“Ik zal haar niet loslaten”
De scholier vroeg hem wat hij ging doen en verzocht hem de muis los te laten. “Het past een man van uw rang weinig zulk een kruipend dier aan te raken.” “Ik zal haar niet los laten, bij den Hemel”, zeide Manawyddan en hij bleef daarbij, hoewel de scholier hem een pond bood, om haar vrij te laten. “Het kan mij niet schelen”, zeide de scholier; “maar ik zou een man van stand niet gaarne zulk een kruipend dier zien aanraken” en dit zeggende vervolgde hij zijn weg.
Terwijl Manawyddan bezig was den kruisbalk te plaatsen op de twee palen van zijn galg, kwam een priester aanrijden op een getuigd paard en nu volgde hetzelfde gesprek. De priester bood drie pond voor het leven van de muis, maar Manawyddan weigerde er geld voor te nemen. “Het is goed, heer, doe wat gij wilt”, zeide de priester, en ook hij ging heen.
Toen deed Manawyddan een strik om den hals van de muis en was op het punt die op te trekken, toen hij een bisschop hem zag naderen met een groot gevolg van vrachtpaarden en dienaren. En hij hield op en vroeg des bisschops zegen. “De zegen des Hemels zij met u”, zeide de bisschop; “wat waart gij doende?” “Een dief op te hangen”, antwoordde Manawyddan. De bisschop bood zeven pond, “liever dan een man van uw stand een zoo gemeen kruipend dier te zien ombrengen.” Manawyddan weigerde. Toen werd hem vierentwintig pond geboden, en toen het dubbele daarvan, toen al de paarden en het reisgoed van den bisschop—alles te vergeefs. “Daar gij het daarvoor niet doen wilt”, zeide de bisschop, “zeg dan voor welken prijs gij wilt.” “Dat wil ik doen”, zeide Manawyddan; “ik wil de vrijheid van Rhiannon en Prideri.” “Die zult gij hebben”, zeide de (gewaande) bisschop. Daarna vraagt Manawyddan dat de betoovering voor altijd van de zeven Gebieden van Dyfed zal worden weggenomen en hij dringt er ten slotte op aan, dat de bisschop hem zal zeggen wie de muis is en waarom de betoovering over het land was gebracht. “Ik ben Llwyd, zoon van Kilcoed”, antwoordde de toovenaar, “en de muis is mijn vrouw; ware zij niet zwanger, gij zoudt haar nooit hebben ingehaald.” Hij geeft vervolgens een verklaring die ons terugvoert tot de eerste Mabinogi van de Bruiloft van Rhiannon. Het land was betooverd geworden om het kwaad te wreken Llwyd’s vriend, Gwawl zoon van Clud, aangedaan, met wien de vader van Pryderi en zijn ridders “Das in den zak” hadden gespeeld aan het hof van Hevydd Hēn. De muizen waren de edelen en de vrouwen van Llwyd’s hof.
De toovenaar moet dan verder beloven, dat geen wraak meer zal worden genomen op Pryderi, Rhiannon, of Manawyddan, en toen de twee betooverde gevangenen terug waren gegeven, wordt de muis vrij gelaten. Toen raakte Llwyd die met een tooverstaf aan en zij veranderde in een jonge vrouw “de schoonste die men ooit zag.” En rondkijkend zag Manawyddan het geheele land bebouwd en bevolkt als in zijn besten staat, en vol kudden en woningen. “Welke last,” vraagt hij, “was Pryderi en Rhiannon opgelegd?” “Pryderi heeft de kloppers van de poort van mijn paleis om zijn nek gehad en Rhiannon de halsbanden van de ezels nadat zij hooi hadden gedragen.” En dat was hun last geweest.
Het verhaal van Māth zoon van Māthonwy.
Het vorige verhaal was er een van tooverij en vizioenen, waarin het mythologisch element slechts zwak is. Het verhaal echter waartoe we nu komen, voert ons in een kennelijk mythologische sfeer. Het hoofdmotief er van toont ons de Machten van het Licht in strijd met die van de Onderwereld om de gewaardeerde bezittingen van deze laatste; in dit geval een kudde tooverzwijnen. Bij het begin van het verhaal worden wij voorgesteld aan de godheid Māth, van wien de bard ons vertelt, dat hij niet kon bestaan tenzij zijn voeten lagen in den schoot van een maagd, behalve wanneer het land door oorlog wordt beroerd34. Māth wordt gezegd te zijn heer van Gwynedd, terwijl Pryderi heerscht over de een-en-twintig gebieden van het zuiden. Bij Māth waren zijn neven Gwydion en Gilvaethwy zonen van Dōn, die voor hem in het land rechtspraken, terwijl Māth lag met de voeten in den schoot van de schoonste maagd van het land en van haar tijd, Goewin dochter van Pebin van Dol Pebin in Arvon.
Gwydion en de zwijnen van Pryderi.
Gilvaethwy werd smoorlijk verliefd op Goewin en vertrouwde het geheim toe aan zijn broeder. Gwydion nam op zich hem te verschaffen wat hij begeerde. Hij ging dus op zekeren dag tot Māth en vroeg van hem vergunning zich tot Pryderi te begeven en van hem te vragen als geschenk, voor Māth, een kudde zwijnen hem geschonken door Arawn Koning van Annwn. “Het zijn beesten,” zeide hij, “zooals men die te voren op dit eiland niet kende... hun vleesch is beter dan dat van ossen.” Māth heette hem te gaan en hij en Gilvaethwy vertrokken met tien makkers naar Dyfed. Zij gingen naar het paleis van Pryderi als barden vermomd en Gwydion werd, na te zijn onthaald aan een maal, verzocht het hof een verhaal te doen. Na iedereen met zijn voordracht in verrukking te hebben gebracht vroeg hij de zwijnen ten geschenke. Maar Pryderi had zich tegenover zijn volk verbonden ze noch te verkoopen, noch weg te geven voordat zij in het land het dubbel van hun getal hadden voortgebracht. “Maar gij kunt ze toch ruilen,” zeide Gwydion, en door tooverkunsten bracht hij in een vizioen twaalf prachtig opgetuigde paarden en twaalf jachthonden en gaf die aan Pryderi en maakte zich zoo gauw hij kon met de zwijnen uit de voeten, “want,” zeide hij tot zijn makkers, “het vizioen zal niet langer duren dan van dit uur tot hetzelfde uur morgen.”
Wat beoogd was kwam te gebeuren—Pryderi viel in het land om zijn zwijnen terug te krijgen, Māth trok gewapend tegen hem op en Gilvaethwy greep de gelegenheid aan en maakte Goewin tot zijn vrouw, hoewel zij onwillig was.
Dood van Pryderi.
De oorlog werd beslist door een tweegevecht tusschen Gwydion en Pryderi. “En door kracht en geweld en door de tooverkunst en bezweringen van Gwydion, kwam Pryderi om. En te Maen Tyriawc, boven Melenryd, werd hij begraven en daar is zijn graf”.
De boete van Gwydion en Gilvaethwy.
Toen Māth terugkeerde vernam hij wat Gilvaethwy had gedaan en hij nam Goewin tot zijn koningin, maar Gwydion en Gilvaethwy werden vogelvrij verklaard en woonden aan de grenzen van het land. Ten slotte kwamen zij bij Māth om hun straf te ondergaan. “Gij kunt mijn schande niet goed maken, daargelaten de dood van Pryderi”, zeide hij, “maar nu gij hier gekomen zijt om u aan mijn wil te onderwerpen, zal ik onmiddellijk met uw straf beginnen”. En hij veranderde hen in herten, met het bevel over een jaar terug te komen.
Zij kwamen op den bepaalden tijd en brachten een jong hert mee. En het jonge hert werd in menschelijke gedaante gebracht en gedoopt, en Gwydion en Gilvaethwy werden in wilde zwijnen veranderd. Aan het eind van het volgend jaar kwamen zij terug met een jong, waarmede geschiedde zooals te voren met het jonge hert, en van de broeders werden wolven gemaakt. Weer verstreek een jaar; zij kregen hun menschelijken aard terug en Māth gaf bevel dat zij zouden worden gewasschen en gezalfd en rijk gekleed zooals het betaamde.
De Kinderen van Arianrod: Dylan.
Nu rees de vraag van de aanstelling van een nieuwe maagd als voet-houdster en Gwydion stelt zijn zuster Anrianrod voor. Zij maakt tot dat doel haar opwachting en Māth vraagt haar of zij maagd is. “Ik weet niet anders heer, dan dat ik het ben”, zegt zij. Maar zij schoot te kort bij een tooverproef door Māth opgelegd en bracht twee zonen ter wereld. Een dezer werd Dylan “Zoon van den Golf” genoemd, blijkbaar een Kimbrische zee-godheid. Onmiddellijk nadat hij was gedoopt “sprong hij in zee en zwom zoo goed als de beste visch.....Onder hem brak nooit een golf”. Een wilde poëzie der zee omgeeft zijn naam in legenden uit Wales. Toen hij stierf, men zegt door de hand van zijn oom Govannon, schreiden alle golven van Brittannië en Ierland om hem. Het geraas van den in vallenden vloed bij de monding der rivier Conway wordt nog de “doodszucht van Dylan” genoemd.
Llew Llaw Gyffes.
Het tweede kind werd door Gwydion gegrepen en onder zijn bescherming groot gebracht. Evenals andere zonne-helden, groeide hij zeer snel; toen hij vier jaar telde, was hij zoo groot alsof hij acht was en het bevalligste kind dat men ooit zag. Op zekeren dag nam Gwydion hem mee om zijn moeder Arianrod te bezoeken. Zij haatte de kinderen waardoor het onrechtmatige van haar aanspraken aan het licht was gekomen en maakte Gwydion verwijten, omdat hij het kind voor haar bracht. “Hoe heet hij?”, vroeg zij. “Voorwaar”, zeide Gwydion, “hij heeft nog geen naam”. “Dan leg ik hem dit lot op”, zeide Anrianrod, “dat hij nooit een naam zal hebben voordat ik hem dien geef”. Waarop Gwydion in gramschap heenging en hij bleef dien nacht in zijn kasteel te Caer Dathyl.
Hoewel het feit uit dit verhaal niet blijkt, moet men in het oog houden, dat Gwydion, in de oudere mythologie, de vader is van Arianrod’s kinderen.
Hoe Llew aan zijn naam kwam.
Hij was besloten een naam te krijgen voor zijn zoon. Den volgenden dag ging hij naar het strand beneden Caer Arianrod en nam den jongen mee. Hier zette hij zich in een boot en als meester in de tooverkunst gaf hij zich het uiterlijk van een schoenmaker en den jongen dat van een leerling, en hij begon schoenen te maken uit rietgras en zeewier, dat hij deed lijken op leer uit Cordova. Men berichtte Arianrod van de verwonderlijke schoenen die een vreemde schoenlapper bezig was te maken en zij zond haar maat om een paar te hebben. Gwydion maakte ze te groot. Toen zond zij opnieuw en hij maakte ze te klein. Toen ging ze zelf om te laten passen. Terwijl dit gebeurde, kwam een tuinkoninkje op den mast van de boot zitten en de jongen nam een boog en schoot een pijl af, die den poot doorboorde tusschen spier en been. Arianrod bewonderde het mooie schot. “Voorwaar”, sprak zij, “met een vaste hand (llaw gyffes) mikte de leeuw (llew)”. “Geen dank aan u”, riep Gwydion, “maar nu heeft hij een naam gekregen. Voortaan zal hij Llew Llaw Gyffes heeten.”
Zooals wij zagen beteekent de naam hetzelfde als het Galisch Lugh Lamfada, Lugh (licht) met den Langen Arm; zoodat wij hier een voorbeeld hebben van een legende die groeide om een verkeerd begrepen naam, geërfd van een half vergeten mythologie.
Hoe Llew wapens droeg.
De schoenen werden onmiddellijk weer rietgras en zeewier, en Arianrod, boos omdat zij er was ingeloopen, legde een nieuwen vloek op den jongen. “Hij zal nimmer wapens dragen voor dat ik hem er mee bedeel.” Maar Gwydion ging met den jongen naar Caer Arianrod in de gedaante van twee barden en wekte door tooverkunst het vizioen van een aanval van gewapende mannen op het kasteel. Arianrod geeft hun wapens om de verdedigers te helpen en vindt zich dus opnieuw door Gwydion’s grootere slimheid bedrogen.
Llew’s Bloem-vrouw.
Toen zeide zij: “Hij zal nimmer een vrouw hebben van het ras dat thans de aarde bewoont.” Dit deed een moeilijkheid oprijzen die zelfs Gwydion’s macht te boven ging en hij begaf zich tot Māth, den oppersten meester in de tooverkunst. “Welnu”, zeide Māth, “wij zullen, gij en ik samen, een vrouw voor hem zien te maken uit bloemen.” En zij namen de bloesems van den eik en de bloesems van de brem en de bloesems van de spirea en vormden daaruit een maagd, zoo schoon en bevallig als een man ooit zag. En zij doopten haar en gaven haar den naam “Blodeuwedd of Bloem-gezicht.” Zij trouwden haar met Llew en gaven hem het Dinodig-gebied om over te heerschen, en daar woonden Llew en zijn jonge vrouw een seizoen gelukkig en door allen bemind.
Llew verraden.
Maar Blodeuwedd was haar mooien naam en oorsprong niet waardig. Eens toen Llew weg was voor een bezoek met Māth, kwam een edele, genaamd Gronw Pebyr, in de buurt van Llew’s paleis jagen en Blodeuwedd beminde hem van het oogenblik af dat zij hem zag. Dien nacht sliepen zij samen en den volgenden en den daarop volgenden en toen beraamden zij hoe voorgoed van Llew af te komen. Maar Llew is, evenals de Gothische zonne-held Siegfried, onkwetsbaar, behalve onder bijzondere omstandigheden en Blodeuwedd moet van hem te weten komen hoe hij kan worden gedood. Zij doet dit, zorg voor zijn welzijn voorwendend. Het is een lastig geval. Llew kan alleen worden gedood door een speer waaraan een jaar is gewerkt en alleen gedurende de Offerande van de Hostie op Zondagen. Verder kan hij niet worden gedood in of buiten een huis, te paard of te voet. Het eenige middel is feitelijk, dat hij met éen voet zal staan op een dooden bok, met den ander in een ketel, die als bad wordt gebruikt met riet overdekt; wordt hij in deze houding getroffen door een speer, gemaakt zooals werd aangegeven, dan kan de wond noodlottig zijn, anders niet. Na een jaar, waarin Gronw aan de speer had gewerkt, vroeg Blodeuwedd Llew haar duidelijker te laten zien waartegen zij moest waken en om haar te believen nam hij de vereischte houding aan. Gronw, die in een bosch in de buurt op den loer was, slingerde de noodlottige speer en de kop, die vergiftigd was, drong in Llew’s lijf, maar de schacht brak. Toen veranderde Llew in een arend en met een harden schreeuw steeg hij hoog op in de lucht en werd niet meer gezien. En Gronw nam zijn kasteel en zijn landen in bezit, die hij voegde bij zijn eigen.
De berichten hiervan kwamen ten slotte Gwydion en Māth ter oore en Gwydion maakte zich op om Llew te vinden. Hij kwam bij een zijner vassallen, van wien hij vernam dat een zeug, hem toebehoorend, elken dag verdween en niet te vinden was, maar geregeld elken nacht thuis kwam. Gwydion volgde de zeug, en zij ging ver weg tot het meer sedert dien genaamd Nant y Llew, waar zij onder een boom stil hield en begon te eten. Gwydion wilde zien wat zij at en hij bevond dat het rottend vleesch was, dat een adelaar hoog in den boom gezeten liet vallen en het kwam hem voor dat de adelaar Llew was. Gwydion zong hem toe en lokte hem gaandeweg den boom af, totdat hij bij zijn knie kwam, toen sloeg hij hem met zijn tooverstaf en bracht hij hem weer in de gedaante van Llew, maar tot vel en been uitgeteerd—“niemand zag ooit een treuriger schouwspel.”
Llew’s genezing.
Toen Llew genezen was namen hij en Gwydion wraak op hun vijanden. Blodeuwedd werd in een uil veranderd en gelast het daglicht te schuwen, en Gronw werd gedood door den worp van een speer van Llew, die door een steenen plaat ging om hem te bereiken, en de plaat, met het gat er in door Llew’s speer gemaakt, blijft tot op dezen dag aan den oever van de rivier Cynvael te Ardudwy. En Llew nam voor den tweeden keer bezit van zijn landen en regeerde voorspoedig zijn leven lang.
De vier voorgaande verhalen worden geheeten de Vier Takken van de Mabinogi en vormen het oudste en belangrijkste deel van de verzameling genaamd het “Mabinogion.”
De droom van Maxen Wledig.
De rij der verhalen in het “Mabinogion” volgende, zooals die in Nutt’s uitgave voorkomen, komen we nu tot een, dat zuiver fictie is, zonder eenig mythisch of legendarisch element. Het verhaalt hoe Maxen Wledig, Keizer van Rome, een levendigen droom had, waarin hij in een vreemd land werd gevoerd, waar hij een koning zag op een ivoren stoel gezeten, die met een stalen vijl uit een gouden stang schaakstukken sneed. Naast hem zat, op een gouden troon, de schoonste maagd die hij ooit had aanschouwd. Toen hij wakker werd was hij verliefd op de droommaagd en hij zond overal boden heen om zoo mogelijk te weten te komen welk land en volk hem waren verschenen. Zij bleken van Brittannië te zijn. Maxen ging daarheen, vrijde naar de maagd en huwde haar. Bij zijn afwezigheid werd zijn rijk te Rome door een overweldiger in bezit genomen, maar met behulp van zijn Britsche vrienden heroverde hij zijn gebied en velen hunner vestigden zich daar met hem, terwijl anderen naar Brittannië terugkeerden. Dezen namen vreemde vrouwen mee, maar sneden hun, zoo zegt men, de tong af, opdat zij de taal van de Britten niet zouden bederven. Zoo oud en machtig was dus de toewijding aan hun taal van de Kimbren, van wie de mythische bard Taliesin voorspelde:
“Hun God zullen zij loven,
Hun taal zullen zij houden,
Hun land zullen zij derven
Behalve woest Walia”.
Het verhaal van Lludd en Llevelys.
Dit verhaal staat in verband met het vorige in de afdeeling getiteld Romantische Britsche geschiedenis. Het verhaalt hoe Lludd, zoon van Beli, en zijn broeder Llevelys, respectievelijk regeerden over Brittannië en Frankrijk en hoe Lludd de hulp van zijn broeder inriep om de drie plagen die het land teisterden tot staan te brengen. Deze drie plagen waren: ten eerste de aanwezigheid van een demonisch ras de Coraniërs geheeten; ten tweede een vreeselijke gil die in elk huis in Brittannië den avond vóor Mei gehoord werd en de menschen geweldig deed schrikken; ten derde het onverklaarbaar verdwijnen elken nacht van alle voorraden in het hof des konings, zoodat niets dat niet door de huishouding was gebruikt, den volgenden morgen kon worden gevonden. Lludd en Llevelys bespraken deze dingen door een metalen buis, want de Coraniërs konden alles hooren wat er gesproken werd, wanneer de winden het eenmaal hadden opgevangen—een eigenschap die ook werd toegeschreven aan Māth, zoon van Māthonwy. Llevelys vernietigde de Coraniërs door Lludd een aantal giftige insekten te geven, die moesten worden gestampt en over het volk worden uitgestrooid, bij een volksverzameling. Deze insekten zouden de Coraniërs dooden, maar het volk van Brittannië zou er niet door worden aangetast. De gil kwam volgens Llevelys van twee draken die elkaar eens in het jaar bevochten. Zij moesten worden gedood, door hen dronken te maken met mede, die moest worden gebracht in een kuil, gegraven precies in het centrum van Brittannië—bij meting bleek dat te zijn te Oxford. De voorraden, zeide Llevelys, werden weggenomen door een reus-toovenaar; Lludd wachtte hem op, zooals hem was gelast, en overwon hem in een gevecht en maakte hem voortaan tot zijn trouwen vazal. Aldus verlosten Lludd en Llevelys het eiland van zijn drie plagen.
Arthur-verhalen.
Wij komen nu tot vijf Arthur-verhalen; een daarvan, dat van Kilhwch en Olwen, is de eenige oorspronkelijke Arthur-legende die in de literatuur van Wales tot ons is gekomen. De overigen zijn, zooals we zagen, meer of minder weerspiegelingen uit de Arthur-literatuur, door vreemde handen op het vasteland in woord gebracht.
Kilhwch en Olwen.
Kilwch was een zoon van Kilydd en diens vrouw Goleuddydd en, zoo zegt men, een neef van Arthur. Toen zijn moeder was gestorven, nam Kilydd een andere vrouw en zij, jaloersch op haar stiefzoon, legde hem een tocht op die beloofde lang te duren en gevaarlijk te zijn. “Ik verklaar”, zeide zij, “dat het uw lot is”—de Galen zouden gezegd hebben geis—“geen vrouw te zullen vinden voór gij Olwen krijgt, dochter van Yspaddaden Penkawr”.35. En Kilhwch bloosde bij den naam en “liefde voor de maagd doortrilde zijn geheel lichaam”. Op raad van zijn vader begaf hij zich naar het Hof van Arthur, om te vernemen hoe en waar hij haar zou kunnen vinden en naar haar hand dingen.
En nu wordt schitterend beschreven hoe de jongeling in den bloei zijner schoonheid, op een edel ros met goud opgetuigd en vergezeld van twee gestreepte hazewinden met witte borsten en kettingen van robijnen om den nek, op reis ging naar Koning Arthur. “En de grashalm boog niet onder hem, zoo licht was de tred van zijn ros.”
Kilhwch aan het Hof van Arthur.
Na eenige moeilijkheden met den portier en met Arthur’s hofmeester, Kai, die den jongeling niet wilde toelaten, terwijl het gezelschap aan den maaltijd zat, werd Kilhwch voor den Koning gebracht en hij zeide wie hij was en wat hij wenschte. “Ik vraag die gunst,” zeide hij, “van u en ook van uwe krijgers,” en hij noemt dan een ontzaglijke lijst op vol mythologische personen en bijzonderheden—Bedwyr, Gwyn ap Nudd, Kai, Manawyddan36, Geraint en vele anderen, waaronder “Morvran zoon van Tegid, tegen wien niemand vocht in den slag van Camlan om reden van zijn leelijkheid; iedereen dacht dat hij een duivel was,” en “Sandde Bryd Angel, dien niemand in den slag van Camlan met een speer aanraakte om zijn schoonheid; iedereen dacht dat hij een dienende engel was.” De lijst omvat vele twintigtallen van namen, ook vele vrouwen, zoo, bijv. “Creiddylad de dochter van Lludd met de Zilveren Hand—zij was de prachtigste maagd van de drie Eilanden van de Machtigen en om haar vechten Gwythyr de zoon van Greidawl en Gwyn de zoon van Nudd elken eersten Meidag tot den dag des oordeels,” en de twee Isoldes en Arthur’s Koningin Gwenhwyvar. “Al dezen riep Kilydd’s zoon Kilhwch aan om zijn gunst te verkrijgen.”
Maar Arthur had nooit gehoord van Olwen of haar familie. Hij beloofde naar haar te laten zoeken, maar na een jaar konden geen berichten over haar worden ingewonnen en Kilhwch verklaarde dat hij zou vertrekken en Arthur in schande verlaten. Ten slotte krijgen Kai en Bedwyr, met den gids Kynddelig, last aan het zoeken te gaan.
Arthur’s dienaren.
Deze personages zijn geheel verschillend van die welke met dezelfde namen worden genoemd bij Malory of Tennyson. Kai, zoo heet het, kon negen dagen onder water blijven. Hij kon zich, wanneer hij wilde, zoo lang maken als een boom in het bosch. Zoo heet was zijn lijf, dat niets dat hij in de hand droeg zelfs in den zwaarsten regen nat kon worden. “Heel slim was Kai.” Wat Bedwyr aangaat—de latere Sir Bedivere—van hem wordt verteld, dat niemand hem evenaarde in vlugheid en dat, hoewel eenarmig, hij op het slagveld drie krijgers, welke dan ook, stond; zijn lans maakte een wond voor negen. Behalve de drie gingen nog mee aan het zoeken Gwrhyr, die alle talen kende, en Gwalchmai, zoon van Arthur’s zuster Gwyar, en Menw, die, door tooverkunsten, het geheele gezelschap onzichtbaar kon maken.
Custennin.
Het gezelschap reisde totdat zij kwamen aan een groot kasteel; er was daar een kudde schapen met een herder die een kettinghond bij zich had zoo groot als een paard. De adem van dezen herder, zoo heet het, kon een boom doen verbranden. “Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan zonder kwaad te doen.” Hij ontving het gezelschap echter goed, vertelde dat hij Custennin was, broeder van Yspaddaden wiens kasteel voor hen stond, en bracht hen in zijn huis bij zijn vrouw. De vrouw bleek een zuster te zijn van Kilhwch’s moeder Goleuddydd, en zij was blijde haar neef te zien, maar het bedroefde haar dat hij Olwen kwam zoeken, “want niemand kwam daar ooit levend van terug”. Het schijnt dat Custennin en zijn gezin veel geleden hebben van Yspaddaden—al hun zonen op eén na waren gedood omdat Yspaddaden zijn broeder zijn deel van het vaderlijk goed misgunde. Zij verbonden zich derhalve met de helden in hun nasporingen.
Olwen met het Witte Spoor.
Den volgenden dag kwam Olwen naar het huis van den herder, zooals gewoonlijk, want zij placht daar elken Zaterdag haar haren te wasschen, en telkens wanneer zij dat deed liet zij al haar ringen in de kom achter en liet ze nooit weer halen. Zij wordt beschreven in een van die schilderachtige passages, waarin de Keltische passie voor schoonheid zoo keurig uiting heeft gevonden.
“De maagd was gekleed in een gewaad van vlam-kleurige zijde en om haar hals was een ketting van rood goud met kostbare smaragden en robijnen er op. Haar hoofd was geler dan de bloem van de brem en haar huid blanker dan het schuim van den golf, en blanker waren haar handen en vingers dan de bloesems van de bosch-anemoon te midden van het schuim van de weide-bron. Het oog van den afgerichten havik, de blik van den valk na driemaal ruiën was niet helderder dan de hare. Haar boezem was sneeuwiger dan de borst van den zwaan, haar wang rooder dan de roodste rozen. Wie haar aanschouwde blaakte van liefde voor haar. Vier witte klavers bloeiden op waar zij ook haar voet neer zette. En daarom werd zij Olwen37 genoemd”.
Kilhwch en zij onderhielden zich samen en beminden elkaar en zij heette hem haar van haar vader te vragen en hem niets te weigeren van hetgeen hij zou vorderen. Zij had haar woord gegeven niet tegen zijn zin te trouwen, want zijn leven zou slechts duren totdat zij was getrouwd.
Yspaddaden.
Den volgenden dag ging het gezelschap naar het kasteel en zag Yspaddaden. Hij scheepte hen af met verschillende uitvluchten en toen zij heen gingen slingerde hij hun een giftigen pijl achterna. Bedwyr ving dien op en wierp dien terug, hem in de knie wondend en Yspaddaden verwenschte hem in buitengewoon krachtige taal; de woorden schenen te knetteren en te sissen als vlammen. Dit geschiedde drie malen en ten laatste deelde Yspaddaden mee wat er moest worden gedaan om Olwen te krijgen.
Wat Kilhwch werd opgelegd.
Dat was zeer veel. Een groote heuvel moet worden beploegd, bezaaid en gemaaid in eén dag; alleen Amathaon zoon van Dōn kan dat en hij wil niet. Govannon, de smid, moet het ploegijzer bij elk braakland reinigen en hij wil dat niet doen. De twee bruine ossen van Gwlwlyd moeten den ploeg trekken en hij wil ze niet leenen. Honing negen maal zoeter dan die van de bij moet er zijn om mede te maken voor het bruiloftsmaal. Een tooverketel, een toovermand waaruit elke spijs komt die men begeert, een tooverhoorn, het zwaard van den reus Gwrnach—dat alles moet worden verkregen; en vele andere geheime en moeilijke dingen, zoowat veertig in het geheel, voordat Kilhwch Olwen de zijne kan noemen. Het moeilijkst is de kam en schaar te krijgen tusschen de ooren van Twrch Trwyth, een koning die in een monsterachtig everzwijn is veranderd. Om het zwijn te jagen moeten een aantal andere dingen worden volbracht—het welp van Geid zoon van Eri moet worden gepakt en een zekere leeren riem om hem vast te houden en een zekeren halsring voor den riem en een ketting voor den ring, en Mabron zoon van Modron moet jager zijn en het paard van Gweddw moet Mabon dragen, en Gwynn zoon van Nudd moet helpen, “dien God stelde over het duivelengebroed in Annwn.... hij zal hun nooit afgestaan worden”, enz., zoodat de beroemde eric (boete) van de zonen van Turenn in vergelijking daarmede onbeteekend lijkt. “Moeilijkheden zult gij ondervinden, en slapelooze nachten kennen bij het zoeken hiervan (de prijs van de bruid) en als gij dien niet krijgt, zult gij ook mijn dochter niet hebben”. Kilhwch heeft slechts eén antwoord voor elken eisch. “Het zal mij gemakkelijk vallen dit tot stand te brengen, hoewel ge misschien denkt dat het niet gemakkelijk zal zijn. En ik zal uw dochter krijgen en gij zult uw leven verliezen”.
Zij gaan dus op weg om het werk te volbrengen en op hun weg naar huis ontmoeten zij Gwrnach den Reus, wiens zwaard Kai, voorgevend een zwaard-polijster te zijn, door een list vermeestert. Weer aan Arthur’s slot gekomen, vertellen zij den Koning wat zij te doen hebben en hij belooft hun zijn hulp. Het eerste wonder dat zij verrichtten was het ontdekken en bevrijden van Mabon zoon van Modron, “die zijn moeder werd afgenomen, toen hij drie nachten oud was, en men weet niet waar hij nu is, en of hij levend of dood is.” Gwrhyr doet onderzoek naar hem bij den Zwarten Lijster van Cilgwri, die zoo oud is, dat een smid’s aambeeld, waaraan hij gewoon was te pikken, tot de grootte van een noot is afgesleten; maar hij heeft nooit van Mabon gehoord. Hij brengt hen echter naar een nog ouder dier, het Hert van Redynvre, en zoo verder naar den Uil van Cwm Cawlwyd en den Arend van Gwern Abwy, en den Zalm van Llyn Llyd, het oudste van de levende dingen, en zij vinden ten slotte Mabon gevangen in den steenen kerker van Gloucester en, met de hulp van Arthur, verlossen zij hem en zoo is dan de tweede taak vervuld. Op de een of andere manier, door list, dapperheid, of tooverkunst wordt elk feit volbracht, tot het laatste en gevaarlijkste, het verkrijgen van “het bloed der zwarte heks Orddu, dochter van de witte heks Orwen, van Penn Nart Govid, aan de grenzen der Hel.” Het gevecht daar gelijkt zeer op dat van Finn in het hol van Keshcorran, maar Arthur klooft ten slotte de heks in tweeën en Kaw van Noord-Brittannië neemt haar bloed.
Zij maakten zich nu weer op naar het kasteel van Yspaddaden en hij erkent zijn nederlaag. Goreu zoon van Custennin snijdt hem het hoofd af en dien nacht werd Olwen de gelukkige vrouw van Kilhwch, en de mannen van Arthur gingen uiteen, ieder naar zijn eigen land.
De droom van Rhonabwy.
Rhonabwy was een ruiter onder Madawc zoon van Maredudd, wiens broeder Iorwerth in opstand tegen hem kwam; en Rhonabwy ging met de troepen van Madawc om hem te onderwerpen. Zich met een paar makkers in een kleine hut begevend om er den nacht door te brengen, legt hij zich ter ruste op een geel kalfsvel bij het vuur, terwijl zijn vrienden liggen op smerige legers van stroo en twijgen. Op het kalfsvel heeft hij een wonderlijken droom. Hij ziet voor zich het hof en het kamp van Arthur—hier de quasi-historische koning, niet de legendaire godheid van het vorig verhaal, noch de Arthur van de Fransche ridderverhalen—als hij zich begeeft naar den berg Badon voor zijn groot gevecht met de heidenen. Zekere Iddawc voert hem naar den Koning die lacht om Rhonabwy en zijn vrienden en vraagt: “Waar, Iddawc, vondt gij deze kleine mannen?” “Ik vond hen daar ginder op den weg.” “Ik vind het jammer,” zeide Arthur, “dat mannen van zulke gestalte over het eiland heerschen, na de mannen die het vroeger bezaten.” De aandacht van Rhonabwy wordt gevestigd op een steen in den ring des Konings. “Een van de eigenschappen van dien steen is, dat hij u in staat stelt u te herinneren wat gij hier heden nacht ziet; hadt gij den steen niet gezien, gij zoudt niet in staat zijn geweest u iets daarvan te herinneren.”
De verschillende helden en metgezellen, die Arthur’s leger vormen, worden uitvoerig beschreven met al de kleurigheid en fijnheid van details die den Keltischen verteller zoo lief zijn. De voornaamste gebeurtenis die verteld wordt, is een schaakpartij van Arthur met den ridder Owain zoon van Urien. Terwijl de partij aan den gang is, plagen en storen de ridders van Arthur Owein’s raven, maar, als Owein zich beklaagt, zegt Arthur alleen: “Speel uw spel.” Later winnen de raven het en is het Owein’s beurt Arthur te verzoeken op zijn spel te letten. Toen nam Arthur de gouden schaakstukken en verpletterde die tot stof in zijn hand en verzocht Owen zijn raven tot rust te brengen, hetgeen geschiedde, en vrede heerschte weer. Rhonabwy, zoo heet het, sliep drie dagen en nachten op het kalfsvel, voordat hij uit zijn wonderlijken droom ontwaakte. In een epiloog wordt gezegd, dat van geen bard wordt verwacht dat hij dit verhaal uit het hoofd kent en zonder boek, “om de verschillende kleuren op de paarden, en de vele wonderlijke kleuren van de wapens en van de wapenrustingen, en van de kostbare sjerpen, en van de kracht-brengende steenen.” De “Droom van Rhonabwy” is veeleer een schitterende visioen uit het verleden dan een verhaal in den gewonen zin van het woord.
De Vrouw van de Bron.
Wij hebben hier een reproductie in de taal van Wales van den Conte, getiteld “Le Chevalier au lion” van Chrestien de Troyes. De hoofdpersoon daarin is Owain zoon van Urien, die optreedt in een karakter, den geest van de Keltische legende even vreemd als algemeen op het vasteland voorkomend: dat van dolend ridder.
Kymon’s avontuur.
In de inleiding wordt ons verteld dat Kymon, een ridder aan Arthur’s Hof, een vreemd en ongelukkig avontuur had. Uit rijden gaande om een of andere ridderlijke daad te doen, kwam hij aan een prachtig kasteel, waar hij gastvrij werd ontvangen door vierentwintig joffers, van wie “de minst bekoorlijke bekoorlijker was dan Gwenhwyvar, de vrouw van Arthur, wanneer zij er op haar bekoorlijkst uitzag bij de Offerande op den Dag van de Geboorte, of bij het Paasch-feest”. Bij hen was een edelman, die, nadat Kymon had gegeten, vroeg wat hij wenschte. Kymon vertelde dat hij zijn portuur zocht in het vechten. De heer van het kasteel glimlachte en heette hem als volgt te doen: hij moest den weg naar het dal inslaan en door het bosch gaan, tot dat hij kwam aan een open ruimte met een hoogte in het midden. Op de hoogte zou hij een zwarten man zien van een geweldige gestalte, met éen oog en éen voet, die een groote ijzeren knots droeg. Hij was de boschwachter en duizende wilde dieren, herten, slangen en al wat meer zouden om hem aan het eten zijn. Hij zou Kymon wijzen wat hij zocht.
Kymon volgde den raad en de zwarte man wees hem een weg, die hem zou voeren naar een bron onder een hoogen boom; daarnaast zou hij vinden een zilveren kom op een marmeren plaat, Kymon moest de kom nemen en die vol water op de plaat uitstorten, dan zou een hagel- en donderbui volgen, daarna zou zich heerlijke muziek van zangvogels doen hooren, en dan zou een ridder verschijnen in een zwarte wapenrusting, op een koolzwart paard, met een zwarte wiek op zijn lans. “En als dat avontuur u niet veel te stellen geeft, dan behoeft gij verder in uw leven niet meer te zoeken”.
Het karakter van de vertellingen van Wales.
Laat ons hier even stil staan, om er op te wijzen dat we klaarblijkelijk zijn in de sfeer van de middeneeuwsche vertelling en ver van die der Keltische mythologie. Misschien heeft het Keltische “Land der Jeugd” in de verte die gebieden van schoonheid en mysterie aan de hand gedaan, waarin de ridder van Arthur zich begeeft een avontuur zoekend. Maar het landschap, de motieven, de gebeurtenissen, zijn ten eenenmale verschillend. En hoe schoon zijn zij—hoe gedrenkt in het tooverlicht der verdichting! De kleuren leven en gloeien, het bosch ruischt ons in de ooren, de adem van dien lentetijd van onze moderne wereld omgeeft ons, terwijl wij den eenzamen ruiter volgen langs het grazige spoor in een onbekende wereld van gevaar en heerlijkheid. Terwijl de verhalen van het vasteland in sommige opzichten grooter zijn dan die uit Wales, rijker aan gedachten, dieper, halen zij niet daarbij in de fijne artisticiteit waarmede het uiterlijk voorkomen der dingen wordt weergegeven, de toover-atmosfeer volgehouden en de lezer in steeds toenemende spanning stap voor stap wordt geleid bij de ontwikkeling van het verhaal. Ook staan deze verhalen uit Wales geen jota achter wat betreft den edelen en ridderlijken geest dien zij ademen. Een mooier school van karakter en zeden is nauwelijks in de literatuur te vinden. Hoe vreemd dat gedurende vele eeuwen deze onvergelijkelijke schat in ons midden onopgemerkt bleef! En hoe groot moet onze dankbaarheid zijn aan de ongenoemde barden wier brein dien schiep, en aan de fijne hand die het eerst hem tot een bezit maakte voor de gansche Engelsch sprekende wereld!
Nederlaag van Kymon.
Maar keeren wij tot ons verhaal terug. Kymon deed zooals hem gezegd was, de Zwarte Ridder verscheen, zwijgend zetten zij hun lansen in positie en vielen zij elkander aan. Kymon werd op den grond geworpen, terwijl zijn vijand, zonder een blik op hem, de schacht van zijn lans door den teugel van Kymon’s paard haalde en daarmee wegreed in de richting waarvan hij gekomen was. Kymon ging te voet naar het kasteel terug, waar niemand hem vroeg hoe het hem was gegaan, maar zij gaven hem een ander paard, “een donkerbruine telganger, met neusgaten rood als vuur”, waarop hij naar Caerleon terug reed.
Owain en de Zwarte Ridder.
Owain was natuurlijk geprikkeld door het verhaal van Kymon en den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, reed hij uit om hetzelfde avontuur te zoeken. Alles ging zooals met Kymon, maar Owain wondde den Zwarten Ridder zoo ernstig, dat deze zijn paard wendde en vluchtte. Owain zette hem wild achterna. Zij kwamen aan een “groot en prachtig kasteel.” Zij reden over de ophaalbrug, waarvan de buitenste slagboom viel toen de Zwarte Ridder er overheen ging. Maar zoo dicht was Owain hem op de hielen dat de slagboom achter hem viel, zijn paard in tweeën snijdend achter het zadel en hij zelf bleef gevangen tusschen de buiten- en de binnenpoort van de ophaalbrug. Terwijl hij in dezen hachelijken toestand verkeerde, kwam een meisje tot hem en gaf hem een ring. Als hij dien droeg met den steen naar beneden en in de hand geklemd, zou hij onzichtbaar worden en wanneer de dienaren van den heer van het kasteel op hem afkwamen, moest hij hen ontwijken en haar volgen. Zij deed dit, blijkbaar wetend wie hij was, “want als vriend zijt gij de oprechtste, en als minnaar de meest getrouwe.”
Owain deed zooals hem was gezegd en het meisje verstopte hem. Denzelfden nacht hoorde men luide weeklagen in het kasteel—de heer er van was gestorven aan de wond hem door Owain toegebracht. Kort daarna kreeg Owain de meesteres van het kasteel te zien en hij werd geheel vervuld van liefde tot haar. Luned, het meisje dat hem had bevrijd, deed voor hem aanzoek bij haar en hij werd haar gemaal en heer van het Kasteel van de Bron en al de bezittingen van den Zwarten Ridder. En hij verdedigde daarna de bron met lans en zwaard, zooals zijn voorganger had gedaan, en eischte van zijn verslagen tegenstanders groote sommen als losgeld, die hij verdeelde onder zijn baronnen en ridders. Aldus bracht hij drie jaren door.
Het zoeken naar Owain.
Na dien tijd reed Arthur, met zijn neef Gwalchmai en met Kymon als gids, aan het hoofd van een troep uit om berichten aangaande Owain in te winnen. Zij kwamen aan de bron en hier ontmoetten zij Owain; men kende elkaar niet, omdat de helmen waren neergelaten. En eerst werd Kai van het paard geworpen en toen Gwalchmai en Owain vocht en na een poos werd Gwalchmai van zijn helm beroofd. Owain zeide: “Heer Gwalchmai, ik kende u niet; neem mijn zwaard en mijn wapens.” Toen zeide Gwalchmai: “Gij, Owain, zijt de overwinnaar, neem gij mijn zwaard.” Arthur maakte hoffelijk een einde aan den twist, door beider zwaarden te nemen en zij reden toen allen naar het Kasteel van de Bron, waar Owain hen met groote blijdschap onthaalde. En hij ging met Arthur terug naar Caerleon, zijn gravin belovend dat hij daar slechts drie maanden zou blijven en dan terugkeeren.
Owain vergeet zijn vrouw.
Maar aan het Hof van Arthur vergat hij zijn liefde en zijn plicht en hij bleef daar drie jaren. Toen die om waren kwam een edelvrouw op een met goud opgetuigd paard aanrijden en zij zocht Owain en nam den ring van zijn hand. “Dus”, sprak zij, “zal geschieden met den bedrieger, den verrader, den trouwelooze, den eerlooze en den onbezonnene.” Daarop wendde zij haar paard en vertrok. En Owain, verpletterd door schaamte en wroeging, ontvluchtte de menschen en leefde in een woest land met wilde beesten, totdat zijn lichaam uitteerde en zijn haar lang werd en zijn kleeren wegrotten.
Owain en de leeuw.
Aldus veranderd en den dood nabij door ontbering en gebrek, werd hij door zekere gravin (een weduwe) en haar dienstmaagden opgenomen en door tooverbalsems herkreeg hij zijn kracht; en hoewel zij hem smeekten bij hen te blijven, reed hij weer weg, verlaten woeste landen zoekend. Hier vond hij een leeuw, die met een groote slang vocht. Owain doodde de slang en de leeuw volgde hem en dartelde om hem heen, alsof hij een hazewind was die hij had groot gebracht. En hij bezorgde hem voedsel door herten te vangen, waarvan Owain een deel voor zich zelf kookte, terwijl hij den leeuw de rest gaf; en het beest hield ’s nachts de wacht over hem.
Luned’s bevrijding.
Owain vindt dan een gevangen meisje, dat hij hoort zuchten, hoewel hij haar en zij hem niet kon zien. Op zijn vragen antwoordde zij dat haar naam Luned was—zij was de dienares van een gravin wier echtgenoot haar had verlaten, “en hij was de vriend die mij het liefst was op de wereld.” Twee pages van de gravin hadden hem belasterd, en omdat zij hem verdedigde was zij veroordeeld te worden verbrand indien, voordat een jaar om was, hij (namelijk Owain zoon van Urien) niet was verschenen om haar te verlossen. En morgen zou het jaar om zijn. Den volgenden dag ontmoette Owain de twee jongelingen die Luned ter terechtstelling brachten en hij vocht met hen, overwon hen met behulp van den leeuw, bevrijdde Luned en keerde terug naar het Kasteel van de Bron, waar hij zich met zijn liefste verzoende. En hij nam haar mee naar het Hof van Arthur, en zij was daar zijn vrouw zoo lang zij leefde. Ten slotte komt een avontuur, waarin hij, nog altijd met behulp van zijn leeuw, een zwarten reus overwint en vier-en-twintig edele vrouwen bevrijdt, en de reus zweert zijn slechte leven af en belooft zoo lang hij leeft een hospitium voor reizenden te houden.
“En van nu af aan bleef Owain aan het Hof van Arthur, zeer geliefd, als hoofd van zijn huishouding, totdat hij met zijn volgelingen heen ging; en deze waren het leger van driehonderd raven, die Kenverchyn38 hem had gelaten. En waar Owain ook met dezen ging, was hij overwinnaar. En dit is het verhaal van de Vrouw van de Bron.”
Het verhaal van Enid en Geraint.
In dit verhaal, dat schijnt te zijn gegrond op den “Erec” van Chrestien de Troyes, is de hoofdzaak noch het mythologische, noch het avontuurlijke, maar het sentimenteele. Hoe Geraint zijn liefste vond en naar haar vrijde—zij de dochter van een groot heer, die slechte tijden beleefde; hoe hij voor haar een steekspel hield met Edeyrn, zoon van Nudd—een Kimbrische godheid herschapen in den “Ridder van den Sperwer”; hoe hij, van zijn liefde voor haar geheel vervuld, zijn faam en plicht begon te verwaarloozen; hoe hij de woorden verkeerd begreep, die zij over hem heen mompelde toen zij meende dat hij sliep, en aan haar trouw twijfelde; hoe onwaardig hij haar behandelde en in hoe menige bittere proef zij haar liefde en trouw bewees—met dat alles zijn Engelsche lezers zoo vertrouwd geraakt door Tennyson’s “Enid,” dat wij er hier niet bij behoeven stil te staan. In dit geval heeft Tennyson het oorspronkelijke verhaal zeer op den voet gevolgd.
Graal-legenden: Het verhaal van Peredur.
Het verhaal van Peredur is van veel gewicht en beteekenis in verband met den oorsprong van de Graal-legende. Peredur komt overeen met den Perceval van Chrestien de Troyes, aan wien wij het oudst bestaande gedicht over den Graal te danken hebben; maar deze auteur liet zijn Graal-verhaal onvoltooid en wij vernemen nooit van hem wat de Graal precies was, of waaraan hij zijn belangrijkheid ontleende. Wenden wij ons om opheldering tot “Peredur,” die ongetwijfeld een ouderen vorm dezer legende voorstelt, dan worden wij teleurgesteld. Want men zou “Peredur” kunnen noemen de Graal-geschiedenis zonder den Graal39. De vreemde personages, voorwerpen en gebeurtenissen, die de gewone omlijsting vormen voor het verschijnen van dezen mystieken schat, zijn allen daar; wij ademen zelfs de atmosfeer van het Graal-Kasteel; maar van den Graal zelf wordt heelemaal niet gesproken. Het verhaal behandelt alleen de wraak door den held genomen voor het dooden van een bloedverwant, en tot dat doel alleen worden de geheimen van het Kasteel der Wonderen voor hem onthuld.
Bij het begin van het verhaal vernemen wij dat Peredur in de beteekenisvolle positie verkeerde van een zevende zoon te zijn: wat in deze wereld van mystieke vertelling wil zeggen: voorbestemd tot groote en vreemde lotgevallen. Zijn vader Evrawc, een graaf uit het Noorden, en zijn zes broeders waren gevallen in den strijd. Peredur’s moeder, een dergelijk lot voor haar jongste kind vreezend, had hem daarom groot gebracht in een bosch, hem alle kennis onthoudend van ridderschap of oorlog voeren en van dingen als strijdrossen of wapens. Hier groeide hij op, in manieren en kennis een eenvoudig landman, maar van verbazende lichaamskracht en werkzaamheid.
Hij gaat avonturen zoeken.
Op zekeren dag zag hij drie ridders aan den zoom van het bosch. Zij waren alle drie van Arthur’s Hof—Gwalchmai, Geneir en Owain. Verrukt door den aanblik vroeg hij zijn moeder wat dat voor wezens waren. “Dat zijn engelen, mijn zoon,” zeide zij. “Voorwaar,” zeide Peredur, “dan wil ik gaan en met hen een engel worden.” Hij gaat hun tegemoet en verneemt weldra wat zij zijn. Owain legt hem vriendelijk uit hoe een zadel, een schild, een zwaard, al de uitrustingen bij het oorlogvoeren worden gebruikt; en Peredur pikte denzelfden avond een beenig, gevlekt trekpaard op, en maakte het een zadel en tuig van twijgen gemaakt en nagebootst naar wat hij had gezien. Ziende dat hij besloten was uit te trekken op ridderlijke daden gaf zijn moeder hem haar zegen en allerlei inlichtingen en ried hem het Hof van Arthur te zoeken; “daar zijn de beste en de stoutste en de schoonste mannen.”
Zijn eerste wapenfeit.
Peredur besteeg zijn Rozinant, nam als wapens een handvol stokken met scherpe punten mee en reed naar het Hof van Arthur. Hier werd hij door den hofmeester, Kai, ruw teruggewezen om zijn boersch voorkomen, maar een dwerg en een dwergin, die een jaar aan het Hof waren geweest, zonder daar een woord tot iemand te spreken, riepen: “Edele Peredur, zoon van Evrawc; ’s Hemels welkom zij u gebracht, bloem der ridders en licht der ridderschap.” Kai bestrafte de dwergen, omdat zij het zwijgen verbraken met het huldigen van een kerel als Peredur, en toen deze wenschte voor Arthur te worden gebracht, heette hij hem eerst een vreemden ridder te gaan bekampen, die zoo even het geheele Hof had uitgedaagd door Gwenhwyvar een beker met wijn in het gezicht te gooien, en tegen wien allen opzagen te strijden. Peredur begaf zich onmiddellijk naar de plaats waar de woeste ridder snoevend op en neer liep, in afwachting van een tegenstander, en in het gevecht dat nu volgde doorboorde hij hem den schedel met een van zijn puntige stokken en doodde hem. Toen kwam Owain naar buiten en vond Peredur, die zijn gevallen vijand met zich sleepte. “Wat voert gij daar uit?” vroeg Owain. “Die ijzeren bedekking,” zeide Peredur “wil maar niet van hem afkomen; tenminste niet zoo als ik het aanleg.” Owain wees hem nu hoe hij het pantser moest losmaken en Peredur nam het mee met de wapens en het paard van den ridder en reed uit om nieuwe avonturen te zoeken.
Hier vinden wij het karakter van der reine Thor, de dappere en reine onnoozele bloed, duidelijk en levendig geschilderd.
Nadat hij het Hof van Arthur verliet had Peredur vele gevechten waarin hij gemakkelijk de overwinning behaalde; hij zond de verslagen ridders naar Caerleon aan de Usk met de boodschap, dat hij hen had verslagen ter eere van Arthur en in zijn dienst, maar dat hij, Peredur, nooit weer aan het Hof zou terugkeeren voordat hij de beleediging der dwergen op Kai had gewroken; deze werd diensvolgens door Arthur gegispt, waarover hij zeer bedroefd was.
Het Kasteel der Wonderen.
Wij komen nu, wat de lezer onmiddellijk zal herkennen, in de sfeer van de Graal-legende. Peredur kwam aan een kasteel naast een meer, waar hij een eerwaardig man vond met dienaren om hem heen, die in het meer vischten. Toen Peredur naderbij kwam, stond de bejaarde man op en ging het kasteel binnen, en Peredur zag, dat hij kreupel was. Peredur ging naar binnen en werd gastvrij ontvangen in een groote zaal. De bejaarde man vroeg hem na afloop van het maal, of hij met het zwaard wist om te gaan en beloofde hem alle ridderlijke kundigheden te leeren, en “de zeden en gebruiken van verschillende landen en hoffelijkheid en vriendelijkheid en een edele houding”. En hij voegde er bij: “Ik ben uw oom, uw moeder’s broeder.” Ten slotte heette hij hem weg te rijden en er aan te denken, dat wat hij ook mocht zien dat hem verbaast, hij niet naar de beteekenis er van moest vragen indien niemand zoo heusch was hem te onderrichten. Dit is de proef van gehoorzaamheid en zelfbeheersching waarover de rest van het avontuur loopt.
Verder rijdend, kwam Peredur aan een groot woest bosch, waarachter hij een groot kasteel vond, het Kasteel der Wonderen. Hij ging door de open deur binnen en vond een statigen grijzen man gezeten in een groote zaal, met vele pages om hem heen, die Peredur waardig ontving. Aan den maaltijd zat Peredur naast den heer van het kasteel, die, toen zij gegeten hadden, hem vroeg of hij vechten kon met een zwaard. “Als ik onderricht kreeg”, zeide Peredur, “zou ik het wel kunnen, denk ik.” Toen gaf de heer van het kasteel Peredur een zwaard en gelastte hem op een grooten ijzeren ring in den vloer te slaan. Peredur deed dit en sneed den ring in tweeën, maar ook het zwaard vloog in twee stukken. “Sluit de stukken aan elkaar”, zeide de lord. Peredur deed dit en zoowel zwaard als ring werden weer éen. Een tweeden keer geschiedde datzelfde met denzelfden uitslag. Den derden keer konden de stukken van zwaard en ring niet meer een geheel vormen.
“Gij zijt gekomen op twee derden van uw kracht”, zeide de lord. Hij vertelde daarop dat ook hij Peredur’s oom was en broeder van den lord van het meer, bij wien Peredur den vorigen nacht had doorgebracht. Terwijl zij in gesprek waren kwamen twee jongelingen in de zaal; zij droegen een geweldig groote speer, van wier spits drie stroomen bloed op den grond vielen en al de aanwezigen begonnen, toen zij dit zagen, met groot geschreeuw te jammeren en te weeklagen, maar de lord sloeg er geen acht op en brak zijn gesprek met Peredur niet af. Daarna kwamen twee meisjes binnen, die tusschen zich in een groot blad droegen, waarop, te midden van een massa bloed, een manshoofd lag. Daarop werd zelfs nog luider dan te voren gejammerd en geweeklaagd. Maar ten slotte werd het stil en Peredur werd naar zijn kamer gebracht. Gedachtig de aanmaning van den lord van het meer, had hij geen verbazing aan den dag gelegd over hetgeen hij zag, en ook niet gevraagd wat het beteekende. Hij reed nu weer uit om andere avonturen te zoeken, die hij in overstelpende hoeveelheid vond en die geen bijzonder verband houden met het hoofdthema. Het mysterie van het kasteel wordt eerst op de laatste bladzijden van het verhaal verklaard. Het hoofd op het zilveren blad was dat van een neef van Peredur. De lans was het wapen waarmee hij was gedood en waarmee ook de oom van Peredur, de lord van het meer, kreupel was gemaakt. Deze dingen waren aan Peredur getoond, om hem te prikkelen tot het wreken van het kwaad, en om zijn geschiktheid voor die taak te toonen. De “negen toovenaressen van Gloucester” waren, zegt men, zij, die de bloedverwanten van Peredur dat kwaad berokkenden. Toen hij dat vernam viel Peredur, met hulp van Arthur, de toovenaressen aan, die alle werden gedood, en de wraak was voltrokken.