Voorbij is 't lijk een zonnestraal, die, uit den hemelwagen, een korten tijd elkeen verblijdt, omtrent de winterdagen.
't Was al zoo zuiver, noch 't en heeft, van als het wierd geboren tot op den dag dat 't weg ging, ach, zijne onschuld nooit verloren.
Het was verstandig, wijs en vroed, en menig mensch met reden, 't zij man of vrouw, niet durven zou naast hem in 't oordeel treden.
Zoo schikte't God. Een korten tijd verscheen het vóór onze oogen, en, op de baan ons voorgegaan, zal 't ons den Hemel toogen.
XLVIII
Th. S., Uurwerkmaker.
1880
XLIX
Felix A. J. Baron Bethune
12 Junij 1789 — 28 Sept. 1880
L
E.D.V.
1881
Die altijd, eere en plicht getrouw, goê man, goê vader, kind en vrouw beminde en was bemind ervan, zou zulk een kwalijk sterven dan?
Al stortt' hij onder 't vier en 't lood, al sloeg de donder zelv' hem dood, of was 't een moordnaars schuld, nog dan geen ware Christen schrikte ervan.
Neen, niemand weet hoe wonder dat God alles wel te zamen vat dat is en zal zijn; geen en kan doorgronden 't diep geheem daarvan.
Bij hem die waakt ten allen tijen, daar zult ge uw vader wederzien, o kind; en, vrouw, den braven man zult ge eeuwig blijven hebben dan!
LI
M.V.J.M.V.
1881
't Was 't uwe en 't onze, eilaas, en, hadde 't mogen leven, 't waar' 't onze en 't uwe, o God, zoo hope ik wel gebleven!
Waarom dan? Neen, waarom en vrage, en rade ik niet: ik berg mijn tranen, en... dat Gij wilt is geschied!
'k Ben blijde, intusschentijd, dat 't zielken onzer ziel, na eenen lach met ons gewisseld, U beviel;
en, U bevallend, dat ons aldereerste kleentjen voor eeuwig worden mocht ons zalig Madeleentjen!
LII
J.B.B.
1881
Welaan, mijn weerde dienaar, lang genoeg hebt gij den rechten gang gevolgd, dien 'k uwe ootmoedigheid met loonbelofte had voorgeleid.
Gij hebt voor mij veel meer gedaan als Vorsten die daar slagen slaan, die winsten doen en, jammer dies, die stervend doen meest al verlies.
Uw sterven wel was 't voorbedacht, want veerdig waart gij, dag en nacht, om, altijd en met neerstigheid, te doen dat u was opgeleid.
't Zij wie, met recht, u gaf bevel, gij hoordet en gij deedt het wel, en altijd hebt ge uw Meesters woord, of waar 't mijn eigen, wel aanhoord.
Verblijdt u, goede knecht, voortaan; gij hebt mij grooten dienst gedaan, in de alderminste kleenigheid: verblijdt u in der eeuwigheid!
LIII
S.V.C.
1881
LIV
E.H. DHOOP
Thielt 1840 — Dixmude 1881
LV
M.V.V.
1881
Bermhertig weest mij, God, met 't aldermeeste erbarmen, en houdt mij, schuldenvrij, in uw' almachtige armen!
Besproeit mij met hyssoop en wascht mij witter dan ooit versch gevallen sneeuw, ooit lijnwaad wezen kan!
Verleent dat mijn gehoor uw' hulp vernemend zij, en maak 't gevelde stof van mijn gebeenten blij!
Ge aanveerdt den geest die rouw en leed heeft in zijn schuld, en 't nederig boetend hert Gij nooit versmaên en zult!
Dan, luistert, o mijn God, vol goedheid, naar mijn stem, en zet mij zetelvast in 't hoog Jeruzalem!
LVI
F.J.P.
1881
Moe en tendenuit versleten zat en zuchtte ik, jaren lang, om weer los, en van de keten vrij, te gaan den vrijen gang.
Los en vrij dat wierd ik heden, En al 't gene ik meest ontzag, 't gaf mij, oud en stram van leden, weêr den jong- en vrijen dag.
Al die sterven zult, onthoudt het: 't leven is een blijde baan maar voor hem, die altijd houdt het sterven in zijn oogwit staan.
Leeft en leert dus allen sterven, gij die groot zijt en die kleen; gij die 't waar geluk wilt erven, 'k wete 't, daar en is maar één!
Dat zult gij ook zelve eerst weten en genieten, zoo 'k betrouw, als gij vrij zult van de keten zijn daar ik ben, vriend en vrouw!
LVII
M.L.V.D.B.
1881
Voor velen is de weg naar Lourdes hooge steden een hoopverwekkend gaan, vol lof- en dankgebeden, en 't wederkeeren wordt door velen, in hun land, als of 't een bruiloft waar', gevierd ten allen kant.
Eilaas, zoo ging ik ook, vol hopende gepeinzen, om troost in mijn verdriet, van hier naar Lourdes reizen, en 'k wenschte al 't gene God, met Onze Lieve Vrouw, had best voor mijne ziel beschikt, dat 't wezen zou.
Triomph, het is geschied! Geloofd zij God! Genezen en mocht ik van de kwaal des lichaams wel niet wezen, maar hooger giften gaf mij, op Maria's woord, die God, die altijd elk na zijn beliefte aanhoort:
'k Genas van al 't verdriet, van al de droeve plagen, die velen nog na mij, die mensch zijn, zullen dragen; 'k genas, om nimmer meer te kranken, en om, blij, voor eeuwig God te zien, van zucht en tranen vrij!
LVIII
H.N.
1881
Eilaas, eilaas, ze zijn zoo dwaas die, van hun jongste dagen voor de eeuwigheid, die elk verbeidt, in tijds geen zorge en dragen!
Ik stierf, al was ik wel te pas en op geen dood aan 't peizen, en, onverwacht, het minst gedacht en hadde om weg te reizen!
Niet el en kan 't gevolg daarvan voor mijne ziel nu baten, 't en zij dat ik geen oogenblik en hebbe ooit God verlaten.
God weet dat, Hij die stierf voor mij, en, stervend, heeft verworven dat ik met al niet vreezen zal, hoe haastig ook gestorven.
LIX
G.J.G.M.
1881
Welkom, kindtje, in d'Hemelzalen, 'k liet u van mijn' Englen halen uit des werelds doolwoestijn; Vader, Moeder, wilt niet weenen, omdat 't oudste der twee kleenen al zoo vroeg mocht zalig zijn.
Zorgt voor 't andre, en laat geen listen 't dierbaar schaapke mij betwisten, dat ik u te weiden liet: weidt het zoo dat, Vader, Moeder, gij uw kind, — en dat zijn broeder, 't Zusterken — eens wederziet!
LX
L.P.D.
1881
o Kwaad om gaan is 't achter 't leven: men valt zoo lichte, aleer men 't weet! Wel hem dien vrienden hulpe geven, die handen trouw zijn hert besteedt, wanneer hem eens de felle winden onvoetvaste en schier vallend vinden!
'k En wist het niet, en, blij geboren, voorspelde ik mij geen zielsgevaar: eilaas, ik heb den weg verloren en hulploos ging ik vallen, maar een laatste vriend heeft me ondervangen, een vriend dien 'k aan een kruis zag hangen.
Gekruiste God, zijt honderd malen, mij welkom, want Gij, liefgetal, mij achtervolgd hebt, op mijn dwalen; zijt welkom, ach, met kruis en al: ik wil 't U lijdzaam helpen dragen en u, mijn God, vergifnis vragen!
Vergifnis, die mij hebt geschapen, die mij verlost hebt, en gered: vergifnis, eer ik valle in slapen met U, op 't eendlijk folterbed: o Jesu, wilt me, in 't ander leven, vergifnis en verrijsnis geven!
XLI
J.M.E.H.B.
1881
'k En heb niet lang geleefd, maar lang geleden; 'k heb weinig blijdschap, droefheid veel gezien; hoe vaart het mij, in de eeuwigheden, geen droefheid en geen lijden meer te lijen!
Zoo is het in dit ballingschap der aarde: 't geluk is kort, eilaas, en 't lijden lang; 't Is nacht aleer de middag klaarde, en ruste en is het nimmer, zonder dwang!
Niet zoo en is 't bij ons; die hooger steden bewonen, en, onsterfelijk voortaan, al 't lijden hebben uitgeleden, en in de blijdschap eeuwig blijven staan.
Geliefden, niet terug-, niet omgekeken: alhierwaards is de weg, de zaligheid; de waarheid Gods is mij gebleken, u zal zij blijken: volgt me, en weest bereid.
Want 't komt een dag weleens, van al de dagen de schoonste, vol onsterfelijk genot, dat wij, die hier ons scheiden zagen, en weenden, weêr te zamen zijn bij God!
LXII
A.B.
1881
Ik ben bij U, Maria zoet, getrouwig blijven staan, tot dat de jubelkroone mij wierd om het hoofd gedaan.
Ik was bij U te Bethlehem, in 't moederlijk genot, naast U volgde ik Calvariewaard uw' Zone en mijnen God.
Gij hiet zijn Kruis mij dragen en Hij deed mij vroolijk zijn, U volgende in de blijdschap en U volgende in de pijn,
tot op dien alderlaatsten van de dagen, als Gij, teer, bij mij kwaamt, mij versterken met het Kruis van mijnen Heer.
In 't Kruise, in U, o Moeder, dan zoo hope ik, onvervaard, dat Gij mij zult voltoogen nu den Kruisweg Hemelwaard!
LXIII
V.J.
1881
'k Geloove dat Hij leeft, die 't leven schiep en elk verwekken zal die ooit ontsliep of scheen in 't graf te dalen.
'k Geloove dat de loon de werken dekt en overmild vergeldt, ja, verder strekt als 's levens wijdste palen.
'k Geloove dat gij, Moeder, moe gewrocht en moe geleden, eindelijk los gerocht van 's werelds dienstbaarheden,
in Hem nu rust, in wien gij Christen wierdt en, met Geloove en Liefde en Hoop versierd, zijt in Gods rijk getreden.
'k Geloove dat, op de oude rots gestaan, gij weerdig hebt dit leven doorgegaan en zijt alsnu gerezen
waar, Moeder, gij uw kindren, trouw en goed, naartoe wenkt, en voortaan verlangen doet om weêr bij u te wezen!
LXIV
C.V.
1881
Zij heeft de waarheid Gods, zijn goedheid ondervonden, die mocht den laatsten stap van hare levensbaan, gelijk den eersten, schuldloos gaan en vrij van alle zonden!
Maria ging haar vóór en zij kwam nagetreden, getrouw, van kindsbeen af, en, kinderlijk gezind, zoo heeft zij hare plicht bemind en haren last geleden.
Geen sterven was 't voor haar, veel eerder zegepralen, op 's werelds erg bedrog: het was ontlaten zijn, van Adams ballingstraffe en pijn, en de oude schuld betalen.
Zij stierf den dag dien God voor haar had uitverkoren 't was op de blijde feest wanneer Hij nederkwam: als van Maria 't Godlijk Lam wierd in een stal geboren.
Lam Gods, zij hare ziel dan licht en rust gegeven! Maria, toogt dat Gij haar Moeder waart, en dat nooit kind dat zulk een Moeder had en miste 't eeuwig leven!
LXV
G.J.N.
1881
Een Engel te meer heeft het leven verhandeld, het tijdlijk gewisseld om 't eeuwig genot! "Wat is het?" Zoo komt men van 't kerkhof gewandeld, en zegt: "'t Is hem beter, veel beter bij God!"
Veel beter is 't hem, maar eilaas, zij die blijven, zij, Vader en Moeder, hun leven, hun bloed, hun hoop, hunnen troost, al in de eerde zien drijven... die wonde, die diepe is 't, die 't meêlijen verzoet!
Dan, troost u, zijt Christnen: die 't kind heeft gegeven is Meester van alles, en 't kind u vergoên, dat wil en dat zal Hij: is Hij u gebleven, wat kan u, die God nog hebt, wanhopen doen?
Staat op, en ziet hemelwaards, pelgrims der aarde, die werken en slaven moet, loon is nabij: God leeft nog, God waakt nog; die niemand en spaarde, de Dood zal eens dood zijn, en leven zult gij!
LXVI
G.K.D.
1882
Te jong en niet te jong, eilaas, is hij geleden naar 't eeuwig land, daar elk naartoe ziet, die nog leeft! Te jong, zoo spreekt allicht de menschelijke reden, die, diep getroffen, haast geloove en hope ontgeeft.
Te jong en is het niet, om pijne en smert te laten; om, vrij van al 't gevaar dat deze wereld brouwt, te rijzen boven 't stof der menschelijke staten, en eeuwig vrij te zijn, zegt hij die hooger bouwt.
Vaartwel, En laat ons niet beroofd van uw gebeden, o broeder: balling zijn wij, ver van u, voortaan. Vergeet ons immer niet, die lastig achtertreden, en die, nog ongetroost, den weg des werelds gaan!
LXVII
R.F.D.
1882
't Geweld des waters kwam tot in mijn huis, en al de banden des lichaams voelde ik, neergeveld, hoe ze, een voor een, ontspanden! Geen hope op medicinen meer, geen hulpe in 's menschen krachten! van U alleen bleef hulpe, o God, bleef alles af te wachten.
Gij riept: ik kwam. Geen tegenzeg en lag in mijne woorden, omdat ik zelf, mijn hert, mijn al, van jongs U toebehoorden, die eerst mij dedet hopen, en die, op den dag van heden, getrouwig liet uw huis en erf mij zalig binnentreden.
Een ander water vloeit alhier, en blijdt het huis des Heeren: Gij zelve zijt die Levensbron, en, mocht ik wederkeeren, 'k en kwam maar om de liefste, die 'k op de aarde liet, te manen: Vergeet uw vrouw, uw Moeder niet, noch 's Hemels rechte banen!
LXVIII
F.M.V.
1882
Ik was hetgeen gij zijt, en meer als u misschien heeft mij de hand van God verleend en toegegeven al 't geen men in een kind zoo geren pleegt te zien, van jonkheid, levenslust en kracht om lang te leven.
Wat blijft mij nu daarvan? Dat zelve en is mij niet, dat onverliesbaar scheen, standvastig aangebleven! Ik ligge in 't duister graf, geen mensch meer die mij ziet, en met een enkel woord is heel mijn lot beschreven!
Toch neen! Mijn Schepper leeft, mijn hoop, mijn toeverlaat, die waakte op mij wanneer, de wereld ingedreven, ik vallen zou; Hij die mij heeft, in de overmaat van zijn bermhertigheid, een helpend hand gegeven!
o Jesu, blijft mij toch indachtig, en gedenkt dat niemand op U steunt, of had hij 't al bedreven, die zonder hope zal voor altijd zijn gekrenkt, en 't zalig deel beroofd van 't eeuwigdurend leven!
LXIX
H.L.V.
1882
o Schoone onnoozelheid waar zijt gij nog te vinden, of tref ik nievers meer uw aanschijn? Inderdaad, zijt gij voor goed verhuisd, of door de felle winden des werelds afgeroofd uw deugdelijk sieraad?
Daar dook nog eene, eilaas, zorgvuldig weggescholen; daar wist ik en daar ging ze ik wondren, nu en dan; en ziet, daar is ze voort, door de Engelen gestolen en in den Hemel, eer ooit wereld wist ervan!
Vaarwel, en laat ons al voortaan in d'hoogten schouwen, om troost, bij al het kwaad dat deze wereld krenkt; een vasten voet daarheen en vaste blikken hou'en, waar gij uwe oud'ren, kind, en uwe vrienden wenkt!
LXX
E.I.V.D.B.
1882
Al dat geboren is moet sterven en 't bekoopen dat Adam, stervensvrij, de onsterflijkheid verloos, terwijl hij, zijn gedacht laatdunkend nageloopen, het willen Gods verzaakte en satans willen koos.
Eilaas geen hope meer, de dood, eens ingelaten, zit wakende in de lucht, in 't leven, in het bloed; men kent geen artsenij die heur vergif kan baten, men maakt geen wet die ooit heur wet ontwijken doet!
Men leeft al sterven, en elk pulsslaan brengt ons nader den afgepaalden tijd, die onzen loop gezet, ons wedergeven zal in d'handen van den Vader, dien wij aanbidden in ons dagelijksch gebed.
Hij wacht ons altemaal, Hij roept ons, en de dreven naar hem toe, wijst Hij, vol bermhertigheid, ons aan, opdat geen een van al zijn' kinderen, die daar leven en sterven zullen, ooit voor goed zou sterven gaan!
LXXI
K.C.S.
1882
Soldaten, die, nog jong, terwijl 't kardatsen dondert, hun leven wagen, met 't moorddadig staal in d'hand, die heet men helden, die vereert men, en bewondert: voor eeuwig strekt hun naam tot eer van 't vaderland.
Waarom? En is 't verdiend, wie zal dan die vergeten, die brave vaders, die, voor vrouwe en kind, bereid te sterven dag en nacht, hun arme brokken eten, niet wetend waar de dood hen onvoorziens verwacht?
't Zijn helden dat: hun Vrouw, hun kinders mogen toogen hun aanzicht onbeschaamd; en die ze bedelen liet, of weigerde, als hij kon, hun tranen af te droogen, verdiende, neen, den naam van mensch noch christen niet!
LXXII
M.T.D.
1883
LXXIII
J.M.
1883
Het water heeft mijn ziel gered, wanneer ik, kind geboren, door Vader Adams schuld belet, het leven had verloren.
Het water heeft mijn lijf ontsteld en lang heb ik geleden, tot dat het, bij een laatst geweld, is in mijn hert getreden.
Ik ga verzinken! Laat, o God, uw helpend woord verschijnen: de hand mij vat: op uw gebod zal al 't gevaar verdwijnen!
God hielp mij, in den nood, en ziet, zijn hand gebood de baren met mij en mijn betrouwen niet den afgrond in te varen.
De have blinkt, het kruis komt mij van verre al tegenstralen: ach, vrienden, bidt, en helpt mij vrij voor eeuwig zegepralen!
LXXIV
O.B.
1883
Te vroeg eilaas, voor ons, is zij gestorven, voor haren man, voor iedereen die weet hoe goed zij was, hoe onbedorven van zeden, al van kindsgebeen!
Zij wist den weg te Kerkewaard te vinden, des morgens vroeg, en 't zonopstaan voorkwam zij, biddend, bij den welbeminden, naar wien zij is te gast gegaan.
Te vroeg eilaas, voor ons! Na heur gedachten en was 't te vroeg, en was 't te laat: dat God wilt, dat alleen was heur verwachten; dat God wilt wilde zij. Zoo staat 't
in 't groot gebed, dat duizendmaal gebeden, zij stervend zei: "Uw wil geschied' als in den hemel op de aarden!" Heden, is 't uw behaag, o Heere, 'n spaart mij niet!
Zij stierf gerust, getroost, en vast geloovend dat sterven erven is, voorwaar, en vrijgevochten zijn van 't alberoovend, van 't albedervend zielgevaar.
Zij stierf gerust, en wacht alree de stonden dat zij en man, en vriend, en al, die zij gesticht heeft hier, eens weergevonden, daar, en voor goed, herkennen zal.
Vaartwel, dan, edele ziel, gekend van geenen, 't en zij van God, en van misschien een vriend of twee, onvalsch, die weenen omtrent uw graf. — Tot wederzien!
LXXV
A.L.W.
1883
De dood klopt altijd voort op rijk en arme deuren; 't zij jong of oud, 't moet al de bittre dood betreuren en sterven onverwacht, ha dikwijls onbereid, dat leeft! Er ware niets, en ware de eeuwigheid!
o Dood, gij scheent zoo verre, en, volgend mijne voeten, daar waart gij, eer ik wist dat ik ging sterven moeten: maar sterker hand als de uw' had mijne hand geraakt, en stervend heeft God zelf mij van u vrij gemaakt!
o Dood, waar is uw straal? o Zonde, waar uw keten? Gods heilig sacrament heeft beide intween gesmeten, en, rijzende uit het graf en uit de ziekte fel, vare ik naar de eeuwigheid, met God voor reisgezel!
LXXVI
E.D.
1883
Elodietje, moe geleden, moe gepijnd en moe gestreden, is te ruste, 't slaapt voortaan. 't Maagdenblomke, 't fijn van blaren, heeft gebloeid hier, twintig jaren, en 't is weêr tot God gegaan!
Ach, zijn lijk, hoe eerbiedwekkend, zijn twee oogskes nederig dekkend, wit als was, en, om te zien, lachend, zoo het loech, nog heden, als 't, in al zijn' lieflijkheden, stierf! Of leeft het nog misschien?
Neen 't, 't en leeft niet meer; ontslapen, heeft het God, geheel herschapen, en zijn eigen beeld, vol eer', ongeschonden, weêrgenomen, zoo 't in hem was neêrgekomen, toen Hij 't schiep, den eersten keer!
Ach, onsterflijk beeld, staat binnen ons gemoed en onze zinnen; dat, aan iedereen bekend, 't maagdenblomkens uitverkoren, edel voorbeeld, onverloren blijve, in onze ziel geprent!
LXXVII
F.D.C.
1883
Een brave man was hij, oprecht, en in geen doeken en lag zijn hert, maar op zijn bloote hand te zoeken, en op zijn tonge, die de rechte waarheid sprak, 't zij wien zijn ruwe deugd ooit meê- of tegenstak.
Hij diende. Diende God in al die hem geboden, maar anders geen van al de valsche wereldgoden en was hij slavelijk verbonden. Vrouwe en Kind, zijn Meester en zijn Werk, naast God van hem bemind,
getuigen 't openbaar, beschamend onze tijden. Die één uit honderd was, hij komt dan te overlijden! God ruste zijne ziel! En, als voor hem en al die leefden de ure slaat dat elk herleven zal,
dat zijne vrienden toen, hem kennend, zeggen mogen: Gods woord is waar, hij sprak, nu zien wij 't, onbedrogen, dat wel doen op der aard wel hebben doet nadien, en 't eeuwig Licht, voor loon, en 't eeuwig leven zien.
LXXVIII
J.F.R.
1883
't Zij kort of lang, waarom is 't dat wij leven, 't en zij om God, met winste weêr te geven hetgeen Hij ons verleende, en onzen keer van sterven af te wachten van den Heer?
Ik was bereid om, op het eerste manen, met licht in d'hand, kloekmoedig meê te gaan, en, zoo Jesus deed, na lijden fel en groot, de hemelvaart te winnen, door de Dood.
Ik was bereid; ik stierf, en, van die stonden, hebbe ik het licht des levens weêrgevonden; en, nu dat ik gestorven ben, o Heer, en U aanschouwe, en sterve ik nimmermeer!
LXXIX
Hendrik Conscience
3 Dec. 1812 † 10 Sept. 1883.
Hij was begaafd van God, den Gever en den Nemer; God gaf, God nam hem ons; maar, wijl hij onzer was, omstraalde Vlanderland — hoe prachtig! — het geschemer van eenen Geest, die, als een helder spiegelglas, het schoone, en 't reine, in hoog- en wijder wereld woonend, ons ongeduisterd en verrukkend wedergaf!
Men zegt: "Hij is niet meer," en, zijne werken kroonend, aanschouwt men hopeloos des werkmans duister graf. Neen, hier en is hij niet; neen, weg is hij, gerezen weêr in 't geboorteland zijns zelfs; nu vrij en vrank, zoo hopen wij, van al dat ooit in hem mocht wezen, van aardsche krankheid of geleden menschendwang!
Conscience ontvong van God, Conscienc' heeft weêrgegeven, aan God en aan zijn Volk, tot op den laatsten dag; en, is hij andren dood, ons zal hij eeuwig leven, die bidden, zoo als Hij met ons te bidden plag!
LXXX
C.D.S.
1883
De mensch en weet vandage niet wat morgen hem kan bringen, noch hoe, noch waar de felle dood hem in den weg zal springen.
Gevreesde dood, hoe onbereid moet gij er velen treffen, die sterven, en wat sterven is ach, nauwlijks en beseffen!
Zij wist en zij besief het wel, die trachtte alzoo te leven dat zij 't vermaan niet vreezen moest dat haar de dood zou geven.
Zij stierf gerust, lijk iemand die, bescheed in korte stonden, heeft, vragend, naar het Vaderland den rechten weg gevonden!