WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 16: DERDE BEDRIJF.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

[Inhoud]

TWEEDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Voor Orleans.

Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op.

Sergeant.

Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn!

Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat

Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken

Ons in het wachthuis fluks bericht er van.

Eerste Schildwacht.

Zeer wel, sergeant. (De Sergeant af.) Zoo zet men arme knechten,

Als andren in hun zachte bedden slapen,

Op wacht in regen, koude en duisternis.

(Talbot, Bedford, Bourgondië komen op, met troepen en stormladders; hun trommen slaan een gedempten marsch.)

Talbot.

Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië,

Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois,

Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert,

De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos,

Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd;

Omhelzen wij dus die gelegenheid

Om hun het loos bedrog weer te vergelden,

Dat list en snoode tooverij bedacht. 15

Bedford.

Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde!

Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms,

En sloot met hel en heksen een verbond!

Bourgondië.

Geen andren omgang hebben ooit verraders.

Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd,

Wie is zij?

Talbot.

Men zegt een meisje.

Bedford.

Men zegt een meisje. Een meisje, en zoo strijdhaftig!

Bourgondië.

God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’,

Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard

De wapens draagt, zooals zij nu begon.

Talbot.

Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan!

Voor ons is God een burg; beklimmen wij

In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk!

Bedford.

Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen.

Talbot.

Niet allen hier bijeen; ik acht het beter,

Dat we op verscheiden punten binnendringen,

Opdat, zoo het een van ons mislukt,

Een ander van hun macht het winnen kan.

Bedford.

Goed. Ik kies gindschen hoek.

Bourgondië.

Goed. Ik kies gindschen hoek. En ik dien andren.

Talbot.

En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.—

Nu, Salisbury, voor u en voor het recht

Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen,

Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. 37

(De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!” en „Talbot”, en dringen allen in de stad.)

Schildwacht

(achter het tooneel). Te wapen! op! de vijand loopt hier storm!

(De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende kanten komen op: de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, half aangekleed, half onaangekleed.)

Alençon.

Wat, eed’le heeren, allen ongekleed?

Bastaard.

Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen.

Reignier.

’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen;

Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch.

Alençon.

Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit

Van eenig krijgsplan, eenige’ overval,

Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit.

Bastaard.

Die Talbot schijnt een duivel uit de hel.

Reignier.

Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig.

Alençon.

Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt?

Bastaard.

O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw.

[622]

(Karel komt op, met de Pucelle.)

Karel.

Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone?

Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen,

Een kleine, zoete winst deelachtig worden,

Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’?

Pucelle.

Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard?

Verlangt gij mijne macht steeds even groot?

Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen,

Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij?

Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid

Zou dezen overval voorkomen hebben.

Karel.

Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld,

Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht,

Niet beter van dien grooten plicht u kweet.

Alençon.

Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest

Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was,

Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld.

Bastaard.

Het mijn’ was goed verzekerd.

Reignier.

Het mijn’ was goed verzekerd. Zoo ook ’t mijne.

Karel.

Wat mij betreft, het grootste deel der nacht

Heb ik, in haar kwartier en in het mijne,

Besteed om telkens heen en weer te gaan

Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten;

Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen?

Pucelle.

Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na 72

Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens

Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen.

Er blijft geen andre raad alsnu dan deze:

’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len,

En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen.

(Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot! Talbot!” Zij vluchten met achterlating hunner kleederen.)

De Soldaat.

’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten.

De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard;

Met rijken buit heb ik mij hier beladen,

En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam.

(De Soldaat af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Orleans. Binnen de stad.

Talbot, Bedford, Bourgondië, een Hopman en Anderen komen op.

Bedford.

De dag breekt aan, gevloden is de nacht,

Die met haar ravenmantel de aard omgaf.

Blaast den terugroep; staakt de heete jacht.

(Het sein tot terugroeping wordt geblazen.)

Talbot.

Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen,

En plaatst de baar hier op het open marktplein,

Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.—

’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten;

Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor,

Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven.

Opdat de verre nazaat nog aanschouw’,

Welk een verwoesting volgde om hem te wreken,

Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op,

Waarin zijn overschot begraven worde,

En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan,

Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len,

’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods,

En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.—

Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad,

Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen,

Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne,

Noch iemand van zijn valsche bondgenooten.

Bedford.

Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon,

Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt,

En, onder hoopen krijgers, van den wal

Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken.

Bourgondië.

Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel

En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,—

Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit;

Zij vloden, arm in arm, met alle macht,

Gelijk een paar verliefde tortelduiven,

Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn.

Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken,

Dan zetten wij met volle macht hen na. 33

(Een Bode komt op.)

Bode.

Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar

Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd,

Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet?

Talbot.

Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken?

Bode.

De deugdrijke gravinne van Auvergne,

Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend,

Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen,

Haar te bezoeken op haar armen burg,

Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde,

Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt.

Bourgondië.

Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg

Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel,

Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.—

Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad.

Talbot.

Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen

Met alle redekunst bereiken zou,

Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.—

Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg,

En onderdanig haar bezoeken zal.—

Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen?

[623]

Bedford.

Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar;

’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten

’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan.

Talbot.

Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen,

Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen.

Treedt nader, hopman, luister. (Hij fluistert hem iets in.)—Gij begrijpt mij?

Hopman.

Gewis, mylord, en ik volbreng uw last.

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Auvergne. Het binnenplein van het kasteel.

De Gravin en haar Portier komen op.

Gravin.

Portier, onthoud wat ik u heb gelast,

En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels.

Portier.

Ik zal het doen, geëerde vrouwe.

(De Portier af.)

Gravin.

De val is nu gesteld; gaat alles goed,

Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd,

Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood.

Groot is de naam van dien gevreesden ridder,

En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem;

’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten,

Wat waar is van die wond’ren, die men meldt.

(De Bode komt op, met Talbot.)

Bode.

Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap,

Die hem genood heeft, is lord Talbot hier.

Gravin.

En hij is welkom. Wat! is dit de man?

Bode.

Zoo is ’t, gravin.

Gravin.

Is dit dus Frankrijks geesel?

Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest,

Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen?

Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen,

Een tweede Hector, grimmig van gelaat,

Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar;

En zie, dit is een kind, een arme dwerg! 22

Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen

Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan.

Talbot.

Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen;

Doch daar u dit niet recht gelegen komt,

Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek.

Gravin.

Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil.

Bode.

Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt

De reden van uw rasch vertrek te weten.

Talbot.

Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik

’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben.

(De Portier komt weder terug, met sleutels.)

Gravin.

Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne.

Talbot.

Gevangne? wiens?

Gravin.

Bloedgierig lord, de mijne;

Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis.

Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien,

Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt;

Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden;

Die armen wil ik keet’nen en die beenen

Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren

Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft,

En onze zoons en mannen weggesleept.

Talbot.

Ha, ha, ha!

Gravin.

Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed.

Talbot.

Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant,

Van Talbot iets te hebben dan de schaduw,

Om daar uw booze strengheid op te koelen.

Gravin.

Zijt gij de man dan niet?

Talbot.

Zijt gij de man dan niet? Dat ben ik zeker.

Gravin.

Dan heb ik ook uw wezen.

Talbot.

Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts;

Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier;

Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel,

Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid.

Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier,

Dan is van zoo geweldig grooten wasdom,

Dat heel uw huis het niet omvatten kan. 56

Gravin.

Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie;

Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet;

Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden?

Talbot.

Dit toon ik u terstond.

(Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De poorten worden opengeramd en Soldaten dringen binnen.)

Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans,

Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is?

Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht,

Waarmee hij uw rebellennekken jukt,

Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert,

In minder dan een omzien woest doet zijn.

Gravin.

Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling;

Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam,

En meer dan uw gestalte deed vermoeden.

Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’;

Het doet mij leed, dat ik u niet ontving

Met zooveel eerbetoon, als gij verdient.

Talbot.

Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken

Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst

In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet.

Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd,

En andre schadeloosstelling eisch ik niet,

Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn

Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft,

Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk.

[624]

Gravin.

Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer,

Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Londen. De hof van den Tempel.

De Graven van Somerset, van Suffolk en van Warwick, Richard Plantagenet, Vernon en een Rechtsgeleerde komen op.

Plantagenet.

Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen?

Waagt niemand voor de waarheid uit te komen?

Suffolk.

Te luide spraken we in de Tempelzaal;

Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats.

Plantagenet.

Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde,

En of die twister Somerset het mis had.

Koning Hendrik VI, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.

Suffolk.

Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet,

En kon mijn wil nooit voegen naar het recht;

En plooi daarom het recht naar mijnen wil.

Somerset.

Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit.

Warwick.

Welk van twee valken zich het steilst verheft,

Welk van twee honden schooner, dieper blaft,

Welk van twee klingen van het fijnste staal is,

Welk van twee paarden fraaier houding heeft,

Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt,

Hierin treed ik desnoods als rechter op,

Maar in een rechtszaak vol haarklooverij,

Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij.

Plantagenet.

Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; 19

De waarheid is aan mijne zij zoo naakt,

Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent.

Somerset.

Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed;

Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk,

Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen.

Plantagenet.

Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt,

Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt.

Wie onder u echt edelman zich rekent,

En de eere van zijn bloed in aanzien houdt,

Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit,

Met mij van dezen struik een witte roos.

Somerset.

En wie geen lafaard of geen vleier is,

Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft,

Plukk’ met me een roode roos van dezen struik.

Warwick.

Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel,

En zonder lage vleierij pluk ik

De witte roos hier met Plantagenet.

Suffolk.

En ik deez’ roode roos met Somerset,

En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht.

Vernon.

Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer,

Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen

Een kleiner tal van rozen wordt geplukt,

Des andren aanspraak recht en juist zal achten.

Somerset.

Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken;

Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij.

Plantagenet.

En ik.

Vernon.

Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht,

Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier,

En kies zoo voor de witte roos partij.

Somerset.

Prik u niet in den vinger, als gij plukt;

Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood,

En stemt gij tegen uwen zin voor mij.

Vernon.

Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed,

Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts,

En houdt mij aan de zijde, die ik koos.

Somerset.

Goed, goed; komaan, wie verder?

Rechtsgeleerde.

Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen.

Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch;

En daarom pluk ook ik een witte roos. 58

Plantagenet.

Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht?

Somerset.

In deze scheê; desnoods zal dit bewijs

Uw witte rozen bloedig rood verkleuren.

Plantagenet.

Toch bootst uw wang thans onze rozen na;

Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis

Voor onze waarheid.

Somerset.

Voor onze waarheid. Neen, Plantagenet,

Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang

Van schaamte bloost en onze rozen nabootst,

En toch uw tong uw dwaling niet erkent.

Plantagenet.

Huist in uw roos geen wormpje, Somerset?

Somerset.

Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet.

Plantagenet.

Ja, scherp en stekend om haar recht te staven,

Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt.

Somerset.

Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden,

Die mijne bloedig roode rozen dragen

En staven zullen, dat ik waarheid spreek,

Waar geen Plantagenet verschijnen durft.

Plantagenet.

Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot

Met u en uwen aanhang, jonge knaap.

[625]

Suffolk.

Richt uwen spot, Plantagenet, op andren.

Plantagenet.

Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u.

Suffolk.

Ik slinger u mijn deel weer in den strot.

Somerset.

O zwijg, mijn beste William de la Poole;

Wij doen den boer veel eer met ons gesprek.

Warwick.

Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset;

Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence,

Den derden zoon des derden konings Edward.

Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren?

Plantagenet.

Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats;

Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken.

Somerset.

Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik

Op iedre plek der christenwereld vol.

Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge,

Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning?

En heeft niet zijn verraad u aangestoken,

Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd?

Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed;

En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer.

Plantagenet.

Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, 97

Gevonnisd om verraad, maar geen verrader;

Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset,

Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch.

Maar prent u in, gij en uw helper Poole:

Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan,

Dat ik u gees’len zal voor uwen laster;

Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u.

Somerset.

Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid

En kent den vijand dan aan deze kleur,

Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen.

Plantagenet.

En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds,

Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat,

Met deze bleek vertoornde roos ons sieren,

Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt,

Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang.

Suffolk.

Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht;

En nu vaarwel, tot ik u weder tref.

(Suffolk af.)

Somerset.

Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard.

(Somerset af.)

Plantagenet.

Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden.

Warwick.

De smet, die zij daar werpen op uw huis,

Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement,

Dat Winchester verzoenen moet met Gloster.

Indien gij dan niet hertog wordt van York,

Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten.

’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u,

Den trotschen Somerset en Poole ten trots,

Met deze roos aan uwe zij mij scharen.

En dit voorspel ik: deze twist van heden,

Die in den hof hier tot partijschap wies,

Zendt, met de roode en witte roos als leuze,

Veel duizend zielen in verderf en dood.

Plantagenet.

Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank,

Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet.

Vernon.

U ten getuig’nis draag ik haar voortaan.

Rechtsgeleerde.

Zoo doe ik ook.

Plantagenet.

Ik dank u, waarde heer.

Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist

Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Aldaar. Een vertrek in den Tower.

Mortimer wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders binnengedragen.

Mortimer.

Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven,

Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.—

Gelijk een man, pas van de folterbank,

Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden;

Die grijze lokken, als des doods herauten,

Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor,

Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer.

Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker

Als lampen, waarvan de olie is verbruikt,

De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last,

En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok,

Die zijn verwelkte loten hangen laat.

En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels,

Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,—

Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf,

Als wetend, dat geen andre troost mij rest.—

Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef?

Gevangenbewaarder.

Richard Plantagenet zal komen, heer.

Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel,

En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou.

Mortimer.

Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.—

Arm man! zijn krenking evenaart de mijne.

Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot

In wapenroem was, hier begon te heerschen,

Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven;

En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd

En van zijn eer en erflijk goed beroofd.

Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden,

De dood, in elke ellend de zachte scheidsman,[626]

Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.—

Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden,

En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat!

(Richard Plantagenet komt op.)

Gevangenbewaarder.

Daar komt, mylord, uw welbeminde neef.

Mortimer.

Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar?

Plantagenet.

Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden,

Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard.

Mortimer.

Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels,

En aan zijn borst mijn laatsten adem snik.

Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert,

Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus.

En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam,

Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet.

Plantagenet.

Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm,

En hoor in rust, wat mij onrustig maakt.

’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak

Tot woorden tusschen Somerset en mij,

Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte

En om mijns vaders dood mij grievend smaadde.

Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong;

’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven.

Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil,

En bij uw eer als een Plantagenet, 52

Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader,

De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest.

Mortimer.

Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij

Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam,

Mij in een duffen kerker deed versmachten,

Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood.

Plantagenet.

Onthul mij breeder, welke grond dit was;

Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden.

Mortimer.

Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt,

De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is.

De grootvader van onzen jongen vorst,

Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef

Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins

Was oudste zoon en wettig erfgenaam

Van Koning Edward, van dien naam den derden.

Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden

De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten,

Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht,

Mij op den troon van England te verheffen.

Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog,

Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was

En hij geen enklen telg had nagelaten,—

Ik door mijn stam en bloed de naaste was.

Van moeders zij toch heb ik Lionel,

Hertog van Clarence, derden zoon van Edward

Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik

Van hertog Jan van Gent was afgestamd,

Die slechts de vierde was dier heldenrij.

Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging,

Om op den troon den rechten vorst te plaatsen,

Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt.

Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik

Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd,

Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd

Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog,

Mijn zuster huwend, die uw moeder werd,

Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger

Geworven in de hoop, mij te bevrijden,

En mij de kroon te plaatsen op het hoofd;

Maar als die andren, viel deze eed’le graaf

En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers,

Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld.

Plantagenet.

Van welke gij, mylord, de laatste zijt.

Mortimer.

Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet,

Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood.

Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re,

Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen.

Plantagenet.

Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; 98

Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader

Niets dan een daad van bloeddorst en geweld.

Mortimer.

Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen;

Het huis van Lancaster is hecht geworteld,

En, evenals een berg, niet weg te schuiven.

Maar thans verhuist uw oom weldra van hier,

Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven

In éénen vasten zetel hen verdriet.

Plantagenet.

O oom, vermocht een deel van mijne jeugd

Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen!

Mortimer.

Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar,

Die vele wonden slaat, waar één kan dooden.

Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft;

Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg.

En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije!

Uw leven zij vol heil in krijg en vreê!

(Mortimer sterft.)

Plantagenet.

Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel!

In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind,

En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.—

Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt;

Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.—

Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg

Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.—

(De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.)

[627]

Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer,

Door eerzucht van de laagste soort gedoofd;

En voor dat onrecht, voor die bittere krenking,

Die Somerset mijn huis heeft aangedaan,

Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden;

En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement;

’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed,

Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.

(Plantagenet af.)

[Inhoud]

DERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Het parlementshuis.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Exeter, Gloster, Warwick, Somerset en Suffolk komen op; verder de Bisschop van Winchester, Richard Plantagenet en Anderen. Gloster wil een geschrift overreiken; de Bisschop van Winchester ontrukt het hem en verscheurt het.

Winchester.

Komt gij met lang- en welgewikte regels,

Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht,

Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt,

En iets ter wereld mij ten last wilt leggen,

Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist,

Zooals ik voor de vuist en hier terstond

Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert.

Gloster.

Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging,

Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis.

Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid,

Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,—

Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben,

Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees;

Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid,

Uw listig en verpestend tweedrachtstichten,

Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots.

Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, 17

Halsstarrig van natuur, des vredes vijand,

Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is

Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt.

En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder?

Daar gij met list mijn leven hebt belaagd,

Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower?

Ja, werden uw gedachten eens gezift,

Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd,

De boosheid van uw zwellend hart niet vrij.

Winchester.

’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords,

Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor.

Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was,

Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm?

Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek

Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd?

Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede

Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word?

Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem,

Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt;

Niemand dan hij moet om den koning zijn;

En dit verwekt dien donder in zijn borst,

En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen;

Maar hij zal zien, ik ben zoo goed—

Gloster.

Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed.…?

Winchester.

Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek!

Een man, die op eens andren troon wil heerschen!

Gloster.

Wat! ben ik geen protector, drieste paap?

Winchester.

En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? 46

Gloster.

Ja, zooals een bandiet een slot bezet,

En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit.

Winchester.

Onwaardig spotter, gij!

Gloster.

Onwaardig spotter, gij! En gij zijt waardig

Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven.

Winchester.

Dit wreke Rome!

Warwick.

Dit wreke Rome! Ruim dan ’t land voor Rome.

Somerset.

Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken.

Warwick.

Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking.

Somerset.

Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn,

En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt.

Warwick.

Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn;

Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten.

Somerset.

Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend.

Warwick.

Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig?

Is zijn genade hier niet rijks-protector?

Plantagenet

(ter zijde). Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen,

Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt!

„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?”

’k Had anders gaarne een twist met Winchester.

Koning Hendrik.

Mijn ooms van Gloster en van Winchester,

Gestelde wakers over Englands welzijn,

Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik

In liefde en eendracht uwe harten saam.

O welk een smading is ’t van onze kroon,

Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten.[628]

Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds,

Dat burgertwist een giftige adder is,

Die de ingewanden van den staat doorknaagt.

(Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”)

Wat is dat voor geraas?

Warwick.

Wat is dat voor geraas? Een oploop, wed ik,

Boosaardig door des bisschops volk verwekt.

(Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”)

(De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.)

Mayor.

O goede lords en deugdenrijke Hendrik,

Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer!

Des bisschops volk en dat van hertog Gloster!

Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden,

De zakken nu gevuld met kiezelsteenen.

Zij smijten, in partijen saamgerot,

Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd,

Dat velen reeds het dolle brein verplet werd.

In elke straat zijn vensters ingesmeten:

Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees.

(De Dienaars van Gloster en die van Winchester dringen al vechtende binnen, met bebloede koppen.)

Koning Hendrik.

’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht:

Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— 87

Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd.

Eerste Dienaar.

Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken we onze tanden.

Tweede Dienaar.

Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u.

(Zij worden weder handgemeen.)

Gloster.

Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten,

En staakt terstond dien ongehoorden strijd.

Eerste Dienaar.

Mylord, wij weten ’t allen, uw genade

Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst

Voor niemand wijkend dan zijn majesteit;

En nimmer dulden wij, dat zulk een prins

En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn,

Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker;

Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren,

Met uw belagers, tot zij ons verslaan.

Derde Dienaar.

Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels

Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld.

(Zij worden weder handgemeen.)

Gloster.

Stil, zeg ik, stil!

En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt,

Zoo geeft gehoor en matigt u een poos.

Koning Hendrik.

O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!—

Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten

En tranen zien, en wordt uw hart niet week?

Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt?

Wie zal met ernst den vrede nog bevordren,

Zoo heil’gen priesters twist een wellust is?

Warwick.

Geef toe, protector;—Winchester, geef toe,

Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren

Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten.

Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord

Door uwe vijandschap reeds is verwekt;

Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed.

Winchester.

Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe.

Gloster.

Uit deernis voor den koning moet ik buigen;

’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd,

Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde.

Warwick.

Zie nu, mylord van Winchester, de hertog

Verbande reeds zijn sombre, norsche woede,

Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst;

Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend?

Gloster.

Hier, Winchester, ik bied de hand u aan.

Koning Hendrik.

Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, 127

Dat boosheid groote, zware zonde was;

En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen,

Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn?

Warwick.

Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!—

Schaam u, mylord van Winchester, geef toe!

Hoe! zal een kind u leeren, wat u past?

Winchester.

Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe,

En bied voor liefde liefde, hand voor hand.

Gloster

(ter zijde). Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.—

Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten,

Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap

Voor ons en al de dienaars van ons huis.

En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel!

Winchester

(ter zijde). Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen!

Koning Hendrik.

O waardige oom, en beste hertog Gloster,

Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!—

Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet;

Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters.

Eerste Dienaar.

’t Is wel; ik zoek een wondarts op.

Tweede Dienaar.

’t Is wel; ik zoek een wondarts op. Ik ook.

Derde Dienaar.

En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft.

(De Mayor, de Dienaars, enz. af.)

[629]

Warwick.

Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift;

Het vraagt aan uwe majesteit herstelling

Der rechten van Richard Plantagenet.

Gloster.

Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst,

Wanneer uw hoogheid alle punten weegt,

Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan,

Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds

In Eltham bij uw majesteit deed gelden.

Koning Hendrik.

En, oom, het waren reed’nen van gewicht;

Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons,

Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen.

Warwick.

Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend;

Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed.

Winchester.

Wat allen willen, wil ook Winchester.

Koning Hendrik.

Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem

Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit,

Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort,

Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd.

Plantagenet.

Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar,

En onderdaan’gen dienst tot in den dood.

Koning Hendrik.

Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, 169

En ter belooning van uw huldiging,

Gord ik u met het dapp’re zwaard van York.

Rijs, Richard, als een echt Plantagenet.

Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York.

Plantagenet.

Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen,

En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve,

Die aan uw majesteit met afgunst denkt.

Allen.

Heil, hooge prins, doorluchte hertog York!

Somerset

(ter zijde). Sterf, lage prins, oneed’le hertog York!

Gloster.

Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid,

Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen.

Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde

Bij onderdanen en getrouwe vrienden,

En rooft aan elk, die vijand is, den moed.

Koning Hendrik.

Acht Gloster het nu tijd de koning gaat;

Want menig vijand zwicht door vriendenraad.

Gloster.

Uw schepen zijn reeds zeilreê.

(Trompetgeschal. Allen af, behalve Exeter.)

Exeter.

Ja, trekken wij door England of door Frankrijk,

Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal!

De pas ontglommen tweedracht dezer pairs

Brandt onder de asch van valsche liefde voort

En breekt in ’t eind in felle vlammen uit;

Gelijk een ett’rend lid allengskens rot,

Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan,

Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort.

Nu wekt die booze profetie mij vrees,

Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd,

Uit elken zuiglingsmond vernomen werd:

„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint,

„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.”

Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht,

Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde!

(Exeter af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Rouaan.

De Pucelle komt op, verkleed, met haar Soldaten in boerendracht en met zakken op den rug.

Pucelle.

Dit is de poort der veste, van Rouaan,

Waar onze list een bres zich door moet oop’nen.

Geeft acht, hoe gij uw woorden kiest, weest sluw,

En praat zooals ’t gewone marktvolk doet,

Dat in de stad zijn koren komt verkoopen.

Gelukt het, naar ik hoop, er in te komen

En vinden wij de trage wacht er zwak,

Dan geef ik onzen vrienden ras een sein,

Opdat de prins dauphijn hen overvall’.

Eerste Soldaat.

Die plunje helpe ons om de stad te plund’ren

En make ons heer en meester van Rouaan.

Komt! aangeklopt!

Wacht

(binnen). Qui est là?

Pucelle.

Paysans, pauvres gens de France;

Marktgangers, die hun graan verkoopen willen.

Wacht

(de poort openend). Komt binnen dan de marktbel heeft geluid. 16

Pucelle.

Nu dan, Rouaan, wil ik uw bolwerk schokken.

(De Pucelle en de Anderen gaan de stad binnen.)

(Karel komt op, de Bastaard van Orleans, Alençon en Troepen.)

Karel.

Dat Saint Denis de sluwe krijgslist zeeg’ne!

Dan slapen wij weer veilig in Rouaan.

Bastaard.

Hier sloop Pucelle binnen met haar helpers;

Maar nu zij daar is, hoe geeft zij ons aan,

Waar wij het best en veiligst binnendringen?

Alençon.

Zij steekt een fakkel op van gindschen toren;

En zien wij dit, dan toont het, dat zij meent,

Dat, waar zij binnenkwam, de zwakste weg is.

(De Pucelle verschijnt op een tinne en houdt een brandende fakkel omhoog.)

Pucelle.

Ziet hier, dit is de blijde bruiloftsfakkel,

Rouaan weer huwend aan zijn landgenooten,

Maar doodlijk brandend voor de Talbotisten.

[630]

Bastaard.

Zie, eed’le Karel, onzer helpster baak;

Daar staat het lichtsein reeds op gindschen toren.

Karel.

Het lichte daar als een komeet der wrake,

En als profeet van onzes vijands val!

Alençon.

Thans niet getalmd! Elk uitstel eindigt boos;

Dringt binnen; roept terstond dan: „De Dauphijn!”

En slaat de wachters aan de poort ter neer.

(Zij dringen de stad binnen.)

(Krijgsgedruisch. Talbot komt op met Engelsche Soldaten.)

Talbot.

Frankrijk, gij zult dit doen met tranen boeten,

Zoo Talbot uw verraad slechts overleeft.

Die heks, die vloekb’re tooveres, Pucelle,

Heeft heimlijk dezen helschen streek gespeeld,

Zoodat wij Frankrijks felheid nauw ontgingen.

(Zij trekken stedewaarts op.)

(Krijgsgedruisch; aanvallen. Van de zijde der stad komen op: Bedford, die ziek in een stoel gedragen wordt, Talbot, Bourgondië, en de Engelsche troepen. Daarna verschijnen op den muur: de Pucelle, Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, en Anderen.)

Pucelle.

Goeden morgen, dapp’ren! Wenscht gij graan voor brood? 41

Bourgondië’s hertog zal wel vasten, denk ik,

Eer hij voor zulk een prijs het weder koopt.

Het was vol dolik; staat de smaak u aan?

Bourgondië.

Hoon voort, gij duivelin en drieste boel!

’k Zal dra u aan uw eigen hoon doen stikken,

En ’t oogsten van dit graan u vloeken doen.

Karel.

Uw hoogheid kan wel voor dien tijd verhong’ren.

Bedford.

Neemt niet met woorden, neemt met daden wraak!

Pucelle.

Wat wilt gij, goede grijsaard? lansen breken,

En op den dood een rit doen in een stoel?

Talbot.

Frankrijks onreine geest, heks aller gruw’len,

Gij, van uw wulpsche minnaars daar omringd,

Waagt gij ’t, zijn dapp’ren ouderdom te hoonen,

Als laf een half-gestorv’ne te beschimpen?

Nu, liefje, ik doe nog eens een dans met u,

Of Talbot moge aan deze schande sterven.

Pucelle.

Wat, zoo verhit, heer?—Doch, Pucelle, stil;

Want dondert Talbot zoo, dan volgt ook regen.—

(Talbot en de zijnen raadplegen onderling.)

God zegen ’t parlement! wie is de spreker?

Talbot.

Waagt gij u buiten? staat gij ons in ’t veld?

Pucelle.

Uw lordschap acht, zoo ’t schijnt, ons dwaas genoeg

Tot toetsing, of het onze wel het onze is.

Talbot.

Ik spreek niet tot die smalende opperheks;

Gij, Alençon, geef antwoord, en die andren;

Spreekt, laat gij, als soldaten, ’t zwaard beslissen?

Alençon.

Neen, heer.

Talbot.

Zoo hangt dan, lage Fransche muildierdrijvers!

Trosboeven zijn zij, die de wallen hoeden,

En niet als ridders strijden in het veld.

Pucelle.

Hoplieden, weg! laat ons de wallen ruimen,

Want Talbots blikken spellen ons niets goeds.—

Behoede u God, mylord, wij kwamen slechts

Om u te zeggen, dat wij hier zijn.

(De Pucelle met de Anderen af.)

Talbot.

Wij willen mede daar zijn, en eerlang,

Of Talbots hoogste roem verkeere in smaad!

Zweer mij, Bourgondië, op de eere van uw huis,

Gespoord door ’t onrecht, dat u Frankrijk aandeed,

Dat gij de stad herneemt, of strijdend sterft;

En ik, zoo waar als Englands Hendrik leeft,

En hier zijn vader heeft gezegevierd,

Zoo waar, als in deez’ pas verraden stad

Het hart van Coeur-de-Lion begraven ligt,

Zweer ik, de stad te nemen, of te sterven. 84

Bourgondië.

Mijn eed is bondgenoot van uwen eed.

Talbot.

Maar zorgen we eerst voor dezen vorst, die sterft,

Den dapp’ren hertog Bedford.—Kom, mylord!

Wij brengen eerst u naar een beet’re plaats,

Voor ziekte en zwaklijke’ ouderdom meer passend.

Bedford.

Lord Talbot, doe mij zulk een smaad niet aan;

’k Wil voor de wallen van Rouaan hier zitten,

En deelgenoot zijn van uw wel of wee.

Bourgondië.

Manhafte Bedford, laat u overreden.

Bedford.

Tot heengaan zeker niet; ’k heb eens gelezen,

Hoe ook de stoute Pendragoon op ’t draagbed

Ziek in het veld kwam en zijn vijand sloeg.

’k Verlevendig misschien den moed der strijders,

Want steeds bevond ik hen, zooals mijzelf.

Talbot.

Onwrikb’re geest in doodlijk kranke borst!—

Het zij zoo!—Hoede God den ouden Bedford!—

En, kloek Bourgondië, nu geen woorden meer;

Maar onze macht verzameld tot den aanval;

Aan ’s vijands zwetsen ras een eind gemaakt!

(Bourgondië, Talbot, met hun troepen af; Bedford en Anderen blijven achter.)

[631]

(Strijdgedruisch en aanvallen. Sir John Fastolfe en een Hopman komen op.)

Hopman.

Waarheen, Sir John Fastolfe, in zulk een haast!

Fastolfe.

Waarheen? ik ga mij redden door de vlucht;

Wij worden zeker weer teruggeslagen.

Hopman.

Wat! vluchten? en lord Talbot laf verlaten?

Fastolfe.

Ja, duizend Talbots, om mijzelf te redden.

(Sir John Fastolfe af.)

Hopman.

Lafhartig ridder! onheil zij uw deel.

(De Hopman af.)

(Terugtocht; aanvallen. Uit de stad komen de Pucelle, Alençon, Karel en Anderen, die vluchtende heengaan.)

Bedford.

Nu, kalme ziel, ontvlied, zoo God het wil;

Des vijands nederlaag heb ik aanschouwd.

Wat is de sterkte en trots des blinden menschen?

Zij, die nog pas ons tartten met hun hoon,

Zijn blijde, zoo de vlucht hen redden kan.

(Hij sterft en wordt in zijn armstoel weggedragen.)

(Strijdgedruisch. Talbot, Bourgondië en Anderen komen weder op.)

Talbot.

Verspeeld en op den eigen dag herwonnen! 115

Bourgondië, een dubbele eerekroon is ons;

Doch Gode zij de roem van deze zege!

Bourgondië.

Talbot, krijgshafte lord, u wijdt Bourgondië.

Zijn hart als tempel, richt uw eed’le daden

Als eerzuil voor uw heldenmoed er op.

Talbot.

Dank, eed’le vorst. Doch waar is de Pucelle?

Vermoedlijk slaapt de geest, die in haar huist;

Waar is des Bastaards pochen, Karels spot?

Wat! allen stom? Rouaan buigt droef het hoofd,

Dat zulk een dapp’re bent gevloden is.

Laat thans ons alles reeg’len in de stad,

Er kundige officieren achterlaten,

Dan naar Parijs gaan, naar den jongen koning,

Want daar toeft Hendrik met zijn eed’len stoet.

Bourgondië.

Wat Talbot wil, beaamt Bourgondië gaarne.

Talbot.

Doch, eer wij gaan, zij aan den pasverscheiden,

Hoogeed’len hertog Bedford nu gedacht.

Eerst zij zijn uitvaart in Rouaan gevierd.

Nooit heeft een braver held de speer gevoerd,

Een eed’ler hart ten hove nooit geheerscht;

Maar geen, hoe machtig vorst, ontgaat den dood;

Want die is ’t eind van ’s menschen ramp en nood.

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Aldaar. De vlakte bij Rouaan.

Karel, de Bastaard van Orleans, Alençon, de Pucelle, komen op, met troepen.

Pucelle.

Verlies om ’t ongeval den moed niet, prinsen,

’t Bedroeve u niet, dat wij Rouaan verloren;

Want smart om dingen, die onheelbaar zijn,

Is geen arts’nij, maar bijtend, knagend gif.

De dolle Talbot triumfeere een poos,

En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart,

Wij plukken hem, ontrooven hem zijn pronk,

Zoo gij, Dauphijn, en de andren, raad wilt hooren.

Karel.

Wij lieten tot hiertoe door u ons leiden,

En uw beleid werd niet door ons mistrouwd;

Één plots’ling onheil mag geen argwaan wekken.

Bastaard.

Vorsch in uw geest naar diep verholen listen,

En heel de wereld melden wij uw roem.

Alençon.

Uw standbeeld zetten we op gewijde plaatsen,

U eerend als een heil’ge patrones;

Wil, lieve jonkvrouw, dus ons heil bewerken.

Pucelle.

Dan moet het zoo zijn; dit is Jeanne’s plan:

Door zachte toespraak en met honigwoorden

Verlokken wij den hertog van Bourgondië,

Dat hij van Talbot wijk’, bij ons zich voeg’. 20

Karel.

Ja, liefste, zoo wij dit vermochten, dan

Waar’ ’t hier geen blijvensplaats voor Hendriks heer;

Voorwaar, dan zou dat volk ons niet meer tarten,

Maar ras gerooid uit onze landen zijn.

Alençon.

Voor immer waren zij verjaagd uit Frankrijk,

En leenden van geen graafschap hier den naam.

Pucelle.

De heeren zullen zien, hoe ik ’t bewerk,

De zaak in de gewenschte haven breng.

(Getrommel in de verte.)

Hoor, aan den klank der trommen kunt gij ’t hooren,

Dat hunne strijdmacht naar Parijs marcheert.

(Een Engelsche marsch. Talbot komt op met zijn troepen, en trekt voorbij.)

Daar trekt lord Talbot,—ziet, zijn vanen wapp’ren,—

En al het Engelsch krijgsvolk achter hem.

(Een Fransche marsch. De Hertog van Bourgondië komt op met zijne troepen.)

Bourgondië en zijn heer in de achterhoede!

Een gunstig lot hield hen zoo ver ten achter!—

Steekt de trompet, wij willen met hem spreken.

(Een trompetsignaal voor een mondgesprek.)

Karel.

Een woord met de’ eed’len hertog van Bourgondië!

Bourgondië.

Wie wil een mondgesprek met den Bourgondiër?

[632]

Pucelle.

Prins Karel is ’t, van Frankrijk, en uw landsman.

Bourgondië.

Spreek, Karel, kort, want ik trek weg van hier.

Karel.

Pucelle, spreek, betoover hem met woorden.

Pucelle.

Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk,

Sta toe, dat uwe dienstmaagd met u spreek’.

Bourgondië.

Spreek op, maar wees niet overmatig lang.

Pucelle.

Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk,

En zie in ’t rond èn stad èn dorp vernield

Door ’t fel verheeren van een bitt’ren vijand.

Blik, als de moeder ’t doet op ’t bleeke wicht,

Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit,

Op ’t sloopend kwijnen van uw Frankrijk; zie

Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden,

Die gij, gijzelf, haar bangen boezem sloegt.

O, keer uw snijdend zwaard naar andre zijden.

Tref hem, die slaat, en sla niet hem, die helpt;

Één droppel bloeds, uit uws lands borst getapt,

Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. 55

Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen,

En wasch uws lands wankleur’ge vlekken weg.

Bourgondië.

Zij heeft mij met haar woorden daar behekst,

Of wel, natuur heeft plotsling mij verweekt.

Pucelle.

Om u schreit Frankrijk en heel ’t Fransche volk;

Zij twijflen aan uw echt en edel bloed.

Met wien verbondt ge u? met een heerschziek volk,

Dat u vertrouwt, zoover ’t er winst in ziet.

Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet,

U tot zijn werktuig makend van verderf,

Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik?

U stoot men als een overlooper uit.

Herdenk dit eene, roep ’t u voor den geest:

Was Orleans, de hertog, niet uw vijand,

En was hij niet in England krijgsgevangen?

Nauw was hij als ùw vijand hun bekend,

Of zonder losgeld lieten zij hem vrij,

Bourgondië tartend en zijn vriendenschaar.

Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten;

Hen steunt gij, die uw moord’naars zullen zijn.

Kom, kom terug! keer om, verdwaalde vorst!

Als Karel, spreiden allen de armen open.

Bourgondië.

’k Geef mij gewonnen: hare hooge taal

Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut,

En bijna knielde ik neer tot overgaaf.—

Vergeeft mij, land, en lieve landgenooten!

En gunt mij, heeren, hartlijk u te omarmen;

Mijn leger, al mijn macht behoort aan u.

Talbot, vaarwel, ’k vertrouw u thans niet meer.

Pucelle

(ter zijde). Echt Fransch gehandeld! draaien en weer draaien!

Karel.

Heil, dapp’re hertog, uw verbond verfrischt ons.

Bastaard.

En wekt ons nieuwen moed in onze borst.

Alençon.

Pucelle heeft haar rol daar braaf gespeeld,

En een gravinnekroontje er mee verdiend.

Karel.

Thans, heeren, op! fluks onze macht vereend,

En dan getracht den vijand schâ te doen.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Parijs. Een zaal in het koninklijk paleis.

Koning Hendrik komt op, met Gloster en andere Lords; verder Vernon, Basset en Anderen. Daarna verschijnt Talbot met eenigen zijner officieren.

Talbot.

Doorluchte souverein en eed’le pairs,

Wijl ik uw aankomst in dit rijk vernam,

Heb ik een poos mijn waap’nen rust gegund,

Om aan mijn vorst mijn trouw hier te betuigen;

Ten blijke hiervan legt deze arm,—die meer

Dan vijftig sterke sloten voor u won,

Twaalf steden, zeven hechtomwalde vesten,

Daarbij vijfhonderd eed’le krijgsgevang’nen,—

Zijn zwaard voor uwer hoogheid voeten neer;

(Hij knielt neder.)

En schrijft met onderdanig trouw gemoed,

Den roem en de eere der bevochten zeges,

Ten eerste aan God, dan aan uw hoogheid toe.

Koning Hendrik.

Is dit,—oom Gloster, zeg mij dit,—die Talbot, 13

Die sinds zoo langen tijd in Frankrijk streed?

Gloster.

Ja, heer, indien ’t uw majesteit behaagt.

Koning Hendrik.

Wees welkom, dapp’re lord, zeeghafte veldheer!

’k Herinner mij,—’t was in mijn prille jeugd,—

’k Ben nog niet oud,—hoe toen mijn vader zeide,

Dat nooit een stouter krijger ’t zwaard hanteerde.

Sinds lange was uwe trouw ons openbaar,

Uw onvermoeid, bezwaarlijk oorlogvoeren:

Toch hebt gij onze erkentnis nooit geproefd,

En viel u zelfs geen woord van dank ten deel,

Omdat wij nooit uw aangezicht aanschouwden.

Daarom, sta op; ontvang voor zulke diensten,

Den naam en rang van graaf van Shrewsbury;

Neem zoo uw plaats bij onze kroning in.

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Talbot en de overigen af, behalve Vernon en Basset.)

[633]

Vernon.

Nu, heer, met u een woord; gij waart op zee

Zoo vinnig, dat ge op deze kleuren schimptet,

Die ik, Mylord van York ter eere, draag;

Durft gij, wat gij gezegd hebt, staande houden?

Basset.

Ja, heer, zoo goed als gij ooit staven durft

Het nijdig keffen van uw drieste tong

Tegen mijn heer, den hertog Somerset.

Vernon.

Pah, man, ik houd uw heer voor wat hij is.

Basset.

Nu, en wat is hij? even goed als York.

Vernon.

Neen, slechter; en neem dit als een getuignis.

(Hij geeft hem een slag.)

Basset.

Ellend’ling gij! gij kent het wapenrecht,

Dat wie een zwaard hier trekt, doodschuldig is;

Die slag onttapte u anders ’t hartebloed.

Doch weet, ik spoed mij tot zijn majesteit

En smeek hem om verlof, dien hoon te wreken;

Daar komt u onze ontmoeting duur te staan.

Vernon.

Nu, lafaard, ik ben daar u voor, en dan

Ontmoet ik u nog eerder dan u lief is.

(Beiden af.)