WeRead Powered by ReaderPub
Klea en Irene: roman cover

Klea en Irene: roman

Chapter 20: TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Open in WeRead

About This Book

De roman volgt twee jonge vrouwen die in armoedige vertrekken naast een oud Serapis-heiligdom leven en dagelijks met gebrek en vernedering proberen te overleven terwijl het religieuze en hofleven vlakbij doorgaat. Intieme scènes van zusterlijke omgang en kleine dagelijkse noden wisselen af met levendige beschrijvingen van tempelmuren, processies en ontmoetingen met machtige bezoekers, waardoor de tegenstelling tussen pracht en ellende continu voelbaar blijft. De tekst onderzoekt sociale ongelijkheid, het belang van uiterlijk en gunst, en de manieren waarop persoonlijke lotgevallen door groter politieke en religieuze gebeuren worden overschaduwd.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De wagen waarop Klea stond met den hoed en den mantel van den oversten der politiewacht, rolde door de straten van Memphis. Zoolang zij huizen en verlichte vensters aan hare rechter- en linkerzijde zag, en zij schreeuwende soldaten en burgerlieden tegenkwam, die met lantarens, door hen zelven of hunne slaven gedragen, uit kroegen terugkeerden, of na tot laat in den nacht gearbeid te hebben, van hunne werkplaatsen naar huis gingen, werd zij enkel beheerscht door bitteren haat tegen Publius. Aan deze geheele nieuwe gewaarwording, die haar bloed sneller door de aderen deed stroomen, en nu eens haar hart wild deed kloppen, dan weder bijna stilstaan, paarde zich de gedachte, dat die Corneliër een ellendeling was.

Met boosaardige kunstgrepen had hij, de verleider het gewaagd, eene van haar beiden, onverschillig of zij het was of hare zuster, te verstrikken en tot zich te lokken. »Bij mij,” dacht zij, »durft hij niet verwachten zijn schandelijk doel te bereiken, en toen hij zag dat ik mij wist te verweren, lokte hij het arme kind, dat geen weerstand kan bieden, met zich mede, om het te schandvlekken en in het ongeluk te storten. Deze goddelooze man handelt als Rome zelf, dat het eene land na het andere tot zich weet te trekken. Zoodra de brief van den schurk Eulaeus hem ter hand was gesteld, en hij meende recht te hebben om te gelooven, dat ook ik door den blik zijner oogen overwonnen en gereed ben om in zijne armen te vliegen, strekt hij de begeerige hand ook naar mij uit, versmaadt hij den glans van het koninklijk gastmaal om door den nacht den woestijn in te trekken, en daar—ja er zijn nog straffende goden—een afgrijselijken dood te vinden!”

Soms was het stikdonker om haar heen, want zwarte wolken bedekten de heldere maan. Memphis lag reeds achter haar en de wagen reed door een bosch van hoogstammige palmen, waarin zelfs op den middag het licht door zware schaduwen werd getemperd. Toen hier de gedachte, dat de verleider den dood tegemoet ging, weder in hare ziel opkwam, was het haar als ontbrandde opeens in en rondom haar een helder flikkerend licht, en zij had in gejuich willen losbarsten, gelijk iemand die naar bloedwraak dorst, wanneer hij zegevierend den voet op de borst van zijn verslagen doodsvijand zet.

Zij drukte de tanden vast op elkander en tastte in haar gordel, waarin zij het mes van den smid Krates gestoken had. Ware de wagenmenner aan hare zijde Publius geweest, met welgevallen zoude zij hem dit wapen in het hart gestoken en zichzelve daarna voor de hoeven der paarden en de metalen raderen van den wagen geworpen hebben.—Maar neen! Liever nog had zij hem stervend in de woestijn gevonden, en hem, vóordat zijn hart ophield te kloppen, in het oor geschreeuwd, hoezeer zij hem haatte. En wanneer dan geen ademtocht zijne borst meer bewoog, dan zou zij zich op hem geworpen en zijne brekende oogen met hare lippen gekust hebben.

Gelijk de donkere golven van eene rivier niet zijn af te scheiden van de lichtere van een anderen stroom, waarmede zij zich voor korten tijd heeft vermengd, zoo vereenigden zich in hare ziel zachtmoedig medelijden en de teederste wenschen van een geheel van liefde vervuld hart met de wildste gedachten aan wraak. Al de hartstochten, die tot hiertoe in hare ziel gesluimerd hadden, waren losgelaten en verhieven luide hunne stem, terwijl zij door de nachtelijke duisternis de woestijn tegemoet snelde. Gistend en bruischend, zich verheffende en elkander nederwerpende, zoo voerden in haar borst de begeerten, die de haat haar toeschreeuwde en de liefde met zoo verlokkende tonen haar in de ooren zong, onderling strijd. Als eene tijgerin had zij bij dezen rit zich op haar offer kunnen werpen, als eene verstootene vrouw de liefde, die haar onthouden werd, van Publius op de knieën kunnen afsmeeken. Zoozeer had zij hare bezinning verloren, dat zij om tijd noch plaats meer dacht, en zij ontwaakte als uit een wilden verwarden droom, toen de wagen plotseling stilhield en de menner haar met ruwe stem toeriep: »Wij zijn er, hier moet ik terugkeeren!”

Zij huiverde, trok den mantel dichter om zich en sprong op den weg, waar zij roerloos bleef staan, tot de voerman haar toeriep: »Ik heb de paarden niet ontzien, edel heertje. Krijg ik nu niets voor een slok wijn?”

Klea bezat niets dan twee zilveren drachmen, van welke éene aan haar, éene aan Irene behoorde. De koning had op den voorlaatsten sterfdag zijner moeder eene som beschikbaar gesteld ter verdeeling onder alle dienaren en dienaressen van Serapis, en daarvan hadden zij en hare zuster elk een zilverstuk gekregen. Klea droeg beide in een zakje bij zich, dat ook een ring bevatte, door hare moeder haar bij het afscheid gegeven, en de amulet van den kluizenaar Serapion. Het meisje nam nu de beide drachmen en gaf ze den wagenmenner, die, nadat hij de rijke fooi met de vingertoppen had onderzocht, zijne paarden wendde en riep: »Een vroolijke nacht en de bescherming van Aphrodite en alle Erossen.”

»Irene’s drachme!” prevelde Klea in zichzelve, terwijl het voertuig zich verwijderde. Het liefelijke beeld van hare zuster kwam haar voor den geest, en zij dacht aan de ure, waarin het nog niet volwassen meisje haar het geldstuk had toevertrouwd, daar zij toch alles zou verliezen als Klea het niet voor haar bewaarde.

»Wie zal nu voor haar zorgen?” vroeg zij zich verder af, bleef peinzend staan en weerde de hartstochtelijke wenschen, die weder in haar begonnen te woelen, verre van zich af, om hare verwarde gedachten te verzamelen.

Onwillekeurig was zij uit den weg gegaan voor de lichtstraal, die uit het venster van de herberg op den weg viel, en haar toch de oogen op deed slaan en in die richting voortgaan. Daar zag zij uit de duisternis die haar omgaf juist twee mansgezichten, die gericht waren naar de plaats waar zij stond. En welke gezichten waren het, die zij zag! Het eene vleezige gezicht, omlijst door dicht haar en een ongelijkmatig gegroeiden korten ringbaard, was donkerbruin en zoo ruw en dierlijk, als het blanke gladde en magere gelaat van den ander boosaardig en sluw. De bloederige glazige, ver uitpuilende oogen van den eerste teekenden gemeenheid en domheid, terwijl die van den tweede rusteloos en onbestendig rondloerden. Dat waren de gehuurde moordenaars van Euergetes, dat moesten ze zijn.

Door ontzetting en afschuw als aan den grond genageld, bleef zij staan en vreesde dat die verschrikkelijke mannen het kloppen van haar hart zouden hooren. Want het was haar alsof dit hart in een hamer was veranderd, die in eene ledige ruimte heen en weer werd geslingerd, en nu eens tegen haar borst, dan weder onder haar keel sloeg, dat het klonk.

»Het heertje is zeker achter de herberg omgegaan; hij kent den naasten weg naar de graven. Laten wij hem achterna gaan en brengen wij de zaak spoedig ten einde,” zeide de breedgeschouderde moordenaar met een heesche fluisterende stem, die telkens haperde, en die Klea nog ijzingwekkender scheen dan het gezicht van dit monster.

»Opdat hij ons zal hooren aankomen, gij domkop,” antwoordde de ander. »Als hij een kwartiertje op zijn liefje gewacht heeft, roep ik hem bij den naam met de stem van eene vrouw, en bij zijn eersten stap in de woestijn breekt gij hem den nek met den zandzak. Wij hebben nog tijd genoeg, want het moet nog een goed half uur vóor middernacht zijn.”

»Des te beter,” antwoordde de ander; »onze wijnkruik is nog lang niet ledig en wij hebben hem den vuilen waard toch vooruitbetaald, eer hij in zijn bed kroop.”

»Gij moogt nog maar twee bekers drinken,” zeide de schrale op bevelenden toon, »want ditmaal hebben wij met een gezonden knaap te doen. Setnau kan niet meer meedoen aan het werk, en het gebraad mag geen breede wonden hebben, die aan steken of snijden doen denken. Mijne tanden zijn niet meer als de uwe, als gij nuchteren zijt, zelfs het gekookte vleesch mag niet meer te taai zijn. Als jij je bezuipt en misslaat, en ik er niet toe komen kan met de giftnaald te steken, dan loopt het ding nog mis. Maar waarom liet de Romein zijn wagen niet wachten?”

»Ja waarom liet hij hem wegrijden?” vroeg de ander en staarde met open mond naar de richting waaruit men van verre het ratelen der raderen hoorde. Zijn metgezel bracht ondertusschen zijne hand aan het oor en luisterde in de verte.

Beiden zwegen zij een oogenblik, daarop zeide de dunne: »Daar houdt de wagen op bij de eerste herberg. Des te beter! De Romein heeft een kostbaar span aan den disselboom en die daar ginds hebben een stal voor paarden; in onze spelonk is er nauwelijks plaats voor een ezel en niets dan zure wijn en bedorven bier. Ik houd niet van dat goed en bespaar mijne drachmen voor Alexandrië en Mareotischen witten. Die maakt gezond en zuivert het bloed. Voor het oogenblik zou ik willen, dat wij het zoo goed hadden als die paarden daar ginds; die zullen veel tijd hebben om uit te blazen.”

De andere antwoordde: »Ze zullen veel tijd hebben,” grijnsde met een breeden mond en ging toen met zijn gezel in de kamer terug om zijn beker te vullen.

Ook Klea kon hooren dat de wagen, die haar hierheen had gebracht, stilhield, maar zij vermoedde niet, dat de wagenmenner in de eerste herberg was gegaan, om zich daar voor de helft van Irene’s drachme aan wijn te goed te doen. De paarden zouden den verloren tijd wel weder inhalen, en zij konden het zonder moeite, want wanneer eindigde het gastmaal bij den koning vóor middernacht?

Zoodra Klea de moordenaars de aarden bekers zag vullen, sloop zij eerst zacht en op de teenen de herberg voorbij, zocht en vond, toen de maan voor korten tijd van achter de wolken te voorschijn kwam, het naaste woestijnpad naar de Apis-graven en ijlde toen met rassche schreden voorwaarts. Zij keek recht voor zich uit, en toen hare oogen een dor, door het bleeke maanlicht beschenen woestijngewas ontmoette, verbeeldde zij zich daarachter het gezicht van den moordenaar te zien. De boven het zand uitstekende geraamten van gestorven dieren en de uitgebleekte kaken van kameelen en ezels, die veel witter glinsterden dan het zand der woestijn, schenen leven gekregen te hebben en zich te bewegen, en herinnerden haar aan het tijgergebit van den gebaarden booswicht. De stofwolken, die haar de steeds aanwakkerende warme westewind in het aangezicht joeg, deden haar angst klimmen, want ze vermengden zich met den koeleren stroom der nachtlucht, en dikwijls was het haar alsof met den warmen adem geesten voorbijzweefden, die met hunne koude vingers haar aangezicht beroerden.

Al wat zij waarnam werd door hare verhitte verbeeldingskracht in iets vreeselijks veranderd; maar schrikkelijker en huiveringwekkender dan alles wat haar oor vernam, en ieder spookbeeld dat haar oog bij het fletse maanlicht meende te zien, waren de gedachten aan hetgeen werkelijk in de naaste toekomst geschieden moest, was het ontzettende dat den Romein en Irene bedreigde. Toch vermocht zij het een niet van het ander te scheiden, want maar éen ding vervulde hart en zin: angst, dezelfde grenzenlooze, namelooze angst zoowel voor doodsgevaar en onuitwischbare schande, als voor elk ijdel drogbeeld en het nietigste niets.

Daar trok een groote donkere wolk langzaam voorbij de maan en dichte duisternis bedekte alles rondom, en ook de onduidelijke gedaanten, die hare verbeelding in schrikbeelden veranderd had. Zij moest haren loop vertragen om al tastende met den voet den weg te vinden. Evenals een kind iets akeligs, dat naderbij komt, meent te kunnen ontgaan of weg te maken door de oogen met de hand te bedekken, zoo voelde hare ziel, door de volslagen duisternis die haar omgaf, zich plotseling verlost van ontelbare ingebeelde verschrikkingen. Diep ademhalend bleef zij staan, verzamelde al hare wilskracht en vroeg zich af wat haar te doen stond, om het verschrikkelijkste te voorkomen.

Sedert zij de moordenaars had gezien, was elke gedachte aan wraak, elke wensch om den verleider met den dood te straffen geheel uit hare ziel geweken. Haar vervulde nog maar éene begeerte, namelijk hem, den mensch, te redden uit de klauwen van het verscheurend gedierte. Langzaam voortgaande herhaalde zij elk woord, dat zij uit den mond van Euergetes, den eunuuch, den kluizenaar en de moordenaars over Publius en Irene had vernomen, en zij bracht zich weder elken stap voor den geest dien zij gedaan had, sedert zij den tempel verliet. Zoo werd zij zich weder volkomen bewust, dat zij was uitgegaan en gevaren had getrotseerd en angsten doorworsteld, enkel en alleen om Irene’s wil.

Opeens stond het beeld van hare zuster met al hare levendigheid en aanvalligheid haar weder voor oogen, zonder dat ijverzuchtige wangunst, die zij ook zoolang de hartstocht haar beheerschte zelfs geen enkel oogenblik gevoeld had, dit beeld benevelde. Onder hare oogen was Irene groot geworden, zorgvuldig door haar behoed en gekoesterd met het zonlicht harer liefde. Het was haar een lust geweest voor haar te zorgen, voor haar ontberingen te verduren en zware lasten te dragen, en toen zij zich, gelijk zij vaak gewoon was te doen, tot haren vader richtte, alsof hij tegenwoordig was, en hem met onhoorbare woorden vroeg: »Nietwaar, ik heb voor haar gedaan wat ik kon?” en zij tot zichzelve moest zeggen, dat hij onmogelijk die vraag anders dan toestemmend beantwoorden kon, welden er tranen in hare oogen, en de bitterheid en onrust, die zoo straks haar gemoed vervuld hadden, verdwenen langzamerhand. Gelijk een koele luchtstroom na een gloeiend heeten dag, zoo voer er een zachte verkwikkende adem van dankbare vreugde door hare ziel.

Toen zij stil stond, om met hare oogen, die zich meer en meer aan het donker gewenden, te zoeken naar eene der tempels aan het einde van de sphinxenstraat, waarvan zij nu niet verre meer kon af zijn, drong onverwacht aan hare rechterzijde een plechtig veelstemming klaaggezang tot haar door. Het waren de priesters van Osiris-Apis, die te middernacht op het dak van den tempel de mysteriën van den god vierden. Zij kende die hymne wel, waarin de gestorven Osiris werd beweend, en die hem opriep om de macht van den dood te breken, op te staan, der wereld en den menschen nieuw licht en nieuwe levenskracht te geven, en al wat gestorven scheen te zegenen met een nieuw aanzijn.

Dit vrome klaaglied maakte diepen indruk op haar geschokt gemoed. Misschien waren ook hare ouders reeds ontslapen, en namen zij, éen geworden met den levenden god, deel aan de schikking van het lot der wereld en der menschen. Zij hief thans beide armen omhoog, en voor de eerste maal, sedert zij zich verontwaardigd van het allerheiligste van Serapis had afgekeerd, stortte zij thans hare gansche ziel met hartstochtelijke innigheid uit in een vurig stil gebed om kracht tot verdere plichtsvervulling en om een teeken, dat haar den weg zou wijzen, hoe zij Irene uit het ongeluk en Publius van den dood zou redden. Zij gevoelde zich bij dat gebed niet meer alleen, neen, het kwam haar voor als stond zij tegenover die onverwinbare, het goede beschermende macht, als zag zij dat wezen, waaraan zij thans weder geloofde en waarvoor zij geen naam wist, van aangezicht tot aangezicht, gelijk eene dochter die om redding smeekt en de knieën van haren machtigen vader omvat.

Eenige oogenblikken had zij aldus met omhoog geheven armen gestaan, toen de maan, die weder van achter de wolken te voorschijn kwam, haar tot zichzelve en de werkelijkheid terugbracht. Thans zag zij in hare onmiddellijke nabijheid, nauwelijks honderd schreden van zich verwijderd, de sphinxenstraat, aan welker zijde de Apis-graven gelegen waren, in de nabijheid waarvan Publius haar verwachten zou. Haar hart begon sneller te kloppen en meer en meer werd zij bevreesd voor hare eigene zwakheid. Binnen weinige oogenblikken zou zij den Romein ontmoeten, en toen zij onwillekeurig de hand aan het hoofd bracht, om het haar glad te strijken, ontwaarde zij, dat zij Glaukus hoed op haar hoofd en zijn mantel om hare schouders droeg. Langzaam, en terwijl zij haar hart nog eens verhief in het gebed, ten einde in enkele korte volzinnen om kalmte en bedaardheid te smeeken, schikte zij haar gewaad in de plooien en daarbij kwamen hare vingers in aanraking met den sleutel tot de Apis-graven, die zij nog altijd bij zich droeg.

Daar kwam bliksemsnel een denkbeeld bij haar op, en zij hield het vast, en werkte het uit, terwijl zich hare ademhaling versnelde, tot zij meende den rechten weg gevonden te hebben om den man van den dood te redden, die zoo rijk was en zoo machtig; die haar niets had gegeven maar alles ontnomen, en wien zij, de arme kruikdraagster, met wie hij een spel dacht te drijven, nu het kostbaarste van alle goederen, het leven, als geschenk kon aanbieden. Serapion had gezegd, en zij geloofde het gaarne, dat Publius niet onedel was, en hij behoorde zeker niet tot de zoodanigen, die zich ondankbaar toonen jegens hunne redders. Zij wilde zich het recht verwerven om iets van hem te vorderen, en dat kon niets anders zijn, dan dat hij hare zuster zou vrijlaten en weder bij haar brengen.

Wanneer had hij zich toch verstaan met Irene, die zeker licht te winnen en nog zoo onervaren was? En hoe spoedig had zij de hand, die deze man haar aanbood, gegrepen! Van haar, een kind van het oogenblik, kon het haar volstrekt niet verwonderen, en zij begreep ook dat Irene’s aanvalligheid het hart ook zelfs van een ernstig man spoedig moest innemen. En toch!—Bij alle optochten had hij nooit Irene maar altijd haarzelve aangezien, en hoe kwam het, dat hij de gewaande uitnoodiging om tegen middernacht zich naar de woestijn te begeven, zoo snel en zoo gewillig had aangenomen?—Mogelijk lag zij hem toch nader aan het hart dan Irene; en als dankbaarheid hem met nieuwe koorden tot haar trok, dan kon hij wellicht haar tegemoet komen, zijn trots en hare armoede vergeten, en haar tot zijne vrouw begeeren.

Deze gedachte werkte zij volledig uit, doch eer zij gekomen was aan het door de borstbeelden der wijsgeeren omgeven rondeel, kwam de vraag bij haar op: »En Irene? Zou zij hem gevolgd zijn en haar zonder afscheid verlaten hebben, wanneer haar jeugdig hart niet in liefde voor Publius was ontgloeid, die zeker boven alle andere mannen zulk eene liefde waardig was?—En hij? Zou hij niet uit dankbaarheid voor hetgeen zij voornemens was te doen, kunnen besluiten om Irene, de arme maar overschoone dochter eener edele familie, tot vrouw te nemen, wanneer zij het verlangde?—En als dat nu eens mogelijk was, als die twee eens in liefde en eer gelukkig konden zijn, zou zij, Klea, dit paar dan scheiden? Zou zij hare Irene wangunstig uit zijne armen rukken en in den somberen tempel terugbrengen, die haar thans, nadat zij was uitgevlogen in de vrije zonnige lucht, dubbel donker en onuitstaanbaar moest voorkomen? Zou zij het zijn, die Irene in het ongeluk stortte, Irene, haar kind, den haar toevertrouwden schat, dien zij gezworen had te zullen beschermen?

»Neen, nogmaals neen,” zeide zij vast besloten. »Zij is tot vreugde geboren, en ik om leed te dragen, en wanneer ik u, verhevene godheid, nog éen ding mag smeeken, dan zou het dit zijn, dat gij mij deze liefde, die mij het hart stuksgewijze als verteerd hout verbreekt, uit de ziel wegneemt, en dat gij mij bewaart voor nijd en afgunst, wanneer ik haar in zijne armen gelukkig zie. Het valt wel zwaar zijn eigen hart te verwoesten, opdat de lente moge bloeien in dat van een ander; maar toch is het goed, en onze moeder zou mij prijzen, en vader zou zeggen, dat ik in zijn geest had gehandeld en naar de leer der mannen, wier beeltenissen daar op die voetstukken staan.—Stil nu, mijn arm hart, het moet zoo zijn!”

Terwijl deze gedachten hare ziel vervulden, ging zij de borstbeelden van Zeno en Chrysippus voorbij, wierp een blik op hunne door het maanlicht beschenen trekken, en toen zij weder op de gladde steenen keek, waarmede het rondeel der wijsgeeren geplaveid was, viel haar oog op hare eigene in scherpe omtrekken afgeteekende schaduw, welke veel geleek op de schaduw van een reiziger, die met een mantel en breeden hoed van de eene stad naar de andere wandelt.

»Precies een man!” prevelde zij in zichzelve. Op hetzelfde oogenblik zag zij eene andere gestalte, geheel aan de hare gelijk, die ook een hoed droeg, naast de opening der Apis-graven verschijnen. Zoodra zij meende daarin den Romein te herkennen, kwam in haar sterk geprikkelde hersenen een denkbeeld op, dat haar eerst met huivering, maar eensklaps daarop met zulk een onuitsprekelijke vreugde vervulde, als misschien de adelaar ondervindt, wanneer hij de vleugels krachtig uitslaat en zich hoog boven het stof der aarde in den reinen grenzenloozen aether verheft. Met een kloppend hart, langzaam en zwaar ademhalende, maar met opgerichte houding evenals eene koningin, die een anderen vorst te gemoet gaat, met den hoed dien zij van het hoofd had genomen in de linker en den sleutel van den smid Krates in de rechterhand, richtte zij hare schreden naar Cornelius bij de poort der Apis-graven.