WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 204: Conan mac Morna.
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch

Onder de krijgslieden behoorden ook een oude volgeling van Cumhal, den vader van Finn, die een tooverspeer bezat met een bronzen kop en klampen van Arabisch goud. De kop was omhuld door een leeren foedraal, en zij had de eigenschap, dat als het bloote lemmer tegen het voorhoofd van iemand gehouden werd, deze een zóó groote kracht en krijgswoede zou krijgen, dat hij in iederen strijd onoverwinnelijk zou worden. Fiacha gaf die speer aan Finn, en leerde hem hoe die te gebruiken, en daarmede wachtte hij de komst af van den boozen geest op de wallen van Tara. Toen de nacht viel en de nevelen zich in de wijde vlakte rondom den heuvel begonnen te verzamelen, zag hij een donkeren vorm snel naar hem toekomen en hoorde hij de tonen der tooverharp. Maar door de speer tegen zijn voorhoofd te houden, schudde hij de betoovering van zich af, en het spook vluchtte voor hem weg naar den Tooverheuvel van Slieve Fuad, en daar haalde Finn hem in en doodde hem, en bracht zijn hoofd naar Tara terug.

Daarop plaatste koning Cormac Finn voor de Fianna, en beval hen allen, hem gehoorzaamheid te zweren als hun hoofd of anders ergens anders dienst te nemen. En het eerst van allen legde Goll mac Morna den eed af, en daarop volgden al de overigen, en Finn werd het hoofd van de Fianna van Erin, en regeerde over hen totdat hij stierf.

De voornaamste volgelingen van Finn: Conan mac Lia.

Met de komst van Finn bereikten de Fianna van Erin den hoogsten bloei, en na zijn dood taande hun roem weer. Want hij regeerde zooals geen ander aanvoerder ooit had gedaan, zoowel krachtig als verstandig, en nooit koesterde hij tegen iemand een wrok, maar vergaf iemand gaarne alle overtredingen behalve trouweloosheid tegen zijn heer. Zoo verhaalt men, dat Conan, de zoon van den heer van Luachar, die den zak met schatten in bezit had, en die door Finn bij Rath Luachar was verslagen, gedurende zeven jaar vogelvrij verklaard en een strooper was, die de Fians voortdurend lastig viel, en hier een man, daar een hond doodde, woningen in brand stak en het vee weg voerde. Eindelijk werd hij te Carn Lewy in Munster in een hoek gedreven, en toen hij zag, dat hij niet meer kon ontsnappen, sloop hij achter Finn toen deze na een jacht ter neder zat en sloeg van achteren zijn armen om hem heen, waarbij hij hem zóó vast hield, dat beweging onmogelijk was. Finn wist, wie hem zoo vast hield, en zeide: “Wat wilt gij Conan?” Conan antwoordde: “Ik wil met u een verdrag sluiten, dat ik u trouw zal dienen, want ik kan uw toorn niet langer ontloopen.” Finn lachte daarop en zeide; “Het zij zoo, Conan, en als gij blijkt trouw en dapper te zijn, zal ik mijn belofte houden.” Conan diende hem daarna dertig jaar lang, en van al de Fianna was er niemand dapperder en kloeker in den strijd.

“Finn hoorde de tonen der Tooverharp”

Conan mac Morna.

Er was nog een andere Conan, en wel mac Morna, die zwaar en kaal was, en lomp in mannelijke oefeningen, maar wiens tong bitter en gemeen was; er werd geen edele of dappere daad verricht, die niet door Conan den Kale belachelijk werd gemaakt of naar beneden gehaald. Men verhaalt, dat hij langs zijn rug en zijn kruis de vacht van een zwart schaap droeg in plaats van de huid van een man, en dit kwam op de volgende wijze voor den dag. Op zekeren dag, toen Conan met enkele anderen van den Fianna in het bosch op jacht was kwamen zij bij een statige dūn met witte muren, met gedekt gekleurd riet en zij traden naar binnen, om daar gastvrijheid te zoeken. Maar toen zij binnen gekomen waren, vonden zij er niemand, alleen een groote ledige zaal met pilaren van cederhout en zijden behangsels, zooals men die vindt in de zaal van een rijken edele. In het midden der zaal was een tafel, gedekt met een rijken voorraad zwijnenvleesch en wild, en een groot vat van taxishout, vol met rooden wijn, en bekers van goud en zilver. Zij zetten zich dus vroolijk neder om te eten en te drinken, daar zij na de jacht hongerig waren, en zij spraken en lachten luide rondom de tafel. Maar één van hen sprong na korten tijd overeind met een kreet van vrees en verbazing, en allen keken om en zagen voor hun oogen, dat de met tapijten behangen muren veranderden in ruwe houten balken, en de zoldering in gewoon, roetachtig stroo, zooals men dat vindt in de hut van een veehoeder. Hieruit bleek het, dat zij door een betoovering van het toovervolk waren gevangen, en allen sprongen overeind en spoedden zich naar den uitgang, die niet langer hoog en statig was, maar verminderd was tot de grootte van een vossegat—behalve Conan de Kale, die gulzig de lekkere spijzen op de tafel verslond en nergens anders op lette. Nu schreeuwden zij hem toe, en toen de laatste van hen naar buiten trad, trachtte hij op te staan en te volgen, maar hij bleek vastgeplakt aan zijn stoel, zoodat hij zich niet kon bewegen. Daarom holden twee der Fianna, toen zij zagen in welke moeilijkheid hij verkeerde, terug, pakten hem bij de armen en trokken zoo hard zij konden en bij het wegrukken bleef het grootste deel van zijn kleeding en van zijn huid aan den stoel hechten. Niet wetend wat anders met hem te doen in zijn pijnlijken toestand, sloegen zij toen op zijn rug wat zij het dichtst in hun bereik vonden, namelijk de huid van een zwart schaap dat zij namen van de kudde van een boer in de nabijheid, en deze groeide daaraan vast en Conan droeg die tot hij stierf.

Hoewel Conan een lafaard was en hij zich zelden in een gevecht waagde met de Fianna, viel toch eens, aldus luidt het verhaal, een sterk man door zijn hand. Dat was op den dag van den grooten veldslag met de rooversbende op den Slachting-heuvel in Kerry6. Want Liagan, een van de roovers, ging voor den troep staan en daagde den dapperste der Fians uit tot een tweegevecht en de Fians duwden spottend Conan naar voren. Toen hij verscheen, begon Liagan te lachen, want hij had meer kracht dan geest, en hij zeide: “Het is dwaas dat ge komt, gij armzalige oude man.” En toen Conan nog nader bij kwam hief Liagan woest zijn hand op, en Conan zeide: “Voorwaar ge loopt meer gevaar van den man achter, dan van den man voor u.” Liagan keek om en op dat oogenblik sloeg Conan hem het hoofd af, toen wierp hij zijn zwaard weg en liep naar de gelederen der lachende Fians. Maar Finn was zeer vertoornd, omdat hij de overwinning had behaald door een list.

Dermot O’Dyna.

En een van de voornaamste vrienden van Finn was Dermot van de Liefde-Vlek. Hij was zoo schoon en edel van aanblik, dat geen vrouw hem liefde kon weigeren, en men zegt dat hij nooit van moeheid afwist en dat zijn stap even licht was aan het eind van den langsten dag van strijd of jacht, als aan het begin. Tusschen hem en Finn bestond warme genegenheid, tot op den dag dat Finn, toen een oud man, Grania, dochter van Cormac den Opperkoning, zou huwen; maar Grania deed Dermot bij de gewijde verordeningen van de ridderschap van Fian beloven in haar bruiloftsnacht met haar te vluchten, hetgeen hij, zeer tegen zijn wil, deed en wat hem het leven kostte. Maar Grania ging terug tot Finn en toen de Fianna haar zag, werd door het heele kamp in bitteren spot gelachen, want zij zouden niet een van de vingers van den doode hebben gegeven voor twintig levenden als Grania.

Keelta mac Ronan en Oisīn.

Een ander van Finn’s hoofdmannen was Keelta mac Ronan, een van zijn opzichters en zoowel krachtig krijgsman als welsprekend voordrager van verhalen en gedichten. En daar was Oisīn, de zoon van Finn, de grootste dichter der Kelten, over wien later meer.

Oscar.

Oisīn had een zoon, Oscar genaamd, van alle Fians de geweldigste krijger. In zijn eersten slag doodde hij drie koningen en in zijn onstuimigheid doodde hij ook bij ongeluk zijn eigen vriend en medeleerling Linné. Zijn vrouw was de schoone Aideen, die van verdriet stierf na Oscar’s dood in den slag van Gowra en Oisīn begroef haar op Ben Edar (Howth) en richtte op haar graf de groote dolmen op, die men daar nu nog vindt. Oscar treedt in deze literatuur op als een type van harde kracht, met een hart “als van gedraaid hoorn in een schede van staal”, een karakter even zuiver voor den oorlog geschapen als een zwaard of speer.

Geena mac Luga.

Een ander van Finn’s sterke mannen was Geena, de zoon van Luga; zijn moeder was de krijgshaftige dochter van Finn en zijn vader na verwant aan haar vader. Hij was opgevoed door een vrouw die den naam droeg van Schoone Mane, die velen van de Fianna had groot gebracht. Toen de tijd om de wapens te dragen voor hem gekomen was, verscheen hij voor Finn en legde den eed van trouw af en Finn stelde hem aan tot kapitein over een afdeeling. Maar mac Luga bleek lui en zelfzuchtig te zijn, steeds snoevend op zich zelf en zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapens, nooit zijn mannen oefenend in de jacht op hert of everzwijn en hij placht zijn honden en dienstknechten te slaan. Ten slotte begaf zich de geheele afdeeling van de Fians onder hem tot Finn, te Loch Lena, in Killarney, en daar dienden zij hun beklag tegen mac Luga in, zeggend: “Kies nu, o Finn, of ge ons wilt hebben of den zoon van Luga alleen.”

Toen liet Finn mac Luga bij zich komen en ondervroeg hem, maar mac Luga kon niets afdoende zeggen over de reden waarom de Fianna niets met hem te maken wilde hebben. Toen leerde Finn hem de dingen die pasten voor een jongeling van edele geboorte en een aanvoerder, en zij waren deze:

Leerstellingen van de Fianna.

“Zoon van Luga, indien krijgsdienst uw doel is, houd u dan rustig in de huishouding van een groot man, wees flink in een moeilijk geval.

“Sla uw hond niet als hij geen schuld heeft; klaag uw vrouw niet aan tenzij ge zeker zijt van haar schuld.

“Laat u in het gevecht niet in met een potsenmaker, want o mac Luga, hij is slechts een dwaas.

“Gisp niemand die een degelijken naam heeft; meng u niet in een twist; bemoei u niet met een dolleman, of een slecht mensch.

“Bewaar twee derden van uw vriendelijkheid voor vrouwen en voor hen die op den grond kruipen (kleine kinderen) en voor dichters, en wees niet heftig tegen den gemeenen man.

“Voer geen blufferige taal en zeg ook niet dat ge niet wilt toegeven wat billijk is; het is schandelijk te boud te spreken tenzij het doenlijk is aan uw woorden kracht bij te zetten.

“Verzaak uw heer niet zoolang ge leeft; laat noch voor goud noch voor andere belooning in de wereld iemand in den steek dien ge u verbonden hebt te zullen beschermen.

“Spreek tegen een hoofd geen kwaad van zijn volk, want dat is geen werk voor iemand van goede afkomst.”

“Wees geen verklikker, of kwaadspreker; wees geen babbelaar of overijld vitzuchtig. Haal u geen strijd aan, al zijt ge nog zulk een goed man.”

“Wees geen kroeglooper, bedil oude menschen niet, bemoei u niet met den minderen man.”

“Wees vrijgevig met uw kost; kies geen vrek tot vertrouwd vriend.”

“Dring u niet op bij een hoofd en geef hem ook geen aanleiding kwaad van u te spreken.”

“Blijf uw zaak getrouw; leg uw wapens niet af voordat de harde kamp met zijn wapengeschitter is afgeloopen.”

“Wees eer bereid te geven dan te weigeren en laat vriendelijkheid voorgaan, O zoon van Luga.”

En de zoon van Luga, zoo staat geschreven, nam deze raadgevingen ter harte en gaf zijn verkeerde gewoonten op, en hij werd een van Finn’s beste mannen.

Karakter van Finn.

Dergelijke dingen prentte Finn ook al zijn volgelingen in en de besten dezer werden als hij zelf in dapperheid, vriendelijkheid en edelmoedigheid. Elk hunner was de goede naam zijner makkers meer waard dan zijn eigen en elk placht te zeggen dat in edele eigenschappen geen man op de geheele wereld waard was naast Finn te worden gesteld.

Men zeide van hem dat “hij goud weg gaf als waren het bladen uit het bosch en zilver als ware het schuim der zee”; en dat wat hij ook aan eenig man had geschonken, hij dat nooit als wapen tegen hem gebruikte, wanneer hij later twist met hem kreeg.

De dichter Oisīn bezong hem eens tot St. Patrick, als volgt:

Dit is wat Finn’s oor een vreugde was—

Als de veldslag raasde’, als aan ’t maal men genoot,

Als door ’t bergdal weerklonk zijner doggen gebas,

Als de zwarte lijster in Letter Lee floot.

Als knersend schuurde’ over ’t strand het grind

Bij het zeewaarts sleepen van zijn oorlogsboot,

Als zijn speren doorgierde de morgenwind,

Als des meistreels mond hem zijn tooverzang bood.

Eischen van de Fianna.

Ten tijde van Finn werd niemand ooit tot de Fianna van Erin toegelaten tenzij hij aan vele zware proeven van zijn voortreffelijkheid kon voldoen. Hij moest vertrouwd zijn met de Twaalf Dichtboeken en zelf bedreven zijn in het maken van gedichten in het rijm en metrum van de meesters der Keltische poëzie. Daarna werd hij tot aan zijn middel in den grond begraven en moest hij, met een schild en een hazelaarstok zich aldus verdedigen tegen negen krijgslieden, die speren naar hem wierpen; werd hij gewond, dan werd hij niet toegelaten. Daarna werd zijn haar in vlechten gescheiden en werd hij door de Fians door het bosch achterna gezet. Werd hij ingehaald, of indien een haarvlecht los ging, of een droge stok onder zijn voet kraakte, dan werd hij niet toegelaten. Hij moest in staat zijn over een lat te springen ter hoogte van zijn voorhoofd en in volle vaart te loopen onder een ter hoogte van zijn knie, en hij moest in staat zijn al loopend een doorn uit zijn voet te halen, zonder zijn vaart te verminderen. Hij mocht als hij huwde geen bruidschat aannemen.

Keelta en St. Patrick.

Men zeide dat een van de Fians, namelijk Keelta, hoog bejaard werd en St. Patrick zag, door wien hij gedoopt werd in het geloof van Christus en wien hij verhalen deed van Finn en zijn mannen, die de schrijver van Patrick opteekende. En eens vroeg Patrick hem hoe het kwam dat de Fianna zoo machtig werd en roemrijk dat geheel Ierland hun daden bezong gelijk het sedert dien steeds heeft gedaan. Keelta antwoordde: “Waarheid was in onze harten en kracht in onze armen en wat we zeiden dat volbrachten wij.”

Dat werd ook van Keelta verteld nadat hij St. Patrick had gezien en het Geloof had aangenomen. Eens was hij bij Leyney, in Connacht, waar het Toovervolk van de Duma-Hoogte elk jaar geducht placht te worden verontrust en geplunderd door roovers van over de zee. Zij riepen Keelta ter hulpe en door zijn raad en dapperheid werden de roovers overwonnen en verdreven, maar Keelta werd zwaar gewond. Toen vroeg Keelta Owen, den ziener van het Toovervolk, hem te voorspellen hoe lang hij nog had te leven, want hij was reeds een zeer oud man. Owen zeide: “Het zal over zeventien jaar zijn, o Keelta die gunstig bekend zijt, dat ge zult vallen bij den poel van Tara, en dat zal de geheele huishouding des konings smarten.” “Datzelfde voorspelde mij mijn hoofd en heer, mijn leider en liefhebbend beschermer, Finn,” sprak Keelta. “En welke belooning zult ge mij nu geven omdat ik u verloste van de zwaarste ramp, die u ooit trof?” “Een groote belooning,” zeide het Toovervolk, “namelijk jeugd, want door onze macht zult ge weer een jong man worden met al de kracht en levendigheid van uw bloeitijd.” “Neen,” zeide Keelta, “dat verhoede God dat ik een gedaante zou aannemen door betoovering, of eenige andere dan die mijn Schepper, de ware en roemrijke God, mij schonk.” En het Toovervolk zeide: “Dat is de taal van een waar krijgsman en held en wat ge zegt is juist.” En zij heelden zijn wonden en alle lichaamskwalen en hij wenschte hun zegen en zege en ging zijns weegs.

“Ik ben Saba, O Finn”

De geboorte van Oisīn.

Eens, toen Finn met zijn makkers en honden van de jacht terugkeerde naar hun burcht op den Heuvel van Allen, kwam een mooi jong hert opdagen, de jacht snelde het achterna terwijl het den weg insloeg die naar hun huis leidde. Weldra bleven al de vervolgers ver achter, op Finn zelf na en zijn twee honden Bran en Skolawn. Nu waren deze honden van een vreemd ras; want Tyren, zuster van Murna, Finn’s moeder, was in een hond veranderd geworden door de betoovering van een vrouw van het Toovervolk, die Tyren’s echtgenoot Ullan beminde; en de twee honden van Finn waren de kinderen van Tyren, haar in die gedaante geboren. Van alle honden in Ierland waren zij de beste en Finn had ze zeer lief, zoodat, naar men zegt, hij slechts tweemaal in zijn leven schreide en eens was toen Bran stierf.

Ten laatste, toen de jacht een heuvelrug afging, zag Finn dat het hert stil hield en ging liggen, terwijl de twee honden er om heen begonnen te spelen en gezicht en lijf te likken. Hij gelastte toen dat niemand het dier zou kwaad doen en het volgde hen naar den Heuvel van Allen, onder het gaan met de honden spelend.

Denzelfden nacht werd Finn wakker en zag bij zijn bed de schoonste vrouw staan, die hij ooit had aanschouwd.

“Ik ben Saba, o Finn,” sprak ze, “en ik was het jonge hert dat ge heden achterna zette. Omdat ik mijn liefde niet wilde geven aan den Druïde van het Toovervolk, de Donkere geheeten, deed hij mij door zijn tooverkunst die gedaante aannemen, en ik heb die de drie laatste jaren gedragen. Maar een van zijn slaven, die medelijden met mij had, openbaarde mij eens, dat indien ik uw grooten Heuvel van Allen kon bereiken, o Finn, ik veilig zou zijn voor alle betooveringen, en dat ik mijn natuurlijke gedaante terug zou krijgen. Maar ik vreesde door uw honden in stukken te worden gescheurd, of door uw jagers te worden gewond, totdat ik mij ten laatste liet inhalen door u alleen en Bran en Skolawn, die menschenaard hebben en mij geen kwaad zouden doen.” “Vrees niet, jonge maagd,” zeide Finn, “wij, de Fianna, zijn vrij en onze gast-vrienden zijn vrij; er is niemand die u hier dwang zal aandoen.”

Zoo bleef dan Saba bij Finn en hij maakte haar tot zijn vrouw; en zoo vurig was zijn liefde voor haar, dat hij noch in den strijd, noch in de jacht eenig behagen vond en maanden lang niet van haar zijde week. Zij beminde hem even vurig en hun vreugde in elkander was als die der Onsterflijken in het Land der Jeugd. Maar eindelijk kreeg Finn bericht, dat de oorlogsschepen van de Noormannen in de baai van Dublin waren en hij riep zijn helden ten strijde op. “Want,” zoo sprak hij tot Saba, “de mannen van Erin geven ons schatting en gastvrijheid om hen te verdedigen tegen den vreemdeling, en het zou schande zijn die van hen aan te nemen en niet te geven dat waartoe wij ons van onzen kant hebben verbonden.” En hij riep in herinnering dat groote woord van Goll mac Morna, toen zij eens hard bestookt werden door een machtig heir. “Een man,” zeide Goll, “overleeft zich zelf, niet zijn eer.”

Zeven dagen bleef Finn weg en hij verdreef de Noormannen van de kusten van Erin. Maar den achtsten dag keerde hij terug en toen hij zijn verblijf binnentrad zag hij droefheid in de oogen zijner mannen en van hun schoon vrouwenvolk en Saba was niet op den wal zijn terugkomst verbeidend. Hij verzocht hun dus hem te vertellen wat er gebeurd was en zij zeiden:

“Terwijl gij, onze vader en heer, ver weg waart en den vreemdeling versloegt en Saba steeds naar u uitkeek over den heuvelweg, zagen wij op zekeren dag iemand naderen die op u scheen te gelijken, met Bran en Skolawn aan uw hielen. En we schenen ook te hooren de tonen van den jachthoorn van Fian. Toen spoedde zich Saba naar de groote poort en wij konden haar niet tegenhouden, zooveel haast had zij de spookverschijning te bereiken. Maar toen zij die naderde, bleef zij stil staan en deed een luiden en bitteren kreet hooren, en uw schijnbeeld sloeg haar met een hazelaarroede en ziet, er was daar geen vrouw meer, maar een hert. Toen maakten deze honden daar jacht op en telkens als het opnieuw de poort van de burcht trachtte te bereiken, keerden zij terug. Wij grepen nu allen zooveel wapens als waarop wij de hand konden leggen en snelden naar buiten om den toovenaar weg te jagen, maar toen wij ter plaatse kwamen was er niets te zien, wel hoorden wij nog het geluid van vluchtende voeten en hondengeblaf, en de een dacht dat het van dezen, de ander dat het van een anderen kant kwam totdat ten laatste het rumoer wegstierf en alles stil werd. Wat wij konden doen, o Finn, dat deden wij; Saba is weg.”

Toen sloeg Finn zich op de borst, maar hij sprak geen woord en hij ging naar zijn eigen vertrek. Niemand zag hem dien dag nog, of den dag daarna. Toen kwam hij te voorschijn en leidde de aangelegenheden van de Fianna als van ouds, maar nog zeven jaren daarna bleef hij naar Saba zoeken in elk afgelegen dal en donker woud en spelonk van Ierland en hij wilde geen andere honden meenemen dan Bran en Skolawn. Ten slotte liet hij alle hoop varen haar terug te vinden en ging hij als van ouds jagen. Eens, toen hij de jacht volgde op Ben Bulban, in Sligo, hoorde hij het muzikaal geblaf der honden eensklaps in woest grommen en keffen overgaan, alsof zij met een of ander beest aan het vechten waren, en ijlings toesnellend zagen hij en zijn mannen, onder een grooten boom, een naakten jongen met lang haar, en de honden om hem wilden hem beetpakken, maar Bran en Skolawn vochten met hen en hielden hen tegen. En de knaap was groot en welgemaakt en toen de helden opdaagden, keek hij onverschrokken naar hen, zich niet bekommerend om het gevecht der honden aan zijn voeten. De Fians joegen de honden weg en namen den knaap mee naar huis, en Finn was heel stil en zag steeds vorschend naar het gelaat van den knaap. Na een wijle kon hij zich verstaanbaar maken en dit was het verhaal dat hij deed:

Hij had geen vader gekend, en geen moeder dan een vriendelijke dienstmaagd, waarmede hij leefde in een zeer groen en bekoorlijk dal aan alle kanten ingesloten door torenhooge rotsen, die niet konden worden beklommen, of door diepe kloven in den grond. Des zomers leefde hij van vruchten en dergelijken en des winters werd voorraad van levensmiddelen voor hem neergelegd in een hol. En soms kwam een lange man, met een donker gezicht, die zijn moeder toesprak, nu eens teeder, dan weer luid dreigend, maar zij deinsde altijd in vrees terug en de man ging toornig heen. Eindelijk kwam er een dag dat de donkere man heel lang met zijn moeder sprak in alle tonen van smeken, van teederheid en van woede, maar zij bleef steeds op een afstand van hem en gaf slechts teekenen van vrees en afschuw. Toen kwam de donkere man ten laatste naderbij en sloeg haar met een hazelaarroede; daarna keerde hij zich om en ging zijns weegs, maar ditmaal volgde zij hem, steeds omkijkend naar haar zoon onder weeklachten. En hij, toen hij wilde volgen, was niet in staat een vin te verroeren, en schreeuwend van woede en jammer, viel hij op den grond neer en hij verloor het bewustzijn. Toen hij tot zichzelf kwam bevond hij zich aan den bergkant op Ben Bulban, waar hij eenige dagen bleef, zoekend naar dat groen en verborgen dal, dat hij nimmer terug vond. En eenigen tijd later vonden hem de honden; maar niemand weet wat er geworden is van de dienstmaagd zijn moeder en van den Donkeren Druide.

Oisīn en Niam

Finn gaf hem den naam Oisīn (Klein Hert) en hij werd een befaamd krijgsman, maar veel meer beroemd werd hij door de zangen en verhalen die hij maakte; zoodat van alle dingen die nu worden verteld over de Fianna van Erin, de menschen plegen te zeggen: “Aldus zong de bard Oisīn, zoon van Finn.”

Oisīn en Niam.

Het geschiedde dat op een neveligen zomermorgen toen Finn en Oisīn met vele metgezellen jaagden aan de oevers van Loch Lena, zij een jonge maagd op hen af zagen komen, zeldzaam schoon, een sneeuwwit ros berijdend. Zij droeg het gewaad eener koningin, op het hoofd een gouden kroon en een donkerbruine zijden mantel, met rood gouden sterren bezet, viel om haar heen en sleepte op den grond. De hoeven van haar paard waren met zilver beslagen en op zijn hoofd wuifden gouden manen. Toen zij naderbij kwam, zeide zij tot Finn: “Van heel ver ben ik gekomen en nu heb ik u eindelijk gevonden, Finn, zoon van Cumhal.”

Toen zeide Finn: “Wat is uw land en van welken stam zijt gij, jonge maagd, en wat wenscht ge van mij?”

“Mijn naam”, sprak zij, “is Niam met het Gouden Haar. Ik ben de dochter van den koning van het Land der Jeugd en wat mij hier heeft gebracht is liefde tot uw zoon Oisīn.” Daarop wendde zij zich tot Oisīn en zij sprak tot hem met de stem van iemand die nooit iets vroeg of het werd haar toegestaan.

“Wilt ge met mij gaan, Oisīn, naar het land mijns vaders?”

En Oisīn zeide: “Ik ben bereid, en tot het eind der wereld”; want de betoovering had zoo machtig gewerkt, dat hij om niets op aarde meer gaf, dan om de liefde te hebben van Niam met het Hoofd van Goud.

Toen vertelde de jonge maagd van het land over de zee, waarheen zij haar minnaar had geroepen en terwijl zij sprak viel een droomerige stilte over alle dingen, geen paard schudde zijn toom, geen hond blafte, geen windzuchtje deed de bladen der boomen bewegen voordat zij had geëindigd. En wat zij zeide scheen liefelijker en wonderbaarlijker terwijl zij het uitsprak, dan wat zij zich later konden herinneren ooit te hebben gehoord, maar voor zoover zij zich konden herinneren was het als volgt:

“Verheven boven alle droomen, schooner

Dan ooit uw oogen zagen is het land.

Daar draagt de vruchtboom heel het jaar zijn vrucht,

En heel het jaar staat bloeiend daar de bloem.

“Daar druipt de woudboom van den wilden honig;

Nooit wordt de vloed van mede’ en wijn er schaars.

Hij die daar woont kent pijn of ziekte niet,

Dood en verval genaakt hem nimmermeer.

“Hij wordt het feest niet zat, de jacht niet moe,

Nooit zal muziek verstommen in de hal;

Goud en kleinoden van het Land der Jeugd

Verduistren wat een mensen ooit droomde aan glans.

“Gij zult er paarden van den wonder-stam

En honden hebben sneller dan de wind;

U volgen honderd eedlen in den strijd

En honderd maagden zingen u in slaap.

“Uw voorhoofd zal een kroon der hoogste macht

Uw zijde dragen tooverkrachtig zwaard,

Heer zult gij zijn van heel het Land der Jeugd

En heer van Niam met het Hoofd van Goud.”

Toen het tooverlied ophield zagen de Fians Oisīn het tooverros bestijgen en de jonge maagd omvatten, en voordat zij zich konden verroeren of spreken, wendde zij het paard en trok aan den rinkelenden teugel, en door de boschvlakte spoedden zij zich, zooals een lichtstraal over het land schiet wanneer wolken over de zon heen trekken; en nimmer kreeg de Fianna Oisīn, zoon van Finn, op aarde wederom te zien.

Wat hem later wedervoer echter is bekend. Vreemd als zijn geboorte was ook zijn einde, want hij zag wonderen van het Land der Jeugd met sterflijke oogen en beleefde het die met sterflijke lippen te kunnen vertellen.

De reis naar het tooverland.

Toen het witte ros met zijn berijders de zee bereikte, liep het luchtig over de golven en weldra verdwenen de groene wouden en voorgebergten van Erin uit het gezicht. En nu scheen de zon met kracht en de berijders gingen door een gouden nevel, waarbij Oisīn alle bewustheid verloor van waar hij was en of hij zee of land onder de hoeven van zijn paard had. Maar soms verschenen hun vreemde gezichten in den mist, want torens en poorten van paleizen doemden op en verdwenen en eens snelde hen een ree zonder horens voorbij nagezet door een witten hond met een rood oor; en later zagen zij een jonge maagd op een bruin ros voorbijrijden, die een gouden appel in de hand hield, en vlak achter haar volgde een jonge ruiter op een wit ros, met een purperen mantel op zijn rug hangend en een zwaard met goud gevest in de hand. En Oisīn zou de prinses hebben gevraagd wie en wat deze verschijningen waren, maar Niam verzocht hem niets te vragen en te doen alsof hij niet lette op eenig spooksel dat zij zouden zien voordat zij in het Land der Jeugd waren gekomen.

Oisīn’s terugkomst.

Het verhaal meldt verder hoe Oisīn verschillende avonturen beleefde in het Land der Jeugd, o.a. de bevrijding van een gevangen prinses van een reus van Fomor. Maar ten slotte, na een verblijf van wat hem drie weken leek in het Land der Jeugd, was hij verzadigd van geneugten van allerlei aard en verlangde hij zijn geboorteland weer te bezoeken en zijn oude kameraden weer te zien. Hij beloofde daarna terug te keeren en Niam gaf hem het witte tooverros, dat hem over de zee naar het tooverland had gebracht, maar maande hem aan om wanneer hij weer in het land van Erin was gekomen, niet af te stijgen en den aardschen grond niet met zijn voeten aan te raken, anders zou de terugkeer naar het Land der Jeugd hem voor altijd zijn afgesneden. Toen maakte Oisīn zich op en stak andermaal den mystieken oceaan over, zoodat hij zich ten slotte bevond aan de westkust van Ierland. Hier gekomen, sloeg hij dadelijk den weg in naar den Heuvel van Allen, waar Finn gewoon was te legeren, maar door de bosschen trekkend, verwonderde het hem dat hij niets merkte van de jagers van Finn en hij verbaasde zich over de kleine gestalte van de menschen die hij den grond zag bebouwen.

Ten laatste, komend van het boschpad op de groote vlakte waar de Heuvel Allen placht te verrijzen, breed en groen, met zijn wal die vele woningen met witte muren omsloot en het groote hooge gebouw in het midden, zag hij alleen groene hoogten begroeid met weelderig onkruid en doornstruiken en koeien weidden er. Toen beving hem een vreemd afgrijzen en hij dacht dat een of andere betoovering van het Tooverland zijn oogen met valsche vizioenen misleidde. Hij strekte de armen uit en riep de namen Finn en Oscar, maar niemand antwoordde, en hij dacht dat de honden hem misschien zouden hooren, hij riep derhalve Bran en Skolawn en spitste de ooren om het flauwste geritsel of gefluister op te vangen van de wereld, waarvan de aanblik hem werd onthouden, maar hij hoorde slechts den wind in de doornen zuchten. Toen reed hij ontsteld van de plek, met het gezicht gekeerd naar de oostelijke zee, want het was zijn plan Ierland dwars door te trekken en van het eene eind tot het andere, om aan zijn betoovering te ontkomen.

De betoovering verbroken.

Maar toen hij dicht bij de oostelijke zee kwam en zich nu bevond op de plek geheeten het Dal van de Lysters7, zag hij op een veld op den heuvelkant een aantal mannen, die een grooten rolsteen van hun beploegd land trachtten te wentelen, en een opzichter die hun bevelen gaf. Hij reed op hen af met het voornemen hun te vragen naar Finn en de Fianna. Toen hij naderde hielden allen met hun werk op om hem aan te staren, want hij leek hun een bode van het Toovervolk of een engel uit den hemel. Hij was langer en forscher dan de mannen die zij kenden, met staalblauwe oogen en gebruinde blozende wangen; in zijn mond als het ware rijen paarlen en blond haar krulde onder den helmrand uit. En toen Oisīn naar hun nietige gestalten keek, door arbeid en zorg gekromd, en naar den steen dien zij met moeite uit zijn bedding trachtte te lichten, werd hij door medelijden bezield en hij dacht bij zichzelf: “Zóó waren zelfs niet de lijfeigenen van Erin toen ik ging naar het Land der Jeugd” en hij bukte van uit zijn zadel om hen te helpen. Hij zette zijn hand tegen den steen en met een geweldigen ruk lichtte hij hem op en liet hem van den heuvel rollen. En de mannen juichten hem in verbazing toe; maar weldra ging hun gejuich over in kreten van schrik en verslagenheid, en zij vluchtten, elkander verdringend en omver gooiend in hun haast om weg te komen van de vreeselijke plek, want een verschrikkelijk wonder had plaats gehad. Oisīn’s zadelriem was gebroken terwijl hij den steen had opgelicht en hij viel met het hoofd voor op den grond. Oogenblikkelijk daarna was het witte ros uit hun oogen verdwenen als een kring van mist en dat wat zwak en waggelend van den grond oprees was geen jeugdig krijgsman, maar een hoogbejaard man, met witten baard en uitgedroogd, die tastend de handen uitstrekte en zwak en bitter kreunde. En zijn donkerroode mantel en geel zijden tuniek waren nu slechts grove eigengesponnen stof met een gordel van hennep bevestigd en het zwaard met goud gevest was een ruwe eiken stok, zooals bedelaars dragen, die de wegen afloopen van het eene boerenhuis naar het andere.

“Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel”

Toen het volk zag, dat het gericht dat voltrokken was niet hun gold, kwam het terug en vond den ouden man voorover liggen op den grond, het gezicht in de armen verborgen. Zij lichtten hem op en vroegen wie hij was en wat hem was overkomen. Oisīn keek met doffen blik om zich en zeide toen: “Ik was Oisīn, de zoon van Finn, en ik bid u, zeg mij waar hij woont, want zijn burcht op den Heuvel van Allen is nu een wildernis en ik heb hem niet gezien of zijn jachthoorn gehoord van de westelijke tot de oostelijke zee”. Toen keken de mannen elkander en Oisīn vreemd aan, en de opzichter vroeg: “Welken Finn bedoelt gij, want daar zijn velen van dien naam in Erin?” Oisīn zeide: “Natuurlijk Finn mac Cumhal mac Trenmōr, hoofdman van de Fianna van Erin”. Toen zeide de opzichter: “Gij zijt gek, oude man, en ge hebt ons gek gemaakt, dat we u hielden voor een jongeling, zooals wij straks deden. Maar wij althans zijn nu weer bij ons verstand, en wij weten dat Finn zoon van Cumhal en zijn geheel geslacht al drie honderd jaren dood zijn. In den slag van Gowra viel Oscar, zoon van Oisīn, en Finn in den slag van Brea, zooals de geschiedschrijvers ons vertellen, en de liederen van Oisīn, van wien niemand weet hoe hij gestorven is, worden op groote lui’s feesten door onze harpspelers gezongen. Maar nu is de Talkenn8, Patrick, in Ierland gekomen en heeft ons gepreekt van den Eenigen God en van Christus zijn Zoon, door wier macht een einde is gemaakt aan die vroegere tijden en gebruiken; en Finn en zijn Fianna, met hun festijnen en jachten en krijgs- en minnezangen, worden niet zoo bij ons geëerd als de monnikken en de maagden van den Heiligen Patrick en de psalmen en gebeden die dagelijks opgaan om ons te reinigen van zonden en ons te redden van het vuur van het laatste oordeel”. Maar Oisīn antwoordde, slechts half hoorend en nog minder begrijpend wat tegen hem was gezegd: “Indien uw God Finn en Oscar heeft gedood, zou ik zeggen dat God een sterk man is”. Toen gingen zij allen tegen hem te keer en sommigen namen steenen op, maar de opzichter verzocht hen hem met rust te laten totdat de Talkenn met hem had gesproken en totdat hij zou gelasten wat met hem zou geschieden.

Oisīn en Patrick.

Zij brachten hem aldus bij Patrick, die hem vriendelijk en gastvrij behandelde en hij vertelde Patrick alles wat hem was wedervaren. Maar Patrick gelastte zijn schrijvers alles nauwkeurig op te teekenen, opdat de herinnering aan de helden die Oisīn had gekend, en aan het vroolijke en vrije leven dat zij hadden geleid in de bosschen en dalen en wildernissen van Erin, nimmer door de menschen zou worden vergeten.

“Zij vonden zich plotseling verward in draden garen”

Deze merkwaardige legende is alleen bekend door het moderne Iersch gedicht, omstreeks 1750 door Michael Comyn geschreven, een gedicht dat de zwanenzang van de Iersche literatuur kan worden genoemd. Ongetwijfeld bediende Comyn zich van vroeger overleverde stof; maar hoewel de oude gedichten van Ossian ons vertellen van de verlenging van Oisīn’s leven, zoodat hij St. Patrick kon ontmoeten en hem verhalen doen van de Fianna, zijn de episoden van Niam’s liefde en het verblijf in het Land der Jeugd ons alleen bekend uit het gedicht van Michael Comyn.

Het betooverde hol.

Dit verhaal, dat ik put uit S. H. O’Grady’s uitgave in “Silva Gadelica”, meldt dat Finn eens een groote jacht hield in het district Corann, in Noordelijk Connacht, waarover zekere Conaran heerschte, een heer van het volk van Dana. Vertoornd over het binnendringen der Fianna in zijn jachtgebied, zond hij zijn drie dochters, toovenaressen, om wraak te nemen op de stervelingen.

Finn, zoo luidt het verhaal, en Conan de Kale, met Finn’s twee lievelingshonden, sloegen de jacht gade van den top van den heuvel van Keshcorran en luisterden naar het geschreeuw van de opjagers, de hoornstooten en het hondengeblaf, toen zij, op den heuvel loopend, kwamen aan de opening van een groot hol, waarvoor drie tooverkollen waren gezeten met een boos en terugstootend uiterlijk. Zij hadden om drie kromme stokken van hulst naar links strengen draad gewonden en waren daarmede aan het spinnen toen Finn met zijn gevolg kwam. Om hen meer van nabij te zien, naderden de krijgslieden, toen zij zich opeens verstrikt vonden in strengen van het draad dat de tooverkollen over de plek hadden gesponnen als de web van een spin en doodelijke flauwte en beving kwam over hen, zoodat zij zonder moeite door de tooverkollen konden worden vastgebonden en in de donkere schuilhoeken van het hol gebracht. Toen kwamen anderen van de jacht naar Finn zoeken. Allen wedervoer hetzelfde—zij verloren al hun kracht en dapperheid bij de aanraking van het betooverde draad, en werden gekneveld en het hol binnengedragen, totdat de geheele partij gebonden lag, terwijl de honden buiten blaften en huilden.

Nu grepen de heksen hun scherpe, breed gegroefde harde zwaarden en waren op het punt om de gevangenen aan te vallen en hen te dooden, maar eerst keken zij bij de opening van het hol rond, om te zien of er ook een achterblijver was op wien zij nog niet de hand hadden gelegd. Op dat oogenblik kwam Goll mac Morna, “de woedende leeuw, de aanval-toorts, de grootzielige”, aanzetten, en er volgde een wanhopig gevecht, dat daarmee eindigde dat Goll twee der tooverkollen in tweeën kliefde en dat hij de derde, Irnan geheeten, bedwong en knevelde. Toen hij op het punt stond haar te dooden, smeekte zij om genade—“Voorzeker, het ware beter voor u de geheele Fianna te hebben”—en hij schonk haar het leven op voorwaarde dat zij de gevangenen zou verlossen.

Zij gingen het hol binnen en eén voor eén werden de gevangenen los gemaakt, te beginnen met den dichter Fergus Truelips en de “mannen der wetenschap”, en allen gingen op den heuvel zitten om weer bij te komen, terwijl Fergus een loflied zong ter eere van den redder Goll; en Irnan verdween.

Weldra naderde hun een monster, een toornige furie, met vurige, met bloed beloopen oogen, een wijde muil met brokkelige slagtanden, nagels als die van een wild dier en gewapend als een krijgsman. Zij legde Finn de geise op haar zijn mannen in tweegevecht te geven, totdat zij er genoeg van had. Het was niemand anders dan de derde zuster Irnan, die door Goll was gespaard. Te vergeefs verzocht Finn Oisīn, Oscar, Keelta en de andere voornaamste krijgers van de Fianna tegen haar te vechten; allen verklaarden zich niet daartoe in staat, na de slechte behandeling en den smaad die zij hadden ondergaan. Ten slotte, toen Finn zelf op het punt stond tegen Irnan op te treden, zeide Goll: “O Finn, het betaamt u niet met een oud wijf te vechten” en voor den tweeden keer trok hij zijn zwaard tegen deze afschuwelijke vijandin. Ten slotte, na een wanhopig gevecht, doorboorde hij haar schild en haar hart, zoodat het lemmet aan den anderen kant uitstak, en zij viel dood neer. Toen legde de Fianna de burcht van Conaran in de asch en nam alle schatten daar in bezit, terwijl Finn aan Goll zijn eigen dochter gaf, Keva met de Blanke Huid, en terwijl zij de burcht als een hoop gloeiende sintels achterlieten, keerden zij terug naar den Heuvel van Allen.