WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 21: VIERDE TOONEEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

[Inhoud]

VIERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Parijs. Een troonzaal.

Koning Hendrik, Gloster, Exeter, York, Suffolk, Somerset, de Bisschop van Winchester, Warwick, Talbot, de Commandant van Parijs en Anderen treden op.

Gloster.

Lord bisschop, zet de kroon hem op het hoofd.

Winchester.

Heil koning Hendrik, zesden van dien naam!

Gloster.

Stadhouder van Parijs, zweert thans uw eed,—

(De Commandant knielt.)

Dat gij geen andren koning kiest dan hem,

Geen vrienden wilt, dan die zijn vrienden zijn,

En niemand vijand reek’nen zult, dan hen,

Die zijn gezag met boozen raad belagen;

Dit moet gij doen; zoo waarlijk helpe u God!

(De Commandant legt den eed af en gaat met zijn Gevolg heen.)

(Sir John Fastolfe komt op.)

Fastolfe.

Genadig koning, toen ik van Calais

Spoorslags hierheen reed naar uw kroningsfeest,

Werd mij een brief ter hand gesteld, van wege

Den Hertog van Bourgondië, aan uwe hoogheid.

Talbot.

Schande over u en die u zendt, den hertog! 13

’k Zwoer, lage ridder, u, bij ’t eerst ontmoeten,

Dien knieband van uw hazebeen te rijten;

(Hij rukt hem den kouseband af.)

En heb het daar gedaan, wijl gij onwaardig

Bekleed werdt met die hooge waardigheid.—

Vergeeft mij, koning Hendrik, en gij andren!

Die lafaard daar,—bij ’t treffen van Patay,

Toen heel mijn macht zesduizend man bedroeg,

De Franschen, tien schier tegen één, ons dreigden,—

Nog vóór de ontmoeting, ja, eer één slag viel,

Liep hij als een getrouwe schildknaap weg!

Twaalfhonderd man verloren we in ’t gevecht;

Ikzelf, en menig edelman met mij,

Wij werden overmand en krijgsgevangen.

Spreekt nu, mylords, of ik hem onrecht deed,

Of zulke lafaards ooit der ridderschap

Hoogst sieraad mogen dragen, ja of neen?

Gloster.

In waarheid, zulk een doen was schand’lijk, eerloos;

Slecht stond het aan den minsten wapenknecht,

Hoeveel te meer een ridder, hoofdman, leider!

Talbot.

Mijn vorst, toen de orde werd verordend, waren

De ridders van den knieband hooggeboren,

Vol dapperheid en deugd en fieren moed,

Steeds mannen, door hun oorlogsdaden roemrijk;

Den dood niet vreezend, voor gevaar nooit deinzend,

En onverschrokken in den hoogsten nood. 38

Die deze gaven niet bezit, hij matigt

Zich driest den heil’gen naam van ridder aan,

En is der eerbiedwaardige orde een schandvlek;

Hij zij,—zoo iets mijn oordeel geldt,—verstooten,

Gelijk een in de heg geboren dorper,

Die zich vermeet op edel bloed te pralen.

Koning Hendrik.

Gij schandvlek van uw volk! gij hoort uw oordeel.

Pak dus u weg, gij, die een ridder waart;

Van nu af zijt ge, op straf des doods, verbannen.

(Fastolfe af.)

En nu, mylord protector, lees den brief

Van onzen oom, den hertog van Bourgondië.

Gloster.

Wat meent de hertog met dien nieuwen briefstijl?

Kortweg en plomp begint hij: „Aan den koning”.

Heeft hij vergeten, wie zijn leenheer is?

Of duidt wellicht dit boersch en plomp begin

Verand’ring in gezindheid bij hem aan?

Wat staat hier? (Hij leest.) „’k Heb na rijp beraad, begaan

Met de’ ondergang mijns lands en om het jamm’ren[634]

Van hen, waar uw geweld’narij op teert,

Uw booze zaak verlaten; en ik sluit

Mij aan bij Karel, Frankrijks rechten heer!”

O gruw’lijk, laag verraad! Hoe kan dit zijn,

Dat in verbonden, vriendschap en geloften

Zoo loos en valsch bedrog gevonden wordt?

Koning Hendrik.

Wat! valt mijn oom, valt mij Bourgondië af?

Gloster.

Dat doet hij, heer; uw vijand is hij thans.

Koning Hendrik.

Is dit het ergste, wat zijn brief bevat?

Gloster.

’t Is, heer, het ergste; verder schrijft hij niets.

Koning Hendrik.

Welnu, Lord Talbot hier zal met hem spreken,

En hem kastijden voor zijn snood bedrijf.

Mylord, wat zegt gij? is u dit niet welkom?

Talbot.

Welkom? mylord? Het komt mijn wenschen voor;

’k Had anders om deze opdracht u gesmeekt.

Koning Hendrik.

Trek macht dan saam en daad’lijk op hem los.

Doe hem gevoelen, hoe ’t verraad ons kwetst,

En dat het zonde is, vrienden te bespotten.

Talbot.

Ik ga, mylord, en wensch van harte u toe, 76

Dat gij welras uws vijands val moogt zien.

(Talbot af.)

(Vernon en Basset komen op.)

Vernon.

Sta mij den tweestrijd toe, genadig vorst!

Basset.

En mij, mylord, sta mij dien strijd ook toe!

York.

Mìjn dienaar is hij; hoor hem, eed’le vorst!

Somerset.

De mijne hij; wees gunstig, waarde Hendrik!

Koning Hendrik.

Bedaard, mylords, en laat henzelve spreken.

Zegt, heeren, wat beteekent zulk een aandrang?

Waarom verlangt ge een tweegevecht? met wien?

Vernon.

Met hem, mylord, want hij heeft mij gekrenkt.

Basset.

En ik met hem, want hij heeft mij gekrenkt.

Koning Hendrik.

Wat is die krenking, die u beiden grieft?

Zegt dit mij eerst, en dan geef ik u antwoord.

Basset.

Toen ik ter zee van England hierheen kwam,

Heeft mij die mensch daar met zijn scherpe gifttong

Om deze roos beleedigd, die ik draag;

Hij zeide, dat de bloedkleur van haar blaad’ren

Een beeld was van mijns meesters schaamteblos,

Toen die de waarheid vinnig had weerstreefd

Bij zeek’ren redetwist om recht en wetten,

Dien hij gehad had met den hertog York,

Met verdre lage schimp- en lastertaal;

Ter wederlegging van dit grof verwijt,

En ter verdediging mijns eed’len meesters,

Smeek ik om ’t voorrecht van der waap’nen wet.

Vernon.

Hetzelfde is mijn verzoek, doorluchte vorst;

Want, schoon hij ook, met sluw bedachte vonden,

Zijn driest vermetel doel vernissen moog’,

Verneem toch, heer, dat ik door hem getart werd,

Dat hij het eerst zich ergerde aan dit teeken,

En zeide, dat de bleekheid dezer bloem

De lafheid van mijns meesters hart verried.

York.

Neemt deze boosheid, Somerset, geen eind?

Somerset.

Uw eigen wrok, mylord van York, breekt uit,

Hoe kunstig gij dien ook versmoren wilt.

Koning Hendrik.

God! welk een waanzin heerscht in dolle mannen,

Als om zoo nietige en zoo ijd’le reden

Zoo vinnige partijschap zich verheft!—

Mijn waarde neven, Somerset en York,

Wordt kalm, bewaart den vrede, bid ik u.

York.

Zij dit geschil eerst met het zwaard getoetst; 116

Daarna bevele uw hoogheid ons den vrede.

Somerset.

De strijd gaat niemand aan dan ons alleen,

En zij daarom ook door onszelf beslecht.

York.

Daar ligt mijn pand; gij, hertog, neem het op.

Vernon.

Neen, blijv’ de strijd bij wie hij ’t eerst begon.

Basset.

Beslis dit zoo, mijn hoogvereerde vorst.

Gloster.

Beslis dit zoo! Vervloekt zij uw geschil!

En gaat te grond, gij en uw driest gekijf!

Gij snorkende vazallen, schaamt ge u niet,

Met zulk een luid en onbeschaamd geschimp

Den koning, ons, te kwellen en te ontrusten?

En gij, mylords, mij dunkt, gij doet niet wel

Met zulk een dol gekijf van hen te dulden,

Laat staan een grond te delven uit hun taal

Om onderling nu zelve twist te zoeken;

Neemt raad van mij aan, volgt een beet’ren weg.

Exeter.

Het grieft den koning; beste lords, sluit vrede.

Koning Hendrik.

Komt hier, gij beiden, die een strijd begeert:

’k Gelast u, op verbeurte van mijn gunst:

Vergeet voortaan uw twist en wat hem wekte.—

En gij, mylords, bedenkt gij, waar wij zijn:

In Frankrijk, bij een wuft en wankel volk!

Zoodra zij in onze oogen tweedracht zien,[635]

En dat wij in onszelf oneenig zijn,

Hoe zal dit hun verholen wrok doen uitslaan

In koppige ongehoorzaamheid en oproer!

En bovendien, wat schande zal ’t ons zijn,

Als vreemden vorsten dit ter oore komt,

Dat om een speelgoed, om een nietig ding,

De pairs van koning Hendrik, zijn rijksadel,

Zichzelf verdelgen, ’t Fransche rijk verloren!

O, denkt aan de veroov’ring van mijn vader,

Mijn teedre jeugd; verspeelt niet voor een niets,

Wat England eens verkreeg voor stroomen bloeds.

Laat mij de scheidsman zijn in dezen strijd.

Ik zie niet in, zoo ik die roos nu draag,

(Hij neemt de roos van Somerset en steekt die op.)

Dat niemand, wie ook, hieruit kan vermoeden,

Dat Somerset mij liever is dan York;

’k Heb beiden lief, ik ben verwant aan beiden;

Zoo kan men ook zich erg’ren aan mijn kroon,

Wijl Schotlands koning ook zich kronen liet.

Doch beter raadt u wis uw eigen inzicht,

Dan ik u leeren of vermanen kan.

Daarom, gelijk wij hier in vrede kwamen,

Laat zoo ons ook in vrede en vriendschap blijven.—

Mijn neef van York, dit deel van Frankrijk wordt

Door ons als uw regentschap u vertrouwd;

En, waarde lord van Somerset, vereenig

Uw ruiterbenden met zijn macht van voetvolk.

Gaat, als trouwe onderdanen, gaat als zonen

Van uwe vaad’ren lustig hand aan hand;

Koelt op uw vijand uw verhitten wrok.— 168

Wijzelf, mylord protector, gaan met de andren,

Na korte rust, dra naar Calais terug,

Van daar naar England, waar ik binnenkort

Karel, Alençon en heel die bent verraders

Door uw triomfen voor mij hoop te zien.

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Gloster, Somerset, Winchester, Suffolk en Basset af.)

Warwick.

Mylord van York, de koning, moet ik zeggen,

Heeft daar zijn rol van reed’naar goed gespeeld.

York.

Dat deed hij, ja, maar ’t wil mij niet bevallen,

Dat hij de roos van Somerset nu draagt.

Warwick.

Kom! ’t was een inval slechts, val hem niet hard;

De goede vorst bedoelde wis niets kwaads.

York.

Ja, was ik hiervan zeker,—doch genoeg;

Er zijn nu andere zaken, die mij roepen.

(York, Warwick en Vernon af.)

Exeter.

’t Was, Richard, goed, dat gij uw stem bedwongt;

Want, als uw hartstocht uitgebarsten was,

Dan, vrees ik, zagen wij daarin onthuld

Meer haat en wrok, meer wilden, woesten strijd,

Dan nu zich denken of vermoeden laat.

Maar hoe dit zijn moog’, elk eenvoudig man,

Die dezen nijd en twist des adels ziet,

’t Wegdringen aan het hof van elk door elk,

En ’t nijdig kibb’len van hun dienaarsbent,

Voorziet het naad’ren van een boozen tijd.

’t Is erg, indien een kind den scepter zwaait;

Doch erger nog, zoo haat verdeeldheid broedt,

Dan gaan we ellende en omkeer te gemoet.

(Exeter af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Bordeaux.

Talbot komt op, met zijn troepen.

Talbot.

Ga naar de poort, trompetter, van Bordeaux,

En roep den overste op tot een gesprek.

(Trompetsignaal. Op de wallen verschijnen de Bevelhebber der Fransche troepen en Anderen.)

Hoofdlieden, ’t is John Talbot, die u oproept,

De wapenknecht van Hendrik, Englands vorst;

En wat hij wil, is dit: ontsluit uw poorten,

En buigt het hoofd, noemt mijnen heer den uwen,

En huldigt hem als need’rige onderdanen;

Dan trekt mijn bloedige oorlogsmacht terug.

Maar zoo gij de aangeboden hand versmaadt,

Dan tart gij ’t woeden van mijn drie gezellen,

’t Vierdeelend zwaard, wild vuur en hollen honger,

Die uwe torens, fier de wolken tartend,

Tot de aarde slechten zullen in een oogwenk,

Zoo gij ons vriendlijk aanbod af mocht slaan.

Bevelhebber.

Gij onheilspellende en verfoeib’re doodsuil,

’s Volks schrik, de geesel, die het bloedig striemt!

Nabij is ’t eind van uw geweldnarij. 17

Tot ons dringt gij niet door dan door den dood;

Want, dit bezweer ik, wij zijn hechtverschanst,

En sterk genoeg tot uitval en gevecht.

En deinst gij af, gereed staat de dauphijn,

Om met des oorlogs strikken u te omslingren;

Aan beide uw zijden houden troepen wacht

En muren u den uitweg toe ter vlucht;

En nergens kunt ge om hulp u henenwenden,

Waar niet met zeek’ren greep de dood u dreigt

En u het bleek verderf niet tegentreedt.

Tienduizend Franschen namen ’t sacrament,

Dat ze op geen christenziel dan Englands Talbot

Hun dood’lijk schroot en kogels zenden zullen.

Gij staat daar aad’mend nog, een dapper man

Van onbedwongen, onbedwingb’ren geest;

Maar dit, dit is uw laatste gloriekrans,

Waar ik, uw vijand, thans u mee bekleed;

Want eer het glas, welks zand begint te vloeien,

Den afloop meldt van ’t aangevangen uur,

Zal u, van kracht nu blozend, frisch en rood,

Mijn oog verwelkt zien, bloedig, bleek en dood.

(Trommen in de verte.)

Hoor! hoort

De trom van den dauphijn, een klok, die maant,[636]

Slaat daar een treurmarsen voor uw veege ziel;

U zal de mijne een bang verscheiden galmen.

(De Bevelhebber met de zijnen af.)

Talbot.

Het is geen fabel, ’k hoor den vijand reeds.—

Op! lichte ruiterij, verkent zijn vleugels.—

O, zorgeloos, nalatig krijgsbeleid!

Hoe zijn wij ingesloten, opgekooid,

Een kleine, schuwe hertenkudde uit England,

Verbijsterd door ’t geblaf van Fransche honden;

Maar zijn wij Engelsch wild, weest dan vol kracht,

Geen schrale troep, die valt bij de’ eersten beet;

Neen, biedt als niets ontziende, dolle herten

Het stalen voorhoofd aan het moordziek rot,

Zoodat het laf en blaffend verre blijft;

Verkoopt gij allen ’t lijf zoo duur als ik,

Dan kost hun ’t wild een wilden, duren dag.—

God en Sint Georg’! Talbot en Englands recht

Beveil’gen onze vaan in ’t boos gevecht!

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Een vlakte in Gasconje.

York komt op, met troepen; een Bode nadert hem.

York.

Zijn nog de vlugge ruiters niet terug,

Die ’t machtig leger des dauphijns verkenden?

Bode.

Zij zijn terug, mylord, en geven op,

Dat hij is aangetrokken op Bordeaux,

Ten strijd met Talbot. De bespieders zagen,

Dat op zijn marsch twee andre benden, sterker

Dan ’t leger des dauphijns, zich bij hem voegden,

En verder met hem trokken naar Bordeaux.

York.

Vervloekt die schurk, die booswicht Somerset,

Die den beloofden bijstand zoo vertraagt:

De ruiterij, voor dit beleg verzameld!

De groote Talbot rekent op mijn hulp,

En mij bedriegt een schurk, een laag verrader,

Dat ik den eed’len held niet helpen kan.

God sta hem bij in dezen bitt’ren nood! 15

Als hij bezwijkt, vaarwel dan, Fransche krijg!

(Sir William Lucy komt op.)

Lucy.

O vorst en legerhoofd van Englands kracht,

Die nooit op Frankrijks grond zoo noodig was,

IJl spoorslags tot ontzet van de’ eed’len Talbot,

Die door een ijz’ren gordel wordt omsloten,

Rondom door grijnzende’ ondergang bekneld.

Op, hertog, naar Bordeaux! York, naar Bordeaux!

Of Talbot, Frankrijk, Englands eer, vaarwel!

York.

O God! waar’ Somerset, die mij vol wrevel

Zijn ruiterij onthoudt, op Talbot’s plaats!

Dan wierd een dapper edelman gered,

Door ’t off’ren van een lafaard en verrader.

Mijn toorn, aartswoede, perst mij tranen af;

Een trage booswicht slaapt, ons gaapt het graf.

Lucy.

Om bijstand roept de held; hij zij verhoord!

York.

Hij sterft, wij gaan te grond; ik breek mijn woord.

Wij treuren, Frankrijk lacht; zij zijn gered,

Wij veeg, door ’t vuig verraad van Somerset.

Lucy.

O, dan zij God held Talbot’s ziel genadig,

En John, zijn zoon, dien ik, twee uur geleden,

Op reis naar zijn krijgshaften vader vond.

In zeven jaar zag hem zijn vader niet;

Thans ziet hij hem, nu beider leven vliedt.

York.

Helaas! wat vreugd voor Talbot, welk ontmoeten,

Zijn jongen zoon dus aan zijn graf te groeten!

Van hier! het is me, of wee mijn gorgel sloot;

Zulk wederzien in de ure van den dood!

Vaarwel!—Wat kan ik? vloeken op den man,

Die oorzaak is, dat ik niet helpen kan.

Maine, Blois, Poitiers en Tours—door ons ontruimd,

Alleen, wijl Somerset zijn plicht verzuimt!

(York met zijn troepen af.)

Lucy.

Aldus, terwijl de gier der ijverzucht

Zich in de borst van zulke grooten mest,

Geeft, door te slapen, laag en laf verzuim

De winst des nauwlijks kouden overwinnaars,

Des onvergeetb’ren vijfden Hendriks op.

Uit loutre zucht tot tegenkanting geven

Zij alles prijs, èn land èn eer èn leven!

(Lucy af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Een andere vlakte in Gasconje.

Somerset komt op met zijn troepen, vergezeld van een Officier van Talbot.

Somerset.

Het is te laat; ik kan ze thans niet zenden.

Die onderneming werd door York en Talbot

Te vroeg beraamd. Aan onze gansche macht

Kan bij een uitval reeds de stad alleen

Het hoofd wel bieden. Talbot’s overmoed

Heeft heel den glans van al zijn vroegere eer

Bevlekt door dit onzinnig dolle waagstuk.

York dreef hem aan tot strijd en roemloos sterven,

Om zelf des dooden Talbot’s glorie te erven.

Officier.

Daar is Sir William Lucy, die met mij

’t Bedreigde heer verliet om hulp te zoeken.

(Sir William Lucy komt op.)

Somerset.

Sir William, gij? Waarheen was uwe zending?

Lucy.

Waarheen, mylord?

Van den verraden en verkochten Talbot,

Die, eng door driesten tegenspoed omzet,

Roept om den eed’len York en Somerset,

Zijn zwakke schaar nog voor den dood wil hoeden.

En midd’lerwijl des eed’len veldheers leden,

Door strijden afgemat, van bloedzweet drupp’len,

En hij, in dralen heil ziend, wacht en uitziet,

Blijft gij, zijn valsche hoop, waar Englands eer

Op bouwt, hem ver, uit schandlijke ijverzucht.[637]

Laat toch door snoode tweedracht hem de hulp,

Voor hem, voor zijn ontzet gelicht, niet derven,

Terwijl hij, die beroemde en eed’le held,

Bezwijkt voor een onmeetlijke overmacht!

Karel, Alençon, Bourgondië en de bastaard

Van Orleans, Reignier, omsluiten hem,

En Talbot gaat door uwe schuld te grond.

Somerset.

York dreef hem aan, York had hem moeten helpen.

Lucy.

En York laakt even heftig uw genade;

Hij zweert, dat gij hem ruiterij onthoudt,

Die juist voor dezen tocht verzameld was.

Somerset.

York liegt; ’k had ze afgestaan, had hij gevraagd;

’k Ben hem geen dienst, nog minder liefde schuldig;

’t Waar’ laag, ’t waar’ vleien, zoo ikzelf haar zond.

Lucy.

Englands verraad, en niet de kracht van Frankrijk,

Heeft dien rechtschapen Talbot nu omstrikt.

Naar England brengt hij nimmermeer zijn leven,

Hij sterft, door u aan ’t noodlot prijsgegeven.

Somerset.

Nu dan, ik zend terstond de ruiterij;

Zes uren, en zij allen staan hem bij.

Lucy.

Te laat; gevangen is hij dan of dood;

Geen vlucht is moog’lijk, ook al koos hij die;

En nimmer kiest hij die, zelfs als hij kan.

Somerset.

En valt hij,—dapp’re Talbot, helpe u God!

Lucy.

Roem blijft zijn deel, en eeuw’ge schande uw lot.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Het Engelsche legerkamp nabij Bordeaux.

Talbot en zijn zoon John komen op.

Talbot.

O John, mijn zoon, ik heb u hier ontboden,

Opdat ik de oorlogskunst u leeren mocht,

En Talbot’s naam in u herleven zou,

Als dorre leden, sloopende ouderdom

Uw vader aan zijn leunstoel zouden kluistren.

Maar nu,—o booze en onheilzwangre sterren!—

Zijt ge aangekomen voor een feest des doods,

Een schrikk’lijk, onafwendbaar doodsgevaar.

Daarom, mijn zoon, bestijg mijn snelste ros;

Ik wijs u aan, hoe gij ontkomen kunt

Door snelle vlucht; kom, draal niet, spoed u weg!

John.

Heet ik niet Talbot? ben ik niet uw zoon?

En vluchten? O, bemint gij mijne moeder,

Onteer haar hoogvereerden naam dan niet,

Door mij tot bastaard, tot een slaaf te maken!

De wereld vroeg: „Stamt hij van Talbot af?

Held Talbot tartte ’t lot, en hij vlood laf!”

Talbot.

Vlied thans, en wreek mijn dood, indien ik val.

John.

Alsof, wie zoo ontvliedt, ooit keeren zal!

Talbot.

Zoo beiden blijven, beiden sterven wij.

John.

Laat mij dan blijven, vader, en vlucht gij!

Aan u hangt alles, spaar u dus en vlied;

Mijn waarde is onbekend; mij mist men niet.

Bij mijn val stoft geen Franschman schel en luid,

Bij de’ uwen wel, want onze hoop heeft uit.

U rooft de vlucht uw eer niet, die gij wont,

Mij wel, die nog geen heldendaad bestond.

’t Is wijs gedaan, zegt elk, zoo gij ontvlucht;

Wijk ìk, dan heet ik voor gevaar beducht.

Wie hoopt nog, dat ik ooit krijgshaftig blijk,

Indien ik, de eerste maal reeds, sidd’rend wijk?

Hier op mijn knieën smeek ik: laat mij sterven,

Veeleer dan ’t leven eerloos te verwerven!

Talbot.

Moet één graf heel uw moeders hoop omgeven?

John.

Ja, eer dan ik haar schoot ten oneer leven.

Talbot.

Ga, bij mijn zegen! denkt wie ’t u gebiedt.

John.

’k Wil gaan, ten strijde ja, maar vluchten niet.

Talbot.

Een deel uws vaders blijft in u verschoond.

John.

Geen deel van hem, dat mij niet schimpt en hoont. 39

Talbot.

Gij hebt geen roem nog, kunt geen schade lijden.

John.

’k Draag uwen naam, zou dien mijn vlucht ontwijden?

Talbot.

Uws vaders last pleit van die smet u vrij.

John.

Getuigt die nog, indien gij valt, voor mij?

Is dood zoo wis, mijd dan met mij dien nood.

Talbot.

En ’k liet mijn volk ten prooi aan strijd en dood?

Hoe oud ook, nooit onteerde ik zoo mijn naam.

John.

En zou mijn jeugd niet huivren voor die blaam?

Van u te wijken is mij niet vergund,

Zoo min als gij uzelven splitsen kunt.

Ga, blijf, doe wat gij wilt, ik blijf u bij,

En leef niet als gij valt, maar sterf als gij.

Talbot.

Ontvang mijn afscheidskus dan, dierbaar kind,

Wiens leven eindt, nu ’t heden eerst begint.

Kom, zij aan zij gestreden en gesneefd,

En ziel aan ziel ten hemel dan gestreefd!

(Beiden af.)

[Inhoud]

ZESDE TOONEEL.

Een Slagveld.

Strijdgedruisch. Gevechten, waarin Talbot’s zoon omsingeld en door Talbot ontzet wordt.

Talbot.

Sint George en zege! vecht, soldaten, vecht!

Niets is het woord, dat York mij gaf, ons waard;

Hij geeft ons prijs aan Frankrijks grimmig zwaard.—[638]

Waar is mijn zoon?—Schep adem! rust! Ik gaf

U ’t leven en ontreet u daar aan ’t graf.

John.

Gij, tweewerf vader! tweemaal ben ’k uw zoon;

Het eerstgeschonken leven was ontvloôn,

Toen, trots het lot, uw heldenzwaard mijn leven,

Dat uit was, nieuwe kracht en duur kwam geven.

Talbot.

’t Vuur, door uw zwaard uit Karels helm geslagen,

Ontvlamde uws vaders hart tot heftig jagen

Naar trotsche zege. Ik hief mijn grijsaardsarm

En sloeg, van jeugdig vuur en woede warm,

Bourgondië, Alençon en Orleans

In ’t stof, en roofde, u reddend, al hun glans.

Den bastaard Orleans, die, wild en ruw,

U bij uw maagdestrijd weerstond, en u

Bloed deed verliezen, knaap, besprong ik ras,

En, slagen wiss’lend, kleurde hij het gras

Rood met zijn bastaardbloed. Toen riep mijn hoon

Hem smaad’lijk toe: „Die wonde zij uw loon;

Dit laag, gemeen, bevlekt, onwaardig bloed

Vloeit hier voor ’t mijne, zuivre, dat uw moed

Zoo driest van mijnen wakk’ren jongen spilde!”

Maar juist toen ik den bastaard dooden wilde,

Verscheen er hulp. Gij, dierbaar kind, spreek nu;

Zijt gij niet moede, John? hoe voelt gij u?

Ontwijk den slag nu, zoon; ’t is tijd nog, keer;

Gewaarmerkt zijt gij als een man van eer!

Vlucht nu, en wreek, indien ik val, mijn dood;

De hulp van éénen man helpt niet in nood.

Voorwaar, ’t zou dwaasheid zijn, ons aller leven

In ééne kleine boot nu prijs te geven. 33

Ontziet mij Frankrijks woede heden nog,

Dan sterf ik, hoogbejaarde, morgen toch;

Zij winnen niets door mijnen dood; dan wordt

Mijn leven slechts een enk’len dag verkort.

In u sterft uwe moeder, Talbot’s naam,

Mijn wraak, uw jeugd en Englands roem te zaam.

Dit alles, meer nog, waagt gij, zoo gij wijlt;

Dit alles redt gij, zoo gij vlucht en ijlt.

John.

Van ’t zwaard van Orleans voelde ik geen smart,

Van deze uw woorden bloedt en krimpt mij ’t hart.

Eer ik voor zulk een smaad die winst begeer,

Een nietig leven voor een schat van eer,

Eer Talbot’s zoon ontvlucht van Talbot’s zijde,

Eer storte ’t laffe ros, dat ik berijde,

En zij mijn lot eens Franschen dorpers lot,

Mikpunt van ieders hoon, van ieders spot!

Voorwaar, bij al uw roem, uw heldenkroon,

Als ik ontvlucht, ben ik niet Talbot’s zoon.

Daarom; niets meer van vlucht; ’t is ijdel pogen;

Wie Talbot’s zoon is, sterft voor Talbot’s oogen.

Talbot.

Zoo volg dan uw Cretenser-vader nu,

Mijn Icarus, mijn leven; ’k zegen u;

Kiest gij den strijd, zoo strijd aan ’s vaders zijde,

Dat, wie ons vallen ziet, ons lot benijde.

(Beiden af.)

[Inhoud]

ZEVENDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het slagveld.

Strijdgedruisch; gevechten. Talbot komt op, gewond, door een Dienaar ondersteund.

Talbot.

Waar is mijn ander leven?—’t mijne vlood?

O, waar is John? mijn dapp’re strijdgenoot?—

Zeegrijke dood, al bracht gij boeien nu,

Om ’s jongen Talbot’s moed belach ik u.—

Toen hij mij op mijn knie zag, zwaaide hij

Zijn bloedig zwaard beschermend over mij,

En, als een uitgevaste leeuw, volbracht

Hij daden van geweld en reuzenkracht;

Doch toen mijn wachter, dien mijn doodsnood drong

Tot wraak, alleen stond, niemand hem besprong,

Toen dreef hem blinde woede en razernij

Des harten plotseling heen en ver van mij

In ’s vijands dichten drom; de fiere moed

Mijns zoons verstikte er in een zee van bloed;

Daar stierf mijn zoon, mijn pas ontloken bloem,

Mijn Icarus, recht fier en rijk aan roem.

(Soldaten komen op, met het lijk van John Talbot.)

Dienaar.

Ach, beste heer, daar wordt uw zoon gebracht.

Talbot.

Gij, zotskap Dood, die spottend ons belacht, 18

Dra zullen, van uw smaadlijk juk bevrijd,

In heerlijkheid vereenigd voor altijd,

Twee Talbots zweven door de weeke lucht,

Trots uwen dwang der sterflijkheid ontvlucht.—

O gij, wiens wonden Dood zelfs lieflijk staan,

Spreek, eer gij adem derft, uw vader aan!

Ja, trots den Dood, spreek, hem tot ergernis,

Alsof hij Franschman en uw vijand is.—

Gij glimlacht, arme knaap, alsof gij zegt:

„De Dood een Frank! ’k had dood hem neergelegd!”—

Komt, brengt hem, legt hem aan zijns vaders hart;

Mijn geest bezwijkt bij zooveel leed en smart.

Vaart, krijgers, wel! ik heb wat ik begeer:

Mijn zoon ligt in zijns vaders armen neer.

(Hij sterft.)

(Strijdgedruisch. De Soldaten en de Dienaar gaan heen, de beide lijken achterlatend. Daarna komen op: Karel, Alençon, Bourgondië, de Bastaard, de Pucelle, met troepen.)

Karel.

Waar’ York met Somerset ter hulp gesneld,

Dan waar’ ’t een booze dag voor ons geworden.

Bastaard.

Wat doopte Talbot’s jonge leeuw verwoed

Zijn kinderzwaard in ’t beste Fransche bloed!

Pucelle.

Ééns heb ik hem ontmoet en sprak hem aan:

„U, maagdlijk jongling, zal een maagd verslaan”;

Maar, met een blik vol majesteit en hoon,[639]

Was ’t antwoord: „Weg! des grooten Talbot’s zoon

Wordt nooit de buit van deernen zooals gij!”

Zoo stortte hij zich in ’t gedrang, en mij

Liet hij daar staan als geen bestrijden waard.

Bourgondië.

Hoe ’t zij, hij toonde vroeg zijn heldenaard.

Ziet, hoe hij daar in de armen ligt begraven

Van hem, wiens bloeddorst hem met smart moest laven.

Bastaard.

Houwt hen in stukken, spreidt die over ’t veld!

Hem, Frankrijks schrik en Englands eerste held!

Karel.

Laat af, en hoont den leeuw, voor wien gij vloodt,

Toen hij nog leefde, thans niet in den dood!

(Sir William Lucy komt op, met Gevolg, voorafgegaan door een Franschen Heraut.)

Lucy.

Heraut, voer me aan de tent van den dauphijn,

Opdat ik wete, wie de zege wegdroeg.

Karel.

Welk een submissie houdt uw boodschap in? 53

Lucy.

Submissie, prins? dat is een echt Fransch woord;

Wij, Englands krijgers, kennen ’t niet, dauphijn.

Ik kom slechts vragen naar uw krijgsgevang’nen,

En wensch te zien, wie er gevallen zijn.

Karel.

Gevang’nen? Onze kerker is de hel.

Doch zeg mij, wien gij zoekt.

Lucy.

Waar is de groote Alcides van het slagveld,

De dapp’re Talbot, graaf van Shrewsbury,

En, om zijn heldendaden, ook betiteld

Graaf van Valence, Wexford, Waterford,

Lord Talbot van Goodrig en Urchinfield,

Lord Strange van Blackmere, lord Verdun van Alton,

Lord Cromwell van Wingfield, lord Furnival van Sheffield,

Driemaal zeeghafte lord van Falconbridge,

Doorluchte ridder van Sint George’s orde,

Sint Michaël waardig en het Gulden vlies,

Maarschalk van Hendrik, zesden van dien naam,

Voor al zijn krijgen in het Fransche rijk?

Pucelle.

Voorwaar, dat is een overdwaze pronkstijl!

De Turk, die twee-en-vijftig rijken heeft,

Schrijft nog geen stijl van zulk een langen adem.

Hij, dien gij zoo verheft met al die titels,

Ligt voor uw voeten als een stinkend aas.

Lucy.

Is Talbot dood, der Franschen een’ge geesel,

De schrik uws rijks, uw zwarte Nemesis?

O, wierden mijner oogen ballen kogels,

Dat ik ze woedend u in ’t aanzicht schoot!

Kon ik die dooden weer in ’t leven roepen!

Genoeg waar’ ’t, om gansch Frankrijk te verschrikken 82

Zoo slechts zijn beeltnis bij u achterbleef,

De stoutsten uwer zou dit doen verbleeken!

Geef mij hun lijken, dat ik die vervoer’,

En hun naar hunne waarde een uitvaart schenk’.

Pucelle.

De knaap is wis des ouden Talbot’s geest,

Zoo trotsch gebiedend is hij in zijn spreken.

Om Gods wil, geef die twee aan hem, want hier

Verpesten zij de lucht slechts met hun stank.

Karel.

Ga, neem de lijken mee.

Lucy.

Ik voer ze weg;

Een feniks rijst nog eenmaal uit hun asch,

Weer Frankrijks geesel, zooals Talbot was.

Karel.

Doe met hen, wat gij wilt; wij zijn hen kwijt.

Thans naar Parijs! ons wachten gloriedagen!

Niets stuit ons, nu held Talbot is verslagen.

(Allen af.)