WeRead Powered by ReaderPub
Kerkhofblommen cover

Kerkhofblommen

Chapter 29: IX E.J.B. 1859
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A tightly organized sequence of poems records a poet's immediate impressions of a funeral, moving through events before the service, the liturgical ceremonies, and the burial itself. Sensory, often rural imagery — a straw cross, bells, incense, lights and procession through the landscape — is narrated alongside attentive descriptions of church rites and chants, producing sustained reflections on grief, consolation, communal ritual and hope beyond death. The language blends devotional solemnity with regional speech refined toward older Flemish forms, turning liturgical gesture and natural detail into quiet meditations on mourning, memory and spiritual presence.

Nota. — Het wapenteeken, dat het edele geslachte de Pélichy vertegenwoordigt, is: Op een groenen grond of veld eene zilveren of witte bare, onder welke eene, boven welke twee, te zamen drie gouden roozen staan, met deze kenspreuke: Vulnerat et sanat — : 't Kwetst en 't geneest.

Het edel geslachte Gillès vertegenwoordigen, op eenen blauwen grond of veld, een gouden keper, met, in elken overschietenden hoek van 't schild, een te zamen drie gouden eekels. Kenspreuke: In æternum non commovebitur: In der eeuwigheid en zal 't beroeren.

Het wapenteeken van de twee verhuwlijkte geslachten te zamen, Gillès en de Pélichy, is, gevierendeeld, aldus: 1 en 4 Gillès, 2 en 3 de Pélichy.


ZIELGEDICHTJES

I

L.J.D.W.

1852

Het aardsche vat was al te teêr voor 't machtige verstand, de band des lichaams kon niet meer weêrstaan der zielen brand;
hij brak... ze ontlook heur vleugelen en koos de hemelbaan:
daar mag zij, zonder teugelen, God minnen, God verstaan.

II

H.L.B.G.

1852

Uw stemme, o Heer, hebbe ik vernomen: "Gaat in mijn wijngaard," sprak ze mij. Ik ben, gehoorzaam, er gekomen, al is 't dat ik onweerdig zij; en nauwlijks daar nog ingetreden of, met den wille alleen te vreden, zoo roept gij mij bij uwen throon, en geeft, voor onverdienden, loon, zoo veel aan mij als aan die 't ploegen en 't daaglijks strijden voor uw kerk, en d'hitte van den dag verdroegen, gegrijsd op 't heilig wijngaardwerk!

III

GULIHELMUS, Koster van 't Kl. Sem.

1855

Welzalig is de sterveling, die nooit in kwade wegen ging, maar die zijn leven, dag en nacht, Gods wet bewaard heeft en betracht.

IV

J.F.C.

1855

Gelukkig die, in 't dorre zand van 's werelds vreemd Egyptenland, op weg ten hemelwaard, geen oogbedriegend weeldrig oord vergeefs vervolgend, op en spoort, maar zijnen weg bewaart.

Gelukkig die de wreede beet der wereldbraam zoo haast vergeet als hij ten Hemel schouwt, of die, in zijnen lentedag, een enkle blomme plukken mag, en... dat 't hem niet en rouwt.

Maar geen die ik zoo gelukkig nom als hem die 's werelds doorne en blom en 't jonge leven laat, om vroeg naar 't eigen land te gaan, waarheen de pelgrim, op de baan, nog reekende oogen slaat.

Gelukkig, jongst ontslapen vriend: nooit heeft uw ziel het stof gediend, op ijdelheid verzot; een enkele blomme pluktet gij: de zuivre blom der Poësij, en droegt die meê naar God!

V

D.J.V.K.

1858

Daar lacht een nieuwe zon de nieuwe velden tegen, de voorjaarmorgen breekt, na winternacht, weêr aan; ik zie het groeiend licht ten oosten opgestegen, maar nauwelijks op, het licht is weêr aan 't ondergaan!

Aan 't ondergaan? Toch niet! 't Is ik die ben gerezen, 't is ik die Hemelwaards gerukt, uit rampe en wee en uit alle aardsche vreugd, — mag vreugd heur name wezen? de zonne duistren zie in eene gloriezee.

De zee, waarin gij baadt, onwetend en omhangen met sluierend geloove, in 't zalig God-ontvangen, gebroeders, in 't geheem van Jesus' liefdebron; de zee der Godlijkheid, die ben ik ingeschoten, en, had ik maar een teug van 't lavend licht genoten, die waar mij 't sterven weerd, zoo ik nog sterven kon.

VI

P.F.J.S.

1755 † 1858

't Geen waarvan de droeve menschen altijd klagen hier beneên, 't geen waarnaar zij 't meeste wenschen hebt gij honderd jaar geleên.

Maar, weer m'oud wordt en grijsharig, weer onmondig kind verscheidt, — gij wierdt honderd-en-driejarig, — schilt het iets in de eeuwigheid?

Zegt, wat hebt gij meer verworven, mocht gij in den Hemel gaan, als het kind met u gestorven, en naast u in 't graf gedaan?

Jaren, maanden, dagen, uren, ware 't honderd, duizend jaar, zijn, bij Gods oneindig duren, of het niet een stonde en waar!

VII

K.J.D.C.

1859

Gelukkig die, van kindsbeen af, Maria gansch zijn herte gaf, en, tot zijn laatste stonden, bij haar en haren Zoon alleen den troost in 's werelds droef geween gezocht heeft en gevonden!

VIII

A.D.K.

1859

Een kind ontsliep: wie anders weet als moeders herte ervan, en Jesus', die 't gewonnen heeft en nooit meer kwijt en kan?

IX

E.J.B.

1859

Naar sterren, als de zonne uitschiet, en vraagt men noch en zoekt men niet. De nacht,... hij brak, de zonne klom, uw zonne... Gij zeidt: willekom! en vloogt, o vriend, en leeft nu, waar geen nacht meer is en sterreklaar lijk hier, maar dag, bij God den Heer, en nacht, dat en wordt het u nimmermeer!

X

Advocaat S.

1859

Die, rijk gekanst, is arm gebleven; die 't zweerd droeg van het Recht, en die bemind was en beminnend; wie in zulk een deugd hem grauw kon leven, dien loont geen lof dien mensch kan geven, dien loont, — het is van God gezeid, — God zelf maar, en Gods eeuwigheid.

XI

A.V.D.

1860

God gaf het ons, God nam het ons, Gods name zij geprezen; 't was wel bij ons, 't ging weg van ons, 't was beter in den Hemel; daar blijft het ons, daar wacht het ons, daar zien wij 't eenmaal weder!

XII

J.V.D.

1860

Ah! gij hadt zoo geren 't leven aan uw kindtje weergegeven, liefste moeder: uw verdriet kent het dan Gods woorden niet? Alle liefde en alle zoetheid, leven zonder levensmoedheid, leven zonder stervensdag erft... die zalig sterven mag.

XIII

L.L.D.

1860

Leeft gij lange of korte dagen, moet gij leed of leute dragen, God, die 't eene en 't ander geeft, zal u 't een en 't ander laten in dit vluchtig leven baten, zoo gij 't voor en met Hem leeft.

XIV

N.V.N.

1860

Hetgene een' moeder troosten kan, die weent, noch vriend noch vreemd en weet daarvan, o neen; 't is God die slaat, 't is God die troost, 't is God die alles doet: 't is vele dat men goedheid heet, maar God alleene is goed.

XV

N.N.

1861

't Zij vroeg of laat daar niets en baat, daar moet elk tol betalen; 't zij munk of non, gij, nu, ik ton: de dood komt alles halen!

XVI

Cordula

1862

De trage ziekte brak intween den band van lijf en lenden, maar kon de ziel, 't geloof, de hoop noch de edele liefde schenden; ze vlamde los, en vluchtte omhoog, onstuimig om te vinden den Meester, Vriend en Bruidegom, in Jesu, den beminden: in Hem bij wien geen tijd meer is, geen toekomst, geen verleden, maar de eeuwige onvergankelijkheid van 't altijd altijd heden.

XVII

Alfons DANNEELS

3 Aug. 1847 † 9 Nov. 1864

XVIII

F.I.D.R.

1865

Gelukkig kind, dat van zijn spel, zijn engelken voor reisgezel, zijn hertje vrij van zonde en schand, is weggegaan naar 't hemelsch land!

Gelukkig kind, gij liet ons al bedroefd om u, in 't aardsche dal: gij, blijde, daar omhooge, bidt voor ons, waar ge op den throon nu zit!

XIX

A.V.S.

1871

Gelijk het paaschenblommeken, als 't winterweêr gesust is, zoo smeet het zijnen lijkdoek af, en 't rees al uit zijn donker graf, en 't leeft nu waarder ruste is.

XX

L.S.P.

1872

Onwetend en onschuldig nog van al dat menschen weten, wat hebt gij, kind, uw leven toch onlang voorbijgesleten!

Bemind van al, bemind van elk, vol vreugde, waarheid, goedheid: 't en was in uwen levenskelk geen dreupel of 't was zoetheid.

En eer hij uit was nam u God: gij waart van hooger weerden als dat gij zoudet dienen tot versier van dezer eerden.

Naar hooger streken zijt gij, kind!... Gebenedijd van heden zoo moet Gods naam zijn, en bemind, tot in alle eeuwigheden.

XXI

VADER EN MOEDER G...

1872

God liet hen, als twee boomgewassen, gesteund d'een op den andre staan, en lief en leed zoo zeldzaam passen dat geen verschil ooit kan bestaan.

Zij leefden, stierven, oud van dagen, aanschouwde ik 't eeuwig leven niet; zij zijn bij God: 't was zijn behagen, al dat Hij wilde 'et zij geschied!

XXII

E.F.V.T.

1872

Verloren moeite, onnuttig streven, om langer als den tijd te leven dien God, in zijn beschik, ons stelt: zijt keizer, koning, oorlogsheld, zijt jong of oud, zijt rijk aan gaven of arm, gij sterft, gij wordt begraven... 't Is al voorbij, verleên, gedaan! Toch neen, daar blijft iets voortbestaan, dat meest veracht wordt en misprezen, dat is, en dat zal eeuwig wezen... Past op uw ziele, o mensch, en doet hetgeen God wil, hetgeen gij moet. Laat lachen al die lachen konnen: de ziel gered is 't al gewonnen; en die dit één verliezen zal verliest, eilaas, verliest het al!

XXIII

A.K.E.

1873

Een stap is 't maar van wieg tot graf, voor ouden en voor jongen. Gelukkig die, dit leven af, hoe kort of lang het God hun gaf, den beteren weg ingongen!

XXIV

H.D.M.

1873

Verkieslijk is het, duizendmaal, te rusten in Gods hemelzaal,
als, op der aarde, al wierd men rijk, te slaven om wat ijdel slijk. 'k Beminde uw huis, o Heer, en zag den luister geren van uw' dag: uw dag, hij is mij opgestaan; uw huis, ik ben erin gegaan. Vaartwel, en die dit leest onthoudt dat ge ook in tijds de dood beschouwt.

XXV

C.D.B.

1874

Het vier, 't gesmolten lood, het kruis, het zweerd, de tangen deên menige eedle ziel de martelkroone ontvangen; elk wist het. Maar, bedekt en 't menschdom ongeacht, wordt menig martlares gemarteld dag en nacht.

't Geen Agatha stond uit ééne ure, heb ik geleden drie maanden en nog meer, drie schrikkelijke eeuwigheden. De kroone kwam op 't laatst: verheugt, die mij bemint, 't en is geen sterven, neen, 't is 't leven dat begint!

XXVI

B...

1874

Ons leven houdt maar aan een draad: wie weet er, waar hij gaat of staat, wanneer de dood zal komen; of hoe dat hem, bij nacht of dag, bij hoorenstoot of wapenslag, zijn zielken wordt ontnomen? De felste valt aleer hij 't weet; de mate die hem 't leven meet weet niemand van te vooren. Zoo, zijt bereid, en leert hiervan: 't geen mij behoort vandage kan u morgen ook behooren.

XXVII

N.N.

1874

'k Groet u, zoete zielke lief, roosken rijk in geuren, lelie uit de dellingen, prachtsteen vol coleuren; hatende al dat vleeschlijk is en van kwad' humeuren: zalig was uw sterven en eeuwig goed te keuren.

XXVIII

J.V.D.P.

1870

't Getemmer van des menschen leest is licht in stof en asch verstoven, maar mensch zijn dat is aldermeest onsterflijk leven, ver hierboven; dit schendt geen dood, geen lichaamsdood, dit kan noch vier noch staal bederven: het kwaad alleen doet, — jammer groot — de onsterfelijkheid voor eeuwig sterven!

XXIX

O.L.A.

1876

In 't kloosterkleed gedekt en opgevat, draagt, Englen, Hemelwaard een weerden schat! En, weet gij wat gij draagt? Ons kind is het, uit vader en uit moeder voortgezet, ons eigen... Neen, 't was Gods, en God gebood dat 't, nauwlijks levend, welkeren zou ter dood! o Bittere stonden die een moeder leeft, wanneer zij 't nieuwgeboorne 't leven geeft; o bittere stonden, als 't geboren kind al sterven in de dood weêr 't leven vindt! Want graf en wieg zijn een en 't zelf; voorwaar, de pelder, 't is als of 't een wiegkleed waar', waaronder Gods almachtigheid bewijst dat uit het graf de onsterflijkheid verrijst, en dat de dood, die elk ende een bedriegt, met eigen hand God blijde kinderen wiegt.

XXX

J.M.D.R.

1876

Ach, 't bitter leven is zoo kort: van als het kind geboren wordt tot dat het sterft, een stonde maar, al duurde 't leven honderd jaar! Ik stierf; na lang geleden pijn en mochte ik niet genezen zijn, ofschoon ik, Moeder, welbemind, ofschoon ik, Vrouwe, man en kind zoo geren, ach, zoo geren zag: hij kwam, de bittere stervensdag! Ik leef nochtans en derf niet meer dat leven, dat in God den Heer de doop mij gaf, de dood mij bracht, en dat u, man en kind, verwacht! Vaartwel, vaartwel, wij scheiden maar voor korten tijd: vaartwel tot daar.

XXXI

A.K.V.C.

1876

Rechtzinnig, God getrouw, geloofbaar en geloovend, zoo wierd ze eene oude vrouw, en stierf, den Hemel roovend.

Gelijk een kind, voorwaar, dat, uit den doop geheven, geen kwaad en kent, zoo klaar was heur eenvoudig leven.

Zij hield aan 't waar gewin, en met heur' laatste krachten zoo bleef z'heur huisgezin in eere en deugd betrachten.

Een waar exempel van voorvaderlijke deugden: God hebb' heur ziele dan in 's Hemels ruste en vreugden!

XXXII

K.R.S.

1877

Van kindsbeen af getrouw aan recht en plicht en zeden in weinig goeds voldaan, met kleen gewin te vreden; van 's morgens, voor den dag, tot in de nachtsche stonden, in werk en kerk gelijk, vol neerstigheid bevonden; heur' man een ware schat van bijstand en genoegen; heur kindren zóó dat nooit zij moeder nutloos vroegen; de kindsheid heiliglijk bewakend; veler kleenen een tweede moeder; elk een voorbeeld; van geen eenen gehaat ofte onvereerd; vol dagen en vol deugden; ja, van heur jonkheid af verdienend eeuwge vreugden; heur name eene eer, door haar met vlek noch schand bedorven, alzoo heeft zij geleefd, alzoo is zij gestorven!

XXXIII

Blanche

1877, 22 Maarte

Nog nauwlijks heft een blomke of twee zijn kopken uit de groene wee en zoekt de zonnestralen, of blanker blomkes gansch een stoet de blijde wegen schittren doet omtrent de kerkportalen.

Ik zie daar een, zijn name is blank, gelijk zijn' kleêren, wit en lang: zijn' kinderlijke leden bewegen of 't een Engel waar, die, in een witten wolksamaar, de kerk kwame ingetreden.

Dat is ons kind! God riep, het kwam, en 't broodgelijkend Offerlam mocht in zijn herte dalen; zijn hert, dat kloppend d'eersten keer, uit onz' twee herten kwam weleer zijn' levensloop te halen.

Leeft lustig voort dan, kindtje, en laat zoolang u 't leven openstaat, niet af vooruit te schrijden; vooruit, waar God u wilt en waar gij moogt, met ons, uw oudrenpaar eens eeuwiglijk verblijden.

XXXIV

Blanche

1877, 8 Junij.

Nog nauwlijks is een maand of twee den schoonen dag voorbij, of wee verblindt onze oogenstralen; wij zoeken weêr den blijden stoet, maar alles treurt en treuren doet omtrent de kerkportalen.

Ik zie daar een... zijn lijkje blank ligt roerloos, en een sluier lang ombundselt zijne leden; zijn zielken, of 't een Engel waar, is door den witten wolksamaar des Hemels ingetreden.

Dit was ons kind! God riep, het kwam, gelijk een schuldloos offerlam, blij uit deze aardsche dalen; ons kind, dat, levend d'eersten keer, uit onz' twee herten kwam weleer zijn' levensloop te halen.

Vaartwel, vaartwel dan, Blanche, en laat ons allen in dien droeven staat niet hulploos verder schrijden, maar bidt, alwaar gij zijt, voorwaar nog dikwijls voor uw oudrenpaar, zoo zal ons hert verblijden!

XXXV

J.D.S.

1877.

Nog nauwlijks t' halvenweeg mijn oudrendervend leven, o Heer, wat ben ik blij, U alles weêr te geven dat gij mij gaaft, geheel en door geen schâ belet!

Benijdt mij, gij vooral, die, uit uw' kinderjaren, onschuldig, ach, niet meer, gescheept zijt en moet varen de wreede wereld in, met zoo veel kwaad besmet!

Indachtig blijft toch, ja, dat elk van u zal sterven; indachtig, opdat elk eens ook de kroon moge erven die "Onze Vader" zelf mij, weez', heeft opgezet.

XXXVI

O.R.D.C.

1878

Goevrijdag was 't dat ik mijn kind zag henendragen naar 't kerkhof! En bij 't kruis aldaar begroeven zij't! Maria, laat mij U mijn bitter lijden klagen, Maria, Moeder Gods, die ook toch moeder zijt! Mijn kind!... 't Was God getrouw en U, naast God, genegen, met bovenaardsche liefde! Eenvoudig, onbedacht, zoo kende 't God en U en ons! En, met Gods zegen, geen hooger jonste en had noch hij noch ik verwacht! Die schat is weg! Die gunst heeft God mij zelf ontnomen! Waarom? o Moedermaagd, waarom en vrage ik niet: uw Jesus weet het best, Hij is om haar gekomen, Hij, die mij, moeder, met U, Moeder, weenen ziet.

XXXVII

C.M.N.

1878

De wereld had, met scherp geweld, zoo geren hare ziel geveld en hare deugd doen falen; de Dood heeft ook de kans geproefd, met pijn en smert haar lijf gegroefd, en rustloos afgemalen; dan viel op 't laatst de booze aan 't werk, maar Jesus wees, almachtig sterk, hem de onderaardsche dalen: en, rustende op zijn vaderhand, Caelina ging naar 't Vaderland, voor eeuwig zegepralen!

XXXVIII

P.P.D.M.

1878

Ik heb mijn Heer en God gebeden, in 't midden van mijn hert; 'k en kende 's werelds ijdelheden noch 's werelds smert.

Ik langde om hooger staat te leven, en God, daarmeê voldaan, heeft 't hoogste mij van al gegeven en toegestaan.

Vaartwel, die mij gekend hebt, allen, rondom Maria's voet; en die door 's werelds ongevallen nog reizen moet.

God geve aan die mijne ouders waren, en die ik heb bemind, de rust, na lange of korte jaren, bij mij, hun kind!

Dan zal de dood geen scheiden wezen, geen eeuwig scheiden, neen, maar ouders doen en kind, nadezen, weêrom bijeen!

XXXIX

W.R.A.K.

1878

o Schoone dagen, ongeweten, of die, te laat gekend, o Heer, zoo gauw geleên zijn en versleten, en komen her noch immer meer!

Ik was een kind te weinig jaren, ik bleef onschuldig al te onlang; den zeeweg roekte ik in te varen, voor schipbreuke onbevreesd, onbang!

Eilaas, daar faalt mij mast en steven, daar vliegt mij bank en boord intween; daar is van al mij niets gebleven, niets, niets als ik en God alleen!

Ter hulpe, o Jesu, moet ik zinken in dezen nood, zoo laat mij vrij naast u de bittre teugen drinken uit dezen kelk! Staat bij! Staat bij!

XL

K.J.A.J.D.M.

1878

Het lag gebundseld en gebonden in de dood, toen Jesus kwam, als schijnbaar brood. Hij sprak: "Staat op!" En alle schijn verdween; 't wierd levend, het zag Jesus-God med' een, en 't mocht den blijden choor ingaan, in 't wit gewaad der onschuld, die voortaan zal eeuwig blinken. Treurt niet, maar, die hem bemindet, volgt zijn stappen naar!

XLI

OP DE DOOD VAN GELUKZALIGER GEDACHTENIS.

PIUS IX

13 Mei 1792 — 7 Februarij 1878

De Koning van de Priesters is niet meer der levenden. De mare vliegt. Elk weet het. En, gestorven, heeft Pius hooger naam dan levend ooit verworven. 't Was hij! Daar was zulk geen! Men weeklaagt niet, veeleer verheugt men in zijn dood, die, triomphant gebleven, elk staaft in zijn geloove, elk steunt van die nog leven en biddend overal. Elk zag hem niet, elk toch, elk kent en elk bemint, elk eert en weet hem nog. Elk zal hem kennen, weten, elk beminnen, eeren, schoon duizend jaren nog na duizend wederkeeren. Geen tijd meer haalt hem in, hij is de tijden voor, en de eeuw die nog niet is ontvangt alree zijn spoor. Verkrachting, list, verraad, zij poogden, maar zij vonden des Pausen ziele sterk, gerust en ongeschonden. 't Was hij! Hij zag en: "Neen, de Pausen falen niet!" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Poogt wederom, nu dat gij hem gestorven ziet, spant al te zamen, helle en helsche strijdgenoten! Staat op! Hij ligt in lijke!... Uwe ure is 't! Saamgeschoten! Geweld gedaan! Gepoogd!... En, eeuwig neergeveld, zoo zult gij machtloos zijn in al uw strijdgeweld; en vallend over 't spoor van zijn bezweken voeten, daar zult gij, spijts uw hert, lijk Pius, zeggen moeten: "Non possumus!"

XLII

F.L.V.

1879

Ik ben Maria's kind, voortaan en moet ik niet meer duchten van uit den rechten weg te gaan om eeuwiglijk te zuchten. Ik stierf, maar God verleende mij, 't geen God alleen kan geven, van in den Hemel, eeuwig blij en eeuwig lang, te leven!

XLIII

E.M.P.

1879

Te vroeg gesmaakt, te vroeg ontvlogen, te vroeg, eilaas, hebt gij mijne arme ziel bedrogen, bedrog van 's werelds ijdelheid: gij duurdet eenen dag, eene ure, een' stonde, ha... tijds genoeg om arrebeid en zonde, en om nog erger kwaal na die, mij toegezeid, te kennen! 'k Wierd u moe! De kwade wegen, door distels en door doornen diep gelegen, zijn, op het end, veel beter nog als al de valsche vroolijkheden der korte dagen die 'k heb doorgeleden! Vaartwel! Alwaar ik ga 'n is geen bedrog, maar waarheid, leven, vreugde: in 's Hemels vreden!

XLIV

F.M.

1879

Hoe menig kind, den zelfsten dag en 't zelfste jaar verschenen, dat met mij eens het leven zag en voor mij is verdwenen! Zoo leerde ik lang en leerde ik goed de kunst van wel te sterven, ach, Onbevlekte, ik bidde U, doet mij 't eeuwig leven erven!

XLV

R.D.

1880

o Vrienden, jeunt me een goed gebed en peist, eer ge uw betrouwen zet op al dat ijdle menschen raân, hoe dat het is met mij vergaan!

Ach! jong zijn, dat en heeft, eilaas, den duur niet van een enklen blaas; gezond zijn is schier nog zoo broos als 't ijs waar 't eenen nacht op vroos!

Het leven is één stap, gesteld, het wiegsken uit, in 't gravenveld! En dan! o Dan, 'k en weet het niet! Hij weet 't alleen, die alles ziet!

Hij weet 't alleen, 't zij heil of ramp, voor eeuwig, na den wereldkamp, wat dat er ons te wachten staat, wanneer de tijd van sterven slaat.

o Dan, mijn God, bermhertigheid, gij hebt het aan uw Kruis gezeid: vergeeft mij wat gij weet en ziet. want, wat ik deed en wist ik niet!

XLVI

Ridder Adolf Loosveldt

13 October 1845 — 20 Junij 1879.

Thielt — Zanzibar.

XLVII

E.P.C.

1880