WeRead Powered by ReaderPub
Kerkhofblommen cover

Kerkhofblommen

Chapter 168: CLI L.D.K. 1891
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A tightly organized sequence of poems records a poet's immediate impressions of a funeral, moving through events before the service, the liturgical ceremonies, and the burial itself. Sensory, often rural imagery — a straw cross, bells, incense, lights and procession through the landscape — is narrated alongside attentive descriptions of church rites and chants, producing sustained reflections on grief, consolation, communal ritual and hope beyond death. The language blends devotional solemnity with regional speech refined toward older Flemish forms, turning liturgical gesture and natural detail into quiet meditations on mourning, memory and spiritual presence.

Elisa, blijft ons nog, schoon door de dood gescheiden, met uwe zoete hand beschermen en geleiden; ons toogen, zoo weleer gij als een Engel placht, den weg des Hemels, door dees booze wereldnacht! Hoe lang nog zullen wij, eilaas, nu driemaal weezen, verlangen naar uw lot en om het onze vreezen? Elisa, blijft, o blijft, en, 't geen gij immer waart, een Engel blijft, die ons in eere en deugd bewaart!

CXIX

C.J.A.D.L.C.D.

1888

o Zoete ziel, die 's lichaams leven te vroeg eilaas, te laat misschien voor u, aan God hebt weêrgegeven, wij hopen u weerom te zien!

Gij waart alrêe, hoe jong van dagen, zoo schrander dat wij hooger iet als menschlijks in uwe oogen zagen, en gij alleen en wist het niet!

Vaartwel, o ziel, die 's Hemels streken behoordet en, verhuisd voortaan, uws vaders hof zijt ingeweken: vaartwel, vaartwel, o Christiaan!

CXX

G.V.D.W.

1888

O Jesu, 't zielken dat Gij ons geschonken hadt, als echtelijken zegen; hoe is 't uit onzen schoot zoo schielijk, door de dood, gerukt en weggedregen?

Het dunkt ons menigmaal zijn lieve kindertaal te hooren... maar, 't is dolen dat 't minnend herte doet: ons kindtjen is voor goed, ons kind is ons gestolen!

Het licht is ons geroofd, het leven uitgedoofd, en 't huisgezin, geschonden, en schettert nimmermeer vol vreugde, lijk weleer: het zwijgt ten allen stonden!

De dood en kent geen leed, zij zeisent, immer wreed en zonder mededoogen; geen troost en wete ik, geen: Gij, Jesu, zult alleen, Gij kunt onz' tranen droogen!

CXXI

E.J.P.

1888

Het leven is, vol ongevals vol ramp- en rooi, te aanschouwen als een kruisweg op de wereld, die slinks en rechts vol kruisen staat, en dien men meest met tranen gaat, en bloedig zweet, bepereld.

Ach, 'k wist het wel, en 'k droeg getroost mijn kruis naast U, die 't lijden koost, onschuldig, om het leven, van schulden vrij- en losgeboet, o Jesu, door uw dierbaar Bloed, ons wederom te geven!

o Man, gij stondt mij neerstig bij: dat God uw hulpe en troost nu zij; en, dapper doorgetreden, vergeet mij niet, die haastig viel, noch dat ik, arme kranke ziel, verlange om uw gebeden!

CXXII

J.N.H.

1888

Moet ik, ouders, teerbeminde, moet ik, zusters, broederen al, u verlaten, ik en vinde nooit hetgeen mij troosten zal.

Nooit! o God, maar gij zijt vader, gij zijt moeder, zuster; gij zijt mijn broêr, en duistmaal nader vriend als welke vriend het zij.

Op dan, ouders, moed genomen, zusters, broeders, al te gaâr; eens daar ik ben, óók gekomen vrienden, vrede, en... God is daar!

CXXIII

J.N.A.

1888

Och arme, ofschoon het leven zij boos om door te streven, o Kind, wij hoopten dat 't den Heere u, lange jaren, believen zou te sparen! Doch neen! Onze oogen, zat van weenen, moeten derven hetgeen gij, met te sterven ons hebt geroofd: een' schat! Ach, laat het zoo: daarboven zult gij den Heere loven, in 's hemels blijde stad: terwijl we, in God te vreden, wij, weenend, hier beneden, och arme, zullen... Wat?

CXXIV

G.J.T.

1888

Wij minden 't zoo, wij zagen 't noo, te noo misschien, ontdragen; maar, Jesu zoet, ons herte bloedt en 't breekt van niet te klagen! Geeft weer! — o Neen, ons kindtje kleen, we 'n durven 't U niet vragen!

CXXV

E.H. Victor van Coillie

1888

Hij, dichterlijk begaafd, en heeft, in al zijn wegen, maar op het waarlijk schoon een wondrende oog geslegen; en 't, in zijn eigen taal, beschreven onbeschaamd. Gods volk lag hem aan 't hert, hij minde 't, en bekwaamd als Priester en als Mensch, om met het Volk te leven, heeft hij getrouwiglijk, hem zelven 't Volk gegeven. God loone 't hem, die weet en weerdiglijk vergoedt hetgeen — Hij zegt het zelf — men aan de kleenen doet. Hij stierf! Onsterfelijk blijft op deze aarde in eeren zijn vreugdevolle ziel; en, in het Huis des Heeren, de loon die zulken loont die, niet hen zelven, maar den armen evenmensch, met liefde nemen waar!

CXXVI

Eerwaarde Pater AMEET VYNCKE van Zedelghem,

als geloofzendeling gestorven te Kibanga in Opper-Congoland, op den 17 van Bâmesse 1888.

Gij zijt de vriend van God, die ouders, vrienden, magen, die land en lieden, om Gods arme Zwarten liet, in 't Africaansche veld. Wie zouder u beklagen, die u, voor zulk een zaak, zoo vroeg gestorven ziet?

Gij zijt de vriend van God, nu meest nog, nu de vrede, de rustdag u alrêe verschenen is. Voortaan geen lijden meer, geen angst, geen ongewissighede van hangen tusschen lijf en dood meer uit te staan.

Gij zijt de vriend van God, gekozen tusschen honderd- en duizenden, om Hem een boodschap hooge en groot te dragen, verre weg naar 't erflijk afgezonderd, naar 't weggeworpen kind, in 't zwarte land der dood.

Gij zijt de vriend van God; Hij sprak, en gij, gij hoordet, gij greept het vendel aan, als minnebode, en gingt tot waar gij 't zwart geweld, met levend licht doorboordet, eilaas, dat op uw graf, uw heerlijk graf nu blinkt!

Vaart wel, o vriend van God; o onze vriend: genegen waart gij ons Vlaamsche Volk, maar God was u veel meer, veel meerder als uw land, uw tale en al: Gods zegen zij ons door u, Ameet, verworven, vóór den Heer!

CXXVII

R.C.V.

1889

't Heeft mij de dood gekost, als, na de wet des Heeren, ik neerstig werken ging en reizend wederkeeren.

't Heeft mij de dood gekost; o vrouwe, vrienden, magen, en al die 'k geren zag: 't en helpt geen bitter klagen.

't Heeft mij de dood gekost: na korte of lange stonden zal 't kosten u de dood, die leeft! — Leeft vrij van zonden!

't Heeft mij de dood gekost! o Jesu, door uw sterven en door uw dierbaar Bloed, helpt mij den hemel erven!

CXXVIII

E.M.M.

1889

Wij waren 's eens, van herte en zin, in lief en leed verbonden; de dood, eilaas, de dwinglandin, en ziet geen lief-, geen leedzijn in: de dood heeft ons geschonden!

De dood alleen, niet els en kon dat God vereende krenken; maar Hij die, als de morgenzon, de macht der wreede dood verwon, Hij zal ons 't leven schenken.

Het leven, dat geen ziekte en kan, geen droefheid meer bederven: o Vrouwe daar verwacht mij dan, mijn kind, ons kind, en mij, uw man, om nimmermeer te sterven!

CXXIX

B.S.

1888

o Blankske bij uw stervensbed zoo menig versche blom gezet, verwelkt, gedord en weggedaan, komt nu in ons geheugen staan!

Geplukten uit het blomgebied, ze stierven, maar ze 'n leden niet; en, onbeklaagd hun teer gewas haast weg en haast vergeten was.

Maar gij, o blank en bleek gewaad eens maagdenblomkens, gij en gaat niet smerteloos, niet onbeschreid, vergeten niet, naar de eeuwigheid!

Wij zagen 't, hoe gij bitter kreescht, in ons meer als in u bevreesd; en lijende, omdat gij, kranke maagd, die u beminden lijden zaagt!

Vaartwel... en blijft in ons gemoed, o Blankske, teeder blomke zoet, gebloeid staan, en, bij God den Heer, o kindtje lief... en sterft niet meer!

CXXX

S.A.L.

1889

Zij was van jongs aan God, als Moeder en als Vrouw, spijts alles, zediglijk et stediglijk getrouw; de tijd en mochte nooit, noch met den tijd het keeren en 't wenden des gebruiks, haar andere zeden leeren; zij stond tot tenden toe, heur kinderen voorgegaan, en bleef navolgensweerd, schier onnavolgbaar staan! God kent die vastigheid in 't goed, en zal ze loonen met iets dat langer duurt als 's werelds ijdle kroonen: met onveranderlijk en stervensvrij genot in Hem, die zelve en loon en loonder is, in God! Daar, moeder, mochte ik, U indachtig al mijn leven, mij dankbaar, U en God voor altijd wedergeven, dien gij bemindet en bewaardet, en voortaan dien gij alleen liet op den weg des levens gaan!

CXXXI

V.S.

1889

Het werken was heur lot, heur blijdschap en heur leven; het werk is zij getrouw tot aan den dood gebleven; en, als zij lijdend lag en stervend neergeveld, dan heeft zij nog in 't werk heur hoop en troost gesteld. Om God heeft zij gewrocht, met God heeft zij geleden, op God heeft zij gehoopt, tot God heeft zij gebeden; en vast gesteund op Hem, die loonder is van 't goed, en heeft zij niet gevreesd dat leêggang vreezen doet. Welaan, de rust zij u, Victoria, gegeven: ge'n hebt z'hier nooit gekend, geniet ze in 't ander leven!

CXXXII

J.F.M.

1889

Hij wist wat werken was en waakzaam gadeslagen al 't gene, hem vertrouwd, bij nachten en bij dagen bekommerde zijn hert, vol eed'le vromigheid.

Hij wist wat lijden was, en heeft, herhaalde malen, wanneer de dood hem kwam zijn liefste panden halen, als christen mensch tot God "uw wil geschie" gezeid.

Hij steunde, vast en vrij, op God al zijn betrouwen, 't zij vroeg, 't zij laat bereid om ook de dood te aanschouwen, en 't kruis te aanveerden dat hem ook was opgeleid.

Dat kruis, met kloeken moed zoo langen tijd gedregen, het zij een kroone nu voor hem, voor ons een zegen, 't zij een vermaan ter deugd en ter standvastigheid!

CXXXIII

P.J.D.B.

1889

De dood is doof en blend, 't en helpt geen schoone spreken! Zoo zegt men, maar de Dood is Gods bevel getrouw: Hij wist wanneer, waarom en hoe de band zou breken, dien Hij gebonden had, o zwaar beproefde Vrouw!

Hij weet al 't geen Hij wilt, of doet of laat geschieden, te schikken dat er goed en weldaad uit verschijn': geeft Hem uw herte dan en doet niet zoo de lieden die, klagend van de Dood, God zelv' betichtend zijn!

Hij die de Vader is van al dat leeft, hoe zal Hij verlaten die Hem dient met eerbied, en betrouwt? Schept moed, o Moeder, God is Vader meest van al, Hij; en beter is 't op Hem als op een' rots gebouwd!

CXXXIV

H.B.

1889

Het voer voorbij als lichaamloos: een schaduwe, een geschemel; een Engel van verduldigheid, een zielke voor den Hemel.

Het wist dat 't hier geen stede en was voor hem om lange jaren te leven, maar een tranendal, om spoedig door te varen.

En als het, 't elevatieklokske in d'hand, den Priester diende, zoo zuchtte 't: "Ons toekome uw rijk!" godvruchtig opwaarts ziende.

En 't rijk des Heeren kwam in hem zijn hert vol deugden bouwen, en 't, vroeg geheiligd, laten vroeg Gods Heiligheid aanschouwen!

CXXXV

A.G.

1889

De lucht weergalme nu en klage 't aan de steenen dat wij ten grave gaan en onzen vriend beweenen, die, als een vader, als een broeder, ons zoo lang geleidde en leeren deed de kunst van spel en zang!

De lucht weergalme nu en klage 't aan de stede wat hij voor 't weezenhuis en voor de weezen dede, spijts ziekte en ongemak, spijts alle ondankbaarheid, voor 't ouderlooze kind tot elken dienst bereid!

De lucht weergalme nu... Eilaas, nog korte stonden waar zult gij, vriend Goddaert, waar zult gij zijn geblonden? In 't duister graf? o Neen, ver boven 't duister graf: gij zijt, waar God alreede u rust en vrede gaf.

CXXXVI

A.J.M.D.

1889

Hij stierde vrij en blij, zijn vaartuig op de baren; nam water, wind en streek, nam 's hemels licht te baat, en zou, voorspoediglijk door 's werelds nood gevaren, bereiken 't lustig land waar gij te bloeien staat, o Wetenschap, o Kunst! Maar neen, de winden sprongen geweldig op hem neêr, en slingerden 't gebouw dat al zijn' hope droeg tot dat het, moegedwongen, begaf en nederzakte in 's afgronds diepste grauw! Is niets gebleven, is hij hopeloos verloren? Kan niets u troosten, die, zijn schipbreuk ziende, staat en weent nu op de kust? Of zal hij, eens herboren, genieten eeuwiglijk des levens dageraad? Gewis, de Schepper zal zijn schepsel zijn indachtig; de Heiland zal zijn Bloed indachtig zijn, en dan zal die vernederd was, verwekt door God almachtig, eens leven waar geen dood hem ooit meer naken kan.

CXXXVII

Th. Th.

1889

Ik heb den Heer gediend, ootmoedig weggeborgen, o kloosterzusters, door uw moederlijk bezorgen; in 't huis des Heeren, in Maria's waakzaamheid, ben ik, met raad en daad, tot sterven voorbereid!

Vaartwel dan, goed en trouw gebleven brave zielen, die mij als eigen kind, om Gods wille onderhielen: die alles loont, hij zal 't u loonen, onverbeid, 't zij nu, 't zij naderhand,
— vaartwel! — in de eeuwigheid!

CXXXVIII

Eerw. H. Emile De Monie

vereerd met het kruis Pro Ecclesia et Pontifice.

1890

Wij bouwden op uw leven een getemmer van eere en deugd, voor God en 't vaderland; maar schielijk grijpt de felle menschentemmer en keert u, onzen grondsteen, overkant!

Wat nu gedaan? Geklaagd, geweend, gedropen in diepe droefheid, zonder ende of maat; de ellendigen gelijk, die niet en hopen dat ooit een weerzien hun te wachten staat?

Neen! Hooger zult gij nu en beter wezen een leidend licht ons en een bake in zee, totdat wij allen zijn voor goed genezen van Adams schuld en onvermijdbaar wee.

Tot daar zij 't: Hoog den moed en 't hert gedragen! Geen veege droefheid! Immer moed voortaan, en, spijts de dood, spijts al heur nederlagen, op God betrouwd en neerstig voortgedaan!

CXXXIX

J.B.V.L.

1890

Mijn huis- en echtgenoot, getrouw tot in de dood, ben ik bijgebleven; gij hebt door lief en leed, in arebeid en zweet, mij hulpe en troost gegeven.

Nu zijn wij ver vaneen van herte en ziele, neen, van lijve eilaas gescheiden; en ik, den korten tijd dat gij mij voorenzijt, moet mijnen dag bereiden.

Och keer' de dag weêrom, als ik u, bruidegom, in God teruggevonden, zal mogen immermeer beminnen, bij den Heer, en zijnen lof verkonden!

CXL

G.A.A.

1890

Uw hand heeft mij geschapen, getrokken uit den niet, en nu ben ik ontslapen, na 's werelds lang verdriet: gedenkt, o goede Vader, uw schepsel nu; ik kom u biddend nader: 'k geloove in u!

Door 's vijands macht gebonden, met Adams schuld belaan, hebt gij uw schaap gevonden en weêr naar huis gedaan: gedenkt, o Heilig Herte, mijn zielke nu; door alle uwe pijne en smerte: ik hope op U!

Gij zijt mij komen laven, op mijnen laatsten tijd, met al uw' beste gaven, gij die bermhertig zijt: gedenkt niet... ik beweene mijn zonden nu, en, stervend, Heer, alleene beminne ik U!

CXLI

A.M.

1890

Amandine, uw deugdzaam leven heeft ons langen tijd gesticht: moge God u vrede geven, nu dat ge overleden ligt!

Och, of wij ook, al te zamen, 't geen gij neerstig hebt gedaan nadoende, op uw' stappen, kwamen waar gij ons zijt voorgegaan!

Die de menschen weet te paaien, wereld, ons en zult gij niet in uw' valsche netten draaien en in 't eeuwig helsch verdriet!

Amandine, rust in vrede, tot een zalig wederzien; rust, en al de zielkes mede! Amen! Moge 't zoo geschiên!

CXLII

P.H.M.L.

1890

De dood en heeft niet onverwacht u, man en vrouw, gescheiden: God hielp, eer 't vallen van den nacht, hare arme ziel bereiden.

De tijd is snel, het leven kort: bereidt toch alle dagen uw werk, eer ge ook geroepen wordt om 't schielijk in te dragen.

Verleent het licht des Hemels haar, o Heere, en wilt ons geven 't geluk van haar te ontmoeten daar zij rust, in 't eeuwig leven!

CXLIII

R.S.L.

1890

De dood heeft mij bereid en heel doorpijnd gevonden: 't is beter hier als in het vagevier geboet!

Hebt dank, o Heere, en, door uw' vijf bebloede wonden, verleent, bermhertig, mij het onverganklijk goed!

Verleent aan die ik laat in droefheid en in tranen, mijn Kind'ren, mijnen Man, te leven naar uw' wet.

En, als 't te sterven komt, wilt hun de wegen banen ten Hemel en tot mij... Dit is mijn sterfgebed.

CXLIV

E.P.E.W.

1890

Ge'n weet niet, gij die leeft, noch gij en kunt niet weten, aleer gij sterven zult, hoe waarlijk ongemeten de goedheid is van God en zijne bermhertigheid.

Geen einde en is eraan, noch geen bekende palen: die schuld kent helpt Hij zelf zijn schulden doodbetalen, en houdt den schuldenaar den hemel toebereid.

o Bidt voor mij, gij al, die, langs des werelds paden, hebt moeite, en nauwlijks weet uw rechten weg te raden; maar, met betrouwen bidt tot Hem die 't al vergeeft.

Hem, wiens bermhertigheid, zoo menigmaal gebleken, eilaas vergeten wordt of dikwijls weggesteken, terwijl men jong is nog en zonder zorge leeft!

CXLV

E.J.L.H.V.D.M.

1890

Hoe zijt gij ons ontvlucht, gij kleene troostverschaffer; de blijdschap van ons huis, het licht van onze baan? Hoe zijt gij ons geroofd; wie, onbermhertig, gaf er uw ijdel wiegsken ons te vinden ledig staan?

o God, gij zijt te goed opdat men 't U zou wijten; o Vader, duizendmaal gezegend zij uw naam; maar, zendt ons sterkte toe, en, om de plicht te kwijten der christ'ne droefheid, maakt ons lijdend hert bekwaam!

CXLVI

F.V.

1890

De dood is onmeêdoogend, en God alleene laat den mensch, het Kruis hem toogend, nog hope en goeden raad.

Dat stierf dat zal herleven, zoo zegt hij, en daar is, voor al dat wierd misdreven, bij mij vergiffenis.

Ik steek de hand, als Vader, u, kranke kinderen, toe; aanveerdt ze, en komt mij nader, die de eerste stappen doe!

Gelukkig zijn zij allen, die, hemelwaards genood, in 's Vaders handen vallen, en leven, spijts de dood!

CXLVII

Hoogeerw. Heer D.P.A. De Haerne

1890

Blijve in 't Vlaamsch uw' naam niet ongemeld, die, uw' taal niet looch'nend, ed'le held, God en Kerke en Burger trouw gediend, groot en kleen bleeft vaste en goede vriend! Die, ja, stomme en doove spreken liet, zwijg' dit steen uw weldoen immer niet, maer, De Haerne, ontluike't, te uwer eer: geldloos stierf hij, schatrijk bij den Heer!

CXLVIII

S.A.

1891

CXLIX

Z.H.B.

1891

Onschuldig kind, na korte dagen hebt gij den Heer reeds opgedragen uw' schoone ziel; maar bitter maalt, door 't leed gedreven, uw Moeders en uw Vaders leven het smertenwiel!

Het zij zoo 't moet: 't en helpt geen klagen; op dezen moge, en alle dagen, Gods wil geschiên! Ach bidt voor ons, en blijft daarboven den God van al dat goed is loven... Tot wederzien!

CL

Eerweerde Zuster Marie-Stanislas

Moeder-Overste van Sint-Jansput te Kortrijk

1891

Zoo zedig, zoo zorgvuldig en zoo zelfvergetend wezen en hadde ik nooit te huldigen, en kende ik nooit voordezen.

Bekommerd in al 't minste dat den evenmensch kon baten, zoo had zij 't leven opgevat, in al heur doen en laten.

Heure overheid was neder zijn, en dienen te allen stonden den Gene, die nu weder zijn goê dienstmaagd heeft gevonden.

CLI

L.D.K.

1891

Vergeet hem niet, dien braven man, dien man van de oude Gulde, die dertig jaar de vesten van de steê met eerde vulde.

Vergeet hem niet, die 's Konings kruis aanveerden mocht met eeren; en, moegewerkt, trok weêr naar huis, vol hope in 't Kruis des Heeren.

Vergeet niet, al die werkers zijt, 't goed voorbeeld na te leven; dat hij, bij goed- en kwaden tijd, ulieden kwam te geven.

Vergeet hem niet, voor wien hij, dag en nacht, zijn werk besteedde; en zorgt zoo hij te zorgen plag, gij vrouwe, en kinderen mede.

Vergeet, o Volk van Kortrijk, niet, maar spreekt voor hem ten besten bij God, als gij zijn werk beziet, en wandelt langs de vesten.

CLII

M.D.V.H.

1891

Eilaas, mijn licht is uitgedoofd, nu dat mijn uitverkoren, mijn eerste kind is weggeroofd, en uit mijne oog verloren.

Mijn' huwlijkshope is heel vergaan, Gods banden zijn ontloken; en, felle dood, uw bitter slaan heeft gansch mijn hert gebroken.

Gij liet eene enk'le blomme mij, één teeder blomke blijven; och spaart het, Heere, of komme mij de dood met hem ontlijven!

Neen... vaster vele als alle smert wille ik mijn' hope bouwen; en, Jesu, op uw lijdend Hert mijn kind en mij betrouwen!

CLIII

M.L.

1891

Geboren voor des werelds oogen vol vreedzaamheid, vol mededoogen, onschuldig als een kind, zoo koos zij 't rechte pad en 't beste altoos.

Maria als een Moeder minnend, heur Mans geluk en troost bezinnend, zoo was zij lief en leed bereid te dragen met zachtmoedigheid.

Een voorbeeld, onverwist, elk zijnde, terwijl zij naar den Hemel pijnde, zoo is 't dat zij, bij God bekend, heeft 's levens korten loop volend.

Gelukkige! Uit de hooge zalen en wou zij niet meer nederdalen, maar wenkt van daar, en spoort ons aan om waar zij ging heur na te gaan.

CLIV

B.L.H.

1891

Zoo 't eens was uit Gods hand gekomen, zoo heeft Hij 't weêr tot Hem genomen en losgedaan uit 's lichaams leed en lastigheden, die 't onverbidlijk lijden deden en pijne uitstaan.

't En kon niet meer... 't Was moegelegen, zijn stemme sprak zijn herte tegen, en 't doolde rond, onwetend waar, tot dat, zijn wezen, zijn handen bei tot God gerezen, het ruste vond.

Ach, ruste en vrede u zij geschonken: den bitt'ren kelk hebt ge uitgedronken en God bemind; ons Heere weet zijn vrienden weunen, gij meugt op zijn beloften steunen, onschuldig kind!

CLV

L.L.

1891

Al liefde, en anders niet, hebt ge in uw lijkvat mede, o Engelken, dat ons zoo hoog verheugen dede; maar dat, onvaste alhier, verblijvende, éénen stond, een' hooger', ver van ons, een' hooger' woonsteê vond! Vaartwel, ons beider beeld, en, bij den Heer verscholen, blijft eene leidsterre ons, die nog op de aarde dolen!

CLVI

Eerw. Pastor P. Busschaert

1891