VIJFDE BEDRIJF.
Chorus treedt op.
Chorus.
Vergunt mij, de geschied’nis te verklaren
Voor elk, die haar niet las; hem, die haar kent,
Smeek ik deemoedig om ontschuldiging,
Dat aantal, tijd, de juiste loop der dingen
Hier in haar eigen, rijk en krachtig leven
Niet voor te stellen zijn. Wij brengen thans
Den koning naar Calais; ziet gij hem daar,
Zoo heft hem, op de vleug’len der gedachte,
Weg, over zee. Ziet, Englands kust omzoomt
Den breeden vloed met mannen, vrouwen, knapen;
Zij overjuichen ’t zwaar geklots der zee,
Die, als een grootsch heraut, den koning voorgaand,
Den weg hem schijnt te banen. Laat hem landen,
En ziet zijn zegetocht naar Londen aan.
Zoo snel is der gedachte gang, dat gij
Hem nu alreeds moogt denken in Blackheath;
Daar smeeken hem zijn lords, dat voor hem uit
Zijn zwaar gebutste helm, verbogen kling,
Gedragen worden door de stad. Hij weigert,
Blijft vrij van ijdelheid en zelfverheffing,
Wijst eerekroon, tropee en praal terug, 21
En geeft aan God alle eer. Maar ziet nu, ziet,
In der gedachte vlugge smidse en werkplaats,
Hoe Londens burgerij naar buiten stroomt;
De mayor en heel zijn raad in plechtgewaad
Gaan, als oud-Rome’s senatoren, met
Een zwerm Plebejers achter zich, vooruit
En halen de’ overwinnaar Caesar in;
Zoo,—’t beeld zij klein, ’t is liefdevol,—
Als onzer hooge koninginne veldheer,
Wat dra geschiede!—uit Ierland weder kwam,
En ’t oproer aan zijn zwaard geregen hier bracht,
Hoe velen stroomden uit deez’ stad en riepen
Hem welkom toe! Veel meer, met veel meer reden,
Begroetten zij hun Hendrik.—Denkt hem nu
In Londen, wijl het jamm’ren van de Franschen
Thans Englands koning thuis in vreê doet blijven,
Terwijl de keizer zelfs om Frankrijks wil
Als vredestichter komt;—en springt nu over
Al wat intusschen verder is geschied,
Tot Hendrik nogmaals wederkeert naar Frankrijk.
Daar zij hij thans; den tusschentijd heb ik
Gespeeld, opdat gij weet, dat die verstreek.
Blikt, die verkorting duldend, nu meteen,
Waar de gedachte ’t wil, naar Frankrijk heen.
(Chorus af.)
EERSTE TOONEEL.
Frankrijk. Een wachtpost in het Engelsch legerkamp.
Fluellen en Gower komen op.
Gower.
Gij hebt gelijk. Maar waarom draagt gij vandaag uw look? Sint-Davidsdag is al voorbij.
Fluellen.
Er is aanleidingen en oorzaken, waarom en waarvoor, in alle dingen. Ik wil het u zeggen, als mijn vriend, overste Gower. De schoftige, schurftige, lompige, luizige, snoevende schelm Pistool, dien gij en uw persoon en de geheele wereld voor niets peters kent, ziet gij, dan als een kerel, die niets waard is, hij is bij mij gekomen, en prengt mij gisteren prood en zout, ziet gij, en zegt mij, mijn look er mee te eten. Dat was op een plaats, waar ik geen twist met hem kon peginnen; maar ik wil nu zoo frij wezen het op mijn muts te dragen, tot ik hem weer zie, en dan wil ik hem vertellen een klein peetje van mijn verlangsten.
Gower.
Wel nu, daar komt hij, opgeblazen als een kalkoensche haan. 15
(Pistool komt op.)
Fluellen.
Zijn opplazingen en zijn kalkoensche-hanen raakt mij niet.—God zegen’ u, faandrig Pistool! gij schurftige, luizige schoft, God zegen’ u!
Pistool.
Ha! zijt gij dolheid? Lust het u, Trojaan, Dat ik der Parken stervensweefsel plooi? Weg! ik bezwijm reeds bij de lucht van look!
Fluellen.
Ik verzoek u hartelijk, schurftige, luizige schoft, op mijn wensch en mijn pegeeren en mijn aanhoudingen, dit look, ziet gij, op te eten; omdat gij er niet van houdt, ziet gij, en het uw neigingen en uw lusten en uw spijsverteringen niet goed pekomt, daarom pit ik u het op te eten.
Pistool.
Niet voor Cadwallader en al zijn geiten.
Fluellen.
Daar is een van de geiten voor u. (Hij slaat hem.) Wilt gij zoo goed zijn, schurftige schoft, en het opeten? 31
Pistool.
Gij hond van Troje, gij moet sterven!
Fluellen.
Gij zegt de waarheid, schurftige schoft, als het Gods wil is. Ik wil u ondertusschen pegeeren te leven en uw spijzen te eten; kom, daar is de saus er bij. (Hij slaat hem weder.) Gij hebt mij gisteren een pergjonker genoemd, maar ik zal u vandaag een jonker maken van lagen stand. Ik pit u, tast toe; kunt gij met look spotten, dan kunt gij ook look eten.
Gower.
Genoeg, overste, gij hebt hem geheel overdonderd.
Fluellen.
Ik zeg, hij zal een stuk van mijn look eten, of ik sla zijn kop voor vier dagen pont en plauw.—Pijt toe, pit ik u, het is goed voor een fersche wond en voor uw ploedigen zotskop.
[600]
Pistool.
Moet ik toebijten?
Fluellen.
Ja, zeker en zonder twijfel, en zonder fragen ook en dubbelzinnigheden.
Pistool.
Nu, bij dit look, ik zal mij gruw’lijk wreken;
Ik eet en eet, ik zweer—
Fluellen.
Eet, pit ik u. Wilt gij nog meer saus bij uw look hebben? er is niet genoeg look om bij te zweren.
Pistool.
Geef uwen knuppel rust, gij ziet, ik eet.
Koning Hendrik V, Vijfde Bedrijf, Eerste Tooneel.
Fluellen.
Wel pekome het u, schurftige schoft, van harte. Neen, ik pit u, gooi niets weg, de schil is goed genoeg voor uw gewonden zotskop. Wilt gij hiernamaals gelegenheden nemen om look te zien, zoo pit ik u, spot er mede, dat is alles.
Pistool.
Goed.
Fluellen.
Ja, look is goed.—Hier, daar hebt gij een stooter, om te genezen uw hersenpan.
Pistool.
Een stooter mij!
Fluellen.
Ja zeker, en in waarheid, gij zult dien aannemen, of ik heb nog een ander look in mijn zak, wat gij zult opeten.
Pistool.
Ik neem hem aan, als handgeld voor mijn wraak. 67
Fluellen.
Als ik u iets schuldig ben, zal ik u petalen in knuppels; gij moet in hout gaan doen en niets koopen van mij dan knuppels. God zij met u en pehoete u en geneze uw pol!
(Fluellen af.)
Pistool.
Hierover komt de gansche hel in opstand.
Gower.
Loop, loop! gij zijt een pochende, laffe schelm. Wilt gij spotten over een oud gebruik, dat uit een eervolle aanleiding ontsproot en als een gedenkwaardig teeken van vroegere dapperheid gedragen wordt, en waagt gij het niet, zelfs één uwer woorden door daden waar te maken? Ik heb het twee of drie keer gezien, dat gij dien wakkeren man begekt en gesard hebt. Gij dacht, omdat hij de Engelsche taal niet in haar landsdracht spreken kan, dat hij ook geen Engelschen knuppel kon hanteeren? Nu bevindt gij het anders; en laat voor het vervolg een Walliser tuchtiging u goede Engelsche manieren leeren. Goeden dag.
(Gower af.)
Pistool.
Gaat nu Fortuin ’t valsch vrouwmensch met mij spelen?
’k Vernam, dat in het hospitaal mijn Neel
Stierf aan de Fransche ziekte.
Ginds ligt mijn toevluchtsoord alzoo in puin.
Oud groei ik op en de eer is uitgeknuppeld
Uit dit vermoeide lijf. ’k Wil kopp’laar worden;
Ook handig beurzensnijden trekt mij aan.
Steelswijs wip ik naar England om te stelen;
Ik leg mij pleisters op de knuppelschrammen;
En zweer, dat ze uit den Franschen oorlog stammen.
(Pistool af.)
TWEEDE TOONEEL.
Troyes, in Champagne. Een zaal in het koninklijk paleis.
Uit de eene deur komen op: Koning Hendrik, Bedford, Gloster, Exeter, Warwick, Westmoreland en andere Lords; uit een andere Koning Karel, Koningin Isabella, Prinses Catharina, Hovelingen en Hofdames, waaronder Alice; alsmede de Hertog van Bourgondië met Gevolg.
Koning Hendrik.
Vrede aan den kring hier, die den vrede zoekt!—
Wij wenschen onzen broeder, onze zuster
Van Frankrijk heil en welzijn,—onze nicht,
De schoone Catharina, vreugde en zegen;—
Ook u, als tak en lid van ’t koningshuis,
Die deze vorstensamenkomst tot stand bracht,
U, hertog van Bourgondië, groeten wij;—
En, prinsen, pairs van Frankrijk, heil u allen!
Koning Karel.
Met groote vreugde aanschouwen we uw gelaat,
Doorluchte broeder England; wees hier welkom;
Elk uwer, Englands prinsen, evenzoo! 11
Koningin Isabella.
Zij de afloop even heilrijk, broeder England,
Des blijden dags, der hart’lijke begroeting,
Als wij, verheugd, u thans in de oogen zien.
Die oogen, die tot dusver op de Franschen,
Die in hun richting hen ontmoetten, steeds
Den moord’naarsblik der basilisken schoten,—
’t Venijn van zulke blikken, hopen wij,
Verloor alsnu zijn kracht, en deze dag
Verkeer’ hier allen twist en strijd in liefde.
Koning Hendrik.
Hier staan we, om amen op dien wensch te zeggen.
Koningin Isabella.
Gij Englands prinsen, ’k heet u allen welkom.
Bourgondië.
Gelijk’lijk wijd ik dienst en liefde u beiden,
Verheven koningen! Dat ik gestreefd heb
Met al mijn denken, ijver en volharding,
U, hooge vorsten, tot deez’ koningsdag,
Dit mondgesprek te brengen, kunnen mij
Uw majesteiten zelf het best getuigen.
Is nu mijn dienst zoo ver geslaagd, dat gij
Van aangezicht tot aangezicht elkander
Hier ziet en groet, zoo duidt gij ’t mij niet euvel,
Dat ik voor dezen hoogen kring u vraag,[601]
Wat hindernis of aanstoot er nog is,
Dat de arme, naakte, zwaar gekwetste vrede,
Der kunsten kweekster, volks- en welvaartvoedster,
In ’s werelds schoonsten gaard, ons vruchtbaar Frankrijk,
Haar lieflijk aanschijn niet verheffen zou?
Helaas! te lang was zij verjaagd uit Frankrijk;
Op hoopen ligt zijn veld- en akkerschat,
Verrottend in zijn eigen vruchtbaarheid.
Zijn wijnstok, ’s harten lust- en vreugdewekker,
Sterft onverzorgd; zijn fraaie dichte heggen
Zijn, als langhaar’ge en stopp’lige gevang’nen,
Door wilde twijgen haav’loos; op zijn akkers,
Die braak nu liggen, tieren dolik, schierling
En weeld’rige aardrook, en het kouter roest,
Dat zulk een woeste woek’ring moest ontwort’len.
Het effen weiland, eens zoo schoon gesierd
Met sleutelbloemen, pimpernel en klaver,
De zeis nu dervend, brengt, verwilderd, geil,
In woesten moedwil niets dan onkruid voort,
Dan ruwe distels, wilde zuring, klissen;
En met zijn schoon verloor ’t zijn nuttigheid.
En zooals wijngaard, braakland, weide en heg,
Ontaardend, nu tot wildernissen worden,
Is ’t in de huizen; wij en onze kind’ren, 56
Vergeten hebben we, of verzuimd te leeren,
Wijl tijd ontbrak, wat Frankrijks roem moest zijn,
De wetenschappen; en wij groeien op,
Als wilden,—als soldaten ’t doen, wier denken
Op bloed steeds zint,—tot haveloosheid, vloeken,
Norsch uitzicht, al wat onnatuurlijk schijnt.
Om dit weer in zijn vroegren staat te brengen
Kwaamt gij bijeen; en nu smeekt u mijn tong,
Dat gij mij meldt, waarom de zachte vrede
Niet al dit onheil uit het land zou drijven
En ons weer zeeg’nen met haar vroeg’re kracht.
Koning Hendrik.
Wenscht gij den vrede, hertog van Bourgondië,
Welks afzijn wasdom geeft aan al de rampen,
Door u genoemd, dien vrede moet gij koopen,
Door al de billijke eischen toe te staan,
Die gij, kort saamgevat, met juiste omschrijving
Van elk bijzonder punt, in handen hebt.
Bourgondië.
De koning kent ze reeds, doch heeft zijn antwoord
Ons nog niet meêgedeeld.
Koning Hendrik.
Ons nog niet meêgedeeld. Welnu, de vrede,
Waar gij op aandrongt, ligt juist in zijn antwoord.
Koning Karel.
Ik heb de artik’len slechts met vluchtig oog
Doorloopen; doch, wil thans uw hoogheid enk’len
Uit uwen raad benoemen, om met ons
Ze grondiger te toetsen, dan wordt dra
Door ons besloten wat we aanneem’lijk achten,
En ons beslissend antwoord meegedeeld.
Koning Hendrik.
Zoo zij het, broeder.—Gaat, oom Exeter,—
En broeder Clarence;—en gij, broeder Gloster,—
Warwick,—en Huntingdon, nu met den koning:
Ik machtig u tot sluiting van ’t verdrag;
Vermeerdert, wijzigt, zooals ’t uwe wijsheid
Voor onze waardigheid voordeeligst acht,
U al of niet aan wat wij eischten houdend;
Wij zullen onderteek’nen.—Waarde zuster,
Gaat gij met hen, of blijft gij hier bij ons?
Koningin Isabella.
Doorluchte broeder, ik wil met hen gaan.
Wellicht bewerkt een vrouwestem iets goeds,
Als eenige eisch te sterk wordt aangedrongen.
Koning Hendrik.
Zoo laat toch onze nicht Cath’rina hier;
Want zij is de eerste vord’ring, die wij stellen,
En heeft den hoogsten rang in onze artik’len.
Koningin Isabella.
’t Is gaarne haar vergund.
(Allen af, behalve Koning Hendrik, Catharina en haar Hofdame Alice.)
Koning Hendrik.
Nu, schoone Catharina, allerschoonste,
Mag een soldaat van u de woorden leeren,
Die ingang vinden in een vrouwenoor,
Haar teeder hart voor zijne liefde winnen?
Catharina.
Uw majesteit zal zich van mij spotten; ik niet kan spreken uw England. 103
Koning Hendrik.
O, schoone Catharina, als gij met uw Fransch hart oprecht beminnen wilt, zal ik met genoegen hooren, dat gij het met uw Engelsche tong gebroken bekent. Hebt gij mij lief, Kaatje?
Catharina.
Pardonnez-moy, ik niet verstaan, wat is „mij lief.”
Koning Hendrik.
De engelen zijn lief en goed, Kaatje, en gij zijt als een engel.
Catharina.
Que dit-il? que je suis semblable à les anges?
Alice.
Ouy, vrayment, sauf vostre grace, ainsi dit-il.
Koning Hendrik.
Dit zeide ik, dierbare Catharina, en dit kan ik zonder blozen herhalen.
Catharina.
O bon Dieu! les langues des hommes sont pleines de tromperies.
Koning Hendrik.
Wat zegt zij, schoon kind? dat de tongen der mannen vol bedrog zijn?
Alice.
Ouy, dat de tongs van de mans zijn vol bedrog; dat is de prinses.
Koning Hendrik.
De prinses is de beste Engelsche van u beiden. Waarachtig, Kaatje, voor mijn aanzoek is uw kennis van het Engelsch juist geschikt; ik ben blijde, dat gij het niet [602]beter spreekt, want als gij dit deedt, zoudt gij mij zulk een eenvoudig koning vinden, dat gij zoudt denken, dat ik mijn bouwmanshoeve verkocht had om mijn kroon te koopen. Ik versta de kunst niet om mijn liefde fraai voor te doen; ik kan slechts eenvoudigweg zeggen: „ik bemin u.” En als gij mij dan verder dringt, dan dat gij vraagt: „meent gij het in ernst”? dan ben ik uitgepraat met mijn aanzoek. Geef mij uw antwoord; in allen ernst, doe het; dan een handslag en de koop is gesloten. Wat zegt gij, jonkvrouw?
Catharina.
Sauf vostre honneur, ik verstaan goed.
Koning Hendrik.
Maar waarlijk, Kaatje, als gij verlangt, dat ik om uwentwil verzen maken of dansen ga, dan ben ik verloren. Voor het eene ontbreken mij de woorden en de maat, en wat het andere betreft, ben ik niet sterk in het maathouden, al heb ik een behoorlijke mate van sterkte. Als ik een jonkvrouw met haasje-over-springen kon winnen, of door mij met volle wapenrusting in den zadel te slingeren, dan zou ik mij met springen spoedig een vrouw veroveren. Of als ik om mijn liefste mocht boksen, of mijn paard voor haar gunst laten steigeren, dan zou ik er op kunnen toeslaan als een slager en vastzitten als een aap, nooit er af. Maar, bij God, Kaatje, ik kan niet kwijnend kijken, noch mijn welsprekendheid uitzuchten, ook ben ik niet bedreven in het bezweren van mijn liefde, maar heb alleen eeden zonder omhaal, die ik nooit gebruik dan als het niet anders gaat, en nooit breek, hoe het ook ga. Als gij een man van dit slag kunt beminnen, Kaatje, wiens gezicht niet waard is van de zon verbrand te worden, die nooit in zijn spiegel kijkt uit verliefdheid op iets, wat hij daar ziet, laat dan uw oog hem u toebereiden. Ik spreek tot u als een rond soldaat; kunt gij mij hierom lief hebben, neem mij dan; zoo niet, nu, als ik tot u zeg, dat ik zal sterven, zoo is dat waar,—maar, door mijn liefde tot u, bij den hemel, neen; en toch, ik bemin u. En zoo lang gij leeft, lieve Kaatje, neem u een man van eenvoudige en ongemunte standvastigheid, want die moet vanzelf u geven wat u toekomt, daar hij de gave mist om elders zijn hof te maken; die knapen met eindelooze tong, die zich in de gunst van vrouwen weten in te rijmen, draaien zich door redeneeringen er altijd weder uit. Kom, een redenaar is maar een prater, en een rijmpje is maar een deuntje. Een goed been schrompelt in, een rechte rug wordt krom, een zwarte baard wordt wit, een kroeskop wordt kaal, een blozend gezicht verwelkt, een vol oog wordt hol; maar een goed hart, Kaatje, is zon en maan, of liever, de zon, en niet de maan, want het schijnt helder en verandert nimmer, maar blijft trouw in zijn baan. Als gij er zoo een hebben wilt, neem dan mij; neem mij, neem een soldaat; neem een soldaat, neem een koning. En wat zegt gij nu op mijn liefde? Spreek, melieve, en liefelijk, bid ik u.
Catharina.
Is het mogelijk, dat ik zou beminnen den vijand van Frankrijk?
Koning Hendrik.
Neen, het is niet mogelijk, dat gij den vijand van Frankrijk zoudt beminnen, Kaatje; maar door mij te beminnen, zoudt gij den vriend van Frankrijk beminnen, want ik bemin Frankrijk zoo zeer, dat ik er geen dorp van wil laten varen; ik wil het geheel voor mijzelf hebben. En, Kaatje, als Frankrijk mijn is, en ik de uwe ben, dan is Frankrijk u en gij zijt mijn.
Catharina.
Ik niet verstaan, wat dat is.
Koning Hendrik.
Niet, Kaatje? Ik zal het u in het Fransch zeggen, dat zeker aan mijn tong zal hangen als een pasgetrouwde vrouw aan den hals van haar man, nauwelijks af te schudden. Quand j’ai le possession de France, et quand vous avez le possession de moy,—laat zien, hoe verder? Sint Dénis sta mij bij!—donc vostre est France, et vous estes mienne. Het valt mij even licht, Kaatje, het koninkrijk te veroveren, als nog eens zooveel Fransch te spreken. Ik zal nooit in het Fransch u tot iets bewegen, of het moet zijn tot lachen. 198
Catharina.
Sauf vostre honneur, le François que vous parlez est meilleur que l’Anglois lequel je parle.
Koning Hendrik.
Neen, waarlijk, Kaatje, dat is het niet; maar zooals gij mijn taal spreekt en ik de uwe, beiden oprecht slecht, komt, dit moet erkend worden, vrij wel op hetzelfde neer. Maar, Kaatje, verstaat gij zooveel Engelsch: kunt gij mij beminnen?
Catharina.
Ik dat niet kan zeggen.
Koning Hendrik.
Kan een van uw buren hier het mij zeggen, Kaatje? Ik wil ’t haar vragen. Kom, ik weet, gij bemint mij; en als gij van avond op uw kamer komt, zult gij deze edelvrouw over mij vragen; en ik weet, Kaatje, gij zult, tegen haar, al die dingen in mij laken, die gij in uw hart liefhebt; maar, goede Kaatje, spot barmhartig met mij, vooral, lieve prinses, omdat ik u gruwelijk bemin. Als gij ooit de mijne wordt, Kaatje,—en ik heb het zaligend geloof in mij, dat gij het worden zult,—dan won ik u met schermutselen, en dan moet gij vanzelf een goede soldatenmoeder blijken. Welnu, zullen wij beiden niet, tusschen Sint Denis en Sint George in, een jongen tot stand brengen, half Fransch, half Engelsch, die naar Constantinopel [603]zal gaan en den grooten Turk bij den baard trekken? zullen wij niet? wat zegt gij, mijn schoone leliebloem?
Catharina.
Ik niet weet dat.
Koning Hendrik.
Neen, te weten is het eerst later, maar nu te beloven. Beloof nu maar, Kaatje, dat gij uw best zult doen voor uw Fransche helft van zulk een jongen, en neem voor mijn Engelsche helft het woord aan van een koning en vrijgezel. Wat antwoordt gij nu, la plus belle Catharine du monde, mon très cher et divin déesse?
Catharina.
Uw majesté hebben fausse Fransch genoeg om te bedriegen de meest sage demoiselle, die is in Frankrijk.
Koning Hendrik.
Foei dan dat valsche Fransch van mij! Op mijn eer, in trouwhartig Engelsch, ik bemin u, Kaatje. Bij mijn eer durf ik nog wel niet zweren, dat gij mij bemint, maar mijn bloed begint mij te vleien, dat gij het doet, niettegenstaande den armzaligen, niet verleidelijken indruk van mijn gelaat. Verwenscht zij mijns vaders eerzucht! Hij dacht aan burgeroorlogen, toen hij mij gewon; daardoor werd ik geschapen met een stuursch uiterlijk, met een ijzeren voorkomen, zoodat ik jonkvrouwen, als ik haar het hof kom maken, schrik aanjaag. Maar in waarheid, Kaatje, hoe ouder ik word, des te beter zal ik er uitzien; mijn troost is, dat de oude dag, die slechte schoonheidsbewaarder, aan mijn gezicht niets meer bederven kan; gij hebt mij, als gij mij hebt, op mijn slechtst; en gij zult mij, als gij mij verslijt, door het verslijten beter en beter maken. Daarom, zeg mij nu, schoone Catharina, wilt gij mij hebben? Leg uw maagdelijke blosjes ter zijde; verkondig de gedachten van uw hart met de blikken van een keizerin; neem mij bij de hand en zeg: „Hendrik van Engeland, ik ben de uwe!” En zoodra zult gij met dit woord mijn oor niet gezegend hebben, of ik zal luide aan u verklaren: „Engeland is u, Ierland is u, Frankrijk is u, en Hendrik Plantagenet is u”, die, al zeg ik het hier voor zijn aangezicht, zoo hij ook niet de beste kerel onder de koningen zijn moge, u toch de beste koning van alle goede kerels blijken zal. Kom, uw antwoord! in gebroken muziek; want uw stem is muziek, en uw Engelsch gebroken; daarom, aller koningin, Catharina, breek in gebroken Engelsch uw zwijgen af; wilt gij mij hebben?
Catharina.
Dat is, zooals het zal behagen den roy mon père.
Koning Hendrik.
O, het zal hem zeer behagen, Kaatje; het zal hem behagen, Kaatje.
Catharina.
Dan ik ook zal tevreden zijn.
Koning Hendrik.
Daarvoor kus ik u de hand en noem u mijn Koningin.
Catharina.
Laissez, mon seigneur, laissez, laissez! Ma foy, je ne veux point que vous abbaissez vostre grandeur, en baisant le main d’une vostre indigne serviteur; excusez moi, je vous supplie, mon très puissant seigneur.
Koning Hendrik.
Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje.
Catharina.
Les dames, et damoiselles, pour estre baisées devant leurs nopces, il n’est pas le costume de France.
Koning Hendrik.
Mejonkvrouw tolk, wat zegt zij?
Alice.
Dat het niet is te zijn de gewoonte pour les dames in Frankrijk,—ik weet niet te zeggen, wat is baiser in Engelsch.
Koning Hendrik.
Kussen.
Alice.
Uw majesteit entendre betre que moy.
Koning Hendrik.
Het is geen gebruik bij de meisjes in Frankrijk, te kussen, voor zij getrouwd zijn, wilde zij zeggen? 291
Alice.
Ouy, vraiment!
Koning Hendrik.
O, Kaatje, preutsche zeden buigen zich voor groote koningen. Gij en ik, beste Kaatje, zijn niet in te sluiten door de zwakke beperking van landsgewoonten; wij zijn de scheppers van de gebruiken, Kaatje; en de vrijheid, die onzen rang begeleidt, sluit aan alle bedillers den mond, zooals ik hem u sluiten wil, wegens het ophouden van de preutsche zeden van uw land door mij een kus te weigeren; daarom, stilgezwegen en toegegeven! (Hij kust haar.) Gij hebt tooverkracht in uw lippen, Kaatje; er is meer welsprekendheid in haar zoete aanraking, dan in de tongen van den geheelen hoogen raad van Frankrijk; en zij zouden Hendrik van Engeland eerder overreden, dan een algemeen verzoek van monarchen.—Daar komt uw vader.
(Koning Karel, Koningin Isabella, Bourgondië, Bedford, Gloster, Exeter, Westmoreland en andere Fransche en Engelsche Heeren komen op.)
Bourgondië.
God hoede uw majesteit! Mijn koninklijke neef, geeft gij onze prinses les in het Engelsch?
Koning Hendrik.
Ik wenschte, waarde neef, dat zij leerde, met welk een volkomen liefde ik haar bemin; en dat is goed Engelsch.
Bourgondië.
Is zij niet vlug in ’t leeren?
Koning Hendrik.
Onze taal is ruw, neef, en mijn natuur is niet glad; zoodat, daar ik noch de stem noch het hart der vleierij in mij heb, [604]ik niet zoo den geest der liefde in haar kan oproepen, dat die in zijn ware gedaante verschijnt.
Koning Hendrik V, Vijfde Bedrijf, Tweede Tooneel.
Bourgondië.
Vergeef de vrijmoedigheid mijner vroolijkheid, zoo ik u hierop antwoord. Als gij in haar iets bezweren wilt, moet gij een kring trekken; en wilt gij in haar den liefdegod in ware gedaante bezweren, dan moet die naakt en blind verschijnen.—En kunt gij het nu laken in haar, die een meisje is, nog door het maagdelijk purper der zedigheid als met rozen bedekt, wanneer zij de verschijning van een naakt, blind jongske in haar naakte, ziende persoonlijkheid niet dulden wil? Het zou een harde voorwaarde zijn voor een meisje, mylord, zich daaraan te moeten onderwerpen.
Koning Hendrik.
Toch sluiten zij de oogen en geven toe, wanneer de liefde blind is en aandringt.
Bourgondië.
Dan zijn zij verontschuldigd, mylord, wanneer zij niet zien wat zij doen.
Koning Hendrik.
Nu, waarde lord, leer dan uw nicht met gesloten oogen toe te stemmen.
Bourgondië.
Ik zal haar wenken toe te stemmen, mylord, als gij haar wilt leeren, wat het beteekent; want meisjes zijn, als het gezomerd heeft en zij warm gehouden zijn, als de vliegen omstreeks Sint Bartholomeus, blind, al hebben zij ook haar oogen; en dan laten zij zich met de handen aanvatten, al konden zij te voren het aankijken niet lijden. 338
Koning Hendrik.
Die vergelijking verwijst mij naar later tijd en een warmen zomer, en zoo zal ik de vlieg, uw nicht, ten laatste vangen, en dan moet zij bovendien blind zijn.
Bourgondië.
Zooals de liefde is, mylord, voor zij bemint.
Koning Hendrik.
Zoo is het; en enkelen uwer mogen de liefde dankbaar zijn voor mijn blindheid, die menige schoone Fransche stad niet zien kan door één schoone Fransche maagd, die op mijn weg staat.
Koning Karel.
Ja, mylord, gij ziet ze als door een tooverglas, de steden in een maagd veranderd; want zij zijn alle door maagdelijke muren omgord, waar de krijg nooit binnen drong.
Koning Hendrik.
Zal Kaatje mijn vrouw worden?
Koning Karel.
Zoo het u behaagt.
Koning Hendrik.
Ik zal het gaarne zien, zoo slechts de maagdelijke steden, waar gij van spreekt, haar gevolg uitmaken. Zoo zal de maagd, die op den weg stond van mijn wensch, mij den weg naar mijn verlangen wijzen.
Koning Karel.
Wij stemden toe in iedren billijke’ eisch.
Koning Hendrik.
Is ’t zoo, gij lords van England?
Westmoreland.
De koning gaf u alles, wat gij vordert;
Vooreerst zijn dochter, verder ook al ’t andre,
Geheel naar ’t vroeger vastgestelde ontwerp.
Exeter.
Alleen dit artikel heeft hij nog niet onderschreven, waarbij uw majesteit begeert, dat de koning van Frankrijk, als hij aanleiding heeft om schriftelijk het een of ander te verzoeken, uw hoogheid in dezen vorm en met deze bijvoeging noemen zal, in het Fransch: Nostre très cher filz Henry, Roy d’Angleterre, heretier de France; en aldus in ’t Latijn: Praeclarissimus filius noster Henricus, rex Angliae, et haeres Franciae.
Koning Karel.
Ook dit heb ik niet zoo geweigerd, broeder,
Dat ik ’t op uw verzoek niet door liet gaan.
Koning Hendrik.
Dan bid ik u, als vriend en bondgenoot,
Laat dit artikel staan gelijk die andren.
En nu, sta mij uwe dochter toe. 375
Koning Karel.
Neem haar, mijn eed’le zoon, wek uit haar bloed
Mij kroost, opdat de aloude tegenstanders,
Frankrijk en England, welker kusten zelfs
Bleek zien van afgunst op elkanders bloei,
Hun haat begraven, en dit schoon verbond
Recht christ’lijke eendracht plante en goede buurtschap
In beider borst, en geen het zwaard meer heff’,
Opdat het fel zijn eed’len broeder treff!
Allen.
Amen.
Koning Hendrik.
Thans welkom, Kaatje!—Weest getuigen, allen,
Dat ik haar als mijn koningin hier kus.
(Trompetgeschal.)
Koningin Isabella.
God, aller huwelijksbanden beste hoeder,
Voege uwe harten, uwe rijken saam!
Ziet, man en vrouw zijn twee, doch een in liefde,
En zulk een echt vereene uw beider rijk,
Dat nimmer booze diensten noch jaloerschheid,
Die vaak het bed van ’t heilig huw’lijk storen,
Zich dringen tusschen beider rijken bond,
Echtscheiding, van wat één nu wordt, beproevend;
Dat Franschman, Engelschman voortaan de namen
Van broeders zijn!—Spreek’ God hierop zijn Amen!
Allen.
Amen!
Koning Hendrik.
Nu ’t huw’lijk voorbereid;—dien dag ontvang ik
Van u, hoogeed’le hertog van Bourgondië,[605]
En alle pairs, den eed op ons verbond.
Dan zweer ik Kaatje trouw en zij aan mij;
Dat heilig ons die eed en heilrijk zij!
(Allen af.)
Chorus treedt op.
Chorus.
Tot zoo ver volgde, ruw en onbekwaam,
Tol schroom des schrijvers veder de historie;
Klein was ’t bestek voor mannen, groot van naam,
Verbrokkeld door zijn sprongen werd hun glorie.
Kort scheen die ster van England, maar een zon
In glans gelijk; hem schonk Geluk zijn wapen,
Waar hij der wereld schoonsten gaard meê won,
Des zesden Hendriks deel bij zijn ontslapen.
Frankrijks en Englands koning, kon die zoon,
Gekroond in winds’len, zijn gebied niet hoeden;
Zijn vele raders, woelend om zijn troon,
Verloren Frankrijk, deden England bloeden;
Vaak zaagt gij dit vertoond en waart voldaan;
Neemt daarom ook dit stuk welwillend aan.
AANTEEKENINGEN
Bij het schrijven van dit stuk werd Shakespeare door het gevoel bezield, dat de dag van Agincourt de grootste en schoonste dag was uit de Engelsche geschiedenis, en Hendrik de Vijfde de grootste held, waarop zijn land kon bogen. En inderdaad, wel waren de veroveringen van den veelgeprezen vorst kort van duur, ja, waren alle voor goed verloren gegaan, eer zijn zoon en erfgenaam de oogen gesloten had, maar daarmede waren geenszins de vruchten zijner overwinningen verdwenen. Het volk leerde onder den stouten, jeugdigen vorst zijn kracht voor het eerst in haar vol vermogen, in haar hooge waarde kennen, en in den slag van Agincourt, waar adel, kleinere grondbezitters, burgers en boeren, allen te zamen, naast elkander een ongeëvenaarde zege bevochten, viel het laatste onderscheid tusschen Normandische edelen en Saksische overwonnelingen weg. Het Engelsche volk was geboren, dat met fierheid terugzag op de daden, die het volbracht had, en voortaan het bewustzijn in zich omdroeg, dat het steeds met denzelfden onverschrokken moed, denzelfden volhardenden ijver, verachting van doodsgevaren, gelijke kalmte van geest, dezelfde samenwerking en onderwerping aan tucht en orde, tot even groote dingen in staat zou zijn. Geen wonder, dat het zich de meerdere achtte van andere volken. Dat dit gevoel ook Shakespeare bezielde, blijkt uit het geheele stuk; het brengt hem er zelfs toe, zijn gewone weergalooze onpartijdigheid te verloochenen, en de Franschen, met den Dauphijn en den Connetabel te beginnen, allen als armzalige pochers voor te stellen. Doch het is waar, dat lichtzinnigheid en zorgeloosheid, overmoed en ijdelheid, die meermalen, en nog in den laatsten oorlog met Duitschland, de goede eigenschappen der Franschen hebben verduisterd en hun noodlottig zijn geweest, op den dag van Agincourt hun de nederlaag hebben doen lijden; waar is het ook, dat zij, steunend op hun overmacht, reeds vooraf de krijgsgevangenen onder elkander verdeelden, dat zij de gansche nacht in luide feestviering doorbrachten, dat de bevelen van den opperbevelhebber in den wind werden geslagen en zij het slachtoffer werden hunner doldrieste onbezonnenheid. De wijze, waarop Shakespeare het beloop der gebeurtenissen voorstelt, is hier volkomen te rechtvaardigen.
Dat Hendrik V van de rechtvaardigheid des oorlogs, dien hij Frankrijk aandeed, overtuigd was, valt niet te betwijfelen. Zijn overgrootvader Edward III had, als zoon van Isabella, dochter van Philips den Schoonen van Frankrijk, zijn aanspraken op de Fransche kroon doen gelden, die hij, als afstammende in de rechte, zij het dan ook vrouwelijke, lijn van het oude vorstenhuis van Capet, voor meer gegrond verklaarde dan het recht der zijlijn van Valois. Wel had hij tegen bepaalde vergoeding in land en geldsommen bij den vrede van Brétigny afstand gedaan van zijn aanspraken op de Fransche kroon en de oude leengoederen der Plantagenets, maar de voorwaarden van den vrede waren nooit nagekomen, en er bestond eigenlijk tusschen Engeland en Frankrijk geen vrede maar een wapenstilstand, welks voortduring hoofdzakelijk hieraan te danken was, dat de toestand van Engeland nòch aan Richard II, nòch aan Hendrik IV gelegenheid had gelaten om den oorlog door te zetten. Hendrik V mocht zijn macht hiertoe genoegzaam gevestigd rekenen; de binnenlandsche twisten waren gedoofd en het ondernemen van den krijg zou de eendracht in zijn rijk ongetwijfeld nog hechter maken, want geheel Engeland was met de plannen des konings hooglijk ingenomen en ondersteunde die met alle kracht. Ook de geestelijkheid bleef hierin niet achter en deed zelfs het hare om den koning van de rechtmatigheid des oorlogs, indien dit noodig ware, te overtuigen. Nadat de onderhandelingen, waardoor Frankrijk den krijg nog getracht had af te wenden, waren afgesprongen, werden de toebereidselen met ijver [606]voortgezet en in den zomer van 1415 waren Hendriks leger en vloot voor den overtocht naar Frankrijk gereed.
Op dat oogenblik kwam op het onverwachtst een gevaarlijke samenzwering tegen Hendrik aan het licht. Aan het hoofd stonden zijn eigen neef Richard, graaf van Cambridge, broeder van den hertog van Aumerle, alsmede lord Scroop, die steeds het volle vertrouwen van Hendrik genoten had. De samenzwering was niet, zooals Shakespeare in zijn kroniek vond, door de Franschen verwekt en aangestookt om den krijg te stuiten, maar was wel degelijk een Engelsche samenzwering, een voortzetting als het ware van de opstanden der Percys, een voorspel van den lateren strijd der witte en roode rozen, tusschen het huis van York en dat van Lancaster. De rechten van het huis van Mortimer, de graven van March, lagen er ten grondslag aan. Richard, graaf van Cambridge, zoon van Edmund Langley, hertog van York, die de vijfde zoon was van Edward III, was gehuwd met Anna Mortimer, achterkleindochter van Lionel, hertog van Clarence, deszelfden Edwards derden zoon; zij was de zuster van Edmund Mortimer, graaf van March, die naar het erfrecht koning van Engeland moest zijn en daarom door Hendrik IV steeds nauw bewaakt, maar door Hendrik V, die zijn troon stevig gevestigd rekende, in vrijheid gesteld was. Hendrik deed snel en streng recht; de saamgezworenen werden in Southampton ter dood gebracht.
Op 13 Augustus 1415 ging het leger onder zeil. Op vijftienhonderd vaartuigen werd het, 6000 ridders, 23000 boogschutters en 1000 kanonniers en schansgravers sterk, naar den mond der Seine overgevoerd. Daar werd Harfleur na een heldhaftigen weêrstand van vier weken ingenomen. Maar de toestand der Engelschen was ongunstig geworden en de kracht der onderneming scheen gebroken te zijn. Een besmettelijke ziekte had de helft van het leger buiten gevecht gesteld; er was gebrek aan levensmiddelen; de bevolking was den Engelschen vijandig en de Franschen begonnen een geweldig leger samen te trekken. Er waren er in Hendriks omgeving, die den terugtocht raadden; zoo deed zijn broeder, de Hertog van Clarence. Maar de koning wilde er niet van hooren, de groote onderneming op te geven; hij was besloten met allen, die hem wilden volgen, dwars door Frankrijk naar Calais te trekken. Hij zond zijn zieken, 5000 in aantal, naar huis, liet 2000 man als bezetting in Harfleur en ondernam met het overschot, ten hoogste 12000 man, op 8 October den merkwaardigen, gewaagden tocht.
Onder heftige regenbuien en telkens door schermutselingen met den vijand bemoeilijkt, drongen de Engelschen op ellendige wegen, zich te nauwernood lijftocht verschaffend, het land binnen. De krijgstucht werd streng gehandhaafd, plunderen zwaar gestraft, de levensmiddelen betaald. Deze laatsten waren door den vijand, die ook de bruggen bezet had, zooveel mogelijk weggevoerd. Eindelijk gelukte het, de Somme over te trekken. Herauten des vijands meldden zich bij den koning aan, met den eisch, dat hij terug zou trekken; in het tegenovergestelde geval daagden zij hem ten strijde. „Zegt uw heer”, was het antwoord, „dat ik hem voor ditmaal niet zal opzoeken; maar als hij of de zijnen mij opzoeken, zal ik, zoo God wil, standhouden. Maar ik hoop, dat geen uwer zoo onberaden zal zijn, van mij gelegenheid te geven, om uw bruine aarde met uw rood bloed te verven”. Met dit antwoord en een gift van honderd kronen mochten de herauten aftrekken. Eindelijk, op den 24sten October, stiet men op het leger des vijands, 50000 man sterk, waaronder niet minder dan 14000 ridders, allen versche manschappen, en voortreffelijk, ja prachtig uitgerust. Hendrik kon er niet meer dan 10000 boogschutters en 1000 ridders tegenoverstellen. De Franschen twijfelden geen oogenblik aan de overwinning, de ridderschap alleen kon die kleine bende, grootendeels uit geminacht voetvolk bestaande, gemakkelijk verpletteren; luidruchtig werd de nacht al feestvierende doorgebracht; er werd gedobbeld om de krijgsgevangenen, die den volgenden dag hun ten deel zouden vallen.
In het Engelsche legerkamp heerschte een ernstige stemming; het was er donker en stil, tegenover de tallooze wachtvuren des vijands. Allen wisten, hoe doldriest het was, den strijd aan te nemen; velen biechtten en namen het sacrament. Maar de doldriestheid ging bij den koning met groote bedaardheid en overleg, met het nemen van alle voorzorgen gepaard. Zooveel mogelijk werden de manschappen door spijs en drank en door rust voor den komenden, zwaren dag versterkt. Het terrein werd goed verkend en alle beschikkingen werden genomen om aan de boogschutters de volle werking van hun wapen te verzekeren; de door den regen week geworden grond, door struikgewas ingesloten, moest den vijand beletten zich uit te breiden en zijn tegenstander te overvleugelen en zou ook de kracht zijner ruiterij aanmerkelijk breken. De 25ste October, de dag van de heiligen Crispinus en Crispianus, brak aan en werd met misheffing en gebed begonnen. Toen schaarde de koning, in blinkend harnas en met den gekroonden helm op het hoofd, de zijnen in een lange rij, nauwelijks vier man diep. Voor iederen boogschutter stak een lange spitse paal in den grond om tegen den aanval der vijandelijke ruiters te beschermen. [607]Zonder trompetgeschal trokken de Engelschen op, en staken, met hun kleederen, die door den langen marsch veel geleden hadden, treurig af bij de bonte, glinsterende scharen der Franschen, die in drie dichte hoopen, de een na den anderen, met luid trompetgeschal tegen hen optrokken. Een ridder uit Hendriks gevolg riep uit: „Ware heden ieder Engelschman hier, die het zwaard verstaat te voeren!” De koning antwoordde: „Ik wensch geen man meer; God kan ook aan het klein aantal de overwinning verleenen”. Geen oogenblik twijfelde hij aan de ongeloofelijke zege der zijnen.
En het ongeloofelijke geschiedde. Zorgeloosheid, oneenigheid, ongehoorzaamheid aan de bevelen van den connetabel, alles liep samen om den Franschen al het voordeel hunner grootere getalsterkte te doen derven. Daarbij kwam, dat in den van regen doorweekten grond paarden en kanonnen bleven steken en dat de 8000 afgestegen ridders die de voorhoede uitmaakten, zich te nauwernood konden bewegen.
Tegen elf uur riep koning Hendrik: „Sint George en voorwaarts!” De grijze maarschalk Erpingham wierp zijn commandostaf hoog in de lucht en met luiden wapenkreet viel de lange rij van boogschutters de met lansen gewapende hoofdmacht der Franschen aan. Dicht als hagel vielen de pijlen der Engelsche boogschutters in de dichte massa der te voet vechtende ridders en brachten, trots helmen en pantsers, menige doodelijke wonde toe. Nu was de tweede krijgshoop der Franschen, onder den hertog van Alençon, niet meer te houden; onstuimig drong deze voorwaarts en voegde zich bij den eersten tot een ordeloozen klomp. Van dit oogenblik maakten de Engelschen gebruik. De stevige boerenknapen wierpen den boog op den schouder en stormden op den vijand los; met knots, strijdaks of zwaard alles nederslaand. In de door hen gemaakte opening drong onweerstaanbaar, de koning te voet vooraan, de aaneengesloten ridderschap van Engeland; een panische schrik greep de onbestuurde massa’s des vijands aan; in woeste vlucht verspreidden zij zich over het veld, duizenden gaven zich zonder wederstand te bieden aan den vijand over. Plotseling werd in den rug der Engelschen strijdgedruisch vernomen; daar dreigde een plotselinge aanval het pas gewonnen voordeel vruchteloos te maken. Snel besloten, gaf Hendrik het bevel, dat naar toenmalig krijgsgebruik groot geldelijk verlies veroorzaakte, van alle krijgsgevangenen te dooden, om de handen vrij te hebben voor den nieuwen strijd. Later bleek, dat het overvallen van het wagenpark, dat bijna onbewaakt gelaten was, door rooflustige boeren en stroopers, de oorzaak van het gedruisch geweest was.
Een volkomen, ongehoorde zegepraal was behaald. Meer dan 10000 vijanden, waaronder 8000 edelen, bedekten het slagveld: de hertog van Orleans en 1500 edellieden waren krijgsgevangen. De lijst van hooggeboren gesneuvelden, in het achtste tooneel van het vierde bedrijf, is aan de geschiedenis ontleend. Het verlies der overwinnaars was fabelachtig klein, al was het veel grooter dan 25, zooals Shakespeare opgeeft; niet meer dan 15 ridders waren er gevallen; de voornaamste was de hertog van York, die in „K. Richard II” Aumerle heet; hij was gesneuveld bij den inval in het centrum der Franschen.
Koning Hendrik vermaande zijn troepen, niet trotsch te zijn op de zege, daar alle eer er van toekwam aan God, die den vijand met blindheid geslagen had. Toen de Fransche herauten kwamen, om de dooden te schouwen, vroeg hij naar den naam van het kasteel, dat boven het veld uitstak en noemde den veldslag daarnaar den slag van Agincourt. Den St.-Cripinusdag maakte hij tot een feestdag voor geheel zijn rijk.
Thans konden de Engelschen ongestoord, zooals men denken kan, hun tocht naar Calais voortzetten, vanwaar zij met onmetelijken buit naar Engeland overstaken. Toen de koning Londen naderde, stroomde de geheele burgerij, met den Mayor en de Aldermans aan het hoofd, hem te gemoet en geleidde hem door de versierde straten naar de Paulskerk en naar Westminster. Hendrik zelf reed, zonder sieraad, en ernstig, door de jubelende menigte, wars van alle ijdel vertoon.
Shakespeare heeft de vier oorlogsjaren, die op den dag van Agincourt volgden, met weinige woorden overgesprongen en op de nederlaag der Franschen onmiddellijk den merkwaardigen vrede laten volgen. Hij heeft de moeite niet genomen, iets te melden van de redenen, die het Fransche hof bewogen, den Dauphijn op te offeren en een vreemden vorst tot troonopvolger en rijksbestuurder te maken. Hertog Jan van Bourgondië was te Parijs, in tegenwoordigheid, en waarschijnlijk met voorkennis des Dauphijns, verraderlijk vermoord geworden. De moeder des Dauphijns, koningin Isabeau van Frankrijk, was hierover in woede ontvlamd en had haar zoon wraak en verderf gezworen. De erfgenaam des vermoorden, hertog Philips van Bourgondië, verbond zich met haar, en het viel hun beiden niet moeilijk, den onnoozelen koning tot den vrede van Troyes te bewegen, die inderdaad Frankrijk aan den vijand, den koning van Engeland, geheel in handen leverde.
Twee jaren lang heeft Hendrik V Frankrijk werkelijk als rijksbestuurder beheerscht, „grootmoedig, dapper en wijs”, zooals een tijdgenoot, een monnik van Saint Dénis, die zijn inval in Frankrijk beschreven heeft, getuigt. Allen, ook zijn vijanden, erkenden hem als een voortreffelijk [608]vorst, dapper in het veld, verstandig in den raad, rechtvaardig op den rechterstoel, trouw aan zijn beloften, minzaam jegens armen en geringen, rein van leven, voor kerk en godsdienst ijverend. Moesten Frankrijk en Engeland onder één scepter vereenigd worden, geen waardiger vorst ware er te denken. Groot waren reeds zijn macht en invloed, en alles liet verwachten, dat zij nog aanmerkelijk zouden toenemen. Daar verraste hem de dood. Vijf-en-dertig jaren oud, stierf hij ten gevolge van een fistel, waartegen de geneeskunde toenmaals geen baat wist, te Vincennes, op den 31sten Augustus 1422, negen maanden nadat koningin Catharina hem een zoon geschonken had. Zorgvuldig had hij op zijn sterfbed alle beschikkingen gemaakt, die dienstig konden geacht worden om zijn nalatenschap aan zijn zoon te verzekeren en bejammerde dit alleen, dat het hem niet vergund was geweest, de vereenigde wapens van zijn beide rijken in het Heilig Land tegen de ongeloovigen te richten.
In plechtigen optocht werd het lijk door de treurende prinsen, hoogere en lagere edellieden, over Calais naar Engeland gevoerd, waar het in de Westminster-abdij werd bijgezet. Gansch Engeland was in rouw; allen weeklaagden alsof er een heilige gestorven was. Bange tijden volgden; de vreeselijkste burgeroorlog brak uit; het edelste bloed werd bij stroomen vergoten; en te nauwernood was er een halve eeuw verloopen, of de laatste mannelijke spruit van het pas zoo machtige en bloeiende huis der Plantagenets stierf op het slagveld; maar door alle schriktooneelen en gruwelen heen was de nagedachtenis van den grooten en goeden koning in eere bij het Engelsche volk gebleven, tot zijn grootste dichter dien lievelingsheld verheerlijkte en voor alle eeuwen deed leven.
„Koning Hendrik de Vijfde” werd, zooals uit de proloog van het vijfde bedrijf blijkt, in den tijd, dat koningin Elizabeth den Graaf van Essex tot demping van een opstand naar Ierland gezonden had, dus in den zomer van 1599, gespeeld. Weldra waren boekhandelaars er bij om het stuk uit te geven, maar de tekst, dien zij, hoe dan ook, wisten machtig te worden, was allerellendigst; niet alleen ontbraken geheele tooneelen, alle prologen en de epiloog, maar ook het overige was verminkt en vol onnauwkeurigheden. Toch werd deze tekst, die in 1600 het licht zag, nog tweemaal, in 1602 en in 1608, herdrukt. Eerst de folio-uitgave van 1623 deed de echte lezing kennen.
Ten slotte zij hier nog vermeld, dat reeds in het oude, blz. 512 genoemde stuk, „The Famous Victories of Henry the Fifth” eenige tooneelen voorkomen, die, hoe ruw ook bewerkt, eenige overeenstemming met die van Shakespeare vertoonen, namelijk het gezantschap van den Dauphijn, de inneming van Harfleur, de slag van Agincourt en de verloving des konings.
I. Prol. Chorus. Onder Chorus wordt bij het oud-Engelsch tooneel niet een vereeniging van personen, maar één persoon verstaan, die de prologen enz. spreekt en, door te vertellen wat niet voorgesteld kan worden, de gedeelten van een stuk verbindt en opheldert.
I. Pr. 2. Der vinding. Vinding is Sh.’s bescheiden naam voor poëzie, dichterlijk scheppingsvermogen. Ook in het Nederlandsch is vinder, voor minstreel, dichter, zanger gebruikelijk geweest.
I. Pr. 11. Dit hanenstrijdperk. Daarmede vergelijkt Shakespeare zijn tooneel, wegens de geringe afmetingen. Het Globe-theater had de gedaante van een lagen ronden toren, vandaar de vergelijking met een O. Bij de helmen, een paar regels verder, denke men aan helmen met pluimen of vederbossen, die de lucht deden sidderen.
I. 1. 1. De wet is weer aanhangig. Het voorstel, waarvan de inhoud in de volgende regels vermeld wordt, ging eigenlijk van de Gemeenten uit, die reeds in het zevende jaar der regeering van Hendrik IV, toen deze geldmiddelen verlangde, den koning ronduit voorsloegen al het wereldlijk grondbezit der kerk in beslag te nemen en daaruit een blijvend fonds te vormen om den behoeften van den staat te gemoet te komen. De Gemeenten hadden zoo groot ongelijk niet, want de Kerk had een derde des lands in bezit en droeg niets tot de staatslasten bij. De koning en de Lords verwierpen het voorstel. De Gemeenten kwamen in Hendriks elfde regeeringsjaar op nieuw met haar ontwerp voor den dag, voegden er een raming van de inkomsten der geestelijkheid bij en sloegen de verdeeling voor, hier regel 12–19 opgegeven. De Koning verzette zich ook ditmaal. Toen Hendrik V den troon had beklommen, werd het voorstel op nieuw gedaan en nu trachtte Chicheley, aartsbisschop van Canterbury, den slag af te wenden, door den koning tot den oorlog met Frankrijk te overreden.
I. 1. 28. En een waarachtig vriend der heil’ge kerk. De eenige keer, dat Sh. zinspeelt op den ijver van Hendrik V voor de kerk; de vervolging der Lollarden, de voorloopers der hervorming, zou den protestantschen toehoorders weinig behaagd hebben.
I. 2. 33. Zoo hoort, genadig koning. In deze geheele redeneering van den Aartsbisschop is Sh. Holinshed zeer nauwkeurig gevolgd; men vindt daar ook den Latijnschen regel (r. 38), en ook enkele onjuistheden zijn overgenomen; b.v. [609]Luitgard (r. 74) heet er Lingare (bij Holinshed Lingard) en reg. 77 staat Lodewijk de Tiende, wat de Negende moest zijn; ook de aanhaling uit Numeri (kap. 27 vs. 8) in r. 99 is aan Holinshed ontleend.
I. 2. 162. Om er koning Edwards roem Te hoogen door gevangen koningen. In het jaar van den slag bij Crecy (1346), in welken zoovele hooge personen sneuvelden of krijgsgevangenen werden gemaakt, werden de Schotten door de edelen van Noord-Engeland, de Percy’s enz. bij Nevil’s-Cross geslagen en hun koning David Bruce gevangen naar Londen gevoerd; hij was nog niet in vrijheid gesteld, toen tien jaar later in den slag bij Poitiers Koning Jan II van Frankrijk den Zwarten Prins in handen viel en mede naar Engeland gezonden werd.
I. 2. 187. Zoo werken ook de bijen. Een dergelijke vergelijking met een bijenstaat komt voor in het toen veelgelezen werk van Lyly: „Euphues and his England” (1580).—Ook in het vierde boek van Vergilius’ Georgica zijn verscheiden overeenkomstige beschouwingen te vinden.
I. 2. 252. Met lustige Galliarden. De Galliarde was een vroolijke dans uit Shakespeare’s tijd.
II. Pr. 26. Zij hebben voor Fransch goud,—vergulde schuld!—In het oorspronkelijke vindt men een woordspeling met gilt en guilt.
II. Pr. 30. Eer hij naar Frankrijk afzeilt, in Southampton. In het oorspronkelijke volgen hier twee regels, die blijkbaar bedorven zijn en geen goeden zin geven en bovendien den samenhang, die na weglating dezer twee regels niets te wenschen overlaat, verbreken. Zij moeten door het een of ander toeval in den gedrukten tekst geraakt zijn. De regels zijn:
„Linger your patience on: and we’ll digest
The abuse of distance; force a play.”
II. 1. 44. IJslandsche hond. De naam van IJslandsche hond komt meer als scheldwoord voor, zooals b.v. bij ons mop gebezigd kan worden.
II. 1. 47. Ik wilde u wel solus hebben. Solus was de gewone tooneelaanwijzing voor alleen. Pistool houdt het woord voor een scheldnaam. Het „veradem”, dat hij een oogenblik later gebruikt, moet beteekenen: „sterf!”
II. 1. 57. Asmodeus. Shakespeare heeft hier den bij ons onbekenden duivelsnaam Barbason, die toen meer gebezigd werd; zie De vroolijke vrouwtjes van Windsor, II. 2. 311 .
II. 1. 77. Jachthond van Creta. Deze honden waren speurhonden. Sh. vermeldt ze in den Midzomernachtdroom, IV. 1. 131. Bij de ouden worden zij niet vermeld.—Van Cressida’s geslacht. De uitdrukking: „Een nachtuil van Cressida’s geslacht” (het woord kite, dat gebruikt wordt, beduidt den een of anderen roofvogel) wordt reeds in een stuk van 1578 toegepast op vrouwen als Doortje Scheurlaken, en was dus aan schouwburgbezoekers zeker wel bekend; het „pekelvat der schande” wijst op een zweetkuur, waaraan Doortje zich juist moest onderwerpen.
II. 1. 112. Een nobel zult gij hebben. Pistool dingt af; een nobel is slechts 6 schellingen 4 stuivers.—Drie regels verder schuilt in het Engelsch: I live by Nym een woordspeling met nim, dat in de dieventaal „nemen”, „stelen” beteekent.—Met gecorroboreerd in reg. 130 is gecorrodeerd, aangeknaagd, verteerd, bedoeld.
II. 2. 8. Neen, deze man, die vaak zijn leger deelde. Dit gold als een bewijs van broederlijke vriendschap. Dat koning Hendrik dit bewijs aan lord Scroop gegeven had, vond Shakespeare in Holinshed.
II. 2. 155. Mij heeft het goud van Frankrijk niet verlokt. Cambridge heeft recht dit te zeggen, daar de verheffing van het huis Mortimer het hoofddoel was, zie boven blz. 606.
II. 2. 167. Gij hebt bij eede u tegen ons verbonden. In deze toespraak volgde Sh. Holinshed.
II. 3. 5. Falstaff, hij is dood. Dat Shakespeare, toen hij zijn „K. Hendrik de Vierde” voltooid had en zich gereedmaakte, „K. Hendrik de Vijfde” te laten volgen, van plan was, ook in dit stuk Falstaff te laten optreden, weten wij uit goede bron, namelijk, van hemzelf; men zie de epiloog van „ 2 K. Hendrik IV ,” blz. 559. Maar ongetwijfeld heeft hij later ingezien, dat Falstaff er niet in mocht voorkomen; in de bres van Harfleur, in het slaggewoel van Agincourt kon Falstaff zijn rol niet spelen; hij zou de stemming, die in dit stuk heerscht, bedorven hebben; de ernst, dien de beslissende gebeurtenissen vorderen, oefent geen genade jegens Bardolf en Nym; Pistool wordt gespaard, ja, maar voor een leven in diepe schande; ook vrouw Haastig sterft een smadelijken dood. Wat zou de dichter dan met hun aller heer en meester, met Falstaff, in dit stuk uitvoeren? Een eervolle dood op het slagveld mocht hem niet ten deel vallen. Men moet erkennen, dat de dichter wèl deed, Falstaff, verre van het tooneel der handeling, in alle stilte te laten verscheiden, op een wijze, die onze deelneming nog wekt. En ontegenzeglijk heeft zijn dood, juist op dit oogenblik, nu de groote gebeurtenissen aanstaande zijn, ook een symbolische beteekenis, want met Falstaff gaat al de loszinnigheid, die aan koning Hendriks verleden kleefde, ten grave. Met zijn vroegere metgezellen verstaat de koning geen scherts meer; zijn blijmoedigheid heeft hij behouden, maar deze uit zich thans in den omgang met den rechtschapen Fluellen of met eerlijke, trouwe soldaten, zooals Williams.
II. 3. 12. Een kind in het doophemdje. [610]In het Engelsch a chrisom child, waar vrouw Haastig een christom child van maakt, zooals zij Arthurs schoot in plaats van Abrahams schoot zegt. Een chrisom child is een kind, dat in de eerste maand sterft; chrisom is eigenlijk het witte doekje, dat een kind op het hoofd gelegd werd, opdat de zalvingsolie niet weggevaagd zou worden.—Dat Falstaff stierf, toen het water begon te vallen, zegt vrouw Haastig, omdat naar een oud volksgeloof niemand tijdens het opkomen van het water stierf.
II. 3. 17. Zijn neus was zoo scherp als een pen en een tafellaken met groene plekken. In ’t Engelsch: his nose was as sharp as a pen, and a table of green fields. Als men vrouw Haastig verstandig wil laten praten, is zeker Theobalds oude emendatie: and ’a babbled of green fields, de verstandigste van allen. Maar verstandig te praten is het zwak van vrouw Haastig niet; met een tafel kan zij zeer wel er een gemeend hebben met een tafellaken, en met den spitsen neus en de groenachtig bleeke kleur den indruk hebben geschetst, dien het Hippocratisch stervensgezicht van Falstaff op haar gemaakt had.
II. 3. 55. Caveto moge uw raadsman zijn. Een aardig staaltje van de fouten der quarto-uitgaven is, dat zij hier voor het Latijnsche caveto (pas op), Cophetua, den koning uit het bekende volksliedje, te lezen geven.
II. 4. 25. Zich met een pinkster-moorendans vermaakt. Hier zij in het midden gelaten, of het misschien beter is voor „moorendans” morrisdans of lentedans te lezen, want het is lang niet onwaarschijnlijk, dat de morrisdance zijn oorsprong nam in de heidensche tijden van Engeland en niets met een moorschen dans te maken had. Het was vooral op den eersten Mei, dat deze dansen plaats hadden: een twaalftal personen kwamen er in voor, waaronder juffer Marianne of de Mei-koningin, tevens geliefde van Robin Hood, dan broeder Tuck, de kapelaan van denzelfden, het stok- of hobbelpaard of hobby-horse, de Meipaal, alsmede een groep buitenlanders; onder deze laatsten kunnen ook Mooren opgetreden zijn.
II. 4. 102. Bij Jezus’ ingewanden zegt hij u. De ingewanden worden als zetel van het mededoogen opgevat. Sh. vond deze uitdrukking bij Holinshed: „nevertheless exhorted the French king, in the bowels of Jesu Christ, to render him” etc.
III. 2. 19. Zoo vluchtig En luchtig Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch. Deze en de voorafgaande rijmen zijn waarschijnlijk aan volksliedjes ontleend.
III. 2. 61. Pij te mijnen? seg gij ten hertog, enz. De dichter heeft hier een Schot Jamy, een Ier Macmorris, en een Walliser Fluellen, laten optreden, en ieder op zijn eigenaardige wijze laten spreken. Op het tooneel heeft het spreken in verschillende tongvallen, als het goed gedaan wordt, een uitnemende uitwerking; geschreven is dit in veel minder mate het geval; de woorden zien er vreemd uit en de uitwerking wordt geheel gemist, als de lezer met het bedoelde dialect niet vertrouwd is. De vertaler heeft er bij den Schot Jamy en den Ier Macmorris van afgezien, het dialect uit te drukken; bij het overluid voordragen van het stuk moge de spreker den vreemden tongval, dien hij machtig is, aan de woorden leenen. Voor den Schot Jamy zou b.v. de wijze, waarop de Friezen Nederlandsch spreken, kunnen worden nagebootst, met de harde f voor de v, de zachtere uitspraak van de g, het weglaten van het voorvoegsel ge bij de verleden deelwoorden enz. De Ier Macmorris moge zich van een dialect bedienen, dat iets verder van het gewone Nederlandsch afwijkt; voor zijn gezegden zou b.v. een Limburgsche of Zuid-Nederlandsche tongval in aanmerking komen. Met den Walliser Fluellen (= Llewellyn) is het een ander geval. Deze spreekt in het oorspronkelijke geen volksdialect; hij spreekt als een man, wiens moedertaal het Kymrisch is en die zich het Engelsch met moeite en onvolkomen heeft eigen gemaakt. Het Engelsch is hem een vreemde taal gebleven; ieder oogenblik zondigt hij tegen de juiste woordenkeus, de taalregels, de uitspraak. Toch is hij voor zichzelf volkomen gerust, dat hij zich zeer goed en gemakkelijk in het Engelsch uitdrukt en gebruikt zijn vreemde wendingen en uitdrukkingen, verbuigingen en vervoegingen met het grootst mogelijke aplomb, ja, hij zoekt, daar hij vrij wat gelezen heeft, aan zijn taal een geleerd voorkomen te geven en waagt er allerlei halsbrekende kunsten mee; daarbij komt nog, dat hij de verkeerde woorden, die den vreemdeling verraden, verkeerd uitspreekt. Dit alles moest, bij deze tamelijk omvangrijke rol, uitgedrukt worden; in hoeverre de vertaler hierin geslaagd is, mogen anderen beoordeelen.
III. 4. 1. Alice, tu as esté en Angleterre. Het Fransch, dat in dit stuk voorkomt, is—dit is niet te loochenen—zeer slecht; de Franschen hebben het zeker veel beter gesproken; en voor Koning Hendrik en de zijnen was het Fransch zeker ook geen vreemde taal. Het is niet wel uit te maken, wat Shakespeare geschreven heeft, want vaak zijn vreemde woorden, zelfs daar, waar Sh. ze ongetwijfeld goed geschreven heeft, tot onkenbaarheid toe verminkt en misvormd. Het valt niet moeilijk de ergste fouten te verbeteren, maar dan verkrijgt men waarschijnlijk iets anders dan Sh. schreef en heeft een eigenaardigheid van het oorspronkelijke uitgewischt. Want het is mogelijk, dat, wat de folio-uitgave [611]ons heeft overgeleverd, niet veel afwijkt van wat Sh. geschreven heeft. Het Fransch toch, zooals wij het daar vinden, was zeker voor Sh.’s publiek voldoende om de gewenschte uitwerking te weeg te brengen. De hachelijke verandering is daarom hier niet beproefd; wordt het stuk hier te lande ooit gespeeld, dan moge men het Fransch wijzigen naar de eischen van ons publiek.
III. 5. 33. Luchtsprongen, vlugge passen onderwijzend. In ’t Engelsch worden hier twee bepaalde dansen genoemd: And teach lavoltas high, and swift corantos. De lavolta was een Italiaansche, over Frankrijk naar Engeland gekomen dans, met omdraaiingen—de naam hangt met het Latijnsche volvere samen,—en hooge sprongen, die eenige gelijkenis met de wals zal gehad hebben; de coranto was een vlugge dans, die misschien meer van een galop had. Sir John Davies (1570–1626) heeft in zijn gedicht Orchestra, or a Poem of Dancing, in a Dialogue between Penelope and one of her Wooers, de Lavolta beschreven en schetst de maat aldus:
„And still their feet an anapest do sound:
An anapest is all their musick’s song,
Whose first two feet is short, and third is long”.
De coranto had daarentegen een dactylische maat.
III. 6. 42. Hij stal zich een monstrans. Een monstrans, een hostiehuisje, heet in ’t Engelsch pix, maar in den tekst staat pax. Pix zal wel bedoeld zijn; in Holinshed toch lezen wij: A soldier took a pix out of a church, for which he was apprehended, and the king not once removed till the box was restored and the offender strangled.—Een pax was een klein plaatje van hout of metaal, waar een heilige voorstelling op gegraveerd was; het werd bij het eind der mis aan de geloovigen ten kus gereikt.
III. 7. 56. Als een Iersche Kern. Kernen waren de lichte Iersche troepen, met een zeer primitief kostuum.
III. 7. 121. ’t Is een verkapte dapperheid. In ’t Engelsch: ’t Is a hooded valour; and when it appears, it will bate. „’t Is een verkapte (of omhuifde) dapperheid; en als zij voor den dag komt, zal zij met de vleugels slaan”. To bate is een uitdrukking aan de valkerij ontleend, die ook „afvallen”, „verminderen”, beteekent, een woordspeling, die hier bedoeld is.
IV. Pr. 45. Van nieuwen moed, van vuur doortinteld zijn. Het is, dunkt mij, onmiskenbaar, dat, in het oorspronkelijke, achter de woorden: „that mean and gentle all” een regel is uitgevallen. De inhoud er van moet geweest zijn, als van dezen door mij ingelaschten regel.
IV. 1. 13. Goeden morgen, oude Thomas Erpingham. Erpingham was reeds met Bolingbroke uit Bretagne naar Engeland gekomen. Zie „K. Richard II”, II. 1. 283.
IV. 1. 54. Ik sla hem wis zijn knoflook om zijn bol Op Davidsdag. De slag bij Crécy had plaats op Davidsdag (25 Augustus) 1346; de Wallisers hielden toen manmoedig stand nabij een moestuin met look en kozen nu look als zegeteeken, dat zij sedert op Davidsdag op de muts droegen, in overeenstemming met een oud Keltisch en Germaansch gebruik.
IV. 1. 197. Dit is zeker, ieder, die in zonde sterft, enz. Deze woorden zijn misschien eer aan Court toe te kennen.
IV. 1. 292. Hyperions rossen. Hyperion is de Zonnegod, zie Homerus’ Odyssea I. 8. en de naam is hier alzoo van gelijke beteekenis met Phoebus.
IV. 2. 4. Voort!—les eaux et la terre! Het oorspronkelijke is zeer bedorven.—De Dauphijn roept: Via! (voort!) over water en land! en Orleans vraagt spottend: „Wat! ook niet door de andere elementen, lucht en vuur, heen?” waarop de Dauphijn al pochend er den hemel nog bijvoegt.
IV. 2. 60. Ik wacht slechts op mijn standaard. Holinshed vertelt hier van den Hertog van Brabant, dat hij in zijn ongeduld het vaantje van een trompetter nam.
IV. 3. 10. En, beste neef. Deze woorden richt Salisbury tot Westmoreland; beiden waren Nevils. Salisbury was de vader van den beroemden graaf van Warwick, die in „Koning Hendrik VI” een groote rol speelt. Vergelijk boven blz. 563.
IV. 3. 76. Zie, nu wenscht gij vijfduizend strijders weg. De koning neemt vijfduizend bij wijze van een onbepaald getal, want het Engelsche leger is even te voren, regel 4, door Exeter op twaalfduizend man geschat.
IV. 3. 105. Nog losbreekt in een tweede vaart van onheil. Door de booze ziekten, die de dooden verwekken. Dat zij dit zouden doen als een schampschot, like to the bullet’s grazing, zooals de tweede folio-uitgave leest, is mij niet duidelijk; ik heb daarom hier van een opstuitkogel d.i. „een ricochetschot” gesproken; misschien is crasing, d.i. crazing, verpletterend, der eerste folio-uitgave verkieslijk boven het woord grazing der tweede folio-uitgave.
IV. 4. 3. Kaliteef? kale hond! zijt gij een edelman? Pistool verstaat geen Fransch en beschimpt den Franschen soldaat, door den klank zijner woorden met Engelsche uitdrukkingen na te bootsen. Natuurlijk moeten deze laatste in de vertaling door andere vervangen worden.—Hoe de oorspronkelijke tekst soms door drukfouten onkenbaar is geworden, blijkt hier. Nadat de Franschman van qualité heeft gesproken, [612]zegt Pistool volgens de folio-uitgave: „Qualtitie calmie custure me. Art thou a gentleman?” De eerste woorden waren een onoplosbaar raadsel, tot Malone er de eerste woorden van een Iersch lied in herkende, dat voor de melodie aangehaald wordt in een boek, verschenen in 1584, en ten titel voerende: „A Handifulle of pleasant Delites”. Daarin vindt men: „Sundry new Sonets, in divers kinds of meeter newly devised to the newest tunes that are now in use to be sung” en onder deze: a Sonet of a Lover in the praise of his Lady; to (d.i. op de wijs van:) „Calen o custure me;” sung at everie line’s end. De woorden van den tekst moeten dus gelezen worden: Quality! Calen o custure me!1 Het woord qualité brengt eenvoudig den klank van Calen aan Pistool in de gedachte, zoodat hij de woorden der melodie herhaalt.
IV. 4. 9. Mijn kling, gij springt er over. In ’t Engelsch: thou diest on point of fox. Fox komt meer in de beteekenis van zwaard voor, omdat sommige klingen een loopenden vos als smidsmerk hadden.—Een oogenblik later vat Pistool het woord moi als een gouden munt, voluit moidore geheeten, op.
IV. 4. 75. Dan deze brullende duivel. In de oude moraliteiten zag de duivel er wel vreeselijk uit en brulde geweldig, maar hij was toch zeer laf en liet zich door den hansworst met zijn houten zwaard ongestraft op de vingers slaan.
IV. 7. 104. Monmouth-mutsen. Monmouth, in Wales, de geboorteplaats van Koning Hendrik V, was beroemd om de mutsen, daar vervaardigd en bij krijgslieden veel in gebruik.
IV. 7. 114. Zoolang het zijn genade behaagt en zijn majesteit bovendien. Fluellen spreekt van Gods genade, maar houdt het woord „genade” voor een titel, die hem te gering schijnt, zoodat hij zich haast er „majesteit” bij te voegen.
IV. 8. 81. Charles van Orleans enz. De namen en getallen, die Exeter noemt en die de koning opleest, zijn aan Holinshed ontleend; dat Shakespeare ze hier opneemt, bewijst voor de belangstelling, die alle bijzonderheden van den slag van Agincourt in zijn tijd nog opwekten.
IV. 8. 128. ’t Non nobis aangeheven en Te Deum. Holinshed verhaalt, dat de koning na de overwinning zijn leger vereenigde; zijn prelaten en kapelanen moesten den psalm: In exitu Israel de Aegypto zingen, en bij het vers: Non nobis, Domine, moest iedereen knielen.
V. Pr. 30. Als onzer hooge koninginne veldheer. Essex, die van April tot September 1599 in Ierland was, om er een opstand te dempen, zie boven blz. 65 .
V. Pr. 38. De keizer zelf. Inderdaad heeft keizer Sigismund koning Hendrik te Londen bezocht, en getracht, hoewel tevergeefs, den vrede tusschen Engeland en Frankrijk te bemiddelen.
V. 1. 29. Niet voor Cadwallader en al zijn geiten. Een nieuwe beleediging voor Fluellen. Cadwallader is een Walliser naam (een vorst van 984 heet Cadwallon); misschien meent Pistool er een berg of Wales zelf mee; en de Wallisers werden dikwijls om hun geitenkudden bespot.
V. 2. 17. Den moordnaarsblik der basilisken. Die den mensch deed versteenen. Het oorspronkelijk „The fatal balls of murdering basilisks” bevat ook een toespeling op de vuurmonden, die den naam van basilisken droegen.
V. 2. 84. En broeder Clarence. Nòch Clarence, nòch de Graaf van Huntingdon komen elders in dit stuk voor.
V. 2. 244. Daardoor werd ik geschapen met een stuursch uiterlijk, enz. Hendrik V was daarentegen volgens de beschrijving van tijdgenooten een schoon man, met krachtigen en toch sierlijken lichaamsbouw.
V. 278. Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje. De Engelschen waren toen ter tijd veel guller met kussen dan vele andere volken, bij welke hun begroeting met een kus op den mond meermalen aanstoot gaf.
V. 336. Als de vliegen omstreeks Sint Bartholomeus. Dus in ’t warmste van het jaar, 24 Augustus.
V. 369. Praeclarissimus filius noster. Als vertaling van très cher moest het prœcarissimus zijn, maar Shakespeare vond het zoo in Holinshed.
Epil. 13. Vaak zaagt gij dit vertoond. Meermalen waren de verschillende deelen van „Koning Hendrik de Zesde”, die tot de eerste stukken van Shakespeare behooren, opgevoerd. Het eerste deel schetst vooral, hoe Frankrijk voor Engeland verloren ging; het tweede en derde de bloedige burgeroorlogen tijdens de regeering van koning Hendrik den Zesden.