WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 192: De dood van Maev.
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

De Dood van Cuchulain

En ten derden male slingerde Cuchulain zijn speer naar een hekeldichter, en Lewy pakte die weer en slingerde haar terug, en zij trof Cuchulain zelf, en zijn ingewanden vielen in den wagen, en het overgebleven paard de Zwarte Sainglend, brak los en liet hem in den steek.

“Ik zou zoo gaarne naar dien kant van het meer gaan om te drinken,” sprak Cuchulain, die wist, dat zijn einde nabij was, en zij lieten hem gaan, toen hij beloofd had weer tot hen te zullen terugkeeren. Daarop nam hij zijn ingewanden bijeen, stak ze in zijn lichaam en ging naar den kant van het meer, en dronk, en baadde, en keerde terug om te sterven. Er was in de nabijheid een groote steenen pilaar, die ten westen van het meer stond, en hij ging daarheen, en sloeg zijn gordelriem daaromheen en om zijn borst, opdat hij staande zou kunnen sterven, en niet neerliggend; en zijn bloed vloeide in een kleinen stroom in het meer, en een otter kwam buiten het meer en likte het op. En de vijandelijke troepen verzamelden zich rondom, maar durfden hem niet te naderen, terwijl het leven nog in hem was, en het licht van den held straalde boven zijn voorhoofd. Daarop kwam de Schimmel van Macha, om hem te beschermen, en verstrooide zijn vijanden door te bijten en te schoppen.

En daarna kwam een kraai, die zich op zijn schouder neerzette. Toen Lewy dit zag, kwam hij nader, haalde het haar van Cuchulain naar één kant over diens schouder, en sloeg met zijn zwaard het hoofd af; en het zwaard viel uit de hand van Cuchulain en sloeg de hand van Lewy af, in zijn val. Als wraak daarvoor namen zij de hand van Cuchulain, en zij droegen het hoofd en de hand naar het zuiden naar Tara en begroeven die daar, en richtten daarover een hoogte op. Maar Conall van de Overwinningen, die zich, toen hij het bericht van den oorlog kreeg, naar Cuchulain’s zijde spoedde, ontmoette den Schimmel van Macha, die stroomde van bloed, en samen gingen zij naar den oever van het meer en zagen hem daar zonder hoofd en aan den pilaar gebonden, en het paard kwam nader en legde zijn kop op Cuchulains borst. Conall reed naar het zuiden om Cuchulain te wreken, en hij ontmoette Lewy bij de rivier de Liffey, en omdat Lewy maar één hand had, bond Conall één van zijn handen achter zijn rug, en zij vochten den halven dag, maar geen van beiden behaalde de overwinning.

Daarop kwam het paard van Conall, de Rood-gespikkelde, en beet een stuk uit de zijde van Lewy, en Conall doodde hem, nam zijn hoofd, en keerde naar Emain Macha terug. Maar er werd geen feestelijken intocht gehouden, toen zij de stad binnentrokken, want Cuchulain, de Hond van Ulster, leefde niet meer.

Het terugwinnen van de Tain.

De geschiedenis van de “Tain” of de Strooptocht om den Bruinen Stier van Quelgny was volgens de overlevering door niemand anders geschreven dan door Fergus mac Roy, maar het groote lied was langen tijd verloren. Men meende, dat het in Oghamletters geschreven was op houten stokken, die een bard, die ze in bezit had, medegenomen had naar Italië, vanwaar zij nooit terugkwamen.

Het terug winnen van de “Tain” is het onderwerp van een aantal legenden, die door Sir S. Ferguson in zijn “liederen van Westelijk Wales” zijn bijeengebracht in een gedicht, dat getuigt van een zoo helder inzicht in de geest der Galische mythen, dat wij het bij het weergeven van dit merkwaardig en schoone verhaal zooveel mogelijk op den voet zullen volgen. Het verhaal luidt, dat Sanchan Torpest, de voornaamste bard van Ierland, eens op een feest na het verlies van de “Tain” door den opperkoning Guary gehoond werd met het feit, dat hij niet in staat was het meest beroemde en het schitterendste der Galische gedichten voor te dragen. Dit tastte den bard in zijn eer, en hij besloot te trachten de verloren schat te herwinnen. Wijd en zijd door Erin en door Alba zocht hij naar sporen van het lied, maar hij kon niets anders dan verspreide stukken vinden. Hij zou zelfs door tooverkunsten den geest van Fergus hebben opgeroepen, om hem het lied te leeren, zelfs ten koste van zijn eigen leven—want dat zou, naar het schijnt, de prijs geweest zijn, die voor de tusschenkomst en de hulp van den doode geëischt werd—maar de plaats, waar Fergus was begraven en waar de tooverformulieren moesten worden opgezegd, kon niet worden ontdekt. Eindelijk zond Sanchan zijn zoon Murgen met diens jongeren broeder Eimena op reis naar Italië, om te trachten, daar het lot te ontdekken van het op stokken geschreven boek.

Beiden reisden nu in oostelijke en in westelijke richting over Erin, totdat Murgen na een langen tocht bij Loch Eïn niet verder kon. Zijn broeder ging toen alleen verder, na hem te hebben opgedragen, bij een rechtopstaande steen op zijn terugkomst te wachten.

Toen zag Murgen op de plaats waar hij leunde beneden aan de hoeken van den steenen pilaar letters in Oghamschrift. “Het is,” zeide hij, “een grafsteen, en die strepen bevatten waarschijnlijk den naam van den één of anderen krijgsman; kon ik de teekens maar ontcijferen.” Letter na letter spelde hij, totdat hij ontdekte, dat het opschrift luidde: “Hier is Fergus, de Zoon van Roy begraven.” Hoewel nu Murgen wist, welke straf er op stond, deed hij toch een beroep op Fergus, om medelijden te hebben met de droefheid van een zoon, en beloofde, als hij de “Tain” kon terugkrijgen, zijn leven te zullen offeren, zijn bloedverwanten en vrienden en de maagd, die hij liefhad, in den steek te zullen laten, opdat zijn vader niet zou worden beschimpt. Maar Fergus gaf geen teeken, en daarom deed hij op andere wijze nog eens een beroep op Fergus, en zeide: “Fergus, vrouwenliefde laat u nu onverschillig, voor kinderliefde, menschelijk instincten, zijt gij ongevoelig; maar als gij dan niet ter wille der liefde ontwaakt, doe het dan terwille van den zang. Gij waart de eerste, die de Galiërs de dichtkunst hebt gegeven; zij hebben tegenwoordig hun schoonste gaven verloren, doch laat het lied de eenige schat zijn, die hun in hun geboorteland is overgebleven.”

Fergus stond op; met hem stak ook een nevel op, zóó dik, dat toen Eimena terugkeerde, hij die nevel niet kon doorboren. Den geheelen nacht echter hoorde Murgen de liefelijke stem weerklinken, en hoorde hij het lied van de “Tain”. Bezield keerde hij naar Sancha terug; driemaal werd het geheele lied voorgedragen, totdat Murgen zijn trouwe geliefde opzocht en haar mededeelde, hoe hij zijn leven en zijn liefde voor haar had opgeofferd. De diep bedroefde maagd zegt hem, dat de onsterfelijke roem, dien de zanger deelachtig wordt, niet opweegt tegen één traan der geliefde.

Daarop zegt Sanchan, dat twee gouden bekers het loon zullen zijn van Murgen, als hij de woorden en de melodie van Tain-Bo-Cueilgne regel voor regel kan voordragen.

En zoo zong Murgen het heerlijke lied, door Fergus vervaardigd, over de mannen van Ulster en over Cuchulain en Conall van de Overwinningen en over Cuchulains makker Ferdia. Doch zie, daar kwam onder heftige donderslagen Fergus, de Zoon van Roy de zaal binnen, en eischte van den harpspeler het geëischte loon op. Plotseling veranderde Murgen in een stuk klei. “Leg hem,” zoo sprak Fergus, “op zijn lijkbaar naast mij, nooit zal een inhalige koning mij meer bespotten; slaven zullen Sanchan voor den gek houden; maar omdat de maagd voor haar droevig lot dient getroost te worden, komt haar het duur gekochte loon, de beide gouden bekers, toe.

Doch het meisje wilde van die bekers niets weten en liet ze in den oceaan werpen, ver uit het gezicht en de herinnering, en zij voegde er de vervloeking aan toe, dat de Tain-Bo met die bekers zou te gronde gaan, alsof die nooit was teruggevonden.

En zoo geschiedde het, dat het lied, dat eens ten koste van een zóó hoogen prijs was teruggevonden, bijna geheel is verloren gegaan, voordat het zelfs eenmaal volledig was gezongen.

De spookwagen van Cuchulain.

Cuchulain komt weer op indrukwekkende wijze ten tooneele in een latere legende van Christelijken oorsprong, die gevonden is in het “Boek der vale koe,” uit de twaalfde eeuw. Het verhaal luidt, dat hij door St. Patrick uit de Hel is opgeroepen, om de waarheden van het Christendom en de afgrijselijkheid der verdoemenis te bewijzen aan den heidenschen vorst, Laery mac Neill, den koning van Ierland. Laery staat met St. Benen, een metgezel van St. Patrick op de Vlakte van mac Indoc, als een ijzige stormvlaag hen bijna van de voeten rukt. Het is de wind van de Hel, nadat deze voor Cuchulain geopend is, zoo verklaart Benen. Daarop bedekt een dichte nevel de vlakte, en dadelijk wordt een groote tooverwagen met galoppeerende paarden, een schimmel en een zwart paard, door den nevel heen zichtbaar. Daarin zijn de beide beroemde personen Cuchulain en zijn wagenmenner gezeten, reusachtige figuren, gewapend met al den glans van den Galischen krijgsman.

Daarna spreekt Cuchulain met Laery, en dringt er bij hem op aan, “in God en den Heiligen Patrick te gelooven, want het is niet een booze geest, die tot u gekomen is, maar Chuchulain de zoon van Sualtam.” Om zijn identiteit te bewijzen, verhaalt hij zijn beroemde krijgsdaden en eindigt met een droevige beschrijving van zijn tegenwoordige toestand:

Hoeveel droefheid ik ook geleden heb,

O Laery, te land en ter zee—

Eén enkele nacht was nog veel erger,

Als de booze geest toornig was!

Hoe groot mijn heldenmoed ook was,

Hoe stevig ook mijn zwaard,

De duivel drukte mij met één vinger neder

In de roode houtskool!”

Hij eindigt met St. Patrick te smeeken hem den hemel te doen beërven en de legende verteld dat zijn bede werd verhoord en dat Laery tot het Geloof kwam.

Dood van Conor mac Nessa.

Ook om den dood van den heer van Cuchulain, Conor, den koning van Ulster, hebben zich Christelijke denkbeelden gegroepeerd. Hij stierf op de volgende wijze. Hij had een onrechtvaardigen en wreeden aanval gedaan op Mesgedra, den koning van Leinster, bij welke gelegenheid die vorst den dood vond door de hand van Conall van de Overwinningen33. Conall nam de hersenen uit het hoofd van den dooden koning en vermengde die met klei, om een slingersteen te vervaardigen—welke “hersenballen”, zooals zij genoemd worden, beschouwd worden als de doodelijkste werptuigen. Die bal werd bewaard in de schatkamer van den koning te Emain Macha, waar de kampioen van Connacht, Ket, de zoon van Maga, dien op zekeren dag vond, toen hij vermomd op buit uitging door Ulster. Ket nam hem weg, en hield hem voortdurend bij zich. Niet lang daarna roofden de mannen van Connacht vee uit Ulster en de mannen van Ulster, haalden hen onder aanvoering van Conor in bij een wadde in Westmeath die nog Athnurchar (de wadde van den geworpen Slinger) heet. Een slag was op handen, en een aantal dames van Connacht kwamen aan den oever van de rivier om de beroemde krijgslieden van Ulster te zien, en vooral Conor, den statigsten man van zijn tijd. Conor was ook bereid zich te vertoonen, en daar hij niet anders dan vrouwen zag aan den anderen oever, kwam hij dicht bij haar; maar Ket, die in een hinderlaag op de loer lag, stond nu op en slingerde den hersenbal naar Conor en trof hem midden op het voorhoofd. Conor viel neer, en werd door zijn op de vlucht gejaagde volgelingen meegevoerd. Toen zij hem naar Emain Macha nog levend thuis hadden gebracht, verklaarde zijn geneesheer Fingen, dat hij moest sterven, als de bal uit zijn hoofd werd gehaald; deze werd daarom met gouddraad vastgenaaid, en den koning werd geraden zich te onthouden van paardrijden en van alle heftige inspanning en gemoedsbeweging, opdat hij er geen hinder van zou hebben.

Zeven jaar later zag Conor, dat de zon des middags werd verduisterd, en hij liet zijn Druïde komen, om hem de beteekenis van dit voorteeken te verklaren. De Druïde vertelt hem in een magische geestverrukking van een heuvel in een ver afgelegen land, waarop drie kruisen staan, aan elk waarvan een menschelijk gedaante was vastgespijkerd, en één van hen is als de Onsterfelijken. “Is hij een boosdoener?” vraagt Conor daarop. “Neen,” zegt de Druïde, “maar de Zoon van den levenden God,” en hij verhaalt de koning de geschiedenis van den dood van Christus. Conor barst in woede los, en na zijn zwaard getrokken te hebben, hakt hij op de eikeboomen in het heilige boschje los, en riep hij uit: “Zoo zou ik zijn vijanden behandelen,” maar door de opwinding en inspanning barstte de hersenbal uit zijn hoofd en hij valt dood neer. En zoo is de wraak van Mesgedra vervuld. Met Conor en met Cuchulain is de glorie van de Rooden Tak en de overmacht van Ulster verdwenen. De volgende cyclus van Iersche legenden, die van Ossian, voert weer verschillende karakters ten tooneele, een omgeving van een andere natuurgesteldheid en geheel verschillende levensidealen.

Ket en het everzwijn van mac Datho.

Ket, de kampioen van Connacht, wiens voornaamste krijgsdaad het verwonden van koning Conor te Ardnurchar was, komt ook voor in een zeer dramatisch verhaal, dat tot titel draagt “Het voorsnijden van het everzwijn van mac Datho”. De geschiedenis luidt aldus: Er woonde eens in de provincie Leinster een rijk, gastvrij heer, Mesroda genoemd, de zoon van Datho. Hij had twee bezittingen; en wel een hond, die harder liep dan eenige andere hond of eenig ander wild dier in Erin en een everzwijn, dat het mooiste en grootste was dat ooit door iemand was gezien.

De faam van dien hond was over het geheele land verspreid, en groot was het aantal vorsten en edelen, die hem wilden bezitten. Zoo kwam het, dat Conor, de koning van Ulster en Maev, de koningin van Connacht, boden naar mac Datho zonden met de vraag, hun den hond te verkoopen, en beide boden kwamen denzelfden dag aan de dūn van mac Datho. De bode uit Connacht zeide: “Wij zullen u in ruil voor den hond zeshonderd melkkoeien geven en een wagen met twee paarden, de beste, die in Connacht te vinden zijn, en een jaar later zult gij nog eens hetzelfde krijgen.” En de bode van koning Conor zeide: “Wij zullen niet minder dan Connacht geven en daarbij de vriendschap en het bondgenootschap met Ulster, en dat is meer voor u waard dan de vriendschap van Connacht.

Daarop verzonk Mesroda mac Datho in diepe stilte, en drie dagen lang weigerde hij te eten en te drinken, en des nachts kon hij niet slapen, maar woelde onrustig op zijn bed heen en weer. Zijn vrouw zag in welken toestand hij was, en sprak tot hem: “Gij hebt lang gevast, Mesroda, hoewel er overvloed van goed voedsel naast u staat, en des nachts draait gij uw gelaat tegen den muur, en ik weet zeer goed, dat gij niet slaapt. Wat is de reden van uw onrust?”

“Er is een spreuk,” antwoordde mac Datho, die luidt: “Vertrouw een knecht geen geld, en een vrouw geen geheim.”

“Wanneer zou een man met een vrouw spreken,” antwoordde zijn vrouw, “als hij het niet doet, als hij in moeilijkheden verkeerd? Wat uw geest niet kan oplossen, kan misschien die van een ander doen.”

Daarop vertelde mac Datho zijn vrouw van het verzoek om zijn hond zoowel van Ulster als van Connacht op hetzelfde oogenblik. “En wien van beiden ik het weiger, die zal mijn vee wegrooven en mijn mannen dooden.”

“Hoor dan naar mijn raad,” zeide de vrouw. “Geef hem aan beiden, en laten zij hem komen halen, en als er geplunderd moet worden, laat hen dan liever elkander plunderen; maar in geen geval moogt gij den hond houden.”

Mac Datho volgde dien wijzen raad, en noodigde de mannen van Ulster en Connacht uit op een groot feest op denzelfden dag, onder mededeeling, dat zij den hond daarna konden krijgen.

Zoo kwamen dan op den vastgestelden dag Conor van Ulster, en Maev, met hun gevolg van vorsten en aanzienlijken bijeen in de dūn van mac Datho. Daar zagen zij een groot feest aangericht, en mac Datho had als hoofdgerecht zijn beroemd everzwijn laten dooden, een dier van ontzaglijke grootte. De vraag kwam toen ter sprake, wien de eervolle taak zou worden opgedragen, het voor te snijden, en Bricriu van de Vergiftigde Tong stelde in overeenstemming met zijn strijdlustigen aard voor, dat de krijgslieden van Ulster en Connacht hun voornaamste krijgsdaden zouden vergelijken, en het voorsnijden van het everzwijn zouden opdragen aan hem, die zich het verdienstelijkst had gemaakt bij de gevechten, die steeds aan de grens van beide provincies werden geleverd. Na veel heen en weer praten en na veel beleedigingen gaat Ket, de zoon van Maga, over het everzwijn staan, met het mes in de hand, en daagt ieder der edelen van Ulster uit, hun dappere daden met de zijne te vergelijken. Een voor een staan zij op, Cuscrid de zoon van Conor, Keltchar, Moonremur, Laery de Zegevierder, en anderen—Cuchulain komt in dit verhaal niet ten tooneele—en bij ieder verhaal weet Ket de ééne of andere prikkelende mededeeling te doen van een ontmoeting, waarbij hij het er beter heeft afgebracht dan zij, en één voor één zetten zij zich beschaamd en zwijgend ter neder. Eindelijk wordt een kreet van welkom gehoord aan de deur der zaal en de mannen van Ulster heffen een gejubel aan. Conall van de Overwinningen is ten tooneele verschenen. Hij stapt naar het everzwijn, en Ket en zij groeten elkander met ridderlijke hoffelijkheid.

“En nu, welkom, O Conall, man van het ijzeren hart en het vurige bloed; scherp als het glanzende ijs, altijd overwinnend opperhoofd; heil u, machtige zoon van Finnchoom!” sprak Ket.

En Conall zeide: “Heil u, Ket, bloem der helden, heer der wagens, een stormende zee in den slag; een krachtige stier vol majesteit; heil u, zoon van Maga!”

“En nu,” vervolgde Conall, “sta op van uw plaats bij het everzwijn, en maak plaats voor mij.”

“Waarom!” antwoordde Ket.

“Zoekt gij met mij te strijden?” zeide Conall. “Gij zult uw zin hebben. Bij de goden van mijn volk zweer ik, dat ik sedert ik voor het eerst de wapenen ter hand nam, nooit één dag heb doorleefd, dat ik niet een man uit Connacht doodde, noch één nacht, dat ik niet een strooptocht tegen hen ondernam, en nooit heb ik geslapen, zonder het hoofd van een man uit Connacht onder mijn knie gehad te hebben.”

“Ik geef toe,” zeide daarop Ket, “dat gij een beter krijgsman zijt dan ik, en ik sta u het everzwijn af. Maar als mijn broeder Anluan hier was, zou hij iedere oorlogsdaad van u het hoofd bieden, en het is treurig en een schande, dat hij niet hier is.”

“Anluan is hier,” riep Conall uit, en daarbij wierp hij uit zijn gordelriem het hoofd van Anluan, en smeet het in het gezicht van Ket.

Daarop sprongen allen op en er ontstond een woest geschreeuw en rumoer en de zwaarden vlogen van zelf uit de scheeden, en de slag woedde in de zaal van mac Datho. Spoedig vlogen de troepen uit de deuren van de dūn en sloegen en doodden elkander in het open veld, totdat de troepen van Connacht op de vlucht gejaagd waren. De hond van mac Datho volgde den wagen van koning Ailell van Connacht totdat de wagenmenner zijn kop afsloeg, zoodat de oorzaak van den strijd door geen van beide partijen werd gewonnen, en mac Datho wel zijn hond verloor, maar zijn landen en zijn leven redde.

De dood van Ket.

De dood van Ket wordt verhaald in de “Geschiedenis van Ierland” door Keating. Toen hij van een strooptocht in Ulster terugkeerde, werd hij overvallen door Conall op een plaats, de wadde van Ket genoemd, en zij vochten lang en wanhopig. Ten slotte werd Ket verslagen, maar Conall van de Overwinningen was er niet beter aan toe, en lag ter neder op het punt van dood te bloeden, toen een andere kampioen van Connacht, Beälcu34 genaamd, hem vond liggen. “Dood mij,” zeide Conall tot hem, “opdat men niet kan zeggen, dat ik viel door één man uit Connacht.” Maar Beälchu zeide: “Ik zal iemand niet dooden, die op het punt is te sterven, maar ik zal u naar huis brengen, en genezen, en zoodra gij uw kracht hebt teruggekregen, zult gij met mij in een tweegevecht strijden.” Daarop legde Beälchu Conall op een draagbaar, en bracht hem naar huis, en liet hem verzorgen, totdat zijn wonden genezen waren. Maar toen de drie zonen van Beälchu zagen, hoe sterk de de kampioen van Ulster was in zijn volle kracht, besloten zij hem te vermoorden, voordat het gevecht zou plaats hebben. Doch door een krijgslist wist Conall te bewerken, dat zij in plaats daarvan hun eigen vader doodden; en daarna ging hij als overwinnaar zooals hij gewoon was, naar Ulster, terwijl hij de hoofden der drie zonen medenam.

Forbay en Koningin Maev

De dood van Maev.

Ook het verhaal van den dood van koningin Maev is door Keating bewaard gebleven. Toen Fergus mac Roy door Ailell gedood was door een speerworp, terwijl hij met Maev in een meer baadde, en toen Ailell door Conall gedood was, trok zich Maev terug naar een eiland35 in Loch Ryve, waar zij gewoon was iederen morgen te baden in een vijver dicht bij de landingsplaats. Toen Forbay, de zoon van Conor mac Nessa, die gewoonte van de koningin had ontdekt, vond hij op zekeren dag het middel, onopgemerkt naar den vijver toe te gaan en den afstand te meten van den vijver tot aan den oever van het vasteland. Daarna ging hij terug naar Emania, waar hij den zoo gemeten afstand uitzette, en na een appel op een stok te hebben geplaatst wierp hij daar met een slinger voortdurend naar, totdat hij zóó goed op dien afstand had leeren mikken, dat hij nooit meer zijn doel miste. Daarop zag hij op zekeren dag, na een gunstige gelegenheid aan de oevers van Loch Ryve te hebben afgewacht, Maev het water instappen, en na een kogel in zijn slinger te hebben geworpen, mikte hij zóó juist op haar, dat hij haar in het midden van het voorhoofd trof en zij dood ter neder stortte.

Naar verhaald wordt, had de dappere en krijgszuchtige koningin acht en tachtig jaar in Connacht geregeerd. Zij is een treffend voorbeeld van de soort vrouwen, die de Galische barden zoo gaarne schilderen. Bescheidenheid en zachtheid waren volstrekt niet haar gewone karaktertrekken, maar eer een onstuimige, overvloeiende levenslust. Men vindt tallooze voorbeelden van oorlogvoerende vrouwen zooals Skatha en Aifa, en men herinnert zich de Gallische vrouwen, met haar krachtige sneeuwwitte armen, die het zoo gevaarlijk is te tarten, van wie de classieke schrijvers ons verhalen. De Gallische barden, die in zoo menig opzicht de voorloopers waren van de denkbeelden der ridderromantiek, plaatsten de vrouwen niet op een andere lijn dan de mannen. Vrouwen werden beoordeeld en behandeld als mannen, noch als slavinnen, noch als godinnen, en wij weten, dat zij zelfs nog in historische tijden met de mannen ten strijde trokken, een gebruik, dat eerst in de zesde eeuw eindigde.

Fergus mac Leda en het volk der dwergen.

Van die verhalen van den Cyclus van Ulster, die niet gegroepeerd zijn om de figuur van Cuchulain, is één der meest merkwaardige dat van Fergus mac Leda en den Koning van het volk der dwergen. In dit verhaal treedt Fergus op als koning van Ulster, maar daar hij een bondgenoot was van Conor mac Nessa, en bij den Strooptocht van Quelgny wordt voorgesteld als Conor in den oorlog te volgen, moeten wij besluiten, dat hij in werkelijkheid een onderkoning was, zooals Cuchulain of Owen van Ferney.

Het verhaal opent te Faylinn, of het Land en het Volk der dwergen, een ras van Kaboutermannetjes, die een aardige periode voorstellen van menschelijke instellingen op verkleinde schaal, maar die (evenals dwergen in de literatuur der primitieve rassen meestal worden gedacht) begiftigd zijn met toovermacht. Jubdan36, de koning van Faylinn, bluft, als hij bij een feest zich ruim aan wijn heeft te goed gedaan, op de grootheid van zijn macht en de onoverwinnelijkheid van zijn gewapende troepen—behoort daartoe niet ook de sterke man Glower, die er om beroemd is dat hij met één slag van zijn bijl een distel kon afhakken? Maar Eisirt,de bard van den koning, heeft iets hooren verluiden van een reuzenvolk aan de overzijde der zee, in een land, Ulster genoemd, van wie één man een geheel bataljon van het Volk der dwergen kan vernietigen, en onvoorzichtig geeft hij daaromtrent den pochenden vorst een wenk. Onmiddellijk wordt hij om zijn vermetelheid in de gevangenis geworpen, en alleen vrijgelaten onder voorwaarde, dat hij dadelijk naar het land dier machtige mannen zal gaan, en de bewijzen zal leveren van de waarheid van zijn ongeloofelijk verhaal.

Koning Fergus en de Dwerg

Zoo vertrekt hij dus; en op een schoonen dag vinden dan ook koning Fergus en zijn edelen aan de poort van hun dūn een nietig kereltje, prachtig uitgedost in de kleederen van een koninklijken bard, die toegang vraagt. Hij wordt daar binnen gedragen op de hand van Aeda, den dwerg en bard van den koning, en nadat hij het hof heeft bekoord door zijn verstandige en geestige gezegden, na een rijke belooning te hebben ontvangen, die hij dadelijk verdeelt onder de dichters en andere hovelingen van Ulster, keert hij weer naar huis terug, waarbij hij als gast den dwerg Aeda medeneemt, voor wien het volk der dwergen vlucht als ware hij een reus uit “Fomoria,” hoewel de gemiddelde mannen van Ulster, zooals Eisirt uitlegt, hem als een kind kunnen dragen. Jubdan is nu overtuigd, maar Eisirt stelt hem onder geise, den band der ridderlijkheid waaraan geen Iersch opperhoofd zich kan onttrekken zonder schande te ondervinden, om evenals Eisirt gedaan heeft, naar het paleis van Fergus te gaan en de pap van den koning te proeven. Nadat Jubdan Aeda gezien heeft, is hij zeer ongerust, maar hij maakt zich gereed te gaan, en verzoekt Bebo, zijn vrouw, hem te vergezellen. “Gij deedt een slechte daad,” zoo sprak zij, “toen gij Eisirt liet gevangen nemen; maar er is ongetwijfeld niemand onder de zon, die u naar rede kan laten luisteren.”

Zoo vertrekken zij dan, en het tooverpaard van Jubdan draagt hen over de zee, totdat zij Ulster bereiken en tegen middernacht staan zij voor het paleis van den koning. “Laat ons de pap eten, zooals wij verplicht zijn,” zegt Bebo, en vóór het aanbreken van den dag weer vertrekken”. Zij dringen heimelijk naar binnen en vinden den pot met pap, tot welks rand Jubdan alleen maar kan reiken als hij boven op zijn paard gaat staan. Toen hij zich voorover boog om de pap te bereiken, verliest hij het evenwicht en valt in den pot. Hij blijft in de dikke pap vastzitten, en de waschmeiden van Fergus vinden hem bij het aanbreken van den dag, terwijl de trouwe Bebo luide weeklaagt. Zij dragen hem naar Fergus, die verbaasd is, dat hij een andere dwerg, en dat wel met een vrouwelijke dwerg in zijn paleis vindt. Hij ontvangt hen gastvrij, maar weigert elk verzoek om ze te laten terugkeeren. Het verhaal deelt nu in een geest, Rabelais waardig, verschillende avonturen mede, waarin Bebo betrokken is, en geeft een aardig gedicht weer, dat door Jubdan zou zijn uitgesproken in den vorm van raadgevingen aan de vrouw die in het paleis van Fergus belast is met de bezorging van het vuur, omtrent de voordeelen van het branden van verschillende soorten hout. Hier volgen enkele uittreksels:

“Verbrand niet den zoeten appelboom met neerhangende takken, met witte bloesems, naar wiens sierlijken kruin iedereen de hand uitstrekt.”

“Verbrand niet den edelen wilg, het onfeilbare sieraad der gedichten; bijen drinken van zijn bloesems, allen verheugen zich in de sierlijke tent.”

“Den fijnen, luchtige boom der Druïden, met zijn bessen, dien moet gij branden; maar vermijd den zachten boom, verbrand niet den slanken hazelaar.”

“Verbrand niet den esschenboom met zijn zwarte kop—hout, dat het wiel aandrijft, dat den ruiter zijn zweep verschaft; de esschenhouten speer is de maatstok van den strijd.”

Eindelijk kwamen de dwergen in groote menigte om te verzoeken, Jubdan los te laten. Toen de koning dit weigerde, bezochten zij het land met verschillende rampen. Zoo sneden zij de korenaren af; lieten de kalveren alle koeien droog zuigen, bezoedelden de bronnen en dergelijke; maar Fergus was verstokt. In hun hoedanigheid van aardgoden, dei terreni, beloven zij te zullen zorgen, dat de vlakten vóór het paleis van Fergus ieder jaar dik met koren zullen staan, zonder dat zij behoeven te ploegen of te zaaien, maar alles is vergeefs. Eindelijk stemt Fergus er in toe, Jubdan uit te leveren tegen de beste zijner tooverschatten, waarop Jubdan ze één voor een opsomt—de ketel, die nooit leeg wordt, de harp, die vanzelf speelt, en ten slotte maakt hij melding van een paar waterschoenen, waarmede ieder, die ze aantrekt even goed over of onder het water kan loopen als op het droge. Fergus kiest de schoenen en Jubdan wordt losgelaten.

De misvorming van Fergus.

Maar het is voor een sterveling moeilijk, het van de tooverwereld te winnen—een trek van verborgen moedwil is in toovergiften geborgen, en dit bleek ook nu weder. Fergus had er nooit genoeg van, de diepten der meren en rivieren van Ierland te onderzoeken; maar op zekeren dag kwam hij in Loch Rury een vreeselijk monster tegen, de Muirdris of het rivierpaard, dat dit meer bewoonde, en dat hij nauwelijks kon ontkomen door naar den oever te ontvluchten. Door den schrik bij die ontmoeting was zijn gezicht geheel scheefgetrokken; maar daar een misvormd man in Ierland niet kon regeeren, stelden zijn koningen en edelen onder verschillende voorwendsels, alles in het werk, alle spiegels uit het paleis verwijderd te houden, en zorgden zij er voor, dat hij geen kennis kreeg van den toestand, waarin hij verkeerde. Op zekeren dag echter wierp hij een roede naar een dienstmeid wegens de eene of andere nalatigheid, waarop de meid verontwaardigd uitriep: “Het ware beter voor u, Fergus, als gij u wreektet op het rivierpaard, dat uw gezicht heeft verdraaid, dan dappere daden tegenover vrouwen te verrichten!” Fergus beval hem een spiegel te brengen, en bekeek zich daarin. “Het is waar”, zeide hij, “dit heeft het rivierpaard van Loch Rury gedaan.”

De dood van Fergus.

Daarop trok Fergus de tooverschoenen aan, nam zijn zwaard in de hand en ging naar Loch Rury. Een geheelen dag en nacht bleef hij onder de golven buiten het gezicht, maar al de mannen van Ulster, die aan den oever stonden, zagen het meer koken en rood worden door zijn bloed. Toen bij het aanbreken van den dageraad ook de lucht rood werd, verrees hij—en in zijn hand hield hij den kop van Muirdris. De misvorming was verdwenen! Op zijn bevallig gelaat had iedere trek weer symmetrisch zijn plaats ingenomen; en allen die hem zagen ontdekten weer in zijn geheele gezicht de koninklijke rust, breed en kalm. Hij glimlachte, wierp de tropee op den oever, en sprak “mannen van Ulster, ik heb overwonnen”! daarna verzonk hij in de diepte.

Dit schoone verhaal is door Standish Hayes O’Grady in zijn “Silva Gadelica” uitgegeven. De luimige behandeling van het tooverelement in de geschiedenis zou er op wijzen, dat het behoort tot een latere periode der Iersche legenden, maar het tragische en edele slot wijst er onmiskenbaar op, dat het paste in de bardenliteratuur van Ulster, en het valt binnen dezelfde orde van denkbeelden, als de verhalen van Cuchulain, en is zelfs misschien uit dezelfde periode afkomstig.

Beteekenis van Iersche plaatsnamen.

Voordat wij met dezen uitgebreiden cyclus van legendenliteratuur eindigen, willen wij nog even wijzen op datgene, wat misschien de aandacht van enkele lezers heeft getrokken—hoezeer de voornaamste karakters en episodes genoemd zijn in de nog overgebleven plaatsnamen van het land.37 Dit geldt in het algemeen voor Iersche legenden, maar vooral voor den cyclus van Ulster. Getrouw hebben die namen, gedurende vele eeuwen van duisternis en vergetelheid, gewezen op de verborgen schatten van helden-romantiek, die de arbeid van onze dagen nu aan het licht brengt. De naam van de kleine stad Ardee, brengt ons,38 zooals wij gezien hebben, den tragischen dood in herinnering van Ferdia door toedoen van zijn trouwsten makker, den edelsten held van Wales. De puinhoopen van Dūn Baruch, waar Fergus op het verraderlijke festijn was genoodigd, zien nog neer op de wateren van Moyle, waarover Naisi en Deirdre hun tragisch lot tegemoet gingen. Ardnurchar, de Heuvel van den Geslingerden Steen, in Westmeath,39 brengt ons de geschiedenis van den fieren monarch voor den geest, de menigte toeschouwende vrouwen, en den zich bukkenden vijand met het doodelijke werptuig, dat de wraak van Mesgedra droeg. De naam Armagh, of Ard Macha, de Heuvel van Macha, bewaart de herinnering aan de tooverbruid en haar heldenoffer, terwijl nog steeds de graswal zichtbaar is, waar de oorlogsgodin in de oudere legende met de pen van haar speld den omtrek uitzette, toen zij de koninklijke vesting Ulster stichtte. Wij zouden nog een aantal bladzijden met die voorbeelden kunnen vullen. Misschien zijn in geen ander modern land plaatsnamen zóó zeer verbonden met bepaalde legenden als in Ierland. Poëzie en mythen zijn daar nog altijd nauw verbonden met den grond van het land—een feit, waarin een bron van opvoeding en bezieling der edelste soort voor de hand ligt, als wij maar in staat waren die te zien en de kunst verstonden, daarvan gebruik te maken.


1 In het Engelsch uitgesproken als “Koohoo’lin”.

2 Zie blz. 134.

3 Zie blz. 106, waar die godheid wordt besproken.

4 Dectera had tevens een sterfelijken echtgenoot, Sualtam, die beschouwd werd als de vader van Cuchulain.

5 Het is de vermelding waard, dat onder de karakters, die voorkomen in den legendencyclus van Ulster, een aantal namen voorkomen, waarvan het woord Cu (hond) een deel uitmaakt. Zoo hebben wij Curoc, Cucorb, Beälcu, enz. Dit staat ongetwijfeld in verband met den Ierschen wolfshond, een prachtig type van kracht en schoonheid.

6 Het tegenwoordige Lusk, een dorp aan de kust enkele mijlen ten noorden van Dublin.

7 Door de overeenkomst in naam werd het bovennatuurlijke land van Skatha “het Schaduwland” reeds vroegtijdig vereenzelvigd met de eilanden Skaje, waar de Cuchulain Pieken getuigenis afleggen van die legende.

8 Zie genealogische tabel, blz. 164.

9 Miss Hull, De Cuchulain Sage, blz. 72, waar de zonnetheorie van den Bruinen Stier uitgebreid wordt behandeld.

10 Een cumal was de standaardmunt in het Keltische Ierland. Als zoodanig wordt hij door St. Patrick genoemd. Hij stond in prijs gelijk met een slavin.

11 De vloek door Macha op hen gelegd. Zie blz. 161.

12 Cuchulain was, als de Zoon van den God Lugh, niet onder den vloek van Macha, waaronder de overige bewoners van Ulster stonden.

13 Zijn vermeende vader, de sterfelijke echtgenoot van Dectera.

14 In de Iersche bardische litteratuur behoorde evenmin als in de Homerische epische gedichten, kuischheid tot het mannelijke ideaal voor goden en menschen.

15 “De Wadde van den Vertakten Paal”.

16 Wij citeeren uit de vertaling van Standish Hayes O’Grady, in de “Cuchulain Mythe” van Miss Hull.

17 Ath Ferdia, wat in het Engelsch wordt uitgesproken en thans gespeld als “Ardee”. Het ligt in het Graafschap Louth, aan de zuidelijke grens van de vlakte van Murthemney, wat het grondgebied van Cuchulain was.

18 Zie blz. 111.

19 In het oude Ierland waren vijf provincies, waarbij Munster voor twee werd geteld, of zooals enkele oude autoriteiten verklaren, het grondgebied van den opperkoning in Meath en Westmeath als een afzonderlijke provincie wordt gerekend.

20 “Clan” beteekent in het Galisch kinderen of kroost. Clan Calatin beteekent dus de zonen van Calatin.

21 De lezer zal, bij veel wilds en barbaarsch in dit Iersche epos “de Tain” getroffen worden door de idealen van ridderlijkheid en welwillendheid, die hier zoo veelvuldig aan het licht komen. Wij moeten er aan herinneren, dat, zooals A. H. Leahy in zijn “Heldenromans van Ierland” in het licht stelt, de legende van den Strooptocht van Quelgny op zijn laatst een eeuw ouder is dan alle andere ridderromans, hetzij Galisch, hetzij van het Vasteland. Zij wordt gevonden in het “Boek van Leinster”, een handschrift uit de twaalfde eeuw, zoowel als in andere vormen, en was ongetwijfeld veel ouder dan in den daar gegeven vorm. “Het geheele verhaal,” zegt Leahy, “dagteekent uit het allereerste begin der litteratuur van modern Europa.”

22 Een ander voorbeeld van het blijven voortleven der eedsformule, die door de Keltische afgezanten tegenover Alexander den Groote was uitgesproken. Zie blz. 7.

23 Zie blz. 115.

24 Het zwaard van Fergus was een tooverwapen de Caladcholg (knotsige stooter) genoemd, een naam, waarvan het meer beroemde Latijnsche “Excalibur”, een gelatiniseerde verbastering is.

25 Dit slaat op de geschiedenis met Deirdre.

26 Zie blz. 193.

27 Vertaling van A. H. Leahy, “Heldenromans van Ierland,” Deel I.

28 De mantel van Mananan (zie blz. 110) stelt de zee voor—hier in haar verdeelende en vervreemdende macht.

29 Die Curoi komt voor in verschillende verhalen uit den Cyclus van Ulster, met zóódanige attributen, dat het duidelijk blijkt, dat hij geen sterfelijk koning, maar een plaatselijke godheid was.

30 Die spookverschijning van het waschmeisje der wadde komt in Iersche legenden veelvuldig voor.

31 Zie blz. 148 in betrekking tot geis “zijn naamgenoot” heeft natuurlijk betrekking op het verhaal van den Hond van Cullan, blz. 166 en 167.

32 Het was een eerezaak, een bard niets te weigeren; er is zelfs een verhaal, dat een koning zijn oog gaf, toen het hem gevraagd werd.

33 Het verhaal wordt in den breede gedaan door den schrijver dezes in zijn “Heldendaden aan Finn.”

34 In het Engelsch uitgesproken “Bay-al-koo.”

35 Inis Clothrann, nu bekend onder den naam van Quakers eiland. De vijver bestaat niet meer.

36 In het Engelsch uitgesproken als “Youb’dan”.

37 Dr. P. W. Joyce, “Iersche plaatsnamen” schenkt een rijke bron van inlichtingen op dit gebied.

38 Blz. 193, noot.

39 De naam is zoowel aan den heuvel ard, als aan de wadde daaronder, atha gegeven.

Hoofdstuk VI: Verhalen uit den Cyclus van Ossian.

De Fianna van Erin.

Evenals de verhalen van den Cyclus van Ulster zich concentreeren om de heldenfiguur van den hond van Cullan, zoo concentreeren zich die van den Cyclus van Ossian om de figuur van Finn mac Cumhal1, wiens zoon Oisīn2 (of Ossian, zooals Macpherson hem genoemd heeft in de zoogenaamde vertalingen uit het Galisch, waardoor hij voor het eerst in de Engelsch sprekende wereld werd ingevoerd) was zoowel een dichter als een krijgsman, en is de traditioneele vervaardiger van de meeste dier verhalen. Men meent, dat de gebeurtenissen van den Cyclus van Ulster hebben plaats gegrepen omstreeks de geboorte van Christus. Die van den Cyclus van Ossian vielen meestal tijdens de regeering van Cormac mac Art, die leefde in de derde eeuw na Christus. Gedurende zijn regeering bereikten de Fianna van Erin, die worden voorgesteld als een soort van militaire orde, welke hoofdzakelijk bestond uit de leden van twee Clans, Clan Bascna en Clan Morna, en van wie men meende, dat zij zich verbonden hadden tot den dienst van den opperkoning en tot het verdrijven van vreemde invallers, hun hoogsten roem onder het opperbevel van Finn.

De kroniekschrijvers van het oude Ierland behandelden de geschiedenis van Finn en de Fianna, in hare voornaamste trekken, als gewone geschiedenis. Dit kan zeker niet juist zijn. Ierland had geen vreemde overweldigers gedurende de periode, toen de Fianna geacht werden gebloeid te hebben, en de verhalen werpen geen spoor van licht op de werkelijke geschiedenis van het land; zij hebben veel meer betrekking op een tooverland, dat bevolkt is door bovennatuurlijke wezens, schoon of verschrikkelijk, dan met een werkelijk deel der aarde, dat door echte mannen en vrouwen bewoond wordt. De moderne critische lezer van die verhalen zal spoedig inzien, dat het ijdel zou zijn te willen zoeken naar eenigen op feiten berustenden grondslag in die glinsterende luchtspiegeling. Maar die luchtspiegeling werd geschapen door dichters en vertellers van zoo buitengewone gaven voor die soort van literatuur, dat zij onmiddellijk een stevig houvast kreeg op de verbeelding der Iersche en der Schotsche Galiërs.

De Ossian-Cyclus.

De oudste verhalen van dezen cyclus, die nog zijn overgebleven, worden gevonden in handschriften der elfde en der twaalfde eeuw, en werden waarschijnlijk enkele eeuwen vroeger samengesteld. Maar de cyclus bleef krachtig groeien gedurende een periode van duizend jaar, tot aan het “Lied van Oisīn in het Land der Jeugd”, van Michael Comyn, dat omstreeks 1750 werd samengesteld, en dat de lange geschiedenis der Galische literatuur afsloot. Men schat,3 dat indien alle vertellingen en gedichten van den Ossian-Cyclus, die nog zijn overgebleven, konden worden gedrukt, zij een goede vijf en twintig deelen van de grootte van dit werk zouden vullen. Bovendien zou een zeer groot gedeelte van die literatuur, al waren er volstrekt geen handschriften, gedurende de laatste en de voorafgaande eeuwen kunnen zijn opgevangen van de lippen van wat dwaselijk een “ongeletterde” boerenstand in de Hooglanden en in de Galisch sprekende gedeelten van Ierland is genoemd. Het moet ons zeker wel belang inboezemen, het karakter eener literatuur te bestudeeren, die in staat is geweest, zulk een betoovering uit te oefenen.

Verschil met den Cyclus van Ulster.

Laat ons beginnen met de opmerking, dat de lezer zich in een geheel andere atmosfeer zal vinden dan die waarin de helden van den Cyclus van Ulster leven en zich bewegen. Alles spreekt van een latere periode, toen het leven liefelijker en zachter was, toen men meer in steden en nederzettingen leefde, toen het Volk van Dana duidelijker feëen en minder godheden waren, toen in de letterkunde de elementen van wonderen en romantiek de overhand hadden, en de ijzeren snaar van heldenmoed en zelfopoffering, niet zooveel meer meeklonk. Er is in de Ossian litteratuur een bewust genot in de woeste natuur, in landschappen, in het gezang van vogels, de muziek der jacht in de bosschen, in geheimzinnige en romantische avonturen, wat alles onmiskenbaar spreekt van een tijd, toen op het vrije leven in de open lucht “onder de groene boomen” werd terugzien en dat geïdealiseerd werd, maar dat leven niet meer als regel werd geleefd door hen die het bezingen. Ook is er een gewichtig verschil in de plaats der handeling. De verhalen van Conor waren het uitvloeisel van een litteraire beweging, die haar oorsprong had te midden van de frissche heuvelen of op de sombere door rotsen omgeven kusten van Ulster. In den Ossian-Cyclus bevinden wij ons in de binnenlanden van het zuiden van Ierland. Veel van de handeling heeft plaats te midden der zachte betoovering van het landschap Killarney, en het verschil tusschen de beide streken weerspiegelt zich in het ethische karakter der vertellingen.

In den Cyclus van Ulster zal men opmerken, dat hoe buitensporig men gebruik gemaakt heeft van het bovennatuurlijke element, de eindbeteekenis van bijna ieder verhaal, het einddoel, waarop de geheele bovennatuurlijke opzet uitloopt, iets werkelijks en menschelijks is, iets wat in verband staat met de deugden of de ondeugden, de hartstochten of de plichten van mannen en vrouwen. Dit is, in het algemeen gezegd, bij den Ossian-Cyclus niet het geval. De edeler ader der literatuur schijnt uitgeput te zijn, en wij hebben nu schoonheid alleen ter wille van de schoonheid, romantiek ter wille der romantiek, afgrijzen of geheimzinnigheid ter wille van de spanning, die zij opwekken. De Ossian-verhalen zijn “liefelijke verschijningen, gezonden om een oogenblik tot sieraad te strekken.” Zij missen dat eigenaardige, dat in de edelste kunst, zoowel als in de edelste persoonlijkheden wordt gevonden, dat de gave heeft “te waarschuwen, te troosten, te beheerschen.”

De komst van Finn.

Koning Cormac mac Art was ongetwijfeld een historische figuur, wat misschien meer is dan wij van Conor mac Nessa kunnen beweren. Of er een werkelijke persoonlijkheid schuilt achter de roemrijke figuur van zijn grooten legeraanvoerder Finn, is moeilijker te zeggen. Maar het is voor ons doel niet noodig, ons in dit vraagstuk te verdiepen. Hij was een schepping van den Keltischen geest in één land en in één periode van zijn ontwikkeling, en het is hier onze taak, na te gaan, wat voor soort van karakter de Iersche geest wenschte te idealiseeren en te dramatiseeren.

Finn stamde, zooals de meeste Iersche helden, gedeeltelijk af van het Volk van Dana. Zijn moeder, Murna met den Witten Nek, was de kleindochter van Nuada met de Zilveren Hand, die gehuwd was met Ethlinn, de dochter van Balor den Fomoriër, die aan Kian den Zonnegod Lugh gebaard had. De vader van Finn was Cumhal,de zoon van Trenmōr. Hij was het opperhoofd van den Clan Bascna, die met den Clan Morna streed om de oppermacht over de Fianna, en door dezen werd ten onder gebracht en gedood in den slag bij Knock.4

Onder den Clan Morna was een man, Lia genaamd, heer van Luachar in Connacht, die de schatmeester der Fianna was, en die den zak met schatten bewaarde, een zak vervaardigd van de huid van kraanvogels, en waarin hij tooverwapenen en kostbare juweelen had, die nog afkomstig waren uit den tijd van het Volk van Dana. En hij werd ook schatbewaarder van den Clan Morna en bewaarde nog steeds den zak in Rath Luachar.

Murna zocht na de nederlaag en den dood van Cumhal een schuilplaats in de bosschen van Slieve Bloom,5 en daar bracht zij een jongen ter wereld, dien zij Demna noemde. Uit vrees, dat de Clan Morna hem zou ontdekken en dooden, liet zij hem opvoeden in het dichte bosch door twee oude vrouwen, en zelf trouwde zij met den koning van Kerry. Maar toen Demna tot een knaap was opgegroeid werd hij “Finn” of de Blanke genaamd, om de blankheid van zijn huid en zijn gouden haren, en onder dien naam was hij later voortdurend bekend. Zijn eerste daad was, Lia te dooden, die den zak met schatten van de Fianna had, waarna hij zich van den zak meester maakte. Daarna spoorde hij zijn oom Crimmal op, die met enkele andere oude mannen, die van de hoofden van de Clan Bascna in het leven waren gebleven, en aan het zwaard te Castleknock ontsnapt waren, in groote armoede en zeer treurig leefden in de schuilhoeken der bosschen van Connacht. Hij voorzag hen van een gevolg en een lijfwacht uit de jongelingen, die zijn fortuin volgden, en gaf hun den zak met schatten. Hij zelf ging uit om poëzie en wetenschap zoo volmaakt mogelijk te leeren van een ouden wijze en Druïde, Finegas genaamd, die aan de Boyne woonde. Hier in een poel dier rivier woonde onder de takken van een hazelaar, waarvan de Noten der Kennis op de rivier vielen, Fintan de Zalm der Kennis, waarvan het bekend was, dat wie daarvan at alle wijsheid der eeuwen zou bezitten. Finegas had herhaaldelijk getracht dien zalm te vangen, maar was daar niet ingeslaagd, totdat Finn gekomen was, om zijn leerling te worden. Toen ving hij hem op zekeren dag, en gaf hem Finn, om hem te koken, met het bevel daarvan zelf niet te eten, maar hem te waarschuwen als hij klaar was. Toen de knaap den zalm binnenbracht, zag Finegas, dat zijn uiterlijk veranderd was. “Hebt gij van den zalm gegeten?” vroeg hij. “Neen,” antwoordde Finn, “maar toen ik hem aan het spit omdraaide, brandde ik mijn duim, en stak dien in mijn mond.” “Neem den Zalm der Kennis en eet er van,” zeide Finegas daarop, “want in u is de voorspelling bewaarheid. En ga nu heen, want ik kan u niets meer leeren.”

Daarna werd Finn even wijs als hij krachtig en dapper was, en men verhaalt, dat zoo dikwijls hij wenschte te raden, wat zou gebeuren, of wat op een afstand geschiedde, hij slechts zijn duim in den mond behoefde te steken, en daarop te bijten, waarna de kennis, die hij wenschte te verwerven, de zijne zou zijn.

Finn en de booze geest.

In dien tijd was Goll, de zoon van Morna, de aanvoerder der Fianna van Erin, maar toen Finn den mannelijken leeftijd had bereikt, wilde hij de plaats van zijn vader Cumhal innemen. Daarom ging hij naar Tara, en zat hij tijdens de Groote Vergadering, als niemand zijn hand tegen een ander mocht opheffen binnen het grondgebied van Tara, neder onder de krijgslieden des konings en de Fianna. Eindelijk merkte de koning hem als vreemdeling onder hem op, en vroeg hem zijn naam en afkomst te noemen. “Ik ben Finn, de zoon van Cumhal”, zeide hij, “en ik ben hier gekomen om onder u dienst te nemen, zooals mijn vader gedaan heeft, o koning.” De koning nam hem gaarne op, en Finn legde een eed af, dat hij hem trouw zou dienen. Niet lang daarna kwam de tijd van het jaar, waarop Tara verontrust werd door een boozen geest, die tegen het aanbreken van den nacht kwam en vuurkogels wierp tegen de koninklijke stad en die in vlam zette, en niemand kon den strijd tegen hem opnemen, want zoodra hij kwam speelde hij zóó liefelijk op de harp, dat ieder die het hoorde, in droomen werd gehuld, en alles op aarde vergat, om naar die muziek te kunnen luisteren. Toen dit Finn was medegedeeld, ging hij tot den koning en zeide: “Zal ik, als ik den boozen geest dood, de plaats van mijn vader krijgen, als hoofd der Fianna?” “Ja zeker,” zeide de koning en bij eede verbond hij zich daartoe.