Het offer van Diuran den Rijmer
Zij traden in vrede het huis binnen en hartelijk werden zij verwelkomd en zij werden in nieuwe gewaden gedost. En toen deden zij het verhaal van al de wonderen, die God hun had laten zien, overeenkomstig de woorden van den “heiligen dichter,” die zeide, Haec olim meminisse juvabit12.
Toen ging Maeldūn naar zijn eigen huis en familie en Diuran de Rijmer nam het stuk zilver mee, dat hij had gehakt uit het net van de zuil en legde het neer op het hoog altaar van Armagh in triumf en gejuich over de wonderen die God aan hen had verricht. En zij vertelden nog eens de geschiedenis van al hun wedervaren, al de wonderen die zij hadden gezien te land en te zee, en de gevaren die zij hadden geloopen.
Het verhaal eindigt met de volgende woorden:
“Aed de Blonde (Aed Finn13), de voornaamste wijze van Ierland, bewerkte dit verhaal zooals het hier geschreven staat; en hij deed aldus tot genot voor den geest, en voor de menschen in Ierland na hem.”
1 Dit is klaarblijkelijk een herinnering aan Briccriu met de Giftige Tong, de onheilstichter der Ultonianen.
2 De Arans zijn drie eilanden aan den ingang van de Galway-baai. Zij zijn bepaald een museum van geheimzinnige ruines.
3 Spreek uit “Ghermawn”—de “G” hard.
4 De oude Ieren hielden bijzonder veel van wedrennen; deze worden in een gedicht van de negende eeuw ter eere van Mei als een van de attracties van die maand genoemd. De naam Mei voorkomend in een ouden Gallischen kalender beteekent: “De maand van paardenrennen.”
5 Van het zelfde verschijnsel was, naar gemeld wordt, Peredur getuige in het verhaal uit Wales van dien naam in de “Mabinogion”.
6 Evenals de brug die tot Skatha’s burcht voert, blz. 171.
7 Wij hebben waarschijnlijk hieronder te verstaan, dat hij een kluizenaar was, die een eilandje zocht om er in afzondering en overdenking te leven. De westelijke eilanden van Ierland bevatten talrijke puinhoopen van hutten en bidkapellen, door afzonderlijke monniken of kleine gemeenten gebouwd.
8 Tennyson is ongemeen gelukkig geweest in de beschrijving van die eilanden onder de zee.
9 Ps. CIII, 5.
10 Dit was de laatste der drie pleegbroeders die de reis niet hadden moeten meemaken.
11 Het Tory-eiland voorbij de kust van Donegal. Er was daar een klooster en een kerk gewijd aan St. Columba.
12 “Eens zullen we ons verlustigen in de herinnering aan deze dingen.” De aanhaling is uit Virgilius, “Aen.” 1,203. “Heilige dichter” is een vertaling van Horatius’ vates sacer.
13 Van dezen wijze en dichter is uit eenige andere bron niets bekend. Hem zij lof en dank, wie hij ook moge zijn geweest.
Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren.
Barden-philosophie.
In het begin van ons derde hoofdstuk werd gewezen op het ontbreken van eenige wereld-mythe of wijsgeerige verklaring van den oorsprong en de inrichting der dingen in de oudste Keltische literatuur. In de Galische1 letterkunde is, voor zoover ik weet, niets dat zelfs kan worden geacht de oudste Keltische denkbeelden over dat onderwerp weer te geven. Anders is het met Wales gesteld. Hier bestond gedurende geruimen tijd een kern van leering die beoogde althans een deel te omvatten van die oude Druïden-denkbeelden, die, zooals Caesar ons vertelt, alleen aan de ingewijden werden meegedeeld en nooit neergeschreven. Deze leering wordt voornamelijk gevonden in twee deelen getiteld “Barddas”, een compilatie saamgesteld door een bard en geleerde uit Wales, genaamd Llewellyn Sion, van Glamorgan, uit materiaal in zijn bezit, omstreeks het einde der zestiende eeuw en, met een vertaling, uitgegeven door J. A. Williams ap Ithel voor het M.S. Genootschap van Wales. Moderne beoefenaars van het Keltisch spreken vol minachting over de pretensies van werken als deze, eenige werkelijke antieke gedachten in zich te bergen. Zoo schrijft Ivor B. John: “Alle gedachte aan een esoterische barden-leer, vóór-Christelijke mythische wijsbegeerte omvattende, moet ten eenenmale worden op zij gezet”. En verder: “De onzin over het onderwerp gesproken is voor een groot deel het gevolg van de oncritische fantasie van pseudo-oudheidkenners van de zestiende tot de achttiende eeuw”.2 Toch was de Orde der barden zeker te eeniger tijd in het bezit van zulk een leer. Die Orde bleef in Wales vrijwel voortdurend bestaan. En hoewel geen critisch denker met eenige zekerheid een theorie over vóór-Christelijke leer zou bouwen op een document uit de zestiende eeuw, lijkt het niet verstandig de mogelijkheid geheel te verwerpen dat sommige fragmenten van antieke wetenschap nog zoo laat zouden zijn blijven hangen in barden-overlevering.
In elk geval is “Barddas” een werk van groot wijsgeerig belang, en zelfs wanneer het niets weergeeft dan een zekere strooming der Kimbrische gedachte in de zestiende eeuw, is het de aandacht van den beoefenaar van Keltische dingen niet onwaardig. Het beweert ook niet zuiver Druïdisch te zijn, want Christelijke personen en episoden uit de Christelijke geschiedenis komen er veel in voor. Maar nu en dan treft ons een gedachtengang, die, wat dan ook, stellig niet Christelijk is, en die getuigt van een zelfstandig wijsgeerig stelsel.
In dit stelsel worden twee primaire wezens aangenomen, God en Cytrawl, die respectievelijk vertegenwoordigen het beginsel van kracht die tot leven voert, en dat van verwoesting die tot het niet leidt. Cythrawl wordt verwezenlijkt in Annwn3, dat kan worden weergegeven met Afgrond, of Chaos. In den beginne was er niets dan God en Annwn. Organisch leven begon met het Woord—God sprak zijn onuitsprekelijken Naam uit en de “Manred werd gevormd.” De “Manred” was de allereerste stof van het heelal. Zij wordt voorgesteld als een menigte kleine ondeelbare deeltjes—feitelijk atomen—waarvan elk een microcosmos is, want in elk is God geheel, terwijl elk tegelijkertijd een deel is van God, het Geheel. Al het nu bestaande wordt voorgesteld door drie concentrische cirkels. De binnenste, waar leven ontspringt uit Annwn, heet “Abred,” en is het stadium van worsteling en evolutie—de strijd tusschen leven en Cytrawl. De volgende is de cirkel van “Gwynfyd,” of Reinheid, waarin het leven zich openbaart als een reine blijde kracht, die over het booze heeft getriumfeerd. De laatste en buitenste cirkel heet “Ceugant,” of Oneindigheid. Hier ontbreken alle predikaten en deze cirkel, graphisch voorgesteld niet door een gesloten lijn, maar door divergeerende stralen, is bewoond door God alleen.
Het volgend uittreksel uit “Barddas,” waarin de beweerde bardenleering in catechismusvorm is weergegeven, kan dienen om den gedachtengang van den schrijver te toonen:
“Vr. Waaruit zijt gij voortgekomen?
“Antw. Ik kwam uit de Groote Wereld en begon bij Annwn.
“Vr. Waar zijt ge nu en hoe kwaamt ge waar ge nu zijt?
“Antw. Ik ben in de Kleine Wereld, waar ik kwam na door den cirkel van Abred te zijn gegaan, en nu ik een Mensch ben, aan het einde en de uiterste grenzen er van.
“Vr. Wat waart ge voor dat ge een Mensch werdt, in den cirkel van Abred?
De Cirkels van het Bestaande.
“Antw. Ik was in Annwn het minst mogelijke dat vatbaar is om te leven, en het dichtst mogelijke bij volstrekten dood; en ik kwam in elken vorm en door elken vorm, passend bij een lichaam en leven tot den menschelijken staat langs den cirkel van Abred, waar mijn toestand moeilijk en treurig was gedurende de eeuw der eeuwen, van het oogenblik af dat ik in Annwn van de dooden werd gescheiden, door de genade Gods, en Zijn groote edelmoedigheid en Zijn onbeperkte en eindelooze liefde.
“Vr. Door hoeveel verschillende vormen gingt ge en wat overkwam u?
“Antw. Door elken vorm die levensvatbaar is, in het water, in den grond, in de lucht. En ik onderging alle moeilijkheid, alle ontbering, alle kwaad en alle lijden, en slechts luttel was de goedheid of Gwynfyd, voordat ik een mensch werd.... Gwynfyd kan niet worden bereikt zonder alles te zien en te weten, maar het is niet mogelijk alles te zien of te weten zonder alles te lijden.... En er kan geen volkomen en volmaakte liefde zijn die niet die dingen voortbrengt, noodig om te leiden tot de kennis die tot Gwynfyd leidt.”
Elk wezen, zoo heet het, zal ten slotte den cirkel van Gwynfyd bereiken4.
Er is veel hierin dat ons doet denken aan Gnostische of Oostersche ideeën. Stellig verschilt het sterk van de Christelijke orthodoxie der zestiende eeuw. Als een product van den Kimbrischen geest van dien tijd kan de lezer het nemen voor hetgeen het waard is, zonder zich te bekommeren hetzij om oudheidkundige theorieën of de wederleggingen daarvan.
Wenden wij ons nu tot het werkelijk oude werk dat niet philosophisch is, maar een werk van de verbeelding, door Britsche barden en vertellers van de Middeneeuwen voortgebracht. Maar alvorens uiteen te zetten wat wij in deze literatuur zullen vinden, moeten wij een oogenblik stilstaan bij iets dat we er niet in zullen vinden.
De Arthur-sage.
Bij de meerderheid der moderne lezers, die geen bijzondere studie van het onderwerp hebben gemaakt, zal, wanneer sprake is van oude Britsche legenden onvermijdelijk de herinnering opkomen aan de heldenfeiten van de Arthur-sage; zij zullen denken aan het fabelpaleis te Caerleon aan de Usk; aan de Ridders van de Tafelronde die op edele avonturen uit gaan; aan het zoeken naar den Graal; aan de zondige liefde van Lancelot, bloem der Ridderschap, voor de koningin; aan den laatsten grooten slag bij de noordzee; aan de reis van Arthur, zwaar gewond maar onsterflijk, naar het mystieke dal van Avalon. Maar feitelijk zullen zij in de eigen literatuur van het middeneeuwsche Wales weinig of niets van dat alles vinden—geen Tafelronde, geen Lancelot, geen zoeken naar den Graal, geen eiland van Avalon, voordat de bewoners van Wales daarover uit den vreemde hoorden; en hoewel er inderdaad een Arthur was in deze literatuur, verschilt hij ten eenenmale van den Arthur in wat wij nu noemen de Arthur-sage.
Nennius.
Het vroegst vinden wij Arthur vermeld in het werk van den Britschen geschiedschrijver Nennius, die zijn “Historia Britonum” omstreeks het jaar 800 schreef. Hij beroept zich op verschillende bronnen—oude monumenten en geschriften van Brittannië en Ierland (in verband met het laatste land vermeldt hij de legende van Partholan), Romeinsche jaarboeken en kronieken van heiligen, in het bijzonder St. Germanus. Hij geeft een fantastisch verromeinschte en verchristelijkte voorstelling van de Britsche geschiedenis en laat de Britten afstammen van Trojaansche en Romeinsche voorouders. Maar zijn verhaal over Arthur is èn sober èn kort. Arthur, die, volgens Nennius, in de zesde eeuw leefde, was geen koning; hij was van minder edele afkomst dan vele andere Britsche hoofden, die hem echter, om zijn groote talenten als militair imperator of dux bellorum, tot hun leider kozen tegen de Saksers, die hij in twaalf veldslagen versloeg; de laatste was die bij den Berg Badon. Arthur’s ambt was ongetwijfeld een overblijfsel van de Romeinsche krijgsorganisatie en er is geen reden aan zijn historisch bestaan te twijfelen, hoe ondoordringbaar ook de sluier moge zijn, die nu over zijn dapper en vaak zegevierende vechten voor orde en beschaving in die rampzalige eeuw is uitgebreid.
Geoffrey van Monmouth.
Dan hebben we Geoffrey van Monmouth, bisschop van St. Asaph, die zijn “Historia Regum Britaniae” in Zuid-Wales schreef, in het begin van de twaalfde eeuw. Dit werk is een stoute poging om sobere geschiedenis te maken van een massa mythische of legendaire stof, hoofdzakelijk geput, zoo men den schrijver gelooven mag, uit een oud boek, door zijn oom Walter, aartsdeken van Oxford, uit Brittannië meegebracht. Het vermelden van Brittannië in dit verband is, zooals wij zullen zien, zeer gewichtig. Geoffrey schreef bepaaldelijk om de daden van Arthur te herdenken, die nu optreedt als een koning, zoon van Uther Pendragon en van Igerna, de vrouw van Gorlois Hertog van Cornwallis, tot wie Uther toegang kreeg in de gedaante van haar echtgenoot door de tooverkunsten van Merlin. Hij stelt het begin van Arthur’s regeering in het jaar 505, verhaalt van zijn oorlogen tegen de Saksers en zegt dat hij ten slotte niet alleen geheel Brittannië, maar Ierland, Noorwegen, Gallië en Dacië veroverde, en met goed gevolg een eisch van de Romeinen, die schatting en hulde vorderden, weerstond. Hij hield zijn hof te Caerleon aan de Usk. Terwijl hij op het vasteland was en met Rome strijd voerde, maakte zijn neef Modred zich meester van de kroon en huwde zijn vrouw Guanhumara. Hierop keerde Arthur terug en na den verrader te Winchester te hebben verslagen, doodde hij hem in een laatsten slag in Cornwallis, waar Arthur zelf zwaar gewond werd (A.D. 542). De koningin trok zich terug in een klooster te Caerleon. Voor zijn dood droeg Arthur zijn rijk over op zijn bloedverwant Constantine, en werd toen op geheimzinnige wijze weggevoerd naar het “eiland Avalon” om te worden genezen, en “de rest is zwijgen.” Arthur’s tooverzwaard “Caliburn” (in de taal van Wales Caladuwlch; zie blz. 205, noot) wordt door Geoffrey vermeld en beschreven als te zijn gemaakt in Avalon, een woord waarmede een soort van tooverland schijnt te zijn bedoeld, een Land der Dooden, misschien verwant met het Noorsche Valhall. Eerst in later tijden werd Avalon aangewezen als te zijn een bestaande plaats in Brittannië (Glastonbury). In het verhaal van Geoffrey komt niets voor over den Heiligen Graal, of Lancelot, of de Tafelronde, en behoudens de toespeling op Avalon ontbreekt het mystieke element van de Arthur-sage. Evenals Nennius wijst Geoffrey de Britten een fantastischen klassieken oorsprong aan. Zijn zoogenaamde geschiedenis is volmaakt waardeloos als een vermelding van feiten, maar is een ware mijn gebleken voor dichters en kroniekschrijvers en haar komt de eer toe de stof te hebben geleverd voor het vroegste Engelsche tragisch drama “Gorboduc” en voor Shakespeare’s “King Lear”; en de auteur kan worden aangemerkt als de vader—althans van den quasi-historischen kant beschouwd—van de Arthur-sage, die hij samenstelde gedeeltelijk uit verhalen van den historischen dux bellorum van Nennius, gedeeltelijk uit poëtische uitbreidingen daarvan gemaakt in Bretagne door afstammelingen van ballingen uit Wales, van welke er vele daarheen vluchtten juist toen Arthur oorlog voerde tegen de heidensche Saksers. Het boek van Geoffrey had een verbazend succes. Het werd al spoedig in het Fransch vertaald door Wace, die “Li Romans de Brut” schreef omstreeks 1155, met bijzonderheden uit Bretagner bronnen er bijgevoegd, en uit het Fransch van Wace vertaald in het Angel-Saksisch door Layamon, die aldus Malory’s bewerkingen van latere Fransche proza-verhalen vóór was. Met uitzondering van enkele geleerden die vruchteloos protesteerden, twijfelde niemand aan de zuiver historische waarde, en het had de belangrijke uitwerking aan de vroegere Britsche geschiedenis een nieuwe waardigheid te geven in de schatting van vastelands- en Engelsche vorsten. Op den troon van Arthur te zitten werd op zich zelf als een glorie beschouwd, door monarchen uit het geslacht der Plantagenets, die geen droppel van Arthur’s of van eenig Britsch bloed in de aderen hadden.
De sage in Bretagne: Marie de France.
Nu iets over de bronnen van Bretagne. Jammer genoeg, geen regel van de oude literatuur van Bretagne is tot ons gekomen en voor de kennis daarvan moeten wij afgaan op hetgeen daarover voorkomt in het werk van Fransche schrijvers. Een van de eersten dezer is de Anglo-Normandische dichteres die zich Marie de France noemt en die omstreeks 1150 en daarna schreef. Zij dichtte o.a. een aantal “Lais,” of verhalen, die zij uitdrukkelijk en herhaaldelijk zegt te zijn vertaald of bewerkt naar bronnen van Bretagne. Soms beweert zij het oorspronkelijke precies te hebben weergegeven:
“Les contes que jo sai verais (que je sais vrais)
Dunt li Bretun unt fait les lais
Vos conterai assez briefment;
Et cief (sauf) di cest coumencement
Selunc la lettre è l’ escriture.”
Feitelijk wordt in de verhalen weinig over Arthur gezegd, maar de gebeurtenissen er in vallen in zijn tijd—en cet temps tint Artus la terre—en de toespelingen, o.a. een vermelding van de Tafelronde, wijzen klaarblijkelijk er op dat het onderwerp algemeen bekend was onder hen voor wie deze “Lais” van Bretagne bestemd waren. Lancelot wordt niet genoemd, maar er is een “Lai” over zekeren Lanval, die door Arthur’s koningin wordt bemind, maar die haar afwijst omdat hij een tooveres tot minnares heeft in het “isle d’Avalon.” Gawain wordt genoemd en een episode wordt verteld in den “Lai de Chevrefoil” van Tristan en Isolde, over wier dienstmaagd “Brangien” zoodanig wordt gesproken, dat de toehoorders blijkbaar wisten welke rol zij had gespeeld in Isolde’s huwelijksnacht. Om kort te gaan, wij hebben hier het bewijs dat zich in Bretagne een wijd verbreide en goed ontwikkelde massa ridderlegenden om de persoon van Arthur had opgehoopt. Zoo welbekend zijn de legenden, dat bloote toespelingen op personen en episoden daarin evengoed begrepen worden als verwijzingen naar Tennyson’s “Idylls” het bij ons zouden zijn in onzen tijd. De “Lais” van Marie de France wijzen derhalve sterk op Bretagne als de ware bakermat van de Arthur-sage, van haar riddelijken en romantischen kant. Zij maken echter geen melding van den Graal.
Chrestien de Troyes.
Ten slotte en bovenal hebben wij het werk van den Franschen dichter Chrestien de Troyes, die in 1165, evenals Marie de France, “Lais” uit Bretagne begon te vertalen en die feitelijk de Arthur-sage in de poëtische literatuur van Europa bracht en er de voornaamste trekken en haar karakter aan gaf. Hij schreef een “Tristan” (nu verloren gegaan). Hij (zoo niet Walter Map) bracht Lancelot van het Meer in het verhaal; hij schreef een Conte del Graal, waarin voor het eerst de Graal-legende en Perceval voorkomen, al liet hij het verhaal onvoltooid en al vertelt hij ons niet wat de “Graal” werkelijk was5. Hij schreef ook een lang conte d’aventure, getiteld “Erec,” bevattende de geschiedenis van Geraint en Enid. Dit zijn de vroegste gedichten die wij bezitten, waarin de Arthur van de ridderlegende sterk op den voorgrond treedt. Welke waren de bronnen van Chrestien? Ongetwijfeld voor een groot deel uit Bretagne. Troyes ligt in Champagne, dat in 1019 door Eudes, Graaf van Blois, met Blois was vereenigd en weer na een periode van scheiding er mee was hereenigd, door Graaf Theobald van Blois in 1128. Maria, Gravin van Champagne, was de beschermvrouw van Chrestien. En er waren nauwe banden tusschen de heerschende vorsten van Blois en Bretagne. Alain II, een Hertog van Bretagne, had in de tiende eeuw een zuster van den Graaf van Blois gehuwd en in het eerste vierde gedeelte van de dertiende eeuw huwde Jean I van Bretagne Blanche van Champagne, terwijl hun dochter Alix in 1254 Jean de Chastillon, Graaf van Blois, huwde. Het is derhalve hoogst waarschijnlijk, dat door minstreels die hun meesters uit Bretagne aan het hof van Blois volgen, van het midden der tiende eeuw af, een groot aantal “Lais” en legenden uit Bretagne hun weg vonden tot de Fransche literatuur in de elfde, twaalfde en dertiende eeuwen. Maar het is ook zeker dat de legenden van Bretagne zelf sterk onder Fransche invloeden waren geraakt en dat wij aan de Matière de France, zooals die door middeneeuwsche schrijvers werd genoemd6—i.e. de legenden van Karel de Groote en zijn Paladynen—de Tafelronde verschuldigd zijn en de riddergebruiken toegeschreven aan Arthur’s hof te Caerleon aan de Usk.
Bleheris.
Men moet niet vergeten (iets waarop miss Jessie L. Weston met nadruk heeft gewezen in haar onwaardeerbare studies over de Arthur-sage) dat Gautier van Denain, de eerste van de voortzetters of omwerkers van Chrestien de Troyes, als zijn bron voor de verhalen van Gawain zekeren Bleheris noemt, een dichter “geboren en opgegroeid in Wales.” Men houdt dezen vergeten bard voor identiek met famosus ille fabulator, Bledhericus, vermeld door Giraldus Cambrensis, en met den Bréris, dien Thomas van Bretagne aanhaalt als een autoriteit voor de Tristan-geschiedenis.
Conclusie betreffende den oorsprong van de Arthur-sage.
Bij gebrek evenwel aan eenige inlichting omtrent den tijd waarin Bleheris schreef, of wat hij precies schreef, moet dunkt mij, de meening stand houden, dat de Arthur-sage, zooals wij die nu hebben, niet uit Wales en zelfs niet alleen uit Bretagne afkomstig is. De ballingen uit Wales, die omstreeks de zesde eeuw een deel van Bretagne koloniseerden, moeten vele verhalen van den historischen Arthur hebben meegebracht. Zij moeten ook hebben meegebracht legenden van de Keltische godheid Artaius, een god voor wien in Frankrijk altaren zijn gevonden. Deze personages gingen ten slotte in elkaar over, evenals in Ierland de christelijke St. Brigit samenviel met de heidensche godin Brigindo7. Wij krijgen aldus een mythische figuur, die iets van de goddelijke hoogheid verbindt met een bepaalde woonplaats op aarde en een plaats in de geschiedenis. Aldus onstond een Arthur-sage, die in haar Bretagner vorm (niet in haar Wales-vorm) zeer verrijkt was met materiaal geput uit de legenden van Karel de Groote en zijn pairs, terwijl zij èn in Bretagne èn in Wales een centrum werd, waarom heen zich een massa onzeker legende-materiaal groepeerde, betrekking hebbend op allerlei Keltische personages, menschelijke en goddelijke. Chrestien de Troyes, naar materiaal uit Bretagne werkende, gaf haar ten slotte den vorm waarin zij de wereld veroverde en waarin zij in de twaalfde en dertiende eeuwen werd wat de Faust-legende in later tijden was: het erkend voertuig voor de idealen en de verlangens van een tijdperk.
De sage in Wales.
Uit het vasteland en in het bijzonder uit Bretagne, kwam de geschiedenis van Arthur gewijzigd en verheerlijkt in Wales terug. Wijlen dr. Heinrich Zimmer merkt in een van zijn schitterende studies over het onderwerp op, dat “er in de literatuur van Wales stellige getuigenis is, dat vorst Rhys ap Tewdwr uit Zuid-Wales, die in Bretagne was geweest, van daar in 1070 naar Wales de wetenschap van Arthur’s Tafelronde meebracht, waar die natuurlijk tot hiertoe onbekend was”8 En men weet dat vele edelen uit Bretagne de banier van Willem de Veroveraar naar Engeland volgden9. Zij die de sage in Wales invoerden vonden daar echter al een aanzienlijke massa stof over Arthur van een geheel verschillend karakter. Behalve de tradities van den historischen Arthur, den dux bellorum van Nennius, was er de Keltische godheid Artaius. Het is vermoedelijk een herinnering aan die godheid die wij onder den naam Arthur aantreffen in het eenige echte Arthur-verhaal in Wales dat wij bezitten, de geschiedenis van Kilhwch en Olwen in de “Mabinogion.” Veel van de Arthur-sage aan Chrestien en andere schrijvers van het vasteland ontleend, werd in Wales vertaald en bewerkt, evenals in andere Europeesche landen, maar feitelijk maakte zij later en geringer indruk in Wales dan bijna overal elders. Zij kwam in botsing met bestaande tradities daar, zoowel historische als mythologische; zij bevatte veel dat den geest daar geheel vreemd was en zij bleef daar altijd iets van een ander land dat niet was geassimileerd. In Ierland drong zij in het geheel niet door.
Natuurlijk maken deze weinige inleidende opmerkingen er geen aanspraak op een bespreking van de Arthur-sage te zijn—een uitgebreid onderwerp met tallooze vertakkingen, historische, mythologische, mystieke en wat niet al—maar beoogen zij alleen de betrekking tusschen die sage en de echte Keltische literatuur aan te wijzen en te verklaren waarom wij daarvan zoo weinig zullen hooren in de volgende mededeelingen over Kimbrische mythen en legenden. Zij was een groote geestelijke mythe die, ontstaan uit de vroeger beschreven bronnen, het geheele vasteland veroverde zooals de held er van werd ondersteld dat met de wapens te hebben gedaan, maar zij kan niet worden beschouwd als een bijzonder bezit van het Keltische ras, ook komt zij niet voor in eenige Keltische taal, tenzij vertaald, of bewerkt.
Galische en Kimbrische legenden.
De mythen en legenden van het Keltische ras, die tot ons zijn gekomen in de taal van Wales zijn in sommige opzichten van een ander karakter dan die welke wij in het Galisch bezitten. Het materiaal van Wales is lang niet zoo rijk, ook niet zoo oud. De verhalen van de “Mabinogion” zijn in hoofdzaak geput uit het veertiend’ eeuwsch handschrift. “Het Roode Boek van Hergest.” Een er van, het verhaal van Taliesin, kwam uit een andere bron, een manuscript van de zestiende eeuw. De vier oudste verhalen in de “Mabinogion” worden door de geleerden ondersteld hun tegenwoordigen vorm te hebben aangenomen in de tiende of elfde eeuw, terwijl verscheidene Iersche verhalen, zooals de geschiedenis van Etain en Midir of de Dood van Conary, tot de zevende of achtste eeuw teruggaan. Men zal zich herinneren dat de geschiedenis van den inval van Partholan aan Nennius bekend was, die omstreeks het jaar 800 schreef. Zooals daarom te verwachten was, zijn de mythologische elementen in de verhalen uit Wales doorgaans veel verwarder en moeilijker te ontcijferen dan in de vroegere Iersche verhalen. Het mythische is van minder belang, de geschiedenis van meer belang geworden; het is den bard minder er om te doen een gewijden tekst te overleveren dan het hof van een vorst afleiding te bezorgen. Wij moeten ook in het oog houden dat de invloed van de continentale ridderverhalen in de verhalen van Wales duidelijk merkbaar is en hen feitelijk eventueel geheel gaat beheerschen.
Galische en continentale romantiek.
In vele opzichten liep de Iersche Kelt vooruit op de ideeën in die verhalen. De voorname hoofschheid die vijanden elkander betoonden10, de zonderlinge trots die een krijgsman verbood partij te trekken van den hulpeloozen toestand van een gewond tegenstander11, de overdreven vormelijkheid waarmede de plichten of voorschriften behoorende bij ieders kaste of stand werden in acht genomen12—deze geheele sfeer van gedachten en gevoelens die ons zoo vreemd zou voorkomen, indien wij een voorbeeld er van aantroffen in de klassieke literatuur, zou zeer gewoon en natuurlijk lijken in continentale verhalen van de twaalfde en latere eeuwen. Eeuwen vroeger was die een kenmerkende trek in de Galische literatuur. Toch ontbreekt in de Iersche verhalen, hetzij Ultoniaansche of Ossian’sche, dat element, dat sedert dien als het meest belangrijke motief in een romantisch verhaal werd beschouwd, zoo goed als geheel. Dat is het element der liefde, of liever der vrouwenvereering. De continentale verteller begreep dat hij niets vermocht zonder dit motief van handeling. Maar de “beminde” van den Engelschen, Franschen, of Duitschen ridder, wier kleuren hij droeg, om wier gunst hij ongekende ontberingen en gevaren verduurde, komt niet voor in de Galische literatuur. Het zou den Ierschen Kelt ongerijmd hebben toegeschenen, de intrige van een ernstig verhaal te laten draaien om de soort van hartstocht, die de middeneeuwsche Dulcinea haar trouwen ridder wist in te boezemen. In de twee beroemdste en populairste Galische verhalen van minne, dat van Deirdre, en “De Vervolging van Dermot en Grania,” zijn het de vrouwen die de mannen trachten te winnen en de mannen gaan zeer ongaarne er toe over te begaan wat zij weten te zijn: de dwaasheid hun toe te geven. Deze romantische ridderlijke soort van liefde nu, die de vrouw tot een godin idealiseerde en den dienst zijner dame voor den ridder tot een heiligen plicht maakte, is, hoewel zij in Wales nimmer zoo in aanzien kwam als in continentale en Engelsche verhalen, toch daar duidelijk waarneembaar. Wij kunnen die vervolgen in “Kilhwch en Olwen,” betrekkelijk een oud verhaal. Zij komt duidelijk uit in latere verhalen, als “Peredur” en “De Vrouw van de Bron.” Het is een teeken in welke mate de literatuur van Wales, vergeleken bij de Iersche, haar zuiver Keltischen geest had verloren en vreemde invloeden had ondergaan—ik zeg natuurlijk niet tot haar schade.
Galische en Kimbrische mythologie: Nudd.
De oudste verhalen van Wales, die welke geheeten zijn “De vier takken van de Mabinogi”13 zijn het rijkst aan mythologische elementen, maar deze komen in meer of min herkenbaren vorm voor in bijna alle middeneeuwsche verhalen, en zelfs, na vele veranderingen, bij Malory. Wij kunnen duidelijk zekere mythologische figuren onderscheiden, aan alle Keltische geschriften gemeen. Zoo vinden wij bijv. een personage genaamd Nudd of Lludd, blijkbaar een zonnegodheid. Een tempel stammend uit Romeinsche tijden en hem toegewijd onder den naam van Nodens, is ontdekt te Lydney, aan de Severn. Op een bronzen bord, dicht bij de plek gevonden, is een voorstelling van den god. Hij is omgeven door een stralenkrans en vergezeld door vliegende geesten en door Tritons. Dat doet ons denken aan de Danaansche godheden en hun nauwe betrekking tot de zee; en wanneer wij vinden dat in legenden van Wales een epitheton met Nudd is verbonden, beteekenend “met de zilveren hand” (hoewel geen bestaande legende van Wales de beteekenis van dat epitheton vertelt), valt het ons niet moeilijk dezen Nudd een te verklaren met Nuada met de zilveren hand, die de Dananen aanvoerde in den slag van Moytura14. Onder zijn naam Lludd had hij, zegt men, een tempel op de plaats van St. Paul te Londen, waarvan de ingang, volgens Geoffrey van Monmouth, in de taal van Bretagne Parth Lludd werd geheeten, wat de Saksers vertaalden met Ludes Geat, ons tegenwoordig Ludgate.
Llyr en Manawyddan.
Zoo kunnen wij, wanneer wij een mythologische persoon aantreffen Llyr geheeten, met een zoon genaamd Manawyddan, die een voorname rol speelt in legenden van Wales, hen veilig in verband brengen met den Ierschen Lir en zijn zoon Mananan, goden van de zee. Llyr-cester, nu Leicester, was een centrum van den eeredienst van Llyr.
Llew Llaw Gyffes.
Ten slotte kunnen wij wijzen op een figuur in de “Mabinogi” (in de vertelling getiteld “Māth zoon van Māthowny”). De naam er van wordt gegeven als Llew Llaw Gyffes, wat de verteller uit Wales vertolkt met “De leeuw met de vaste hand,” en een verhaal, dat hier later volgt, wordt gedaan om den naam te verklaren. Maar wanneer wij zien dat deze held eigenschappen vertoont die er op wijzen dat hij een zonnegodheid is, zoo bijv. een verbazend snelle groei van kind tot man, en wanneer wij bovendien van professor Rhys vernemen dat Gyffes oorspronkelijk beteekende, niet “vast” of “zeker,” maar “lang”15, dan wordt het duidelijk, dat wij hier een flauwe en afgebroken herinnering hebben aan de godheid die de Galen noemden Lugh met den langen arm16, Lugh Lamh Fada. De verkeerd begrepen naam bleef leven en om het misverstand zette zich legendaire stof, die bij het volk rond ging, tot een nieuw verhaal vast.
Men zou deze overeenstemmingen nog verder in bijzonderheden kunnen aantoonen. Hier kunnen wij volstaan met er op te wijzen als bewijs voor den gemeenschappelijken oorsprong van de Galische en Kimbrische mythologie17. In beide literaturen hebben wij denzelfden kring van mythologische ideeën. Maar in Wales zijn die moeilijker te onderscheiden; de figuren en hun bloedverwantschap in den Olympus van Wales zijn minder nauwkeurig omschreven, wisselender. Het is alsof een aantal verschillende stammen, wat oorspronkelijk dezelfde concepties waren, onder verschillende namen belichaamden en verschillende legenden er om heen weefden. De bardenliteratuur, zooals wij die nu kennen, getuigt nu eens van het op den voorgrond treden van een, dan eens van een ander dezer stam-vereeringen. Eenheid te brengen in deze wisselende voorstellingen is ten eenenmale onmogelijk; toch kunnen we iets doen om den lezer een draad te geven in het doolhof.
De geslachten van Dōn en van Llyr.
Twee groote goddelijke geslachten of familiën kunnen worden onderscheiden—dat van Dōn, een moeder-godin (vertegenwoordigend de Galische Dana), wier echtgenoot is Beli, de Iersche Bilé, god van den Dood, en wier afstammelingen zijn de Kinderen van het Licht; en dat van Llyr, de Galische Lir, die hier vertegenwoordigt, niet een Danaansche godheid, maar iets meer overeenkomend met de Iersche Fomoriërs. Evenals in het geval van de Iersche mythe, zijn de twee familiën door onderling huwelijk verbonden—Penardun, een dochter van Dōn, is gehuwd met Llyr. Dōn zelf heeft een broeder, Māth, wiens naam beteekent rijkdom of schat (verg. het Grieksch Pluton, plautos) en zij stammen af van een niet scherp gekarakteriseerde figuur, Māthonwy geheeten.
Het geslacht van Arthur.
In het pantheon van godheden vertegenwoordigd in de vier oude Mabinogi, kwam in een lateren tijd, uit een andere stambron, een andere groep met Arthur, den god Artaius, aan het hoofd. Hij komt in plaats van Gwydion zoon van Don, en de andere godheden van zijn kring nemen meer of minder precies de plaatsen in van anderen van den vroegeren kring. De hier bijgevoegde genealogische tafels strekken om den lezer te helpen aan een algemeen overzicht van de betrekkingen tusschen deze personages en hun attributen. Men moet evenwel in het oog houden dat deze rangschikkingen in tabellen een schijn van nauwkeurigheid en consequentie geven die niet wordt teruggevonden in het wisselend karakter van de werkelijke mythen als een geheel beschouwd. Als een schetskaart van een zeer lastig en duister gebied kunnen zij echter den lezer, die het voor het eerst betreedt, helpen zijn richting daarin te vinden, en dat is het eenig doel dat zij beoogen.
Gwyn ap Nudd.
De godheid Gwyn ap Nudd geheeten heeft, naar men zegt, evenals Finn in de Galische legende18, dieper en blijvender indruk op de volksverbeelding in Wales gemaakt dan eenige andere godheid. Machtig krijger en jager, vermeit hij zich in het gekraak van brekende speren, en, evenals Odin, verzamelt hij de zielen van doode helden in zijn donker rijk, want, hoewel hij behoort tot de familie der Licht-goden, is het schimmenrijk zijn bijzonder domein. Het gevecht tusschen hem en Gwythur ap Greidawl (Victor, zoon van den Schroeier) om Creudylad, dochter van Lludd, dat elken Meidag wordt herhaald tot het eind der tijden, beteekent blijkbaar den strijd tusschen winter en zomer om de bebloemde en vruchtbare aarde. “Later,” schrijft Squire, “werd hij gehouden voor den Koning van de Tylwyth Teg, de feeën van Wales, en zijn naam als zoodanig is nog niet geheel uitgestorven in zijn laatste verblijfplaats, het romantisch dal van Neath.... Hij is de wilde Jager van Wales in het Westen van Engeland en het is zijn jacht, die soms in verlaten oorden des nachts wordt gehoord”19. Hij komt voor als een god van oorlog en dood in een prachtig gedicht uit het “Zwarte Boek van Caermarthen,” waar hij wordt voorgesteld in gesprek met een prins, Gwyddneu Garanhir geheeten, die zijn bescherming was komen vragen. Ik haal eenige coupletten aan: men vindt het gedicht in zijn geheel in Squire’s voortreffelijk boek.