadde tegen de vijanden. En Cuchulain wist, dat het zijn vader Lugh was, die van het volk van Dana was gekomen, om zijn zoon te helpen in zijn uur van somberheid en wanhoop.

“Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga”

De opoffering van het knapenkorps.

Maar nog steeds lagen de mannen van Ulster hulpeloos ter neer. Nu was er in Emain Macha een troep van driemaal vijftig knapen, de zonen van alle opperhoofden der provincies, die daar werden opgevoed in de wapenen en alle edele kunsten, en dezen stonden niet onder den vloek van Macha, daar die alleen gold voor de volwassenen. Maar toen zij hoorden van de vreeselijke moeilijkheden, waarin Cuchulain, hun speelmakker van niet lang geleden, verkeerde, trokken zij hun lichte wapenrusting aan, en namen hun wapenen ter hand en trokken ten strijde voor de eer van Ulster en ter hulp van Cuchulain, onder den jongen zoon van Conor, Follaman. En Follaman legde de belofte af, dat hij niet naar Emain zou terug keeren zonder den diadeem van Ailell als trofee. Driemaal reden zij op het leger van Maev in, en versloegen driemaal hun eigen aantal, maar tenslotte werden zij overweldigd en gedood, en niet één ontsnapte levend.

Het bloedbad van Murthemney.

Dit geschiedde terwijl Cuchulain in diepen slaap lag, en toen hij verfrischt en genezen wakker werd, en hoorde wat geschied was, kwam zijn woede weer over hem en hij sprong in zijn strijdwagen en reed woedend om het leger van Maev heen. En de wagen ploegde de aarde totdat de wagensporen geleken op de wallen van een vesting, en de zeisen op de wielen grepen en verminkten de lichamen der verzamelde vijanden, totdat zij als een muur rondom het kamp waren opgehoopt, en toen Cuchulain in zijn woede schreeuwde, gilden de booze geesten en spoken in Erin tot antwoord, zoodat de troepen door den schrik en de verwarring hijgden en heen en weer ijlden en velen door elkanders wapenen omkwamen, en anderen van schrik en vrees. En dit was het groote bloedbad van Murthemney, door Cuchulain aangericht om het knapenkorps van Emania te wreken; honderddertig vorsten uit het leger van Maev werden toen verslagen, behalve paarden en vrouwen en wolfshonden en tallooze gewone krijgslieden. Volgens de verhalen streed daar Lugh mac Ethlinn aan de zijde van zijn zoon.

De Clan Calatin.

Daarna besloten de mannen van Erin, den Clan Calatin20 één voor één in een tweegevecht tegen Cuchulain te zenden. Nu was Calatin een toovenaar, en hij en zijn zeven en twintig zonen vormden als het ware slechts één wezen, daar de zonen organen van hun vader waren, en wat één van hen deed, deden allen eveneens. Zij waren allen vergiftig, zoodat ieder wapen, dat één van hen gebruikte, binnen negen dagen doodde, die daarmede even was aangeraakt. Toen dit veelvoudige wezen tegenover Cuchulain stond, wierp iedere hand tegelijkertijd een speer op hem af, maar Cuchulain ving de acht en twintig speren op zijn schild, en geen enkele daarvan deed een droppel bloed vloeien. Daarop trok hij zijn zwaard, om de speren weg te strijken, die steil uit zijn schild uitstaken, maar terwijl hij dit deed, stortte de Clan Calatin op hem af en sloeg hem ter neder, waarbij zijn gelaat op de steenen sloeg. Daarop gaf Cuchulain een luiden schreeuw van nood over den ongelijken strijd, en één van de ballingen van Ulster, Fiacha, de zoon van Firaba, die bij het leger van Maev was, en het gevecht gadesloeg, kon den ellendigen toestand van den kampioen niet langer aanzien, zoodat hij zijn zwaard trok en met één slag de acht en twintig handen afsloeg, die het gelaat van Cuchulain op de keisteenen der wadde duwden. Daarop stond Cuchulain op en hakte den Clan Calatin in stukken, zoodat geen enkele in leven bleef, om te verhalen wat Fiacha gedaan had; anders zoude hij met zijn drieduizend volgelingen uit den Clan Rury door Maev ter dood gebracht zijn.

Ferdia neemt deel aan den strijd.

Cuchulain had nu al de machtigsten der mannen van Maev overwonnen, behalve hem, die na Fergus het machtigst was, en wel Ferdia, den zoon van Daman. En daar Ferdia de oude vriend en medeleerling van Cuchulain was, was hij nooit tegen hem opgetrokken; doch nu verzocht Maev hem te gaan, maar hij wilde niet. Daarop bood zij hem haar dochter, Findabair, met de Schoone Wenkbrauwen, tot vrouw aan, als hij Cuchulain aan de wadde wilde aanvallen, maar ook toen wilde hij niet. Ten slotte beval zij hem te gaan, daar anders de dichters en spotschrijvers gedichten op hem zouden maken en hem openlijk tot schande zouden maken, waarna hij woedend en verdrietig zijn toestemming gaf en zijn wagenmenner beval zich voor den strijd tegen den volgenden dag gereed te maken. Toen was er droefheid onder zijn geheele volk, omdat zij wisten, dat als Cuchulain en hun meester een tweegevecht aangingen, één van hen niet levend zou terugkeeren.

Zeer vroeg in den morgen reed Ferdia naar de wadde, en legde zich daar neder op de kussens en huiden van den wagen en sliep totdat Cuchulain zou komen. Eerst toen het helder dag was, hoorde de wagenmenner van Ferdia het donderen van den naderenden strijdwagen van Cuchulain, en wekte hij zijn meester; de beide vrienden zagen elkander weder aan weerszijden van de wadde. En toen zij elkander hadden begroet, zeide Cuchulain: “Ferdia, gij hadt niet tegen mij ten strijde moeten komen. Waren wij niet, toen wij bij Skatha waren, zijde aan zijde in iederen slag, en in ieder bosch en in iedere wildernis? Waren wij niet boezemvrienden, trouwe makkers bij feesten en in de vergadering? Deelden wij niet hetzelfde bed en denzelfden diepen slaap?” Maar Ferdia antwoordde: “O Cuchulain, gij man der bewonderenswaardige daden, hoewel wij samen poëzie en wetenschap hebben bestudeerd, en hoewel ik u onze vriendschapsdaden heb hooren vermelden, toch zal mijn hand u verwonden. Herinner u onze vriendschap niet, gij Hond van Ulster, zij zal u niet helpen, zij zal u niet helpen.”

Daarna bespraken zij, met welke wapenen zij zouden beginnen te vechten, en Ferdia herinnerde Cuchulain aan de kunsten van het werpen met werpspiesen, zooals zij die van Skatha hadden geleerd, en zij kwamen overeen, daarmede te beginnen. Vooruit en achteruit gonsden de lichte werpspiesen over de wadde als bijen op een zomerdag, maar toen de middag was aangebroken, had geen enkel wapen de wapenrusting van den tegenstander doorboord. Daarop namen zij de zware werpspiesen ter hand, en nu begon tenslotte bloed te vloeien, immers de ééne kampioen wondde telkens den anderen. Eindelijk brak het einde van den dag aan. “Laat ons nu ophouden,” zeide Ferdia, en Cuchulain stemde daarin toe. Daarop wierp ieder van hen zijn wapenen naar zijn wagenmenner, en de vrienden omhelsden en kusten elkander driemaal, en gingen ter ruste. Hun paarden werden in dezelfde omheinde plaats geborgen, de paardenmenners warmden zich aan hetzelfde vuur, en de helden zonden elkander spijzen en drank en geneeskrachtige kruiden voor hun wonden.

Den volgenden dag begaven zij zich weer naar de wadde, en omdat Ferdia den vorigen dag de keuze der wapenen gehad had, verzocht hij Cuchulain nu te kiezen.21 Cuchulain koos nu de zware speren met breed lemmer, om van dichtbij te vechten, en daarmede streden zij van hun wagens af totdat de zon onderging, en menners en paarden afgemat waren en het lichaam van ieder der helden met wonden was bedekt. Toen eerst eindigden zij den strijd en wierpen hun wapenen neer. En zij kusten elkander als te voren, en zooals te voren, deelden zij samen spijs en drank en sliepen vreedzaam tot aan den morgen.

Toen de derde dag van den strijd aanbrak, vertoonde Ferdia een boos en grimmig gelaat, en Cuchulain verweet hem, dat hij tegen zijn makker ten strijde trok ter wille van een meisje, al was zij ook zoo schoon als Findabair, die door Maev aan iederen kampioen was aangeboden, en ook aan Cuchulain zelf, als de wadde daarmee kon worden gewonnen; maar Ferdia zeide: “Edele Hond, als ik u, na daartoe opgeroepen te zijn, niet het hoofd had geboden, zou ik mijn woord hebben gebroken, en zou ik in Rathcroghan geschandvlekt zijn.” Het is nu de beurt van Ferdia, de wapenen te kiezen, en zij maken gebruik van hun “zware, hard treffende zwaarden,” en hoewel zij van elkanders dijen en schouders groote stukken vleesch hakken, kan geen van beiden zijn tegenstander overwinnen, en eindelijk maakte de avond een einde aan den slag. Dien avond gaan zij somber en gedrukt van elkander en er was geen wisseling van vriendelijke daden, hun wagenmenners en paarden sliepen afzonderlijk. De hartstocht der strijders was tot grimmigen ernst gestegen.

De dood van Ferdia.

Op den vierden dag wist Ferdia, dat de strijd zou worden beslist, en hij wapende zich met bijzondere zorg. Hij droeg over zijn huid een kleed van gestreepte zijde, omzoomd met gouden loovertjes, en daarover heen hing een voorschoot van bruin leder. Op zijn buik legde hij een vlakke steen, zoo groot als een molensteen, en daarover een stevig, dik ijzeren voorschoot, immers hij vreesde, dat Cuchulain dien dag de Gae Bolg zou gebruiken. En op zijn hoofd plaatste hij zijn gepluimden helm, met karbonkels bezet en met email ingelegd, en hij omgorde zich met zijn zwaard met gouden gevest, en hing aan zijn arm zijn breed schild met vijftig bronzen knoppen. Zoo stond hij aan de wadde, en terwijl hij wachtte, wierp hij zijn wapenen in de hoogte en ving ze weder op en deed een aantal bewonderenswaardige daden, terwijl hij met zijn machtige wapens speelde zooals een goochelaar met appels speelt, en Cuchulain zeide, terwijl hij hem gadesloeg tot Laeg, zijn wagenmenner: “Als ik van daag achteruit deins, verwijt mij dan en bespot mij en spoor mij tot dapperheid aan, en prijs en bemoedig mij, als ik mijn plicht doe, want ik zal al mijn moed noodig hebben.”

“O Ferdia,” zeide Cuchulain, toen zij den strijd zouden beginnen, “wat zullen heden onze wapens zijn?” Gij moogt van daag kiezen,” antwoordde Ferdia. “Laten het dan alle zijn,” zeide Cuchulain, en Ferdia werd vreeselijk terneergeslagen, toen hij dit hoorde, maar hij zeide: “Zoo zij het,” en daarop begon het gevecht. Tot aan den middag streden zij met speren en niemand kon op den ander een voordeel behalen. Daarop trok Cuchulain zijn zwaard en trachtte Ferdia over den rand van zijn schild heen te treffen; maar de reus Firbolg verhinderde dit listig. Driemaal sprong Cuchulain hoog in de lucht en trachtte Ferdia over zijn schild heen te treffen, maar iederen keer als hij neerkwam ving Ferdia hem op zijn schild op en wierp hem als een klein kind in de wadde, en Laeg lachte hem uit, en riep: Hij werpt u van zich af, zooals een rivier haar schuim weg werpt; hij vermaalt u, zooals een molensteen een graankorrel fijnmaalt; gij, kaboutermannetje, noem u nooit meer een krijgsman.”

Toen kwam ten slotte bij Cuchulain de woede over hem, en hij zette zich tot een reus, totdat hij boven Ferdia uitstak, en het licht van een held schitterde rondom zijn hoofd. De twee waren nauw ineengestrengeld, terwijl zij ronddraaiden en trappelden en terwijl de booze geesten en kabouters en de geesten der bergpassen van het lemmer van hun zwaarden schreeuwden en de wateren der wadde in schrik voor hen weken, zoodat zij een tijdlang op de droogte streden te midden van de bedding der rivier. Nu was Cuchulain een oogenblik minder op zijn hoede, en sloeg Ferdia hem met het scherpe van zijn zwaard, dat diep in zijn vleesch drong, zoodat de rivier roodgekleurd was van zijn bloed. En daarna drukte hij Cuchulain hevig, op hem hakkend en hem stootend, zoodat deze het niet langer kon uithouden en Laeg toeschreeuwde, hem de Gae Bolg toe te werpen. Toen Ferdia dit hoorde hield hij zijn schild naar beneden om zich van onderen te dekken, en Cuchulain joeg zijn speer over den rand van zijn schild en door zijn borstharnas in zijn borst. En Ferdia hief zijn schild weer op, maar op dat oogenblik pakte Cuchulain de Gae Bolg met zijn teenen en wierp het naar boven tegen Ferdia, zoodat het door het ijzeren voorschoot heendrong, den molensteen, die hem beschermde, in drieën spleet, en diep drong in zijn lichaam, zoodat iedere scheur en barst in zijn lichaam met haar weerhaken was gevuld. “Het is genoeg,” riep Ferdia, “dit is mijn dood. Het is erg, Cuchulain, dat ik door uw hand val.” Cuchulain greep hem, terwijl hij viel, en droeg hem in noordelijke richting door de wadde, opdat hij aan de andere zijde zou sterven, en niet aan die van de mannen van Erin. Daarna legde hij hem neder, en een flauwte overviel Cuchulain, en hij viel, toen Laeg uitriep: “Sta op, Cuchulain, immers het leger van Erin zal ons overvallen. Nu Ferdia is gesneuveld, zullen zij geen tweegevecht meer toestaan.” Maar Cuchulain zeide, “waarom zou ik weer opstaan, mijn dienaar, nu hij, die daar ter neder ligt, door mijn hand is gevallen?” en hij viel bewusteloos als dood ter neder. En het leger van Maev trok de grenzen over naar Ulster met geschreeuw en met vreugdekreten, onder het werpen van speren en het zingen van krijgsliederen.

“Cuchulain greep Ferdia toen hij viel”

Maar voordat zij de Wadde verlieten, namen zij het lijk van Ferdia op en legden het in een graf, en bouwden een grafheuvel daarover, en richtten een steenen pilaar op met zijn naam en afkomst in Oghamschrift. En sommigen van de vrienden van Cuchulain kwamen uit Ulster, en droegen dezen naar Murthemney, waar zij hem reinigden en zijn wonden in de stroomen afwaschten, en zijn bloedverwanten onder het Volk van Dana wierpen tooverkruiden ter genezing in de rivieren. Maar hij lag daar, bij voortduring zwak en bedwelmd gedurende verschillende dagen.

Ulster verheft zich eindelijk.

Sualtam nu, de vader van Cuchulain, had het paard van zijn zoon genomen, den Schimmel van Maehn, en was weer weggereden om te zien, of hij op de ééne of andere wijze de mannen van Ulster kon opwekken om de provincie te verdedigen. En hij ging op weg, voortdurend uitroepend: “De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen!” Doch zij staarden hem wezenloos aan, alsof zij niet wisten, waarvan hij sprak. Eindelijk kwam hij in Emania, en daar waren Cathbad de Druïde en koning Conor, met al hun aanzienlijken en edelen, en Sualtam riep hun luidde toe: “De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen; en Cuchulain moet alleen de bres van Ulster bezetten tegen de vier provincies van Erin. Staat op en verdedigt u!” Maar Cathbad zeide niets anders dan: “Hij is des doods schuldig, die den koning zoo lastig valt;” en Conor zeide: “Toch is het waar, wat de man zegt”; en de edelen van Ulster schudden het hoofd en mompelden: “Het is inderdaad waar.”

Daarop draaide Sualtam woedend zijn paard om en was op het punt te vertrekken, toen zijn nek door een beweging van zijn schimmel, viel tegen den scherpen rand van het schild op zijn rug, waardoor zijn hoofd werd afgesneden en op den grond viel. Maar toch bleef het zijn boodschap zelfs toen nog herhalen, en eindelijk liet Conor het op een pilaar zetten, opdat het rustig zou zijn. Maar toch ging het door met schreeuwen en vermanen, totdat eindelijk in den verduisterden geest van den koning de waarheid begon door te dringen, en de verglaasde oogen der krijgslieden begonnen te glinsteren, en langzaam de betoovering van den vloek van Macha van hun geesten en lichamen wegtrok. Daarop rees Conor op en zwoer een krachtigen eed, waarbij hij zeide: “De hemelen zijn boven, de aarde onder ons, en de zee is om ons heen; en als de hemelen niet op ons neerstorten, en de aarde niet opengaapt om ons te verzwelgen en de zee de aarde niet overstroomt, zal ik zoo zeker als ik leef iedere vrouw naar haar haardstede, en iedere koe naar haar stal terugvoeren.”22 Zijn Druïde kondigde af, dat het weer gunstig was, en de koning beval zijn boden in iedere richting uit te trekken en Ulster te wapen te roepen, en hij noemde hun zoowel krijgslieden, die reeds lang dood waren, als de levenden, daar de nevel van den vloek nog niet van zijn hersenen was opgetrokken.

“Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen”

Nu de vloek van hen was afgenomen, stroomden de mannen van Ulster verheugd op de oproeping toe, en iedereen was bezig speren en zwaarden te slijpen, en de wapenrusting aan te trekken en strijdwagens in te spannen voor het te velde trekken der mannen van Ulster. Eén legerafdeeling kwam onder koning Conor en Keltchar, den zoon van Uthecar Hornskin, uit Emania naar het zuiden en een andere kwam uit het westen juist op het spoor van het leger van Maev. En de troep van Conor stootte op honderd zestig man van Erin in Maeth, die een grooten buit van vrouwelijke gevangenen medevoerden, en zij versloegen ieder der honderd zestig man en bevrijdden de vrouwen. Daarop trok Maev met haar leger terug op Connacht, maar toen zij Slemon Midi, den Heuvel van Slane, in Meath, bereikt hadden, vereenigden zich daar de troepen uit Ulster en maakten zich gereed slag te leveren. Maev zond haar boodschapper mac Roth uit, om het leger van Ulster op de Vlakte van Garach gade te slaan en daaromtrent verslag te doen. Mac Roth kwam terug met een angstwekkende beschrijving van wat hij gezien had. Bij den eersten blik zag hij de vlakte overdekt met herten en andere wilde dieren. Deze waren, zoo verklaart Fergus, uit de bosschen verjaagd door de naderende troepen der mannen van Ulster. Toen hij hen den tweeden keer gadesloeg, zag hij een nevel over de valleien, waar boven de toppen der heuvels als eilanden uitstaken. Uit dien nevel kwamen donderslagen en bliksemschichten te voorschijn, en een storm wierp hem bijna ter neder. “Wat beteekent dit?” vraagt Maev, en Fergus vertelt haar, dat de nevel afkomstig is van de diep ademende krijgslieden op hun marsch, en het licht de flikkering van hun oogen, en de donder het geratel hunner strijdwagens en het gekletter hunner wapenen, als zij ten strijde trokken: “Zij meenen, dat zij dien nooit zullen bereiken,” zegt Fergus. “Wij hebben krijgslieden om hen te bestrijden,” zegt Maev. “Gij zult die noodig hebben,” antwoordt Fergus, “immers in geheel Ierland, ja zelfs in de geheele Westelijke Wereld, tot aan Griekenland en Scythië en den Toren van Bregon23 en het eiland Gades, zijn er geen mannen, die de mannen van Ulster in hun woede kunnen weerstaan.”

Daarop volgt een beschrijving van het uiterlijk en de wapenrusting van ieder der aanvoerders van de mannen van Ulster.

De slag bij Garach.

De troepen werden handgemeen in de vlakte van Garach in Meath. Fergus, die een tweehandig zwaard hanteerde, het zwaard dat, naar gezegd werd, als het in den slag werd gezwaaid kringen maakte als een regenboog, maaide heele rijen der mannen van Ulster weg met iederen slag24, en de grimmige Maev deed driemaal een uitval op het centrum van den vijand. Fergus werd handgemeen met koning Conor, en raakte hem op zijn schild met gouden rand, maar Cormac, zijn zoon, smeekte om het leven van zijn vader. Fergus wendde zich nu tot Conall van de Overwinningen.

“Gij zijt te vurig,” zeide Conall, “tegen uw volk en uw ras voor een wellusteling”.25 Fergus hield toen op, de mannen van Ulster te dooden, maar in zijn strijdwoede sloeg hij met zijn regenboogzwaard tusschen de heuvelen, en sloeg de toppen der drie Maela van Meath af, zoodat zij tot op den huidigen dag platte toppen (mael) hebben.

Cuchulain en de Toovermaagden

Cuchulain hoorde in zijn bewusteloosheid het gekraak van de slagen van Fergus, en toen hij langzaam bijkwam, vroeg hij Laeg, wat dat beteekende. “Het is het zwaardgekletter van Fergus,” zeide Laeg. Toen sprong hij op en zijn lichaam zette zóó zeer uit, dat zijn omslagen en zwachtels, die om hem heen gebonden waren, afvlogen, en hij wapende zich en stortte zich in den strijd. Daar ontmoette hij Fergus. “Draai u hierheen, Fergus,” riep hij uit; “ik zal u wasschen als schuim in een waterpoel, ik zal over u heen gaan, zooals de staart over de kat gaat, ik zal u kastijden, zooals een moeder haar kind kastijdt.” “Wie spreekt zoo tot mij?” riep Fergus. “Cuchulain mac Sualtam; en vermijd mij nu, zooals is afgesproken.”26

“Dat heb ik beloofd,” zeide Fergus, en daarop verdween hij uit het gevecht, en tegelijk met hem de mannen van Leinster en die van Munster, terwijl zij Maev met haar zeven zoons en het leger van Connacht alleen achterlieten.

Het was middag, toen Cuchulain in den strijd kwam; toen de avondzon scheen tusschen de bladeren der boomen, bestond zijn strijdwagen slechts uit twee wielen en een handvol gebroken stukken hout, terwijl het leger van Connacht in volle vlucht was naar de grens. Cuchulain haalde Maev in, die onder haar wagen kroop en om genade smeekte. “Ik ben niet gewoon, vrouwen te dooden,” zeide Cuchulain, en hij beschermde haar, totdat zij den Shannon bij Athlone was overgestoken.

Het gevecht der stieren.

Maar de Bruine Stier van Quelgny, die Maev langs een omweg naar Connacht had gezonden, ontmoette den Stier van Ailell met witte horens op de Vlakte van Aei, en de twee dieren begonnen te vechten; maar de Bruine Stier doodde onmiddellijk den anderen, en wierp de stukken over het land, zoodat deelen er van verstrooid lagen van Rathcroghan tot aan Tara; daarna holde hij dol voort, totdat hij dood viel, loeiende en zwart geronnen bloed uitspuwend, op den Bergrug van den Stier, tusschen Ulster en Iveagh. Ailell en Maev sloten een zevenjarigen vrede met Ulster, en de mannen van Ulster keerden met roem beladen naar Emain Macha terug.

Zoo eindigt de “Tain Bo Cuailgné,” of de Strooptocht van Vee van Quelgny; deze is opgenomen in het “Boek van Leinster” in het jaar 1150 door de hand van Finn mac Gorman, Bisschop van Kildore, en op het einde geschreven: “Gezegend zijn zij, die de Tain letterlijk opzeggen, zooals zij hier staat, en het niet in een anderen vorm weergeven.”

Cuchulain in het tooverland.

Eén der vreemdste verhalen onder de Keltische legenden vermeldt hoe Cuchulain, toen hij na de jacht in slaap lag tegen een steen van een pilaar, een droomgezicht had van twee vrouwen uit het Volk van Dana, die tot hem naderden, met roeden gewapend en hem om beurten zóó hard sloegen, dat hij zoo goed als dood was, en hij geen hand kon opsteken, om zich te verdedigen. Den volgenden dag, tot zelfs een jaar daarna, lag hij doodziek ter neder, en er was niemand, die hem kon genezen.

Daarop kwam een man, dien niemand kende, die hem beval zich naar den steen van den pilaar te begeven, waar hij het droomgezicht had gezien; daar kon hij vernemen, wat voor zijn herstel kon worden gedaan. Hij vond er een vrouw uit het Volk van Dana in een groenen mantel, en wel één van die, welke hem hadden gekastijd, en deze deelde hem mede, dat Fand, de Parel der Schoonheid, de vrouw van Mananan den Zeegod, op hem verliefd was geworden en dat zij met haar echtgenoot Mananan in onmin leefde; haar rijk werd belegerd door drie demonenkoningen, tegen wie de hulp van Cuchulain werd ingeroepen, en de prijs voor zijn hulp zou de liefde van Fand zijn. Daarop werd Laeg, de wagenmenner, door Cuchulain weggezonden om over Fand en haar boodschap berichten in te winnen. Hij ging het tooverland binnen, gelegen aan de andere zijde van een meer, dat hij in een bronzen tooverboot overstak, en kwam tehuis met een verslag van de onovertrefbare schoonheid van Fand en de wonderen van het koninkrijk; daarop ging Cuchulain daarheen. Hier leverde hij in een dichten nevel een gevecht tegen de booze geesten, die beschreven worden als te gelijken op golven der zee—ongetwijfeld moeten wij aannemen dat dit de helpers zijn van den vertoornden echtgenoot Mananan. Daarop bleef hij bij Fand vertoeven, bij wie hij zich een maand lang in alle genietingen van het Tooverland verheugde, waarna hij afscheid van haar nam, en een plaats op aarde, het Strand van den Taxisboom, afsprak, waar zij hem zou kunnen treffen.

Emer hoort van de afspraak

Fand, Emer en Cuchulain.

Maar Emer hoorde van de afspraak; maar hoewel zij meestal de tallooze gevallen van ontrouw van Cuchulain gewoonlijk nog al kalm opnam, kwam zij bij die gelegenheid aanzetten met vijftig van haar gezellinnen, met scherpe messen gewapend, om Fand te dooden. Cuchulain en Fand zien reeds van verre haar wagens, en de gewapende vertoornde vrouwen, met gouden gespen, die op haar borsten schitterden, en hij maakt zich gereed, zijn geliefde te beschermen. Hij spreekt Emer aan in een merkwaardig gedicht, waarin hij de schoonheid, de bekwaamheid en de magische macht van Fand beschrijft. “Er is niets wat de geest kan wenschen of zij bezit het.” Emer antwoordt: “Inderdaad schijnt de dame, aan wie gij u vasthecht in geen enkel opzicht beter dan ik, maar het nieuwe is altijd zoet, en het goed gekende is zuur; gij hebt al de wijsheid van heden, Cuchulain! Eertijds leefden wij in eere te zamen en zouden dat nog kunnen doen, als ik genade in uw oogen kon vinden.” “Op mijn eerewoord, dat doet gij, “sprak Cuchulain, “en dat zal het geval zijn zoolang ik leef.”

“Geef mij dan op,” zeide Fand daarop. Maar Emer sprak: “Neen, het is beter dat ik de verlatene ben.” “Niet alzoo,” zeide Fand, “ik ben het, die moet heengaan.” En de behoefte tot weeklagen overviel Fand, en haar ziel in haar was groot, want het was voor haar een schande verlaten te worden en weer regelrecht naar huis terug te keeren; bovendien was in haar hart een onstuimige liefde voor Cuchulain.27

Maar Mananan, de Zoon der Zee, kende haar smart en haar schande en kwam haar te hulp, terwijl niemand hem zag, dan alleen zij, en zij verwelkomde hem in een mystiek gezang. “Wilt gij bij mij terugkeeren?” sprak Mananan, “of wilt gij bij Cuchulain blijven?” “Geen van u beiden is inderdaad beter of edeler dan de ander,” zeide Fand, “maar ik wil met u medegaan, Mananan, want gij hebt geen andere gezellin, die u waardig is, terwijl Cuchulain Emer heeft.”

Daarom ging zij met Mananan mede, en Cuchulain, die den god niet zag, vroeg Laeg, wat er geschiedde. Hij antwoordde: “Fand gaat weg met den Zoon der Zee, daar zij geen genade kon vinden in uw oogen.”

Daarop sprong Cuchulain in de lucht en vlood van de plaats weg, en bleef langen tijd liggen, zonder spijs of drank te willen gebruiken, totdat de Druïden hem ten slotte een drank van vergetelheid schonken; en naar verhaald wordt schudde Mananan zijn mantel tusschen Cuchulain en Fand, opdat zij in der eeuwigheid elkander niet meer zouden ontmoeten.28

De wraak van Maev.

Hoewel Maev na den slag bij Garach met Ulster vrede sloot deed zij toch de gelofte, dat Cuchulain moest vallen, om al de schande en de verliezen, die hij over haar en haar provincie had gebracht, en zij zocht naar een middel, hoe zij zich op hem zou kunnen wreken.

Nu had de vrouw van den toovenaar Calatin, die bij de wadde door Cuchulain was gedood, na diens dood zes kinderen tegelijk ter wereld gebracht, en wel drie zoons en drie dochters. Zij waren mismaakt, monsterachtig leelijk, vergiftig, tot kwaad geboren; en Maev, die van hen had gehoord, zond hen uit, om de tooverkunst te leeren, niet alleen die van Ierland maar ook van Alba; en zelfs gingen zij naar Babylon om geheime wetenschap op te doen, zoodat zij uitgeleerd in tooverkunsten terugkeerden; daarop liet zij hen op Cuchulain los.

Cuchulain en Blanid.

Cuchulain had, behalve den Clan Calatin, nog andere vijanden, en wel Erc, den koning van Ierland, den zoon van Cairpre, die door Cuchulain in den slag was gedood, en Lewy, den zoon van Curoi, den koning van Munster.29 Immers de vrouw van Curoi, Blanid, was in liefde voor Cuchulain ontstoken, en smeekte hem bij haar te komen, en haar weg te halen uit de dūn van Curvi, en een gunstige gelegenheid af te wachten, om de dūn aan te vallen, en wel als hij zag, dat de rivier, die daaruit stroomde, wit werd. Cuchulain en zijn manschappen wachtten daarop in een bosch in de nabijheid, totdat Blanid van oordeel was, dat het geschikte oogenblik was aangebroken, en zij stortte toen in de rivier de melk van drie koeien. Daarop viel Cuchulain de dūn aan, nam die bij verrassing in, en doodde Curoi, waarna hij de vrouw wegvoerde. Maar Fercartna, de bard van Curoi, ging met hen mede, en verraadde zijn bedoelingen niet, totdat hij, toen hij eens in de onmiddellijke nabijheid stond van Blanid, naast den wand van de klip van Beara, zijn armen om haar heensloeg, zich met haar van de rots stortte, op die wijze kwamen zij om, en was Curoi ten opzichte van zijn vrouw gewroken.

Al die personen werden nu door Maev door middel van geheime boodschappen, door berispingen en vermaningen tegen Cuchulain opgezet, en zij wachtten, totdat zij hoorden, dat de vloek van Macha weer zwaar rustte op de mannen van Ulster, en daarna verzamelden zij een leger en trokken op naar de Vlakte van Murthemney.

De krankzinnigheid van Cuchulain.

Eerst waren het de kinderen van Calatin, die schrik en gedruktheid op den geest van Cuchulain wierpen, en zij wisten door de overkapte distels en de wolfsveeten en waaiende bladeren van het bosch den indruk te wekken van gewapende bataljons, die tegen Murthemney optrokken, en Cuchulain meende aan alle kanten den rook van brandende woningen te zien opstijgen. En twee dagen lang streed hij met de droombeelden, totdat hij ziek en uitgeput was. Daarop overreedde hem Cathbad en de mannen van Ulster, om zich terug te trekken in een eenzamen bergpas, waar vijftig der vorstinnen van Ulster, onder wie ook Niam, de vrouw van zijn trouwen vriend Conall van de Overwinningen, hem verpleegden, en Niam dwong hem tot de belofte, dat hij de dūn waar hij was niet zou verlaten, voordat zij hem haar toestemming daartoe gaf.

Maar nog steeds vulden de kinderen van Calatin het land met oorlogsverschijningen, en rook en vlammen stegen op, en woeste kreten en jammerklachten, met gesnap en gelach van kabouters, en het geschal van trompetten en horens werd door den wind aangedragen. En Bave, de dochter van Calatin, ging den bergpas binnen, en na de gedaante te hebben aangenomen van een dienstmaagd van Niam, riep zij haar op zijde en voerde haar tot op een afstand tusschen de bosschen, en legde een betoovering over haar, zoodat zij verloren raakte en haar weg naar huis niet meer kon terugvinden. Daarop ging Bave in de gedaante van Niam naar Cuchulain en riep hem op, om Ulster te bevrijden van de legers, die het teisterden, en de Morrigan kwam in den vorm van een groote kraai op de plaats waar Cuchulain met de vrouwen zat en kraste voortdurend over oorlog en doodslag. Daarop sprong Cuchulain op en riep Laeg om zijn wagen in te spannen. Maar toen Laeg den Schimmel van Macha ging halen om hem op te tuigen, vlood het paard van hem weg en verzette zich, en slechts met de grootste inspanning kon Laeg het voor den wagen spannen, terwijl groote tranen zwart bloed langs zijn kop stroomden.

Daarop reed Cuchulain weg, na zich in zijn wapenrusting te hebben gestoken; en aan iederen kant vervolgden hem gestalten en geluiden van verschrikking, die zijn geest benevelden, en toen leek het hem of hij een groote rookwolk verlicht door uitbarstingen van roode vlammen, boven de wallen van Emain Macha zag, en meende hij, dat hij het lijk van Emer over de wallen zag slingeren. Maar toen hij aan zijn dūn te Murthemney kwam, was Emer in leven, en zij smeekte hem, de spookverschijningen uit den weg te gaan, maar hij wilde niet naar haar luisteren en nam afscheid van haar. Daarna nam hij afscheid van zijn moeder Dectera, en zij gaf hem een beker wijn te drinken, maar voordat hij den wijn kon drinken, veranderde deze in bloed, en hij slingerde dien weg en sprak: “Het einde van mijn leven is nabij, dezen keer zal ik niet levend uit den strijd terug keeren.” En Dectera en Cathbad smeekten hem, de komst van Conall van de overwinningen af te wachten, die op reis was, maar hij wilde dat niet.

Het waschmeisje aan de wadde.

Toen hij aan de wadde kwam op de vlakte van Emania, zag hij daar aan het water iets knielen, dat op een jong meisje geleek, en dat weende en jammerde, het waschte een hoop bloedige kleeren en krijgswapenen in het water, en toen het een druipend buis of borststuk uit het water optilde, zag Cuchulain dat dit hem toebehoorde. Toen zij de wadde overstaken, verdween zij uit hun gezicht.30

Nog eens Clan Calatin.

Na nog eens afscheid genomen te hebben van Conor en de vrouwen in Emania, ging hij weer naar Murthemney en den vijand. Maar op weg daarheen zag hij aan de kant van de weg drie oude vrouwen, ieder blind aan één oog, monsterachtig leelijk en deerniswaardig, zij hadden een klein vuur van stokjes gestookt, en braadden daarboven een dooden hond aan een spit van hout. Toen Cuchulain voorbij kwam, riepen zij hem toe, af te stijgen, bij hen te vertoeven en haar maal te deelen. “Dat zal ik werkelijk niet doen,” zeide hij. “Als wij een groot feest hadden,” spraken zij, “zoudt gij wel gebleven zijn; het past den aanzienlijke niet de geringen te minachten.” Daarop steeg Cuchulain af, daar hij niet wilde, dat men hem voor onwellevend hield tegenover ongelukkigen, en hij nam een stuk van het gebraden vleesch, en at dat op, maar de hand, waarmede hij het had aangenomen, werd tot aan den schouder verlamd, zoodat haar vroegere kracht gebroken was. Immers het was voor Cuchulain geis een haard te naderen, waarop gebraden werd, en daar voedsel van te nemen, en het was eveneens geis voor hem, van zijn naamgenoot te eten.31

De dood van Cuchulain.

Cuchulain vond het leger van zijn vijanden bij Slieve Fuad, ten zuiden van Armagh, en woedend reed hij tegen hen in, de “donderkunst” op hen toepassend, totdat de vlakte met hun dooden bezaaid was. Daarop naderde hem een hekeldichter, daartoe door Lewy aangezet, die hem om zijn speer vroeg.32 “Daar hebt ge hem,” zeide Cuchulain, en wierp die met zóó groote kracht tegen hem aan, dat zij dwars door hem heenging en nog bovendien negen man doodde. “Een koning zal door die speer vallen,” zeiden de zonen van Calatin tot Lewy, en Lewy greep haar en wierp haar naar Cuchulain, maar zij trof Laeg, den koning der wagenmenners, zoodat zijn ingewanden op de kussens van den wagen vielen, en hij nam afscheid van zijn meester en stierf.

Daarop vroeg een tweede hekeldichter om de speer, maar Cuchulain zeide: “Ik behoef niet meer dan één verzoek per dag in te willigen.” Maar de hekeldichter sprak: “Dan zal ik Ulster om uw verzuim beschimpen,” en Cuchulain wierp hem toen evenals te voren de speer toe, en nu greep Erc haar, die haar terugwierp, waardoor de schimmel van Macha doodelijk getroffen werd. Cuchulain trok de speer uit de zijde van het paard, en zij namen afscheid van elkander, en de schimmel galoppeerde weg, met het halve juk aan den nek.