“De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart”
Dood van Dermot.
Dan komt de onverzoenlijke Finn nader en bukt zich over Dermot in zijn doodsstrijd. “Het behaagt mij wel u in dezen toestand te zien, o Dermot,” zegt hij, “en ik zou willen dat alle vrouwen in Ierland u nu zagen; want uw uitnemende schoonheid is in leelijkheid en uw prachtige gestalte in mismaaktheid verkeerd.” Dermot herinnert Finn er aan, hoe hij hem eens van een doodelijk gevaar redde toen hij in het huis van Derc tijdens een feest werd aangevallen, en smeekt dat hij hem zal genezen met een dronk waters uit zijn handen, want Finn heeft het tooververmogen een gewonde gezond te maken met een dronk bronwater in zijn beide handen opgehaald. “Hier is geen bron,” zegt Finn. “Dat is niet waar,” zegt Dermot, “want negen schreden van u af is de beste bron van zuiver water in de wereld.” Ten slotte gaat Finn, op verzoek van Oscar en de Fianna en na herinnering aan de vele daden in vroeger dagen door Dermot om zijnent wil gedaan, naar de bron, maar voordat hij het water bij Dermot brengt, laat hij het door zijn vingers vallen. Hij gaat nogeens en andermaal laat hij het water vallen, “al denkend over Grania”, en Dermot slaakt een zucht van angst als hij dat ziet. Oisīn verklaart dan dat als Finn het water niet aanstonds brengt, hij of Finn den berg niet levend zal verlaten en Finn gaat nog eens naar de bron, maar het is nu te laat; Dermot is dood voordat de genezende dronk zijn lippen kan bereiken. Dan neemt Finn Dermot’s hond, de hoofden der Fianna leggen hun mantels over den doode en zij keeren terug naar Rath Grania. Grania, den hond ziende die door Finn wordt geleid, begrijpt wat er gebeurd is en valt in zwijm op den wal van de Rath. Als zij tot bewustzijn is teruggekeerd geeft Oisīn haar de hond, tegen den zin van Finn, en de Fianna trekt af, haar met haar smart alleen latend. Als de menschen van Grania’s huishouding naar buiten gaan om het lijk van Dermot binnen te halen vinden zij daar Angus Ōg en zijn troep van het Volk van Dana, die, na drie vreeselijke, smartelijke kreten te hebben aangeheven, het lijk op een vergulde baar wegdragen en Angus verklaart, dat hoewel hij den doode niet weer levend kan maken, “ik zal een ziel in hem brengen, zoodat hij elken dag met mij kan spreken.”
Grania’s einde.
Bij een verhaal als dit behoort voor den modernen smaak een romantisch en sentimenteel besluit; en dat is dan ook daaraan gegeven toen dr. P. W. Joyce het over vertelde in zijn “Old Celtic Romances,” even als dat geschiedde met het verhaal van Deirdre, door bijna elk modern auteur, die het behandelde16. Maar de Celtische verteller voelde het anders. Het verhaal van Deirdre’s einde is vreeselijk wreed, dat van Grania cynisch en spottend; geen van beiden is ook maar in het minst sentimenteel. Grania is in den beginne woedend op Finn en zendt haar zonen buitenslands om wapenfeiten te leeren, zoodat zij zich op hem zouden kunnen wreken wanneer de tijd daar is. Maar Finn, geslepen en vooruitziende als hij in dit verhaal wordt voorgesteld, weet dit gevaar af te wenden. Als de tragedie op Ben Bulben in Grania’s wuft gemoed een beetje is begonnen te verflauwen, begeeft hij zich tot haar en hoewel aanvankelijk met verachting en verontwaardiging behandeld, vrijt hij naar haar zoo kiesch en met zooveel teederheid, dat hij haar ten slotte weet te overreden17 en hij voert haar als bruid terug naar den Heuvel van Allen. Als de Fianna het paar zoo teeder ziet naderen, barsten zij uit in gelach en spottende kreten, “zoodat Grania beschaamd het hoofd liet zinken.” “Wij vertrouwen, o Finn,” roept Oisīn, “dat gij voortaan Grania wel zult houden.” Aldus maakte Grania vrede tusschen Finn en haar zonen en zij bleef bij Finn als zijn vrouw tot op zijn dood.
Twee stroomingen van Fian-legenden.
Men zal opgemerkt hebben dat in deze legende Finn niet als een sympathieke figuur optreedt. Al onze belangstelling is voor Dermot. Van dit standpunt bezien is het verhaal typisch voor een zekere klasse van Fian-vertellingen. Zooals er twee mededingende stammen waren in de Fian-organisatie—de Clan Bascna en de Clan Morna—die soms om de oppermacht slaags raakten, zoo zijn er twee stroomingen van legenden, die respectievelijk uit de eene of de andere van die bronnen schijnen te komen; in een ervan wordt Finn verheerlijkt, terwijl hij in de andere wordt verkleind ten gunste van Goll mac Morna, of een anderen held met wien hij in botsing komt.
Einde van de Fianna.
De geschiedenis van het einde der Fianna wordt verteld in een aantal stukken, sommige in proza, andere in verzen, alle echter daarin overeenstemmend, dat zij deze gebeurtenis als een stuk zuivere geschiedenis weergeven, zonder iets van de bovennatuurlijke en mystieke atmosfeer, waarin bijna al de Fian-legenden zijn gedompeld.
Na den dood van Cormac mac Art werd zijn zoon Cairbry Opperkoning van Ierland. Hij had een schoone dochter genaamd Sgeimh Solais (Licht van Schoonheid) die ten huwelijk werd gevraagd door een zoon van den Koning der Decies. Tot het huwelijk werd besloten en de Fianna eischte een losgeld of schatting van twintig baren goud, wat hun, naar men zegt, in den regel bij zulke gelegenheden werd betaald. Naar het schijnt was de Fianna nu een bijzondere macht in den Staat geworden, en een drukkende macht, die zware schattingen en lastige privilegiën eischte van koningen en onderkoningen in geheel Ierland. Cairbry besloot haar er onder te krijgen en hij meende nu een goede gelegenheid daartoe te hebben. Hij weigerde daarom betaling van het losgeld en riep al de koningen der provincies op hem tegen de Fianna te helpen; de hoofdtroep daarvan kwam onmiddellijk in opstand voor hetgeen zij hun rechten achtten. Nu brak de oude veete tusschen Clan Bascna en Clan Morna opnieuw uit; laatstgenoemde koos de zijde van den Opperkoning, terwijl Clan Bascna, bijgestaan door den Koning van Munster en zijn troepen, die alleen hun zijde kozen, tegen Cairbry optrok.
De slag van Gowra.
Dat alles klinkt zeer zakelijk en waarschijnlijk, maar hoeveel werkelijkheid daarin steekt is zeer moeilijk te zeggen. De beslissende slag van den oorlog, die nu volgde, had plaats te Gowra (Gabhra), waarvan de naam is overgebleven is in Garristown, graafschap Dublin. Toen de tegenstanders in slagorde waren geschaard, knielden zij alvorens elkander aan te vallen en kusten zij Erin’s gewijden grond. Het verhaal van den slag in de lezingen en verzen, waarvan een is gedrukt in de Verhandelingen van het Ossian’sch Genootschap, en een tweede mooiere in Campbell’s “De Fians”18 wordt geacht door Oisīn te zijn gedaan aan St. Patrick. Hij legt groot gewicht op de heldendaden van zijn zoon Oscar:
“Mijn zoon spoedde zijn vaart
Door de strijdscharen van Tara
Als een havik schiet door een vogel-vlucht,
Of een rotsblok wentlend een bergrug af.”
De dood van Oscar.
Het was een strijd op leven en dood en de slachting was aan beide zijden geweldig. Alleen oude mannen en knapen, zegt men, bleven in Erin over na dat gevecht. De Fianna werd bijna geheel uitgeroeid en Oscar kwam om. Hij en de Koning van Ierland, Cairbry, vochten met elkander en de een doodde den ander. Terwijl Oscar nog adem haalt, al was er op zijn lijf geen hand breedte meer zonder een wond, vond zijn vader hem:
“Ik vond hem liggend, mijn eigen zoon,
Op zijn linker elboog, het schild aan de zij;
Zijn rechter hand omknelde het zwaard,
Door zijn kolder vloeide het bloed.
“Oscar blikte naar mij op—
Wee was mij dat gezicht!
Hij strekte beide’ armen naar mij uit,
Trachtend op te rijzen en mij te gemoeten.
“Ik greep de hand van mijn zoon
En zette mij aan zijn linker zij;
En sinds ik daar zat bij hem,
Kon niets op aarde meer mij deren.”
Wanneer Finn (in de Schotsche lezing) om zijn kleinzoon komt treuren, roept hij uit:
“Wee, dat niet ik het was die viel
In den slag van het kaal zonnig Gavra.
En dat gij schreedt rechts en links
Voor de Fians uit, Oscar.
Maar Oscar antwoordt:
“Waart gij de gevallene
In den slag van het kaal zonnig Gavra.
Niet één zucht, rechts noch links,
Zou om u gehoord zijn van Oscar.
“Niemand wist ooit
Sloeg in mijn borst een hart van vleesch,
Dan wel een van kronkelend hoorn
En daar over een schede van staal.
“Maar het huilen der doggen naast mij,
En de weeklacht der oude helden,
En het beurlings weenen der vrouwen,
Dat kwelt mij het hart.”
Oscar sterft na de goden te hebben gedankt voor zijn vader’s redding, Oisīn en Keelta lichten hem op een baar van speren en dragen hem weg onder zijn banier “De Vreeselijke Schoof”, om te worden begraven op het veld waarop hij stierf en waar een groote groene grafheuvel nog zijn naam draagt. Finn neemt geen deel aan den slag. Men zegt dat hij later “met een schip” kwam om het slagveld te overzien en dat hij schreide om Oscar, iets dat hij nog slechts eenmaal te voren had gedaan, om zijn hond Bran, dien hij zelf bij ongeluk doodde. Misschien is de vermelding van het schip een aanwijzing, dat hij toen niet meer tot de levenden behoorde en de aarde weer kwam bezoeken van uit het overzeesche rijk des Doods.
Er is in dit verhaal van den slag van Gowra een melancholieke grootschheid, die daaraan een bijzondere plaats geeft in de Ossian’sche literatuur. Het is een passende lijkzang voor een legendair tijdvak. Campbell vertelt ons dat de Schotsche boertjes en schaapherders gewoon waren hun mutsen af te zetten als zij het opzegden. Hij voegt er een zonderling en roerend brok modern folklore bij, dat daarmee in verband staat. Twee mannen, zoo heet het, waren ’s nachts uit, waarschijnlijk om schapen te stelen, of voor een andere roofexpeditie, en onder het gaan vertelden zij Fian-verhalen, toen zij twee reusachtige schimachtige gedaanten zagen die met elkander spraken over het dal heen. Een van de verschijningen zeide tot de andere: “Ziet ge dien man daar beneden? Ik was bij de tweede gevechtslijn op den dag van Gowra en deze man daar weet alles daarvan beter dan ik zelf”.
Het einde van Finn.
Wat Finn zelf aangaat, het is zonderling dat in al wat er bestaat van de Ossian’sche literatuur geen volledig verhaal van zijn dood voorkomt. In de dichterlijke legenden wordt er van gewaagd en schrijvers van annalen bepalen zelfs den datum er van, maar de berichten komen niet overeen en dat geldt ook van de data. Noch van de schrijvers van annalen, noch van de dichters kan over het onderwerp helder licht worden verkregen. Finn schijnt te zijn opgelost in den toovernevel, die zoovele van zijn daden bij zijn leven omgeeft. Maar volgens een volkoverlevering stierven hij en zijn groote metgezellen Oscar en Keelta en Oisīn en de rest nooit, maar worden zij, evenals Keizer Barbarossa, vastgehouden in een betooverd hol, waar zij den bepaalden tijd afwachten om roemrijk weer te verschijnen en hun land te verlossen van tirannie en onrecht.
1 In het Engelsch uitgesproken als “mac Cool”.
2 In het Engelsch uitgesproken als “Usheen”.
3 Het is natuurlijk niet onmogelijk, dat de tegenwoordige herleving van het Galisch als een gesproken taal, tot het begin van een nieuw hoofdstuk in die geschiedenis zal leiden.
4 Nu Castleknock, bij Dublin.
5 In de Graafschap van den koning.
6 De heuvel draagt nog den naam, Knockanar.
7 Glanismole, bij Dublin.
8 Talkenn, of Houweel-hoofd, was een naam dien de Ieren aan St. Patrick gaven. Vermoedelijk sloeg dat op den vorm van zijn tonsuur.
9 Uit te spreken als “Sleeve-na-món”, klemtoon op de laatste lettergreep. Het beteekent de Berg van de (Toover) Vrouwen.
10 Naar de (Engelsche) vertaling van S. H. O’Grady.
12 Voorbeelden hiervan zijn met vertalingen opgenomen in de “Handelingen van het Ossian’sch Genootschap.”
13 Ontleend aan het verhaal van een boer in het graafschap Galway en te Rennes uitgegeven in Dr. Hyde’s “An Sgeuluidhe Goadhalach”, vol. ii (geen vertaling).
14 Thans Athlone (Atha Luain).
15 Hoe kenmerkend is deze naïeve aanwijzing dat het houden van strooptochten bij zijn buren in Keltisch Ierland werd beschouwd als de natuurlijke en loffelijke bezigheid van een landedelman? Vergelijk Spenser’s beschouwing over de idealen gekoesterd door de lersche barden van zijn tijd, “View of the Present State of Ireland,” blz. 641 (Globe-editie.)
16 Dr John Todhunter alleen, geloof ik, heeft in zijn “Three Irish Bardic Tales,” zich gehouden aan het antieke slot van het verhaal van Deirdre.
17 Dit doet denken aan Shakespeare’s “Richard III” (Noot v.d.v.)
18 “Waifs and Strays of Celtic Tradition”, Argyllshire-reeks. Het verhaal werd in verzen opgeteekend, woord voor woord, uit den mond van Roderick mac Fadyen in Tiree, 1868.
Hoofdstuk VII: De reis van Maeldūn.
Naast de legenden die zich om groote heldhaftige namen ophoopen en het karakter van geschiedenis dragen, of althans beweren te dragen, zijn er vele andere, groote en kleine, die van avonturen vertellen die zich geheel bewegen in romantische sferen, buiten aardsche ruimte en tijd. Als een staal er van geef ik hier den korten inhoud van de “Reis van Maeldūn,” een zeer merkwaardig en schitterend werk van verdichting, voorkomend in het handschrift getiteld het “Boek van de Dun Koe” (omstreeks 1100) en andere oude bronnen, en uitgegeven met een vertaling (waaraan ik hier de volgende uittreksels ontleen) door dr. Whitley Stokes in de “Revue Celtique” van 1888 en 1889. Het is slechts een van de vele dergelijke wonderreizen die men in de oude Iersche literatuur aantreft, maar men denkt dat het de eerste van allen en een model voor de anderen is geweest, en het heeft de eer gehad—in den verkorten en gewijzigden vorm door Joyce gegeven in zijn “Oude Keltische Verhalen”—de stof te hebben geleverd voor de “Reis van Maeldune” aan Tennyson, die daarvan een verwonderlijke schepping heeft gemaakt van rythmus en kleur, een soort allegorie der Iersche geschiedenis vormend. Men zal aan het slot opmerken dat wij in het ongewone geval verkeeren dat wij den naam kennen van den auteur van dat stuk primitieve literatuur, hoewel hij geen aanspraak er op maakt de “Reis” te hebben samengesteld, maar alleen de gebeurtenissen er van te hebben “geordend.” Jammer genoeg kunnen wij niet zeggen wanneer hij leefde, maar het verhaal zooals wij het kennen, dateert vermoedelijk van de negende eeuw. De sfeer er van is zuiver christelijk en het heeft geen mythologische beteekenis dan voor zoover het leert, dat de duistere bevelen van waarzeggers moeten worden gehoorzaamd. Geen avontuur of zelfs bijzonderheid van gewicht is weggelaten in het volgend overzicht van het verhaal, dat aldus volledig wordt gegeven omdat de lezer het kan beschouwen als vertegenwoordigend een groot en belangrijk deel der Iersche legende-literatuur. Behalve de bron waaruit ik put, de “Revue Celtique,” is mij geen andere getrouwe Engelsche reproductie van dit verwonderlijk verhaal bekend.
De “Reis van Maeldūn” begint zooals Iersche verhalen vaak doen, met ons te vertellen hoe de held ter wereld kwam.
“Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is”
Daar was een beroemd man van de clan der Owens van Aran, genaamd Ailill van den Rand van den Slag, die zijn koning op een strooptocht vergezelde naar een ander gebied. Op zekeren nacht kampeerden zij bij een kerk en een nonnenklooster. Te middernacht zag Ailill, die zich bij de kerk bevond, een non uit het klooster komen om de klok te luiden voor het gebed en hij vatte haar bij de hand. In oud-Ierland werden godsdienstige personen in oorlogstijd niet bijster ontzien en Ailill ontzag de non niet. Toen zij scheidden, zeide zij tot hem: “Van welken stam zijt gij en wat is uw naam?” Daarop zeide de held: “Ailill van den Rand van den Slag is mijn naam en ik ben van de Owens van Aran, in Thomond.”
Niet lang daarna werd Aillil gedood door roovers uit Leix, die de kerk van Dooclone boven zijn graf verbrandden.
Op zijn tijd werd de non een zoon geboren en zij gaf hem den naam Maeldūn. Hij werd heimelijk gebracht naar haar vriendin, de koningin van het gebied, en deze bracht Maeldūn groot. “Hij was inderdaad welgemaakt en het is de vraag of er ooit iemand zoo schoon was als hij. Zoo groeide hij op, totdat hij geschikt was wapens te dragen. Hij was toen zeer levendig, vroolijk en dartel. Bij het spelen overtrof hij al zijn makkers in het werpen van ballen, in loopen en springen, werpen met steenen en narennen van paarden.”
Eens tergde hem een trotsche jonge krijgsman, dien hij had verslagen, omdat hij niets wist van zijn familie en afkomst. Maeldūn ging tot zijn pleegmoeder, de koningin, en zeide: “Ik zal niet eten of drinken vóór gij mij zegt wie mijn moeder en mijn vader zijn.” “Ik ben uw moeder”, zeide de koningin, “want geen vrouw had ooit haar zoon meer lief dan ik u lief heb”. Maar Maeldūn drong er op aan alles te weten en de koningin bracht hem ten slotte tot zijn eigen moeder, de non, die hem zeide: “Uw vader was Ailill van de Owens van Aran.” Toen ging Maeldūn naar zijn eigen familie, die hem goed ontving; en hij nam als gasten mee zijn drie geliefde pleegbroeders, zonen van den koning en de koningin die hem hadden groot gebracht.
Een poos later was Maeldūn toevallig met een troep jonge krijgslieden samen, die op het kerkhof van de vernielde kerk van Doocloone steenen wilden gooien. Maeldūn had, terwijl hij een steen oplichtte, den voet geplant op een verschroeiden en zwarten zandsteen; en een monnik, Briccne1 geheeten, die er bij stond, zeide tot hem: “Het ware beter dat gij den man wreektet die hier verbrand werd, dan steenen te werpen over zijn verbrande beenderen.”
“Wie was dat?” vroeg Maeldūn.
“Ailill, uw vader”, zeide men hem.
“Wie versloeg hem?”, vroeg hij.
“Roovers uit Leix”, zeiden zij, “en zij doodden hem op deze plaats.”
Toen wierp Maeldūn den steen neer, dien hij op het punt stond te gooien, en sloeg zijn mantel om zich heen en ging naar huis; en hij vroeg den weg naar Leix. Men zeide hem dat hij daar alleen over zee kon komen2.
Op raad van een Druïde bouwde hij zich nu een boot, of visschersboot, van huiden driemaal over elkaar gewikkeld om een houten geraamte; en de waarzegger zeide hem ook dat zeventien mannen slechts hem moesten vergezellen, op welken dag hij moest beginnen met den bouw van de boot en op welken dag hij zee moest kiezen.
Toen zijn troep gereed was, stak hij van wal en heesch het zeil, maar hij had nog slechts een korten afstand afgelegd toen zijn drie pleegbroeders naar de baai kwamen en smeekten hen mee te nemen. “Gaat naar huis”, zeide Maeldūn, “want ik mag niet meer meenemen dan ik nu heb”. Maar de drie jongelingen wilden niet van Maeldūn scheiden en zij wierpen zich in zee. Hij keerde om, opdat zij niet zouden verdrinken en nam hen op in zijn boot. Zooals wij zullen zien, werden alle gestraft voor deze overtreding, en werd Maeldūn tot zwerven veroordeeld, totdat hij had geboet.
Iersche barden-verhalen munten uit in hun inzet. Zooals gewoonlijk is in dit geval de mise-en-scène bewonderenswaardig bedacht. Het nu volgend verhaal vertelt hoe, na op een eiland den man te hebben gezien die zijn vader doodde, maar niet in staat daar te landen, Maeldūn en zijn gezelschap in volle zee worden gedreven, en een groot aantal eilanden bezoeken, waarop zij vele vreemde avonturen hebben. Feitelijk wordt het verhaal een cento (reeks) van vertellingen en gebeurtenissen, sommige niet zeer belangwekkend, terwijl in andere, zooals het avontuur van het Eiland met den Zilveren Pijler, of het Eiland met den Brandenden Muur, of dat waarin de episode van den arend plaats heeft, het Keltische gevoel voor schoonheid, fantasie en mysterie op een in de literatuur misschien onovertroffen wijze tot uitdrukking komt.
In de hier volgende bewerking heb ik de verzen, die Joyce aan het slot van elk avontuur geeft, weggelaten. Zij recapituleeren slechts het proza-verhaal en worden niet gevonden bij de oudste handschrift-autoriteiten.
Het eiland van den moordenaar.
Maeldūn en zijn bemanning hadden den ganschen dag en den halven nacht geroeid, toen zij twee kleine naakte eilanden bereikten, met twee forten er op; men hoorde gewapende mannen twisten. “Blijf op een afstand van mij”, riep een hunner, “want ik ben meer dan gij. Ik was het die Ailill van den Rand van den Slag doodde en de kerk van Doocloone boven zijn graf verbrandde en geen bloedverwant heeft zijn dood op mij gewroken. En gij hebt nooit zoo iets gedaan”.
Toen was Maeldūn op het punt te landen en Germān3 en Diuran de Rijmer riepen dat God hen geleid had naar de plaats waar zij wezen wilden. Maar eensklaps stak een sterke wind op en joeg hen den onmetelijken oceaan op en Maeldūn zeide tot zijn pleegbroeders: “Dit is uw schuld, omdat gij aan boord kwaamt ondanks de woorden van den Druïde”. En zij konden geen antwoord geven, dan alleen door een poosje te zwijgen.
Het eiland met de mieren.
Zij dreven drie dagen en drie nachten, niet wetend waarheen te roeien, toen zij, bij het aanbreken van den derden dag het gedruisch van brekers hoorden en zoodra de zon was opgegaan bereikten zij een eiland. Hier, voor dat zij konden landen, ontmoetten zij een zwerm van roofgierige mieren, elk ter grootte van een veulen, die van het strand en in zee kwamen om hen te bereiken; zij maakten zich dus spoedig uit de voeten en zagen in drie dagen geen land.
Het eiland met de groote vogels.
Dit was een terrasvormig eiland, geheel door boomen omgeven en met groote vogels in de boomen. Maeldūn landde eerst alleen en doorzocht het eiland met zorg, zonder iets kwaads te vinden; de overigen volgden toen en doodden en aten vele van de vogels, terwijl zij andere op hun boot meenamen.
Het eiland met het woeste beest.
Dit was een groot zandig eiland, er was een beest op als een paard, maar met pooten als die van een hond. Het vloog op hen aan om hen te verslinden, maar zij gingen tijdig heen en werden door het beest met steenen van het strand geworpen toen zij weg roeiden.
Het eiland met de reuzenpaarden.
Een groot vlak eiland; het lot bepaalde dat Germān en Diuran dat het eerst zouden onderzoeken. Zij vonden een groote groene renbaan, waarop de afdrukken waren van paardenhoeven, elk zoo groot als het zeil van een schip, en er lagen basten van noten van reusachtige afmetingen en veel buit. Bevreesd scheepten zij zich weer ijlings in en van uit zee zagen zij een wedren aan den gang en hoorden zij een groote menigte schreeuwen, het witte of het bruine paard toejuichend, en zij zagen de reuzenpaarden loopen, vlugger dan de wind.4 Zij roeiden weg zoo snel zij konden, meenend dat zij een verzameling demonen hadden gezien.
Het eiland met de steenen deur.
Een volle week ging voorbij en toen ontdekten zij een groot hoog eiland met een huis op het strand. Een deur met een steenen vleugel leidde naar de zee en de golven wierpen onophoudelijk zalmen er door heen in het huis. Maeldūn en zijn troep gingen binnen en vonden geen menschen in het huis; maar een groot bed lag gereed voor het hoofd aan wien het behoorde en een bed voor telkens drie van zijn mannen, en spijs en drank naast elk bed. Maldūn en zijn troep aten en dronken hun bekomst en vertrokken toen weer.
Het eiland met de appelen.
Toen zij daar waren gekomen, hadden zij geruimen tijd gereisd, en voedsel had hun ontbroken en zij waren hongerig. Dit eiland had steile kanten, waarvan bosschen afhingen; in het voorbijgaan langs de rotsen brak Maeldūn een tak af en hield die in de hand. Drie dagen en nachten zeilden zij langs de rotsen en vonden geen toegang tot het eiland, maar tegen dien tijd waren drie appels gegroeid aan het uiteinde van Maeldūn’s tak en aan elken appel had de bemanning voor veertig dagen genoeg.
Het eiland met het wonderbeest.
Dit eiland had een steenen omheining; daarbinnen rende een geweldig groot dier voortdurend om het eiland heen. En nu en dan ging het naar den top van het eiland en verrichtte dan een wonderbaarlijk feit: het draaide zijn lijf voortdurend om in zijn huid, die onbeweeglijk bleef, soms daarentegen draaide het de huid altijd door om het lijf. Toen het de mannen zag, snelde het op hen af, maar zij ontkwamen, al wegroeiend met steenen geworpen. Een van de steenen drong door Maeldūn’s schild en bleef zitten in de kiel van de boot.
Het eiland met de bijtende paarden.
Hier waren vele groote beesten op paarden gelijkend, die voortdurend stukken vleesch uit elkanders lijf scheurden, zoodat het eiland vol bloed lag. Zij roeiden ijlings weg, en zij waren nu ontmoedigd en treurig, want zij wisten niet waar zij zich bevonden, of hoe zij den weg en hulp zouden vinden.
Het eiland met de gloeiende zwijnen.
Zeer moede, hongerig en dorstig kwamen zij aan het tiende eiland, dat vol boomen was beladen met gouden appels. Onder de boomen liepen roode beesten, als gloeiende zwijnen, die met hun pooten tegen de boomen schopten; dan vielen de appels en de beesten verslonden die. De beesten kwamen alleen ’s morgens te voorschijn, als een aantal vogels het eiland verlieten, en zwommen in zee tot het negende uur, keerden dan om en zwommen terug tot zonsondergang en aten de appels den geheelen nacht door.
Maeldūn en zijn gezellen landden ’s nachts en voelden den bodem heet onder hun voeten van de gloeiende zwijnen in hun ondergrondsche holen. Zij verzamelden zooveel appels als zij maar konden, die goed waren zoowel voor den honger als voor den dorst, laadden die in hun boot en kozen opnieuw, verfrischt, zee.
Het eiland met de kleine kat.
De appels waren op toen zij hongerig en dorstig het elfde eiland bereikten. Dit was, als het ware, een hooge witte toren van kalk, die tot de wolken reikte, en op den wal er om heen stonden groote huizen wit als sneeuw. Zij traden het grootste er van binnen en vonden er geen mensch, maar een kleine kat spelend op steenen pilaren, die midden in het huis waren; zij sprong van den een naar den ander. Zij keek een beetje naar de Iersche krijgers, maar hield niet op met haar spel. Aan de wanden van het huis hingen drie rijen voorwerpen: een rij gouden en zilveren borstspelden en een van gouden en zilveren halskettingen, elk zoo dik als de hoepel van een vat, en een van groote zwaarden met gouden en zilveren gevesten. Dekens en schitterende gewaden lagen in het vertrek, en er was ook een gebraden os en een zijde spek en overvloed van drank. “Is dit voor ons achtergelaten?”, zeide Maeldūn tot de kat. Zij keek hem een oogenblik aan en zette toen haar spel voort. Toen aten en dronken zij en sliepen en bergden op wat er van het voedsel overbleef. Den volgenden dag, toen zij zich opmaakten om het huis te verlaten, nam de jongste van Maeldūn’s pleegbroeders een ketting van den wand en hij wilde die meenemen toen de kat eensklaps “als een vurige pijl door hem heen sprong” en hij viel als een hoop asch op den grond. Daarop bracht Maeldūn, die den diefstal van het kleinood had verboden, de kat tot bedaren en hing de ketting weer op, en zij strooiden de asch van den dooden jongeling op het strand en gingen weer op zee.
“De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen”
Het eiland met de zwarte en witte schapen.
Dit werd door een metalen staketsel in tweeën verdeeld: aan den eenen kant was een kudde zwarte, aan den anderen kant een kudde witte schapen. Tusschen beiden was een groote man die beide kudden verzorgde en soms bracht hij een wit schaap onder de zwarte, in welk geval het onmiddellijk zwart werd, of een zwart schaap onder de witte, dat dan dadelijk wit werd.5 Bij wijze van proef wierp Maeldūn een geschilden witten stok aan den kant der zwarte schapen. Hij werd dadelijk zwart, waarop zij verschrikt de plaats verlieten, zonder te landen.
Het eiland met het reuzenvee.
Een groot en uitgestrekt eiland met een kudde groote zwijnen. Zij doodden een klein varken en braadden het ter plaatse, omdat het te groot was om aan boord te nemen. Het eiland verhief zich tot een zeer hoogen berg en Druan en Germān gingen van den top er van het land bekijken. Op weg daarheen vonden zij een breede rivier. Om de diepte van het water te peilen dompelde Germān het handvat van zijn speer er in, dat dadelijk als door vloeibaar vuur werd verteerd. Aan den anderen oever was een groote man die een kudde bewaakte van wat ossen leken te zijn. Hij riep hun toe de kalveren niet te storen, zij gingen dus niet verder en zeilden snel weg.
Het eiland met den molen.
Hier vonden zij een groote, somber uitziende molen, waarin een reusachtige molenaar koren maalde. “De helft van het graan van uw land,” zeide hij, “wordt hier gemalen. Hier komt om te worden vermalen al wat de menschen elkander niet gunnen”. Zwaar en talrijk waren de ladingen die zij er heen zagen gaan en al wat in den molen was gemalen werd naar het westen weggevoerd. Zij kruisten zich en vertrokken.
Het eiland met de zwarte rouwdragers.
Een eiland vol zwarte menschen die voortdurend schreiden en jammerden. Een van de twee nog overgebleven pleegbroeders van Maeldūn landde er, werd onmiddellijk zwart en begon te schreien als de overigen. Twee anderen gingen hem halen; hun trof hetzelfde lot. Toen gingen weer anderen, de hoofden met doeken omwonden, opdat zij het land niet zouden zien en de lucht niet inademen, en zij grepen de twee vermisten en voerden die met geweld mee, maar niet den pleegbroeder. De twee geredden konden hun gedrag alleen verklaren door te zeggen dat zij moesten doen, zooals zij anderen om zich heen zagen doen.
Het eiland met de vier heggen.
Vier heggen van goud, zilver, koper en kristal verdeelden dat eiland in vier deelen: in het eene waren koningen, in het andere koninginnen, in het derde krijgslieden, in het vierde jonge maagden. Toen zij landden gaf een maagd hun voedsel, dat op kaas geleek en dat ieder man smaakte zooals hij dat wenschte, en een bedwelmenden drank, die hen drie dagen in slaap bracht. Toen zij ontwaakten waren zij op hun boot in zee, en van het eiland en zijn bewoners was niets te zien.
Het eiland met de glazen brug.
Hier komen wij tot een van de uitvoerigst beschreven en schilderachtigste van al de reisgebeurtenissen. Op het eiland dat zij nu bereikten was een sterkte met een metalen deur en een glazen brug leidde er heen. Toen zij over de brug wilden gaan, wierp deze hen terug.6 Een vrouw kwam uit de sterkte met een emmer in de hand, zij lichtte een glazen plaat van de brug, liet haar emmer neer in het water er onder en keerde naar de sterkte terug. Zij sloegen op den metalen slagboom voor hen om toegang te krijgen, maar het geluid door het metaal voortgebracht deed hen tot den volgenden morgen in slaap vallen. Dit herhaalde zich driemaal en de vrouw hield telkens een ironische toespraak over Maeldūn. Den vierden dag echter kwam zij hun tegemoet over de brug, met een witten mantel om, een gouden band om het haar, zilveren sandalen aan de rose voeten en een hemd van zeer dunne zijde op het lijf.
“Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting”
“Ik heet u welkom, o Maeldūn,” zeide zij en zij verwelkomde elk van de bemanning bij zijn eigen naam. Toen nam ze hen mede naar het groote huis, wees den hoofdman een bed aan, en verder een bed voor telkens drie man. Zij gaf hun overvloed van spijs en drank, alles uit haar eenen emmer, en elk man vond daarin wat hij begeerde. Toen zij was heengegaan, vroegen zij Maeldūn of zij de maagd voor hem zouden trachten te winnen. “Hoe zou het u kwaad kunnen met haar te spreken?” zeide Maeldūn. Zij doen aldus en zij antwoordt: “Ik weet niet, en heb ook nooit geweten wat zonde is.” Dit herhaalt zij tweemaal. “Morgen,” zegt zij ten slotte, “zult gij antwoord hebben.” Maar als de morgen komt, bevinden zij zich wederom op zee zonder een spoor van eiland, of sterkte, of vrouw.
Het eiland met de schreeuwende vogels.
Zij hooren van verre groot geschreeuw en zingen, als van psalmen, en na een dag en nacht roeien komen zij eindelijk aan een eiland, vol met zwarte, bruine en gespikkelde vogels, die alle schreeuwen en praten. Zij zeilen weg zonder te landen.
Het eiland van den kluizenaar.
Hier vonden zij een boschrijk eiland vol met vogels, en er was slechts éen man, die geen andere bekleeding had dan zijn haar. Zij vroegen hem naar zijn land en afkomst. Hij antwoordde dat hij uit Ierland afkomstig was en zee gekozen had7 met een zode van zijn geboorteland onder zijn voeten. God had de zode in een eiland veranderd, er elk jaar een voet breedte en een boom aan toevoegend. De vogels waren al zijn familie en zij blijven daar allen tot den dag des oordeels, door engelen wonderbaarlijk gevoed. Hij onthaalde hen drie nachten, toen zeilden zij weg.
Het eiland met de wonderfontein.
Dit eiland heeft een gouden wal en een zachten witten grond, dons gelijk. Zij vonden daar weer een kluizenaar, alleen in zijn haar gekleed. Er was een fontein, die Vrijdag en Woensdag wei of water, Zondag en op verjaardagen van martelaren melk, op verjaardagen van de Apostelen, Maria en Johannes den Dooper en op de dagen van hoog water ale en wijn geeft.
Het eiland met de smidse.
Toen zij dit naderden, hoorden zij uit de verte als het ware het geraas van een geweldige smidse en hoorden zij menschen over hen zelf spreken. “Het schijnen kleine jongens”, zeide een, “ginds, in een kleine trog”. Zij roeiden haastig weg, maar wendden de boot niet, om niet den schijn op zich te laden van te vluchten; maar een poosje daarna kwam een reusachtige smid uit de smederij, die in zijn tang een groot blok gloeiend ijzer hield, dat hij hun achterna wierp, en de geheele zee er om heen kookte, toen het achter hun boot viel.
De zee van zuiver glas.
Hierop roeiden zij totdat zij op een zee kwamen, die op groen glas geleek. Zoo zuiver was het dat de steenen en het zand der zee duidelijk er door heen zichtbaar waren; en zij zagen geen monsters of beesten bij de klippen, maar alleen de schoone kiezels en het groene zand. Zij voeren een groot deel van den dag op die zee en groot was haar glans en haar schoonheid.
Het eiland onder de zee.8
Daarna bevonden zij zich op een zee, dun als mist, die hun boot niet scheen te kunnen dragen. Zij zagen in de diepten vestingen met daken, en een mooi land er om heen. Een monsterachtig beest huisde daar in een boom met kudden vee er om en er onder een gewapend krijgsman. Ten spijt van den krijgsman strekte het beest nu en dan zijn langen nek omlaag, greep een van de kudde en verslond het. Zeer bevreesd door deze zee te zinken zeilden zij er over heen weg.
Het eiland der voorspelling.
Toen zij daar aankwamen vonden zij het water tot hooge rotsen er om heen en toen zij omlaag keken zagen zij een menigte menschen op het eiland, die tegen hen schreeuwden: “Zij zijn het, zij zijn het”, totdat zij buiten adem waren. Toen kwam een vrouw die hen van beneden met groote noten wierp, die zij verzamelden en meenamen. Toen zij vertrokken hoorden zij de menschen elkander toeschreeuwen: “Waar zijn ze nu?” “Zij zijn heengegaan.” “Dat is niet waar.” “Vermoedelijk”, zegt het verhaal, “was er iemand van wien de eilandbewoners een voorspelling hadden dat hij hun land zou verwoesten en hen er uit verjagen.”
Het eiland met het spuitend water.
Hier spoot een groote stroom uit den eenen kant van het eiland en welfde er over heen als een regenboog, op het strand aan den anderen kant neerstortend. En toen zij hun speren staken in den stroom boven hen, haalden zij zooveel zalmen er uit als zij maar wilden en het eiland was vol van den stank van de zalmen die zij niet konden meenemen.
Het eiland met de zilveren zuil.
Het volgende wonder dat zij ontmoetten vormt een van de merkwaardigste en meest fantastische episoden van de reis. Het was een groote viervlakkige zilveren zuil, uit de zee oprijzend. Elk van de vier kanten was zoo breed als twee roeislagen van de boot. Er was geen zode aarde aan den voet, de kolom rees uit den onmetelijken oceaan op en de top ging schuil in de lucht. Van dien top af werd een groot zilver net ver weg in zee geworpen en door een maas van dat net zeilden zij heen. Toen zij dat deden hakte Diuran een stuk van het net af. “Verniel het niet,” zeide Maeldūn, “want hetgeen we zien is het werk van machtige mannen.” Diuran zeide: “Ik doe dit ter eere van God’s naam, opdat ons verhaal geloof vinde, en als ik weer in Ierland kom, zal ik dit stuk zilver op het hooge altaar van Armagh offeren.” Het woog twee-en-een-half ons toen het later in Armagh werd gewogen.
“En toen hoorden zij een stem van den top van gindsche zuil, machtig, helder en duidelijk. Maar zij kenden de taal niet die zij sprak, of de woorden die zij uitbracht.”
Het eiland met het voetstuk.
Het volgend eiland stond op een voet of voetstuk, dat uit de zee oprees, en zij konden geen toegang er toe vinden. In het onderste gedeelte van het voetstuk was een deur, die dicht en gesloten was, die zij niet konden open krijgen; en zij zeilden weg zonder iemand te hebben gezien en gesproken.
Het eiland van de vrouwen.
Hier vonden zij den wal van een geweldige burcht, waarin een woning stond. Zij landden om er naar te kijken en zetten zich op een heuveltje in de nabijheid. Binnen de burcht zagen zij zeventien meisjes bezig een groot bad gereed te maken. Weldra daarna kwam een rijk gekleed ruiter op een renpaard aanzetten, hij steeg af en ging naar binnen, terwijl een van de meisjes voor het paard zorgde. Toen ging de ruiter in het bad en zij zagen dat het een vrouw was. Kort daarop kwam een der meisjes naar buiten en noodigde hen binnen te komen, zeggend: “De Koningin noodigt u.” Ze gingen de burcht binnen en baadden en zetten zich aan tafel, elke man met een meisje tegenover zich en Maeldūn tegenover de koningin. En Maeldūn trouwde met de koningin en elk der meisjes met een zijner mannen, en toen het nacht werd kreeg elk een kamer met een baldakijn. Den volgenden morgen maakten zij zich gereed tot de afreis, maar de koningin wilde niet dat zij zouden vertrekken en zeide: “Blijft hier, dan zult gij nooit door ouderdom worden bezocht, maar ten eeuwigen dage blijven zooals gij nu zijt en wat ge den vorigen nacht hadt, zult ge altijd hebben. En niet langer van het eene eiland naar het andere zwerven op den oceaan.”
Zij vertelde toen aan Maeldūn, dat zij de moeder was van de zeventien meisjes die zij gezien hadden en haar gemaal was koning van het eiland geweest. Hij was nu dood en zij regeerde in zijn plaats. Elken dag ging zij naar de groote vlakte in het binnenland van het eiland om recht te spreken en zij keerde dan ’s avonds naar de burcht terug.
Zoo bleven zij daar drie wintermaanden, maar toen die om waren leek het hun dat het drie jaren waren geweest en de mannen kregen er genoeg van en verlangden naar hun eigen land te vertrekken.
“Wat zullen wij daar vinden, dat beter is dan dit?” zeide Maeldūn.
Maar de mannen bleven morren en klagen en ten slotte zeiden zij: “Groot is de liefde van Maeldūn voor deze vrouw. Laat hij alleen achterblijven als hij dat wil, maar wij willen gaan naar ons eigen land.” Maeldūn echter wilde niet achtergelaten worden en op zekeren dag toen de koningin weg was om recht te spreken scheepten zij zich in en voeren weg. Zij waren echter nog niet ver toen de koningin kwam aanrijden met een kluwen touw in de hand, dat zij hun achterna wierp. Maeldūn ving het op en het bleef zich aan zijn hand hechten, zoodat hij zich niet los kon maken en de koningin, die het andere einde van het kluwen vasthield, trok hen terug aan land. En zij bleven nog drie maanden op het eiland.
Nog tweemaal gebeurde hetzelfde en ten slotte beweerden de mannen dat Maeldūn met opzet het kluwen vasthield, zoo groot was zijn liefde voor de vrouw. Den volgenden keer ving dan ook een ander man het kluwen op, maar het bleef zich als te voren (bij Maeldūn) aan zijn hand hechten; Diuran kapte daarop de hand af, die met het kluwen in zee viel. “Toen zij dat zag begon zij te jammeren en te schreeuwen, zoodat men over het geheele land niets hoorde dan gejammer en geschreeuw”. En aldus ontkwamen zij uit het eiland van de vrouwen.
Het eiland met de roode bessen.
Op dit eiland waren boomen met groote roode bessen, die een dronkenmakend en slaapwekkend sap gaven. Zij vermengden het met water om de werking ervan te verzwakken, vulden hun vaten er mee en zeilden weg.
Het eiland met den arend.
Een groot eiland, met bosschen van eiken en taxis aan den eenen kant, en aan den anderen een vlakte, waarop kudden schapen, en een klein meer er in; en zij vonden daar ook een kleine kerk en een fort en een ouden grijzen geestelijke, alleen door zijn haar gedekt. Maeldūn vroeg hem wie hij was.
“Ik ben de vijftiende van de monniken van St. Brennan van Birr”, zeide hij. “Wij gingen onzen pelgrimstocht op zee maken en zij stierven allen, behalve ik”. Hij liet hun het tafeltje (? kalender) van den Heiligen Brennan zien en zij knielden er voor en Maeldūn kuste het. Zij bleven daar een seizoen, levende van de schapen op het eiland.
Eens zagen zij uit het zuidwesten iets opdagen wat een wolk scheen te zijn. Toen het nader kwam echter, zagen zij het wuiven van wieken en merkten zij dat het een reusachtige vogel was. Hij kwam op het eiland en zeer moede neerstrijkend op een heuvel bij het meer begon hij de roode bessen te eten, druiven gelijk, die groeiden op een boomtak, zoo groot als een volwassen eik, die hij had meegebracht, en het sap en stukken van de bessen vielen in het meer, al het water rood kleurend. Vreezend dat hij hen met zijn klauwen zou grijpen en hen naar zee dragen, verscholen zij zich in de bosschen en hielden zij den vogel in het oog. Na een poosje evenwel ging Maeldūn naar den voet van den heuvel, maar de vogel deed hem geen kwaad en toen volgden de anderen behoedzaam achter hun schilden en een hunner plukte bessen van den tak dien de vogel in zijn klauwen hield, maar hij deed hem geen kwaad en keek heelemaal niet naar hem. En zij zagen dat hij heel oud was en zijn pluimage dof en vergaan.
Des middags kwamen twee arenden uit het zuidwesten en streken neer voor den grooten vogel en na een poos te hebben uitgerust begonnen zij de insecten weg te pikken, waarvan het op zijn kaken, oogen en ooren wemelde. Zij gingen daarmee voort tot ’s avonds, toen aten alle drie nu van de bessen. Den volgenden dag, toen het groote beest geheel was gereinigd, sprong het in het meer en begonnen de twee arenden hem weer te pikken en te reinigen. Tot den derden dag bleef de groote vogel zijn veeren gladstrijken en zijn vleugels schudden en zijn veeren werden glanzig en dik, en toen, zich hoog in de lucht verheffend, vloog het driemaal het eiland rond en terug naar het verblijf vanwaar hij was gekomen, en zijn vlucht was nu vlug en krachtig; zoodat het hun duidelijk werd dat dit was geweest zijn vernieuwing van ouderdom tot jeugd, overeenkomstig de woorden van den profeet: Uw jeugd is vernieuwd als die van den adelaar.9
Toen zeide Diuran: “Laat ons in dit meer baden en ons verjongen waar de vogel verjongd werd.” “Neen,” zeide een der anderen, “want de vogel heeft zijn venijn daarin achter gelaten”. Maar Diuran sprong er in en dronk van het water. Van dat oogenblik af, bleven zijn oogen zoolang hij leefde sterk en helder, geen tand viel uit zijn kaak, geen haar van zijn hoofd en hij wist nooit wat ziekte of gebrekkigheid was.
Hierop namen zij afscheid van den kluizenaar en begaven zij zich andermaal op zee.
Het eiland met de lachende menschen.
Hier zagen zij een groot aantal mannen die aanhoudend lachten en speelden. Zij lootten met elkaar wie zou landen en het eiland onderzoeken en het lot viel op Maeldūn’s pleegbroeder. Maar toen hij den voet er op zette, begon hij met de anderen te lachen en te spelen en hij kon niet ophouden en wilde ook niet teruggaan tot zijn makkers. Zij lieten hem dus achter en gingen heen.10
Het eiland met den wal van vlammen.
Zij kwamen nu in het gezicht van een eiland dat niet groot was en het had een wal van vlammen die voortdurend een kring er om vormden. Er was een opening in een deel van den wal en wanneer zij die opening tegenover zich kregen, zagen zij het geheele eiland er door heen en zij zagen de bewoners, mannen en vrouwen, vele en schoone, die versierde gewaden droegen, met gouden vaten in de handen. En de feestmuziek die zij maakten drong tot de ooren der reizigers. Zij vertoefden daar geruimen tijd, sloegen dit wonder gade, “en zij vonden het verrukkelijk te aanschouwen.”
Het eiland van den monnik van Tory.
In de verte tusschen de golven zagen zij wat zij voor een witten vogel op het water hielden. Naderbij komend merkten zij dat het een oud man was, met zijn grijs haar tot eenige bedekking; hij knielde telkens ootmoedig op een breede rots.
“Van Torach11 ben ik hier gekomen”, zeide hij, “en het is daar dat ik werd grootgebracht. Ik was daar kok in het klooster en ik placht het voedsel van de kerk voor mijzelf te verkoopen, zoodat ik ten slotte groote schatten had aan kleeding en koperen vaten en goed gebonden boeken en al wat de mensch begeert. Groot was mijn trots en mijn aanmatiging.
“Eens toen ik een graf dolf om een lijfeigene te begraven die op het eiland was gebracht, klonk een stem van beneden, waar een heilig man begraven lag, die sprak: “Leg niet het lijk van een zondaar op mij, een heilig vroom persoon!”
Na een woordenwisseling begroef de monnik het lijk ergens anders en hem werd een eeuwigdurende belooning daarvoor beloofd. Niet lang daarna ging hij op zee met een boot, waarin al zijn schatten waren bijeengebracht, vermoedelijk met het plan met zijn buit van het eiland te vluchten. Een sterke wind dreef hem ver in zee en toen hij geen land meer zag, hield de boot op een zekere plaats stil. Hij zag dicht bij zich een man (engel) op een golf zitten. “Waar gaat ge heen?” zeide de man. “Op een prettige reis, ik kijk nu uit”, zeide de monnik. “Ge zoudt het niet prettig vinden, als ge wist wat om u heen is”, zeide de man. “Zoover als ge zien kunt zijt ge door een troep demonen omringd, wegens uw hebzucht en trots, en diefstal en andere slechte daden. Uw boot heeft stil gehouden en zal ook niet verdergaan tenzij gij mij gehoorzaamt, en de vlammen van de hel zullen u bereiken.”
Hij naderde de boot en legde zijn hand op den arm van den vluchteling, die beloofde hem te gehoorzamen.
“Werp in zee”, sprak hij, “al de schatten die in uw boot zijn.”
“Het is jammer,” zeide de monnik, “dat zij verloren zouden gaan.”
“Zij zullen volstrekt niet verloren gaan. Er zal iemand zijn, dien ge daarmee zult helpen.”
Daarop wierp de monnik alles in zee, op een kleinen houten beker na, en hij smeet riemen en roer weg. De man gaf hem een voorraad wei en zeven koeken en gelastte hem te blijven daar waar zijn boot zou stil houden. De wind en de golven dreven hem hier en daar, tot dat ten slotte de boot tot rust kwam op de rots waar de zwervers hem vonden. Er was daar niets dan de kale rots, maar gedachtig aan hetgeen hem was gelast, stapte hij op een smallen uitstekenden rand, die door de golven werd omspoeld, en de boot verliet hem onmiddellijk en de rots werd breeder voor hem. Daar bleef hij zeven jaren, gevoed door otters die hem zalm brachten uit de zee en zelfs brandend hout om ze te koken en zijn beker werd dagelijks met goeden drank gevuld. “En geen vocht, of hitte, of koude deert mij op deze plaats.”
Op het middaguur werd wonderbaarlijk voedsel voor de geheele bemanning gebracht, en toen zeide de oude tot hen:
“Ge zult allen uw land bereiken, en de man die uw vader doodde, o Maeldūn, ge zult hem vinden in een burcht voor u. En dood hem niet, maar vergeef hem; omdat God u van vele groote gevaren heeft gered, en ook gij mannen zijt die den dood verdient.”
Toen zeiden zij hem vaarwel en gingen hun gewonen weg.
Het eiland met den valk.
Dit is niet bewoond en er zijn alleen kudden schapen en ossen. Zij landen daar en eten hun bekomst, en een van hen ziet een grooten valk. “Deze valk,” zegt hij, “gelijkt op de valken van Ierland.” “Houd hem in het oog,” zegt Maeldūn, “en zie hoe hij van ons gaat.” Hij vloog naar het zuidoosten en zij roeiden hem den geheelen dag na totdat het avond werd.
De thuiskomst.
Toen het nacht werd kregen zij een land in het gezicht als Ierland; en weldra bereikten zij een klein eiland, waar zij met hun prauw strandden. Het was het eiland waar de man woonde die Ailill had gedood.
Zij gingen naar de burcht op het eiland en hoorden daar binnen mannen met elkander praten, terwijl zij aan den maaltijd zaten. Een man zeide:
“Het zou ons slecht bekomen, als we nu Maeldūn ontmoetten.”
“Die Maeldūn is verdronken,” zeide een ander.
“Misschien is hij het die u van nacht uit den slaap zal wekken,” zeide een derde.
“Wat zouden wij doen, als hij nu kwam?” zeide een vierde.
“Dat is niet moeilijk te beantwoorden,” zeide hun hoofd. “Hartelijk zou hij worden verwelkomd als hij kwam, want hij heeft langen tijd in groote moeilijkheden verkeerd.”
Toen sloeg Maeldūn met den houten klopper op de deur. “Wie is daar?” vroeg de deurwachter.
“Maeldūn is hier,” zeide hij.