WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Vijfde cover

Koning Hendrik de Vijfde

Chapter 17: VIERDE BEDRIJF.
Open in WeRead

About This Book

A newly matured monarch navigates the duties of rule, confronting legal, religious, and diplomatic obstacles as he presses a dynastic claim across the Channel. Court debates and counsel alternate with recruiting, campaigning, and siege, while intimate scenes among officers and common soldiers reveal camaraderie, fear, and humor. The drama culminates in a dramatic field engagement that tests leadership, morale, and the ethics of war, leaving victory tempered by human cost. The play balances rhetorical speeches and staging with sharp contrasts between political calculation and battlefield experience.

[Inhoud]

VIERDE BEDRIJF.

Trompetgeschal. Chorus komt op.

Chorus.

Stelle uw verbeelding thans een tijd u voor,

Dat sluipend ruischen en het stikziend duister

Der wereld wijde welving gansch vervult.

Zacht galmt nu in de’ onzaal’gen schoot der nacht

Van kamp tot kamp ’t gegons van beide legers,

Zoodat de wachters op hun posten schier

’t Geheim gefluister wederzijds verstaan.

Vuur blikt op vuur, door bleeke vlammen ziet

Elk leger ’t ander in ’t gebruind gelaat,

Elk ros tart ros, hun fier gebriesch doorboort

Het domm’lig oor der nacht, en van de tenten,

Waar wapensmeden ridderpantsers gespen,

Hun snelle hamer losse nagels klinkt,

Verneemt men ’t schriksignaal der voorbereiding.

Dorpshanen kraaien en de klokken slaan,[587]

Het derde droom’rig morgenuur verkondend.

Trotsch op hun tal en zorg’loos, dobb’len reeds

De Franschen in hun waan en zelfvertrouwen

Om de Engelschen, op lagen prijs geschat,

En vloeken op de nacht, de loome sluipster,

Die, als een rimp’lige oude tooverkol,

Traag voorthinkt. De Engelschen, ter dood gewijd

Als offers, zitten zwijgend bij hun vuren,

Geduldig, overwegend welk gevaar

De morgen brengen zal; hun ernstig uitzicht,—

Diepholle wangen, stukgestreden kleed’ren,—

Toont aan de maan, die staart, hen als zoovele

Afschuwb’re geesten. Maar wie hem nu ziet,

Den hoogen veldheer dezer jammerschaar,

Van wacht tot wacht, van tent tot tent zich spoedend,

Hij roepe:—„Lof en glorie op zijn hoofd!”

Want hij gaat om, bezoekt geheel zijn leger,

Wenscht met bescheiden lach hun goeden morgen,

En noemt hen landgenooten, vrienden, broeders.

Geen enk’le trek op ’t koninklijk gelaat

Getuigt van ’t vreeslijk heer, dat hem omringt;

De moeitevolle, gansch doorwaakte nacht

Brengt hij geen enkel stipje kleur ten offer;

Frisch blikt hij rond en overmeestert zwakheid

Met kalm gelaat en zachte majesteit,

Dat elk, hoe uitgeput en bleek te voren,

Hem ziende, zoeten troost put uit zijn blik.

Gelijk de zon, strooit zijn milddadig oog

Alom aan ieder rijke gaven toe,

Dat kille vrees versmelt en hoog en laag

Van nieuwen moed, van vuur doortinteld zijn.—

Aanschouwt, zooveel onwaardigheid kan schetsen,

Een flauwen schijn van Hendrik in de nacht.

En dan moet ons tooneel naar ’t slagveld ijlen;

Doch, o helaas! onteeren zullen wij,—

Met vier of vijf geschaarde, stompe klingen,

Bij dwaas, belachlijk vechten slecht gevoerd,—

Den naam van Agincourt. Toch, komt! en ziet

Het wezen in den schijn, dien ’t spel u biedt.

(Chorus af.)

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Het Engelsch legerkamp bij Agincourt.

Koning Hendrik, Bedford en Gloster komen op.

Koning Hendrik.

Gloster, ’t is waar, wij zijn in groot gevaar;

Maar des te grooter zij dan onze moed,—

Goeden morgen, broeder Bedford.—God almachtig!

In booze dingen schuilt een kern van goed,

Zoo slechts de mensch bedachtzaam dien er uitperst;

Want onze booze buur leert ons vroeg opstaan,

Wat èn gezond is èn de huizing bouwt;

En bovendien, hij is, schoon buiten ons,

Ons een geweten, dat ons allen predikt,

Ons loff’lijk te bereiden voor ons eind.

Zoo kunnen wij uit onkruid honig lezen

En ons den duivel zelf tot leer doen zijn.

(Erpingham komt op.)

Goeden morgen, oude Thomas Erpingham;

Op zachter peluw mocht dit grijze hoofd

Zich vlijen, dan op Frankrijks harden grond.

Erpingham.

Toch niet, mijn vorst, dit leger is mij liever;

’k Zeg nu, „mijn bed is als des konings bed.”

Koning Hendrik.

Goed is het, dat de mensch zijn lijden liefkrijgt

Door voorbeeld; dit verlicht en sterkt den geest;

En luikt de ziel weer op, dan breken zeker

Des lichaams leden, die verstorven schenen,

Hun doodswâ los en roeren zich op nieuw

Met afgeworpen huid en frissche vlugheid.—

Sir Thomas, leen me uw mantel.—Gij, mijn broeders,

Gaat namens mij de legervorsten groeten,

Brengt hun mijn morgenwenschen en zegt allen,

Terstond zich te verzaam’len in mijn tent.

Gloster.

Volgaarne, heer en vorst. 28

(Gloster en Bedford af.)

Erpingham.

Verzel ik uwe hoogheid?

Koning Hendrik.

Verzel ik uwe hoogheid? Neen, mijn vriend,

Ga gij naar Englands grooten met mijn broeders;

Ik en mijn hart, wij moeten ons beraden:

Daarom, gezelschap is mij niet gewenscht.

Erpingham.

De Hemelheer zij met u, eed’le Hendrik.

(Erpingham af.)

Koning Hendrik.

God loone u, brave grijze, uw wakker woord!

(Pistool komt op.)

Pistool.

Qui va là?

Koning Hendrik.

Goed vriend.

Pistool.

Geef mij verklaring, zijt gij officier?

Of zijt gij laag, gering en van het volk?

Koning Hendrik.

Ik ben de leider van een compagnie.

Pistool.

Sleept gij de felle speer?

Koning Hendrik.

Ja zeker. Wat zijt gij?

Pistool.

Een edelman, gelijk de keizer ’t is.

Koning Hendrik.

Dan zijt gij beter dan de koning zelf.

Pistool.

De koning is een haantje’, een hart van goud,

Een knaap vol leven, spruit des roems,

Van ouders goed, van vuist een echte held;

Ik kus zijn modderschoen, en recht van harte

Min ik den jongen vechtersbaas.—Uw naam?

[588]

Koning Hendrik.

Henri le Roy.

Pistool.

Le Roy? die naam is Cornisch; fokte u Cornwal op?

Koning Hendrik.

Neen, ik ben uit Wales.

Pistool.

Kent gij Fluellen?

Koning Hendrik.

Ja.

Pistool.

Ik sla hem wis zijn knoflook om zijn bol, Op Davidsdag; zeg dit hem aan.

Koning Hendrik.

Zorg dan op dien dag uw dolk niet in uw muts te dragen, opdat hij u dien niet in den bol sla!

Pistool.

Zijt gij zijn vriend?

Koning Hendrik.

Ja, zelfs aan hem verwant.

Pistool.

Dan Figo voor uw deel!

Koning Hendrik.

Ik dank u, God zij met u!

Pistool.

Mijn naam heet zich Pistool.

(Pistool af.)

Koning Hendrik.

Hij past goed bij uw grimmigheid.

(Fluellen en Gower komen op, van verschillenden kant.)

Gower.

Overste Fluellen! 64

Fluellen.

Pst! in den naam van Jezus Christus, spreek zachter! Het is de chrootste wonderpaarheid in de gesamentlijke wereld, als de waarhaftige en oude prifilegien en wetten fan de oorlogen niet gehouden worden. Als gij de moeiten zoudt willen nemen fan te onderzoeken de oorlogen van Pompejus den grooten, zult gij vinden, dit verzeker ik u, dat er in het legerkamp van Pompejus geen kikelkakel is, geen bibbelbabbel; ik verzeker u, gij zult vinden, dat de ceremoniën van de oorlogen, en de zorgen er van, en de formaliteiten er van, en de matigheid er van, en de zedigheid er van, geheel anders zijn.

Gower.

Kom, de vijand maakt leven, men hoort hem de geheele nacht.

Fluellen.

Als de vijand een ezel is en een nar en een snappende windmaker, is het choed, denkt gij, dat wij ook zouden zijn, ziet gij, een ezel en een nar en een snappende windmaker? Op uw geweten af, spreek!

Gower.

Ik wil zachter spreken.

Fluellen.

Ik pid u en verzoek u, dat gij het wilt.

(Gower en Fluellen af.)

Koning Hendrik.

Er zit, al moog’ het wat vreemdmodisch schijnen,

Toch in dien man uit Wales veel moed en ijver.

(Bates, Court en Williams komen op.)

Court.

Broeder John Bates, is dat niet de morgen, wat daar aanbreekt?

Bates.

Ik geloof van ja, maar veel reden hebben wij niet, om naar de komst van den dag te verlangen.

Williams.

Wij zien daar het begin van den dag, maar het einde zullen wij, denk ik, wel nimmer zien.—Wie gaat daar?

Koning Hendrik.

Goed vriend.

Williams.

Onder welken overste dient gij?

Koning Hendrik.

Onder Sir Thomas Erpingham.

Williams.

Een goed oud veldoverste en een recht vriendelijk heer. Zeg ons eens, hoe denkt hij over onzen toestand?

Koning Hendrik.

Als over menschen, die op een zandbank gestrand zijn, en verwachten, dat de volgende vloed hen wegspoelt.

Bates.

Hij heeft toch aan den koning zijn gedachten niet gezegd?

Koning Hendrik.

Neen, en dat zou ook niet goed wezen. Want al zeg ik dit tot u, ik geloof, dat de koning maar een mensch is zooals ik ben. Het viooltje ruikt voor hem evenals voor mij; de lucht ziet er voor hem even zoo uit als voor mij; al zijn zinnen zijn menschelijk van aard; zijn praal ter zijde gelaten, verschijnt hij in zijn naaktheid eenvoudig als een mensch, en al nemen zijn wenschen een hooger vlucht dan de onze, zoo moeten zij toch, als zij dalen, met gelijke vlucht als de onze nederkomen. Daarom, als hij grond ziet tot vrees, zooals wij het doen, dan moet zijn vrees ongetwijfeld evenzoo smaken als de onze; maar toch moet niemand, die zijn oordeel gebruikt, hem eenigen schijn van vrees mededeelen, opdat hij, die toonend, zijn leger niet moedeloos make.

Bates.

Uitwendig mag hij zooveel moed toonen als hij wil, maar ik geloof toch, hoe koud de nacht ook zij, dat hij zich tot aan den hals toe in den Theems wenscht,—en ik wenschte, dat ik daar bij hem was, op alle gevaar af, als wij hier maar vandaan waren. 117

Koning Hendrik.

Op mijn woord, ik wil u wel zeggen, wat ik van den koning denk; ik geloof, dat hij nergens anders wenscht te zijn dan waar hij is.

Bates.

Dan wenschte ik, dat hij hier alleen was; dan zou hij zeker wezen van voor losgeld vrij te komen en dan was het leven van menigen armen duivel gered.

Koning Hendrik.

Ik durf zeggen, dat gij hem niet zulk een kwaad hart toedraagt om hem hier alleen te wenschen, al zegt ge dit ook om te polsen, hoe anderen denken. Mij dunkt, ik zou nergens zoo gelaten sterven dan in het gezelschap [589]van den koning, omdat zijn zaak rechtvaardig en zijn strijd eervol is.

Williams.

Dat is meer dan wij weten.

Bates.

Ja, en meer dan ons past te onderzoeken; want wij weten genoeg, als wij weten, dat wij des konings onderdanen zijn. Als zijn zaak onrechtvaardig is, uit ons wischt onze gehoorzaamheid aan den koning de zonde er van weg.

Williams.

Maar als zijn zaak niet goed is, dan heeft de koning zelf een zware rekening te vereffenen, wanneer al die beenen en armen en hoofden, die in een veldslag afgehouwen zijn, zich verzamelen en allen roepen: „wij stierven daar en daar”; eenigen vloekend, sommigen om een wondheeler jammerend, sommigen om hun vrouwen, die zij in armoede achterlieten, anderen om hun onbetaalde schulden, anderen om hun onverzorgde kinderen. Ik vrees, dat er weinigen zijn, die goed sterven, als zij in een veldslag sterven; want hoe kunnen zij eenige christelijke beschikking maken, als bloed hun eenige gedachte is? Nu, en als die menschen niet goed sterven, dan ziet het er donker uit voor den koning, die hen er toe gebracht heeft, daar toch ongehoorzaamheid aan hem tegen alle regels van onderdanigheid zou strijden. 153

Koning Hendrik.

Dus, als een zoon, die door zijn vader op den handel wordt uitgezonden, in zijn zonden op zee verongelukt, zou, volgens uw regel, de schuld van zijn goddeloosheid neerkomen op den vader, die hem uitzond. Of als een dienaar, die op zijns meesters bevel een som gelds overbrengt, door roovers wordt overvallen en in vele onverzoende ongerechtigheden sterft, zoudt gij zeggen, dat de zaken van den meester de oorzaak zijn van het eeuwig verderf van den dienaar. Maar dit is zoo niet; de koning is niet verantwoordelijk voor het uiteinde van elk zijner soldaten in het bijzonder, zoo min als de vader voor dat van zijn zoon, of de meester voor dat van zijn dienaar, want zij verlangen hun dood niet, als zij hun diensten verlangen. Bovendien, er is geen koning, hoe vlekkeloos zijn zaak ook zij, die haar, als de wapenen moeten beslissen, met louter vlekkelooze soldaten kan uitmaken. Sommigen hebben misschien de schuld van voorbedachten en opzettelijken doodslag op hun geweten; anderen de misleiding van maagden door het verbroken zegel des meineeds; anderen weer maken zich van den oorlog een bolwerk, nadat zij den zachten boezem des vredes door roof en plundering hebben opengereten. Als deze menschen nu aan de gerechtigheid ontsnapt en de straf in hun land ontloopen zijn, hebben zij, al konden zij menschen te snel zijn, toch geen vleugels om God te ontvlieden; de oorlog is zijn gerechtsdienaar, de oorlog is zijn wraak; zoodat hier menschen wegens vroegere verbreking van ’s konings wetten door den lateren strijd des konings gestraft worden; waar zij den dood vreesden, hebben zij er het leven afgebracht; en waar zij veiligheid zochten, komen zij om. Dus, als zij onvoorbereid sterven, is de koning evenmin schuldig aan hun eeuwig verderf, als hij vroeger schuldig was aan die misdaden, voor welke zij nu bezocht worden. De dienst van iederen onderdaan is des konings, maar de ziel van iederen onderdaan is zijn eigene. Daarom moest ieder soldaat in den oorlog doen, wat ieder kranke in zijn bed doet: zijn geweten rein wasschen van ieder stofje; en als hij zoo sterft, is het sterven hem gewin; of, sterft hij niet, dan is het hem een zegenrijk tijdverlies, waarin hij zulk een voorbereiding won. En voor hem, die er het leven afbrengt, zal het geen zonde wezen, als hij denkt, dat God, in wiens hand hij zich zoo gewillig gegeven heeft, hem dien dag heeft laten overleven, om Zijn grootheid te zien en anderen te toonen, hoe zij zich moeten voorbereiden.

Williams.

Dit is zeker, ieder die in zonde sterft: de zonde op zijn eigen hoofd! De koning heeft die niet te verantwoorden.

Bates.

Ik verlang niet, dat hij voor mij verantwoordelijk is; en toch ben ik besloten wakker voor hem te vechten. 201

Koning Hendrik.

Ik heb zelf den koning hooren zeggen, dat hij zich niet wil laten vrijkoopen.

Williams.

Ja, dat heeft hij gezegd, opdat wij lustig zouden vechten; maar als ons de hals is afgesneden, kan hij nog wel vrijgekocht worden en zijn wij er toch niet verder mee.

Koning Hendrik.

Als ik dat beleef, zal ik nimmer aan zijn woorden meer geloof slaan.

Williams.

Gij zult het hem dus betaald zetten! Dat is een gevaarlijk schot uit een vlierboomhouten geweer, door de ontevredenheid van een arm onderdaan op een monarch afgevuurd! Even goed kunt gij beproeven, de zon in ijs te veranderen, door haar met een pauwenveertje in ’t gelaat te waaien. Gij wilt nooit meer aan zijn woorden geloof slaan? loop, dat is een dwaas zeggen!

Koning Hendrik.

Uw uitval is wel wat al te heftig; ik zou boos op u zijn, als de tijd het toeliet.

Williams.

Laat ons er dan om vechten, als gij in het leven blijft.

Koning Hendrik.

Dat neem ik aan.

Williams.

Waaraan zal ik u erkennen?

Koning Hendrik.

Geef mij eenig onderpand [590]van u, en ik zal het op mijn muts dragen; als gij het dan durft erkennen, zal ik er om vechten.

Williams.

Hier is mijn handschoen; geef gij er mij een van u.

Koning Hendrik.

Daar.

Williams.

Dien wil ik ook op mijn muts dragen. Als gij ooit, na morgen, tot mij komt en zegt: „dat is mijn handschoen,” mijn hand er op, dan geef ik u een oorveeg.

Koning Hendrik.

En als ik het beleef, dat ik dien handschoen weer zie, zal ik hem terugvorderen.

Williams.

Gij zult u wel even gaarne laten hangen.

Koning Hendrik.

Nu, ik doe het, al tref ik u in des konings gezelschap aan.

Williams.

Houd uw woord; vaarwel!

Bates.

Legt het bij, gij Engelsche zotten, legt het bij; wij hebben Fransche twisten genoeg, als gij verstand hadt van rekenen.

Koning Hendrik.

Inderdaad, de Franschen kunnen wel twintig Fransche kronen tegen één zetten, dat zij ons zullen slaan; want zij dragen hun Fransche kale kroontjes op den kop. Maar het is voor een Engelschman geen hoogverraad, Fransche kronen te besnoeien, en morgen zal de koning zelf een snoeier en kerver zijn. 246

(De Soldaten af.)

Ja, op den koning! laden wij ons leven,

Ziel, schulden, bange vrouwen, kind’ren, zonden,

Den koning op!—Wij moeten alles dragen.

O, drukkend lot der vorsten, tweelingbroeder

Der grootheid, onderdaan te zijn van de’ adem

Van elken zotskap, die voor niets gevoel heeft

Dan voor zijn eigen hartzeer! Hoeveel zielsrust,

Aan burgers toebedeeld, ontbeert een koning!

En wat, wat heeft een koning voor op burgers,

Dan luister, luister, die voor ieder blinkt?

En wat, wat zijt gij, menschen-afgod luister,

Wat zijt gij voor een god, dat ge aardsche nooden

Meer lijden moet, dan uw aanbidders doen?

Wat hebt gij als bezitting, wat als renten?

O, luister, wijs mij aan, wat is uw waarde?

Wat is de ziel der hulde, u toegebracht?

Zijt gij iets anders nog dan plaats, rang, vorm,

Ontzag en vrees bij and’re menschen wekkend,

Maar, hoe gevreesd ook, toch veel min gelukkig

Dan zij in hunne vrees?

Wat drinkt gij vaak in steê van zoete hulde,

Dan ’t gif der vleierij? O, groote grootheid,

Word ziek, en zoek genezing bij uw luister!

Gelooft gij, dat de vuur’ge koorts zal wijken

Voor titels, toegeruischt door kruiperij?

Verdwijnen zal voor lenig, diep gebuig?

Staat met des beed’laars knie ook zijn gezondheid

U ten gebode? Neen, gij trotsche droom,

Die met eens konings rust zoo listig speelt,

Ik ben een koning, die u kent; ik weet,

Rijksappel niet, niet scepter, noch de balsem,

Noch zwaard, noch staf, noch vorstlijk diadeem,

Noch ’t kleed, doorwerkt met goud en parels, noch

De titels, voor een koning uitgegalmd,

De troon, waar hij op zit, de vloed van praal,

Die tegen ’s werelds hoogen oever klotst,

Dit alles, neen, geen driewerf kostb’re luister,

Dit alles—kan niet, in een staatsiebed,

Zoo rustig slapen als de lage slaaf,

Die met gevulden buik en ledig hoofd

Ter rust zich legt, verzaad van ’t brood des zwoegens,

De schrikb’re nacht, het hellekind, nooit ziet,

Maar als een knecht, van ’t morgenrood tot de’ avond,

Voor Phebus’ oogen zweet, en heel de nacht

Slaapt in Elysium, rijst bij ’t morgenkrieken

En Hyperions rossen aan helpt spannen,

En zoo het stadig ijlend jaar steeds bijhoudt

Met winstenbrengende’ arbeid tot aan ’t graf.

Omstraalde een vorst geen luister, o, dan ware

Zulk een armzaal’ge slover, die in arbeid

De dagen afspint en in slaap de nachten,

Een koning vóór en won het ver hem af.

De slaaf, een deelnoot in den vreê des lands,

Geniet dien; maar ’t grof brein bevroedt het luttel,

Hoe staâg de koning voor dien vrede waakt,

Welks uren meest den boer ten voordeel zijn.

(Erpingham komt op.)

Erpingham.

In zorg, heer, zijn uw eed’len om uw afzijn,

En zoeken u in ’t leger.

Koning Hendrik.

En zoeken u in ’t leger. Oude vriend,

Roep gij hen allen samen in mijn tent;

Ik zal nog voor u daar zijn.

Erpingham.

Ik zal nog voor u daar zijn. ’k Ga, mijn vorst.

(Erpingham af.)

Koning Hendrik.

O, God der scharen, staal mijn krijgers ’t hart;

Vervul hen niet van vrees; ontneem hun nu

’t Begrip van reek’nen, zoo des vijands aantal

Hun ’t hart ontrukken zou!—O, Heer, denk heden,

O, heden niet, gedenk niet aan de zonde

Mijns vaders bij het grijpen naar de kroon!

’k Heb Richards lijk op nieuw ter aard besteld,

Er meer oprechte tranen aan gewijd,

Dan door geweld er druppels bloed uit vloten.

Een jaargeld geef ik aan vijfhonderd armen,

Die tweemaal daags de maag’re hand ten hemel

Verheffen, dat dit bloed vergeven zij;

En twee kapellen zijn door mij gebouwd,

Waar ernstig, plechtig steeds de priesters zingen[591]

Voor Richards ziele. Meer nog wil ik doen,

Al zij, al wat ik doen wil, zonder waarde,

Omdat mijn boete toch na alles komt,

Vergiff’nis smeekend.

(Gloster komt op.)

Gloster.

Mijn vorst!

Koning Hendrik.

De stem mijns broeders Gloster?—Ja;

Ik weet, waartoe gij komt en ga met u;—

De dag, mijn vrienden, alles roept mij nu.

(Beiden af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Het Fransche legerkamp.

De Dauphijn, Orleans, Rambures en Anderen komen op.

Orleans.

De zon verguldt reeds onzen wapendos; Mijn’ heeren, op!

Dauphijn.

Montez à cheval!—Mijn paard! varlet! lacquay! ha!

Orleans.

O, fiere moed!

Dauphijn.

Via!—les eaux et la terre!

Orleans.

Rien puis? l’air et le feu!

Dauphijn.

Le ciel! neef Orleans.

(De Connetabel komt op.)

Le ciel! neef Orleans. Nu, connetabel?

Connetabel.

Hoor, hoe de rossen brieschen van verlangen!

Dauphijn.

Bestijgt hen, striemt de flanken hun in bloed!

Dit spring’ dan heet den Engelschen in de oogen,

En doov’ hen met moeds-overvloeiing! ha!

Rambures.

Wat! weenen zouden ze onzer paarden bloed?

Hoe kunt gij dan hun eigen tranen zien? 13

(Een Bode komt op.)

Bode.

De vijand staat geschaard, gij pairs van Frankrijk!

Connetabel.

Te paard! gij dappre prinsen! fluks te paard!

Ziet hen slechts aan, die arme hongerlijders;

En reeds uw glans zuigt hun de zielen uit,

Laat schalen, doppen slechts van menschen over.

Er is geen werk genoeg voor onze handen,

Nauw bloed genoeg in al hun ziek’lijke aad’ren,

Dat elke kortelas een smet ontvang’,

Die onze dapp’ren heden zullen trekken,

Maar dra weer bergen bij gebrek aan buit.

Laat ons op hen slechts blazen; want dan werpt

De wasem onzer dapperheid hen om.

’t Is uitgemaakt en duldt geen twijfel, heeren,

Dat reeds de tros van legerknechts en boeren,

Die nutt’loos zwermend onze krijgerscharen

Omgeven, mans genoeg ware om dit veld

Te zuiv’ren van een zoo armzaal’gen vijand,

Al namen wij een standpunt aan dien berg

Om werkloos toe te zien. Doch dit gedoogt

Onze eer geenszins. Wat zal ik zeggen, heeren?

Laat ons een weinig, bijster weinig doen,

En alles is gedaan. Geev’ de trompet

Het sein! Stijgt op en schaart u; want ontzet

Verbleek’ die schaar, en zonder tegenweer

Legge England knielend ons de wapens neer!

(Grandpré komt op.)

Grandpré.

Wat sammelt gij zoo lang, gij pairs van Frankrijk?

Die eiland-krengen, wien geen hoop meer rest

Voor hun gebeent’, ontsieren ’t morgenveld;

Armzalig fladd’ren hun gescheurde vodden,

Die onze lucht verachtend schokt en schudt.

Wat beed’laarsbende! Mars schijnt daar bankroet,

Gluurt angstig door een roestig helmvizier;

De ruiters zitten daar als luchterbeelden,

Die toortsen dragen; van hun knollen hangt

De kop laag neer, de huid en heupen lillen,

Slijm vloeit hun uit het lichtloos, brekend oog,

En in hun slappen bek ligt hun gebit, 49

Groen van ’t gekauwde gras, stil, onbeweeglijk;

En over allen vliegen reeds hun beulen,

De drieste kraaien, hunk’rend naar haar uur.

Doch geen beschrijving kan de woorden vinden,

Om ’t leven af te malen van een schaar,

Die, levend, reeds zoo levenloos zich toont.

Connetabel.

Zij wachten, na gedaan gebed, den dood.

Dauphijn.

Zegt, willen wij hun kost en kleed’ren zenden,

En voor hun uitgevaste paarden voêr,

En daarna met hen vechten?

Connetabel.

Ik wacht slechts op mijn standaard. Maar, in ’t veld!

Ik wil van een trompetter ’t vaantje nemen;

Dit dien’ mij bij mijn haast. Op, tot den strijd!

De zon staat hoog reeds; wij verdoen den tijd.

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Het Engelsche legerkamp.

Het Engelsch leger, Gloster, Bedford, Exeter, Salisbury en Westmoreland komen op.

Gloster.

Waar is de koning?

Bedford.

Hij reed van hier, om hen geschaard te zien.

Westmoreland.

Zij hebben zestigduizend strijdb’re mannen.

Exeter.

Vijf tegen één; en dan, ’t zijn versche troepen.

[592]

Salisbury.

God zij met ons! hun overmacht is schrikk’lijk.

Behoede u God, mylords! mij roept mijn plicht;

Zien wij elkaar niet weer, dan in den hemel,

Dan, welgemoed,—mijn eed’le hertog Bedford,

En waarde heeren Gloster, Exeter,—

En, beste neef,—gij strijders, vaart dan wel!

Bedford.

Vaarwel, mijn Salisbury; geluk verzelle u!

Exeter.

Vaarwel, mijn waarde lord; strijd dapper heden!

Doch ik beleedig u door zulk vermaan;

Gij zijt van de echte stof der dapperheid.

(Salisbury af.)

Bedford.

Hij is zoo rijk aan dapperheid als goedheid;

Vorstlijk in beide.

(Koning Hendrik komt op.)

Westmoreland.

O, hadden wij nu hier

Slechts één tienduizendtal van hen in England,

Die heden niets doen.

Koning Hendrik.

Wie is ’t, die dit wenscht?

Mijn neef van Westmoreland?—Neen, waarde neef, 19

Wacht ons de dood, genoeg is ons getal

Om England te doen treuren; wacht ons ’t leven,

Hoe kleiner tal, te meer deelt elk in de eer.

Gods wil geschiede! wensch geen man hier meer.

Bij Jupiter, ik heb geen dorst naar goud,

En vraag niet, wie er op mijn kosten teert,

Mij deert het niet, als men mijn kleed’ren draagt:

Mijn ziel streeft niet naar zulk uitwendig goed;

Maar is het zondig, eere te begeeren,

Dan leeft geen zondaar thans, zoo boos als ik.

Neen, neef, wensch niet één man uit England hier;

Bij God, ik wil niet zooveel eere derven,

Als, dunkt mij, één man meer mij rooven zou,—

Voor niets ter wereld. Wensch niet één man meer;

Roep, Westmoreland, veeleer door ’t leger uit,

Dat, wie voor dezen strijd den moed niet heeft,—

Laat hem vertrekken, hem een paspoort reiken,

En steek, tot reisgeld, kronen in zijn beurs;

Wij willen niet in diens gezelschap sterven,

Die de gemeenschap ducht met onzen dood.

Het is van daag het Crispianusfeest;

Wie ’t overleeft en welbehouden thuis komt,

Springt, als die dag genoemd wordt, plotsling op,

Verheft zich bij den naam van Crispianus.

Wie dezen dag doorleeft en de’ ouden dag ziet,

Noodt op den heil’gen avond vóór deez’ dag

Zijn buren jaarlijks tot een feest en zegt hun:

„De dag van morgen is Sint Crispianus”;

En dan stroopt hij zijn mouw op, toont zijn wonden,

En zegt: „Die zijn van Sint-Crispinusdag”.

Schoon de ouderdom vergete, hij moge alles

Vergeten zijn, maar weet toch nog uitvoerig,

Wat daden hij op dien dag heeft verricht;

En onze namen zullen in zijn mond

Gemeenzaam zijn als alledaagsche woorden:

Hendrik de koning, Bedford, Exeter,

Warwick en Talbot, Salisbury en Gloster;

En volle bekers houden die in eer.

De goede man vertelt zijn zoon dien strijd,

En nimmer daagt Crispinus Crispianus,

Van dezen dag tot ’s werelds ondergang,

Of op dien dag wordt er van ons gesproken,

Ons, wein’gen, ons, gelukkigen, ons, broeders;

Want wie vandaag met mij zijn bloed vergiet,

Hij zal mijn broeder zijn; hoe laag zijn stand

Ook zijn moog’, aad’len zal dien deze dag;

En Engelsche edellieden, nu in bed,

Vervloeken ’t eens, dat zij alhier niet waren,

En zwijgen als vernietigd, spreekt er iemand,

Die met ons vocht op Sint-Crispinusdag.

(Salisbury komt weder op.)

Salisbury.

Mijn hooge vorst, maak u met spoed gereed;

De Franschen staan in al hun praal geschaard,

En zullen onverwijld den aanval doen.

Koning Hendrik.

Wij zijn geheel gereed, zoo ’t hart het is. 71

Westmoreland.

Verga de man, wiens hart nog achterblijft!

Koning Hendrik.

Wenscht gij niet langer hulp uit England, neef?

Westmoreland.

Gehengde ’t God, mijn vorst, dat gij en ik

Geheel alleen den strijd beslechten konden!

Koning Hendrik.

Zie, nu wenscht gij vijfduizend strijders weg;

Dit lijkt mij beter, dan één meer te wenschen.—

Gij allen kent uw plaatsen;—God zij met u!

(Trompetgeschal. Montjoye komt op.)

Montjoye.

Nog eenmaal kom en vraag ik, koning Hendrik,

Of ge over losgeld onderhand’len wilt

Vóór uw niet af te wenden nederlaag;

Want waarlijk, bij den maalstroom zijt gij reeds,

Gij moet verzwolgen worden. Bovendien

Zegt uit erbarmen u de connetabel;

Vermaan tot boete uw volk, opdat hun zielen

In vrede naar een beter wijkplaats scheiden

Dan deze velden, waar hun arme lijven

Ter rotting zullen liggen.

Koning Hendrik.

Ter rotting zullen liggen. Wie zendt thans u?

Montjoye.

De connetabel van het Fransche rijk.

Koning Hendrik.

Ik bid u, breng mijn vorig antwoord weer:

Maakt eerst mij af, verhandelt dan mijn beend’ren.

Algoede God, wat hoonen zij ons, armen![593]

De man, die eens de huid des leeuws verkocht,

Toen ’t beest nog leefde, kwam bij ’t jagen om.

Recht velen onzer vinden, dit vertrouw ik,

Te huis een graf, waarop, zoo ’k hoop, een bronzen

Getuig’nis leven zal van dezen dag;

En hij, die hier zijn dapp’re beendren laat,

Manmoedig stervend,—schoon in mest bedolven,—

Hij wordt beroemd; de zon begroet hem daar,

En doet zijn eer als damp ten hemel stijgen,

Terwijl zijn aardsche deel uw lucht verderft,

En door zijn stank in Frankrijk pest verwekt.

Zie, zoo vol dapperheid is Englands volk,

Dat het, schoon dood, gelijk een opstuit-kogel,

Nog losbreekt in een tweede vaart van onheil

En met herleving van zijn moordlust doodt.

Fier wil ik spreken; zeg den connetabel,

Dat wij slechts krijgers voor een werkdag zijn,

Ons praalgewaad en goudpronk overspat

Door regenmarschen zijn in ’t moeilijk veld,

Geen vederspriet meer onze helmen siert,—

Een goede waarborg, dat we u niet ontvliegen,—

En ons de tijd recht haav’loos heeft gemaakt,

Maar ’t hart, bij God, steeds in zijn feestdos is.

En mijn arm krijgsvolk zegt mij, vóór de nacht

Verlangt het schoone kleedren, of het trekt

De fraaie nieuwe rokken van de Franschen 118

Hun over ’t hoofd en jaagt hen uit den dienst.

Als zij dit doen,—en zoo het God behaagt,

Doen zij het wis,—dan is mijn losgeld spoedig

Bijeengebracht.—Heraut, spaar verd’re moeite,

Kom, goede vriend, geen losgeld hier meer vragen;

Geen ander bied ik aan, dan deze leden,

Die, als ik hun ze laten zal, verminkt

En waardloos zijn.—Zeg dit den connetabel.

Montjoye.

Dit zal ik, koning Hendrik. Vaar dan wel;

Van geen heraut zult gij nu verder hooren.

(Montjoye af.)

Koning Hendrik.

Ik vrees, gij komt nog eens om losgeld weer.

(De hertog van York komt op.)

York.

Mijn vorst, op mijne knieën smeek ik u,

De voorhoede aan te mogen voeren.

Koning Hendrik.

Goed, wakk’re York.—Op, mannen! ’t zij gewaagd!

Bestuur ’t, o God! zooals het u behaagt!

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Het slagveld.

Strijdgedruisch; schermutselingen. Een Fransch Soldaat, Pistool en de Jongen komen op.

Pistool.

Geef u over, hond!

Soldaat.

Je pense, que vous estes le gentilhomme de bonne qualité.

Pistool.

Kaliteef? kale hond! zijt gij een edelman?

Hoe is uw naam? spreek op!

Soldaat.

O Seigneur Dieu!

Pistool.

O, Sinjeur Djoe moet wel van adel zijn.

Weeg nu mijn woorden, Sinjeur Djoe, merk op:

O Sinjeur Djoe, mijn kling, gij springt er over,

Zoo gij, Sinjeur, mij geen uitbundig losgeld

Betalen wilt.

Soldaat.

O, prenez miséricorde! ayez pitié de moy!

Pistool.

Mooi praten helpt niet, goud verlang ik, goud;

Of ik haal u het darmnet uit uw strot,

In droppels purp’ren bloed.

Soldaat.

Est-il impossible d’eschapper la force de ton bras? Grâce! grâce!

Pistool.

Gras zegt ge, gras?

O gij verdoemde, loopsche haas, gij grasbuik,

Biedt gij mij gras?

Soldaat.

O pardonne moy!

Pistool.

Wat zegt gij? een paar ton? twee tonnen moois?

Wat moois? wat geld? knaap, vraag dien schelm in ’t Fransch,

Hoe of hij heet. 25

Jongen.

Escoutez, comment estes vous appellé?

Soldaat.

Monsieur le Fer.

Jongen.

Hij zegt, dat zijn naam is Mosjeur Fer.

Pistool.

Mosjeu Fer! ik wil hem beferren en beferken en befenkelen.—Verklaar hem dit in ’t Fransch.

Jongen.

Ik weet het Fransch niet voor beferren en befenkelen en beferken.

Pistool.

Hij zij bereid, ik snijd de keel hem af.

Soldaat.

Que dit il, monsieur?

Jongen.

Il me commande à vous dire que vous faites vous prest; car ce soldat icy est disposé tout à cette heure de couper vostre gorge.

Pistool.

Ouy, coupe legorge, par ma foy, gij boer,

Als gij geen kronen geeft, een zak met kronen;

Of anders hakt dit zwaard u in de pan.

Soldaat.

O, je vous supplie pour l’amour de Dieu, me pardonner. Je suis le gentilhomme de bonne maison; gardez ma vie, et je vous donneray deux cents escus.

Pistool.

Wat zegt hij daar?

Jongen.

Hij bidt u zijn leven te sparen; hij is een edelman van goeden huize, en hij wil u tweehonderd kronen als losgeld geven.

Pistool.

Zeg hem dan dit:

Mijn woede luwt, de kronen wil ik nemen.

[594]

Soldaat.

Petit monsieur, que dit il?

Jongen.

Encore qu’il est contre son jurement de pardonner aucun prisonnier, néantmoins, pour les escus que vous l’avez promis, il est content à vous donner la liberté, le franchisement.

Soldaat.

Sur mes genoux je vous donne mille remerciemens, et je m’estime heureux que je suis tombe entre les mains d’un chevalier, je pense, le plus brave, valiant, et très-distingué seigneur d’Angleterre.

Pistool.

Vertolk mij dit, gij knaap!

Jongen.

Hij zegt u op zijn knieën duizendmaal dank; en hij acht zich gelukkig, dat hij in de handen gevallen is van een, die, naar hij meent, de dapperste, moedigste en waardigste seigneur is van Engeland.

Pistool.

Bij ’t bloed, dat ik steeds zuig, ik voel erbarmen. Volg mij.

Jongen.

Suivez vous le grand capitaine.

(Pistool en de Fransche Soldaat af.)

Van mijn leven heb ik zulk een volle stem niet hooren komen uit een ledig hart; maar het zeggen is waar: in holle vaten zit de meeste klank. Bardolf en Nym hadden tienmaal meer moed dan deze brullende duivel uit de oude zinnespelen, wien iedereen de nagels met een houten dolk korten kan; en die zijn beiden gehangen; en dat zou hem ook gebeurd zijn, als hij iets stoutweg had durven stelen. Ik moet bij den tros, bij de legerbagage, blijven in het kamp; als de Franschen het wisten, zouden zij een mooien buit op ons kunnen behalen, want alleen jongens zijn er bij, om de wacht te houden.

(De Jongen af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Krijgsgedruisch. De Dauphijn, Orleans, Bourbon, de Connetabel, Rambures en Anderen komen op.

Connetabel.

O, diable!

Orleans.

O, Seigneur!—le jour est perdu! tout est perdu!

Dauphijn.

Mort de ma vie! ten duivel alles! alles!

Smaad, eeuw’ge schande zetelt hoonend nu

In onze vederpluimen!—O, meschante fortune!

(Een kort strijdgedruisch.)

Niet vluchten! staat!

Connetabel.

Niet vluchten! staat! Niet één gelid houdt stand.

Dauphijn.

O, eeuw’ge smaad!—doorsteken wij onszelven!

Is dit de bende, waar we om dobbelden?

Orleans.

Is dit de koning, wien wij losgeld eischten?

Bourbon.

O schande, en eeuw’ge schande, niets dan schande!

Laat ons in eere sterven! nogmaals kampen!

En hij, die thans Bourbon niet volgen wil,

Ga heen en houde, ’t hoofd ontbloot, de wacht,

Gelijk een lage kopp’laar, voor de kamer,

Waarin een slaaf, niet eed’ler dan mijn hond,

De schoonste zijner dochters hem onteert!

Connetabel.

Was wanorde ons verderf, die helpe ons nu!

Laat ons in dichte drommen ’t leven off’ren!

Orleans.

Er zijn er nog genoeg van ons in leven,

Om in ’t gedrang den vijand te verstikken,

Indien slechts aan een plan te denken waar’.

Bourbon.

Ter helle een plan! ons in ’t gedrang gestort!

Zijn smaad verlengt, wie niet zijn leven kort.

(Allen af.)

[Inhoud]

ZESDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Strijdgedruisch. Koning Hendrik, Exeter en Anderen komen op, met troepen.

Koning Hendrik.

Veel is volbracht, maar, dapp’re landgenooten,

Gedaan is ’t niet; nog houdt de vijand stand.

Exeter.

De hertog York laat uwe hoogheid groeten.

Koning Hendrik.

Oom, leeft hij? Driemaal zag ik in dit uur

Hem vallen, driemaal opstaan en weer vechten;

Van helm tot spoor was hij met bloed bedekt.

Exeter.

In dien tooi ligt de dapp’re held en maakt

Den bodem rijk; en naast zijn bloedig lijk,—

Zijn eergenoot door schoon ontvangen wonden,—

Ligt de eed’le graaf van Suffolk uitgestrekt.

Suffolk stierf eerst, en York, met houw op houw,

Komt tot hem, waar hij in een bloedplas ligt,

En vat hem bij den baard en kust de wonden,

Die bloedig gaapten op zijn aangezicht;

En luide roept hij: „Toef, mijn beste Suffolk,

Mijn ziel verzelle de uwe hemelwaarts;

Toef, waarde ziel, laat ons te zamen vlieden,

Gelijk dit veld, door dapp’ren strijd verheerlijkt,

Ons samen eed’len ridderplicht zag doen.”

Toen hij dit riep, kwam ik en sprak hem aan;

Hij glimlachte mij toe, en greep mijn hand,

En sprak, ze krachtloos drukkend: „Waarde lord,

Breng aan mijn heer en vorst mijn laatsten groet.”

Zich wendend, sloeg hij toen om Suffolk’s hals

Zijn bloedige’ arm, en kuste hem de lippen,[595]

En zegelde, aan den dood gehuwd, met bloed

Een testament van schoon besloten vriendschap.

Dit teeder, lieflijk doen ontperste mij

Deez’ druppels, die ik gaarne had gestuit,

Doch daartoe voelde ik mij niet mans genoeg;

Mijn moeder nam geheel mijn oogen in

En gaf me aan tranen prijs.

Koning Hendrik.

En gaf me aan tranen prijs. Ik gisp u niet;

Want ik, die ’t hoor, heb met omnevelde oogen

Mij goed te houden, of zij breken ook

In tranen uit.—(Strijdgedruisch.)

In tranen uit.—(Strijdgedruisch.) Doch hoor, nieuw slaggedruisch!—

De vijand trok zijn macht weer saam!— Daarom,

Elk krijger doode nu zijn krijgsgevang’nen!

Gaat, zegt dit voort!

(Allen af.)

[Inhoud]

ZEVENDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Strijdgedruisch. Fluellen en Gower komen op.

Fluellen.

De jongens en de pagage om te prengen! Het is uitdrukkelijk tegen de wetten van den oorlog; het is zulk een schurkenstreek van schelmerij, let wel op, als volpracht kan worden; op uw geweten af, is het niet?

Gower.

Zooveel is zeker, zij hebben geen jongen in het leven gelaten, en juist diezelfde laffe schurken, die uit den slag wegliepen, hebben die slachting aangericht. Bovendien hebben zij alles verbrand en weggeroofd, wat in des konings tent was, waarom de koning naar verdienste allen soldaten bevolen heeft hun krijgsgevangenen den hals af te snijden. O, hij is een dapper koning!

Fluellen.

Ja, hij is geporen te Monmouth, oferste Gower. Hoe noemt gij den naam van de stad, waar Alexander de Lange is geporen?

Gower.

Alexander de Groote!

Fluellen.

Nu, ik pit u, is Lang niet groot? De Lange, of de Groote, of de Hooge, of de Kloekmoedige, zijn alle één soort van dingen te rekenen; behalfe de uitdrukking is er een weinig variaties.

Gower.

Alexander de Groote, meen ik, is in Macedonië geboren; zijn vader heette Philippus van Macedonië, zoo ver ik weet.

Fluellen.

Ik meen, het is in Macedonië, waar Alexander is geporen. Ik zeg u, oferste, als gij ziet in de kaarten ter wereld, ik sta er foor in, dan zult gij finden in de vergelijkingen tusschen Macedonië en Monmouth, dat de liggingen, siet gij, beide gelijk is. Daar is een rifier in Macedonië, en daar is ook povendien een rifier te Monmouth; die heet de Wye te Monmouth, maar het is weggeraakt in mijn prein, wat is de naam fan die andere rifier, maar dat is alles hetzelfde, ’t is zoo gelijk als mijn fingers is met mijn fingers, en er is zalmen in beide. Als gij Alexanders leven wel opgemerkt, Hendrik van Monmouth’s leven komt achterna tamelijk wel, want daar is gelijking in alle tingen. Alexander,—God weet het en gij weet het ook,—in zijn gramschappen en zijn woeden en zijn torens en zijn gallen en zijn grillen en zijn verdrietigheden en zijn poosheden, en dewijl hij ook een peetje in zijn prein peschonken is gewezen, zoo heeft hij in zijn pierluim en zijn poosheid, siet gij, zijn pesten friend omgebracht, Clytus.

Gower.

Daarin gelijkt onze koning niet op hem, die heeft nooit een van zijn vrienden omgebracht.

Fluellen.

Het is niet wel gedaan, versta mij wel, mij de geschiedenissen uit mijn mond te nemen, eer het gereed is en afgewerkt. Ik spreek maar van de afpeeldingen en de gelijkenissen er van. Zooals Alexander zijn vriend Clytus heeft omgebracht, toen hij in zijn pierluim en zijn pekeren is gewezen, zoo heeft ook Hendrik Monmouth, toen hij bij zijn goed verstand en zijn prave inzichten was, den dikken ritter met den grooten tuppelen puik weggezonden; hij was fol grappen en knepen en schelmerijen en spotternijen; en ik heb zijn naam fergeten.

Gower.

Sir John Falstaff.

Fluellen.

Dat is hij. Laat u zeggen, er is prafe mannen geporen in Monmouth.

Gower.

Daar komt zijn majesteit. 57

(Strijdgedruisch. Koning Hendrik komt op, met een gedeelte der Engelsche troepen, verder Warwick, Gloster, Exeter en Anderen.)

Koning Hendrik.

Sinds ik naar Frankrijk kwam, was ik niet toornig;

Dan deze maal.—Heraut, neem een trompetter;

Rijd naar de ruiters op den heuvel ginds;

Hun keus is: af te dalen, om te vechten,

Of ’t veld te ruimen; de aanblik ergert ons.

Maar toeven zij, dan vallen wij hen aan,

Dat zij van hier verstuiven, ras als steenen,

Assyrië’s slingers van weleer ontsneld.

Dan slaan wij allen, die wij vangen, dood;

Geen enkel man, die ons in handen valt,

Vindt dan genade.—Ga en zeg hun dit.

(Montjoye komt op.)

Exeter.

Daar nadert de heraut der Franschen, heer.

Gloster.

Zijn blik is veel bescheid’ner dan voorheen.

Koning Hendrik.

Hoe is ’t, heraut, wat wilt ge? weet gij niet,

Dat ik als losprijs u mijn beend’ren bood?

Komt gij om ’t losgeld weer?

[596]

Montjoye.

Komt gij om ’t losgeld weer? Neen, groote koning.

Thans kom ik om de christelijke vergunning,

Om op dit bloedig veld vrij rond te gaan,

De dooden op te teek’nen, te begraven,

En de eed’len van ’t gemeene volk te scheiden.

Want velen onzer prinsen liggen, ach!

In ’t bloed van huurlingen verstikt, doorweekt;

Zoo baadde ons boerenvolk zijn grove leden

In vorstlijk bloed; en menig bloedend ros

Stampt tot de vetlok in het roode slijk,

En treft met de’ ijz’ren hoef zijn dooden heer,

Hem nogmaals doodend. O, vergun ons, koning,

In veiligheid het slagveld te doorzoeken,

De lijken te verzorgen.

Koning Hendrik.

De lijken te verzorgen. ’k Weet in waarheid,

Heraut, nog niet, of wij verwinnaars zijn

Of niet; ’k zie velen uwer ruiters dwalen,

En jagen over ’t veld.

Montjoye.

En jagen over ’t veld. U is de zege.

Koning Hendrik.

Geloofd zij God, niet onze kracht, er voor!—

Hoe heet het slot, dat ginder zich verheft?

Montjoye.

Men noemt het Agincourt.

Koning Hendrik.

Dan heete dit de slag van Agincourt,

Gestreden op Crispinus Crispianus. 94

Fluellen.

Uw grootvader beroemder gedachtenis, met uwer majesteits verlof, en uw oudoom Edward, de zwarte prins van Wales, zooals ik heb gelezen in de kronieken, hebben een zeer prafen slag hier in Frankrijk gefochten.

Koning Hendrik.

Dat hebben zij, Fluellen.

Fluellen.

Uwe majesteit zegt zeer waar. Als het uwe majesteiten foorstaat, dan deden die fan Wales goeden dienst in een tuin, waar look groeide, en zij droegen look in hun Monmouth-mutsen, wat, zooals uw majesteit weet, tot op dit uur is een eervol veldteeken, en ik geloof, uwe majesteit neemt geen versmading, het look te dragen op Sint-Tavidsdag.

Koning Hendrik.

Ik draag ’t als gedenkwaardig eereteeken;

Gij weet, ik ben uit Wales, mijn wakk’re landsman.

Fluellen.

Al het water van de Wye kan uw majesteit’s Walliser ploed niet uit uw lichaam wasschen, dit kan ik u zeggen; God pehoede het en pewaar’ het, zoolang het zijn genade pehaagt en zijn majesteit povendien.

Koning Hendrik.

Dank, mijn goede landsman.

Fluellen.

Bij Jezus! ik ben uw majesteits landsman, en dat mag iedereen weten; ik wil het aan de geheele wereld pekennen. Ik pehoef mij over uwe majesteit niet te schamen, God zij geprijsd, zoo lang als uwe majesteit is een eerlijke man.

Koning Hendrik.

Zoo sterk’ mij God!—Herauten, gaat met dezen;

En meldt nauwkeurig mij het aantal dooden

Aan beide zijden.—Roep mij gindschen knaap.

(Hij wijst op Williams.—Montjoye en Anderen af.)

Exeter.

Soldaat, gij moet bij den koning komen.

Koning Hendrik.

Soldaat, waarom draagt gij dien handschoen op de muts?

Williams.

Met verlof van uw majesteit, het is een pand van iemand, met wien ik vechten moet, als hij nog in leven is.

Koning Hendrik.

Een Engelschman?

Williams.

Met verlof van uwe majesteit, een schavuit, die mij in de laatste nacht wat voorsnoefde! en als hij nog leeft en het hart heeft dien handschoen op te vorderen, heb ik gezworen hem een oorveeg toe te deelen; of, als ik mijn handschoen op zijn muts zie, gelijk hij, zoo waar hij soldaat is, gezworen heeft hem te zullen dragen, als hij in leven bleef,—zal ik hem een duchtig pak geven.

Koning Hendrik.

Wat dunkt u, overste Fluellen, is het betamelijk, dat deze soldaat zijn eed houdt? 138

Fluellen.

Hij is anders een lafaard en een hondsvot, met verlof van uwe majesteit, op mijn geweten af.

Koning Hendrik.

Het zou kunnen zijn, dat zijn tegenpartij een voornaam edelman was, veel te hoog om aan iemand van zijn rang rekenschap te geven.

Fluellen.

Al was hij een zoo goede edelman, als de tuifel het is, als Lucifer en Pelzepup zelf, toch is het noodig, versta uwe genade, dat hij zijn gelofte houdt en zijn eed. Als hij is een eedbreker, siet gij, dan is zijn reputatie zulk een aartshondsvot en een hansworst, als er ooit een zijn swarte schoenen op Gods aardbodem heeft geset, op mijn geweten, siet gij.

Koning Hendrik.

Zoo houd dan uw eed, knaap, als gij den kerel ontmoet.

Williams.

Dat zal ik, mijn vorst, zoo waar ik leef.

Koning Hendrik.

Onder wien dient gij?

Williams.

Onder overste Gower, mijn vorst.

Fluellen.

Gower is een goed oferste, en is goede wetenschap en gestudeerd in de oorlogen.

Koning Hendrik.

Roep hem hierheen tot mij, soldaat.

Williams.

Terstond mijn vorst.

(Williams af.)

[597]

Koning Hendrik.

Hier, Fluellen, draag gij dit eereteeken voor mij en steek het op uw muts. Toen Alençon en ik te zamen op den grond lagen, rukte ik hem dezen handschoen van zijn helm; als iemand hem terugvordert, is hij Alençons vriend en een vijand van onzen persoon; als gij zoo iemand ontmoet, vat hem dan, zoo gij mij lief hebt.

Fluellen.

Uw genade bewijst mij zoo groote eeren, als maar gewenscht kan worden in de harten van zijn onderdanen. Ik zou wel gaarne willen zien den man, die op maar twee beenen loopt, die zich beleedigd zal vinden door dezen handschoen, dat is alles. Maar ik zou het wel eens willen zien, en het pelieve God in zijn genade, dat ik moge zien.

Koning Hendrik.

Kent gij Gower?

Fluellen.

Hij is mijn waarde vriend, met uw verlof.

Koning Hendrik.

Ik bid u, zoek hem op en breng hem aan mijn tent.

Fluellen.

Ik zal hem halen. 177

(Fluellen af.)

Koning Hendrik.

Mylord van Warwick, en mijn broeder Gloster,

Gaat, volgt Fluellen daad’lijk, op den voet.

De handschoen, dien ik hem als eereteeken

Daar gaf, brengt hem wellicht een oorveeg op;

Hij is van den soldaat; naar de afspraak zou

Ikzelf hem dragen. Volg hem, waarde neef;

Als de soldaat hem slaat,—en ik vermoed,

Omdat hij plomp genoeg is, dat hij woord houdt,—

Dan sproot er licht een plots’ling onheil uit;

Want die Fluellen heeft een hart in ’t lijf,

En vliegt, als hij vergramd is, op als buskruit,

En geeft een smaad op ’t oogenblik terug;

Volgt dus en zorgt, dat zij elkaar geen leed doen.—

Ga gij met mij, mijn oom van Exeter.

(Allen af.)

[Inhoud]

ACHTSTE TOONEEL.

Voor de tent van koning Hendrik.

Gower en Williams komen op.

Williams.

Ik sta er voor in, overste, het is om u tot ridder te slaan.

(Fluellen komt op.)

Fluellen.

Gods wil en zijn welgevallen, overste, ik verzoek u nu, kom terstond bij den koning; er is meer goeds voor u, mogelijkerwijs, dan in uw wetenschap is om van te droomen.

Williams.

Heer, kent gij dezen handschoen?

Fluellen.

Of ik den handschoen ken? Ik weet, de handschoen is een handschoen.

Williams.

Maar ik ken dien, en zoo eisch ik hem op.

(Hij geeft Fluellen een slag.)

Fluellen.

Alle duivels! een aartsverrader, als er één is in de gesamentlijke wereld, of in Frankrijk of in Engeland.

Gower.

Wat beteekent dit, kerel? gij, schurk!

Williams.

Denkt gij, dat ik mijn eed wil breken?

Fluellen.

Ga terug, oferste Gower, ik wil de verraderij haar loon petalen in slagen, dat verzeker ik u.

Williams.

Ik ben geen verrader.

Fluellen.

Dat liegt gij in uw strot.—Ik pefeel u in naam van zijn majesteit, hem te vatten; hij is een friend van den hertog van Alençon.

(Warwick en Gloster komen op.)

Warwick.

Wat is er? wat is er? wat gebeurt hier?

Fluellen.

Mylord van Warwick, hier is,—God zij er voor geprijst!—een hoogst aanstekelijke verraderij aan het licht gekomen, ziet gij, als gij maar wenschen kunt op een zomerdag.—Daar komt zijn majesteit. 24

(Koning Hendrik en Exeter komen op.)

Koning Hendrik.

Wat is er? wat gebeurt hier?

Fluellen.

Mijn vorst, hier is een hondsvot en een verrader, die, zie uw genade, den handschoen geslagen heeft, dien uw majesteit is weggenomen uit den helm van Alençon.

Williams.

Mijn vorst, dit was mijn handschoen; hier is de weergâ er van; en hij, wien ik hem in ruil gegeven heb, beloofde, dat hij hem op de muts zou dragen, en ik beloofde, dat ik hem zou slaan, als hij het deed. Ik ontmoette dezen man met mijn handschoen op zijn muts, en ik ben zoo goed als mijn woord geweest.

Fluellen.

Uw majesteit hooren nu, met alle respect voor uw majesteits manpaarheid, wat een uitpundige, schoftige, armzalige, luizige schelm hij is. Ik hoop, dat uw majesteit mij getuigenis wil afleggen en bekentenis en borg, dat dit de handschoen is van Alençon, dien uw majesteit mij is gegeven, op uw geweten nu.

Koning Hendrik.

Geef mij dien handschoen, soldaat; zie, hier is zijn wedergâ. Ik was ’t, wien gij die slagen hebt beloofd, En, waarlijk, bitt’re woorden moet ik hooren.

Fluellen.

Met uw majesteits verlof, laat zijn hals er voor verantwoordelijk zijn, als er nog een martiale wet is op de wereld.

[598]

Koning Hendrik.

Hoe kunt gij mij voldoening verschaffen?

Williams.

Alle beleedigingen, heer, komen uit het hart; en nooit is er uit het mijne iets gekomen, dat uw majesteit beleedigen kon.

Koning Hendrik.

Wijzelven waren ’t, die gij hebt gesmaad.

Williams.

Uw majesteit kwam niet in de gedaante van uzelf; gij scheent mij slechts een gewoon krijgsman; de nacht, uw kleeding, uw min voorkomen mogen het getuigen; en wat uw hoogheid in deze gedaante heeft moeten lijden, reken dit, bid ik u, uw schuld en niet de mijne; want als gij dat geweest waart, waar ik u voor hield, dan beging ik geen vergrijp; daarom bid ik uw hoogheid, vergeef mij.

Koning Hendrik.

Hier, oom, vul dezen handschoen mij met kronen,

En geef hem dezen knaap.—Gij, borst, behoud hem,

En draag hem op de muts als eereteeken,

Tot ik hem opeisch.—Geef hem nu de kronen.—En,

overste, verzoen u ook met hem. 65

Fluellen.

Pij dezen dag en dit licht, de porst heeft hart genoeg in zijn puik.—Hier, daar is twaalf stuivers voor u, en ik pit u, dien God en houd u buiten gekijf en gekibbel en twist en tweedrachten; en ik sta er voor in, het is des te peter voor u.

Williams.

Ik wil uw geld niet.

Fluellen.

Het is met een goeden wil; ik kan u zeggen, dat het u dienen kan voor het lappen van uw schoenen. Kom, waarom zoudt gij zoo schaamachtig wezen? Uw schoenen is niet te best; ’t is een goede schelling, ik sta er voor in, of ik wil hem wisselen.

(Een Engelsch Heraut komt op.)

Koning Hendrik.

Nu, heraut, zijn de dooden geteld?

Heraut.

Hier is het aantal der gevallen Franschen.

(Hij reikt een papier over.)

Koning Hendrik.

Wat hooge krijgsgevang’nen zijn er, oom?

Exeter.

Charles van Orleans, des konings neef,

Jean van Bourbon, de heer van Boucicault;

Van andre heeren, graven, ridders, jonkers,

Ruim vijftienhonderd buiten al de mindren.

Koning Hendrik.

De lijst hier zegt: tienduizend Franschen liggen

In ’t veld gedood; er zijn, in dit getal,

Geveld, van prinsen en van baanderheeren,

Éénhonderd zes-en-twintig; bovendien,

Aan ridders, jonkers, dappere edellieden,

Achtduizend en vierhonderd, onder welke

Vijfhonderd gist’ren pas geridderd werden;

Zoodat van de tienduizend omgekoom’nen

De huurlingen slechts zestienhonderd zijn,

Al de and’ren prinsen, graven, baanderheeren, ridders,

En edellieden van geboorte en rang.

Dit zijn de namen van hun pairs, die vielen:

Charles de la Bret, des rijks grootconnetabel,

Jacques Chatillon, des konings admiraal,

Der kruisboogschutters hoofdman, heer Rambures,

Frankrijks grootmeester, heer Guichard Dauphin,

De hertogen van Alençon, van Brabant,

De broeder van den hertog van Bourgondië,

De hertog Eduard van Bar, de graven

Grandpré, Roussi en Fauconberg en Foix,

Beaumont en Marie, Vaudemont, Lestrale.

Dat was een drang van vorsten tot den dood!—

Waar is de lijst nu van onze eigen dooden?

(De Heraut reikt een tweede papier over.)

Edward, hertog van York, de graaf van Suffolk,

Sir Richard Ketly, David Gam, esquire; 109

Geen ander man van naam, en van de mind’ren

Slechts vijf-en-twintig.—God! uw arm was hier;

En niet onszelven, uwen arm slechts schrijven

Wij alles toe.—Wanneer ooit zag men, niet

Door listig overvallen, maar door botsing

In ’t open veld en ’t wagen van de krijgskans,

Aan de eene zijde en de andere, een zoo groot

En zoo gering verlies?—O God, aanvaard het;

Want u is ’t, u alleen!

Exeter.

Want u is ’t, u alleen! ’t Is wonderbaar.

Koning Hendrik.

Komt, gaan we in plechtige’ optocht naar het dorp;

En ’t zij aan ’t heer verkondigd, dat de dood

Hem wacht, die op de zege pocht, of Gode

Den roem onthoudt, die hem alleen behoort.

Fluellen.

Is het niet veroorloofd, met uw majesteits welgefallen, te zeggen, hoe velen doodgeslagen is?

Koning Hendrik.

Ja, overste, dit wel, doch met de erkenning,

Dat God hier voor ons streed.

Fluellen.

Ja, op mijn geweten, hij heeft ons praaf gehelpt.

Koning Hendrik.

Geen heil’ge plechtigheid verzuimd!

’t Non nobis aangeheven en Te Deum;

De dooden christ’lijk aan den grond vertrouwd!

Dan naar Calais en voorts naar England; daar

Ontscheepte uit Frankrijk nooit een blijder schaar.

(Allen af.)

[599]