“Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven”
De jacht van Slievegallion.
Deze mooie geschiedenis, die in dichtvorm is gegeven als zijnde verteld door Oisīn, in de Handelingen van het Ossian’sch Genootschap, verhaalt dat Cullan de Smid (hier voorgesteld als een Danaansche godheid), die op of bij de bergen woonde van Slievegallion, in het graafschap Armagh, twee dochters had, Ainé en Milucra, die beiden Finn mac Cumhal beminden. Zij waren jaloersch van elkander; en toen Ainé zich eens liet ontvallen dat zij nimmer een man met grijs haar zou willen hebben, zag Milucra de kans schoon Finn’s liefde voor zich alleen te winnen. Zij verzamelde haar vrienden onder de Danaans, om het kleine grijze meer dat ligt op den top van Slievegallion en zij betooverden het water er van.
Deze inleiding, draagt, zooals kan worden opgemerkt, sterke sporen van later aan het oorspronkelijk verhaal te zijn toegevoegd in een tijdperk van mindere ontwikkeling, of door een minder denkende klasse in wier handen de legende was gekomen. De werkelijke beteekenis van de gedaanteverwisseling, die daarin wordt verhaald, is waarschijnlijk veel dieper.
De geschiedenis vertelt verder dat kort daarna Finn’s honden, Bran en Skolawn, een hert opjoegen bij den Heuvel van Allen en het noordwaarts dreven totdat de jacht eindigde op den top van Slievegallion, een berg die, evenals Slievenamon9 in het zuiden, in het oude Ierland een waar brandpunt was van Danaansche tooverkunst en legenden. Finn volgde de honden alleen, totdat het jonge hert op een bergrug verdween. Er naar zoekend, kwam Finn eindelijk bij het kleine meer op den bergtop en zag aan den oever er van een vrouw, wonderbaarlijk schoon, die daar zat te jammeren en te schreien. Finn vroeg waarom zij zoo bedroefd was. Zij zeide dat een gouden ring, waaraan zij veel waarde hechtte, van haar vinger in het meer was gevallen, en zij legde Finn als geise op dat hij in het meer zou springen en den ring voor haar zoeken.
Finn deed aldus, en na in elken schuilhoek van het meer te hebben gedoken, vond hij den ring, en alvorens hij uit het water kwam, gaf hij dien aan de vrouw. Onmiddellijk daarop sprong zij in het meer en verdween. Finn vermoedde toen, dat een of andere betoovering op hem werd bewerkt, en weldra wist hij wat het was, want toen hij op het droge stapte viel hij van louter zwakte neer en toen hij weer opstond was hij een waggelende, zwakke en oude man, met sneeuwwit haar en uitgedroogd, zoodat zelfs zijn trouwe honden hem niet kenden, maar om het meer liepen zoekend naar hun verloren meester.
Inmiddels werd Finn vermist in zijn paleis op den Heuvel van Allen en weldra begaf zich een troep op het spoor waarop men hem het hert had zien jagen. Zij zochten aan het meer op Slievegallion en vonden daar een ellendigen en verlamden ouden man, dien zij ondervroegen, maar die niets anders kon doen dan zich op de borst slaan en jammeren. Ten laatste wenkte de oude man Keelta naderbij te komen, fluisterde hem zwakjes eenige woorden in het oor, en ziet, het was Finn zelf! Toen de kreten van verbazing en gejammer der Fianna ophielden, fluisterde Finn Keelta het verhaal van zijn betoovering toe en hij zeide dat de bewerker er van moest zijn de dochter van Cullan de Smid, die woonde in den tooverheuvel van Slievegallion. De Fianna, Finn op een baar dragend, begaf zich onmiddellijk naar den heuvel en begon met kracht te graven. Drie dagen en nachten achtereen groeven zij in den Tooverheuvel en drongen ten slotte in de binnenste wijkplaatsen; plotseling stond een jonge maagd voor hen, die een drinkbeker van rood goud in de hand hield. Hij werd aan Finn gegeven, die er uit dronk en aanstonds kreeg hij zijn gedaante en zijn schoonheid weer, maar zijn haar bleef nog wit als zilver. Ook dit zou door een anderen dronk in zijn vroegeren staat zijn gebracht, maar Finn liet het blijven zooals het was en zilverwit bleef zijn haar tot den dag van zijn dood.
Op dit verhaal is een zeer treffend, allegorisch drama gebouwd, “De Maske van Finn”, door Standish O’Grady, die, ongetwijfeld terecht, de geschiedenis opvat als symboliseerend het verwerven van wijsheid en verstand door lijden. Een leider van mannen moet afdalen tot het meer van tranen en zwakheid en wanhoop kennen, alvorens zijn geest hen kan gebruiken tot groote doeleinden.
Er is een antiek grafmonument op den bergtop dat de boeren van het district nog houden—of hielden in de dagen voor de Openbare Lagere scholen—voor het verblijf van de “Heks van het Meer”, en een eigenaardig pad, dat nooit door menschelijke voeten is afgesleten en dat van het rotsgraf voert naar het meer, wordt toegeschreven aan het heen en weer gaan van dat bovennatuurlijk wezen.
Het “Gesprek der Ouden.”
Een van de belangwekkendste en aantrekkelijkste overblijfselen van Ossiansche literatuur is het “Gesprek der Ouden”, Agallamk na Senorach, een lang stuk in verhaaltrant van omstreeks de dertiende eeuw. Het werd uitgegeven met een vertaling in O’Grady’s “Silva Gadelica”. Het is niet zoozeer een vertelling dan wel een verzameling van vertellingen handig in een mythisch kader geplaatst. Het “Gesprek” begint met ons Keelta mac Ronan en Oisīn zoon van Finn voor te stellen, elk vergezeld van acht krijgslieden, al wat overbleef van de groote corporatie der Fianna na den slag van Gowra en de daarop volgende verstrooiing van de Orde. Een levendige beschrijving wordt ons gegeven van de grijze oude krijgers, die hun tijd hebben overleefd en voor het laatst bijeenkomen op de burcht van een vroeger vermaarde aanvoerster Camha geheeten, en van hun melancholiek gesprek over vervlogen dagen, totdat ten slotte een langdurig zwijgen intrad.
Keelta ontmoet St. Patrick.
Ten laatste besluiten Keelta en Oisīn van elkander te gaan; Oisīn, van wien wij verder weinig hooren, gaat naar den Tooverberg, waar zijn Danaansche moeder (hier Blai geheeten) woont, terwijl Keelta over de vlakte van Meath trekt, totdat hij te Drumderg komt, waar hij St. Patrick en zijn monnikken aantreft. Hoe dit chronologisch mogelijk is, de schrijver geeft zich geen moeite dat te verklaren en hij toont geen bekendheid met de legende van Oisīn in het Land der Jeugd. “De geestelijken”, aldus het verhaal, “zagen Keelta en zijn troep naderen en vrees beving hen voor de lange mannen met de groote wolfshonden die hen vergezelden, want zij waren niet van denzelfden tijd en een met de geestelijkheid.” Patrick besprenkelt daarop de helden met gewijd water, ten gevolge waarvan legioenen van demonen, die over hen heen hadden gezworven, vluchten in de heuvels en dalen, en “de geweldige mannen zetten zich.” Na den naam van zijn gast te hebben gevraagd, zegt Patrick dan dat hij een gunst van hem te verzoeken heeft—hij wenschte een bron van zuiver water te vinden om het volk van Bregia en Meath mee te doopen.
De bron van Tradaban.
Keelta, die elke beek en heuvel en sterkte en bosch in het land kent, neemt daarop Patrick bij de hand en geleidt hem “totdat,” zooals de schrijver zegt, “zij vlak voor zich een bron zagen, parelend en doorschijnend helder. De grootte en dikte van de kers en van de fothlacht, of eereprijs, die er bij groeide bracht hen in verbazing.” Toen begon Keelta te vertellen van de vermaardheid en schoonheden van de plek, en droeg een verrukkelijk gedichtje voor tot lof er van.
“O, bron van het Strand der twee Vrouwen, schoon is uw kers, weelderig en vertakt; sedert uw productie ongerept bleef, kan uw beekpunge niet groeien. Buiten uw oevers kan men uw forellen zien, uw wilde zwijnen in de wildernis; de herten van uw schoon rots-land, uw gespikkelde en roodgeborste reeën! Uw eikels en beukenooten alle hangend aan de takken der boomen; uw visch in wijde mondingen van rivieren; lieflijk de kleuren van uw kabbelende stroomen, o gij die azuur-getint zijt en dan weer groen door weerspiegelingen van omringend struikgewas.”10
St. Patrick en Iersche legende.
Nadat de krijgslieden waren onthaald vraagt Patrick: “Was hij, Finn mac Cumhal, met wien ge waart, een goed heer?” Keelta prijst Finn’s edel karakter en beschrijft verder in bijzonderheden de heerlijkheden van zijn huishouding, waarop Patrick zegt:
“Ware het niet dat het vrome leven daaronder lijdt, dat het aanleiding geeft het gebed te verwaarloozen en gemeenschap met God te verzaken, wij zouden, al pratend met u, krijgsman, den tijd snel voelen voorbijgaan!”
Keelta doet een ander verhaal van de Fianna, en Patrick, nu geheel geboeid door den betooveraar, roept uit: “Geluk en zegen mogen met u zijn, Keelta! Dit is voor mij een verlichting van geest en gemoed. En doe ons nu een ander verhaal.”
Aldus besluit de inleiding van het “Gesprek.” Zooals doorgaans het geval is bij den aanhef van Iersche vertellingen, kon het moeilijk beter zijn aangelegd; de toets is zoo licht, en is zulk een gelukkige mengeling van pathos, poëzie en humor en er is zooveel waardigheid in het schetsen der voorgestelde menschelijke karakters. De rest van het stuk bestaat in het tentoonspreiden van een groote massa topographische en legendaire kennis door Keelta, gevolgd door het onveranderlijke: “Geluk en zegen mogen met u zijn!” van Patrick.
Zij gaan samen, de krijgsman en de heilige, als Patrick naar Tara reist, en telkens wanneer Patrick of een ander van het gezelschap een heuvel, of een sterkte, of een bron ziet, vraagt hij Keelta wat het is, en Keelta zegt dan den naam en vertelt een Fian-legende om die te verklaren, en aldus voert de geschiedenis door een massa legenden, tot dat men een troep uit Tara ontmoet, met den koning aan het hoofd, die nu de rol van vrager op zich neemt. Het “Gesprek”, zooals wij het nu voor ons hebben, breekt plotseling af, waar het verhaal hoe de Lia Fail uit Ierland werd gehaald, zal beginnen11. De beteekenis van het “Gesprek” ligt in de verhalen van Keelta en de gedichten in den loop er van ingevoegd. Er zijn ongeveer een honderdtal vertellingen, die handelen over strooptochten en veldslagen, minnarijen en festijnen van de Fians, maar het grootste aantal heeft betrekking op het verkeer tusschen het Toovervolk en de Fianna. Tusschen de Fianna en dat volk bestaan voortdurend betrekkingen zoowel van liefde als van oorlog. Sommige der verhalen zijn zeer uitgebreid en bewerkt in den verhevensten stijl, waartoe de schrijver in staat was. Een van de beste is dat van de toover-Brugh, of verblijf van Slievenamon, die Patrick en Keelta toevallig voorbijgaan, en waarvan Keelta de volgende geschiedenis vertelt.
De Brugh van Slievenamon.
Eens toen Finn en Keelta en vijf andere kampioenen van de Fianna te Torach, in het noorden, op de jacht waren, joegen zij een mooi ree op dat voor hen uit vluchtte en dat zij den ganschen dag achterna zetten, totdat zij tegen den avond den berg van Slievenamon bereikten, toen het ree plotseling onder de aarde scheen te verdwijnen. Zulk een jacht is, in de Ossian’sche literatuur, het gewone voorspel van een avontuur in het Tooverland. De nacht viel nu snel in met zwaren sneeuw en storm, en zoekend naar een schuilplaats, ontdekte de Fianna in het bosch een groote verlichte Brugh, of woon, waar zij toegang vroegen. Toen zij binnen kwamen bevonden zij zich in een ruime hal, sterk verlicht, met acht-en-twintig krijgslieden en evenveel schoone maagden met blonde haren: een dezer was gezeten op een zetel van kristal en deed op een harp prachtige muziek hooren. Nadat de Fian-krijgers waren onthaald op de heerlijkste spijzen en dranken, wordt hun verteld dat hun gastheeren zijn Donn, zoon van Midir den Trotsche, en zijn broeder, en dat zij oorlog voeren met de rest van het Danaansche volk en driemaal jaarlijks slag daarmee te leveren hebben op de vlakte voor de Brugh. In den beginne had elk van de acht-en-twintig duizend krijgers onder zich. Nu zijn allen verslagen op de aanwezigen na, en de overlevenden hebben een van hun maagden uitgezonden in de gedaante van een ree, om de Fianna naar hun paleis te lokken en hulp te krijgen in den slag die morgen moet worden geleverd. Feitelijk heeft men hier een variant op het welbekende thema van de bevrijding van het Tooverland. Finn en zijn metgezellen zijn altijd bereid tot een gevecht en er volgt een wanhopige slag die van den avond tot den morgen duurt, want het Tooverheir valt ’s nachts aan. De aanvallers worden teruggeslagen, en verliezen meer dan duizend van hun mannen; maar Oscar, Dermot en mac Luga worden zwaar gewond. Zij worden door tooverkruiden genezen en er volgen meer gevechten en avonturen, totdat, een jaar later, Finn den vijand dwingt vrede te sluiten en gijzelaars te geven wanneer de Fianna naar de aarde terugkeert en zich bij hun makkers voegt. Nauwelijks heeft Keelta zijn verhaal geëindigd, staande op dezelfde plaats waar zij het Tooverpaleis hadden gevonden in den stormnacht, of men ziet een jong krijgsman naderen. Hij wordt aldus beschreven: “Een hemd van vorstelijk satijn omsloot zijn huid; daarover een tuniek van dezelfde stof en een scharlaken mantel met franje, door een gouden speld op zijn borst bevestigd; in zijn hand een zwaard met goud gevest en een gouden helm op zijn hoofd.” Zeer kenmerkend voor deze literatuur is behagen in kleur en stoffelijke praal. Deze schitterende persoonlijkheid blijkt te zijn Donn mac Midir, een van de achtentwintig die Finn had geholpen, en hij komt voor zichzelf en zijn volk hulde brengen aan St. Patrick, die voor den nacht zijn gastvrijheid aanvaardt; want in het “Gesprek” zijn de betrekkingen tusschen de Kerk en de Tooverwereld zeer hartelijk.
“Zij joegen hem naar het strand”
De drie jonge krijgers.
Nergens in de Keltische literatuur komt het behagen in wonderen en mysterie zoo merkwaardig tot uiting als in het “Gesprek”. De schrijver van dit stuk was een meester in de kunst om, als het ware, de stevige omlijsting der dingen doorzichtig te maken en laat ons er door heen schijnsels van een andere wereld zien, met de onze samenhangend en toch op zich zelf staande, met andere wetten en kenmerkende eigenschappen. Welke die wetten waren komt men nooit te weten. De Kelt maakte, althans in Ierland, geen systeem van het onbekende, maar liet het voor een oogenblik door het ondoorzichtige van onze aarde heen schijnen en het schijnsel dan verdwijnen voordat we begrepen wat wij hadden gezien. Daar is bijv. dit incident in Keelta’s beschrijving van de Fianna. Drie jonge krijgers komen bij Finn dienst nemen, vergezeld van een reusachtigen hond. Zij treffen een overeenkomst met hem, zeggend welke diensten zij kunnen bewijzen en welke belooning zij verwachten en stellen als voorwaarde dat zij afgezonderd van de rest van het heir zullen kampeeren en dat wanneer het nacht is geen man bij hen zal komen en hen zien zal.
Finn vraagt de reden van dit verbod en die is: van de drie krijgers moet er elken nacht een sterven en de beide anderen moeten hem bewaken; daarom wilden zij niet gestoord worden. Een verklaring hiervan wordt niet gegeven; de schrijver laat ons onder den indruk van het mysterie.
De schoone reuzin.
Daar is, om een ander voorbeeld te kiezen: het verhaal van de schoone reuzin. Op zekeren dag toen Finn en zijn krijgslieden aan het middagmaal van de jacht uitrustten, zagen zij een reusachtige gedaante naderen. Het bleek te zijn een jonge reuzenmaagd, die zeide te heeten Vivionn (Bebhionn), dochter van Treon, uit het Land der Maagden. De gouden ringen aan haar vingeren waren zoo dik als het juk van een os en zij was verblindend schoon. Toen zij haar vergulden, met juweelen bezetten helm afzette stroomde haar mooi, golvend gouden haar in zeven maal twintig krullen uit elkaar en Finn riep: “Groote Goden, die wij aanbidden, Cormac en Ethné en de vrouwen van de Fianna zouden het een geweldig wonder achten Vivionn, de bloeiende dochter van Treon, te zien.” De maagd verhaalde dat zij tegen haar zin was verloofd met een minnaar, Aeda geheeten, de zoon van een naburigen koning; dat zij van een visscher, die door den storm naar haar kust was gedreven, had vernomen van Finn’s macht en edelen aard, en nu was gekomen om zijn bescherming in te roepen. Terwijl zij sprak merkte de Fianna opeens, dat een tweede reusachtige gedaante nabij was. Het was een jonge man met fijne trekken en boven beschrijving schoon, die een rood schild en een geweldige speer droeg. Zonder iets te zeggen naderde hij en voordat de verbaasde Fianna hem kon toespreken dreef hij zijn speer door het lijf der maagd en ging verder. Woedend over deze schending van zijn bescherming, riep Finn zijn hoofden op om den moordenaar te achtervolgen en te dooden. Keelta en anderen zetten hem achterna naar het zeestrand en volgden hem in de branding, maar hij schreed voort in de zee en een groote galei kwam hem tegemoet en voerde hem weg naar onbekende streken. Ontmoedigd bij Finn terugkomend, vonden zij de maagd stervend. Zij verdeelde haar goud en juweelen onder hen en de Fianna begroef haar onder een grooten heuvel, en richtte een steenen pilaar op haar graf op met haar naam in Ogham schrift, op de plaats sedert dier, geheten de Hoogte van de Doode Vrouw.
“De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters”
In dit verhaal vindt men naast het geheimzinnige element, dat der schoonheid. Deze vereeniging komt vaak voor in dit tijdperk der Keltische literatuur; en hieraan is het misschien te danken dat, hoewel deze verhalen van nergens schijnen te komen en nergens heen te leiden, maar zich bewegen in een droomwereld waar geen jacht is of hij schijnt te eindigen in het Tooverland en geen gevecht dat eenig verband houdt met aardsche nooden of doeleinden, waar al wat wezenlijk is geneigd is zich op te lossen in een tooverlicht en van gedaante verandert als een ochtendnevel, zij toch in het geheugen blijven hangen, met die steeds werkende bekoring die ze gedurende vele eeuwen in leven heeft gehouden aan den haard van den Galischen boer.
St. Patrick, Oisīn en Keelta.
Alvorens van het “Gesprek” af te stappen moet een ander belangrijk punt worden vermeld in verband er mee. Voor het gewone publiek zijn vermoedelijk de meest bekende dingen in Ossian’sche literatuur—ik heb hiermede natuurlijk op het oog de echte Keltische poëzie onder dien naam, niet den pseudo-Ossian van Macpherson—die dialogen waarin de heidensche en de christelijke idealen tegenover elkander worden gesteld, vaak in een geest van luimige overdrijving, of van satire. De vroegste van die stukken worden gevonden in het manuscript geheeten “Het boek van den Deken van Lismore”, waarin James Macgregor, Deken van Lismore in Argyllshire, eenigen tijd vóór het jaar 1518, neerschreef al wat hij zich kon herinneren of op het spoor komen van traditioneele Galische poëzie in zijn tijd. Het valt op te merken dat tot op die periode en, trouwens, lang daarna Schotsen en IerschKeltisch eén taal en een literatuur vormden, waarvan de groote geschreven monumenten in Ierland waren, al behoorden zij evenzeer aan den Kelt van de Hooglanden, en de twee takken van het Keltisch hadden een volstrekt gemeenschappelijken voorraad van dichterlijke overlevering. Deze Oisīn-en-Patrick dialogen worden in grooten getale gevonden zoowel in Ierland als in de Hooglanden, hoewel, zooals ik zeide, “Het boek van den Deken van Lismore” het eerste thans bestaande geschrift is, waarin ze zijn opgeteekend. Welk verband bestaat er dan tusschen deze dialogen en de Keelta-en-Patrick dialogen waarmede wij kennis maken in het “Gesprek.” De vragen welke inderdaad het oudst waren, waar zij respectievelijk ontstonden en welke strooming van gedachte of gevoel elk vertegenwoordigde, vormen een letterkundig probleem van het grootste gewicht, zooals Alfred Nutt heeft aangetoond; en een dat geen criticus tot hiertoe heeft getracht op te lossen, of zelfs—tenzij heel kort geleden—aan de orde te stellen. Want hoewel deze beide pogingen om, in fantastischen en artistieken vorm, de voeling tusschen heidendom en Christendom voor te stellen bijna identisch zijn in bewerking en omlijsting, behalve dat de eene in verzen is, de ander in proza, verschillen zij toch sterk in hun opvatting.
In de Oisīn-dialogen12 is veel ruwe scherts en onrijpe theologie, meer overeenkomstig die van een Engelsch mysteriespel dan eenig mij bekend Keltisch geschrift. St. Patrick is, zooals Nutt opmerkt, in deze balladen “een knorrige en domme dweper die het vervelend eentonig steeds heeft over de verdoemenis van Finn en zijn makkers; een hardvochtig meester voor den armen ouden blinden reus dien hij voedsel misgunt en tegen wien hij minne streken uithaalt om hem door angst tot het Christendom te drijven”. Nu bevat het “Gesprek” hiervan niets. Keelta wordt Christen met heel zijn hart en volkomen overgave en aan de vrienden en metgezellen van zijn jeugd wordt verlossing niet ontzegd. Zelfs verzekert Patrick Keelta van de verlossing van verscheidene hunner, o.a. van Finn zelf. Een van het Danaansche volk, die bard is geweest bij de Fianna, bracht Patrick in verrukking met zijn zangen. Brogan, de schrijver dien St. Patrick gebruikt om de Fian-legenden op te teekenen zegt: “Indien er muziek is in den hemel, waarom zou ze niet op aarde zijn? Daarom is het ook niet goed de zangen van de minstreels te weren”. Patrick antwoordde: “Zoo iets zeg ik dan ook niet” en inderdaad den minstreel wordt de hemel beloofd voor zijn kunst.
Aldus zijn de aangename verhoudingen die in het “Gesprek” overheerschend zijn, tusschen de vertegenwoordigers der twee tijdperken. Keelta vertegenwoordigt al wat hoffelijk, waardig, edelmoedig en dapper is in het heidendom, en Patrick al wat liefderijk en beminnelijk is in het Christendom; en in plaats dat de twee tijdperken in heftig antagonisme tegenover elkander staan en door een niet te overbruggen kloof zijn gescheiden, blijken al de schoonste trekken in elk met elkander overeen te stemmen en elkander aan te vullen.
Verhalen van Dermot.
Een aantal eigenaardige legenden hebben tot middelpunt Dermot O’ Dyna, die vermeld is als een van Finn mac Cumhal’s bekendste volgelingen. Hij zou kunnen worden beschreven als een soort Galische Adonis, een type van schoonheid en aantrekkelijkheid, de held van tallooze liefde-verhalen; en, evenals Adonis, werd zijn dood veroorzaakt door een wild zwijn.
De ever van Ben Bulben.
De ever was geen gewoon beest. Ziehier de geschiedenis van zijn afkomst: Donn, de vader van Dermot, gaf het kind aan Angus Ōg om het groot te brengen in zijn paleis aan de Boyne. Zijn moeder, die Donn ontrouw was, baarde een ander kind, waarvan Roc, de opzichter van Angus, de vader was. Eens, toen het kind van den opzichter tusschen de knieën van Donn liep om aan sommige honden te ontkomen die op den vloer van de hal vochten drukte Donn het zoo tusschen zijn knieën dat het onmiddellijk werd gedood en hij wierp toen het lijkje den honden toe. Toen de opzichter zijn kind dood vond en (met behulp van Finn) de oorzaak ontdekte, haalde hij de staf van een Druïde en sloeg er het lijk mee, waarop, in plaats van het doode kind, een groot wild zwijn verrees, zonder ooren of staart; en hij sprak tot het beest: “Ik draag u op Dermot O’ Dyna den dood te brengen”; en het beest holde de hal uit en zwierf rond in de bosschen van Ben Bulben in het graafschap Sligo tot de tijd kwam dat zijn bestemming zou worden vervuld.
Maar Dermot groeide op tot een prachtigen jongeling, onvermoeid op de jacht, onversaagd in den oorlog, geliefd door al zijn makkers van de Fianna, waarbij hij zich voegde zoodra hij daartoe den leeftijd had.
Hoe Dermot de liefde-vlek kreeg.
Hij heette Dermot van de Liefde-Vlek en een eigenaardige en mooie volksmythe door dr. Douglas Hyde13 opgeteekend vertelt hoe hij aan die benaming kwam. Op zekeren dag was hij met drie makkers, Goll, Conan, en Oscar, op de jacht, en laat in den avond zochten zij een rustplaats. Zij vonden weldra een hut, waarin zich bevonden een oude man, een jong meisje, een hamel en een kat. Hier vroegen zij gastvrijheid en deze werd hun geschonken. Maar, zooals gewoonlijk in deze mythen, het was een huis van mysterie.
Toen zij gingen zitten om te eten, stond de hamel op en klom op tafel. Een na den ander van de Fianna trachtte hem er af te gooien, maar het dier schudde hen van zich af op den vloer. Goli slaagde er ten slotte in het van de tafel te smijten maar ook hem was het eindelijk de baas en het kreeg hen allen onder zijn voeten. Toen gelastte de oude man de kat den hamel weg te brengen en vast te binden en zij deed dat zonder moeite. De vier kampioenen wilden, diep beschaamd, de hut dadelijk verlaten; maar de oude man maakte hun duidelijk dat hun goede naam niet had geleden—de hamel waarmede zij hadden gevochten, was de Wereld, en de kat was de macht die de wereld zelf zou vernielen, namelijk de Dood.
Toen het nacht was begaven de vier helden zich ter ruste in een groote kamer en het jonge meisje kwam in dezelfde kamer slapen; en het heet dat haar schoonheid de muren van de kamer bestraalde als een kaars. Een na den ander van de Fianna ging naar haar bed, maar zij weerde allen af. “Ik behoorde u eenmaal toe”, zeide zij tot elk, “en zal dat nimmer weer doen”. Dermot kwam het laatst. “O, Dermot”, zeide zij, “ook u gaf ik mij eenmaal, en ik kan dat nooit weer doen, want ik ben Jeugd; maar kom hier en ik zal u zoo teekenen, dat geen vrouw u ooit kan zien zonder u te beminnen”. Toen raakte zij zijn voorhoofd aan en liet de Liefde-Vlek daar; en dat wekte de liefde der vrouwen voor hem zoolang hij leefde.
De vervolging van den harden knecht.
De vervolging van den Gilla Dacar is een ander Fian-verhaal waarin Dermot een hoofdrol speelt. De Fianna, zoo luidt de geschiedenis, was op zekeren dag op de jacht op de heuvels en door de bosschen van Munster en terwijl Finn en zijn kapiteins op een heuvelrug stonden te luisteren naar het blaffen der honden en de tonen van den jachthoorn uit het donkere bosch onder hen, zagen zij een kolossalen, leelijken, wanstaltigen boer naderen, die een groote grof gebouwde merrie bij den halster voort trok. Hij gaf te kennen dat hij bij Finn in dienst wenschte te treden. Men noemde hem, zoo zeide hij, Gilla Dacar (de harde Gilly) omdat hij de stugste knecht was van wien ooit een heer diensten en gehoorzaamheid kreeg. Ondanks dat weinig belovend begin, nam Finn, wiens beginsel was nooit eenig verzoeker af te wijzen, hem in zijn dienst; en de Fianna begon nu hun ruwen makker tot mikpunt van allerlei grove grappen te maken, die daarmee eindigden dat dertien hunner, o.a. Conan de Kale, allen het paard van den Gilla Dacar bestegen. De nieuweling klaagde hierop dat men hem voor den gek hield en hij schuifelde in groot misnoegen weg totdat hij over den heuvelrug was, toen stroopte hij zijn kleeren op en liep in westelijke richting, sneller dan de wind in Maart, naar het zeestrand in het graafschap Kerry. Het paard, dat tot dusverre met hangende ooren had stil gestaan terwijl de dertien berijders het te vergeefs afrosten om het aan het loopen te brengen, wierp nu opeens den kop omhoog en rende in een woest galop zijn meester achterna. De Fianna liep mee, zoo goed als het ging onder het lachen, terwijl Conan, verschrikt en woedend, hen uitschold, omdat zij hem en zijn makkers niet ter hulp kwamen. Ten slotte werd de zaak ernstig. De Gilla Dacar sprong in zee en de merrie volgde hem met haar dertien berijders en nog een die er in geslaagd was haar bij den staart vast te houden juist toen zij het strand verliet; en allen verdwenen weldra in het fabelland van het Westen.
Dermot nam den Horen en vulde dien
Dermot bij de bron.
Finn en de rest der Fianna berieden nu met elkander wat zij zouden doen, en zij kwamen ten slotte overeen een schip uit te rusten en hun makkers te gaan zoeken. Na vele dagen reizens bereikten zij een eiland door steile rotsen beveiligd. Als de vlugste van den troep, werd Dermot O’Dyna gezonden om ze te beklimmen en, zoo hij kon, een middel te vinden om de rest van den troep naar boven te helpen. Toen hij op den top kwam bevond hij zich in een heerlijk land vol vogelgezang en bijengegons en beekjesgemurmel, maar zonder teeken van te zijn bewoond. Een donker bosch ingaand, kwam hij spoedig aan een bron, waarbij een vreemd bewerkte drinkhoorn hing. Toen hij dien vulde om er uit te drinken kwam er uit de bron een dof, dreigend gemompel, maar hij had te veel dorst, om zich daaraan te storen, en hij dronk volop. Kort daarop kwam een gewapend krijgsman door het bosch, die hem heftige verwijten deed, omdat hij uit zijn bron had gedronken. Toen vochten de Ridder van de Bron en Dermot den geheelen namiddag met elkander, zonder dat de een den ander de baas kon worden; toen het avond werd sprong de ridder eensklaps in de bron en verdween. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde; op den derden dag echter, sloeg Dermot, toen de ridder den sprong wilde doen, de armen om hem heen, en beiden gingen samen in de diepte.
De verlossing uit het Tooverland.
Dermot bevond zich nu, na een oogenblik van duisternis en bewusteloosheid, in het Tooverland. Een man met een waardig uiterlijk deed hem bijkomen en bracht hem naar het kasteel van een machtig koning, waar hij gastvrij werd onthaald. Men beduidde hem dat de diensten van een kampioen als hij noodig waren om strijd te voeren tegen een mededingend monarch. Het is hetzelfde motief dat men vindt in de avonturen van Cuchulain met Fand en dat zoo dikwijls in Keltische tooververhalen opduikt. Finn en zijn makkers, ziende dat Dermot niet tot hen terugkeerde, bereikten den top der klippen en na door het bosch te zijn getrokken, kwamen zij aan een groot hol, dat hen ten slotte voerde naar hetzelfde land waar Dermot was aangekomen. Ook vernamen zij dat daar waren de veertien mannen der Fianna, die met de merrie van den Harden Gilly waren meegevoerd. Hij was natuurlijk de koning die hun diensten noodig had en die dit middel had bedacht om een dertigtal van den bloem der Iersche krijgslieden tot zich te lokken. Finn en zijn mannen gaan met de grootste opgewektheid ten strijde en vernietigen den vijand als kaf; Oscar doodt den zoon van den mededingenden monarch (die de Koning van “Griekenland” is geheeten). Finn verwerft de liefde van zijn dochter, Tasha met de Blanke Armen, en het verhaal besluit met een aardige mengeling van vroolijkheid en mysterie. “Welke belooning verlangt ge voor uw goede diensten?” vraagt de Tooverkoning aan Finn. “Gij waart vroeger in mijn dienst,” antwoordt Finn, “en ik herinner me niet u eenige belooning te hebben gegeven. Laat de eene dienst tegenover de andere staan.” “Daar zal ik nooit in toestemmen,” roept Conan de Kale. “Zal ik geen vergoeding krijgen voor het wegvoeren op uw wilde merrie en over de zee?” “Wat verlangt ge?” vraagt de Tooverkoning. “Geen goud of bezittingen,” antwoordt Conan, “maar mijn eer heeft geleden en laat deze voldoening krijgen. Zet tien van uw mooiste vrouwen op de wilde merrie, o koning, en laat uw eigen vrouw haar bij den staart vasthouden, en laat hen naar Eria worden overgebracht, op dezelfde wijze als wij hierheen werden gesleept, en ik zal den smaad, dien wij ondergingen, voldoende geboet achten.” Daarop glimlachte de koning, en zich tot Finn wendend zeide hij: “O Finn, aanschouw uw mannen.” Finn keerde zich om, om naar hen te kijken, maar toen hij weer omkeek was het tooneel veranderd—de Tooverkoning en zijn heir en de geheele Tooverwereld waren verdwenen en hij bevond zich met zijn metgezellen en de schoonarmige Tasha, staande op den oever van de kleine baai in Kerry, van waaruit de Harde Gilly en de merrie in zee waren gegaan en zijn mannen hadden weggevoerd. En toen maakten allen zich blijde op naar het groote vaste kamp der Fianna op den Heuvel van Allen, om het bruilofsfeest van Finn en Tasha te vieren.
De invloed van het Christendom op de ontwikkeling der Iersche literatuur.
Dit verhaal met zijn boeiende mengeling van humor, fantasie, tooverij en wilde liefde, kan worden beschouwd als een typisch staal van de Fian-legenden op hun best. Vergeleken met de Conoriaansche legenden wijzen zij, zooals ik heb aangeduid, op een eigenaardig gebrek aan eenig heroïsch of ernstig element. Deze edeler stemming stierf uit, naarmate het Christendom meer veld won, dat zich voor bepaalde godsdienstige doeleinden meester maakte van den ernstiger verhevener kant van den Keltischen geest, aan de wereldsche literatuur alleen de elementen van het wonderbaarlijke en romantische overlatend. Zoo volkomen geschiedde dit, dat terwijl de Finn-legenden tot op heden zijn blijven leven onder de Galisch sprekende bevolking en een onderwerp van letterkundige behandeling waren zoolang het Galisch nog werd geschreven, de vroegere cyclus bijna geheel uit de volksherinnering verloren ging, of alleen gebrekkig bleef leven; en zonder de eerste handschriften, waarin de verhalen gelukkig zijn bewaard gebleven, zou zulk een werk als de “Tain Bo Cuailgné”—ongetwijfeld het grootste dat de Keltische geest ooit in de literatuur voortbracht—thans onherroepelijk verloren zijn.
De verhalen van Deirdre en Grania.
Niets kan het onderscheid tusschen de beide cyclen beter toelichten dan een vergelijking van het Deirdre-verhaal met dat hetwelk wij nu moeten behandelen—het verhaal van Dermot en Grania. Dit laatste klinkt van een zeker standpunt beschouwd als een echo van het eerste, zoo groot is de overeenkomst tusschen beiden in de intrige. Daar hebt ge de volgende geschiedenis in geraamte: “Een schoone maagd is verloofd met een befaamd en machtig minnaar, veel ouder dan zij zelf. Zij wendt zich van hem af om een jonger minnaar te zoeken en vestigt haar keus op een van zijn volgelingen, een dappere en schoone jongeling, dien zij, hoewel tegen zijn zin, overreedt met haar te vluchten. Na aan de vervolging te zijn ontkomen, vestigen zij zich voor een poos op een afstand van den bedrogen minnaar, die zijn tijd afwacht, totdat hij ten slotte onder den schijn eener verraderlijke verzoening, den dood van zijn jongeren medeminnaar weet te bewerken en hij de vrouw weer in zijn macht krijgt”. Vroeg men een beoefenaar van Keltische legenden naar bovenstaand overzicht te luisteren en te zeggen op welk verhaal het sloeg, hij zou zeker antwoorden dat het moet zijn of het verhaal van de Vervolging van Dermot en Grania, of dat van het Lot der Zonen van Usna; maar welk van de beide zou hij bepaald onmogelijk kunnen zeggen. Toch zijn de beide verhalen in toon en karakter hemelsbreed verschillend.
Grania en Dermot.
In het Fian-verhaal is Grania de dochter van Cormac mac Art, Opperkoning van Ierland. Zij is verloofd met Finn mac Cumhal, dien we in dezen tijd hebben te beschouwen als een oud en in den oorlog vergrijsd, maar nog machtig krijgsman. De beroemde hoofdlieden der Fianna komen allen te Tara bijeen voor het bruiloftsfeest, en als zij aan het maal zijn gezeten, laat Grania haar blikken over hen gaan en vraagt hun namen aan haar vader’s Druïde, Dara. “Het is vreemd” zegt zij, “dat Finn mij niet voor Oisīn vroeg, in plaats van voor zich zelf. “Oisīn zou u niet durven nemen,” zegt Dara. Na de ronde te hebben gedaan door het gezelschap, vraagt Grania: “Wie is die man met de vlek op zijn voorhoofd, met de lieflijke stem, krullend donker haar en blozende wangen?” “Dat is Dermot O’Dyna,” antwoordt de Druïde, “met de witte tanden, helder gelaat, de beste minnaar van vrouwen en maagden in de geheele wereld.” Nu bereidt Grania een slaapdrank, dien zij door haar vrouwelijke bediende in een beker laat rondgaan bij den koning, bij Finn en het geheele gezelschap, met uitzondering van de hoofden der Fianna. Als de drank zijn werking heeft verricht, gaat zij tot Oisīn. “Wilt ge dat ik u minne, Oisīn?” vraagt zij. “Dat wil ik niet,” zegt Oisīn, “en ook geen andere vrouw die met Finn verloofd is.” Grania, die heel goed wist wat Oisīn’s antwoord zou zijn, wendt zich nu tot Dermot, op wien zij het in werkelijkheid begrepen had. Eerst weigert hij iets met haar te maken te hebben. “Ik leg u de verplichting (geise) op, o Dermot, mij hedenavond uit Tara te voeren.” “Dat is een slechte verplichting,” zegt Dermot, “en waarom legt ge mij die op en niet aan de koningszonen die aan deze tafel zijn gezeten?” Grania verklaart dan dat zij Dermot altijd heeft lief gehad sedert zij hem, jaren tevoren van uit haar zonnig prieel, zag deelnemen aan een grooten werpwedstrijd, op de weide te Tara, en dien winnen. Dermot, nog altijd zeer onwillig, bepleit Finn’s verdiensten en voert bovendien aan dat Finn de sleutels der koninklijke vesting heeft, zoodat zij die ’s nachts niet kunnen verlaten. “In mijn priëel is een geheime poort,” zegt Grania. “Ik ben onder geise niet door een poort te gaan,” antwoordt Dermot, nog worstelend tegen zijn noodlot. Grania wil niets van deze uitvluchten weten—men heeft haar gezegd dat elke Fian-krijgsman over een palissade kan springen met behulp van zijn speer als polsstok; en zij gaat alles in gereedheid brengen voor haar schaking. In groote verlegenheid wendt Dermot zich tot Oisīn, Keelta, Oscar en de anderen, om te weten wat hij moet doen. Allen heeten hem zijn geise na te komen—de verplichting die Grania hem had opgelegd om haar te helpen—en met tranen neemt hij afscheid van hen.
Dermot en Grania
Buiten het prieel gekomen smeekte hij Grania andermaal terug te keeren. “Ik zal zeker niet terug gaan,” zegt Grania, “of van u scheiden voordat de dood ons scheidt.” “Dan, vooruit, o Grania”, zegt Dermot. Na een mijl te hebben afgelegd zegt Grania: “Ik ben heusch moede, o kleinzoon van Dyna.” “Het is het geschikte oogenblik om moede te zijn”, zegt Dermot, die een laatste poging doet om uit de klem te raken, “en nu weer naar uw huishouding terug te gaan, want ik verklaar als echt krijgsman dat ik in der eeuwigheid niet u of een andere vrouw zal dragen.” “Dat is niet noodig,” zegt Grania en zij wijst hem aan waar hij paarden en een wagen vinden kan, en Dermot, zich ten slotte in het onvermijdelijke schikkend, spant de paarden in en zij slaan den weg in naar de wadde van Luan aan de Shannon.14
De vervolging.
Den volgenden dag begeeft Finn, ziedend van woede, zich met zijn krijgers op weg en volgt hun spoor. Hij spoort elke stopplaats op, en vindt de steenen hut die Dermot voor hen maakte als schuilplaats, en het bed van biezen, en de overblijfselen van het maal dat zij hadden gegeten. En telkens vindt hij een stuk brood, of rauwe zalm—waardoor Dermot Finn op een fijne manier doet weten dat hij de rechten van zijn heer heeft geëerbiedigd en Grania als een zuster heeft behandeld. Maar deze kieschheid van Dermot is heelemaal niet naar den zin van Grania, en zij geeft hem haar wenschen te kennen op een wijze die merkwaardig overeenkomt met een episode in het verhaal van Tristan en Isolde van Bretagne, zooals dat door Heinrich von Freiberg wordt gedaan. Zij gaan door een natte plek en Grania wordt met water bespat. Zij wendt zich tot haar metgezel: “Gij zijt een geweldig krijgsman, o Dermot, in den slag, bij belegeringen en rooftochten, toch komt het mij voor dat deze waterdroppel meer durf heeft dan gij.” Deze wenk dat hij zich op een te eerbiedigen afstand hield, werd door Dermot begrepen. De teerling is nu geworpen en voortaan zal hij Finn en zijn vroegere makkers nooit meer ontmoeten dan met gevelde speer.
Het verhaal verliest nu veel van de oorspronkelijkheid en bekoring van het begin en somt een beetje droog een aantal episoden op, waarin Dermot door de Fianna wordt aangevallen of belegerd, en zich en zijn gezellen redt door wonderen van stoutheid of handigheid, of door middel van de tooverkunsten van zijn pleegvader, Angus Ōg. Zij worden over geheel Ierland achterna gezet en de dolmens in dat land worden door het volk met hen in verband gebracht, daar zij in de overleveringen van de boeren “Bedden van Dermot en Grania” worden genoemd.
Het karakter van Grania is steeds met groote consequentie geteekend. Zij is geen heldhaftige vrouw—zij heeft niet de eenvoudige, vurige aandriften en onwankelbare toewijding van een Deirdre. Deze laatste is veel primitiever. Grania is een merkwaardig modern en wat men noemen zou “hysterisch” type—eigenzinnig, ongedurig, hartstochtelijk, maar vol vrouwelijke bekoring.
Dermot en Finn sluiten vrede.
Na zestien jaar vogelvrij te zijn verklaard, wordt ten slotte voor Dermot vrede verkregen, door tusschenkomst van Angus, met Koning Cormac en met Finn. Dermot krijgt het hem toekomend vaderlijk erfdeel, de Cantred van Dyna, en andere landen in het verre Westen, en Cormac geeft Finn een andere zijner dochters. “Geruimen tijd bleven zij vreedzaam bij elkander, en men zeide dat geen man, toen levend, rijker was aan goud en zilver, kudden schapen en runderen dan Dermot O’Dyna, ook geen die meer buit maakte.”15 Grania baart Dermot vier zonen en een dochter.
Maar Grania is niet tevreden voordat “de twee eerste mannen in Erin, namelijk Cormac zoon van Art en Finn zoon van Cumhal” in haar huis zijn onthaald. “En wie weet,” voegt zij er bij, “of onze dochter dan niet een geschikten echtgenoot zou vinden?” Dermot geeft een beetje angstig toe; de Koning en Finn nemen de uitnoodiging aan en zij en hun gevolg worden een jaar lang in Rath Grania ontvangen.
Finn’s wraak.
Op zekeren nacht, tegen het eind van jaar, wordt Dermot uit zijn slaap gewekt door het blaffen van een hond. Hij schrikt op, “zoodat Grania hem vast hield en haar armen om hem heen sloeg en vroeg wat hij gezien had.” Het is het geluid van een hond”, zegt Dermot, “en het is vreemd dat ik dat in den nacht hoor.” “De Goden mogen u beschermen,” zegt Grania; “dat is het Danaanschvolk, dat u verontrust. Ga weer liggen.” Maar driemaal maakt het hondengeblaf hem wakker en ’s morgens trekt hij gewapend met zwaard en slinger op, gevolgd door zijn hond, om te zien wat er gaande is.
Op den berg van Ben Bulben in Sligo ontmoet hij Finn met een jachtgezelschap van de Fianna. Zij zijn nu evenwel niet op de jacht, maar worden opgejaagd; want zij hebben het betooverd wild zwijn zonder ooren of staart, het Everzwijn van Ben Bulben, doen ontwaken, dat dien morgen dertig hunner heeft gedood. “En gij, maak u uit de voeten,” zegt Finn, wel wetend dat Dermot nimmer voor een gevaar zal terugdeinzen; “want gij zijt onder geise geen zwijn te jagen.” “Hoe zoo?” zegt Dermot en Finn vertelt hem de onheilspellende geschiedenis van den dood van het opzichterskind en zijn herleving in de gedaante van dit zwijn en zijn opdracht van wraak. “Op mijn woord,” sprak Dermot, “het is om mij te dooden dat gij deze jacht zijt begonnen, o Finn; en indien het mijn lot is dat ik hier zal sterven, heb ik nu niet de macht het te ontgaan.”
Het beest verschijnt op den berg en Dermot laat den hond op hem los, maar de hond vlucht verschrikt. Dan slingert Dermot een steen, die het zwijn precies in het midden van zijn voorhoofd raakt, maar het den huid zelfs niet schramt. Het beest is nu vlak bij hem en Dermot slaat het met zijn zwaard, maar het wapen vliegt in twee stukken en niet éen borstel van het zwijn is afgesneden. Bij den aanval op het zwijn valt Dermot er over heen en wordt een eindje gedragen, zich aan den rug vasthoudend; ten slotte echter schudt het zwijn hem af op den grond en hem “heftig met buitengewone kracht bespringend,” rijt het Dermot’s ingewanden uit zijn lijf, terwijl Dermot, die het gevest van zijn zwaard nog in de hand heeft, het beest de hersens inslaat, zoodat het dood naast hem neer valt.