St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder
St. Finnen, een Iersche abt uit de zesde eeuw had, naar verhaald wordt, gastvrijheid gezocht bij een opperhoofd, Tuan mac Carell genoemd, die niet ver van het klooster van Fin te Moville, (Graafschap Donegal) woonde. Tuan weigerde hem den toegang. De heilige ging op den drempel van het huis van het opperhoofd zitten, en vastte den geheelen Zondag2, waarop de norsche heidensche krijgsman de deur voor hem opende. Tusschen hen ontstonden vriendschapsbetrekkingen, en de heilige keerde naar zijn monniken terug.
“Tuan is een uitnemend man,” zoo sprak hij tot hen; “hij zal bij u komen en u verkwikken, door u de oude vertelsels van Ierland te herhalen”3.
Die menschelijke belangstelling in de oude mythen en legenden van het land, is, naar hier moge worden opgemerkt, een even standvastige als aangename trek in de litteratuur der oudste Iersche Christenheid.
Tuan kwam kort daarna bij den heilige, om hem een tegenbezoek te brengen, en noodigde dezen en zijn leerlingen uit, hem in zijn kasteel te komen bezoeken. Zij vroegen hem naar zijn naam en afkomst, en hij gaf een wonderbaarlijk antwoord. “Ik ben een man uit Ulster”, zeide hij. “Mijn naam is Tuan, zoon van Carell. Maar vroeger heette ik Tuan, zoon van Starn, zoon van Sera, en mijn vader, Starn, was de broeder van Partholan.”
“Vertel ons de geschiedenis van Ierland,” zoo sprak toen Finnen, en Tuan begon. Zooals hij zeide was Partholan de eerste mensch, die zich in Ierland nederzette. Na de groote pest, waarvan reeds melding is gemaakt, was hij de eenige die in leven bleef, “want er is nooit een slachting zóó groot, dat er niet een man aan ontkomt, om het verhaal te doen.” Tuan was alleen in het land, en hij trok rond van de ééne ledige vesting naar de andere, van rots naar rots, om een schuilplaats te zoeken tegen de wolven. Zoo leefde hij twee en twintig jaar in eenzaamheid voort, in verlaten plaatsen wonend, totdat hij stokoud en vreeselijk gebrekkig was geworden.
“Toen nam Nemed, de zoon van Agnoman Ierland in bezit. Deze (Agnoman) was de broeder van mijn vader. Ik zag hem van de klippen af en deed voortdurend mijn best, hem te vermijden. Ik had lange haren en klauwen, was afgeleefd, grijs, naakt, ongelukkig en ellendig. Op zekeren avond viel ik in slaap, en toen ik weer ontwaakte, was ik in een hert veranderd. Weer was ik jong en vroolijk van hart. Toen zong ik van de komst van Nemed en van zijn ras, en van mijn eigen gedaanteverwisseling.... Ik heb een nieuwe gedaante aangenomen een ruwe en grijze huid. Overwinning en vreugde zijn gemakkelijk voor mij; een korten tijd geleden was ik zwak en hulpeloos.”
Tuan bespiedt Nemed
Daarna was Tuan koning van al het roode wild van Ierland, en bleef dat gedurende al den tijd, dat Nemed en zijn ras in Ierland regeerden.
Hij vertelt, hoe de Nemediërs naar Ierland zeilden in een vloot van twee en dertig booten, en in iedere boot waren dertig personen. Zij zwierven anderhalf jaar over de zeeën, en de meesten van hen stierven van honger en dorst of kwamen in een schipbreuk om. Slechts negen ontsnapten—Nemed zelf, met vier mannen en vier vrouwen. Deze landde in Ierland, en vermenigvuldigden zich in den loop der tijden, totdat hun aantal 8060 mannen en vrouwen bedroeg. Daarop stierven zij allen op geheimzinnige wijze.
Weer was Tuan oud en gebrekkig geworden, maar hem wachtte weer een nieuwe gedaanteverwisseling. Ik stond eens aan den ingang van mijn hol—ik herinner mij dat nog duidelijk—en ik wist, dat mijn lichaam weer een andere gedaante aannam. Ik was een wild zwijn. En ik zong daarover het volgende lied:
“Vandaag ben ik een wild zwijn.... Er was een tijd, dat ik in de vergadering zat, die de uitspraken van Partholan openbaarden. Zij werden gezongen, en ieder prees de melodie. Hoe heerlijk was de trant van mijn schitterend oordeel! Hoe heerlijk voor de bevallige jonge vrouwen! Mijn wagen reed in majesteit en schoonheid rond. Mijn stem was ernstig en liefelijk. Mijn stap was vlug en stevig in den strijd. Mijn gelaat was vol bekoorlijkheid. Maar zie, thans ben ik in een zwart zwijn veranderd.”
“Zoo sprak ik. En werkelijk was ik een wild zwijn. Daarna werd ik weder jong, en ik was verheugd. Ik was koning der kudden wilde zwijnen in Ierland, en getrouw aan mijn gewoonte, ging ik mijn verblijfplaats rond, als ik in de landen van Ulster terugkeerde, zoo dikwijls ellende en ouderdom mij overvielen. Want het was steeds daar, dat mijn gedaanteverwisselingen plaats hadden, en daarom keerde ik daarheen terug, om de vernieuwing van mijn lichaam af te wachten.” Tuan vertelt dan verder, hoe Semion, de zoon van Stariat, zich in Ierland vestigde. Van hem stamden de Firbolgs af en twee andere stammen, die nog in historische tijden bleven voortleven. Weer komt de oude dag nader, zijn krachten laten hem in den steek, en hij ondergaat weer een nieuwe gedaanteverwisseling; hij wordt “een groote zeearend” en verheugt zich weer eens in nieuwe jeugd en kracht. Daarop vertelt hij, hoe het Volk van Dana in Ierland kwam, “goden en valsche goden, uit wie, zooals iedereen weet, de Iersche geleerden gesproten zijn.” Daarna kwamen de zonen van Miled, die het Volk van Dana overmeesterden. Al dien tijd hield Tuan de gedaante van een zeearend, totdat hij, toen hij ontdekte, dat hij op het punt stond weer een nieuwe gedaanteverwisseling te ondergaan, negen dagen lang vastte; “daarop overviel mij de slaap, en veranderde ik in een zalm”. Hij geniet van zijn nieuw bestaan, waarbij hij jarenlang aan de valstrikken der visschers ontkomt, totdat hij ten slotte door één van hen wordt gevangen, en gebracht wordt naar de vrouw van Carell, het opperhoofd van het land. “De vrouw had zin in mij en at mij geheel op, waarbij ik in haar baarmoeder kwam.” Hij wordt weder geboren, en gaat door voor Tuan, den zoon van Carell; maar de herinnering van dat voormalige leven en van al zijn gedaanteverwisselingen, en van de geheele geschiedenis van Ierland, die hij had meegemaakt sedert de dagen van Partholan, blijft nog bij hem achter, en hij onderwijst al die dingen aan de Christenmonniken, die al die verhalen zorgvuldig bewaren.
Dit allervreemdste verhaal, met zijn atmosfeer van grijze oudheid en van naïeve wonderlijkheid, doet ons denken aan de gedaanteverwisseling van den Galischen Taliessin, die eveneens in een arend veranderde, en wijst op die leer der zielsverhuizing, die zooals wij gezien hebben, zoo sterk werkte op de verbeelding der Kelten.
Wij moeten thans eenige bijzonderheden voegen bij de schets der opvolgende kolonisaties van Ierland, zooals die in het kort zijn aangeduid door Tuan mac Carell.
De Nemediërs.
Zooals wij gezien hebben, waren de Nemediërs verwant aan de Partholaniërs. Beiden waren afkomstig uit het geheimzinnige gebied der dooden, hoewel latere Iersche verhalen, die trachtten een verzoening tot stand te brengen tusschen die mythische opvatting en het christendom, het deden voorkomen, alsof zij afstamden van bijbelsche aartsvaders en aan aardsche landen zooals Spanje en Scythië hun oorsprong te danken hadden. Beiden hadden voortdurend strijd te voeren met de Fomoriërs, die volgens de latere legenden zeeroovers van over de zee waren, maar die zonder twijfel godheden waren, die de machten van duisternis en kwaad voorstelden. Er is geen legende bekend, hoe de Fomoriërs in Ierland gekomen zijn en zij werden ook nooit beschouwd als een geregeld deel der bevolking. Zij waren even oud als de wereld zelf. Nemed vocht met het beste gevolg tegen hen in vier groote gevechten, maar hij zelf stierf kort daarna aan de pest, die ook tweeduizend van zijn volgelingen ten grave sleepte. De Fomoriërs waren toen in staat hun oppermacht over Ierland te vestigen. Zij hadden in die dagen twee koningen, Morc en Conann. De macht der Fomoriërs had haar krachtigste versterking op het eiland Tory, dat zijn woeste klippen en afgronden doet oprijzen uit den Atlantischen Oceaan, in de nabijheid van Donegal—een geschikte woonplaats voor dat ras, dat zoo rijk was aan geheimzinnigheid en afgrijselijkheid. Zij hieven een vreeselijk drukkende schatting van het Iersche volk, en wel tweederden van al de melk en tweederden van al de kinderen uit het land. Ten slotte stonden de Nemediërs op. Onder aanvoering van drie opperhoofden, landen zij op het eiland Tory, nemen de Toren van Conann in, en Conann zelf sneuvelt door de hand van den Nemedischen aanvoerder Fergus. Maar op dat oogenblik treedt Morc in het gevecht op met een nieuwe troepenmacht, en jaagt de Nemediërs geheel op de vlucht, die op een dertigtal na sneuvelen:
“De mannen van Erin, zij togen ten strijde,
Nadat de Fomoriërs kwamen,
De zee verzwolg hen allen,
Behalve driemaal tien.”
Gedicht van Eochy O’Flann, omstreeks 960 n.C.
De dertig overlevenden verlaten Ierland in wanhoop. Volgens de oudste overlevering zijn zij allen omgekomen zonder nakomelingen achter te laten, maar latere verhalen, die trachten uit al die mythen nuchtere geschiedenis op te bouwen, stellen het voor, alsof één familie, die van het opperhoofd Britan, zich in Groot Brittannië vestigde en hun naam aan dat land schonk, terwijl twee andere na vele omzwervingen, naar Ierland terugkeerden als de Firbolgs en het Volk van Dana.
De komst der Firbolgs.
Wie waren de Firbolgs, en welke rol hebben zij gespeeld in de Iersche legenden? De naam schijnt te beteekenen: “Mannen van de Zakken,” en in later tijden werd er een legende uitgedacht, om dien naam te verklaren. Er werd verhaald, dat zij, na zich in Griekenland te hebben gevestigd, door het volk van dat land onderdrukt werden, die hen aarde lieten aantrekken van de vruchtbare valleien naar de rotsachtige heuvels, zoodat zij daarvan beploegbaren grond konden maken. Zij vervulden hun taak door middel van leeren zakken; maar ten laatste, toen zij de onderdrukking moede geworden waren, maakten zij van hun zakken booten met leder overtrokken, en zetten daarin koers naar Ierland. Nennius echter zegt, dat zij uit Spanje kwamen, want volgens hem waren al de verschillende rassen, die Ierland bewoond hebben, oorspronkelijk uit Spanje, en “Spanje” is bij hem een rationalistische vertaling van de Keltische woorden, die het Land der Dooden aanduiden4. Zij kwamen in drie groepen, de Fir-Bolg, de Fir-Domnan en de Galioin, die allen in het algemeen als Firbolg worden aangeduid. Zij spelen geen groote rol in de Iersche mythologie, en hun schijnt een zekere trek van slaafschheid en minderwaardigheid eigen te zijn.
Eén van hun koningen, Eochy5 mac Erc, trouwde met Taltiu, of Telta, de dochter van den koning der “Groote Vlakte,” (het Land der Dooden). Telta had een paleis in de stad, die nu naar haar Telltown (eigenlijk Teltin) heet. Daar stierf zij, en daar werd zelfs nog in de Middeleeuwen, een groote jaarlijksche bijeenkomst of jaarmarkt ter harer eere gehouden.
De komst van het volk van Dana.
Wij komen thans tot verreweg de merkwaardigste en belangrijkste der mythische overweldigers en volksplanters van Ierland, het Volk van Dana. De naam, Tuatha De Danann, beteekent letterlijk “het volk van den god, wiens moeder Dana is.” Dana draagt somtijds ook een anderen naam, en wel dien van Brigitta, een godin, die in het heidensche Ierland in hooge eer werd gehouden, wier attributen in de legenden grootendeels overgebracht zijn op de Christelijke Heilige Brigitta uit de zesde eeuw. In Gallische opschriften vindt men haar naam ook wel als “Brigindo” en in Britsche opschriften komt deze voor als “Brigantia.” Zij was de dochter van het hoogste opperhoofd van het Volk van Dana, den god Dagda “Den Goeden.” Zij had drie zoons, van wie men vertelt, dat zij gemeenschappelijk een eenigen zoon hadden, Eene genaamd—wat beteekent “Kennis” of “Poëzie”6. Men mag dus zeggen, dat Eene de god was, wiens moeder Dana was, en het ras, waaraan zij haar naam schonk, waren de duidelijkste vertegenwoordigers, die wij in Iersche mythen hebben van de machten van Licht en Kennis. Men zal zich herinneren, dat Tuan mac Carell alleen aan het Volk van Dana onder al die mythische rassen den naam van “goden” had gegeven. Toch komen zij niet als goden voor in den vorm waarin de Iersche legenden omtrent hen tot ons zijn gekomen. De invloed van de christelijke opvattingen bracht hen terug tot den rang van feeën, of vereenzelvigde hen met gevallen engelen. Zij werden door de afstammelingen van Miled overwonnen, die worden gedacht als een volkomen menschelijk ras, en die een aantal betrekkingen van liefde en oorlog met hen hadden tot in latere tijden. Toch is ook in de latere legenden het Volk van Dana bekleed met een zekeren luister en met groote verheffing, die herinnert aan den hoogen rang, waarvan zij waren afgedaald.
De populaire opvattingen en die der Barden.
Men mag echter niet over het hoofd zien, dat de populaire opvatting der godheden, van Dana afgestamd, waarschijnlijk ten allen tijde iets anders was dan die der barden en Druïden, of met andere woorden dan de scholastieke opvatting. Deze laatsten toch stelt hen, zooals wij zullen zien, voor als de godheden, die over wetenschap en poëzie heerschen. Dit is geen populaire voorstelling; zij is het product der Keltische, Arische verbeelding, zooals die is ingegeven door een zuivere verstandelijke opvatting. Het lagere volk, dat grootendeels het megalithische element onder de bevolking vertegenwoordigde, blijkt hun godheden als aardsche machten te hebben opgevat—dei terreni, zooals zij uitdrukkelijk genoemd worden in het “Boek van Armagh” uit de achtste eeuw7—die niet heerschen over wetenschap en poëzie, maar veeleer over den landbouw, die toezicht houden over de vruchtbaarheid van land en water, en hun woonplaats hebben in heuvelen, rivieren en meren. In de litteratuur der barden is de Arische opvatting overheerschend; de andere opvatting vindt men in tallooze volksverhalen en populaire gebruiken; doch het ligt in den aard der zaak, dat in elk geval op zich zelf de beide opvattingen voor een groot deel ineengeweven en in elkander zijn doorgedrongen—zoodat er geen scherpe scheidingslijn tusschen beide opvattingen in oude tijden kon worden getrokken, en die scheiding thans in het geheel niet meer mogelijk is.
De Twee Afgezanten
De schatten van het volk van Dana.
Tuan mac Carell zegt, dat zij “uit den hemel” in Ierland zijn gekomen. Dit is in de latere overlevering geweven tot een verhaal, dat leert, hoe zij afkomstig waren uit vier groote steden, wier namen zelf het feeënrijken verdichting ademen—Falias, Gorias, Fincas en Murias. Hier leerden zij wetenschap en ambachten van groote wijzen, van wie er in iedere stad één op den troon zat, en uit iedere stad brachten zij een tooverschat mede. Uit Falias was de steen afkomstig, de Lia Fail, of Steen van het Noodlot, genaamd, waarop de Opperkoningen van Ierland stonden, als zij gekroond werden, en die geacht werd de verkiezing van een wettigen vorst te bevestigen door onder hem te bulderen, als hij daarop plaats nam. De werkelijke steen, die gebruikt werd bij de inhuldiging van een vorst, bestond sinds onheugelijke tijden te Tura en werd van daar in het begin der zesde eeuw naar Schotland gezonden voor de kroning van Fergus den Groote, den zoon van Erc, die zijn broeder Murtagh mac Erc, den koning van Ierland vroeg, dien ter leen te mogen hebben. Een oude profetie hield in, dat overal waar die steen was, een koning van het Schotsche (d.i. Iersch-Milesische) ras zou regeeren. Dit is de beroemde Steen van Scone, die nooit meer in Ierland terug kwam, maar door Eduard I in 1297 naar Engeland werd vervoerd, en nu de kroningssteen is in de Westminster-Abdij. En de oude profetie is niet valsch gebleken, daar door de Stuarts en Fergus mac Erc de afstamming der Britsche koninklijke familie van de historische koningen van het Milesische Ierland kan worden gevolgd.
De tweede schat van het Volk van Dana was het onoverwinnelijke zwaard van Lugh met den langen Arm, van wien wij later zullen hooren, en dat zwaard kwam uit de stad Gorias. Uit Finias kwam een tooverspeer en uit Murias de Groote Ketel van den Dagda, die de eigenschap had, een menigte mannen te kunnen voeden zonder dat hij ooit leeg werd.
Met die bezittingen kwam het Volk van Dana, volgens de lezing in het “Boek der Invallen” gegeven, in Ierland.
Het volk van Dana en de Firbolgs.
Zij werden in een tooverwolk naar Ierland gedreven, en verschenen het eerst in Westelijk Connacht. Toen de wolk optrok, ontdekten de Firbolgs hem in een kamp, dat zij reeds te Moyrein hadden versterkt.
De Firbolgs zonden nu één van hun krijgslieden uit, Sreng genaamd, om met de geheimzinnige aankomelingen een onderhoud te hebben; en het Volk van Dana van hun kant, zonden een krijgsman, Bres genaamd, om hen te vertegenwoordigen. De beide afgevaardigden beschouwden met groote belangstelling elkanders wapenen. De speren van het Volk van Dana, waren, naar ons wordt medegedeeld, licht en van scherpe punten voorzien; die der Firbolgs waren zwaar en stomp. De blijkbare bedoeling van de legende is, om hier de macht der wetenschap tegenover die der ruwe kracht te stellen, en wij worden hier herinnerd aan de Grieksche mythen van den strijd der Olympische goden met de Titanen.
Bres stelde den Firbolg Sreng voor, dat de beide rassen Ierland gelijkelijk onder elkander zouden verdeelen, en zich zouden vereenigen, om hen tegen alle toekomstige indringers te verdedigen. Daarop verwisselden zij hun wapenen, en keerde ieder naar zijn eigen kamp terug.
De eerste slag by Moytura.
De Firbolgs kwamen echter niet onder den indruk van de grootere voortreffelijkheid van het volk van Dana, en besloten hun aanbod af te slaan. Zij werden toen handgemeen op de Vlakte van Moytura8, in het Zuiden van het Graafschap Maye, in de nabijheid van de plaats, die nu Cong heet. De Firbolgs werden aangevoerd door hun koning, mac Ere, en het volk van Dana door Nuada met de Zilveren Hand, die zijn naam ontleende aan een ongeluk in dien strijd. Men verhaalt toch, dat zijn hand in het gevecht werd afgehakt, en één der bekwame handwerkslieden, waaraan de gelederen van het volk van Dana zoo rijk waren, maakte voor hem een nieuwe hand van zilver. Door hun magische en heelkundige gaven won het Volk van Dana den slag en de koning der Firbolgs sneuvelde. Maar er werd toen een billijke overeenkomst gesloten: aan de Firbolgs werd de provincie Connacht als grondgebied toegekend, terwijl het Volk van Dana het overige deel van Ierland in bezit nam. Tot zelfs in de zeventiende eeuw ontdekte de kronykschrijver Mac Firbis, dat een aantal bewoners van Connacht hun afstamming terug voerden tot diezelfde Firbolgs. Waarschijnlijk waren zij werkelijk een historisch ras, en het is niet onmogelijk, dat de strijd tusschen hen en het Volk van Dana een stuk werkelijke geschiedenis is geweest, dat omgeven is met enkele mythische trekken.
Corpre en Koning Bres
Het verdrijven van koning Bres.
Nuada met de Zilveren Hand zou nu de heerscher over het Volk van Dana geweest zijn, maar zijn verminking verbood dit, daar geen misvormd man koning van Ierland mocht zijn. Daarom kozen zij Bres, die de zoon was van een vrouw uit dat volk, Eri genaamd, maar wiens vader onbekend was, om in zijn plaats over hen te heerschen. Dit was niet dezelfde Bres, die als afgevaardigde met de Firbolgs had onderhandeld, en die gesneuveld was in den slag bij Moytura. Doch Bres had, hoewel hij sterk was en schoon te aanschouwen, niet de gave als heerscher, immers niet alleen liet hij toe, dat de vijand van Ierland, de Fomoriërs, hun onderdrukking en hun schatting in het land weer opnieuw begonnen, maar ook legde hij zelf zijn onderdanen hooger belastingen op; daarbij was hij zóó gierig, dat hij hoofden en edelen of hofspelers geen gastvrijheid verleende. Gebrek aan milddadigheid en gastvrijheid werd altijd gerekend onder de ergste ondeugden van een Iersche vorst. Men verhaalt nu, dat op zekeren dag de dichter Corpre aan zijn hof kwam, die gehuisvest werd in een kleine, donkere kamer zonder vuur of huisraad, waar hem na een lang vertoef drie droge koeken zonder ale werden voortgezet. Om zich te wreken vervaardigde hij een satiriek versje op zijn vrekkigen gastheer:
“Zonder voedsel, snel bediend,
Zonder koemelk, waarvan een kalf kan groeien,
Zonder woonplaats voor een man te gebruiken in den duisteren nacht,
Zonder middelen om een gezelschap van barden te onthalen,—
Moge Bres in dien toestand verkeeren.”
In Ierland onderstelde men, dat een dichterlijke satire een soort tooverkracht bezat. Koningen waren er bang voor, zelfs ratten konden er door worden uitgeroeid9. Dit versje van Corpre werd met groot vermaak onder het volk herhaald, en Bres was genoodzaakt zijn koningschap neer te leggen. Men zegt, dat dit de eerste satire was, die in Ierland werd vervaardigd. Tevens werd Nuada, omdat hij zijn zilveren hand had gekregen door de vaardigheid van zijn geneesheer Diancecht, of omdat, zooals een andere lezing der legende zegt, een veel grootere heelkundige, de zoon van Diancecht, gezorgd had, dat de echte hand weer aan de stomp vastgroeide, in plaats van Bres tot koning gekozen. De laatste begaf zich nu in toorn en wrok naar zijn moeder Eri, en smeekte haar hem raad te geven en hem op de hoogte te brengen van zijn afkomst. Eri vertelde hem toen, dat zijn vader Elatha was, een koning der Fomoriërs, die in het geheim van over zee bij haar was gekomen, en die haar bij zijn vertrek een ring had gegeven, met het verzoek, dien nooit aan iemand te geven, behalve aan hem, aan wiens vinger hij zou passen. Zij haalde nu den ring te voorschijn, en deze paste aan den vinger van Bres, die daarop met haar afdaalde naar het strand, waar de Fomorische minnaar geland was; daarna zeilden zij te zamen naar het land van zijn vader.
De tyrannie der Fomoriërs.
Elatha herkende den ring, en gaf zijn zoon een leger, om daarmede Ierland te heroveren, terwijl hij hem bovendien wegzond om verdere hulp te zoeken bij den grootsten der Fomorische koningen, Balor. Deze had den bijnaam van “met het kwade oog”, omdat de blik van zijn ééne oog als een bliksemflits hem kon treffen, op wien hij in woede neerzag. Hij was toen echter reeds zóó oud en zwak, dat het groote ooglid neerhing over het doodaanbrengende oog, en door zijn manschappen met touwen en takels moest worden opgetild zoo dikwijls het oogenblik was aangebroken, dat hij het op zijn vijanden moest slaan. Nuada kon hem evenmin het hoofd bieden als Bres dit tijdens zijn regeering had kunnen doen; en het land zuchtte nog steeds onder den druk der Fomoriërs en verlangde smachtend naar een kampioen en verlosser.
De komst van Lugh.
Nu treedt een nieuwe figuur in de mythe op, en wel niemand anders dan Lugh, de zoon van Kian, de Zonnegod bij uitnemendheid in het geheele gebied der Kelten, wiens naam wij nog thans kunnen terugvinden in een aantal historische plaatsnamen op het vasteland van Europa10. Om zijn verschijning te verklaren, moeten wij voor een oogenblik de mededeelingen der oude handschriften, die hier onvolledig zijn, op zijde zetten, en die moeten worden aangevuld door een verhaal, dat in den volksmond is blijven leven, en zelfs eerst in de negentiende eeuw uit dien volksmond is opgevangen door den bekenden Ierschen oudheidkundige, O’Donovan11. In dit verhaal uit den volksmond zijn de namen Balor en die van zijn dochter Ethlinn (de laatste in den vorm “Ethnea”) bewaard gebleven, behalve nog sommige andere mythische personen, maar dien van den vader van Lugh vindt men nog flauw terug in Mac-Kineely; de naam van Lugh zelf is vergeten geraakt, en de dood van Balor is medegedeeld op een wijze, die niet in overeenstemming is met de oude mythe. In het verhaal, zooals wij het hier weergeven, zijn de oude namen en de mythische omtrekken bewaard gebleven, maar, waar dit noodig was, aangevuld uit de volksoverlevering, waaruit die moderne trekken zijn weggelaten, die niet te verzoenen zijn met de mythe.
“Sawan gaf den halster der koe aan den Knaap”
Het verhaal luidt dan, dat Balor, de koning der Fomoriërs, in een Druïdische voorspelling gehoord had, dat hij door zijn kleinzoon zou worden gedood. Zijn eenig kind was een nog zeer jong meisje, Ethlinn genaamd. Om dan dat noodlot te ontkomen liet hij haar, evenals Acrisios, de vader van Danaë, in de Grieksche mythe, opsluiten in een hoogen toren, dien hij had laten bouwen op een steilen landtong, de Tor Mōr, op het eiland Tory. Hij stelde het meisje onder bewaking van twaalf oude vrouwen, die streng moesten toezien, dat zij nooit het gelaat van een man te zien kreeg, of dat zij zelfs ooit zou ontdekken, dat er wezens bestonden van een ander geslacht dan het vrouwelijke. In die afzondering groeide Ethlinn—zooals alle in afzondering gehouden prinsessen het geval is—op tot een maagd van onovertroffen schoonheid.
Het geval wilde nu, dat er op het vasteland drie broeders waren, Kian, Sawan, en Goban, de smid, de groote wapensmid en kunstenaar in de Iersche mythen, die overeenkomt met een dergelijke persoonlijkheid in de Germaansche mythologie. Kian had een tooverkoe, die zóó overvloedig melk gaf, dat iedereen verlangde die koe te bezitten, en hij verplicht was, haar streng te bewaken.
Balor besloot zich van die koe meester te maken. Op zekeren dag kwam Kian en Sawan naar de smidse, om wapenen voor zich te laten maken, voor welk doel zij prachtig staal medebrachten. Kian ging de smidse binnen en droeg Sawan de zorg voor de koe op. Nu kwam Balar ten tooneele, na de gestalte te hebben aangenomen van een roodharigen jongen, en vertelde Sawan, dat hij de broeders in de smidse beluisterd had, terwijl zij een plan smeedden, om al het prachtige staal voor hun eigen zwaarden te gebruiken, en niets dan gemeen staal voor het zwaard van Sawan over te laten. Deze gaf nu in groote woede den halster in handen van den jongen en stormde de smidse in, om dit misdadige plan te verhinderen. Onmiddellijk voerde Balor de koe weg en sleepte haar over zee naar het eiland Tory.
“De Druïde dreef het naar het huis van zijn vader, Kian”
Kian besloot nu, zich op Balor te wreken, en won daartoe den raad in van een Druïde priesteres, Birōg genaamd. Na zich in vrouwenkleeren te hebben gekleed, werd hij door tooverbezweringen over de zee gedreven, waar Birōg, die hem vergezelde, het tegenover de bewaaksters van Ethlinn deed voorkomen, dat zij twee edele vrouwen waren, op het strand geworpen, toen zij voor een man vluchtten, die haar wilde ontvoeren, en om een schuilplaats smeekte. Zij werden toegelaten; Kian vond de gelegenheid toegang te krijgen tot prinses Ethlinn, terwijl de vrouwen door Birōg in een diepen tooverslaap werden gebracht, en toen zij ontwaakten, waren Kian en de Druïden-priesteres verdwenen zooals zij gekomen waren. Maar Ethlinn had Kian haar liefde geschonken, en spoedig ontdekten haar bewaaksters, dat zij zwanger was. Daar zij den toorn van Balor vreesden, trachtten de oude vrouwen haar te overtuigen, dat de geheele gebeurtenis slechts een droom was, en spraken er niet meer over, maar na verloop van tijd beviel Ethlinn van drie zoons.
Het bericht van die gebeurtenis bereikte Balor, en vol woede en vrees beval hij, dat de drie kinderen moesten verdronken worden in een maalstroom aan de Iersche kust. De boodschapper, die met die opdracht werd belast, rolde de kinderen in een laken, maar toen hij ze naar de bepaalde plaats droeg, liet de speld waarmede het laken was dichtgemaakt, los, waardoor één der kinderen er uit viel en in een kleine baai terecht kwam, die nog ten huidigen dage Port na Delig, of de Haven van de Speld genoemd wordt. De beide andere werden, zooals bedoeld was, verdronken, en de bediende bracht het bericht, dat hij zijn zending had volbracht.
Maar het kind, dat in de baai was gevallen, werd door de Druïden-priesteres bewaakt, die het dreef naar de woning van zijn vader Kian; deze gaf het ter opvoeding aan zijn broeder den smid, welke het kind zijn eigen ambacht onderwees en hem in alle soorten van ambacht en handenarbeid bekwaam maakte. Dit kind was Lugh. Toen hij opgegroeid was tot een jongeling, plaatste hem het Volk van Dana onder de hoede van Duach, “Den duisteren,” den koning der Groote Vlakte (het Tooverland, of het “Land der Levenden,” wat tevens het Land der Dooden is), en daar bleef hij totdat hij den mannelijken leeftijd had bereikt.
Lugh was natuurlijk degeen, die bestemd was het Volk van Dana uit zijn slavernij te verlossen. Zijn komst wordt medegedeeld in een verhaal, dat de Zonne-attributen van algeheele macht naar voren brengt, en hem evenals Apollo doet kennen als de godheid, die het bestuur heeft over alle menschelijke kennis en alle bekwaamheid op het gebied van kunst en geneeskunde. Hij kwam, zoo wordt verhaald, om zich in den dienst te stellen van Nuada met den Zilveren Hand, en toen de portier van het koninklijke paleis van Tara hem vroeg, wat voor werk hij kon doen, antwoordde hij, dat hij timmerman was.
“Wij hebben geen timmerman noodig”, zeide de portier; “wij hebben een uitstekenden timmerman in den persoon van Luchta, den zoon van Luchad”. “Ik ben ook smid”, zeide Lugh. “Wij hebben al een voortreffelijken smid”, zeide de portier. “Maar ik ben ook een krijgsman”, zeide Lugh. “Wij hebben er geen noodig, zeide de portier, “zoolang wij Ogma hebben”. Lugh gaat voort al de beroepen en kunsten te noemen, die hij maar kan bedenken—hij is dichter, harpspeler, een man van wetenschap, een geneesheer, een keukenmeester, en zoo voort, waarbij hij telkens ten antwoord krijgt, dat iemand van uitstekende bekwaamheid in die kunst reeds aan het hof van Nuada in betrekking is. “Vraag dan den koning”, zeide Lugh, “of hij ook iemand in zijn dienst heeft, die volleerd is in ieder van die kunsten, en als dit het geval is, zal ik hier niet langer blijven, en niet trachten het paleis binnen te komen”. Daarop wordt Lugh aangenomen, en hem de bijnaam Ildánach gegeven, wat beteekent “De man van Alle Ambachten” de Vorst van alle Wetenschappen; terwijl een andere naam, dien hij gewoonlijk droeg, Lugh Lamfada was, of Lugh met den Langen Arm. Wij worden hier, zooals de Jubainville opmerkt, herinnerd aan de Gallische god, dien Caesar vereenzelvigt met Mercurius, “den uitvinder van alle kunsten”, en voor wien de Galliërs een aantal standbeelden hadden opgericht. De Iersche mythe vult die nader aan en noemt ons den Keltischen naam van die godheid.
De Boot van Mananan
Toen Lugh uit het Land der Levenden kwam, bracht hij een aantal toovergeschenken mede. Daaronder waren de Boot van Mananan, de zoon van Lir den Zeegod, welke boot de gedachten van den mensch kende en overal heen kon reizen, waar zij wilde, en het paard van Mananan, dat zoowel over land als over zee kon gaan, en een vreeselijk zwaard, dat Fragarach (“De Antwoordgever”) heette, en de gave bezat van door ieder harnas heen te snijden. Zoo toegerust, kwam hij eens in een vergadering van opperhoofden van het Volk van Dana, die samengekomen waren om hun schatting te betalen aan de afgevaardigden der Fomorische onderdrukkers; en toen die opperhoofden hem zagen, leek het hun alsof zij, zooals verhaald wordt, de opkomst van de zon waarnamen op een drogen zomerochtend. In plaats van de schatting te betalen, vielen zij onder aanvoering van Lugh de Fomoriërs aan, die allen op negen man na sneuvelden, welke teruggezonden werden om Balor mede te deelen, dat het Volk van Dana hem tartte en in het vervolg geen schatting meer wilde betalen. Balor maakte zich toen gereed voor den strijd en beval zijn veldheeren, om als zij het Volk van Dana hadden overwonnen, het eiland door kabels aan hun schepen te bevestigen en het een heel eind in noordelijke richting te sleepen naar het Fomorische gebied van ijs en duisternis, waar het hen niet langer zou hinderen.
De tocht van de zonen van Turenn.
Lugh van zijn kant, maakte zich eveneens gereed voor den beslissenden strijd; maar om zich van de overwinning te verzekeren, had hij nog eenige magische voorwerpen noodig, en die moesten nog verkregen worden. Het verhaal, hoe die voorwerpen werden opgespoord, waarbij ons ook nog de dood van Kian, den vader van Lugh wordt vermeld, is één der merkwaardigste en kostelijkste vertelsels onder de Iersche legenden en vormde één van een drietal mythen, die tot den bloem der Iersche verdichtselen kan gerekend worden.12
Kian, zoo luidt het verhaal, was door Lugh naar het Noorden gezonden, om de strijdbare mannen van het Volk van Dana in Ulster op te roepen teneinde deel te nemen aan den strijd tegen de Fomoriërs. Op weg, bij het overtrekken van de vlakte van Murthemney, bij Dundalk, komt hij drie broeders tegen, Brian, Iuchar en Iucharba, zonen van Turenn, tusschen wier geslacht en dat van Kian een bloedveete bestond. Hij tracht te ontkomen door zich in een varken te veranderen en zich bij een kudde te voegen, die in de vlakte huist, maar de broeders ontdekken hem en Brian wondt hem door een speerworp. Kian, die weet, dat zijn einde nabij is, vraagt toestemming om zich, vóór dat hij gedood wordt, weer in menschelijke gedaante te veranderen. “Ik wil liever een man dan een varken dooden,” zegt Brian, die verreweg de voornaamste rol speelt in alle avonturen der broeders. Daarop staat Kian in menschengedaante vóór hen, terwijl het bloed, door Brians speer vergoten, uit zijn borst vloeit. “Ik heb u verschalkt,” roept hij uit, “want als gij een varken hadt gedood, hadt gij slechts den bloedprijs van een varken behoeven te betalen, maar nu moet gij den bloedprijs van een man betalen; er is nooit grootere bloedprijs geweest dan die, welken gij moet betalen; en de wapens waarmede gij mij doodt zullen het vertellen aan den wreker van het bloed.”
“Dan zult gij zonder eenige wapens gedood worden,” zegt daarop Brian, en hij en zijn broeders steenigen hem en begraven hem in den grond ter mansdiepte.
Maar toen Lugh kort daarop dien weg langs ging, schreeuwden de steenen in de vlakte luide en vertelden hem over den moord op zijn vader door de hand van de zonen van Turenn. Hij graaft het lichaam op en keert naar Tara terug, na wraak te hebben gezworen. Hier beschuldigt hij de zonen van Turenn tegenover den Opperkoning, en krijgt de toestemming hen ter dood te doen brengen of den losprijs te noemen, waarvoor hij dat vonnis wil herroepen. Lugh kiest den losprijs, en hij noemt de volgende, waarbij hij dingen van groote waarde, die alleen onder ongehoorde moeilijkheden te verwerven zijn, onder de namen van gewone voorwerpen verbergt: drie appels, een varkenshuid, een speer, een wagen met twee paarden, zeven zwijnen, een jachthond, een braadspit en ten slotte eischt hij, dat zij boven op een heuvel drie kreten laten hooren. De broeders verbinden zich, de boete te betalen, en daarna verklaart Lugh de beteekenis er van. De drie appels zijn die, welke groeien in den Tuin van de Zon; de varkenshuid is een tooverhuid, die iedere wonde heelt en ook iedere ziekte geneest, als zij op den lijder kan worden gelegd, zij is in het bezit van den koning van Griekenland; de speer is een tooverwapen in het bezit van den koning van Perzië (die namen zijn natuurlijk slechts fantaisienamen voor plaatsen in de geheimzinnige feeënwereld); de zeven zwijnen behooren aan koning Asal van de Goude Pilaren, en al heeft men ze iederen avond geslacht en opgegeten, men vindt ze den volgenden dag weder in hun geheel terug; het spit behoort aan de zeenimfen van het verzonken eiland Finchory; en de drie kreten moet men doen hooren op den heuvel van een woesten krijgsman, Mochaen, die met zijn zonen de gelofte heeft afgelegd, dat zij iedereen zullen beletten zijn stem op dien heuvel te verheffen. Het is een bijna onuitvoerbare taak, zelfs maar één van die werken te volvoeren, en de broeders moesten ze alle volbrengen, voor dat zij zich konden bevrijden van de schuld en de straf voor den dood van Kian.
Het verhaal loopt dan verder, hoe de zonen van Turenn met ontzaglijken moed en met de grootste scherpzinnigheid één voor één al hun opdrachten vervullen, maar als zij alle volbracht zijn behalve het verwerven van het braadspit en het doen hooren der drie kreten op den heuvel van Mochaen, zorgt Lugh door middel van tooverkunsten, dat vergeetachtigheid over hen valt, en zij keeren met hun schatten naar Ierland terug. Juist deze, in het bijzonder de speer en de varkenshuid, zijn het, die Lugh noodig heeft om hem tegen de Fomoriërs te helpen; maar zijn wraak is niet volkomen, en na de schatten verkregen te hebben, herinnert hij de broeders er aan, dat er nog enkele werken moeten vervuld worden. Zij beginnen nu, ten zeerste terneergeslagen, te begrijpen, dat zij zijn voor den gek gehouden, en zij gaan droevig heen, om, als zij kunnen, het overige van den bloedprijs meester te worden. Na langen tijd te hebben rondgezworven, blijkt het hun, dat het eiland Finchory niet boven, maar onder de zee is gelegen. Brian gaat in een magische waterkleeding naar beneden, ziet de driemaal vijftig nimfen in haar paleis, en pakt het gouden braadspit van haar haard. De taak op den heuvel van Mochaen is de laatste, die nog moet worden volbracht. Na een wanhopig gevecht, dat eindigt met het dooden van Mochaen en zijn zonen, verheffen de broeders, doodelijk gewond, hun stemmen in drie zachte kreten, en zoo is de bloedprijs betaald. Zij zijn echter nog in leven als zij in Ierland terugkeeren, en hun bejaarden vader Turenn smeekt Lugh, hem de tooverhuid van het varken te leenen, om ze te genezen, maar de onverzoenlijke Lugh weigert dit, en de broeders en hun vader sterven tezamen. Zoo eindigt het verhaal.
De tweede slag bij Moytura.
De tweede slag bij Moytura had plaats in een vlakte in het noorden van het graafschap Sligo, dat de aandacht trekt door het aantal grafmonumenten, die daar nog altijd verspreid liggen. De eerste slag was natuurlijk dien welken het Volk van Dana met de Firbolgs had geleverd, en het daar bedoelde Moytura lag veel zuidelijker in het graafschap Mayo. Het gevecht tegen de Fomoriërs wordt verhaald met een verwonderlijken rijkdom van de vreemdste gebeurtenissen. De ambachtslieden van het Volk van Dana, Goban de smid, Credné, de smeedkunstenaar (of goudsmid) en Luchta, de timmerman, herstellen voortdurend de gebroken wapens van het Volk van Dana met magischen spoed—drie slagen van Gobans hamer maken een speer of een zwaard, Luchta slingert er een handvat tegen aan, dat dadelijk vast blijft zitten, en Credné werpt er met zijn tang de klinknagels heen, zoo vlug als hij ze kan maken, en zij vliegen op hun plaats. De gewonden worden geheeld door de tooverhuid. De vlakte weerklinkt van het geraas van den strijd:
“Bij de feesten van het Toovervolk”
“Vreeselijk was de donder, die over het slagveld rolde; de kreten der krijgslieden, het breken der schilden, het flikkeren en kletteren van de zwaarden, van de rechte zwaarden met ivoren gevesten, de muziek en de harmonie der geworpen werpspiesen, en het suizen van speren en lansen”13.
De dood van Balor.
De Fomoriërs brengen hun kampioen Balor naar voren, voor wiens vreeselijk oog Nuada met de Zilveren Hand en anderen van het Volk van Dana bezwijken. Maar Lugh maakte gebruik van de gelegenheid, dat het ooglid van vermoeidheid neerviel en naderde Balor tot op korten afstand, en zoodra dat ooglid weer in de hoogte ging wierp hij in het oog een grooten steen, die in zijn hersens doordrong, zoodat Balor, zooals de profetie had voorspeld dood ter neder lag, door zijn kleinzoon getroffen. Toen werden de Fomoriërs totaal verslagen, en er wordt geen melding van gemaakt, dat zij ooit weer eenigen invloed in Ierland verkregen of daarvan een eenigszins uitgebreid terrein plunderden. Lugh, de Ildánach, werd toen op den troon geplaatst, die te voren door Nuada was bezet, en de mythe van de overwinning van den zonneheld over de macht van duisternis en van geweld is hiermede voltooid.
De harp van den Dagda.
Wij zullen hier een aardig verhaal inlasschen, dat betrekking heeft op de macht, die het Volk van Dana kon uitoefenen door de betooverende uitwerking der muziek. Voordat de Fomoriërs op de vlucht gejaagd waren, hadden zij den harpspeler van den Dagda gevangen genomen en voerden dien met zich mede. Lugh, de Dagda en de krijgsman Ogma volgden hen en kwamen zonder dat men hen herkende, in de feestzaal van het kamp der Fomoriërs. Daar zagen zij de harp aan den muur hangen. De Dagda riep haar aan, en onmiddellijk vloog zij in zijn handen, op haar weg negen mannen der Fomoriërs doodend. De aanroeping van den Dagda is eigenaardig, en ongemeen raadselachtig:
“Kom, appelzoete murmelaar”, zoo roept hij, “kom raam van harmonie met vier hoeken, kom Zomer, kom Winter, uit de monden der harpen en zakken en fluiten”14.
De toespeling op de jaargetijden wijst op de eigenaardigheid bij de Indische muziek om bepaalde muzikale wijzen te gebruiken bij verschillende jaargetijden (en zelfs bij verschillende uren van den dag) en doet eveneens denken aan de Egyptische legende, die besproken wordt door Burney in zijn “Geschiedenis der Muziek”, waar de drie snaren van de lier geacht werden overeen te komen met de drie jaargetijden, lente, zomer en winter15.
Toen de Dagda de harp in zijn bezit had, zoo luidt het verhaal verder, speelde hij daarop de “drie edele tonen”, die iedere grootmeester op de harp moet beheerschen, en wel den Toon der Klacht, die alle hoorders deed weenen, den Toon van het Lachen, die hen vroolijk maakte, en den Toon van den Slaap, of Lullaby, die allen in een diepen slaap dompelde. En onder de bedekking van dien slaap sloop de kampioen van het Volk van Dana naar buiten en ontsnapte. Wij merken hierbij op, dat in de geheele legendenlitteratuur van Ierland bekwaamheid in de muziek, welke kunst een invloed uitoefent, die het meest gelijkt op die van een geheimzinnige toovermacht of van een gave der feeën, het prerogatief is van het Volk van Dana en hun afstammelingen. Zoo wordt in de “Samenspraak der Ouden”, een verzameling sprookjes omstreeks de dertiende of veertiende eeuw vervaardigd, St. Patrick in aanraking gebracht met een minnezanger Cascorach, “een schoonen jongeling met gekrulde haren en donkere wenkbrauwen”, die een zóó zoete melodie speelt, dat de heilige en zijn gevolg in slaap vallen. Volgens het verhaal was Cascorach de zoon van een minnezanger uit het Volk van Dana. De schrijver van St. Patrick, Brogan merkt op: “Gij gaaft ons daar een heerlijk staaltje van uw kunst”. “Het zou werkelijk goed zijn”, zeide St. Patrick, als er niet een klank in was van de tooverij eener fee, die het verpest; was dit niet het geval, dan zou niets meer dan dit overeenkomen met een hemelsche harmonie.16 Sommige van de schoonste der oude Iersche volksmelodieën,—b.v. de Coulin—zijn volgens de overlevering door sterfelijke harpspelers afgeluisterd bij de feesten der Feeën.
Namen en karaktertrekken van de godheden van het Volk van Dana.
Wij zullen dit verhaal der verovering door het Volk van Dana besluiten met een overzicht van de voornaamste goden van het Volk van Dana en van hun attributen, welk overzicht van groot nut zal zijn voor de lezers der volgende bladzijden. Het beste ons bekende overzicht is dat, wat gevonden wordt in de “Critische geschiedenis van Ierland”, door Standish O’Grady17. Dit werk is niet minder merkwaardig om zijn critisch inzicht—het werd in 1881 uitgegeven, toen men nog weinig hoorde van een wetenschappelijke beoefening der Keltische mythologie—dan om de diep-poëtische verbeeldingskracht, die nauw verwant was aan die van de dichters der oude mythen zelf, waardoor doode vormen uit het verleden opstaan en door den adem des levens worden opgewekt. De groote lijnen, waarin O’Grady de typische karaktertrekken der hoofdpersonen in den cyclus van Dana heeft geschetst, vereischen in onzen tijd nauwelijks eenige verbetering, en zijn voor ons bij het hier volgende overzicht van groot nut geweest.
De Dagda.
De Dagda Mōr was de vader en het opperhoofd van het Volk van Dana. Er is aan hem en aan zijn optreden het denkbeeld van grootheid verbonden. In den tweeden slag bij Moytura vellen zijn slagen geheele rijen van den vijand, en als hij zijn speer op marsch laat slepen, trekt deze een vore in den grond als de gracht, die de grens van een provincie aanwijst. In enkele verhalen omtrent die godheid is een element van zonderlingen humor aanwezig. Als de Fomoriërs hem voedsel geven bij zijn bezoek aan hun kamp, worden de pap en de melk in een grooten kuil in den grond gestort, en hij eet die met een lepel, die zóó groot is, zooals verhaald wordt, dat een man en een vrouw er samen in kunnen liggen. Met dien lepel schrapt hij den kuil uit, als de pap op is en met de grootste onverschilligheid laat hij de aarde en het grove zand door zijn keel loopen. Wij hebben reeds gezien, dat hij zooals het geheele Volk van Dana een meester is in de muziek, en tevens volleerd in alle magische kunsten, terwijl hij daarbij een harp bezit, die op zijn roep door de lucht komt vliegen. “De neiging, om leven toe te kennen aan levenlooze dingen is duidelijk merkbaar in de Homerische litteratuur, maar oefent een veel grooteren invloed uit in de mythologie van dit land. De levende, vlugge speer van Lugh; het tooverschip van Mananan; het sprekende zwaard van Cuchulain; de Lia Fail, de Steen van het Noodlot, die van vreugde loeide onder den voet van wettige koningen; de golven van den oceaan, die van woede en smart bulderden, als die koningen in gevaar waren; de wateren van de Avon Dia, die uit vrees bleven stilstaan bij het vreeselijk tweegevecht tusschen Cuchulain en Ferdia: die alle zijn slechts enkele uit vele voorbeelden18. Een legende van lateren tijd verhaalt ons, hoe eens bij den dood van een groot geleerde alle boeken in Ierland van de boekenplanken op den vloer vielen.
Angus Ōg.
Angus Ōg (Angus de Jonge), de zoon van den Dagda, verwekt bij Boanna (de rivier bij Boyne) was de Iersche liefdegod. Men dacht zich zijn paleis te New Grange, aan de Boyne. Ook stelde men zich de vier schitterende vogels, die voortdurend boven zijn hoofd zweefden voor, als zijn kussen, die in die lieflijke gedaante gematerialiseerd werden, en als deze zongen, ontsprong de liefde in de harten van jongelingen en en meisjes. Eens werd hij smoorlijk verliefd op een meisje, dat hij in den droom had gezien. Hij vertelde de oorzaak van de ziekte, die daarvan het gevolg was, aan zijn moeder Boanna, die geheel Ierland doorzocht naar het meisje, maar het niet kon vinden. Daarop werd de Dagda binnengeroepen, maar wist evenmin, wat hij doen moest, totdat hij de hulp inriep van Bōv den Roode, den koning van het Munstersche volk van Dana—denzelfden, van wien sprake is in het verhaal van de kinderen van Lir, en die op de hoogte was van alle mysteriën en tooverkunsten. Bōv nam de taak op zich, naar het meisje te zoeken, en na verloop van een jaar verklaarde hij, dat hij het in den droom verschenen meisje had gevonden bij een meer, dat het Meer van den Drakenbek heette.
Angus ging nu naar Bōv, en na door hem drie dagen te zijn onthaald, werd hij gebracht naar den oever van het meer, waar hij driemaal vijftig maagden zag, die paar aan paar liepen, terwijl ieder paar aan elkander was gekluisterd door een gouden keten, doch één der meisjes was meer dan een hoofd grooter dan de overige. “Dat is zij,” roept Angus uit. “Vertel ons onder welken naam zij bekend is.” Bōv antwoordt, dat zij Caer heet, en dat zij de dochter is van Ethal Anubal, een vorst van het volk van Dana, dat in Connacht woont. Angus weeklaagt, dat hij niet sterk genoeg is, haar van haar gezellinnen weg te dragen, maar op raad van Bōv begeeft hij zich om hulp naar Ailell en Maev, het sterfelijke koningspaar uit Connacht. Daarop begaven zich de Dagda en Angus naar het paleis van Ailell, die hen een week lang feestelijk onthaalt en hen daarna naar de reden van hun komst vraagt. Toen zij die hadden vermeld, antwoordde deze: “Wij hebben niets te zeggen over Ethal Anubal”. Toch zonden zij een boodschap naar Ethal, waarbij zij hem vragen om de hand van Caer voor Angus, maar Ethal weigert haar af te staan. Ten slotte wordt hij belegerd door de verbonden troepen van Ailell en den Dagda en gevangen genomen. Toen zij hem ten tweeden male Caer ten huwelijk vroegen, zegt hij, dat hij er niet in kon toestemmen, “want zij is machtiger dan ik.” Hij legt hun uit, dat zij om het andere jaar in de gedaante van een meisje en van een zwaan leeft, “en op den eersten November”, zoo zegt hij, “zult gij haar met honderd-vijftig andere zwanen bij het meer van den Drakenbek zien.
Angus gaat daar op den vastgestelden tijd heen en roept haar toe: “Ach, kom toch, en spreek met mij!” “Wie roept mij?” vraagt Caer. Angus deelt haar mede, wie hij is, en ziet dan, dat hij in een zwaan is veranderd. Dit is voor hem een aanwijzing, dat zij toestemt, en hij springt in het water, om zich bij zijn geliefde in het meer te voegen. Daarna vliegen zij beiden naar het paleis aan de Boyne, waarbij zij een zóó goddelijke muziek doen hooren, dat alle hoorders gedurende drie dagen en drie nachten in slaap worden gewiegd.
Angus is de bijzondere vriend van jongelingen en meisjes. Dermot van de Liefdesplek, een onderhoorige van Finn mac Cumhal, over wien wij later zullen hooren, was te zamen met Angus in het paleis aan de Boyne opgevoed. Hij was de typische minnaar in de Iersche legende. Toen hij gedood was door het wilde zwijn van Ben Bulben, wekt Angus hem weer tot leven op en draagt hij hem weg, om met hem in zijn tooverpaleis in de onsterfelijkheid te deelen.
Len van Killarney.
Wij hebben reeds gesproken van Bōv den Roode, den broeder van den Dagda. Naar men zegt, had hij een goudsmid in zijn dienst, Len genaamd, “waaraan de Meren van Killarney vroeger hun namen hadden ontleend, daar zij eertijds bekend waren onder de namen Locha Lein, de meren van Len met de Vele Hamers. Hier, bij het meer, oefende hij zijn ambacht uit, omgeven door regenbogen en een overvloed van vurigen dauw19.
Lugh.
Lugh is reeds beschreven20. Hij heeft meer bijzondere attributen van de zon dan eenige andere Keltische godheid; en, zooals wij weten, was zijn vereering wijd over het Keltische vasteland verspreid. In het verhaal over de zonen van Turenn werd ons medegedeeld, dat Lugh de Fomoriërs van het westen naderde. Daarop stond Bres, de zoon van Balor, op en zeide: “Het verbaast mij, dat de zon heden in het westen opkomt, en iederen anderen dag in het oosten.” “Mocht dit inderdaad het geval zijn,” zeiden zijn Druïden. “Wel, wat anders is het dan, als het de zon niet is?” zeide Bres. “Het is de glans van het gelaat van Lugh met den Langen Arm,” antwoordden zij.