WeRead Powered by ReaderPub
Kleurig en donker cover

Kleurig en donker

Chapter 10: De oudste.
Open in WeRead

About This Book

Het werk verzamelt korte, vaak aan elkaar verbonden episodes die het alledaagse stadsleven en huishoudelijke arbeid tonen. Personages ontmoeten elkaar bij deuren, in keukens en op straat, waarbij kleine conflicten, keuzes en tekorten naast momenten van humor en tedere observatie staan. De toon wisselt tussen kleurige, levendige scènes en donkerder, ernstiger noten; verhalende fragmenten worden afgewisseld met beschrijvende passages die sociale verhoudingen, morele dilemma's en innerlijke overwegingen schetsen.

Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben, wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was dat wel de reden, waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter, twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat hij het nog één jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden, maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags, omdat vader dat verboden had.

Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging.

„Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld.”

Hoe bracht hij den Zondag verder door?

„Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek.”

Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd?

„Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond.”

Las hij veel?

„Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was hier geen bibliotheek.”

Had hij geen konijnen, geen duiven?

„Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad, mooie dieren, die geheel aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht.”

Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen?

Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen, maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij, dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg.

En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een schamel kleed.———

Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon komen, omdat hij ziek was.

Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei.

„Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. „Vonk,” zei ie van morge, toe 'k 'm uitliet, „dat lampie”—en de stem van den ouden man beeft—„dat lampie brandt nog maar heel eve.””

„Arme jongen...!”

„En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet, da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg 'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en 'm alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En daarom—beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar Hij doodt.”

Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij; hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt. Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat.

Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan.

Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde. En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, één voor één, de bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas, even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt:

En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!——

Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer op de trap en zijn vader kwam binnen.

„Hoe is 't?” vraag ik.

Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd.

„Geen hoop meer?”

„Nee;... hij is dood.”


Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag: kleurloos, mistig en koud.

O, 't is beter... zóó! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel.


De oudste.


Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest gevierd, het feest van ons vijf-en-twintigjarig huwelijk. Het hart vervuld van dankbaarheid voor de zegeningen die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden herdenkend, een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een gedenkteeken opgericht, waarop wij Eben Haëzer schreven, een teeken, dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen zal, als wij, bij het vervolgen van onzen levensweg, den blik terug wenden.

Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd. Onze gasten zijn vertrokken; de kleine zilveren botter ons geschonken door mijn goede visschers, wier burgervader ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben, prijkt op een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten, herdenk ik wat achter mij ligt.

Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar het geschilderd portret van Agnes, mijn vrouw, dat sedert onzen feestdag boven mijn schrijftafel hangt. Toen ik het van haar ontving, en zij den doek wegnam, die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was, waarmede zij mij meer genoegen kon doen, en met een gelukkigen glimlach voegde zij er bij, God te danken dat het zoo was.

Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij mij niet dierbaar waart boven alles! Nu vijf-en-twintig jaren geleden, op den dag waarop wij voor het eerst als man en vrouw deze woning binnengetreden waren, genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin. Millioenen sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens ruischte de stille zee.

Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende liefde in het hart, bereid tot ons werk, bereid ook tot den strijd. En toen ik zeide te hopen, dat onze toekomst mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen, toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en mijn hand gedrukt, en heb ik begrepen, dat gij bovenal voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij altijd nabij, mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood.

Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder u te deren. Uw haren zijn vergrijsd, en de lijnen om neus en mond bewijzen, dat gij de zorgen des levens geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden, dat is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want het is die blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de openbaring van dat reine, onbaatzuchtige hart, zich zelf gelijk gebleven al die jaren lang, altijd. O, als jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter mensch te zijn dan ik was, toen gij uw leven aan het mijne verbondt, dan is het omdat mijn ziel zich meer en meer naar de uwe stemt.

En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat blonde, blozende kindergezichtje, met die groote, bruine, onschuldige oogen en dien lieven mond; en in gedachte jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes weer voor me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het bleeke gezichtje rustende op de los gevouwen handen, met een uitdrukking van innig geluk starende naar het wiegje, waarin ons kind lag, onze eersteling, teeder als een rozeblad en rein als de morgen.

„Ons kind, onze zoon!” Met hoeveel trots sprak ik die woorden uit, en hoeveel weelde lag er in de stem waarmede Agnes, naar mij opziende, herhaalde: „onze zoon.”

„Dien wij willen liefhebben,” zei ik, „ook met geheel ons verstand, tot zijn eigen geluk en tot het onze.”——

Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer, als hij, heerlijk opgroeiende en een toonbeeld van levenslust en gezondheid, zijn eerste broek draagt, waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren, donkere oogen, blozende wangen en het—aan de mondhoeken naar beneden getrokken bovenlipje, dat zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet hij er allerliefst uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in zijn mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen, dribbelt hij over het strand, vriendschap sluitende met de visschers, die hem „de jonker” noemen, en wier verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als hij vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote, vereelte handen legt.

Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt, en op de lange wandelingen, die wij te zamen maken, staat zijn mond niet stil, vragende het hoe en waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen geest. En daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid, want het is moeielijk een voor hem begrijpelijke verklaring te geven van hetgeen hij weten wil.

Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs op het vonkelen der sterren, dan vraagt hij, met dat zilveren stemmetje, dat zoo helder te midden der stilte klinkt: „hoe kom dat?” en als de opkomende maan zijn aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar boven en vraagt: „het de maan ook beene?”

Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar zijn bedje gaat, met hem langs het strand, wat voor hem de bekoring heeft van iets dat „goote mense doen.” Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor hem uit, het ruischen der zee, het rijzen en dalen der golven, en het stille uitvloeien van het schuim over het strand, te midden der duisternis om ons heen, dat alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de mijne sluiten doet.

Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van achter een der vaartuigen te voorschijn kwam en ons naderde, zei hij:

„Daar kom 'n man an, hè?”

„Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink komt.”

„Goeje man, hè?”

„Zeker wel, vent.”

„Niks bang, hoor?”

„Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet zoo'n klein kereltje als jij bent kwaad, en Pa is immers bij je?”

„Pa zou mijn wel hejjepe, hè?”

„Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k geloof, dat 't Teunissen is, die daar aankomt; je weet wel, die zoo'n aardig klein meisje heeft.”

Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog afstekende tegen het vlakke strand naar ons toe komt, en de reusachtige afmetingen van haar schaduw, boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt hij zich tegen mij aan.

Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem even aan, om mijn ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk die geduchte verschijning is, en na eenige oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging, Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich verwijdert, kijkt hij nog een paar malen om naar de verdwijnende gestalte, en zegt hij, met iets in zijn stem, dat van verlichting getuigt: „goeje man, hoor!”

Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den gebaanden weg, maar door over het duin te klimmen, en als wij dit dien avond doen, dan ziet hij, dat men in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren, een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst, dan daarin vroeger heeft gestaan. Hij weet, door den storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en door hetgeen wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren geleden, een half uur gaans van onze woning op het strand werd gezet, dat de zee „o, zoo gevaajik is voo' die ajjeme visserjes.” En sedert ik hem heb verteld, dat zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver, van heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden naar huis, stelt hij in het ouden baken het grootste belang. En als hij nu die nieuwe lamp ziet branden en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere, dan roept hij uit: „o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou kanne de visserjes goed zien, hè? die goe...je visserjes!” En die gedachte laat hij niet weer los. Hij zegt dat het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi „jiggie” hebben, dat zij nu zeker wel „bjij” zijn, en als wij t'huis zijn gekomen en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder wit nachtjaponnetje binnen komt, om ons een nachtkus te brengen, dan zegt hij nog eens, terwijl hij op mijn knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes houdt: „nou kanne de visserjes mooi zien, hè?”

„Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de visschertjes kunnen zien.”

Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo teeder streelt hij onzen grooten hond, die oud en blind is, en als hij zijn frisch gezichtje tegen den ruigen kop van het dier drukt en zegt: „o jou goeje, ouwe bj...inde Pjins!” dan spreekt het grootste medelijden uit zijn stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik, op den grond gehurkt, mijn arm om hem geslagen houd, en zijn kleine vuist, in een bord vol kruimels grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw werpt, „voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben,” en die dan ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen aanvliegen en zich gulzig verzadigen, dan zegt hij: „dat vinne ze jekker, hè? nou smujje ze hoor!” en dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen oogjes, dat 'k niet kan laten hem tegen mij aan te drukken en te kussen.

Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking, en in hooge mate bezit hij de gave der mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen, waarbij hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knieën geleund. Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden regel, en dan is het alleraardigst onzen kleinen acteur te bespieden. Als, door de stem van Agnes, de verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch zoo zwaar niet kunnen zijn, dan antwoordt ons ventje:

„Nou zie je, meneerje, da vaj je nie meê!”

En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje en zet een hoogst bedenkelijk gezichtje. En als hij van het versje, waarin wordt verhaald van een schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en verdrinkt, den laatsten regel zegt:

„O, 't sjaapie is vedjonke,
Och, 't ajme dier is dood!”

dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar boven, en kijkt o, zoo bedroefd!

Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender, dan wanneer Agnes op haar orgel eenige eenvoudige melodieën speelt. Dan staat hij dicht tegen haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar op, zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphaël in zijn engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren, is afgebeeld.

Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos was ons geluk, tot die avond kwam—en nu ik daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde gewaarwording, die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel—toen Agnes, met een benepen gezichtje, beneden kwam en zei, dat ik eens naar Frits moest gaan zien, omdat hij zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou zijn. Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren was! Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen verdwenen, de glans zijner oogen verdoofd, en na enkele dagen was hij zóó zwak, dat hij onze fluisterende stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht, hoe ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen velen kon. Daar ligt hij, klein en teer in zijn bedje, en strijdt den zwaren strijd: den strijd om het leven. Wij verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en omringen hem met alles wat onze liefde kan uitdenken. O, het is wreed hem te zien worstelen, en van tijd tot tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt te vragen, of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen, niets, dan hem te liefkoozen en met teedere namen te noemen, met de folterende overtuiging, dat onze teedere bloem—ach, met hoeveel zorg gekweekt!—onder de zeis des grooten maaiers vallen zal.

Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die hem zachtjes wiegt en af en toe haar diep bedroefd gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje drukt. En als hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek, vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de oogen en die lange wimpers, die hij nu bijna in het geheel niet meer opslaat, op die vermagerde handjes en die langzame bewegingen—o, wat zou ik dan niet willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien vroolijken lach te hooren en dien frisschen blos weer op zijn wangen te zien! Maar wat baat het! Ik weet het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen als het beekje, dat zich rept naar de rivier.

Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in hetgeen wij hielden voor een vleugje van herstel, maar dat onzen dokter, toen wij er hem op wezen, geen bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in mijn armen. Wij hoopten, dat hij in slaap zou vallen, maar de uren verstreken en brachten geen rust voor ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn drankje ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer.

„Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!”

Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten bereik van alle aardsche hulp, en ragfijn is de draad die zijn jonge ziel nog aan het leven bindt.

Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de toegeschoven gordijnen naar binnen dringen, dan is zijn tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij zich op, nog even ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht, is alles voorbij...

„Voorbij...!” Met die gedachte buig ik mij over hem heen en tracht haar beteekenis te beseffen, maar ik kan die niet omvatten, en weet alleen, dat zij een gevoel van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling, hoe rustig, hoe vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes met haar hoofd op mijn schouder leunt, nemen wij afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein heiligje, in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat reine licht. En in dien aanblik is iets zóó plechtigs, iets zóó verhevens, dat het onze lippen verzegelt en onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de witte gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten.

Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar golfjes naar het strand. O, nog dikwijls zal zij ebben, en nog menigmaal zal de vloed opkomen, voordat de wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden, maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander zaten, sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in de diepte van ons hart toch iets, ons toefluisterend, dat wij onze groote smart zouden leeren dragen, omdat wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk was schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was, omdat wij elkander omvat hielden.

En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd. Het is, als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht, dat door de geschilderde vensters, in breede kleurbanen, naar binnen valt. Harpakkoorden en zachte orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl mijn oog is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige op het altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied der hope aan!——————

Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den duur met mijn bescheiden betrekking tevreden was, en nooit naar iets beters vroeg. Maar de eerzucht, die, den mensch geen rust latende, hem voortdrijft van de eene plaats naar de andere, om daardoor een sport hooger te stijgen op de maatschappelijke ladder, is ons vreemd. Hier hebben wij lief en worden wij bemind, en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook onze hulk op de zee des levens aan den gezichteinder verdwijnt, dat is, al hebben wij het zelfs elkander nooit bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de duinen, waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar kind, dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen hebben verbeid, met duizend zegeningen ontvingen, maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend!


Het klooster der Witte Vrouwe.

(Een indruk.)


Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen, voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan, bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in zonneschijn en rust.

Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen, die het als wachters omringen.

En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen—en velen zijn het—die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij, die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe—wier in steen gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een nis boven den ingang staat—haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger, in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen. Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet, noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin. Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles wat de ziel niet behoeft.

Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk gebed in de kapel.

Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen, en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan, als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek ruischt.

Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het hoofd—bedekt met een wijd-uitstaande witte kap—eerbiedig gebogen, de handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil, als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het gemeenschappelijk gebed rijst omhoog.

Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen, zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer menschenbeelden zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden. Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt.

Immers het leven daarbuiten heet „zorg.” Daar is de zorg voor het heden en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien, houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt. Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven, losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart, waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur, die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden naar deze toevlucht gekomen zijn.

Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die, uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen, in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden, die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden dragen daarboven, maar niet ook konden rijpen tot aardschen oogst.

Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd. Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat? Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer ziel bezoedelen.

Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond, een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten, wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel, den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat, waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd.

Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk haar toelachte, toen zij werd geëerd en benijd door allen, die haar omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering. Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig. En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen, een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm, die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven. En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. Dat had zij gehoopt van haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt, vluchtende ver buiten zijn bereik.

En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld, haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar liefde—waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen?

Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar met nadruk had gesproken: „kom tot mij,” en telkens als haar hopeloos „waarom” onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer gehoord: „kom tot mij,” met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend, zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was neergeknield, zeggende: „hier ben ik, Heer!”

En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem, die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.———

Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal, die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die, afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is.

Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de duisternis des doods, maar naar het licht des levens, en zij neerligt, bleeke roze in witte wade, te zijn in Hem.


Haar keuze.


.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt pruilend: „hij het ook zoo'n haast!”

Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest, toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden. En „kermis houwe, met Allerheilige trouwe,” zegge ze in 't dorp.

Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden om ontevreden te zijn over een ander. „'t Was,” denkt ze—en starende op de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan—„'t was, toe ie me aankeek en z'n hand toestak, of iemes me zei: „toe dan, meisie, toe dan!” en 't is of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur 't kermis is. En dan...”

En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van „de Wykamp”, de grootste hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even heeft gedaan. En „boerin van de Wykamp te worde,” denkt Geerte, „da' 's veul!”

Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles wat ze zag. „'t Was haast te veul veur een alleenig mens,” had haar moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het goud van zijn moeder bewaarde. „Doe ze 's in, Geerte,” had hij gezegd, toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt.

„Zou 't waar weze, moeder,” had zij peinzend gevraagd, toen zij naar huis liepen, „zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?” En haar moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel, dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat zijn gezicht niets verborg.

Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de blankgeschuurde emmers te halen,—want het is tijd om te melken,—en zij weet niet wat zij doen zal. „'t Is moeilijk,” meent zij, „moeielijk!”—

Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van „de Zonnebloem” gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de kastelein van „de Roode Leeuw,” er geweest is en gevraagd heeft waarom hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen was, en hij zijn stal vol paarden kreeg.

Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den laatsten tijd verzuimd heeft te doen.

„Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere,” denkt hij, kwaad op zich zichzelf. „Zet de wage voor de schuur, Dirk,” roept hij zijn knecht toe, „en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't aved weerum.”

Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet gebruiken—Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis.

't Is ruim een half uur stappen naar „de Roode Leeuw,” en reeds laat in den namiddag, als hij er aan komt.

„Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?” vraagt Harmsen, die, met zijn knecht, in 't zolderluik van den stal staat.

„Dat he' 'k,” antwoordt Aart opkijkende; „'t was me deur 't heufd gegaan, heur!”

„Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?”

„Of wil ze niet meer van je wete?” vraagt de knecht van Harmsen, met een knipoogje naar zijn baas.

Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!” roept Harmsen uit. „En nou, as de weerga de zolder vol.”

En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie- viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt, als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: „hard werke, da's 't beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks.” En met een vluggen zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen geholpen, spant hij zijn paard weer in.

„'n Mooie zwart,” zegt de kastelein, naar borst en „beenen” van het fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den hals kloppende, herhaalt hij: „'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!”

„'n Beste,” verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen. „Stil, zwart! ho jong!”

„Hij 's dartel,” zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te laten.

„Hij 's jong, en 't is veurjaar,” antwoordt Aart. „Da-ag!” En de teugels vierend, rijdt hij het erf af.

„'k Zal 'm toch 's minder straf voere,” denkt hij, als hij uit het mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, „hij wordt te veel mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!” En met sterke vuist beheerscht hij het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt.

En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei: „veur haar 'n aar.” „'k Mocht lijje,” denkt hij, „dat 't zoo gemakkelijk ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet, maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,—of dat scheelt! En as 'k sikuur wist,” denkt hij, op het schoft van het tuig starende, „heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,—alla! 't zou dragelijk weze, maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r....”

Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels, want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert, slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol....

Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen, spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet, peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar zij, de handen boven de oogen, hem nastaren.

„Wie is 't?”

„Aart.”

„Aart? Aart van de Zonnebloem?”

„Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!”

En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg, zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht treffen, of op den wagen kletteren—voort, naar den tol.

De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan open is...!

Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft, schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is.

En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken, door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten, uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien.

„Staat de brug op?”

„Net gestreken.”

„Goddank...!”

Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in evenwicht te komen. De boer vóór hem heeft zijn paard aangezet, om nog van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend, neersmakt.......

Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel, en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: „O, Aart! arme, lieve Aart!”

Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief gehad, en dat er geen rijkdom is zóó groot, dien zij niet zou willen geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te zeggen; want als hij haar nog kan hooren—en ja, dat zal immers!—dan zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer beter wordt!

Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug af, starende in de verte.

De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij aan eenige boeren hoe het gegaan is.

„Net was de „Culemborg” de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is ijzer, maar as glas afgeknapt, hè? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het! Watte! Effies later viel ie op de ploeg...

„Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde....”

„Dood?”

„Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was... slim.”

En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen, dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest.

Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg, waaraan „de Wykamp” is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande, schreit zij.

Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af.

Nog enkele minuten en zij heeft „de Zonnebloem” bereikt, en over het erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning binnen.

't Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de borst gebogen, zijn hand in de hare.

Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op, en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der eeuwigheid op....

Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de wasbleeke wangen.

Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad—o, altijd...!


Blok's Vrouw.


„Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?” vraagt Gijsen, een kantoorlooper, die een met een koperen ketting om zijn hals bevestigde portefeuille onder den arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien hij op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het postkantoor loopt.

„Ja,” antwoordt Blok, „'t is nou zóó ver, dat we effetief en voor goed van mekaar of benne. Gistere wier 'k bij me avekaat ontboje, en die zei me, dat 't nou eerdaags in de krant zou komme. „Blok,” zei ie, „verleje Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel as 'n streep door je trouwbriefje gehaald, en de kinderen.... die blijve bij jou.”

„Da's nog gauw gegaan,” zegt Gijsen, „gauwer as 'k docht.”

„Dat komt,” antwoordt Blok, „doordat me vrouw d'r eige d'r heel niet an gelege het late legge. „As ze d'r tege in had gelege,” zeit me avekaat, „dan had 't nog 'n poos kanne dure, maar nou ze, om zoo te zegge, geen asem het gegeve, nou gong 't hard.” En 't is maar goed ook!” roept hij uit, „want zóó.... zoo kon 't niet langer.”

„Dat hoor 'k,” zegt Gijsen. „Ze mot, zooas deze en gene me wist te vertelle, in de laaste tijd al heel verkeerd geweest zijn.”

„O man, slim hoor!” erkent Blok, met een zucht. „In de eerste jare van ons trouwe hebbe we 'n goed leve gehad, daar zal 'k niks van zegge, maar toe ze daarmee begon”—en Gijsen even aanziende, brengt hij de hand aan den mond en licht den pink op—„toe was 't mis.”

„J—a!” roept Gijsen uit, „as 'n vrouw daarmee begint, dan is 't erg. Je het er niet zoo heel veel, die d'r eige d'ran te buite gaan, maar as ze 'm luste, dan, he' 'k wel hoore zegge, motte ze d'r nog erger an verslaafd weze as 'n man.”

„Te minste niet minder,” bevestigt Blok. „En hoe dat 'n vrouw verlaagt!” roept hij uit, „dat geloof je niet, as je 't niet voor je ooge het gezien. As ze in die toestand was en te keer ging, dan was 't dikkels meer as 'k kon begrijpe, dat dat nou mijn vrouw was, want zoo ies.... nee hoor! dat ha' 'k nou noot achter 'r gezocht.”

„Dat geloof 'k graag,” zegt Gijsen, „want as 'k me eige goed herinner, dan was ze 'n knap en fesoenlijk meisie toe je 'r mee verkeerde.”

„Zoo knap en fesoenlijk as 't maar kon,” stemt Blok toe. „En netjes en vroolijk...! 'k Krijg 'n best wijf,” docht 'k, toe 'k met 'r na 't stadhuis reej!—Maar me moeder het 't toch noot op 'r begrepe gehad. 'k Had 't al gauw in de gate toe we verkeerde, dat ze 'r liever niet over de vloer had as wel. En as 'k 'r vroeg wat ze tegen d'r had, dan zei ze: dat wist ze niet, zei ze, maar ze sting 'r niet an. Daar he' 'k in die tijd weet genoeg van gehad. Want hoe gaat 't al, he? As je denkt te trouwe, en je houwt van je aanstaande vrouw, dan hei je graag, dat je ouwers 't ook doen. Maar in later jaren he' 'k er dikkels an gedocht, dat me moeder toch 'n beter kijkie op 'r gehad had as ik, al had ze dit nou juistement ook niet voorzien.”

„En hoe ze zoo an de drank gekomme is, dat zal je misschien niet wete?” vraagt Gijsen.

„Nee, heel niet,” antwoordt Blok. „'k Heb wel 's gezien, dat ze op 'n verjaarpartijtje of zoo 'n kejakkie nam met wat suiker, of 'n glaasie kurasouw of zoo ies, maar da' 's ies dat doen er bij zoo'n gelegeheid zooveel, hè? Maar hoe ze zoo wijd gekomme is, dat de lust tot de drank 'r te machtig is geworde, da' 's meer as 'k weet. En 'k docht daar zoo weinig an, dat deze en gene, zooas 'k van achtere hoor, 't al eerder in de gate gehad mot hebbe as ik. Wel ha' 'k meer as eens, as 'k t'huis kwam, gedocht: „maar mens, wat doe je toch raar!” maar dat dat van de drank kwam, dat was niet in me harses opgekomme. Maar op 'n aved, da' 'k weer docht: „wat hei je toch?” en dat ze opsting om 't eene of 't andere uit de keuke te hale, toe gong me 'n licht op. Ze liep, dat ze d'r eige kwalijk op de been kon houwe, en toe 'k onder d'r asem kwam, rook 'k, dat ze gedronke had. Nou hè,—ik 'r effe onder hande genome, dat spreekt, maar ze hiete 't me liege, natuurlijk. Zij—dronke! zei ze. As 'k dat docht dan was 'k zellevers.... Jawel...! D'r zenuwe hadde 'r te pakke gehad, zei ze, en daarom had ze voor 'n paar cente bedaarwater bij de aptheker gehaald.—Afijn...! Ik had 't gezien, hè? En dat opgeteld bij al 't genige, da' 'k vroeger al gemerkt had, maakte, da' 'k begreep, da' 'k 'n vrouw had, die an de drank was. „Nou,” denk 'k, „nou wordt 't mooi. Ik—altijd van huis, en me vrouw met de fles in d'r zak, en drie kinders over de vloer, waarvan de ouwste toe pas zes jare was... nou, gaat 't goed!” En die eigenste nacht, dat me vrouw sliep as 'n os, lag ik te draaie en me eige ongelukkig te make. En toe de dag kwalijk an de hemel sting, ik—na me moeder. „Toe moeder,” zeg 'k, „doe me 'n plezier en houw er 'n oogie op.” Niet op me vrouw, meende 'k, want wat ze voor mijn en de kindere niet liet, dat zou ze voor me moeder, daar ze bovedien 'n hekel an had, ook niet late, maar—op de kindere bedoelde 'k. Dat zou ze doen, zei me moeder. De schape! As d'r moeder niet wou oppasse, dan hadde ze altijd d'r grootouwers nog. Zie je,” roept Blok uit, met den rug van de hand zijn blonden knevel opstrijkende, misschien meer om een trekking om den mond te verdrijven dan omdat de haren hem hinderen, „toe 'k weer op straat sting, en na 't ketoor ging, voelde 'k me opgelucht. 'n Mens mag getrouwd weze en ie mag kindere hebbe, maar zoo lang dat je ouwers nog leve, en je kan er na toe gaan, as je in de war zit, en je krijgt 'n vrindelijk woord...”

„Dan voel je,” zegt Gijsen, „dat je 'r ten minste niet heel alleenig voor staat.”

„Zoo is 't,” bevestigt Blok. „En van die tijd af was me moeder, as ze effe kon wegloope, bij de kindere. Maar alla, altijd kon ze 'r ook niet weze, hè? want ze had ook voor me vader te zorrege, die toe al krukte, en zoo wier 't gaandeweg bij mijn an huis 'n misse boel. As 'k t'huis kwam om te ete, dan gebeurde 't wel, dat me vrouw d'r heel niet was, of ze had niet gekookt, en had ze 't klaar gemaakt, dan was 't dikkels niet te ete ook: niet gaar, of angebrand, of roet er in—afijn—beroerd! Me weekloon, daar ze vroeger geregeld mee had toe gekonne, raakte zoetjes an al op in 't voorst van de week, en was 't vroeger netjes en zindelijk in me woning geweest, 't wier er langzamerhand slordig en smerig ook. Maar 't ergste was, dat ze d'r eige ook niet meer an de kindere gelege liet legge. Ze liet ze maar rondscharrele en keek niet na ze om. En doordat 'r humeur er ook al niet beter op wier, grauwde en snauwde ze ze af, en as ze iet of wat deje, dat 'r niet beviel... alla, vort maar, de straat op! 'k Heb 't toch wel gehad,” roept Blok uit, met diepe rimpels tusschen de oogen naar de straatsteenen kijkende, „'k heb 't toch wel gehad, dat Antoon, da's me jongste, en 'n aardig gezeggelijk knaapie, al zeg 'k 't zelfs, me 's aves laat in de kou en in de rege, 'n heel end van me woning sting op te wachte, toe 'k van 't ketoor kwam. Moeder had 'm de straat opgestuurd, vertelde ie, omdat ie 'n kommetje had gebroke of zoo ies. En 't schaap had bekant geen kleere an 't lijf! Ik—'m opgenome, en toe ie op me arm zat, begon ie door ze trane heen te lache en aaide ie me wang, want nou was ie gerust, hè? En dat ie ze hoofie op me schouwer leit, valt ie in slaap ook. „'k Breng 'm niet na huis,” denk 'k, want 'k voelde, da' 'k me eige geen baas was; en „as me vrouw me nou onder de ooge komt,” denk 'k, „dan weet 'k al niet waartoe da' 'k in staat ben.” En zoo brocht 'k 'm na me ouwers, waar 'k 'm gelate heb ook, want me moeder wou 'm graag houwe, zei ze, en dat ie 't daar beter zou hebbe as bij mijn... ongelukkig was 't, maar wat kon 'k er an doen! De vollegende dag, da' 'k na 't ketoor zal gaan, vraagt me vrouw waar dat Antoon is. „Wel nou,” zeg 'k, „jij het 'm de straat opgestuurd, hè? maak jij dan nou ook maar weer, dat ie t'huis komt.” En toe ze d'r achter was gekomme, dat ie bij me ouwers was en daar blijve zou, toe had je 't gaande! „Ja nou,” denk 'k, „speel maar op, maar hier komt ie niet meer weerom.””

„Opspele?” zegt Gijsen,—„ze had d'r eige motte schame, dat was beter geweest.”

„D'r schame!” roept Blok uit, „nee hoor, dat kunsie had ze al lang verleerd; en 't droeg er toe bij, dat 't van kwaad tot erger gong. Eerst maakte ze, dat we moste verhuize.—Dat de bure 't in de gate hadde, dat spreekt, hè? en zoetjes an liete ze d'r loope: eerst de een en toe de ander, en op 't lange lest keek niemand d'r meer an. Daar had ze de duvel over in, dat begrijp je, en zoo zocht ze met iedereen ruzie, net zoo lang totdat ons de huur wier opgezeid. 'k Woonde toe in de Blomstraat, en 'k had er 'n woning zoo as 'k niet gauw 'n tweede zal vinde: 'n groote voorkamer met 'n ruim alkoof, 'n lief keuketje, en niet duur ook. Maar 't kon niet langer, zei de opzichter; niet dat ie iet of wat tege mijn had, maar me vrouw en de andere bewoonders van 't perceel,—dat gong niet. En zoo moste we weg. Ik—in me vrije tijd 'n andere woning gezocht natuurlijk, maar dat zat me niet glad, want in de buurt most 'k blijve, wou 'k 's aves, as 'k gedaan had, niet 'n heel end loope, en me vrouw had d'r eige gaandeweg al zoo bekend gemaakt, dat ze me overal wegstuurde as 'k zei wie 'k was. Maar, alla hè! eindelijk vond 'k er toch een, wel niet veel bezonders maar 't kon er mee door, en toe we 'r goed en wel in ware, begon ze of en toe 'n stukkie weg te brenge. Eerst d'r eige spulle: 'n horlosie, daar ze voor had opgespaard toe ze nog diende, 'n kerkboek met 'n klampie en 'n ringetje, dat ze van mijn had gekrege, en later plukte ze an 't huishouwe: 'n stukkie koper, dat we hadde, 'n paar ornementjes op de schoorsteen,... afijn, alles wat ze kon pakke, zonder dat 't als te veel in de gate liep, gong na de lommerd en 't geld na de kroeg.

„Op 'n Zondag 'n morrege, da' 'k weer wat miste, en dat ze me wat handzamer leek as gewoonlijk, docht 'k: „'k mot toch 's met 'r prate,” en 'k zeg: „Bet, Bet,” zeg 'k, „waar gane we toch na toe!” 'k Had 't kwalijk gezeid, of ze gong met d'r hoofd op d'r arm op de tafel legge, en huile... huile van geweld! 't Was gedaan, zei ze, 't zou niet weer gebeure. Ze zag 't nou in as dat 't mijn en de kindere ongelukkig maakte, en d'r eige ook. 'k Kon er op an, 't was uit.

„Da' 'k dat zoo grif annam, zal 'k niet zegge, maar 'n mens hoopt al 's gauw wat, hè? En om 't 'r wat nader an d'r hart te legge, zeg 'k: „Zie je,” zeg 'k, „as je dit nou 's te bove kon komme, dan konne we ommers weer 'n best leve hebbe, zooas we in de eerste jare van ons trouwe hebbe gehad. Want zoo as 't nou is,” zeg 'k, „is 't niks; da' 's arremoed voor ons allebei en voor de kindere ook, en grooter arremoed as dat je niet te ete het. Jij het fesoenlijke ouwers gehad,” zeg 'k, „en ik heb ze nog, en nou motte wij ook make, dat wij fesoenlijk door de tijd komme. En as je wil,” zeg 'k, „dat de kindere later zalle oppasse, dan motte ze an ons 'n voorbeeld hebbe, dat spreekt. 'k Had gelijk, zei ze, ze had 't d'r eige ook al voor gehouwe, en 't zou nou anders worde, dat beloofde ze me.

„'t Was om de klok van negene, da' 'k 'r dat voorhieuw, en tege half tien sting ze op en kleedde d'r eige an: 'n hoed op en 'n mantel om. „Waar ga je nou na toe?” zeg ik. „Na de kerk,” zei ze. 'k Had 'r hemelsche gedachte in d'r hoofd gebrocht, en nou wou ze na de Noorderkerk, waar de dominé preekte, daar ze bij angenome was.

„'t Was me wel wat heel mooi, maar „je kan 't niet wete,” denk 'k. „'t Is mogelijk, dat ze 't d'r eige vast het voorgenome, en ze zou de eerste niet weze, die er van teruggekomme is.” En zoo lie' 'k 'r gaan. 'k Gaf 'r 'n dubbeltje voor de stovezetster en 'n paar cente voor 't armezakkie, en zij—de deur uit.

„'k Had die dag—'t was Zondag—maar één rondte, en toe 'k t'huis kwam om te ete, zeg 'k tege Jan—da' 's me ouwste—„Jan,” zeg 'k, „waar is je moeder?” „Moeder,” zeit ie, „moeder is nog niet weerom.” „Niet?” zeg 'k, en 'k docht er 't mijne van. Maar 'k hoopte toch nog effe, dat ze na kerktijd bij die dominé an huis was gegaan om 's met 'm te prate. As ze 't goed meende, dan was dat niet onmogelijk. En zoo ha' 'k geduld. Maar 'k wachtte, en ze kwam niet. 't Wier vier uur en 't wier vijf; 'k stak de lamp an, en tege half zes, dat de mense weer na de avedkerk gonge,... daar kwam ze an: d'r hoed dwars op d'r hoofd, d'r hare voor d'r gezicht, d'r mantel onder d'r arm, en 'n paar ooge...”

„N—ou,” roept Gijsen uit, „'t is mooi; en dat voor 'n vrouw...!”

„J—a,” zegt Blok met een zucht, „'t was erg...! Wat er die dag bij 'r is omgegaan,... ik weet 't niet! Maar zoo as ze toe te keer ging...! En woorde, dat ze in d'r mond nam...! En dinge, dat ze zei..! Nee,... da' 's nou effetief waar, maar zóó,... zoo hoor je 't onder dienst nog geen eens.

„N—ou,” zegt Gijsen, „maar da' 's meer as ik had verdrage, hoor!”

„As je mijn vóór me trouwe had gezeid,” antwoordt Blok, „dat ik die dinge zou anhoore en me eige zou bezitte, dan ha' 'k gezeid, dat je me heel niet kon. En as me dat zoo in eene overkomme was, dan weet 'k wel, da' 'k me eige ook geen baas zou zijn gebleve. Maar je mot niet vergete, dat je zoetjes an tot zukke dinge komt, net of dat je 'n ladder opklimt. 't Gaat er al mee as met 'n sjouwerman, hè: eerst het ie an vijftig pond ze bekomst, maar as ie er 'n tijd bij is, dan loopt ie met vijftig kilo weg.”

„Dat laat 'm wel hoore,” erkent Gijsen, „maar je mot 't maar drage; en as 't 'n poos het geduurd, dan wordt 't zwaar.”

„Of 't zwaar wordt!” roept Blok uit. „Geloof mijn maar, dat er heel wat wilskracht noodig is om zelfs niet door de wind te gaan. En as 'k me eige niet vast had voorgenome, dat me dat niet zou gebeure, dan weet 'k niet wat er met mijn gebeurd zou zijn, want ze zegge met recht, hè: 'n goed klantje van de tapper heet „verdriet.” Maar 'k zag an me vrouw wat er van 'n mens wort, die ze eige laat gaan, en 'k heb altijd gedocht, as 'k 'r in die toestand zag: „zóó ziene de kindere me noot!”—En onderwijl gong 't aldoor met 'r achteruit. Soms kwam ze in geen dage meer t'huis, en was ze 'r, dan lag ze as 'n blok op d'r bed, of ze speelde de beest. 'k Moest van d'r of; zóó kon 't niet langer, en 'k was er mee doende toe Jan ziek wier, en hard ziek ook. 'k Had twee keer daags de dokter over de vloer, en dat ie 'r 'n zwaar hoofd in had, dat kon 'k wel zien. 'k Had 'm graag na 't gasthuis late gaan, maar dat kon niet, zei de dokter, en zoo kwam de jonge an oppassing veels te kort. Wel was me moeder gedurig bij 'm, as ze effe kon, en af en toe keek 'n buurvrouw ook nog wel 's na 'm, maar de geregelde verzorging, die 'n kind in die omstandighede noodig het,—die had ie niet. En zoo gong 'k 's morreges met looje schoene na 't ketoor. Want kindere,” roept Blok uit,—„as ze motte komme dan kijk je 'r tege an, maar as je ze eenmaal het, dan wil je ze niet weer kwijt.”

„Zoo is 't,” stemt Gijsen toe. „Toe wij in 't begin van ons trouwe geen kindere krege, en me vrouw d'r over murremureerde, zeg 'k: „mens,” zeg 'k, „wees blij, dat je 'r niet voor te zorrege het.” Maar toe we 'r eindelijk 'n paar hadde, en me vrouws tante, die er behoorlijk bij kan, 't in d'r hoofd haalde om de ouwste na 'r te neme, en dan verders voor 'm te zorrege, toe zeg 'k: „'t is heel vrindelijk angepreseteerd, daarvan niet, en 't is wel mogelijk, dat de jonge me d'r later schuins om an zal kijke, maar om 'r nou, nou we 'm eenmaal hebbe, zooveel as afstand van te doen,... nee hoor!.. daar kom 'k niet in.—En me vrouw had me wel om me hals wille valle, geloof 'k.

„Ja,” zegt Blok, „'t is 'n mens ze vlees en bloed, hè! En zoo wou ik me jonge ook graag houwe, maar 't wier met de dag slimmer: aldoor had ie koors, en aldoor was ie in de war,... 't wier hoog tijd, zei de dokter, dat de wind om liep; as ie nog 'n poosie in die hoek bleef, dan sting ie er kwaad voor. Maar wat was er an te doen? 't Beetje dat ik kon doen, dat deej 'k: 's nachts tobde 'k met 'm om, en as 'k bij 't doen van me rondte in de buurt van me woning kwam, dan liep 'k effe na bove. 't Mocht wel niet, maar... 'n mens denkt toch eerst om ze kindere en dan om ze werk, hè?

„'t Was toe net in de tijd da' 'k voor 'n kameraad van me, die was overgeplaast, de postkwitanties ophaalde, en op 'n Woensdag 'n middag, da' 'k pal naast me deur 'n rijksdaalder had weze ontvange,—ik effe me woning in, dat begrijp je. 't Had hard gereged, en om niet in me natte kleere bij me jonge te komme, trok 'k in 't voorkamertje me jas uit, en hong 'm over de stoel daar 'k me brievetas en me geldzak op gelege had, en ik—na achtere. En toe 'k daar kwam, sting 'k toch te kijke, want voor me jonge ze bed zat 'n juffertje, met 'n blauw ketoene japonnetje an en 'n wit boezelaar voor, en naast 'r sting me dochtertje, dat ze met 'n prente-boekie bezig hieuw. Ze was zooveel as wijkverpleegster vertelde ze, en de dokter had 'r gestuurd. Ze was eerst effe bij me ouwers angeloope, zei ze, en nou ze van me moeder wist wanneer die niet bij mijn over de vloer kon weze, zou zij zorrege, dat zij er dan was. „Of 'k dat goedvond, vroeg ze. „Of 'k dat goedvin?” zeg 'k, „ja hoor, ikke wel, want hulpeloozer as ik, kan 'n mens er al niet voor staan.” „Ja, ja,” zei ze, „dat weet ik wel, maar 't zal nou alles wel beter gaan.” „Dat denk 'k ook,” zeg 'k, want in de gauwigheid ha' 'k al gezien, dat ze me dochtertje had gewasse en gekamd, en toe 'k me ooge door de kamer liet gaan, zag 'k, dat ze die had opgeredderd ook. Maar 't beste van alles was, dat me jonge lag te slape, en... dood gerust. En al was dat niet door haar gekomme, zij had er voor gezorgd, dat ie zou doorslape, want de dokter had gezeid, vertelde ze, dat er veel gewonne was as dat 'n poos anhieuw, en daarom had ze an de bure gevraagd of ze stil wou-e weze, zoo stil as 't maar kon. „En de goeje mense,” zei ze—„je hoort ze niet.” Zie je,” roept Blok uit, „'k kreeg toe 'n gevoel asof de klok weer gemaakt was, want in 'n huishouwe benne man en vrouw al net as de beide wijzers. As de groote gaat, maar de kleine niet, of de kleine draait, maar de groote staat stil...”