WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Vijfde cover

Koning Hendrik de Vijfde

Chapter 9: DERDE BEDRIJF.
Open in WeRead

About This Book

A newly matured monarch navigates the duties of rule, confronting legal, religious, and diplomatic obstacles as he presses a dynastic claim across the Channel. Court debates and counsel alternate with recruiting, campaigning, and siege, while intimate scenes among officers and common soldiers reveal camaraderie, fear, and humor. The drama culminates in a dramatic field engagement that tests leadership, morale, and the ethics of war, leaving victory tempered by human cost. The play balances rhetorical speeches and staging with sharp contrasts between political calculation and battlefield experience.

[Inhoud]

DERDE BEDRIJF.

Trompetgeschal. Chorus treedt op.

Chorus.

Zoo vliegt op vleug’len der verbeelding steeds

Ons ijlend schouwspel met geen mind’re vaart

Dan der gedachte. Denkt, gij zaagt den koning,

Wel toegerust, aan Hamptons havenhoofd

Zijn rijk inschepen, en zijn wakk’re vloot

Den jongen dag met zijden wimpels groeten.

Spele uw verbeelding mede; ziet aldus

Scheepsjongens klaut’ren in ’t getaande want,

En hoort de schelle fluit, die orde stelt

Op ’t woest geraas; en ziet de linnen zeilen,

Die ongezien de wind besluipt en spant,

Door de opgeploegde zee de kielen stuwen,

Wier forsche boeg den hoogen golfslag trotst.

O, denkt, dat gij aan strand staat en een stad

Ziet dansen op de wisselzieke baren; 15

Want zoo doet zich die grootsche vloot u voor,

Die koers zet naar Harfleur. O volgt haar, volgt!

Haakt uwen geest aan de achterstevens vast,

En laat uw England, doodsch als middernacht,

Bewaakt door grijsaards, kind’ren, oude vrouwen,

Wier kracht en merg verdween of komen moet.

Wie toch, wien slechts een enkel zichtbaar haar

De kin versiert, trekt niet naar Frankrijk op,

Met zoo volmaakte en uitgelezen dapp’ren?

Wekt, wekt uw geest; aanschouwt zoo een beleg,

En ziet de stukken op de affuiten, gapend

Met onheilvolle monden naar Harfleur.

Frankrijks gezant, stelt dit u voor, keert weder

En meldt aan Hendrik, dat de koning hem

Zijn dochter aanbiedt, en, met haar als bruidschat,

Een paar armzaal’ge kleine hertogdommen.—

Het aanbod smaakt niet; nu beroert de lont

Des kanonniers het helsch geschut,

(Krijgsgedruisch en kanongebulder.)

dat alles

Ter neder velt.—Schenkt immer ons uw gunst,

En heele uw geest de leemten onzer kunst.

(Chorus af.)

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Harfleur.

Krijgsgedruisch. Koning Hendrik komt op, benevens Exeter, Bedford, Gloster en Soldaten met stormladders.

Koning Hendrik.

Nog eens gestormd, nog eens, mijn lieve vrienden!

Of stopt de bres met Englands doode strijders!

In vredestijd staat niets den man zoo goed,

Dan rustige bescheidenheid en ootmoed;

Maar trilt des oorlogs storm ons in het oor,

Bootst dan het doen des fellen tijgers na;

Spant iedre pees en wekt uw bloed; vermomt

Uw vriendlijke natuur door norsche woede;

Leent dan aan ’t oog een onheilspellend uitzicht;

Het gluur’, gelijk een veldslang, door de schutpoort

Van ’t hoofd; de wenkbrauw overwelv’ het dreigend, 11

Gelijk een rots, die, onder uitgehold,

Ver uitsteekt over zijn vergruisden voet,

Waar de oceaan vernielend, woest, om bruist.

Spert wijd het neusgat, klemt de tanden saam,

Houdt de’ adem in, spant al uw kracht en geest

Tot volle hoogte!—Op, op, gij Englands eedlen!

Gij, ’t bloed van in den krijg beproefde vaad’ren,

Vaad’ren, die, elk een Alexander, hier

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds rustloos streden,

En ’t zwaard eerst borgen om gebrek aan werk.

Onteert uw moeders niet, maar staaft, dat zij,

Die gij uw vaders noemt, u ook verwekten.

Weest mannen van een grover bloed ten voorbeeld,

Leert hun wat strijden is.—Ook gij, braaf landvolk,

Met leden, die in England groeiden, toont

De kracht van uwe weiden; laat ons zweren,

Dat ge uw verzorging waard zijt; doch dit weet ik;

Want zoo gering of laag is geen van u,

Dat nu zijn oog niet straalt van eed’len gloed;

Ja, ’k zie, gij staat als brakken aan de lijn,

En rukt om los te komen. ’t Wild is op;

Gaat, volgt uw moed; uw wapenkreet bij ’t stormen

Zij:—„God met Hendrik! England en Sint George!”

(Allen af. Krijgsgedruisch en kanonschoten.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Op dezelfde plaats.

Legerscharen. Nym, Bardolf, Pistool en de Jongen komen op.

Bardolf.

Vooruit, vooruit, vooruit! naar de bres, naar de bres!

Nym.

Ik bid u, korporaal, bedaard; de kloppartij is al te heet; en wat mij betreft, ik heb geen koppel levens; de humor er van is te heet, dat is de litanie er van.

Pistool.

De litanie is juist; het wemelt hier van humors;

Klop hier, klop daar; Gods knechten vallen, sneven:

Hier wint de held

Op ’t bloedig veld

Al strijdend eeuw’gen roem.

Jongen.

Ik wenschte, dat ik in een bierhuis zat, in Londen! Ik zou al mijn roem voor een kan bier geven en voor veiligheid.

[579]

Pistool.

En ik:

Zoo alles maar voor ’t wenschen was,

Of ik dan ook vol ijver was!

Ik ijlde fluks er heen.

Jongen.

Zoo vluchtig

En luchtig,

Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch.

(Fluellen komt op.)

Fluellen.

Foort, naar de pres, gij honden! foort, schafuiten!

Pistool.

Spaar, groote veldheer, ’t zwak geslacht des stofs!

Betoom uw woede, toom uw mannenwoede;

Betoom uw woede, o veldheer!

Fier haantje, toom uw woede; erbarmen, duifje!

Nym.

Dat zijn fraaie humors!—een mensch zijn eer wint niets dan booze humors.

(Nym, Pistool en Bardolf af; Fluellen achter hen aan.)

Jongen.

Zoo jong als ik ben, heb ik toch die drie vechtersbazen in de gaten. Ik ben jongen bij hen alle drie; maar zij alle drie, als zij bij mij wilden dienen, waren toch mijn man niet; want waarachtig, drie zulke fratsenmakers maken samen nog niet één man uit. Bardolf, die heeft een witte lever en een rood gezicht; en daarom, met zijn vlammen ziet hij er vurig genoeg uit, maar hij vecht niet. Pistool, die heeft een moorddadige tong en een vreedzaam zwaard; en daarom breekt hij woorden den nek, maar houdt zijn wapens heel. Nym, die heeft wel eens gehoord, dat menschen van weinig woorden de besten zijn, en daarom verdraait hij het, ooit te bidden, opdat men hem niet voor een lafaard zou houden, maar naast zijn weinige en slechte woorden staan even weinige goede daden, want hij sloeg nooit iemand den kop in dan zichzelf, en dat was tegen den deurpost, toen hij dronken was. Zij stelen alles, wat voor de hand komt, en dat noemen zij zaken doen. Bardolf stal de kast van een luit en droeg die twaalf mijlen ver en verkocht ze voor vierdehalven stuiver. Nym en Bardolf zijn gezworen broeders in het kapen en in Calais stalen zij een aschschop; uit dat proefstuk zag ik, dat geen van tweeën een schop waard is. Zij zouden willen, dat ik even goed vertrouwd was met een andermans zakken, als zijn handschoenen of zakdoeken het zijn, wat zeer tegen mijn mannenwaarde strijdt, als ik uit een anders zak wat neem om het in den mijnen te steken, want dat zou toch niets anders wezen dan onrecht op te steken. Ik moet van hen weg en een beteren dienst zoeken; mijn zwakke maag kan hun schelmerij niet verdragen en daarom moet ik dien opgeven.

(De Jongen af.)

(Fluellen komt terug, gevolgd door Gower.)

Gower.

Overste Fluellen, gij moet dadelijk bij de mijnen komen; de hertog van Gloster wil u spreken.

Fluellen.

Pij te mijnen? seg gij ten hertog, het is niet so choed te komen bij te mijnen, want, siet gij, te mijnen is niet in akkoord met de leering fan ten oorlog; de concaviteiten er van is niet chenoegsaam, want, ziet gij, de vijand,—dat kunt gij den hertog wel seggen, siet gij,—is self wel vier ellen onder de contermijnen gegraafd. Pij Jezus, ik denk, hij sal ons allen springen in de lucht, als er geen betere directies is.

Gower.

De hertog van Gloster, die het bestuur heeft van het beleg, laat zich geheel leiden door een Ier, een recht dapper man, op mijn woord.

Fluellen.

Dat is de overste Macmorris, niet waar?

Gower.

Ik geloof van ja.

Fluellen.

Pij Jezus, hij is een ezel, als in de wereld, dat wil ik pefestigen op zijn baard; hij heeft niet meer directies in de ware kunsten van den oorlog, siet gij, van de Romeinsche kunsten, als een pasgeboren schoothond. 78

(Macmorris en Jamy komen op den achtergrond op.)

Gower.

Daar komt hij; en de Schotsche overste, overste Jamy, is bij hem.

Fluellen.

Oferste Jamy is een verpazend tapper edelman, dat is zeker; en fan groote onderfinding en wetenschap in de oude oorlogen, naar mijn pijzondere kennis van zijn directies; pij Jezus, hij zal zijn onderwerp staande houden, soo choed als eenig krijgsman in de wereld, in de wetenschappen van de foorgaande oorlogen van de Romeinen.

Jamy.

Ik zeg u goeden dag, overste Fluellen.

Fluellen.

Wees gechroet, oferste Jamy.

Gower.

Hoe staat het, overste Macmorris, hebt gij de mijnen verlaten? hebben de schansgravers het opgegeven?

Macmorris.

Bij Christus, ’t is verkeerd gedaan; het werk is opgegeven, de trompetters blazen terugroeping. Bij mijn hand zweer ik en bij mijns vaders ziel, dat is verkeerd gedaan, het werk is opgegeven; ik had de stad in de lucht laten springen, zoo waar mij Christus helpe, ja, in een uur. O, ’t is verkeerd gedaan, ’t is verkeerd gedaan; bij mijn hand, ’t is verkeerd gedaan.

Fluellen.

Oferste Macmorris, ik pit u nu, wilt gij mij toestaan, siet gij, een paar disputaties [580]met u te hebben, als gedeeltelijk betreffend of belangend de wetenschappen van den oorlog, de Romeinsche oorlogen, bij wijze van argumentatie, siet gij, en friendschappelijke communicatie, gedeeltelijk tot bewijzen mijn meening, en gedeeltelijk, siet gij, tot pefestiging van mijn inzichten betreffende de directie van de krijgswetenschap, dat is de zaak.

Koning Hendrik V, Derde Bedrijf, Vierde Tooneel.

Jamy.

Dat zal zeer goed zijn, dat is zeer goed, mijn goede oversten beiden, en ik zal het, met verlof, u vergelden, als de gelegenheid eens komt; dat zal ik, waarachtig.

Macmorris.

Het is geen tijd om te gaan redeneeren, zoo waar Christus mij helpe. De strijd is heet, en het weer, en de oorlog, en de koning en de hertogen; het is geen tijd voor redeneeren. De stad wordt berend en de trompet roept ons naar de bres, en wij praten, en, bij Christus, wij doen niets; ’t is schande voor ons allen; zoo waar God mij helpe, ’t is schande, stil te blijven; ’t is schande, bij mijn hand; en daar zijn kelen af te snijden en daar is werk te doen, en daar wordt niets gedaan, zoo waar Christus mij helpe, ja. 121

Jamy.

Bij het sakrament, eer deze mijn oogen zich te slapen leggen, wil ik goede diensten doen, of ik wil er voor in den grond liggen, ja, of mijn leven laten; en ik wil het zoo manhaftig betalen, als ik kan; dat zal ik zeker doen; ja, dat is kort en goed de zaak. Maar toch, ik had gaarne een dispuut tusschen u tweeën gehoord.

Fluellen.

Oferste Macmorris, ik cheloof, siet gij, met uwe ferpetering, er is niet velen van uw natie—

Macmorris.

Van mijn natie? Wat is mijn natie? Is het een hondsvot en een bastaard en een schelm en een schurk? Wat is mijn natie? Wie zegt iets van mijn natie?

Fluellen.

Ziet gij? als gij de zaak anders neemt dan is gemeend, oferste Macmorris, zoo zal ik misschien denken, dat gij mij niet pehandelt met de beleefdheid, als gij in pillijkheid pehoort mij te behandelen, siet gij, want ik ben een man even choed als gijzelf, zoowel in de wetenschappen van den oorlog, als in de afkomst van mijn geboorte en in andere pijsonderhedens.

Macmorris.

Ik weet niet, dat gij een even goed man zijt als ik; zoo waar Christus mij helpe, ik zal u het hoofd afslaan.

Gower.

Gij heeren alle twee, gij verstaat elkaar verkeerd.

Jamy.

Ai, dat is een boos gebrek.

(Er wordt een sein tot een mondgesprek geblazen.)

Gower.

De stad laat daar het sein tot onderhandeling blazen.

Fluellen.

Oferste Macmorris, als er eens een peterder gelegenheid te krijgen is, siet gij, dan sal ik de frijheid nemen u te fertellen, dat ik de wetenschappen van den oorlog versta; en daarmee genoeg.

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Aldaar. Voor de poort van Harfleur.

De Commandant der stad met eenige Burgers op de wallen. De Engelsche legermacht beneden. Koning Hendrik komt op met zijn Gevolg.

Koning Hendrik.

Waartoe besluit de commandant der stad?

Voor ’t laatst is u een mondgesprek gegund;

Geeft dus u over, bouwend op genade,

Of tart, als mannen, tuk op hun verderf,

Ons tot het uiterst, want, zoo waar ik ben,—

Wat ik mijn hoogsten eernaam acht,—soldaat,

Wanneer mijn schutgevaarte weer begint,

Verlaat ik ’t half verwoest Harfleur niet eer,

Dan als het in zijn asch begraven ligt.

’k Zal alle poorten der genade sluiten;

De ontmenschte krijger, met een hart als steen,

Hoog’ vrij, ’t geweten ruim gelijk de hel,

Zijn hand des bloeds dan roeren, maaie als gras

Uw frissche maagden weg, uw bloeiend kroost

Wat deert het mij dan, of de snoode krijg,

In vlammen, als der duiv’len vorst, gehuld,

’t Gelaat met bloed bestreken, al de gruw’len,

Die steeds op storm en plund’ring volgen, pleegt?

Wat deert het mij,—gijzelf toch draagt de schuld,— 19

Of uwe reine maagden in de hand

Van heete, razende verkrachting vallen?

Wat teugel kan den wulpschen moedwil stuiten,

Als die zijn felle vaart bergafwaarts neemt?

Niet minder vruchtloos spilden wij ons machtwoord

Bij krijgers, woest en dol van plunderzucht,

Dan zoo we aan strand den Leviathan daagden

Voor onzen stoel. Dies, mannen van Harfleur,

Hebt deernis met uw stad en met uw volk,

Terwijl mijn krijgers luist’ren naar mijn wil,

En der genade koele, warme wind

De zwarte en onheilzwang’re wolken wegdrijft

Van woesten moord en roof en schurkerij.

Zoo niet, dan ziet gij in een oogwenk blinde,

Bloedgier’ge krijgers met onreine hand

De lokken van uw dochters, hoe ze ook gillen,

Bezoed’len; bij den zilv’ren baard uws vaders

Gevat, hun achtb’re hoofden wreed verplet,

Uw naakte wichtjes op een piek gespietst,

Terwijl de moeders met haar wanhoopskreten

De wolken splijten, als Judea’s vrouwen[581]

Bij ’t bloedbad van Herodes’ slacht’renrot.

Spreekt, wilt ge u overgeven, dit vermijden?

Of, om uw weerstand, al die gruwlen lijden?

Commandant.

’t Is heden voor ons uit met elke hoop.

Wij smeekten den dauphijn om hulp; zijn antwoord

Luidt, dat zijn macht alsnog om ons te ontzetten

Niet toereikt; dies, o groote koning, geven

Wij onze stad aan uw genâ thans over,

Trek binnen, neem bezit van ons en ’t onze;

Wij zijn niet meer in staat tot tegenweer.

Koning Hendrik.

Ontsluit de poorten!—Kom, oom Exeter,

Trekt gij Harfleur nu binnen, toef aldaar,

En maak het sterk, dat het de Franschen keer’;

Wees allen goedertieren. En, mijn oom,

De winter naakt en ’t aantal zieken neemt

In ’t leger toe; dus, wij gaan naar Calais.

Deze eene nacht zijn we in Harfleur uw gast;

Op morgen geven wij tot de’ opmarsch last.

(Trompetgeschal. De Koning en de zijnen trekken de stad binnen.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Rouaan. Een vertrek in het koninklijk paleis.

Catharina en Alice komen op.

Catharina.

Alice, tu as esté en Angleterre, et tu bien parles le langage.

Alice.

Un peu, Madame.

Catharina.

Je te prie, m’enseigniez; il faut que je apprend à parler. Comment appellez vous le main, en Anglois?

Alice.

Le main, il est appellé de hand.

Catharina.

De hand. Et les doigts?

Alice.

Les doigts? ma foy, j’ai oublié les doigts, mais je me souviendray. Les doigts? je pense qu’ ils sont appellé de fingres; ouy, de fingres.

Catharina.

Le main, de hand; les doigts, de fingres. Je pense que je suis le bon escolier. J’ai gagné deux mots d’ Anglois vistement. Comment appellez vous les ongles?

Alice.

Les ongles? Nous les appellons, de nails.

Catharina.

De nails. Escoutez; dites moy, si je parle bien: de hand, de fingres, et de nails.

Alice.

C’est bien dict, Madame; il est fort bon Anglois.

Catharina.

Dites moy l’Anglois pour le bras.

Alice.

De arm, Madame.

Catharina.

Et le coude?

Alice.

De elbow.

Catharina.

De elbow. Je m’en faitz la répétition de tous les mots que vous m’avez apprins dès à présent.

Alice.

Il est trop difficile, Madame, comme je pense.

Catharina.

Excuse moy, Alice, escoute: de hand, de fingre, de nails, de arm, de bilbow.

Alice.

De elbow, Madame.

Catharina.

O Seigneur Dieu! je m’en oublie; de elbow. Comment appellez vous le col?

Alice.

De neck, Madame.

Catharina.

De nick. Et le menton?

Alice.

De chin.

Catharina.

De sin. Le col, de nick; le menton, de sin.

Alice.

Ouy. Sauf vostre honneur, en vérité, vous prononcez les mots aussi droict que les natifs d’Angleterre.

Catharina.

Je ne doute point d’apprendre par la grace de Dieu, et en peu de temps.

Alice.

N’avez vous déjà oublié ce que je vous ay enseigné?

Catharina.

Non, je réciteray à vous promptement. De hand, de fingre, de mails,—

Alice.

De nails, Madame. 49

Catharina.

De nails, de arme, de ilbow.

Alice.

Sauf vostre honneur, de elbow.

Catharina.

Ainsi dis je; de elbow, de nick, et de sin. Comment appellez vous le pied et la robe?

Alice.

De foot, Madame, et de coun.

Catharina.

De foot, et de coun? O seigneur Dieu! ils sont les mots de son mauvais, corruptible, grosse et impudique, et non pour les dames de honneur d’user. Je ne voudrois prononcer ces mots devant les seigneurs de France, pour tout le monde. Il faut de foot, et de coun, néantmoins. Je réciteray une autre fois ma leçon ensemble: de hand, de fingre, de nails, de arme, de elbow, de nick, de sin, de foot, de coun.

Alice.

Excellent, Madame.

Catharina.

C’est assez pour une fois: allons nous à disner.

(Beiden af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.

De Koning van Frankrijk, de Dauphijn, de Hertog van Bourbon, de Connetabel van Frankrijk en Anderen komen op.

Koning Karel.

Dit is gewis, de Somme is hij reeds over.

Connetabel.

En grijpt men hem niet aan, mijn vorst, zoo laat ons

Niet meer in Frankrijk blijven, ’t gansch ontruimen,

Wijnbergen, alles, aan barbaren schenken.

[582]

Dauphijn.

O Dieu vivant! Wat! zullen een paar rijsjes,

De uitbotting van de wulpschheid onzer vaad’ren,

Uitspruitsels, op een wilden stam geënt,

Zal dit zoo plotsling in de wolken schieten,

Zoo laag op die hen entten nederzien?

Bourbon.

Normandiërs, niets, niets dan Normannerbastaards!

Mort de ma vie! gaan zij onaangevochten

Hun weg,—ik maak mijn hertogdom te gelde,

En koop me in Albion, dien neergeplompten

Uithoek der aard, een smeer’ge boerenplaats.

Connetabel.

Dieu des batailles! Wat schonk hun dat vuur?

Is hun klimaat niet mistig, somber, ruw,

Schijnt ook de zon, geërgerd, er niet bleek,

Hun vruchten doodend met zijn fronsblik? Kan

Hun brouwsel, water op wat gerst getrokken,

Een drank voor afgereden knollen, zoo

’t Koud bloed van hen tot dapp’re hitte koken?

En moet ons warmer bloed, door wijn bezield,

Bevroren schijnen? O, voor Frankrijks eer,

Laat ons niet hangen, als aan onze daken

IJskegels doen, terwijl een kouder volk

De droppels zijner dapp’re jeugd hier zweet

Op onze rijke velden, die men arm

Mag noemen in hun aangeboren meesters. 26

Dauphijn.

Bij eer en trouw, reeds spotten onze schoonen

Ronduit met ons, ja, zeggen meer: ons vuur

Zou uit zijn, en dra geven ze aan den lust

Van Englands jeugd haar lichaam prijs, om Frankrijk

Op nieuw, met bastaard-krijgers, te bevolken.

Bourbon.

Dansmeesters willen ze ons in England zien.

Luchtsprongen, vlugge passen onderwijzend;

In onze hielen, heet het, zit onze eer;

In ’t loopen hebben we ons gelijken niet.

Koning Karel.

Waar is Montjoye, des rijks heraut? hij groete

Uitdagend, namens ons, ras Englands vorst.—

Op, prinsen! ijlt in ’t veld! de geest der eer

Zij scherper wapen nog dan ’t felste zwaard!

Charles de la Bret, Frankrijks groot connetabel,

Gij, hertogen van Orleans, Bar, Berry,

Bourgogne, Brabant, Alençon, Bourbon,

Jacques Chatillon, Rambures, Vaudemont,

Beaumont, Grandpré, Roussi en Fauconberg,

Foix, Lestrale, Boucicault en Charolois,

Hertogen, prinsen, graven, baanderheeren,

Delgt, gij met groote leenen, grooten smaad;

Stuit Englands Hendrik, die door Frankrijk stormt

Met vanen, voor Harfleur in bloed gedoopt;

Stort op zijn leger, als gesmolten sneeuw

In dalen, op wier lagen knechtenzetel

Der Alpen kruin haar vochten spuwt en uitgiet;

Gaat, overvalt hem,—macht hebt gij genoeg,—

En voert hem, in een wagen opgesloten,

Gevangen naar Rouaan.

Connetabel.

Gevangen naar Rouaan. Zoo past het grooten.

Slechts dit bedroeft mij, dat zijn macht zoo klein,

Zijn volk verhongerd, krank is van den marsch;

Want zeker, ziet hij slechts ons heer, dan zal

Zijn hart verzinken in een poel van vrees,

En hij, in steê van strijd, een losgeld bieden.

Koning Karel.

Spoor dies Montjoye tot spoed, heer connetabel;

Hij vrage aan Englands koning, namens ons,

Welk losgeld hij vrijwillig wil voldoen.—

Gij, prins Dauphijn, blijft bij ons in Rouaan.

Dauphijn.

Ik bid uw majesteit, dit niet.

Koning Karel.

Berust er in, gij blijft alhier bij ons.—

Op, connetabel, en gij prinsen allen!

En meldt welras, dat England is gevallen!

(Allen af.)

[Inhoud]

ZESDE TOONEEL.

Het Engelsch legerkamp in Picardije.

Gower en Fluellen komen op, elkander ontmoetende.

Gower.

Hoe staat het, overste Fluellen? komt gij van de brug?

Fluellen.

Ik verzeker u, daar worden zeer uitstekende diensten pegaan pij de prug.

Gower.

Is de hertog van Exeter ongedeerd?

Fluellen.

De hertog van Exeter is zoo heldenmoedig als Agamemnon, en een man, dien ik pemin en eer, met mijn ziel, en mijn hart, en mijn verknochtheid, en mijn leven, en mijn levensmiddelen, en al mijn vermogen. Hij is,—Chod sij gedankt en geprijst!—gewond op geenerlei wijs, maar hij houdt de prug, zoo dapper mogelijk, en met foortreffelijke wetenschap fan den oorlog. Daar is een faandrig luitenant pij de prug,—ik denk waarachtig in mijn geweten, hij is een dappere man als Marcus Antonius, en hij is een man van geen estimatie in de wereld, maar ik heb hem praven dienst zien doen.

Gower.

Hoe noemt gij hem?

Fluellen.

Hij heet faandrig Pistool.

Gower.

Ik ken hem niet.

(Pistool komt op.)

Fluellen.

Daar komt de man.

Pistool.

Hoofdman, ik bid u, mij een gunst te doen;

De hertog Exeter is u genegen.

Fluellen.

Ja, dank zij Chod, en ik heb ook enkele welwillendheid verdiend van zijn hand.

[583]

Pistool.

Bardolf, een krijgsman, vast en sterk van hart,

Met sluwen moed, heeft door het gruw’lijk noodlot,

En ’t wiss’lend dolle rad der wufte vrouw,

De blinde schikgodin Fortuin,

Wier stand is op een steen, die rustloos rolt,—

Fluellen.

Met uw ferlof, faandrig Pistool. Fortuin wordt plind gemalen met een pand voor haar oogen om u te betuiten, dat Fortuin blind is. En sij wordt ook gemalen met een rad, om u te betuiten,—wat de moraal er fan is,—dat zij is draaiende en onpestendig en feranderlijkheid en ferscheidenheid, en haar foet, siet gij, is gefestigd op een polronden steen, dat rolt en rolt en rolt. Wezenlijk, de dichters maakt een zeer foortreffelijke peschrijving er fan, Fortuin is een foortreffelijke moraal.

Pistool.

Fortuin is Bardolfs vijandin, ziet norsch;

Hij stal zich een monstrans en moet nu hangen.

Een vloekb’re dood!

Voor honden gaap’ de galg, de mensch zij vrij,

En hennep mag zijn gorgel niet verstikken.

Maar Exeter deed de uitspraak van den dood

Voor voddigen monstrans.

Ga dus en spreek, de hertog hoort uw stem;

Zij Bardolfs levensdraad niet afgesneden

Met scherpen penningstrop en lagen smaad;

Spreek, hoofdman, voor zijn heil, en ik zal ’t u beloonen. 51

Fluellen.

Faandrig Pistool, ik fersta gedeeltelijk uw meening.

Pistool.

Welnu, ’t verheuge uw hart.

Fluellen.

Zeker, faandrig, het is niet een ding om ferheugd te zijn, want, siet gij, als hij mijn eigen proeder was, zou ik den hertog ferzoeken, zijn choedvinden te doen en hem te brengen tot de terechtstelling; want de krijgstucht moet gepruikt worden.

Pistool.

Sterf dan en wees verdoemd, en figo voor uw vriendschap!

Fluellen.

Het is choed.

Pistool.

De vijg van Spanje!

(Pistool af.)

Fluellen.

Zeer choed.

Gower.

Nu, dat is een uitgemaakte schelmachtige bedrieger; nu ken ik hem wel, een koppelaar en een beurzensnijder.

Fluellen.

Ik wil u verzekeren, hij uitte zoo prave woorden op de prug, als gij maar zien kunt op een zomerdag. Maar het is zeer choed; wat hij daar gesproken heeft tot mij, dat is choed, gij zult het zeker zien, als de cheschikte tijd er foor komt.

Gower.

Nu, hij is een uilskuiken, een zot, een schelm, die af en toe in den oorlog gaat, om bij zijn terugkomst naar Londen den soldaat uit te hangen. En zulke knapen kennen de namen van de bevelhebbers op hun duimpje, en zij leeren van buiten waar het heet toeging, bij dit en dat bolwerk, bij die en die bres, bij dit en dat konvooi; wie zich dapper gehouden heeft, wie doodgeschoten werd, wie zich slecht gedroeg, welke voorwaarden de vijand stelde; en dat leeren zij nauwkeurig in krijgsmanstermen, die zij met nieuwmodische vloeken opsmukken. En wat een generaalsbaard en een havelooze legerplunje voor werking doen bij schuimende flesschen en met bier doortrokken hersens, het is verbazend, als men er aan denkt. Maar gij moet zulke schandvlekken van onzen tijd leeren erkennen, of gij zoudt u wonderbaarlijk kunnen vergissen.

Fluellen.

Ik wil u wat zeggen, oferste Gower; ik heb zeer choed gemerkt; hij is niet de man, dien hij gaarne aan de wereld zou laten zien dat hij is; als ik aan zijn rok een steek los vind, zal ik hem seggen wat ik denk. (Er wordt getrommeld.) Hoor daar, de koning komt, en ik moet spreken met hem over de prug.

(Trommen en vaandels. Koning Hendrik, Gloster en Soldaten komen op.)

Chod pehoete uw majesteit! 92

Koning Hendrik.

Hoe is ’t, Fluellen, komt gij van de brug?

Fluellen.

Ja, om uwe majesteit te dienen. De hertog van Exeter heeft de prug zeer dapperlijk gehouden; de Franschen is afgetrokken, siet gij, en daar is dappere, recht prave gevechten. Waarachtig, de vijand waren pijna pezeten van de prug, maar hij is gedwongen geweest terug te gaan en de hertog van Exeter is meester van de prug. Ik kan het aan uwe majesteit zeggen, de hertog is een prave man.

Koning Hendrik.

Wat hebt gij aan manschappen verloren, Fluellen?

Fluellen.

De verderving van den vijand is zeer groot geweest, naar alle rede groot; waarachtig, ik voor mijn persoon cheloof, de hertog heeft niet verloren een enkel man, dan een die denkelijk wordt terechtgesteld om het pestelen van een kerk, een zekeren Bardolf als uw majesteit den man kent; zijn gezicht is een en al puisten en knobbels en wratten en fuurflammen, en zijn lippen plazen zijn neus aan, en die is als een kool fuur, pij tijden plauw en pij tijden rood; maar nu is zijn neus terechtgesteld en zijn fuur is uit.

Koning Hendrik.

Wij zouden al zulke misdadigers zoo uitgeroeid willen zien, en wij geven uitdrukkelijk bevel, dat er op onze marschen door het land aan de dorpen niets worde afgeperst, [584]dat er niets genomen worde dan tegen betaling, dat geen Franschman gehoond of door smaadtaal gekrenkt worde; want als zachtmoedigheid en wreedheid om een koninkrijk spelen, is de zachtaardigste speler de eerste om te winnen.

(Een trompetsignaal. Montjoye komt op.)

Montjoye.

Gij weet aan mijn gewaad reeds, wie ik ben.

Koning Hendrik.

Dit weet ik, ja; wat moet ik van u weten?

Montjoye.

Mijns meesters wil.

Koning Hendrik.

Ontvouw dien vrij.

Montjoye.

Zoo spreekt mijn koning:—„Zeg aan Hendrik van Engeland: ofschoon wij dood schenen, wij sliepen slechts; gunstige gelegenheid is een beter krijgsman dan overijling. Zeg hem, dat wij hem te Harfleur hadden kunnen tuchtigen, maar dat wij het niet goed vonden, een gezwel te drukken, voor het geheel rijp was. Nu is voor ons het oogenblik daar om te spreken, en onze stem is die van het gezag. Engeland moet zijn dwaasheid bejammeren, zijn zwakheid zien en onze lankmoedigheid bewonderen. Zeg hem daarom, aan zijn losgeld te denken, dat geëvenredigd moet zijn aan de verliezen, die wij geleden, de onderdanen, die wij verloren, de vernedering, die wij geduld hebben, zoodat, als die last hem met vol gewicht werd opgelegd, zijn kleinheid bezwijken zou. Wat onze verliezen betreft, zijn schatkamer is er te arm voor; wat het vergieten van ons bloed betreft, de legers van zijn koninkrijk te zwak in manschap; en wat onze vernedering betreft, zijn eigen persoon, knielend aan onze voeten, slechts een geringe en waardelooze voldoening. Voeg hierbij onze uitdaging; en zeg hem ten slotte, dat hij de verrader van zijn volgelingen is geworden, want dat hun veroordeeling uitgesproken is.”—Aldus spreekt mijn koning en meester; aldus luidt mijn opdracht. 145

Koning Hendrik.

Hoe is uw naam? uw ambt is mij bekend.

Montjoye.

Montjoye.

Koning Hendrik.

Gij kwijt u loff’lijk van uw last. Keer weder,

En zeg uw vorst, dat ik hem thans niet zoek,

Maar liever ongehinderd door wil trekken

Tot naar Calais, want,—dit belijd ik hier,

Al moge ’t niet zeer wijs zijn, aan een vijand,

Die sluw zijn voordeel zoekt, dit te bekennen,—

Mijn volk is afgemat door ziekte, en ook

Gedund in tal, de handvol, die mij rest,

Niet beter schier, dan even zooveel Franschen;—

Schoon ’t in hun volle kracht,—voorwaar, heraut!—

Mij scheen, dat ieder Engelsch beenenpaar

Drie Franschen dragen kon. Maar God vergeev’ mij,

Dat ik zoo poch!—het is uw Fransche lucht,

Die dit gebrek mij aanwaait: ik betreur het.

Ga dus en meld uw meester, dat ik hier ben,

Dit zwak en waard’loos lijf mijn losgeld is,

Mijn leger slechts een zwakke, kranke bende;

Toch,—meld hem ’t,—komen willen wij, met God,

Al sperde heel Frankrijk met een buur als hij

Den weg ons af. Hier, neem dit voor uw moeite.—

Ga, zeg uw heer, dat hij het wel bedenke:

Laat hij ons door, ’t is wèl; weêrstaat hij ons,

Dan kleurt uw purp’ren bloed den bruinen grond

Door onze hand.—En nu, Montjoye, vaarwel!

Nog eens zij hier ons antwoord saamgevat:

„Wij zoeken niet, zooals wij zijn, een veldslag,

Maar mijden dien ook niet, zooals wij zijn.”

Zeg dit uw meester.

Montjoye.

Ik zal dit melden.—’k Zeg uw hoogheid dank.

Gloster.

Zij zullen, hoop ik, thans ons niet bestoken.

Koning Hendrik.

In Gods hand zijn wij, niet in hunne hand.

Thans allen naar de brug, want de avond valt;

Wij leeg’ren ons aan gene zij des strooms,

En eischen morgen hun den aftocht af.

(Allen af.)

[Inhoud]

ZEVENDE TOONEEL.

Het legerkamp der Franschen bij Agincourt.

De Connetabel van Frankrijk, de Heer van Rambures, de Hertog van Orleans, de Dauphijn en Anderen komen op.

Connetabel.

Nu, ik heb de beste rusting ter wereld. Ware het al dag!

Orleans.

Gij hebt een uitmuntende rusting; maar laat mijn paard recht wedervaren.

Connetabel.

Het is het beste paard van heel Europa.

Orleans.

Zal het nooit morgen worden?

Dauphijn.

Mijn prins van Orleans en mijn heer de groot-connetabel, gij spreekt van paarden en rustingen,—

Orleans.

Gij zijt van beide zoo goed voorzien als eenig prins ter wereld.

Dauphijn.

Wat is dit een lange nacht!—Ik ruil mijn paard voor geen enkel ander, dat op vier hoeven loopt, Ça, ha! Hij springt van den grond op, alsof hij veerkrachtige haren tot ingewanden had; le cheval volant, de Pegasus, qui a les narines de feu! Als ik hem bestijg, zweef ik omhoog, ben ik een valk; hij draaft op de lucht; de aarde zingt, als hij haar aanraakt; in het horengekletter van zijn hoef is meer muziek dan in de veldfluit van Hermes.

[585]

Orleans.

Hij heeft de kleur van de muskaatnoot.

Dauphijn.

En de hitte van de gember. Het is een dier voor Perseus, niets dan vuur en lucht; de trage elementen, aarde en water, toonen zich nooit in hem, dan in zijn geduldige rust, als zijn berijder hem bestijgt; hij is inderdaad een paard, alle andere knollen kan men beesten noemen.

Connetabel.

Inderdaad, doorluchtig heer, hij is een alleruitmuntendst, voortreffelijk paard.

Dauphijn.

Hij is de prins der kleppers; zijn gebriesch is als het bevel van een monarch, en zijn houding dwingt tot hulde.

Orleans.

’t Is genoeg, neef.

Dauphijn.

Kom, dat is een man zonder geest, die niet van het klimmen van den leeuwrik af tot het ter kooi gaan van het lam op telkens nieuwe wijs den welverdienden lof van mijn klepper kan zingen; het is een thema, steeds vloeiend als de zee! Verander het zand in welsprekende tongen en mijn paard biedt stof voor die allen. Het is een onderwerp voor een souverein om over te redeneeren, en voor den souverein van een souverein om op te rijden, en voor de wereld, de bekende zoowel als de onbekende, om al haar eigen bezigheden ter zijde te leggen en dit wezen aan te staren. Ik schreef eens een sonnet tot zijn lof en begon aldus: „O, wonder der natuur!” 43

Orleans.

Ik heb een sonnet op iemands geliefde zoo hooren beginnen.

Dauphijn.

Dan heeft men dat nagevolgd, wat ik op mijn renner maakte; want mijn paard is mijn geliefde.

Orleans.

Uw geliefde draagt goed.

Dauphijn.

Draagt mij goed; wat de voorgeschreven deugd en volkomenheid van een goede en uitsluitend eigen geliefde is.

Connetabel.

Nu, maar mij dacht gisteren, dat uw geliefde u duchtig den rug schudde.

Dauphijn.

Dat deed misschien de uwe u ook.

Connetabel.

De mijne was niet gebreideld.

Dauphijn.

O dan was zij zeker oud en mak, en dan reedt gij, als een Iersche Kern, zonder uw pofbroek, in uw enge vleeschkleurige hozen.

Connetabel.

Gij hebt veel verstand van rijden.

Dauphijn.

Laat u dan van mij waarschuwen; zij, die zoo rijden en niet behoedzaam rijden, vallen in vuile poelen. Ik heb liever mijn paard tot geliefde.

Connetabel.

Dan had ik even lief, dat mijn geliefde een huurknol was.

Dauphijn.

Ik zeg u, connetabel, mijn geliefde draagt zijn eigen haar.

Connetabel.

Daarop zou ik met evenveel recht kunnen roemen, als mijn geliefde een zeug was.

Dauphijn.

Le chien est retourné à son propre vomissement, et la truie lavée au bourbier; gij maakt van alles gebruik.

Connetabel.

Toch niet van mijn paard als geliefde, en ook niet van zulke spreekwoorden, die zoo weinig bij de zaak passen.

Rambures.

Heer connetabel, de rusting, die ik heden avond in uw tent zag, zijn het sterren of zonnen, die er op zijn?

Connetabel.

Sterren, heer.

Dauphijn.

Enkele er van zullen morgen wel vallen, denk ik.

Connetabel.

En toch zal mijn hemel er niet door verarmen.

Dauphijn.

Dit kan zijn, want gij draagt er veel overtollige, en het zou te meer eer zijn, als er eenige verdwenen.

Connetabel.

Juist zooals uw paard uw loftuitingen draagt; hij zou even goed draven, als er eenige van uw grootsprekerijen afgeworpen waren. 84

Dauphijn.

Ik wenschte, dat ik in staat ware, hem met al den lof te laden, dien hij verdient.—Zal het dan nimmer dag worden? Ik wil morgen een mijl draven, en mijn weg zal geplaveid zijn met Engelsche gezichten.

Connetabel.

Dit wil ik niet zeggen; de weg mocht eens gezichten tegen mij trekken. Maar ik wenschte wel, dat het dag was, want ik verlang dien Engelschen de ooren te wasschen.

Rambures.

Wie wil met mij dobbelen om een twintig krijgsgevangenen?

Connetabel.

Gij moest eerst uzelf op het spel zetten, eer gij ze hebt.

Dauphijn.

’t Is middernacht; ik wil mij gaan wapenen.

(De Dauphijn af.)

Orleans.

De dauphijn verlangt naar den morgen.

Rambures.

Hij zou de Engelschen wel opeten.

Connetabel.

Hij zal er wel evenveel opeten, als hij ombrengt.

Orleans.

Bij de blanke hand mijner dame, hij is een dappere prins.

Connetabel.

Zweer bij haar voet; dan kan zij den eed vertrappen.

Orleans.

Geen edelman in het leger is grooter held dan hij.

[586]

Connetabel.

Een leger is een bed, en daar is hij een held.

Orleans.

Hij heeft nooit iemand leed gedaan, zoover ik weet.

Connetabel.

Hij zal ’t morgen ook niet doen; dien goeden naam zal hij in eere houden.

Orleans.

Ik weet, dat hij dapper is.

Connetabel.

Dit is mij door iemand gezegd, die hem nog beter kent dan gij.

Orleans.

Wie is dat?

Connetabel.

Wel, hij heeft het mij zelf gezegd, en hij voegde er bij, dat hij er zich niet om bekommerde, of iemand het wist.

Orleans.

Dat behoeft hij ook niet te doen; verborgen deugden heeft hij niet.

Connetabel.

Toch wel, op mijn eer, maar deze heeft nooit iemand gezien dan zijn kamerdienaar; ’t is een verkapte dapperheid, en als zij in het licht komt, zal zij het schuwen.

Orleans.

Afgunst heeft een booze tong. 123

Connetabel.

Ik zal dat spreekwoord dompen met:—„een vriendenoog, een vleiersmond.”

Orleans.

En ik vang dat op met:—„Geef den duivel wat hem toekomt.”

Connetabel.

Juist opgemerkt; gij verklaart er uw vriend tot duivel mee. Maar nu krijgt uw spreekwoord den wind van voren met:—„Naar de hel met den duivel.”

Orleans.

Gij zijt in spreekwoorden de baas, en waarom? Een narrenpijl is ras verschoten.

Connetabel.

Daar schiet gij het doel voorbij.

Orleans.

Het is niet de eerste maal, dat men u voorbijschiet.

(Een Bode komt op.)

Bode.

Heer groot-connetabel, de Engelschen liggen binnen de vijftienhonderd pas van uw tenten.

Connetabel.

Wie heeft den afstand gemeten?

Bode.

De heer van Grandpré.

Connetabel.

Een dapper en recht nauwkeurig edelman.—Werd het nu maar dag!—Ach, die arme Hendrik van Engeland!—hij verlangt niet zoo naar den dageraad als wij.

Orleans.

Wat een ongelukkige dwaze hals is deze koning van Engeland, met zijn domkoppen van aanhangers zoo ver van honk te gaan!

Connetabel.

Als die Engelschen een greintje verstand hadden, zouden zij maken, dat zij wegkwamen.

Orleans.

Dat hebben zij in het geheel niet; want hadden zij in het hoofd eenig verstandelijk wapentuig, dan konden zij nimmer zulke zware stormkappen op het hoofd dragen.

Rambures.

Dat eiland Engeland brengt recht dappere schepsels voort; hun bullebijters hebben huns gelijken niet in moed. 152

Orleans.

Stomme rekels, die blindelings een Russischen beer in den mond loopen en zich de koppen laten verbrijzelen als rotte appels. Gij kunt even goed zeggen, dat het een dappere vloo is, die haar ontbijt durft nuttigen op de lip van een leeuw.

Connetabel.

Juist, juist; en evenals de bullebijters zijn de mannen; zij gaan er ruw en onbesuisd op los en laten hun verstand thuis bij hun vrouwen. En geef hun dan veel rundvleesch te eten, en ijzer en staal, dan vreten zij als wolven en vechten als duivels.

Orleans.

Ja, maar bij die Engelschen is het rundvleesch nu zeker verduiveld schaarsch.

Connetabel.

Dan zullen wij morgen bevinden, dat zij alleen trek hebben in eten en niet in vechten. Het wordt tijd om ons te wapenen; komt, willen wij gaan?

Orleans.

’t Is nu twee uur; elk onzer heeft,—laat zien,—

Voor zich een honderd Engelschen te tien.

(Allen af.)