Nota. — Het wapenteeken, dat het edele geslachte de Pélichy vertegenwoordigt, is: Op een groenen grond of veld eene zilveren of witte bare, onder welke eene, boven welke twee, te zamen drie gouden roozen staan, met deze kenspreuke: Vulnerat et sanat — : 't Kwetst en 't geneest.
Het edel geslachte Gillès vertegenwoordigen, op eenen blauwen grond of veld, een gouden keper, met, in elken overschietenden hoek van 't schild, een te zamen drie gouden eekels. Kenspreuke: In æternum non commovebitur: In der eeuwigheid en zal 't beroeren.
Het wapenteeken van de twee verhuwlijkte geslachten te zamen, Gillès en de Pélichy, is, gevierendeeld, aldus: 1 en 4 Gillès, 2 en 3 de Pélichy.
ZIELGEDICHTJES
I
L.J.D.W.
1852
hij brak... ze ontlook heur vleugelen en koos de hemelbaan:
daar mag zij, zonder teugelen, God minnen, God verstaan.
II
H.L.B.G.
1852
III
GULIHELMUS, Koster van 't Kl. Sem.
1855
IV
J.F.C.
1855
Gelukkig die, in 't dorre zand van 's werelds vreemd Egyptenland, op weg ten hemelwaard, geen oogbedriegend weeldrig oord vergeefs vervolgend, op en spoort, maar zijnen weg bewaart.
Gelukkig die de wreede beet der wereldbraam zoo haast vergeet als hij ten Hemel schouwt, of die, in zijnen lentedag, een enkle blomme plukken mag, en... dat 't hem niet en rouwt.
Maar geen die ik zoo gelukkig nom als hem die 's werelds doorne en blom en 't jonge leven laat, om vroeg naar 't eigen land te gaan, waarheen de pelgrim, op de baan, nog reekende oogen slaat.
Gelukkig, jongst ontslapen vriend: nooit heeft uw ziel het stof gediend, op ijdelheid verzot; een enkele blomme pluktet gij: de zuivre blom der Poësij, en droegt die meê naar God!
V
D.J.V.K.
1858
Daar lacht een nieuwe zon de nieuwe velden tegen, de voorjaarmorgen breekt, na winternacht, weêr aan; ik zie het groeiend licht ten oosten opgestegen, maar nauwelijks op, het licht is weêr aan 't ondergaan!
Aan 't ondergaan? Toch niet! 't Is ik die ben gerezen, 't is ik die Hemelwaards gerukt, uit rampe en wee en uit alle aardsche vreugd, — mag vreugd heur name wezen? de zonne duistren zie in eene gloriezee.
De zee, waarin gij baadt, onwetend en omhangen met sluierend geloove, in 't zalig God-ontvangen, gebroeders, in 't geheem van Jesus' liefdebron; de zee der Godlijkheid, die ben ik ingeschoten, en, had ik maar een teug van 't lavend licht genoten, die waar mij 't sterven weerd, zoo ik nog sterven kon.
VI
P.F.J.S.
1755 † 1858
't Geen waarvan de droeve menschen altijd klagen hier beneên, 't geen waarnaar zij 't meeste wenschen hebt gij honderd jaar geleên.
Maar, weer m'oud wordt en grijsharig, weer onmondig kind verscheidt, — gij wierdt honderd-en-driejarig, — schilt het iets in de eeuwigheid?
Zegt, wat hebt gij meer verworven, mocht gij in den Hemel gaan, als het kind met u gestorven, en naast u in 't graf gedaan?
Jaren, maanden, dagen, uren, ware 't honderd, duizend jaar, zijn, bij Gods oneindig duren, of het niet een stonde en waar!
VII
K.J.D.C.
1859
VIII
A.D.K.
1859
IX
E.J.B.
1859
X
Advocaat S.
1859
XI
A.V.D.
1860
XII
J.V.D.
1860
XIII
L.L.D.
1860
XIV
N.V.N.
1860
XV
N.N.
1861
XVI
Cordula
1862
XVII
Alfons DANNEELS
3 Aug. 1847 † 9 Nov. 1864
XVIII
F.I.D.R.
1865
Gelukkig kind, dat van zijn spel, zijn engelken voor reisgezel, zijn hertje vrij van zonde en schand, is weggegaan naar 't hemelsch land!
Gelukkig kind, gij liet ons al bedroefd om u, in 't aardsche dal: gij, blijde, daar omhooge, bidt voor ons, waar ge op den throon nu zit!
XIX
A.V.S.
1871
XX
L.S.P.
1872
Onwetend en onschuldig nog van al dat menschen weten, wat hebt gij, kind, uw leven toch onlang voorbijgesleten!
Bemind van al, bemind van elk, vol vreugde, waarheid, goedheid: 't en was in uwen levenskelk geen dreupel of 't was zoetheid.
En eer hij uit was nam u God: gij waart van hooger weerden als dat gij zoudet dienen tot versier van dezer eerden.
Naar hooger streken zijt gij, kind!... Gebenedijd van heden zoo moet Gods naam zijn, en bemind, tot in alle eeuwigheden.
XXI
VADER EN MOEDER G...
1872
God liet hen, als twee boomgewassen, gesteund d'een op den andre staan, en lief en leed zoo zeldzaam passen dat geen verschil ooit kan bestaan.
Zij leefden, stierven, oud van dagen, aanschouwde ik 't eeuwig leven niet; zij zijn bij God: 't was zijn behagen, al dat Hij wilde 'et zij geschied!
XXII
E.F.V.T.
1872
XXIII
A.K.E.
1873
XXIV
H.D.M.
1873
als, op der aarde, al wierd men rijk, te slaven om wat ijdel slijk. 'k Beminde uw huis, o Heer, en zag den luister geren van uw' dag: uw dag, hij is mij opgestaan; uw huis, ik ben erin gegaan. Vaartwel, en die dit leest onthoudt dat ge ook in tijds de dood beschouwt.
XXV
C.D.B.
1874
Het vier, 't gesmolten lood, het kruis, het zweerd, de tangen deên menige eedle ziel de martelkroone ontvangen; elk wist het. Maar, bedekt en 't menschdom ongeacht, wordt menig martlares gemarteld dag en nacht.
't Geen Agatha stond uit ééne ure, heb ik geleden drie maanden en nog meer, drie schrikkelijke eeuwigheden. De kroone kwam op 't laatst: verheugt, die mij bemint, 't en is geen sterven, neen, 't is 't leven dat begint!
XXVI
B...
1874
XXVII
N.N.
1874
XXVIII
J.V.D.P.
1870
XXIX
O.L.A.
1876
XXX
J.M.D.R.
1876
XXXI
A.K.V.C.
1876
Rechtzinnig, God getrouw, geloofbaar en geloovend, zoo wierd ze eene oude vrouw, en stierf, den Hemel roovend.
Gelijk een kind, voorwaar, dat, uit den doop geheven, geen kwaad en kent, zoo klaar was heur eenvoudig leven.
Zij hield aan 't waar gewin, en met heur' laatste krachten zoo bleef z'heur huisgezin in eere en deugd betrachten.
Een waar exempel van voorvaderlijke deugden: God hebb' heur ziele dan in 's Hemels ruste en vreugden!
XXXII
K.R.S.
1877
XXXIII
Blanche
1877, 22 Maarte
Nog nauwlijks heft een blomke of twee zijn kopken uit de groene wee en zoekt de zonnestralen, of blanker blomkes gansch een stoet de blijde wegen schittren doet omtrent de kerkportalen.
Ik zie daar een, zijn name is blank, gelijk zijn' kleêren, wit en lang: zijn' kinderlijke leden bewegen of 't een Engel waar, die, in een witten wolksamaar, de kerk kwame ingetreden.
Dat is ons kind! God riep, het kwam, en 't broodgelijkend Offerlam mocht in zijn herte dalen; zijn hert, dat kloppend d'eersten keer, uit onz' twee herten kwam weleer zijn' levensloop te halen.
Leeft lustig voort dan, kindtje, en laat zoolang u 't leven openstaat, niet af vooruit te schrijden; vooruit, waar God u wilt en waar gij moogt, met ons, uw oudrenpaar eens eeuwiglijk verblijden.
XXXIV
Blanche
1877, 8 Junij.
Nog nauwlijks is een maand of twee den schoonen dag voorbij, of wee verblindt onze oogenstralen; wij zoeken weêr den blijden stoet, maar alles treurt en treuren doet omtrent de kerkportalen.
Ik zie daar een... zijn lijkje blank ligt roerloos, en een sluier lang ombundselt zijne leden; zijn zielken, of 't een Engel waar, is door den witten wolksamaar des Hemels ingetreden.
Dit was ons kind! God riep, het kwam, gelijk een schuldloos offerlam, blij uit deze aardsche dalen; ons kind, dat, levend d'eersten keer, uit onz' twee herten kwam weleer zijn' levensloop te halen.
Vaartwel, vaartwel dan, Blanche, en laat ons allen in dien droeven staat niet hulploos verder schrijden, maar bidt, alwaar gij zijt, voorwaar nog dikwijls voor uw oudrenpaar, zoo zal ons hert verblijden!
XXXV
J.D.S.
1877.
Nog nauwlijks t' halvenweeg mijn oudrendervend leven, o Heer, wat ben ik blij, U alles weêr te geven dat gij mij gaaft, geheel en door geen schâ belet!
Benijdt mij, gij vooral, die, uit uw' kinderjaren, onschuldig, ach, niet meer, gescheept zijt en moet varen de wreede wereld in, met zoo veel kwaad besmet!
Indachtig blijft toch, ja, dat elk van u zal sterven; indachtig, opdat elk eens ook de kroon moge erven die "Onze Vader" zelf mij, weez', heeft opgezet.
XXXVI
O.R.D.C.
1878
XXXVII
C.M.N.
1878
XXXVIII
P.P.D.M.
1878
Ik heb mijn Heer en God gebeden, in 't midden van mijn hert; 'k en kende 's werelds ijdelheden noch 's werelds smert.
Ik langde om hooger staat te leven, en God, daarmeê voldaan, heeft 't hoogste mij van al gegeven en toegestaan.
Vaartwel, die mij gekend hebt, allen, rondom Maria's voet; en die door 's werelds ongevallen nog reizen moet.
God geve aan die mijne ouders waren, en die ik heb bemind, de rust, na lange of korte jaren, bij mij, hun kind!
Dan zal de dood geen scheiden wezen, geen eeuwig scheiden, neen, maar ouders doen en kind, nadezen, weêrom bijeen!
XXXIX
W.R.A.K.
1878
o Schoone dagen, ongeweten, of die, te laat gekend, o Heer, zoo gauw geleên zijn en versleten, en komen her noch immer meer!
Ik was een kind te weinig jaren, ik bleef onschuldig al te onlang; den zeeweg roekte ik in te varen, voor schipbreuke onbevreesd, onbang!
Eilaas, daar faalt mij mast en steven, daar vliegt mij bank en boord intween; daar is van al mij niets gebleven, niets, niets als ik en God alleen!
Ter hulpe, o Jesu, moet ik zinken in dezen nood, zoo laat mij vrij naast u de bittre teugen drinken uit dezen kelk! Staat bij! Staat bij!
XL
K.J.A.J.D.M.
1878
OP DE DOOD VAN GELUKZALIGER GEDACHTENIS.
PIUS IX
13 Mei 1792 — 7 Februarij 1878
XLII
F.L.V.
1879
XLIII
E.M.P.
1879
XLIV
F.M.
1879
XLV
R.D.
1880
o Vrienden, jeunt me een goed gebed en peist, eer ge uw betrouwen zet op al dat ijdle menschen raân, hoe dat het is met mij vergaan!
Ach! jong zijn, dat en heeft, eilaas, den duur niet van een enklen blaas; gezond zijn is schier nog zoo broos als 't ijs waar 't eenen nacht op vroos!
Het leven is één stap, gesteld, het wiegsken uit, in 't gravenveld! En dan! o Dan, 'k en weet het niet! Hij weet 't alleen, die alles ziet!
Hij weet 't alleen, 't zij heil of ramp, voor eeuwig, na den wereldkamp, wat dat er ons te wachten staat, wanneer de tijd van sterven slaat.
o Dan, mijn God, bermhertigheid, gij hebt het aan uw Kruis gezeid: vergeeft mij wat gij weet en ziet. want, wat ik deed en wist ik niet!
XLVI
Ridder Adolf Loosveldt
13 October 1845 — 20 Junij 1879.
Thielt — Zanzibar.
Held des vreden, overleden op het slagveld, vrij van bloed; g' hebt uw leven God gegeven, gansch en geerne en onvergoed!
Andren lijden, andren strijden, andren liegen, valsch en schoon; die de wereld 't hoofd omperelt met een ijdele gloriekroon.
Gij zaagt lijden gij zaagt strijden, gij zeidt: "Op!" en gij waart voort; vriend noch mage en kon u tragen, want gij man waart van een woord.
Overleden vriend, in vreden bleeft gij voor de Kerke dood: ha, Gods kerke hebbe uw sterke ziele, in haren moederschoot!
Thielt verloos u, God verkoos u, blijft aan God gejeund voortaan, eeuwig, eeuwig; en wij, leeuwig, zullen we op uw voetspoor gaan!