WeRead Powered by ReaderPub
Kleurig en donker cover

Kleurig en donker

Chapter 8: Kinderleed.
Open in WeRead

About This Book

Het werk verzamelt korte, vaak aan elkaar verbonden episodes die het alledaagse stadsleven en huishoudelijke arbeid tonen. Personages ontmoeten elkaar bij deuren, in keukens en op straat, waarbij kleine conflicten, keuzes en tekorten naast momenten van humor en tedere observatie staan. De toon wisselt tussen kleurige, levendige scènes en donkerder, ernstiger noten; verhalende fragmenten worden afgewisseld met beschrijvende passages die sociale verhoudingen, morele dilemma's en innerlijke overwegingen schetsen.

„Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht,
't Zal nimmer zijn voor Amor's schicht.”

En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei buitensporigheden. Eerst kijkt hij in de vlam van de lamp, en als hij daardoor geen „licht” krijgt, gaat hij soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij naar mij, als ik hem even aankijk—iets waarvan ik natuurlijk niet de minste notitie neem—of hij trekt het tafelkleed over zijn hoofd, en blijft in deze egyptische duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt het wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de handen achter het hoofd, de oogen naar het plafond, nu het eene—dan het andere been, ook wel beide te gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den vloer ligt, om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt wel, dat deze zonderlinge gedragingen de werking zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het gebeurt herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt, uitroepende: „wacht 's effe, da' 's ablativus absolutus!” of: „daar hè' 'k 't! x² + y², dat kan je immers ontbinden? Jawel. Zie je wel, zoo gaat 't!”

Als de vertaling af- of het algebraïsch voorstel opgelost is, dan begint hij natuurlijk niet aan iets anders voordat hij zich eenige oogenblikken heeft verpoosd. De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met „bevallige nonchalance,” zooals hij zegt, op het tafeltje achter zich slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk van den eenen of anderen straatdeun aan. En waarom hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk een zielloos en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost raadsel voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent. Een enkele maal toch zingt hij een aardig liedje van een jongen, die buiten loopt te zingen, maar niet weet waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels herinner:

„Maar 't was zoo heerlijk, buiten!
't Was alles: zonnestraal!
En boven in de takken,
daar zong een nachtegaal;
En alle bloemen bloeiden,
en schitterden in 't rond;
en als een bloem was 't kereltje,
zoo frisch, en zoo gezond.
Zoo liep de jongen lustig,
en zong zijn vroolijk lied.
Maar waarom hij een liedje zong,
dat wist het ventje niet.”

En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal zulk een lied zingt hij wel twintigmaal:

„Maar dat viel lang niet mee.
Ze zei: „wel jonge, nee,
ik houw niet van tariteraraboumdié.””

En niet minder dikwijls:

„Een jeugdig huw'lijkspaartje,
Pas in den echt getreen,
Gevoelde zich gelukkig,
Nu 't eind'lijk was alleen.
Maar daar komt plots'ling binnen
De schoonmama—o, hé!...”

En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk ook wel coupletten over, om te eindigen met de verrassende woorden:

„Vroolijk sprong hij de lijkkoets na,
Van die lieve schoonmama.”

Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling geeft van het zeer onbehoorlijk gedrag van bedoelden schoonzoon bij de uitvaart zijner schoonmoeder.

Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan vermaakt hij zich, tusschen de eene en de andere werkzaamheid, door in een almanakje na te kijken hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de Paaschvacantie—waarbij hij de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden, waarom die eenige dagen vroeger dan gewoonlijk zal beginnen of een poosje langer dan anders zal duren, alleszins aannemelijk acht;—of hij haalt een doosje, waarin een naamstempeltje—een cadeau van Cor—uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke malen de kaften of de schutbladen van zijn boeken, of hij drukt, zonder dat ik het bemerk, het stempel op zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk, staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn naam, met dikke blauwe letters, midden op zijn voorhoofd staan. En als ik zeg: „maar jongen, in 's hemels naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!” dan antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die van mij heeft geleerd.

Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn werk af, en dan gebeurt het bij hooge uitzondering, dat hij, rookende en bier drinkende—want als hij het laatst gebruikte boek dicht slaat, dan vraagt hij al waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is—rustig blijft zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar stemmen dat het mij niet in het hoofd is gekomen leeraar te worden; maar gewoonlijk springt hij uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk maakt, na dien tijd nog iets uit te voeren.

Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn handen moest wasschen, en nadat ik dit voornemen uitbundig had toegejuicht, hem sarkastisch verzoekende de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij even later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op hem lette, nam hij, achter mij staande, op eens mijn hoofd tusschen zijn ingezeepte handen, vragende: of er nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor ik hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem eindelijk losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat ik toch in allen gevalle mijn neus en mond vol zeep had gehad. Een andere maal kwam hij, na de kamer uitgegaan te zijn, terug met een hoed van Cor op en een mantel van haar om. En terwijl hij een opgestoken parasol boven het hoofd hield, liep hij de kamer op en neer, zingende:

„Eens liep een aardig meisje,
al in den maneschijn.
Zij had twee blauwe oogen,
en voetjes—o zoo klein...!”

En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet, die ik ook wel eens in huis draag, van mijn hoofd, opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den maneschijn zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de kamer hield hij de parasol zorgvuldig in de richting van mijn hoofd, net zoo lang totdat ik aan de vertooning een eind maakte, door het „aardige jonge meisje,” niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet, met parasol en al de voordeur uit te gooien, met verzoek in den waarachtigen maneschijn te gaan wandelen, waarna ik de voordeur op het nachtslot deed. Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer in; want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk gesloten—door met aapachtige vlugheid bovenop de veranda te klimmen en een venster open te schuiven, is hij in een ommezien weer binnen.

Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn aardigheden. Hij zegt, dat hij het „onfatsoenlijk” vindt, en biedt mij een dubbeltje aan, als hij er tien keer met een erwt op mag schieten. „Dat zou zoo lekker gaan,” zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande, voegt hij er bij: „pats...!” En als ik voor dit aanbod beleefdelijk bedank, dan tracht hij het aannemelijk te maken, door te zeggen: „nou, vijf keer dan maar!” En als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij, niet zonder moeite een verbaasd gezicht zettende: „waarom niet?”

Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat ding van grijze zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in afwachting van den leeftijd, waarin ik met fatsoen een kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij daaronder allerlei voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een handschoen of een zakdoek, „tegen de mot”, zooals hij zegt, en als ik hem laat begaan dan maakt hij „een Chineesie” van mij, zooals hij dat noemt, door de weinige haren boven mijn voorhoofd in een fijn uitloopende punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij aanhitst, door naar mij te wijzen en „kiesch! kiesch!” te roepen, net zoolang totdat het beest begint te blaffen.

En met dien hond, die den buitengewonen naam „Pak 'm” draagt, kan hij sollen, dat een mensch er zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige laat hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel weet hoe, het dier leeren „zingen,” hierin bestaande, dat het zacht jankende geluiden maakt, als Eddy, al neuriënd, eenige rhythmische bewegingen maakt met het hoofd; en als hij zegt: „Pak 'm-snoet-vuil!” dan strijkt het beest herhaaldelijk, eerst met den eenen- dan met den anderen voorpoot, op onbeholpen wijze langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk is, dat hij het goede dier rook in de keel blaast als het gaapt, onder het zotte voorwendsel, dat Pak 'm moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden. En soms ook zet hij het beest tusschen zijn knieën, neemt de voorpooten in zijn handen, en daarmede gesticuleerende, doet hij den eenen of anderen leeraar na. En als hij uitroept: „ik zek oe, dat zal niet kebeuren!” slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel, dat het beest zich losrukt en al jankende wegrent, waarop Eddy hem achterna holt, en door allerlei liefkoozingen, waarbij hij uitroept: „hij is braaf, hoor! hij is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, hè? ja, hoor! hij is een goeie hond!” zijn wangedrag tracht goed te maken. En niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen, is het dier, dat hij soms ook met overdreven teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm nog grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af te slaan, en zou het stellig bewijzen zijn naam met eere te dragen, als het iemand in het hoofd mocht komen zijn baas aan te randen.

Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij ons, en als het goede kind, blij om Eddy, dat hij met zijn werk klaar is, zich haast bier voor ons te halen, dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken en met haar te ravotten. En als zij met verwarde haren, dikwijls ook met Eddy's naam op haar beide wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu asjeblieft los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid haar toe te voegen: „geef me dan een kwartje, dan laat ik je los.” Natuurlijk kom ik onmiddellijk tusschen beide en ontzet Cor, waarbij ik Eddy zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen hij zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat ik afzetterij en „handelsgeest” met elkander verwar.

Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te blijven, zwaarder beproeving is het voor hem Woensdags en Zaterdags eenige uren na den middag te arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar, en we hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig, vol heerlijke beloften van zomerweelde: bloemen, warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die eerste glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed onstuimig verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging, vrijheid en frissche lucht. Maar hij moet t'huis blijven en werken. En hij doet dit dan ook wel, maar met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn eer zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem allerlei afleiding doet zoeken, die voor zijn werk nu juist niet bijzonder dienstig is.

Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst uit het hoofd leeren, waarvan hij beweert, dat die nog wel te leeren zouden zijn, als er niet zooveel „verrekte” uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te doen door den inhoud der grammaire als den tekst van een fransche opera te behandelen; en zoo staat hij midden in de kamer, met allerlei vreemdsoortige gebaren te zingen: „emploie—toujours—l'indicatif!” op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scène, op het tooneel, een rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven armen zou aanheffen: „pour toi—pour toi—mon âme aimé!

Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken, en als dat het geval is, dan is hij ongelukkig, want fantasie heeft hij weinig, en stellen vindt hij, om een uitdrukking van hem zelf te gebruiken, „misselijk.” Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen, en nadat hij geruimen tijd heeft geweifeld tusschen „de mode,” „men moet het ijzer smeden als het heet is,” en „spaarzaamheid is nog geen gierigheid,” waarbij hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen te zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit en zegt: „nou, de mode dan maar!” waarna hij een nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en opent. Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den rechterarm ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn linker bovenarm rusten, en den onderarm om het hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt met de vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na lang zoeken een enkel haartje gevonden heeft, mij mededeelt, dat hij waarschijnlijk een kolossaal zwaren baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend uit: „wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?” En als ik dan een enkele maal, medelijden met hem hebbende, besluit hem te dicteeren, en zeg: „kom, schrijf dan maar op, sukkel!” dan zit hij onmiddellijk recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: „asjeblieft, collega!” en voegt er onmiddellijk bij: „maar nou niet zoo eeuwig lang!” En als hij op die wijze eerder klaar is dan hij had durven hopen, dan springt hij op, en een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de lucht, weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij over een uurtje op de dogcart zal zitten en misschien wel mag mennen.

Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden, of liever: toen wij een uur lang samen geweest waren—want Eddy was buitensporig lastig, en zoo hadden wij eigenlijk niets uitgevoerd—maakte hij een stapeltje van zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen, een vriend van hem, ging; er in een adem bijvoegende—wel begrijpende, dat ik met dit voornemen niet bijzonder ingenomen zou zijn—dat hij toch bijna niets te doen had en dat beetje morgenochtend wel zou doen. Dan stond hij maar wat vroeger op, zei hij, en in den trein kon hij ook nog werken.

„Ja,” zeg ik, „in gezelschap van tien of twaalf andere jongens zal dat zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan—nu, dat moet je bed maar liever niet hooren, hè? 't Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je werk maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele maanden en dan ben je voor goed van „'t hok” af, als je nu nog maar een poosje je best doet. En dat, jongen, is je plicht; van jou nog meer dan van een ander. Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet je vader of je moeder, maar je zuster. En Cor hoeft dat toch niet te doen, niet waar?”

„Cor doet dat graag voor me,” zegt Eddy, „en later zal ik haar alles teruggeven.”

„In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je verlangt. Wat ze wenscht, dat is je een positie in de wereld te verschaffen, veel ruimer en veel beter dan je, zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen. En als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt, dan kan je haar gelukkig maken door haar telkens te doen zien, dat je doet wat men in billijkheid van je kan verlangen om 't mooie doel te bereiken.

„Ik ben nog ieder jaar overgegaan,” zegt Eddy.

„Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu staat het eind-examen voor de deur, hè? En moet je nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor te slagen?”

„Ik zal toch wel door dat examen komen,” beweert hij.

„Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten zult hebben als 't niet lukt, des te beter zal het zijn. En geloof je nu niet, kerel, dat je het niet voor jezelf zoudt kunnen verantwoorden, als je moest erkennen, dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten, om geen andere reden dan.... dat je er geen zin in hadt? Ja, hè? Want als het eene vogeltje rondvliegt en zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan moet het andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat het nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje koesteren, zijn veertjes pluizen en.... en 'n beetje piepen, dat mag hij niet. En nu,” zei ik opstaande, om Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid weer aan het werk te gaan, „ga ik even mijn handen wasschen; ik beloof je, dat ik de zeep niet zal sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte handen terugkomen.”

Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een kier van de schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam heen en weer loopen, het hoofd voorover, de handen in de zakken, sissende tusschen de tanden, waarschijnlijk wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had voorgefloten. Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan, duwde die, door er herhaaldelijk met de knie tegen te stooten, op zijde, keek toen naar het stapeltje boeken, dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik tegen, zoodat er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog een paar malen op en neer, maar opeens schudde hij even het hoofd, raapte alles haastig op, ging zitten en begon weer aan zijn werk———

„En nu moet u eens zien,” zei Cor eenigen tijd later, en vertoonde mij, met een gelukkig gezicht, Eddy's rapport.

't Was goed; veel beter dan het vorige, en de rector had er zelf onder geschreven, dat hij tevreden was.

„En wat zegt Eddy er wel van?” vroeg ik.

„Dat het hem niet verwondert,” antwoordde Cor lachende, „omdat hij, zooals hij zegt, in de laatste maanden veel beter gewerkt heeft dan vroeger.”

„Jawel,” zei ik, „logisch redeneeren—dat kan hij best.”

„Ik ben heel blij,” zei Cor, en met een dankbaren blik keek het goede kind mij aan.

„'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te hebben,” verzekerde ik, „en ik verheug mij van harte over dit succes. Maar nu moeten wij hem ook beloonen, en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem naar de duinen en naar de zee.”

En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik dominé had moeten worden.

Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was. Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan tafel.

Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw, niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden, en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap weldra volkomen tusschen ons hersteld.

„En wat zijn nu je plannen?” vraag ik hem, als wij na het eten in den tuin een sigaar rooken; „denk je lid van het corps te worden, of niet?”

Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig, dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft ingezien, dat hij het niet doen moest.

Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier te drinken en een sigaar te rooken.

En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust en ontwakende mannelijke kracht.

En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt.


Haar brood.


Zij was een dagelijksche verschijning. 's Morgens, kwart voor negenen, schelde zij aan en hield het ezeltje, dat het karretje trok, waarop zij schillen en anderen afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam altijd op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen zich aangewend niet eerder naar school te gaan, dan nadat Antje, zoo heette zij, had aangescheld. Als ik vroeg: „Frits, jongen, moet je nog niet naar school?” of: „Karel, ventje, is het je tijd nog niet?” dan was het antwoord: „nee, pa, want Ant is er nog niet;” maar zoodra een van de kinderen haar of haar ezeltje in het oog kreeg, dan riep hij: „daar is Ant; Ant is er, hoor!” en dan grepen allen naar boeken en tasschen en stormden de deur uit.

Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een langen, zwarten, kaal-gedragen mantel droeg zij een japon, die vroeger waarschijnlijk bruin was geweest, maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is. Haar hoofd was gehuld in een zwart wollen muts, onder de kin vastgestrikt, en hare handen waren gestoken in grijze wanten, die veel te wijd en daarom met bandjes om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was gebogen, haar gelaat, gebruind door weer en wind, was gerimpeld, en haar tandelooze mond was ingevallen, maar haar oude en vermoeide oogen hadden een bijzonder zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande, op schillen wachtte, en de kinderen haar met een: „goeje morge, Ant; dag Ant!” voorbij gingen, dan bewees de vriendelijkheid, waarmede zij hun groet beantwoordde, en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar hart niet hadden verbitterd.

Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het karretje trok, was oud. Reeds menig jaar had hij Antje op haar dagelijksche tochten vergezeld, maar altijd goed door haar verzorgd, was hij gezond en sterk gebleven, en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en kranig uit, voor zoover men dit tenminste van een ezeltje zeggen kan. Antje hield veel van hem, niet alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was, maar ook om hemzelf, „want,” zei zij, „'t was 'n best ezeltje, nooit eigenzinnig en altijd gezond.”

Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als Antje een broodkorst in den afval vond, of iets anders, waarvan zij vermoedde dat hij het zou lusten, dan vergat zij nooit het vóór hem op straat te werpen, waarop Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken te hebben, zijn kop boog, het van alle kanten besnuffelende, en eindelijk ophapte, als het tenminste van zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger, maar slechts trek in wat lekkers, en wat Antje dacht dat een delicatesse voor hem zou zijn, bleek nog wel eens volstrekt niet in zijn „smaak” te vallen.

Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk precies den weg, dien hij dagelijks moest afleggen en de woningen, waarvoor hij moest stilstaan. En als Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans uit eigen beweging eenige stappen voort, maakte een wel wat overdreven grooten draai, en bleef daarna geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de schillen waren opgeladen, en Antje „vort Hans!” riep, waarop hij terstond aantrok en het karretje wegrolde.

Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd, had Antje haar ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden vertrouwde gemaakt en, naast zijn kop gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel, en hem al haar hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij zij hem van tijd tot tijd in den hals duwde, vooral als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het bijzonder wilde vestigen.

Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat Hans te hooren kreeg. Toen de man van Antje ziek en bedlegerig was geworden, had zij haar ezeltje al haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige jaren overleden was, had Hans al spoedig daarop de ongelukkige geschiedenis moeten aanhooren van de dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man, een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk haar en haar kind had verlaten, die daarop hun intrek bij Antje genomen hadden: de moeder ziek en ellendig van het leven, dat zij geleden had, maar haar jongen—frisch en gezond. „Niet waar, Hans? frisch en gezond, dat is ie, dat harteboertje!” had Antje haar ezeltje toegeduwd. „Maar z'n vader, hè! Och Heere, ja! Alweer de drank, hè? Ja, jonge, dat is 't, de drank, die er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve had kanne hebbe. En zij ook; „want als werkman is er geen beter,” zeit z'n baas. En nou zwerft ie rond, en motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat, Goddank, hè! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij! maar dat zal wel schikke, hè! want heelemaal verlate, dat wordt 'n mens, die z'n plicht doet, nooit...”

Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van alle klanten waren opgehaald, kwamen Antje en Hans, die veel moeite had het karretje door de hoog liggende sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad, waar de schillen gebracht moesten worden, over den Brink, toen zij door een agent van politie werden aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel vasthoudende, tot Antje zei: „da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't zie; twee keere hè 'k 't door de vingers gezien, maar nou mot je mee na 't berô.”

Antje, die deze woorden met de grootste verbazing had aangehoord, keek den agent aan, alsof zij dacht, dat hij niet wel bij het hoofd was, en kwam eerst tot zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats op te houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk afdoende, om de rest van den dag genoegelijk in zijn stalletje te slijten, een zoo krachtige poging aanwendde om het karretje voort te trekken, dat de man der wet, zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken.

„Ho, Hans, ho!” riep Antje uit, het ezeltje op den hals kloppende; en zich tot den agent keerende, vroeg zij: „wat zeg je, mot 'k mee na 't berô?”

„Wel wis,” antwoordde de agent met een straffen blik, „ik zeg je ommers, dat 't nou al de derde keer is, en da's genoeg zou 'k denke!”

„De derde keer, wat derde keer?” vroeg Antje, den man met groote oogen aanziende.

„Maar mens!—dat je schille ophaalt!” antwoordde de agent, met een hoofdbeweging naar het karretje.

„Nou ja,” zei Antje, „dat doe 'k alle dage, hoor! Wat zou dat?”

„Maar dat mag je niet doen!” riep de agent uit. „Wist je dat dan niet?”

„Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale? Menslief, droom je, of hoe hè' 'k 't nou met je?” vroeg Antje, den agent ongeloovig aanziende.

„Droome,” antwoordde de agent, dat doe 'k in bed, en hoe je 't met me het, dat weet 'k niet, maar schille vervoere, dat mag je alleen maar doen vóór 's morgens acht uur.”

„Kom”, zei Antje, „nou nog mooier! wie zou dat verbieje?”

„Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over te zegge het,” antwoordde de agent, „maar 't mag niet. En ga nou maar mee na 't berô, dan kan je 't van de commissaris zelfs hoore.”

Antje keek even naar den grond, schudde langzaam het hoofd, maar begrijpende, dat er niets aan te doen was, en wenschende te weten wat er waar was van hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den teugel, en riep met een zucht: „Vort, Hans, vort jonge!”

't Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand te brengen, dat hij dien morgen een anderen weg moest volgen dan anders, en herhaaldelijk gaf hij, door opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de buitengewone verlenging zijner morgenwandeling, maar eindelijk, vooral toen de agent er zich niet meer mee bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet verdragen wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte voor het politie-bureau gekomen waren, gingen Antje en de agent naar boven en kwam er, om op Hans te passen, een andere agent buiten, bij wiens verschijning het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief, tot groote pret van eenige straatjongens, die een aantal geestige opmerkingen maakten over de krassende geluiden, die Hans maakte, in verband met de komst van den agent.

„Wel Kloek,” vroeg de commissaris, toen Antje en haar geleider voor hem stonden, „wat is er, wat heeft dat vrouwtje gedaan?”

„Afval van eetware vervoerd nà bezette tijd, U-gestrenge,” antwoordde de agent, de hand aan het hoofd brengende, „al drie dage achter mekaar.”

„Maar dat mag je niet doen vrouwtje!” zei de commissaris. „Na 's morgens acht uur is dat verboden, en mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je moet dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je karretje van de straat bent.”

„Maar me lieve meneer,” zei Antje, „as 'k 's morges vóór acht uur me schilletjes mot hale, dan krijg 'k er geen een. Vóór half acht hoef 'k bij de rijkdom niet an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers me klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge.”

„Ja,” antwoordde de Commissaris schouderophalend, „daarmee heb 'k niet te maken. Ik moet alleen zorgen, dat de verordeningen worden nageleefd; en als je nu niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren. Ik zal 't nu nog eens door de vingers zien, maar Kloek, je hoort 't, als ze nu weer nà acht uur schillen vervoert, dan moet je proces-verbaal tegen haar opmaken.”

„'t Zal gebeure, U-gestrenge,” antwoordde de agent, andermaal de hand aan het hoofd brengende.

„Maar meneer,” zei Antje, „'t is me brood! wat mot 'k beginne, as 'k geen schilletjes meer mag ophale?”

„Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee te maken heb,” antwoordde de Commissaris. „Wees nu verstandig en zie, dat je wat anders bij de hand neemt. En nu, goeden dag, hoor!” En terwijl hij zich weer verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel lagen, ging Antje heen, mompelend: „zóó verstandig zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe 'k op 'n andere menier an de kost mot komme. Maar”—en langzaam de trap af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd—„ik laat 't er niet bij, dat doen 'k niet!”

Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins, naast den kop van Hans, die zich haastte zijn gewonen weg weer op te zoeken, maar toen zij buiten de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende, Hans een paar krachtige duwen in den hals en riep zij uit: „ik heb 't Hans, ik heb 't!”

Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht en van het noodige voorzien was, knapte Antje zich wat op en, na een linnen zakje met eenig geld daarin uit haar chiffonnière genomen en bij zich gestoken te hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een advocaat, bij wien haar dochter voor haar ongelukkig, huwelijk had gediend.———

Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de huisknecht, maar als zij wou wachten....

„Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd,” antwoordde Antje. En zoo stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te wachten op de vloermat bij de voordeur, in de breede, marmeren gang, met haar beelden, vazen en planten, en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest wezen, om zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij eindelijk werd binnen gelaten in de ruime kamer, waarin de advocaat zich bevond, en zij, het armoedige vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling opleverde met de weelderige inrichting van het hooge vertrek, ouderwetsch en deftig door het geschilderde behangsel en de gebeeldhouwde meubelen, het dikke tapijt en de zware draperieën.

„Wel, vrouwtje,” zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid in zijn hoog-gerugden stoel achterover leunende, de handen over het lijf gevouwen en het eene been over het andere geslagen, „wat kan ik voor u doen?”

En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de moeder was van Jans, die er vijf jaren eerlijk had gediend, vertelde wat haar overkomen was en vroeg wat er aan te doen zou zijn.

„'t Is juist wat ik heb voorspeld,” zei Mr. Verdoorn, met een zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om elkander draaiende, „juist wat ik heb voorspeld. Toen in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval van gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat men daardoor een aantal personen broodeloos zou maken. En toen, niettegenstaande dit bezwaar, dit zeer groote bezwaar,” herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig gezicht, „het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in overweging gegeven hun, die sedert eenige jaren afval ophaalden, te vergunnen daarmede voort te gaan. Maar ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat het ophalen van afval, bij uitzondering, ook aan particulieren kan worden vergund. Die vergunning voor u aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen.”

„Ik kan dus een vergunning krijgen?” vroeg Antje, die, van al hetgeen zij had gehoord, niet veel meer dan het laatste had begrepen.

„Onmogelijk is 't niet,” antwoordde Mr. Verdoorn, „maar”—en hij zette een bedenkelijk gezicht—„zeker is 't evenmin.”

„Och meneer, doe uw best voor me,” vroeg Antje, „doe uw best, want 't is me brood!” en een paar dikke tranen kwamen in haar oude oogen te voorschijn.

„Ik beloof u te zullen doen wat ik kan,” antwoordde Mr. Verdoorn, „en zoodra ik de beslissing heb, zal ik het u doen weten.”

„Dank u, dank u!” zei Antje; en het linnen zakje voor den dag halende, nam zij daaruit een aantal dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van Mr. Verdoorn begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te betalen.

Maar de advocaat streek met een glimlach het geld van zich af, zeggende, dat hij gaarne zou doen, wat hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor geen geld wilde ontvangen.

Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer weg, en met een koddig buiginkje verliet zij de kamer en weldra ook het huis van Mr. Verdoorn.

Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die zij gevonden had, ging zij haar klanten rond, vertelde wat er gebeurd was, en vroeg hun, om niet door anderen „onderkropen” te worden, of zij, gedurende den tijd, waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar broodwinning uit te oefenen, de schillen slechts aan personen, die van stadswege daarom kwamen, wilden meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd hadden, ging zij naar huis, en afwachtende de dingen, die komen zouden, legde zij zichzelve en Hans een gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje zich bijzonder goed schikte.

Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat Antje kwam opdagen, en reeds maakten wij ons ongerust, dat zij de vergunning niet had kunnen krijgen, toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en de kinderen, vroolijk en gezond, zich gereed maakten om naar school te gaan, Karel uitriep: „Kijk's, kijk's, daar is Antje weer! daar staat ze te knikken en buiginkjes te maken.”

En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met zulk een gelukkig gezicht en zooveel zonneschijn in haar oogen, dat wij allen naar de voordeur gingen, haar gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat zij haar broodwinning had mogen behouden.

En dankbaar was zij! „Lieve harte,” zei ze, „wat in de wereld ha'k toch motte beginne as 'k geen schilletjes meer had magge ophalen? Dan was 'k natuurlijk an de diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef te trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik zoo blij as 'n kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo lang as onze Lieve Heer wil.” En zij knikte ons toe, en wij haar, en opgewekt riep zij: „Vort, Hans, vort jonge!” En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder welgedaan uitzag, trok aan en weg rolde het karretje.

Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen, den agent van politie ziende, die haar zulke bange dagen had bezorgd, besloot zij haar rekening met de politie, die toch eens moest weten dat zij een vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en om de opmerkzaamheid van den agent te trekken, die met zijn rug naar haar toe stond, riep zij, iets wat zij anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem toeliet: „schille, schille, wie het schille!”

Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek keerde zich terstond om, en Antje met haar karretje ziende, ging hij naar haar toe, en zei knorrig: „ik merk 't al, je bent net as de rest, en je wil 't niet late.”

„Dat kan 'k niet, me goeje man,” zei Antje hoofdschuddend; „'t is me brood, zie je, en daarom mot 'k 't wel doen—vandaag, morge en altijd.”

„'t Is goed,” antwoordde Kloek, „maar je weet wat de Commissaris het gezeid, en je mot dus weer mee na 't berô. Maar 't zal er spanne, hoor je, 't zal spanne, dat zeg ik je!”

„'t Zal zoo'n vaart niet loope,” meende Antje, 't zal nog wel schikke.”

„Wor nou maar niet bertaal,” waarschuwde Kloek, „want dan maak je 't nog erger!”

„Menslief,” zei Antje, „daar denk 'k niet an.” En Hans tegen den hals duwende, riep zij uit: „Vort Hans, vort jonge, we gaan nog eens na de Commesaris.”

Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn gewone route een beetje had vergeten, stribbelde deze maal in het geheel niet tegen, en weldra stonden Antje en de agent weer voor den Commissaris.

En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht toen Antje in het verhoor werd genomen. Maar, met gebogen hoofd voor hem staande, liet zij hem kalm uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom en woonplaats had opgegeven, vroeg zij: „Meneer, toe u me laast het gezeid, da' 'k geen schilletjes mocht ophale—dat was toch niet de volle waarheid, was 't wel?”

„Mensch,” stoof de Commissaris op, „wou je me in m'n gezicht zeggen, dat 'k lieg!”

„Maar me lieve meneer,” zei Antje, „dat wil 'k in 't geheel niet zegge; ik meen maar, dat 't niet de heele waarheid was; want 'k mag wel schilletjes ophale, as 'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?”

„Die vergunning,” zei de Commissaris boos, „wordt nooit verleend, en 't was dus geheel onnoodig daarover te spreken.”

„Ja,” zei Antje, „zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet krijge, maar 'k het er toch eentje.” En nadat zij eenigen tijd, misschien iets langer dan bepaald noodzakelijk was, in de diepte van haar zak had rondgewoeld, haalde zij daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen kon gelooven, toen hij het stuk doorgelezen en gezien had, dat het een vergunning in optima forma was.

Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug, en zei, op een toon alsof hij verongelijkt was: „'t is in orde, en we zullen er aanteekening van houden. Maar hoe jij die vergunning gekregen hebt,” vervolgde hij, het schamel menschje met ongeveinsde verbazing aanziende, „dat mag de hemel weten!”

„Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?” vroeg Antje, die het onnoodig vond den Commissaris te vertellen op welke wijze zij de vergunning gekregen had.

„Ja, mensch, ja!” antwoordde de Commissaris, zich omkeerende, waardoor het dankbaar buiginkje, dat Antje voor hem maakte, geheel voor hem verloren ging.

Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans vriendelijk op den rug kloppende, zei zij: „hè Hans, da' 's achter de rug, hoor! 't Ware benauwde dage, maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor en voor goed ook; vort, jonge, vort.”


Kinderleed.


Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen, eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig op zijde had geschoven, zei mijn vader: „Meneer Nelissen is zoo even bij mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indië gekregen, en in het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere school moet, ventje.”

„Och heden, dat is jammer!” zei mijn moeder; „dat zal je spijten, hè, Willem?”

„Hè ja!” riep ik uit, „zoo'n prettige school.”

„Ja,” zei mijn vader, „het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed.”—En hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest, en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen „een ietsje flauwer”—de Metallieken „een tikje beter” waren, en verder verslag gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws, dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan, dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen: „Heere—zegen—deze—spijs—en—drank—amen,” waarna het mijn beurt was, en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het ernstige gelaat van mijn vader.

Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers, van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen kwam spoken.

Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij. Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem, als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren, dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane wijze handhaafde hij orde en tucht.

Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken. Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing, voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen, stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt.

„Je mag zoo maar niet opstaan!” zei Henri, die naast mij zat.

„Dat zal hij langzamerhand wel leeren,” zei meneer Nelissen, mij op den schouder kloppende. „Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest, en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En wat hij deed,” vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende, „is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te onthoofden, niet waar Henri?”

„Maar dan doen ze zoo eeuwig mal,” mompelde Henri. En toen meneer vroeg wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen.

Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.———

„En waar gaat hij nu heen?” vroeg meneer Nelissen, toen hij een afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem vaarwel te zeggen.

Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school kende?

„Zeker mevrouw,” antwoordde hij. „Kreggers is een knap man, geloof ik, een heel knap man.—Hm.!” En dit zeggende stond hij op, nam afscheid van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok.

Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indië aangekomen, bleek hij niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.—Arme meneer Nelissen! gij waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand kunnen brengen———

Meneer Kreggers—groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke handen ter hoogte van het gezicht houdt—meneer Kreggers zegt: dat ik brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij voor de klas staat en les geeft.

Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. „Je verstand is goed,” zegt hij, „maar je wilt niet opletten, je wilt niet begrijpen;” en mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept: „Messieurs, la prière!” totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen gaan.

Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal de zijne toesteekt, dan is die hand zóó slap, dat ik het niet waag die te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn eigenzinnigheid versterk.

Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb, zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze, waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent, zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen.

En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het niet en geloof ook niet, dat ik „zoo'n akelige jonge” ben. Ik weet, dat men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo „slecht” was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was, terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk, lammert, en zoo vele andere toe, en—ben ik rampzalig.

Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin zooveel vooruit zijn—Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet, dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra hij dan ook zegt: „et maintenant, Messieurs, la lecture française,” word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste. Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is, en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept: „Assez, maintenant l'arithmétique,” een werkzaamheid waaraan ik evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei schrijven: je suis un enfant revêche, hautain et indocile.

Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke letters de woorden: les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion. „Lees dat nu eens hardop voor,” zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij er bij: „en nu niet geagiteerd, asjeblieft!”

Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen en de hemelen vind ik slechts een klank: les sjeux; voor de lieden, de zangen en de velden slechts een woord: les sjans, en waar ik den uitgang „ion” moet verbinden met de „g”, of de „s” of een andere medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders uit te brengen dan een afschuwelijk: sjion.

Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: je suis un enfant revêche et un imbécile.

Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en zegt, schijnbaar kalm: „we zullen het nu nog eens probeeren, maar nu”—en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon—„nu pas je op, versta je? Zeg me nu na: des...i...eux.”

In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den gek te houden?

Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk.

„Krijg ik ook antwoord?” vraagt hij.

„Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!” roep ik uit.

Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover verder niet wil spreken en herhaalt: „des ... i ... eux.”

Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: „des sjeux.”

Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend: „nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: des...i...eux.”

Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze omstandigheden niet kan doen wat hij van mij vordert, en zwijgend, terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd.

Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op, en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: „marsch, in den hoek..!”

Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij. Ik weet, dat ik niet onwillig ben en dit nooit ben geweest, maar dat hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek, maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de zakken en kijk rechts en links naar het plafond.

Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis brengen—en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en met mijn pet op één oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende, naar huis.

Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord: dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij, reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien, dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren instituteur is, een kind te hebben gezien, zóó brutaal, trotsch en onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille van zijn prestige stellen moet.

Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: „en wat zegt m'n jongen nu?”

O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen.

„Maar 't kind is zenuwachtig,” zei meneer Kreggers glimlachend.

„Ik geloof het ook,” antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er bij: „misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen”—en nu klonk zijn stem weer krachtig—„zal mijn zoon uw school niet langer bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de goede zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad,” vervolgde mijn vader, meneer Kreggers vast aanziende, „betuig ik u mijn dank.”

Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last, waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was———

Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden, die zal het toestemmen: kinderleed is groot verdriet.


Karel Jan Vonk.


„K..arel, J..an Vonk,” zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met den rug naar het venster mijner griffie staat „zoo spreekt hij precies, en zoo is hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. „Neem het copyboek,” zeg ik tegen hem, „zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je natuurlijk het woord „heer” in „mevrouw” veranderen.” En Vonk deed precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond er boven: „WelEerwaarde Mevrouw.” WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register waarin hij niet krabt, in één woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd.”

„Mijn waarde,” zeg ik, „daarover behoef je je niet ongerust te maken. Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou worden opgeleid?”

„Zoo is 't. En hoe ze ooit op die belachelijke gedachte zijn gekomen, dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, die jongen moest eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch en Fransch. En dat nota bene, in een tijd, waarin je, om zoo te zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in den tijd van de prehistoric peeps uit Punch, en dat je zakt als een baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool te Diepenburg geweest.”

„Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?” vraag ik.

„Als een rots,” bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik, „en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een gemakkelijk heer—en nogal op nummer één gesteld is, hem bij zijn kraag genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele onheil had overzien, den jongen onder handen genomen—en zulke venijnige dingen gezegd heeft—want Venninga is nog al scherp, zooals je weet—dat Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen.”

„Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?” vraag ik.

„Dat weet ik niet,” antwoordt de burgemeester. „Venninga is natuurlijk dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij, om maar geen standje te krijgen, de cijfers liet kloppen, totdat hij zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte.

„Eindelijk kwam hij bij mij. Ik moest een jongen hebben, en omdat het op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer. Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem standjes gegeven, standjes...”

„Ja,” zeg ik, „dat zal wel.”

„Hè!” roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende, „waarom denk je dat?”

„Omdat ik geloof,” antwoord ik, „dat je wel een beetje heftig bent, weet je.”

„Ik geloof 't ook,” erkent de burgemeester, „maar 't schijnt geen slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: „dat mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;” 't geen hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem weggestuurd. Als jij hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat.”

„Is hij gewillig?” vraag ik.

„Zeer gewillig.”

„En ijverig?”

„Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben als—als een heimachine,” zegt de burgemeester, die met deze even krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen.

„Nu,” zeg ik, „dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?”

„Graag,” antwoordt de burgemeester. „Ik ben blij om hem en om zijn ouders, maar.... enfin, tu m'en diras des nouvelles.”

En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen, gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals, waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren.

Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een imprimé in blanco van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het imprimé, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft.

En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in te vullen—wat bij een veroordeeling wel eenigszins des Pudels Kern is—heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik mij volstrekt niet vereenigen kan.

Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen, terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt, en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren.

En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon.

En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag beweer ik, dat wij bij zulk werk eigenlijk in het geheel niet denken moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat alle vonnissen de woorden: „in naam der Koningin,” aan het hoofd moeten voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud imprimé voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: „in naam des Konings.” En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan geef ik hem die, maar doe dat zóó omslachtig, en verdiep mij in zooveel uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of hij het begrepen heeft.

En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem handelen moet.

Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is. Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje, die allen nog klein zijn en op school gaan.