“Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag”
Strabo over de Kelten.
De aardrijkskundige en reiziger Strabo, die in het jaar 24 n.C. stierf en dus iets later leefde dan Caesar, weet ons heel wat omtrent de Kelten te vertellen. Hij merkt op, dat hun land (in dit geval Gallië) dicht bewoond is en hun akkers goed bewerkt, geen natuurlijke hulpbronnen worden daar ongebruikt gelaten. De vrouwen zijn vruchtbaar en bijzonder goede moeders. Hij beschrijft de mannen als oorlogszuchtig, hartstochtelijk, verzot op twistgesprekken, gemakkelijk op te hitsen, maar daarbij edelmoedig en onergdenkend, zoodat zij gemakkelijk door krijgslisten kunnen worden overwonnen. Zij bleken begeerig te zijn naar ontwikkeling en beschaving, en Grieksche letters en Grieksche wetenschap waren snel van Massilia uit onder hen verspreid; in hun steden werd openbare opvoeding ingesteld. Zij vochten beter te paard dan te voet, en in de dagen van Strabo vormden zij de bloem der Romeinsche ruiterij. Zij woonden in groote huizen gemaakt van boogvormige planken met muren van vlechtwerk—zonder twijfel bepleisterd met klei en kalk, zooals in Ierland—en dicht met stroo gedekt. Steden van groote beteekenis werden in Gallië gevonden, en Caesar maakt gewag van de sterkte der muren, die gebouwd waren van steen en hout. Caesar en Strabo zijn het er beiden over eens, dat er een zeer scherpe scheiding was tusschen de edelen en den ontwikkelden of priesterstand aan den éénen kant en het gemeene volk aan den anderen kant, daar de laatsten in strikte onderworpenheid gehouden werden. De maatschappelijke verdeeling komt in ruwe trekken ongetwijfeld overeen met het onderscheid in ras tusschen de echte Kelten en de oorspronkelijke bewoners, die door hen waren onderworpen. Terwijl Caesar ons verhaalt, dat de Druïden de onsterfelijkheid der ziel verkondigden, voegt Strabo er aan toe, dat zij geloofden in de onvernietigbaarheid—wat in sommige opzichten de goddelijkheid insluit—van het stoffelijk heelal.
De Keltische krijgsman hield van uiterlijke praal. Alles wat aan het leven glans en een indruk van tooneelmatigheid schonk, werkte op zijn verbeelding. Zijn wapenen waren rijk versierd, zijn paardentuigen waren in brons en email bewerkt, even prachtig ontworpen als eenig overblijfsel der Myceensche of Cretensische kunst, zijn kleeding was met goud geborduurd. Het tooneel van de overgave van Vercingetorix, toen zijn heldhaftige strijd tegen Rome bij den val van Alesia tot een einde was gekomen, is de vermelding waard als een typisch Keltisch mengsel van ridderlijkheid en van wat de zeer bezadigde Romeinen als een kinderachtige pralerij toescheen21. Toen hij zag, dat de zaak verloren was, riep hij een vergadering der stammen bijeen en deelde de verzamelde aanvoerders, aan wier hoofd hij gestaan had in een roemrijken, hoewel rampspoedigen oorlog, mede, dat hij bereid was zich op te offeren voor zijn nog steeds getrouwe volgelingen—hetzij zij als zij dat wilden, zijn hoofd aan Ceasar zouden zenden, hetzij hij zich vrijwillig overgaf met het doel gunstiger voorwaarden te bedingen voor zijn landgenooten. Het laatste voorstel werd aangenomen. Daarop wapende Vercingetorix zich met zijn schitterendste wapenen, bekleedde zijn paard met zijn rijkste tuig en, na driemaal om het Romeinsene kamp te zijn heen gereden, hield hij voor Caesar stand en legde hij het zwaard, dat het eenige overgebleven verdedigingsmiddel der Gallische onafhankelijkheid was, voor diens voeten. Caesar zond hem naar Rome, waar hij zes jaren lang gevangen werd gehouden, totdat hij ten slotte ter dood werd gebracht, toen Caesar zijn triomftocht hield.
Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp
Polybius.
Een karakteristiek tooneel uit den slag bij Clastidium (222 v.C.) wordt door Polybius beschreven. De Gaesaten22, zoo verhaalt hij, die aan het front van het Keltische leger stonden, kleedden zich voor den strijd naakt uit, en het gezicht van die krijgslieden, met hun groote gestalte en hun blanke huid, waarop de gouden halsketenen en armbanden schitterden, die door al de Kelten zoozeer als versierselen op prijs werden gesteld, vervulden de Romeinsche soldaten met eerbiedige vrees en ontzag. Maar toen de slag geëindigd was, gingen die versierselen bij wagenvrachten naar Rome, om het Kapitool te versieren; en de slotopmerking van Polybius over het karakter der Kelten is, dat zij “ik zeg niet gewoonlijk, maar steeds en voortdurend, in alles wat zij beproefden door hun hartstochten werden medegesleept, en zich nooit aan de wetten der rede onderwierpen.” Zooals men kan verwachten, was de kuischheid, waarvoor de Germanen bekend stonden, nooit, tot in de allerlaatste tijden, een Keltische karaktertrek.
Diodorus.
Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus, die in Gallië had gereisd, bevestigt in hoofdzaken de mededeelingen van Caesar en Strabo, maar voegt er enkele merkwaardige bijzonderheden aan toe. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op de voorliefde der Galliërs voor goud. Zelfs harnassen werden van goud vervaardigd. Dit is ook een zeer opmerkelijke karaktertrek der Kelten in Ierland, immers men heeft daar een verbazend aantal praehistorische overblijfselen van goud gevonden, terwijl het vaststaat, dat er nog veel meer hebben bestaan, die thans zijn verloren gegaan. De tempels en heilige plaatsen, zoo zeggen Posidonius en Diodorus, waren vol van onbeschermde gouden offers, die nooit door iemand werden aangeraakt. Hij maakt melding van den grooten eerbied aan de barden bewezen, en vestigt evenals Cato de aandacht op de wijze van uitdrukking, door de welopgevoede Galliërs gebezigd: “Zij zijn geen praatziek volk, en zijn er verzot op, zich uit te drukken in raadselen, zoodat de hoorder het grootste gedeelte van wat zij willen zeggen, maar moet raden.” Dit komt volmaakt overeen met de deftige en beschaafde taal van het oude Ierland, die in hooge mate kort en zinnebeeldig is. De Druïde werd beschouwd als de voorgeschreven tusschenpersoon tusschen God en mensch—niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten zonder zijn bijstand.
Ammianus Marcellinus.
Ammianus Marcellinus, die veel later leefde, en wel in de tweede helft der vierde eeuw na Christus, had eveneens Gallië bezocht, dat toen reeds, zooals duidelijk is, den invloed van Rome sterk had ondervonden.
Doch ook hij verhaalt ons, evenals vroegere schrijvers, van de groote gestalte, de schoonheid en het aanmatigende optreden van den Gallischen krijgsman. Hij voegt er aan toe, dat het volk, in het bijzonder in Aquitanië, merkwaardig helder en zindelijk was in zijn uiterlijk—niemand werd in lompen of haveloos aangetroffen. Hij beschrijft ons de Gallische vrouw als buitengewoon lang, blauwoogig en bijzonder schoon; maar onder zijn bewondering is tamelijk veel eerbiedige vrees gemengd, immers hij voegt er aan toe, dat terwijl het al gevaarlijk genoeg was tegen een Gallischen man te moeten strijden, de zaak hopeloos stond, als zijn vrouw met haar vervaarlijk groote, sneeuwwitte armen, die konden neerkomen als catapulten, haar man te hulp kwam. Onweerstaanbaar wordt men herinnerd aan de galerij van krachtige, onafhankelijke, vurige en heftige vrouwen, zooals Maev, Grania, Findabair, Deirdre en de historische figuur van Boadicea, die in de mythen en in de geschiedenis der Britsche eilanden naar voren treden.
Rice Holmes over de Galliërs.
Het volgende uittreksel uit het werk van Rice Holmes “Caesars Verovering van Gallië” moge hier een plaats vinden als een uitnemend overzicht van het maatschappelijk beeld van dat gedeelte van het gebied der Kelten korten tijd vóór de Christelijke jaartelling, en dit komt overeen met alles, wat omtrent de inheemsche Iersche beschaving bekend is:
“De Gallische volken waren ver boven den toestand van wilden gestegen; en de Kelten uit het binnenland, van wie velen reeds onder Romeinschen invloed waren gekomen, hadden een zekeren graad van beschaving verkregen, ja zelfs van weelde. Hun broeken, waaraan de provincie haar naam van Gallia Bracata ontleende, en hun veelkleurige geruite wollen rokken wekten de verbazing op van hun veroveraars. De aanvoerders droegen gouden ringen, armbanden en halsketenen; en als die groote, blondharige krijgslieden te paard ten strijde trokken, met hun helmen, vervaardigd in de gedaante van den kop van een of ander woest dier, waarboven waaiende pluimen uitstaken, en met hun metalen wapenrusting, hun lange schilden en hun groote rammelende zwaarden, maakten zij een schitterende vertooning. Ommuurde steden of groote dorpen, de versterkte plaatsen der verschillende stammen, waren op een groot aantal heuvels duidelijk zichtbaar. De vlakten waren bedekt met een groot aantal open gehuchten. De huizen, van hout en vlechtwerk gebouwd, waren ruim en goed met riet bedekt. De akkers waren in den zomer geel van het koren. Er waren van stad tot stad wegen aangelegd. De rivieren waren overspannen door stevige bruggen; en schuiten, met koopwaren beladen, dreven op de rivieren. Schepen, wel lomp van vorm, maar grooter dan eenig schip, dat op de Middellandsche Zee werd gezien, trotseerden de stormen in de Golf van Biscaye en brachten ladingen over tusschen de havens van Bretagne en de kust van Brittannië. Er werd tol geheven van de goederen, die over de groote waterwegen werden gevoerd; en aan het verpachten van die rechten ontleenden de edelen een groot deel van hun rijkdom. Iedere stam had zijn eigen muntstelsel; en de kennis der schrijfkunst in Grieksche en Romeinsche letterteekens was niet tot de priesters beperkt. De Aeduers waren op de hoogte van het pletten van koper en van tin. De mijnwerkers van Aquitanië, van Auvergne en van Berry waren beroemd om hun bekwaamheid. In één woord, in alles wat bijdroeg tot den uitwendigen voorspoed, hadden de volkeren van Gallië ontzaglijke vorderingen gemaakt sedert hun stamgenooten voor het eerst met Rome waren in aanraking gekomen.”23
Zwakheid der Keltische politiek.
Maar toch had die aangeboren Keltische beschaving, die in menig opzicht zoo aantrekkelijk was en zooveel beloften inhield, blijkbaar het ééne of andere gebrek of eenige ongeschiktheid, die de Keltische volken belette zich te handhaven tegen de oude beschaving der Grieksch-Romeinsche wereld, of tegen de ruwe jeugdige kracht der Teutoonsche rassen. Wij zullen trachten na te gaan, wat dit was.
De classieke staat.
Op den bodem van het welslagen der classieke volken lag het begrip der burgerlijke gemeenschap, de [Greek: pholis], de res publica, als een soort van goddelijk bestaan, de bron van zegen voor de menschen, om haar ouderdom eerbiedwaardig, maar die toch voortdurend verjongd wordt bij ieder volgend geslacht; een macht, waaraan iedereen gaarne gehoorzaamt omdat hij weet, dat, al worden zijn trouwe diensten niet in de geschiedboeken geboekstaafd en overgeleverd, deze toch zijn eigen kortstondig bestaan zullen overleven en het bestaan van zijn vaderland of vaderstad ten eeuwigen dage zullen verheffen. Met dien geest bezield wees Socrates zijn vrienden, die er op aandrongen, dat hij zijn doodvonnis zou ontgaan door gebruik te maken van de middelen die zij hem aanboden om te ontsnappen, terecht, omdat zij hem aanzetten tot een goddelooze schending der wetten van zijn vaderland. Immers, zoo zeide hij, iemands vaderland is heiliger en eerbiedwaardiger dan vader of moeder, en hij moet kalm aan de wetten gehoorzamen waaraan hij zich heeft onderworpen, om daaronder zijn geheele leven door te brengen, daar hij zich anders den gerechten toorn op den hals haalt van de groote Broeders der aardsche Wetten, de Wetten der Onderwereld, aan wie hij ten slotte rekenschap moet geven van zijn gedrag op aarde. In meerdere of mindere mate maakte die verheven opvatting van den Staat den practischen godsdienst uit van iedereen onder de classieke naties der oudheid, en gaf zij aan den Staat zijn samenhang, zijn geschiktheid zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen.
Teutoonsche trouw.
Bij de Teutonen werd de kracht van samenhang nog versterkt door een andere oorzaak, die bestemd was zich te vermengen met den burgerzin en, daarmede vereenigd—ja zelfs dien dikwijls overheerschend—den voornaamsten politieken factor te vormen bij de ontwikkeling der Europeesche volken. Dit was het gevoel, dat de Germanen bestempelden met den naam van Treue, de persoonlijke trouw aan een aanvoerder, die zich in zeer oude tijden uitstrekte tot een koninklijke dynastie, een gevoel dat diep geworteld was in het Teutoonsche karakter, en dat nooit door eenige andere menschlijke drijfveer is overtroffen als bron van heldhaftige zelfopoffering.
De godsdienst der Kelten.
Geen menschelijke invloeden worden ooit zuiver en onvermengd aangetroffen. Het gevoel van persoonlijke trouw was bij de classieke volken niet onbekend. Het gevoel van burgerzin en vaderlandsliefde schoot, hoewel het bij Teutoonsche rassen slechts langzaam opgroeide, daar eindelijk wortel. Geen van beide eigenschappen, trouw en burgerzin, waren bij de Kelten onbekend, maar er was nog een andere factor, die in hun geval bij hen die eigenschappen overschaduwde en in den groei belemmerde, en voor de politieke bezieling en de macht tot vestiging van een eenheid zooveel mogelijk bouwstoffen leverde, die de classieke volken aan hun vaderlandsliefde en de Teutonen aan hun trouw ontleenden. Die factor was de godsdienst; of misschien zou het juister en nauwkeuriger zijn te spreken van Priesterdienst—dat is godsdienst, in dogma’s vastgelegd en door een priesterkaste toegediend. Zooals wij bij Caesar hebben gezien, wiens opmerkingen volkomen zijn bevestigd door Strabo en door hetgeen in Iersche legenden wordt gevonden24, waren de Druïden de werkelijk souvereine macht in het gebied der Kelten. Alle zaken, openbare zoowel als private, waren aan hun gezag onderworpen, en de straffen die zij konden opleggen, zoo dikwijls een leek zich van hen onafhankelijk trachtte te maken, waren, al berustten zij, wat haar practische beteekenis en uitwerking betrof, evenals in de middeleeuwen de door de Katholieke kerk opgelegde banvloeken, alleen op het bijgeloof der menigte, voldoende, om den meest trotschen geest te buigen. Hier lag de ware zwakheid der Keltische politiek. Er is misschien geen wet, die duidelijker is geschreven in de lessen der geschiedenis, dan dat volken, die geregeerd worden door priesters, welke hun gezag ontleenen aan de goedkeuring van een bovennatuurlijken wil, daardoor ongeschikt worden voor waren nationalen vooruitgang, en wel des te meer, naarmate zij meer onder dien invloed staan. De ongedwongen, gezonde strooming van het wereldlijke leven en de wereldlijke gedachte, is uit den aard der zaak onvereenigbaar met priesterheerschappij. Wat ook de beleden godsdienst moge zijn, zooals Druïdendom, Islamisme, Jodendom, Christendom of Fetichisme, een priesterkaste, die gezag eischt in wereldsche zaken op grond van bovenaardsche bevelen, is onvermijdelijk de vijand van dien geest van criticisme, van dien invloed van nieuwe denkbeelden, van die toeneming van wereldlijke gedachten, van menschelijk en verstandelijk gezag, die de grondvoorwaarden zijn van nationale ontwikkeling.
De vervloeking van Tara.
Een bijzondere en zeer treffende bevestiging van die waarheid wordt geleverd door de geschiedenis der oude Keltische wereld. In de zesde eeuw na Christus, ruim honderd jaar na de prediking van het Christendom door St. Patrick, regeerde een koning, Dermot MacKerval25 in Ierland. Hij was de Ard Righ, of Opperkoning van dat land, waarvan het bestuur gevestigd was te Tara, in Meath, en wiens ambt met zijn overmacht in naam en volgens de wet over de vijf provinciale koningen, een beeld gaf van den aandrang, die het Iersche volk dreef naar een ware nationale eenheid. De eerste voorwaarde voor zulk een eenheid was blijkbaar de vestiging van een krachtig centraal gezag. Een dergelijk gezag werd, zooals wij zeiden, in theorie door den opperkoning vertegenwoordigd. Het geschiedde nu, dat één van zijn beambten bij het uitoefenen van zijn plicht vermoord werd door een aanvoerder, Hugh Guairy genaamd. Guairy was de broeder van een bisschop, die een zoogbroeder was van St. Ruadan van Lorrha, en toen koning Dermot het bevel zond den moordenaar gevangen te nemen, werd hij door de geestelijkheid verborgen gehouden. Dermot liet echter naar hem zoeken, rukte hem weg van onder het dak van St. Ruadan en liet hem naar Tara brengen, om daar terecht te staan. Onmiddellijk maakten de geestelijken van Ierland gemeene zaak tegen den leekenkoning, die het gewaagd had een misdadiger, die onder de bescherming der geestelijkheid stond, te doen terecht staan. Zij kwamen te Tara samen, vastten tegenover den koning26, en vervloekten hem en den zetel van zijn bestuur plechtig. Daarop vertelt ons de kroniekschrijver, dat de vrouw van Dermot een profetischen droom had.
“Op de grasvlakte van Tara was een groote, breed gebladerde boom, waaraan elf slaven aan het hakken waren; maar iedere spaander, dien zij er van afhakten, keerde weder op zijn plaats terug en bleef daar vast op zitten, totdat er ten slotte één man kwam, die den boom slechts één slag toebracht, en dien daarbij velde27.”
De schoone boom was de Iersche monarchie, de twaalf houthakkers waren de twaalf Heiligen of Apostels van Ierland, en de eenige, die hem velde, was St. Ruadan. Het pleidooi van den koning voor zijn land, waarvan hij zag, dat het lot in de weegschaal stond, wordt met aandoenlijke kracht en met een helder inzicht door den Ierschen kroniekschrijver geboekstaafd28.
“Helaas,” zeide hij, “wat een onbillijken strijd hebt gij tegen mij aangevangen; het is toch zeker, dat ik het welzijn van Ierland op het oog heb, en dat het mijn doel is de tucht daar te handhaven en de koninklijke rechten, terwijl gij streeft naar de verwarring van Ierland en naar moord en doodslag.”
Maar Ruadan zeide: “Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn;” en het ontzag voor de priesterlijke vervloeking had de overhand. De misdadiger werd overgeleverd, Tara werd verlaten, en met uitzondering van een korten tijd, toen een krachtige overweldiger, Brian Boru, door geweld de macht in handen kreeg, kende Ierland in werkelijkheid geen wereldlijk bestuur, totdat die het land werd opgelegd door een veroveraar. De laatste woorden der geschiedkundige verhandeling waaruit wij aanhalen, zijn de wanhoopskreten van Dermot, waaraan wij ontleenen:
“Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn”
“Wee hem, die met de geestelijkheid der kerken den strijd aanbindt.”
Wij hebben die gebeurtenis eenigszins uitvoerig beschreven, omdat zij een factor typeert, waarvan wij den grooten invloed op de geschiedenis der Keltische volken kunnen volgen gedurende een reeks van hachelijke gebeurtenissen van den tijd van Julius Caesar tot op onzen tijd. Wij zullen later zien, hoe en waaruit die zich ontwikkelde; genoeg zij het daarop de aandacht te vestigen. Het is een factor, die de nationale ontwikkeling der Kelten in den weg stond, in de beteekenis, die wij daaraan hechten bij de classieke of Teutoonsche volkeren.
Wat Europa aan de Kelten te danken heeft.
Het zou echter een groote dwaling zijn, als wij op dien grond meenden, dat de Kelten niet een kracht van groote beteekenis in Europa waren geweest. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de cultuur van de westelijke wereld. Gedurende vier eeuwen—omstreeks 500 tot 900 n.C.—was Ierland het toevluchtsoord der wetenschap en de bron van letterkundige en philosofische cultuur voor half Europa. De bouw der verzen in de Keltische poëzie heeft waarschijnlijk de grootste rol gespeeld bij het bepalen van den bouw van alle moderne verzen. De mythen en legenden der Gallische en Cymrische volken wekten de verbeelding op van een aantal dichters van het Vasteland. Trouwens de Kelten schiepen niet zelf eenig litterarisch werk van duurzamen bouw, evenmin als zij een duurzamen of indrukwekkenden nationalen staatsvorm schiepen. Hun denken en hun voelen was in wezen lyrisch en volstrekt niet abstract. Ieder voorwerp of levensbeeld maakte een levendigen indruk op hen en bewoog hen diep; zij waren uiterst gevoelig, en in hooge mate voor indrukken vatbaar, maar zagen de dingen niet in hun breedere en meer ver reikende betrekkingen. Zij hadden weinig geschiktheid voor het organiseeren van instellingen, voor het dienen van beginselen; maar zij waren, en dat zijn zij nog ten huidigen dage, onmisbare en nooit in den steek latende verdedigers der menschelijkheid tegenover de tyrannie van beginselen, de koelheid en de onvruchtbaarheid van instellingen. De instellingen van het koningschap, van burgerzin en vaderlandsliefde, zijn zeer vatbaar om tot onvruchtbare beginselen te worden versteend, en dan de ziel in boeien te leggen in plaats van die te bezielen. Maar de Kelten hadden zich steeds krachtig verzet tegen alles, wat niet den adem des levens in zich had, en tegen elken niet in den geest gegrondvesten en slechts zuiver uitwendigen vorm van overheersching.
Het is maar al te waar, dat zij te zeer er naar streefden, de schoone vruchten van het leven te genieten, zonder de lange en geduldige voorbereiding voor den oogst, maar zij hebben een onmetelijken dienst bewezen en zullen dit ook doen aan de moderne wereld, door met kracht het beginsel op den voorgrond te stellen, dat de ware vruchten van het leven een onstoffelijke werkelijkheid zijn, die nooit zonder smart of verlies verduisterd of vergeten kan worden te midden van het groote samenstel eener stoffelijke beschaving.
1 Hij maakt gewag van “Nyrax, een Keltische stad” en van “Massalia (Marseille), een stad van Liguria in het land der Kelten” (“Fragmenta Hist. Graec.”)
2 In zijn “Premiers Habitants de l’Europe,” deel II.
3 “Caesars Verovering van Gallië”, blz. 251–327.
4 De ouden waren geen nauwkeurige waarnemers van physieke karaktertrekken. Zij beschrijven de Kelten in bijna dezelfde bewoordingen, die zij voor de Germaansche rassen gebruiken. Rice Holmes is van meening, dat het eenige verschil uit een physiek oogpunt in het feit gelegen was, dat de lichte haarkleur der Germanen blond, doch die der Kelten rood was. In een belangrijk gedeelte van het reeds aangehaalde boek (blz. 315) maakt hij de volgende opmerking: “Al houden wij ook zooveel mogelijk rekening met het feit, dat ander bloed er mede vermengd is, waardoor het type der oorsponkelijke Keltische of Gallische overweldigers van dit eiland aanzienlijk is gewijzigd, worden wij toch getroffen door het feit, dat er onder alle Keltisch sprekende landgenooten een aantal exemplaren gevonden worden van een type, dat ook bestaat in die gedeelten van Brittannië, die gekoloniseerd werden door Britsche indringers, en in die gedeelten van Gallië waarin de Gallische indringers zich in grooten getale schijnen te hebben neergezet, zoowel als in Noord-Italië, waar eertijds de Keltische indringers de overhand hadden; en evenzoo treft ons het feit, dat dit type, zelfs onder zijn meer blonde vertegenwoordigers, zoowel voor den oppervlakkigen als voor den wetenschappelijken waarnemer duidelijk verschilt van dat der zuiverste vertegenwoordigers der oude Germanen. De welbekende schilderij van Sir David Wilkie, “Het lezen der Waterloo Courant”, doet, zooals Daniel Wilson opmerkte, het verschil tusschen beide typen duidelijk uitkomen. Zet een Hooglander uit Perthshire naast een uit Sussex. Beiden hebben licht haar, maar het roode haar en de roode baard van den Schot zal duidelijk afwijken van het lichte haar van den Engelschman, en hun gelaatstrekken zullen nog sterker verschillen. Ik herinner mij eens in den trein tusschen Inverness en Lairey gezeten te hebben met twee boschwachters. Zij waren beiden lang, forsch gebouwd en blond, en behoorden blijkbaar tot het Scandinavische type, dat zooals Dr. Beddoe zegt, in het hooge noorden van Schotland zoo veelvuldig wordt aangetroffen, maar zoowel in de kleur van hun haar als in hun uiterlijk in het algemeen verschilden zij volkomen van de lange, lichtharige Hooglanders, die ik in Perthshire had ontmoet. Er was geen spoor van rood in hun haar, en hun lange baarden waren absoluut geel. Het overwicht van rood onder de Keltisch sprekende bevolking is naar mijn meening een treffend kenmerk. Niet alleen dat wij op iedere honderd man elf vinden, wier haar absoluut rood is, maar op den ondergrond der zwart- en donkerbruin gekleurden kan dezelfde tint worden ontdekt.”
5 Men zie de kaart ter vergelijking der kleur van de haren en de gelaatskleur in Ripley “Rassen van Europa”, blz. 318. In Frankrijk echter zijn de bewoners van Bretagne geen donker ras in vergelijking met het overige deel der bevolking. Zij bestaan gedeeltelijk uit de oude Gallische volken en gedeeltelijk uit kolonisten uit Wales, die bij den Saksischen inval waren verjaagd.
6 Zie, wat die namen betreft, Holder “Altceltischer Sprachsatz”.
7 Het is niet onmogelijk, dat Vergilius beteekent de “zeer schitterende” of uitstekende; een natuurlijke vorm voor een eigennaam Ver is dikwijls in Gallische namen (Vercingetorix, Vercassivellasimus, enz.) een versterkend voorvoegsel, zooals het moderne Iersche fior. De naam van het dorp, waar Vergilius geboren was, Andes (thans Pietola), is Keltisch. Zijn liefde voor de natuur, zijn mysticisme en zijn krachtig gevoel voor zekere decoratieve eigenschappen in taal en rhythmus, zijn sterk op den voorgrond tredende Keltische eigenschappen. De uitdrukkingen, die Tennyson over hem bezigt, “liefhebber van landschappen, beheerscher der taal,” zijn in dit opzicht kenschetsend.
8 Ptolemaeus, een vriend en waarschijnlijk zelfs een halfbroeder van Alexander, was zonder twijfel er bij tegenwoordig, toen dit voorval plaats had. Zijn werk is niet meer overgebleven, maar wordt aangehaald door Arrianus en andere geschiedschrijvers.
9 Het doet ons denken aan het volksverhaal omtrent Henny Penny, die den koning ging vertellen, dat de hemel neerviel.
10 Het Boek van Leinster is een manuscript uit de twaalfde eeuw. De lezing der “Táin”, daarin gegeven, dateert waarschijnlijk uit de achtste eeuw. Zie de Jubainville, “Premiers Habitants,” II 316.
11 Dr. Douglas Hyde geeft in zijn “Letterkundige Geschiedenis van Ierland” (blz. 7), een eenigszins afwijkende vertaling.
12 Het is eveneens een bewijs van de groote nauwkeurigheid van het verhaal van Ptolemaeus.
13 De Romeinsche geschiedenis maakt melding van verscheidene botsingen met de Kelten gedurende die periode, maar de Jubainville heeft aangetoond, dat die verhalen bijna alle zeker mythen zijn. Zie “Premiers Habitants,” II 318–323.
14 B.v. Moymell (magh-meala) de Vlakte van Honig, een Gallische naam voor Tooverland, en een aantal plaatsnamen.
15 Voor deze en een aantal andere voorbeelden zie de Jubainville “Premiers Habitants” II, blz. 255 env.
16 Aangehaald door Romilly Allen in “Keltische Kunst” blz. 136.
17 “Premiers Habitants”, II 355, 356.
18 Het Iersch is waarschijnlijk een oudere vorm der Keltische taal dan de volkstaal van Wales. Dit blijkt uit een aantal taalkundige bijzonderheden der Iersche taal, waarvan wij hier één der merkwaardigste in het kort zullen vermelden. De Goidelische of Galische Kelten, die volgens de gewone theorie het eerst de Britsche eilanden koloniseerden, en die door opvolgende golven van inval door hun stamgenooten van het vasteland naar het uiterste westen werden gedreven, hadden een bijzonderen tegenzin tegen het uitspreken der letter p. Zoo wordt het Indo-Europeesche voorzetsel pare, dat in het Grieksch door παρά, naast of in de onmiddellijke nabijheid, wordt voorgesteld, in het oud Keltisch are, zooals in den naam Are morici (de Armorikers, zij die ar muir, aan de zee wonen); Are-dunum (Ardin in Frankrijk); Are-cluta, de plaats bij de Clota (Clyde), het tegenwoordige Dumbarton; Are-taunon in Duitschland (bij het Taunus gebergte), enz. Als de p niet eenvoudig werd weggelaten, veranderde zij gewoonlijk in een c (k, g). Maar omstreeks de zesde eeuw v.C. had er in de taal der Kelten van het vaste land een merkwaardige verandering plaats. Op een onverklaarbare wijze kregen zij het vermogen de p uit te spreken, en zelfs zetten zij die in de plaats van de bestaande c klanken; zoo werd het oorspronkelijke Cretanis: Pretanis, Brittannië, het getal qetuares (vier) werd petuares, enz. Keltische plaatsnamen in Spanje toonen aan, dat die verandering moet hebben plaats gehad vóórdat de Kelten dat land hebben veroverd, 500 v.C. Nu toont een vergelijking van een aantal Iersche woorden en die uit de volkstaal van Wales duidelijk aan, dat de Ieren die p vermijden terwijl de bewoners van Wales er volstrekt geen bezwaar tegen hebben. Hier volgen enkele voorbeelden:
| Iersch | Wales | Nederlands |
| crann | prenn | boom |
| mac | map | zoon |
| cenn | pen | hoofd |
| clumh (cluv) | pluv | veer |
| cúig | pimp | vijf |
De gevolgtrekking schijnt voor de hand te liggen, dat het Iersch den ouderen vorm der taal moet voorstellen. Merkwaardig is het, dat zelfs tot een betrekkelijk laat tijdstip de Ieren hun tegenzin tegen de p bewaard hebben. Zoo veranderden zij het Latijnsche Pascha (Paschen) in Casg; purpur, in curcair, pulsatio (door het Fransche pouls) in cuisle. Wij moeten echter opmerken, dat Nicholson in zijn “Keltische onderzoekingen” tracht aan te toonen, dat de zoogenaamde Indo-Europeesche p—dat is de p die alleen staat en niet met een anderen medeklinker is verbonden—in een vroege periode door de Goidelische Kelten werd uitgesproken. Men kan niet zeggen, dat het onderwerp reeds volkomen is opgehelderd.
19 “De Ieren,” zoo zegt Edmund Spenser, in zijn “Overzicht van den tegenwoordigen toestand van Ierland,” “plegen gewoonlijk boodschappers heen en weer te zenden om nieuws te hooren, en als iemand een ander ontmoet, zegt hij bijna onmiddellijk, wat voor nieuws is er?”
20 Zie hieromtrent Spenser: “Ik heb groote krijgslieden hooren vertellen, dat zij in alle veldtochten die zij in vreemde landen hadden medegemaakt, nooit bevalliger ruiters gezien hebben dan de Ieren, noch iemand die dapperder is in den aanval. Zij zijn zeer dapper en forsch. Zij verdragen meestal uitstekend koude, inspanning, honger en alle ontberingen, zij zijn krachtig van hand, vlug van voet, zeer oplettend en voorzichtig in hun ondernemingen, zij hebben groote tegenwoordigheid van geest, en hebben een groote doodsverachting.”
21 Het verhaal van de overgave van Vercingetorix wordt door Caesar niet gedaan, en berust uitsluitend op het gezag van Plutarchus en den geschiedschrijver Florus, maar wordt door de geleerden (Mommsen, Long, enz.) als authentiek beschouwd.
22 Dit was een stam die zijn naam ontleende aan den gaesum, een soort Keltische werpspies, wat hun voornaamste wapen was. De gedraaide gouden halsketen (torques) komt als typisch versiersel voor bij het bekende standbeeld van den stervenden Galliër, gewoonlijk genoemd “De Stervende Gladiator”. Een aantal modellen zijn voorhanden in het nationale museum te Dublin.
23 “Caesars Verovering van Gallië, blz. 10, 11. Wij voegen hieraan toe, dat de aristocratische Kelten evenals de Teutonen dolichocephalen waren—d.w.z. hun hoofden waren lang in vergelijking met de breedte. Dit is bewezen uit overblijfselen gevonden in het bekken van de Marne, dat sterk door hen bevolkt was. In één geval werd het skelet van den langen Gallischen soldaat gevonden met zijn strijdwagen, zijn ijzeren helm en zwaard, die thans zijn in het Museum van St. Germain. De bewoners der Britsche eilanden zijn over het algemeen dolichocephaal, immers het “Alpentype”, met rond hoofd komt daar slechts zelden voor. De bewoners van het tegenwoordige Frankrijk zijn eveneens rondhoofdig. Thans weten wij echter, dat de vorm van het hoofd volstrekt geen constant rassenkenmerk is. Deze verandert snel in een nieuwe omgeving zooals blijkt uit metingen van de afstammelingen van hen, die naar Amerika zijn verhuisd. Men zie een artikel hierover van Professor Haddon in “Nature,” 3 Nov. 1910.
24 In de “Tain Bo Cuailgne”, onder andere, mag de Koning van Ulster niet met een boodschapper spreken totdat de Druïde Cathbad hem heeft ondervraagd. Men haalt zich hier de regels voor den geest van Sir Samuel Ferguson in zijn Iersch epos “Congal”:
“Want steeds nog, sinds de tijden
Dat Cathbad Usnachs zoons een wreeden dood deed lijden,
Door hen in vuile modderzee te smoren,
Die door een gruwlijk tooverwoord werd opbezworen,
Aan Creeveroe’s bloedge poort, verbeiden
Verderf en smaad den vorst, die zich door priesterwoord laat leiden.
25 In het Keltisch, Diarmuid mac Cearbhaill.
26 Het was de gewoonte, evenals in Indië, dat iemand, die door een meerdere verongelijkt was, of zich dit verbeeldde, ging zitten voor den drempel van hem, die geweigerd had hem recht te doen, en dat hij vastte totdat hem recht was gedaan. In Ierland werd een tooverkracht toegeschreven aan die plechtige handeling; de gevolgen daarvan konden worden afgewend, als ook de andere partij vastte.
27 “Silva Gadelica”, door S. H. O’Grady, blz. 73.
28 De bron, waaraan dit ontleend is, is een verhaal, dat gevonden wordt op een perkamenten handschrift uit de vijftiende eeuw, dat in het jaar 1814 in Lismore Castle is ontdekt, en dat door S. H. O’Grady in zijn “Silva Gadelica” is vertaald. Het verhaal wordt toegeschreven aan een beambte aan het hof van Dermot.
Hoofdstuk II: De Godsdienst der Kelten.
Ierland en de godsdienst der Kelten.
Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek. Er is echter één ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst.
Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden godsdienst zóó volkomen achter zich, dat elke overlevering daaromtrent verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom heeft gebracht, heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten, een geschrift van ontzaglijk veel belang en het oudste verhaal, dat omtrent het Christendom van Brittannië is overgebleven; doch dit vertelt ons niets omtrent de leerstellingen, die hij uitroeide en verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen der Kelten door middel van Julius Caesar, die hen van een geheel ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin legenden behandeld worden en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij dikwijls blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van vóór het Christendom dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken, practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs ethisch stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof, en dat dit lange verzet aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde eeuw, maar geen echo van eenigen geestesstrijd, geen vergelijken van de ééne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden in de mededeelingen omtrent den strijd van Celsus tegen Origenes, heeft ons uit die periode van verandering en strijd bereikt. De litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een aantal oude mythen, en daarin komen sporen voor den dag van wezens, die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten geweest zijn, maar alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er, zooals Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig stelsel onder de Galliërs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit, dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het Rome van den Keltischen godsdienst.
Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die in meer of minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan.
De volksgodsdienst der Kelten.
Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak was, en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij “Druïdisme” noemen. Behalve de officiëele godsdienst was er een geheel van populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en oudere bron afkomstig waren dan het Druïdisme, en die bestemd waren dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang niet uitgestorven.
Het megalithische volk.
De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in verband staan met het begraven van dooden. De oudste volken, die Keltisch grondgebied bewonen, in het westen van Europa, waarvan wij eenige vaststaande kennis bezitten, zijn een ras zonder naam of bekende geschiedenis, maar toch kunnen wij uit hun grafmonumenten, waarvan er nog zooveel bestaan, heel wat omtrent hen te weten komen. Het waren de zoogenaamde megalithische volken1, de oprichters van dolmens, cromlechs en in kamers verdeelde tumuli, waarvan er in Frankrijk alleen meer dan drieduizend zijn geteld. Dolmens worden gevonden van Scandinavië tot naar het zuiden, in de westelijke landen van Europa tot aan de Straat van Gibraltar en Spanje, en langs de kust der Middellandsche Zee. Zij komen voor op sommige der westelijke eilanden der Middellandsche Zee en worden ook in Griekenland gevonden, waar zelfs nu nog, in Mycene een oude dolmen staat, naast de prachtige grafkamer der Atriden. Men mag in ruwe trekken zeggen, dat, als wij een lijn trekken van de monding van de Rhône naar het noorden tot aan den Varanger Fjord, alle dolmens in Europa, met uitzondering van enkele exemplaren in de Middellandsche Zee, ten westen van die lijn gelegen zijn. Ten oosten van die lijn vinden wij er geen, totdat wij in Azië komen. Maar zij worden weer gevonden aan de overzijde van de Straat van Gibraltar, en wel langs de geheele kust van Noord-Afrika, en van daar in oostelijke richting door Arabië en Indië, tot zelfs in Japan.
Dolmens, cromlechs en tumuli.
Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door één enkelen grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule worden waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een huis of woonplaats voor den doode voor te stellen. Een cromlech (in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste verzameling van rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is van meening, dat de meeste, zoo niet al de nu blootgestelde dolmens oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere steenen. Dikwijls, zooals in de hier gegeven teekening, zijn groote lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande steenen, en deze hadden ongetwijfeld de één of andere bedoeling, die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op die plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd zijn, maar in ieder geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige beeldhouwkunst (met uitzondering van de teekeningen of symbolen die op de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen indruk te maken door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische massa’s, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende eigenschappen in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis, en onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De eigenlijke dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange, die wij ook rekenen als te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke ontwikkeling van den dolmen. De oudste dolmenbouwers waren op den neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten steen. Maar in de tumuli werd niet alleen steen, maar ook brons, en zelfs ijzer gevonden—in het begin, zooals duidelijk blijkt, van buiten ingevoerd, maar later in dat gebied vervaardigd.