WeRead Powered by ReaderPub
Kerkhofblommen cover

Kerkhofblommen

Chapter 13: NOG EENS
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A tightly organized sequence of poems records a poet's immediate impressions of a funeral, moving through events before the service, the liturgical ceremonies, and the burial itself. Sensory, often rural imagery — a straw cross, bells, incense, lights and procession through the landscape — is narrated alongside attentive descriptions of church rites and chants, producing sustained reflections on grief, consolation, communal ritual and hope beyond death. The language blends devotional solemnity with regional speech refined toward older Flemish forms, turning liturgical gesture and natural detail into quiet meditations on mourning, memory and spiritual presence.

Ha! beklaagt hem, die, gevangen onder 't wegen van de pijn, niet en kan een trane ontvangen, weenen, en gelukkig zijn! Arme schaap! hoe moeste het lijden door end door zijn herte snijden, daar het bleef in barensnood van de bittere vrucht ontbloot!

Tranen, bittere vrucht des lijdens, drank die 't smachtend herte laaft, zaad der vreugde en des verblijdens, die God zelf verlichting gaaft, toen, nog wandlende op de wereld, menige uur Zijne oog, bepereld en met droefheid overlaân, stortte aanbiddelijk getraan!

Tranen, als bij noenenstonde 't blusschend reegnen op het kruid, als de perel die de wonde des gekwetsten pijnbooms sluit, als de frissche navondkoelte na de heete zomerzoelte, zoeter, ja, veel zoeter nog, zijt gij, bittere tranen, toch!

Dank! o Heere, die me ontsloten hebt de bronne van 't getraan, die 'k zoo dikwijls heb genoten, dikwijls er naar toe gegaan: moet het krimpend alsemdrinken vriend of vijand mij nog schinken, geeft mij, anders niet, o neen, geeft mij dat ik tranen ween'!

Stroom van droefheid, eedle tranen; bittere beken des geweens, hoe kunt gij den wegel banen ter vertroosting! Wat gemeens hebt gij, druppelen van de smerte, met den honingdauw des herten; waarom, als ik lijden moet, zijt gij, tranen, mij zoo zoet?

God zijn wegen zijn verholen, als Hij zalfkruid wassen doet waar de slange zit verscholen die den wandlaar bijten moet: dank aan Hem, aan Wien 't bekend is of er mate in onze ellende is, dank aan die 't geween daarvan met het weenen troosten kan!

Aldus kwamen wij, onder groeienden toeloop van ingetogen nieuwsgierige christenen, tot nabij de Kerke.

Welkom! Welkom! riepen de klokken, in ruischenden zang. Welkom! Welkom! zong onze heilige Moeder, toen zij haar kranke kind, op onze schouders gesteund, voor den laatsten keer zag aankomen. Geknield nevens het lijk, en met blooten hoofde, ontvongen wij Heuren zegen, gesproken en bevat in de perelende druppels van het wijwater; de lijkdeure sloeg open, en zingende trokken wij binnen, tot waar wij stil hielden, en bleven staan vòór het heilig tabernakel des Heeren.

Mysterie!... Mysterie en diepe verholentheid was al dat er nu verder nog ommeging.

Mysterie... voor eerst, als, uit hunne graven en weêr levende geworden, daar te voorschijn kwam heel de schrikbare aloudheid des Christendoms: Job, vol wonden en zeeren; het gezalfde hoofd Davids, met de asschen bestrooid der boetveerdigheid; de oude koning Ezechias; Zacharias met het wierookvat, en Paulus met het zweerd, traden langzaam vooruit, stonden stille en staal over de tombe te schouwen, tot dat elk, op eenen toon die hem eigen was, en die nochtans klonk gelijk de stemme des Alderhoogsten, de droeve wisselklachten aanging ende kloeg

Van het slijk daar we in geboren zijn, van het stof onzer eindelijke rustplaatse.

Van het blad daar de wind meê speelt, van de blomme die uitkomt en vertorden ligt.

Van den draad, dien de wever afsnijdt, van de wegvliegende schaduwe des levens.

Van de menigvuldige zonden der jonkheid, van de genezinge des vleeschs.

Van den half afgebroken levenswandel,...

en van de opene deure des grafs, waaruit Job eindelijk alleene bleef klagen: Miseremini! hebt medelijden met mij, gij die mijne vrienden zijt, want de hand des Heeren heeft mij geraakt!

Ja, maar de slotsomme van de groote klachte bleef nog ongeklaagd en het schrikbare woord verviel nu op de heilige Kerke zelve. Een driemaal gekroonde, driemaal gescepterde Priester verscheen, en, staande in het midden der Vaderen, die van vóór Hem wegschoven, zoo verkondigde Paus Innocentius, op de trompetten der Cherubim die uit den orgel daverden, die trompette die eens alle vleesch verschrikken moet. Dies iræ klonk het,

Kwade dagen, die al de dagen eens lijk asschen weg zult vagen, zoo 't Sibille en David zagen!

Welk een gruwel 'n zal 't niet wezen, als de Rechter, opgerezen, 't goê zal uit het kwade lezen!

Wondere trompetrumoeren zullen al de graven roeren, al die dood zijn throonwaards voeren.

Stom zal staan de Dood en 't Leven, als de dooden antwoord geven, staan, en voor den Rechter beven.

't Zal een boek te voorschijn komen waarin 't al staat opgenomen dat het oordeel Gods moet schromen,

als de Rechter, neêrgezeten, al 't verdoken kwaad zal weten, straffen ende niets vergeten.

Wie zal dan toch mijn verweer zijn, wat mijn voorsprake of begeer zijn, als de goeden zelf verveerd zijn?

Koning, schrikbaar en grootmachtig, bron van goedheid, nederslachtig bid ik U, weest mij indachtig!

Jesu, wilt toch wel gedenken: als gij mij kwaamt 't leven schenken, was 't om me op dien dag te krenken?

Jesu, moê van zoeken naar mij hebt Ge 't Kruis geleên, en daar mij eens zoo dier gekocht: ach spaart mij!

schoon 't Uw recht zij van te wreken, wilt mij vrij van zonden spreken eer die dag komt aan te breken!

'k Zuchtte als een ter dood verwezen, maar mijn schaamrood schuldig wezen hoopt op Uw bermhertig wezen;

Wierd Maria 't eeuwig leven, wierd den moordnaar hoop gegeven, hopen durve ik ook, en beven.

Heere, onweerdig is mijn bede; doch, laat me, uit goedjonstigheden, vrij van 't vier der eeuwigheden!

Laat mij bij uw schaapkes weiden, wilt mij van de bokken scheiden en ter rechter hand geleiden.

Moet gij dan vermalediden en het eeuwig vier doen lijden roept tot mij: "Gebenediden!"

Want ik kome al jammerklagen, 't herte als asschen rouw geslagen, hulpe in mijnen doodstrijd vragen.

Dag van weedom en van boeten, als gij zult verrijzen moeten en gerecht zijn om uw' zonden,

mensch, God spare u in die stonden! Zoet Heere Jesu mijn, laat ze in ruste en vrede zijn, in alle eeuwen! Amen.

Mysterie!... de wolkende wierook, die langzaam uit het gloeiend herte des zilvers omhooge steeg, en van daar onzichtbaar nederviel in eenen regen van smeltende balsemgeuren, die de Kerke doorwasemde en die bleef hangen aan onze kleederen, even als het klimmende en 't wederom neêrdalende gebed des aanhoorden rechtveerdigen!

Mysterie!... van schitterend Geloove, Hemelwaards ziende Hope en brandende Charitas, die fakkels die rond de tombe flikkerden, in een aangenaam vertoog.

Mysterie!... die mindere lichten, die ons den priester te gemoet leidden, toen hij van den hoogen autaar kwam en met de godvruchtige menigte gemeenschap hield, in 't offeren van het onbloedige slachtoffer!

Mysterie!... 't omhelzen van de goudene patene, den slachtbank en den offerschotel van het heilige Lam des Heeren! Wel zijt gij weerd omhelsd te worden, koninklijk metaal, dat, gewend van overal elders te gebieden en meester te zijn, hier dienstbaar ligt onder de voeten des Heeren Jesu, en op den autaar des Alderhoogweerdigsten, onschuldig zelve, de ontelbare schulden helpt uitboeten, die, om u, met u en door u, gepleegd zijn!

Mysterie!... het driemaal hellemende gerinkel, dat het licht verstrooide volk indachtig maakt hoe diepe de bevende Priester alrêe getreden is in het Heiligste der Heiligdommen!

Mysterie!... als, bij 't nederkomen des Heeren, alles zweeg en roerloos bleef; onze hoofden in onze handen vielen, lekende van tranen, en driemaal in de hoogte, het koper door de vervaarlijke stilte daverde, zidderde, en bleef beven, tot in de steenen van den tempel, tot in de graven beneên den marbelen vloer!

Mysterie!... gezegende en troostelijke stemme der klokke, die, willekom en onder wege half weggesmolten, als een Engel van vertroostinge, zachtjes de lucht liept stooren in de kamer en rondom de sponde van den lijdenden Vader, hem verkondigende dat Jesus andermaal, onbloedig, voor Eduard zijn kind, geleden had en gestorven was! Ja, de peerlen van leed en smerte ontschoten misschien wel den braven man zijne oogen, op het afgeluisterde kloppen der Elevatieklokke, maar even zoo dapper slierden en vielen de versletene Paternosterbeiers door zijne biddende vingers, onder het denken aan Hem die aan 't kruis stierf, aan Haar die eronder stond en leven kon: aan Hem en aan Haar die nu, boven alle smerte, in den hoogen Hemel heerschen.

Och! hoe troostelijk is het, na die heilige Mysteriën godvruchtig bewonderd te hebben, en zijn herte gelaafd in 't gebed, omhangen nog met de zoete wierookreuken, hand en hand te staan en reisveerdig ten gravewaard, met eenen afgestorven Broeder! Hoe troostelijk de stemme te hooren onzer eerbiedweerdige Moeder, die heur kind den letsten zegen geeft! Hoe troostelijk, als de orgelklanken dreunen, de klokken tribbelen, de kerkdeuren opengaan, het Kruis voorenop treedt, de wind in de vane slaat, het lijk ommekeert, omhooge rijst en voortgaat, onder het luidruchtige vaarwel der heilige Kerke, dat gelijkt aan het reisteeken van eenen triomphetocht!

In Paradisum! De herten beven in de boezems, de wangen slaan bleek en krimpen weg, tranen verduisteren 't gezichte, de kniën wankelen onder den last des lichaams. In Paradisum! Men weent, men weet niet waarover noch waarvan; men weent, men is blijde, men is getroost, men is trotsch van te weenen; men spreekt noch men hoort geen spreken meer, men peist noch men weet wat er omgaat, 't lichaam ziddert in de stemme des orgels, en de ziele vloeit weg ten Hemelwaard, in de stemme van dat wonderbare in Paradisum!

Met zulkdanige gevoelens stonden wij op den 5den dag van Meie, 't jaar 1858, in 't herte van West-Vlanderen, binst den brandenden noenenstond, te Staden op het kerkhof. Het Kruis was voor eene laatste maal in het graf tot op de kiste gedaald en had daar driemaal een teeken van zaligheid geteekend.

Zoo teekende Moeder uw voorhoofd weleer en streelde met het Kruis uw oogskes toe, wanneer zij u, — hopende Moeder! — al bidden en zingen in slape had gezongen, in uwe aldereerste kindsheid, gij die nu ligt en slaapt in den schoot der aarde.

De holde klank van het stof dat de Priester, onder heilige woorden, op de kiste liet vallen, het schraven van de koorden die men er van onder haalde, verdween welhaast met den laatsten requiescat, met den laatsten kronkel wierooks, die stillekes uit de stervende kolen en tusschen de zilveren ketentjes wegkroop in de ijdele lucht... en verdween: alles viel stille als de dood zelve, alles scheen te wachten naar iemand om het woord van scheiden uit te spreken, 't geen eindelijk gedaan wierd in dezer voegen:

Mijne beminde en dierbare Leerlingen!

"Het is mijne plicht, alle dagen, onder Ulieden het woord te voeren; heden, dat wij niet meer in het stille schoolverblijf maar te zamen op de boorden staan van een graf, heden en zal ik nochtans aan deze mijne plicht niet te kort blijven, maar u hier mijne dagelijksche lessen voorenhouden. Doch! wat behoort het mij te spreken, toen alles rondom ons zoo eene klare tale voert, ja toen de doode stilte van dit Kerkhof zelfs tot in onze gebeenderen ziddert!... Spreekt gij liever in mijne plaatse, o Engel des doods, op wiens erfgebied wij hier staande zijn; spreekt gij, en leert ons uwe zoo dikwijls herhaalde, dikwijls verstane en even zoo dikwijls vergetene lessen. Spreekt gij in zonderheid, afgestorven Broeder, spreekt gij, alderdeugdzaamste Jongeling, waarvan uwe oversten zeggen en getuigen "dat gij maar opgehouden en hebt kind te zijn om Engel te worden!" Spreekt, mijn dierbare Vriend, mijn leerling en mijn kind: spreekt en verhaalt ons hoe de Engel des doods aan u toch geenen zegepraal gewonnen en heeft, maar hoe gij, integendeel, op zijne vlerken gesteund, het Hemelrijk zijt binnengeklommen. Spreekt, vereeuwigde ziele, en verhaalt ons met welke vreugd de Gever van alle goed uwe minzame deugden beloond heeft; met welk een kleed van Hemelschen glans uw onaangeraakte zuiverheid, met welke kroone van eere uwen wonderbaar grooten ootmoed, met welke liefde uwe liefde en uwen eerbied voor uwe Ouders en Meesters, en eindelijk, welke prijs u betaald is geworden voor dien zucht, die wondere en zeldzame gifte des Heeren, die u van kindsbeen af verlangen deed naar het kleed en de kroone, naar de zoetheid en de bitterheden van het heilig Priesterdom. Spreekt, o onze dierbare Vriend, spreekt en vertroost uwe Ouders, aangezien geen een van ons ze troosten kan! Troost dien Vader, die zijn eigen lijden verborg, om het uwe niet te vermeerderen; die God zijn leven ten besten gaf, wilde Hij het uwe daarom sparen; spreekt en zegt dat gij welhaast misschien, als Engel des Heeren, bij zijn bedde zult staan, hem in zijnen doodstrijd hulpe biên en zijne ziele ten Hemel voeren. Spreekt en troost de vrouwe die u gewonnen, geboren, gezogen en gekweekt heeft voor den Heere; troost uwe Moeder, die er bij dage altijd zoo blij uitzag, uit vreeze van u te bedroeven; die, vlijtig, met één hand de drinkschale ontving van haar lijdende Kind en met de andere eenen stoel bijschoof voor den bezoekenden Priester, maar die bij nachte, allééne en verborgen, vóór haar Kruisbeeld, daar den lang weêrhouden stroom van tranen liet gaan, en heur gebroken herte ontlastte. "Moeder," zoo zegt haar, "gij vroegt aan God eenen Priester, de Heere heeft u verhoord, Hij heeft u geenen Priester gegeven, maar eenen heilige, eenen Engel in den Hemel, die, zonder den last des Priesterdoms te moeten dragen, al de genuchten daarvan geniet, en dáár, in die oneindige Kerke des Alderhoogsten, aan den autaar van het Lam zelve, voor u staat te bidden.

Spreekt gij nu ook, mijn brekend herte, als 't is dat gij nog spreken kunt...

Maar neen, 't wordt tijd dat wij scheiden.

Afscheid nemen wij dan van u, onzen lieven broeder, met de laatste trane der vriendschap, met de laatste bede des Christenen, met den laatsten zegen des Priesters...

En gij, dierbare grond van Vlanderen, ons eigen Vaderland, gewijde aarde van het kerkhof des Heeren, aarde waarin de muren staan van Gods tempel en de voet van zijn Kruis, aarde waar het gebeente in rust van zoo vele onzer Voorvaderen, wier heilig stof misschien in deze handsvolle begrepen is, aarde die 'k omhelze als den grond waaruit ik gesproten ben en waarin ik zal terug keeren, gewijde aarde, valt, duizendmaal gezegend en besproeid met onze tranen, op dat heilig lijk, dat wij u toevertrouwen! Bewaart die reliquie, bewaart ze tot op den dag dat de Engel der verrijzenis hier zal komen kloppen, roepende: "Staat op gij allen die gestorven zijt!"

Weêr op zult gij dan staan, Eduard, onze vriend, in de glorierijke verrijzenis, met die strale in uwe ooge, die blonk vol simpele eenvoudigheid, met dien eigensten lach, spelende om uwen mond, die altijd loech van zielsgenoegen, loech van onnoozelheid,

loech van liefde, loech van vreugde, loech van louter zuiverheid, loech in 't leven, loech in 't sterven, lachen zal in de eeuwigheid!"

Zoo scheidden wij van zijn lichaam, terwijl zijn ziele alreê 't geluk genoot dat ons misschien nog menige vijanden, talrijke strijden en gevaren zullen komen betwisten; hetwelke wij nochtans ook, onder Gods hulpe, zullen veroveren, is 't dat wij getrouw blijven aan het voorbeeld van onzen Vriend, en bestand doen aan 't gene wij, bij zijn graf, ons zelven en den Heere beloofd hebben; eindelijk, en om te sluiten met een vers van den overledene zelven, indien

"elk slaapt op zijnen schild en houdt het zweerd in d'hand."

FOOTNOTES:

[1] Geplukt en bewaard ter nagedachtenis van zaliger Mijnheer Eduard van den Bussche, geboren te Staden, in West-Vlanderen, op den 10 Januarij 1840; student in poësis en lid der Congregatie van O.-L.-V. Onbevlekt Ontvangen in 't kleen Seminarie te Rousselaere, overleden op zijne geboorteparochie, den 3den van Mariamaand, in 't jaar O.H.J.-C. 1858.


BEZOEK BIJ 'T GRAF.

Ik wandelde, ik wandelde alleen, ik wandelde en sprak tot den Heer: Hij sprak en ik hoorde, en hij hoorde en ik sprak, en 'k wandelde en 'k sprak tot den Heer.

Wie leedde, wie leedde er mijn schreên? Waar leedden mijn schreden naartoe? 'k En wete, maar 't leedde me entwie en ik ging, en ik stond op het kerkhof alleen.

Daar staat hij, de torre, 't is hij; de hane op den torre, 't is hij; daar staat hij die torre en die Kerke en dat Kruis; hier hebbe ik nog eenmaal geweest.

Hier legde ik een vriend in het graf, ik legde — en hij slaapt in het graf; en Jesus, die waakt in zijn heilige tent, waakt neffens hem, neffens het graf.

Waar, zegt mij, o zwijgende veld, waar ligt hij begraven?... Alhier? Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg en zeide: "Vaarwel, o vaarwel?"

Het water gaat open en toe, Het water gaat op en gaat neêr, het water, als 't kind er een steentjen in smijt, het water gaat op en gaat neêr.

Het water gaat op en gaat neêr, het water gaat open en toe, en haast is het water weêr heel en gansch stil; waar viel en waar ligt nu de steen?

En de aarde gaat open en toe, ook de aarde gaat op en gaat neêr, wanneer er de putmakers geldwinnend hand een kist in legt, open... en... toe!

En de aarde gaat op en gaat neêr, ook de aarde gaat open en toe: en, hooger als de andere graven, een tijd, daar toogt men een graf en zegt: "Dáár!"

En de aarde zinkt langzamig neêr, en de aarde zinkt wederom toe, en wederom strekt er zijn armen naar uit 't vergetende gers, en 't groeit toe.

En de aarde gaat open en toe, en de aarde gaat op en gaat neêr, en haast is het alles zoo effen en groen, zoo effen als al dat er leeft.

Wat zegt gij, o zwijgende veld? Waar lag hij, waar ligt hij nu, hij? Waar is 't dat ik weenend mijne oogen verborg en zeide: "Vaarwel gij, vaarwel?"

Een stemme, geen andere 'n sprak, een stemme, geen andere, geen een: "Komt hier," zei een stemme, aan het Kruis, "hij ligt hier: komt hier," zei een stemme, "aan het Kruis."

o Stemme van 't houtene Kruis, o Kruis van den Heere, gegroet; gij blozende vrucht aan den edelen boom, gekruiste Verlosser, gegroet!

Waar staat gij, hooge over mijn hoofd, waar staat gij, gedoken in 't gers, waar staat gij, waar staat... dat ik groete u, o Kruis, ik groete u, o edele Kruis?

o Stemme van 't houtene Kruis, o stem van het houtene Kruis, ik vraagde zoo dikwijls, ik vraagde en ik bad, en... de antwoord is altijd: het Kruis.

o Kruis op den torre en in 't gers, o Kruis aan 't gedokene graf, o Kruis, waar gij staat ofte gaat, zijt gegroet, gegroet zij mij 't heilige Kruis!

o Stam van het heilige Kruis, triomphwinnend houtene Kruis, gij toogdet.., ik vond mijnen vriend, vind' Hij mij, die stierf aan het heilige Kruis!


NOG EENS

Nog eens, o christene studenten, bij 't graf gestaan! In tranen? Neen! Laat vreugde op ons den zegel prenten, want wij zijn christenen! 't Geween betaamt die hoop noch troost en kennen in Christi kruis en dierbaar bloed, betaamt die kerke en kerkhof schennen, betaamt een' andren jongelingsstoet! Voor ons is doodgaan levend worden, door Hem die lijf en leven gaf; 't en zijn geen beendren die verdorden of zullen opstaan uit het graf. Zoo zult gij ook, beminden; 't sterven heeft Jezus zelve ons voorgedaan: de doodbrief staaft uw recht om 't erven het rijk waar Hij is ingegaan! Gelukkige Arnoud, rust in vrede, God hebbe uw' ziele in zijn gena; gij droegt, 't is waar, uw deugden mede, maar uwe exempels liet ge ons na: die volgen wij, tot op den rande van 't graf, onwankelbaar vereend; brengt deez' belofte ooit een in schande van die hier staan? Zoo God helpt, neen 't!

JAARGETIJDE

o Gij die wij beminden eens, wij groeten u, vol droef geweens, en staan rondom uw graf te gaar, op 't ende van uw stervensjaar.

Waar zijt gij? Sterke en kloeke, en al, waar zijt gij, ach, te groot getal van vrienden, gij, die dacht misschien: 'k Zal menig uwer sterven zien!

Aleer gij iemand sterven zaagt, was 't gij die eerst gestorven laagt: en droevig staan we, uit vriendenplicht, bij 't graf, waar ge in begraven licht.

Zoo vaart de dood, o! doof en blind, ze'n spaart geen ouder, spaart geen kind; smijt al in 't graf, maar d'hope niet, die me in dit kruis hier staande ziet.

o Zalig teeken op het graf, o nooit ontvallen wandelstaf, staat bij, staat bij, in dezen nood, en zijt remedie na de dood!

o Kruis, daar Christi bloed aan was, de mensch is licht en broos als glas: hij valt, hij breekt; gij staat en houdt omhoog, die op uw stam betrouwt.

Daar liggen ze aan uw voet, o Kruis, onz' liefste neêr, in stof en gruis: herleve 't stof en worde 't wat Gods hand het eens geschapen had.

Herworde 't jong en stervensvrij, herworde 't in Gods vreugden blij, herworde 't in God zelf geleerd, herworde al 't duistre in licht gekeerd!

o Dierbaar is het vriendengraf, ik schee daar met getraan van af, ik laat mijn hert daar aan en bij, en,... vrienden, dat u vrede zij!


HET KRUIS

Het kruis ontliet den mensch uit 's vijands helsche banden; met 't kruise wijgen hem, in 't doopsel, 's priesters handen; gebiecht, gevormd, berecht, getrouwd, gezalfd in 't kruis, nog wijst hem 't kruis den weg naar hier, zijn laatsten thuis. o Kruise, dat daar staat, och, of zij 't allen wisten, gij zijt het teeken en de hoop van elken christen: zoo Christus leefde en stierf, in kruisen en verdriet, zoo zult gij, of ge en volgt in zijn triomph hem niet!

UIT HET ITALIAANSCH

Ik hoor ze zingen in de roozenhagen, de nachtegaalkes, hunnen liefdezang; en de eekentronken, oud en bruin, doordragen de gulden najaarszonnestralen lang.

't Gaan duizend stemmen achter 't land en roeren, 't gelooverte en het gers en 't beekske roert; in 't diepend blauw zie 'k de Apenninen loeren, den hemel wordt zijn' roozenverwe ontvoerd.

Bij zulk een zalig, eenzaam vredezegenen, och Moeder, mochte ik uwe stemme ontvaân! Och mochte ik, Moeder mijn, u nog bejegenen, een enk'len keer nog, en toen sterven gaan!

Neen, koud zoo ligt gij daar, in 't graf gedragen, het hooren van mijn stemme is u geroofd!... wijl boomen, bergen en de roozenhagen de nacht bedekt, die dit mijn herte dooft!


R.I.P.


HET KINDEKE VAN DE DOOD

Filius mortis est.
I Reg., XX, 31.

Daar zijnder die de levensbaan, met schaars eenen brijzel brood, tot aan hun oude dagen gaan en leven, spijts de Dood.

Daar zijnder die dit leven van zijn blijde bane stoot, van waar hun eerste reize began: 't zijn kinderen van de Dood.

Eén wist ik, en zijn moeder, als zij 't hutste op haren schoot, zij zong en zij zeide: "Mijn kind!" 't Was valsch! 't was 't kindeke van de Dood.

Zij leefde en leefde tweemaal toen zij 't tegen heur herte sloot, en driemaal, toen ze 't dáár mocht voên, heur kindeke... van de Dood.

't Kind at en drank, uit klaar bedwang, en 't pramen van den nood, maar al dat het nutte, van spijze en van drank: het at en het drank de Dood.

Het groeide alzoo de plante wast, die nimmer zunne 'n ziet: een rijzig, een reilde kindeke was 't, en derelijk als een riet.

En de andere blommekes, blank en blij ze loegen altemaal; en, over van vreugde, zoo loegen zij met zijnen bedrukten staal.

Het loeg... en het hief in het blauwe meer des hemels zijne oogen, maar ze vielen zoo licht op de aarde weêr neêr, en ze stonden daar, immer — dáár.

Aanschouwt hem, aan zijn huis geleund, hij rust en, overhand op d'een en op d'andren voet gesteund, daar staat hij nu, aan den wand.

Hij staat daar, van als de morgen breekt, en spreekt geen enkel woord, 't en zij dat hij in zijn herte spreekt, en dat God daar alleene aanhoort.

Aldus verwacht hij 't noengetij, hij buigt zijn hoofd, hij hijgt om asem, en pijnelijk asemt hij... maar klagen, nooit: hij zwijgt.

Zoo zinkt het sappig looverkruid in 't branden van den noen, en asemt al de krachten uit die zijn blaren voên.

Hij staat daar, als de zonne zinkt, — een roode hemelbal, die loerende al onder de boomen blinkt en wegvaart, — liefst van al.

Toen heft hij zijn grooten oogbal op en laat hem, overlaan, ontlasten den blinkenden pereldrop, dien niemand en kan verstaan.

Toen sukkelt hij weg, en hij kijkt, wanneer hij staat om in te gaan, nog eenen laatsten en ach zulk een langen keer, al zuchten... achter de baan!

En als de wind de deure wrijft, toen keert hij treurig om, wendt weder, en schudt met zijn hoofd, en schrijft, in de asschen daar schrijft hij: "Kom!"

Gelijk het kind des avonds, blij en op zijn speelgenoot al peizen, wenscht: Dat het morgen zij! zoo wenscht hij naar de Dood.

De dood is maag en vriend van hem, hij kent heur witte hand, hij kent heuren lijzigen stap, en heur stem, en heur delfspa, en heur land.

Zij is vriend van hem en speelgenoot, zijn herte langt erom; ja, zij nestelt alree in dat herte, de dood, en zoo, schrijvende, zucht hij: "Kom!"

Zij beidde, en hij beidde zoo lange ernaar, en ze kwam toch 'nen keer, daar hij stond alwaar hij placht te staan, en alwaar zij kwam, en alwaar hij ze vond.

Zij kwam, en zij ging in huis, en hij zag, en hij stapted' heur achternaar: zij klom en hij klom, en zij lag en hij lag, en zij loeg... en hij loeg op haar.

En zeider daar eene: "Ei, hij lacht! hij lacht! Wat heeft er med' hem geweest! Wat doet hij nu, dat hij nog nooit en placht: ons broeder, ai Heere, hij geneest?"

"Ah," zeider daar toen nog eene andere vrouw, "dat was mij een aardige lach! Zoo loeg hij, wanneer dat hij sterven zou, mijn areme man en hij... ach!"

De schrik kwam in huis, en elk beefde en elk sprong en elk vloog, alhier, aldaar: en 't klopte op den torre, en de belle klonk, en 't brandede een keerse klaar.

En stille... zoo viel het toen, stille,... niet en roerde of en leefder meer, om 't schrikken en om den eerebied, en de komste van — den Heer!

En zeider een lijzige stemme, toen zij weerom spreken dorst: "Wat gaat hij daar, kijkt, wat gaat hij doen: wat maakt hij daar op zijne borst?"

"Ai!" zeider eene andere vrouwe, en sprak, terwijl zij naar Christus wees: "Het Crucifix! want hij maakt zijnen pak... hij gaat sterven!" En zij kreesch...

En 't water viel gewijd op hem, het kruis ging aan zijnen mond, en snikkende snokte er nog menige stem, die anders geen woorden en vond.

Toen sprak hij, terwijl hij staal voor hem zag, en — iets? — in zijne armen sloot: "Och! moeder toch, geeft mij een kruisken!" En ach, de vrouw was al lange dood!

En spannende toen, med' eenen langen zucht, de ziele heuren band... intweên, ze vluchtte... en, in moeder heuren schoot gevlucht, zoo liet zij heur lijk alleen.

Med' oogen half open en mond half toe, zoo lag het, en loeg het, en keek; en velen die 't zagen, ze zeiden: "Hoe!" en dat het hem zóó geleek.

De landman stond, op den droeven klop, die zijne endeklokke lood, en peisde, en hij rechtte zijn hoofd 'nen keer op: 't Is voor 't kindeke van de Dood.

Hoe snel nu van dien rechtveerdigen man 't gebed ten Hemel schoot, 't en was er niet eer als het zielke van het kindeke van de Dood.

En zij, die eens op dat eigenste kind heur stervende oogen sloot, ze zoende in den hemel heur teerbemind... heur... kindeke... van de Dood.

En zong er toen een, dien dit leven van zijn blijde bane sloot: "Ik hope in een beter leven dan dit leven van de Dood.

En 'k wilde wel gaan door 's levens baan, met schaars eenen brijzel brood, zoo 'k mochte zoo recht naar den Hemel gaan als — 't kindeke van de Dood!"


GOUDEN ROOZEN

Gedachten by het graf
van zaliger mijn weledelen, zeer eerweerden Heere
Mijnheer Joseph Antonius Maria Ghislenus
Anastasius Johannes-Nepomucenus
Baron de Pélichy
filius M'her Johannes, wijleneer Burgemeester der stad Brugge,
bij Mevrouw Maria Josepha van Heurne;
die, geboren te BRUGGE, op den 15 April 1809, Priester
en Bestierder der Zusters van Maria te ISEGHEM,
aldaar godvruchtiglijk in den Heere overleed,
op den 28 Julij 1882
.

Gouden roozen, zelden bloeiend, in dit arem tranendal, of zoo spoedig weêr ontwelkerd, wie is 't die u vinden zal?

Jesus volgende en Maria, gouden rooze na den geest, was hij Edeling, was hij Christen, was hij Priester, aldermeest.

Hij was levend 't geen hij stervend wilde zijn: de gouden roos uit zijn wapenschild, oud, eerlijk, ongeschonden, vlekkeloos.

Beeld van liefde, beeld van goedheid, beeld van al dat edel is, bloeit hij zoo in aller herten en in elks geheugenis.

Beeld van priesterlijke deugden, van geleerdheid, hooge en klaar; in de kunst die alle kunsten overtreft, kunstoefenaar.

Kunst der kunsten, zielen leiden, zielen leeren vroeg en laat, God betrachten, God beminnen, met den woorde en met der daad.

Kinderzielen, opgegaderd langs den weg en in het dal, schoon u niet altijd even prachtig, even kostlijk immers al.

Hoogbestemde zielen Christi, maagdenblommen, leliepracht, van de wereld afgestorven, God beschouwend dag en nacht.

Zegt, wie zal elks lesse wezen, elks goê voorbeeld? Zegt, wie zal, onder zoo veel edele perelen, de eêlste perele zijn van al?

Zegt, wie zal den vijand keeren, wie zal wakend voorengaan, wie den weg, de weiden vinden, wie de bronnen gadeslaan?

Hij zal werken, hij zal waken, hij zal sterven, doet het nood, en, lijk Jesus, zijnder kinderen hulpe en heil zijn, tot der dood.

Gouden rooze, vol van kracht en milde reuken, deur end deur, alles met de lucht verfrisschend van uw zoeten liefdegeur.

o, Wie pegelt al de schatten die gij, bloeiend roozenblad, God alleen bekend, de menschen onverstaanbaar, hebt bevat!

Dat is 't woord, o gouden rooze, dat ik in uwe tale vond; dat's de wijsheid van dat wapen: Gouden roozen, groenen grond.

Groene grond was 't, en goede eerde, waar gij 't leven hebt ontvaân, en waar eerst de gratielonken van Gods zonne u vonden staan.

Goede grond zijn onze herten, en de vruchten, ongeteld, zijn wij schuldig uwer goedheid, die nu rust in 't heilig veld.

Vruchten, weerd het milde zaaien van uw hand en al het werk van uw priesterlijk bezorgd zijn voor Gods volk en voor Gods Kerk.

Groene grond zal op het kerkhof haast verbergen 't heilig oord, waar gij rust en wacht de stemme van des Engels wekkend woord.

Maar geen groenen, geen verdroogen van het jaar of van het veld, dat de erkentelijke droefheid onzer herten palen stelt.

Neen, geen tijdstip, geen verjaren van uw sterfdag mindert ooit het geheugen van al 't weldoen, dat gij hebt rond u gestrooid.

Want wij hopen, schoon wij weenen, dat alwaar gij God geniet, gij het werk nog uwer liefde en al uw' kleene kinders ziet.

Ha, betrouwt ons dat wij zullen uwen name en uw blasoen, kleen- en grooten, rijk- en armen, naast onze ouders, eere doen.

Dank- en dierbaar zal hier blijven uw gedacht, en, waar gij zijt zal de weêrklank u verheugen van uw naam gebenedijd.

Wij beloven 't en wij meenen 't, dat wij, ver van u voortaan, zullen werken, leeren, bidden, en met u standvastig staan.

Ja, standvastig als de boomen van dat vruchtbaar wapenveld, dat, vol gouden eekels, uwe en onze vrienden voorenstelt.

Vrienden, die aan ons u binden, schoon gij reisdet hemelwaards, en die, in uw' plaatse, ons zullen troosten, of gij zelv' het waart,

tot dat eens een' dag van vrede, een' dag van blijdschap God verleent, die hetgeen hij kwam te scheiden, in zijn goedheid, weêr vereent.

Dit vereend zijn, — in æternum! dat het eeuw- en ervig duur', na 't bedied van Gods onroerbaar woord: Non commovebitur!