WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 30: VIJFDE TOONEEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

[Inhoud]

VIJFDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een zaal in het paleis.

Koning Hendrik komt op, met Gloster en Exeter.

Koning Hendrik.

Hebt gij de brieven van den paus doorlezen,

Den keizer en den graaf van Armagnac?

Gloster.

Ik deed het, heer; hun inhoud is als volgt:

Zij drongen need’rig bij uw hoogheid aan,

Dat tusschen ’t rijk van England en van Frankrijk

Een christenvrede dra gesloten worde.

Koning Hendrik.

En hoe behaagt die voorslag uw genade?

Gloster.

Goed, beste vorst en heer; ’t is de een’ge weg

Om ’t plengen van ons christenbloed te stuiten

En veil’ge rust te gronden aan weerszij.

Koning Hendrik.

Nu waarlijk, oom, het kwam mij altijd voor,

Het was zoowel een zonde als onnatuurlijk,

Dat zulk een woestheid heerscht en bloedig twisten,

Bij hen, die één geloof zijn toegedaan.

Gloster.

Om zulk verbond des te eerder te bewerken

En vaster vriendschapsknoop te leggen, biedt[640]

Graaf Armagnac, een naverwant van Karel,

Een man van veel en groot gezag in Frankrijk,

Zijn een’ge dochter, heer, aan uwe hoogheid

Ten echt aan, met een grooten, rijken bruidsschat.

Koning Hendrik.

Een echt! ach, oom! hoe jeugdig is mijn leeftijd!

O, beter passen mij nog vlijt en boeken,

Dan dartel minnekoozen met een bruid.

Maar toch, roep de afgezanten voor en geef

Aan elk het antwoord, dat u passend schijnt;

Ik billijk elke keuze, strekt zij slechts

Tot Godes eer en ’t welzijn van mijn land.

(Een Legaat en twee Gezanten komen op, benevens de Bisschop van Winchester in kardinaalsgewaad.)

Exeter.

Wat! is mylord van Winchester verhoogd

En met den kardinaalsrang nu bekleed?

Dan merk ik, dat weldra vervuld zal zijn,

Wat soms de vijfde Hendrik profeteerde:

„Zoo ’t hem gelukt eens kardinaal te worden,

Dan maakt hij zijnen hoed der kroon gelijk.”

Koning Hendrik.

Gij heeren afgezanten, uwe wenschen 34

Zijn grondig overwogen en getoetst.

Wat gij bedoelt is prijslijk en verstandig;

En daarom namen wij alsnu ’t besluit,

Voorwaarden voor een vrede vast te stellen,

Die onverwijld mylord van Winchester

Naar ’t hof van Frankrijk overbrengen zal.

Gloster.

En wat betreft het aanbod van uw heer

Was mijn verslag aan zijne hoogheid zoo,

Dat hij, bekoord door uwer jonkvrouw deugden,

Haar schoonheid en de waarde van haar bruidsschat,

Verlangt, dat ze Englands koningin zal zijn.

Koning Hendrik.

Breng als bewijs en pand voor dit verdrag

Haar dit juweel; ’t getuige van mijn wensch.—

En nu, mylord protector, laat de heeren

Naar Dover begeleiden tot aan boord;

En dan, vertrouw hen aan ’t geluk der zee.

(Koning Hendrik met zijn Gevolg, Gloster, Exeter en de Gezanten af.)

Winchester.

Toef, heer Legaat, een wijl nog, en neem eerst

De geldsom in ontvangst, die ik beloofde

In dank te kwijten aan zijn heiligheid

Voor de bekleeding met dit plechtgewaad.

Legaat.

Ik ben ten dienste van Uw Hoogeerwaarde.

Winchester.

Voorzeker, nu zal Winchester niet buigen,

Noch wijken voor den fiersten dezer pairs.

Humfried van Gloster, merken zult gij ’t nu,

Dat evenmin in rang als in geboorte

De bisschop zich door u verduistren laat;

Ik zal u leeren bukken, ja, en knielen,

Of twist en omkeer zal dit land vernielen!

(Beiden af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Frankrijk. Een vlakte in Anjou.

Karel, Bourgondië, Alençon, de Pucelle komen op, met troepen op marsch.

Karel.

Dit, heeren, moge uw matten moed weer wekken:

Het stout Parijs, zoo zegt men, is in opstand,

En kiest voor ’t strijdend Frankrijk nu partij.

Alençon.

Dan, Frankrijks Karel, op nu, naar Parijs!

En dralen houde uw leger niet terug.

Pucelle.

Der stad zij vrede, als zij bij ons zich voegt,

Of anders slechte de oorlog haar paleizen!

(Een Bode komt op.)

Bode.

De zege troon’ bij onzen dapp’ren veldheer,

En alle heil bij al zijn medestanders!

Karel.

Wat melden de verspieders? ’k Bid u, spreek. 10

Bode.

Het Engelsch leger, dat verbrokkeld was

In twee gedeelten, is geheel vereend

En is van plan terstond u slag te leev’ren.

Karel.

Wat al te plotsling, heeren, komt die tijding;

Maar ’t zij, in alles zij terstond voorzien.

Bourgondië.

’k Denk, Talbot’s geest bezielt niet langer ’t heer;

Na zìjn dood, heer, geen vrees, geen aarz’ling meer.

Pucelle.

Geen lage zonde is zoo vervloekt als vrees.

Gebied de zege, Karel, en ze is u,

Schoon Hendrik wrokk’, de wereld er van gruw’!

Karel.

Vooruit dan, lords; geluk zij Frankrijks deel!

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Angers.

Strijdgedruisch; schermutselingen. De Pucelle komt op.

Pucelle.

’t Is York, die overwint; de Franschen vluchten.—

Helpt thans, gij tooverspreuken, talismans,

En gij verkoren geesten, die mij waarschuwt,

En teek’nen zendt van wat gebeuren zal;

(Donderslagen.)

Gij, rappe helpers, trouwe knechten, waar

Des noordpools groote koning over heerscht,

Komt op, verschijnt, en helpt mij bij dit werk!

[641]

(Booze Geesten verschijnen.)

Uw vaardig, rasch verschijnen is mij borg

Voor uwe mij zoo vaak betoonde vlijt.

En nu, gij mijne geesten, die ik uitlas

In machtige onderaardsche rijken, helpt mij

Deze eene maal, dat Frankrijk zegevier’!

(De Geesten waren om en spreken niet.)

O, kwelt mij niet, door óverlang te zwijgen.

Gelijk ik lang u voedde met mijn bloed,

Houw ik mij thans een lid af, dat ik geef,

En dat u ’t handgeld zij van verder loon,

Zoo gij u thans vervaardigt mij te helpen.

(De Geesten laten het hoofd hangen.)

Geen hulpe meer, geen hoop?—’k Wil met mijn lijf

Mijn dank u kwijten, zoo gij mij verhoort.

(Zij schudden het hoofd.)

Kan u mijn lijf, noch ’t off’ren van mijn bloed

Tot uw gewone hulp en steun bewegen,

Zoo neemt mijn ziele, lijf en ziel en alles,

Eer England op de Franschen triumfeer’!

(Zij verdwijnen.)

Zij vallen van mij af! Nu komt de tijd,

Dat Frankrijk ’t fier gehelmde hoofd moet buigen, 25

En ’t nederleggen moet in Englands schoot.

Mijn oude tooverspreuken zijn te zwak;

De hel is mij te sterk om meê te worst’len;

Thans, Frankrijk, zinkt uw glorie in het stof.

(De Pucelle af.)

(Strijdgedruisch. Strijdende Franschen en Engelschen komen op; daaronder de Pucelle en York, die handgemeen worden. De Pucelle wordt gevangen genomen. De Franschen vluchten.)

York.

Thans, Fransche deerne, heb ik u, zoo ’k meen;

Ontboei uw geesten nu met tooverspreuken,

En zie, of zij u vrijheid kunnen schenken.—

Een schoone buit, de gunst des duivels waard!

Zie, hoe de schoone heks de wenkbrauw fronst,

En liefst, als Circe, mij herscheppen zou.

Pucelle.

Herschepping kan niet erger u misvormen.

York.

Ja, Karel, de dauphijn, is knapper man;

Slechts hij kan uw kieskeurig oog behagen.

Pucelle.

Treffe u en Karel beide’ een folt’rend onheil,

En moge een hand des bloeds u beiden plotsling

Bij ’t slapen in uw bedden overvallen!

York.

Gij booze tooverheks, weerhoud uw tong!

Pucelle.

Sta toe, dat ik een wijl mijn vloeken uit.

York.

Vloek, lage deerne, als gij ten mutsaard gaat.

(Beiden af.)

(Strijdgedruisch. Suffolk komt op, prinses Margaretha bij de hand leidende.)

Suffolk.

Wie gij ook zijn moogt, mijn gevang’ne zijt gij.

(Hij beschouwt haar.)

O hemelschoonheid, vrees niet, vlucht niet, neen,

Want slechts met eerbied raakt mijn hand u aan.

Ik kus tot eeuw’gen vrede deze vingers,

En leg ze zachtkens aan uw teed’re zij.

Wie zijt gij? spreek, opdat ik u vereer.

Margaretha.

’k Ben Margaretha, dochter van een koning,

Van Napels’ koning. Wie gij wezen moogt,—

Suffolk.

Ik ben een graaf, en Suffolk is mijn naam.

Wees niet gekrenkt, gij wonder der natuur,

Dat het uw lot was in mijn hand te vallen;

Zie, zóó beschut een zwaan haar donzig kroost

En houdt dit met haar vleugels als gevangen.

Maar zoo die hechtnis in het minst u grieft,

Zoo ga, wees vrij, neem Suffolk’s vriendschap aan.

(Zij wendt zich af om heen te gaan.)

O blijf!—(Ter zijde.) ’t Valt mij te zwaar haar los te laten;

Al laat mijn hand haar los, mijn hart roept neen.

Gelijk de zon speelt op kristallen stroomen,

Met nagebootsten gloed verdubbeld flikk’rend,

Schijnt in mijn oogen deze wonderpracht. 64

Hoe gaarne ik naar haar ding’, ik durf niet spreken.

Ik eisch papier en inkt, en schrijf mijn vraag.

Foei! de la Pole, maak niet uzelf zoo zwart;

Hebt gij geen tong? is ze uw gevang’ne niet?

Wordt gij versaagd bij de’ aanblik van een vrouw?

Ja, schoonheid heeft zoo hooge majesteit;

Zij maakt de tong verlamd, de zinnen stomp.

Margaretha.

Spreek, graaf van Suffolk, als gij zoo u noemt,

Wat losgeld moet ik geven, eer ik gaan kan?

Want uw gevang’ne ben ik, naar ik zie.

Suffolk

(ter zijde). Hoe kunt gij weten, of zij u versmaadt,

Aleer gij hebt getracht haar hart te winnen?

Margaretha.

Gij zwijgt nog steeds? welk losgeld moet ik geven?

Suffolk

(ter zijde). Ja, zij is schoon en daarom ’t vragen waard;

Zij is een vrouw en daarom wel te winnen.

Margaretha.

Neemt gij een losgeld aan? zeg ja of neen.

Suffolk

(ter zijde). Gij dwaas! herinner u, gij hebt een vrouw;

Hoe kan dan Margaretha de uwe zijn?

Margaretha.

Het best waar’ heen te gaan; hij wil niet hooren.

Suffolk

(ter zijde). Ja, dat is ’t, wat mijn koorts bekoelen moest.

[642]

Margaretha.

Hij praat maar toe; die man is stapelgek.

Suffolk

(ter zijde). Hoe ’t zij, een dispensatie is te krijgen.

Margaretha.

Hoe ’t zij, ik wenschte, dat gij antwoord gaaft.

Suffolk

(ter zijde). Ik wil die jonkvrouw winnen. Maar voor wien?

Nu, voor den koning.—Foei! dit snijdt geen hout!

Margaretha.

Hij praat van hout; hij is een timmerman.

Suffolk

(ter zijde). Zóó kan ik mij verheugen in mijn liefde,

En deze rijken door een vreêverbond.

Doch hierbij blijft nu dit bezwaar nog over:

Al is haar vader Napels’ koning, hertog

Van Maine en van Anjou, toch is hij arm,

En heel onze adel schimpt wis op dien echt.

Margaretha.

Gij wilt niet hooren, heer? hebt gij geen tijd?

Suffolk

(ter zijde.) Zóó moet het zijn, hoe zij het ook verachten;

Hendrik is jong en geeft wis spoedig toe.—

(Luid.) ’k Heb, jonkvrouw, een geheim u mee te deelen.

Margaretha

(ter zijde). Al ben ik in zijn macht, hij schijnt een ridder,

En doet gewis mij niets onwaardigs aan. 102

Suffolk.

Jonkvrouw, gelief mij thans gehoor te schenken.

Margaretha

(ter zijde). Wellicht bevrijden mij de Franschen nog;

En dan heb ik zijn gunst niet in te roepen.

Suffolk.

Mejonkvrouw, geef mij voor een zaak gehoor,—

Margaretha

(ter zijde). Nu, vrouwen krijgsgevangen, ’t is niets nieuws!

Suffolk.

Mejonkvrouw, waarom spreekt gij zoo?

Margaretha.

Verschoon mij, heer, het is slechts quid pro quo.

Suffolk.

Prinses, acht ge uw gevangenschap niet heilrijk,

Wanneer zij u tot koningin verheft?

Margaretha.

’t Is lager, koningin te zijn in banden,

Dan slaaf te zijn in lage dienstbaarheid,

Want vorsten moeten vrij zijn.

Suffolk.

Want vorsten moeten vrij zijn. O, dat zult gij,

Als Englands machtig koning vrijheid heeft.

Margaretha.

Nu, wat gaat mij des konings vrijheid aan?

Suffolk.

’k Neem aan, u Hendriks koningin te maken,

Een gouden scepter u ter hand te stellen,

Een rijke kroon te drukken op het hoofd,

Wanneer gij gunstrijk mij—

Margaretha.

Wanneer gij gunstrijk mij— Wat?

Suffolk.

Wanneer gij gunstrijk mij— Wat? Hèm beminnen wilt.

Margaretha.

Ik ben niet waardig, Hendriks vrouw te zijn.

Suffolk.

Neen, eed’le jonkvrouw, ik, ik ben niet waardig

Naar zulk een schoone vrouw voor hem te dingen,—

En zelf geen deel te hebben in de keus.—

Wat zegt gij, jonkvrouw, stemt gij er mee in?

Margaretha.

Wanneer mijn vader ’t wil, dan stem ik toe.

Suffolk.

Treedt nader dan, mijn krijgers en mijn vanen!—

Prinses, wij willen voor uws vaders burg

Hem dringend vragen om een mondgesprek.

(Troepen komen nader.)

(Trompetsignaal om een mondgesprek. Op den muur verschijnt Reignier.)

Suffolk.

Zie hier, Reignier, uw dochter als gevang’ne.

Reignier.

Van wien?

Suffolk.

Van wien? Van mij?

Reignier.

Van wien? Van mij? Suffolk, wat baat te vinden?

Ik ben soldaat, geen man, die weenen zal,

Of op de wuftheid van ’t geluk zal razen. 134

Suffolk.

Voorwaar, heer, baat is er genoeg te vinden;

Sta toe, en sta het voor uw eere toe,

Dat uwe dochter met mijn koning huwt.

Hààr heb ik reeds, hoe zwaar ’t mij viel, gewonnen,

En deze hechtnis, licht en zacht genoeg,

Heeft koninginne-vrijheid haar verworven.

Reignier.

Meent Suffolk wat hij zegt?

Suffolk.

Meent Suffolk wat hij zegt? De jonkvrouw weet,

Dat Suffolk niet kan vleien, huichlen, veinzen.

Reignier.

Zoo kom ik tot u, op uw vorstlijk woord,

Om antwoord op uw aanzoek u te geven.

(Reignier af, van den muur.)

Suffolk.

En ik wacht hier uw komst af.

(Trompetgeschal. Reignier komt op, beneden.)

Reignier.

Wees welkom, dapp’re graaf, in ons gebied;

Wensch, eisch hier in Anjou, wat u behaagt.

Suffolk.

Heb dank, Reignier; gij zijt een dochter rijk,

Door lieflijkheid volwaard een troon te deelen.

Wat antwoord geeft uw hoogheid op mijn aanzoek?

Reignier.

Daar gij het goed acht, naar haar kleine waarde

Als hooge bruid voor zulk een vorst te dingen,[643]

Zoo geef ik, met beding, dat ik mijn landen,

Anjou en Maine in vrede mag bezitten,

Van onderdrukking vrij en krijgsgeweld,

Aan Hendrik mijne dochter, als hij ’t wenscht.

Suffolk.

Dit is haar losgeld; zie, ik geef haar vrij,

En beide deze landen, ’k neem het op mij,

Zal uwe hoogheid ongestoord bezitten.

Reignier.

En ik van mijn kant geef aan u voor Hendrik,

Als plaatsvervanger van dien hoogen vorst,

Haar hand in de uwe, als teeken van verloving.

Suffolk.

Reignier van Frankrijk, ’k zeg u koningsdank,

Naardien dit hand’len voor een koning is.

(Ter zijde.) En toch zou ik, zoo dunkt mij, met voldoening

In deze zaak mijn eigen midd’laar zijn.—

(Luid.) Ik spoed mij thans naar England met dit nieuws

En draag er voor de huwlijksviering zorg.

Reignier, vaarwel! Vat dezen diamant,

Zooals ’t behoort, in gouden prachtpaleizen.

Reignier.

Wees eerst omarmd, zooals ik, waar’ hij hier,

Uw vromen koning Hendrik zou omarmen.

Margaretha.

Vaarwel, heer graaf. Lof, wenschen en gebeên

Zal Margaretha steeds aan Suffolk wijden. 174

(Zij wil heengaan.)

Suffolk.

Vaar, lieve jonkvrouw, wel! Doch, Margaretha,

Geen vorstlijk schoone groeten voor mijn koning?

Margaretha.

Al zulke groeten, als zij aan een maagd,

Een jonkvrouw, en zijn dienares, betamen.

Suffolk.

Voorwaar, bekoorlijk, zedig schoon gezegd!

Maar toch, mejonkvrouw, val ik nogmaals lastig,—

Geen liefdepand voor zijne majesteit?

Margaretha.

Ja zeker, heer, een rein en vlekloos hart,

Door liefde nooit beroerd, zend ik den koning.

Suffolk.

En dit daarbij.

(Hij kust haar.)

Margaretha.

Houd gij dit zelf; ’k ben niet zoo stout, een koning

Een liefdepand, zoo nietig, toe te zenden.

(Reignier en Margaretha af.)

Suffolk.

O waart gij voor mijzelf!—Doch, Suffolk, zwijg!

Begeef u niet in zulk een labyrinth;

Daar loert een Minotaurus, ’t hoogverraad!

Win Hendrik door het roemen van dit wonder,

Stel u haar weergalooze deugden voor,

Die gaven der natuur, die kunst verduistren;

Schets u op zee dit beeld aldoor opnieuw,

Opdat gij, als ge aan Hendriks voeten knielt,

Hem zijn bezinning door verbazing rooft.

(Suffolk af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Het legerkamp van den hertog van York in Anjou.

York, Warwick en Anderen komen op.

York.

Brengt nu de tooverheks, die branden moet.

(De Pucelle komt op, door een Wacht begeleid, verder een Herder.)

Herder.

O Jeanne, dit, dit breekt uws vaders hart!

Heb ik de landen wijd en zijd doorzocht,

En, nu ik eindlijk slaag, dat ik u vind,

Kom ik voor uwen vroegen bitt’ren dood?

O Jeanne, lieve dochter, ’k sterf met u.

Pucelle.

Oneed’le lomperd, afgeleefde schelm!

Ik ben uit vrij wat eed’ler bloed ontsproten,

Mijn vader zijt gij noch mijn bloedverwant.

Herder.

Foei, foei!—Gij eed’le heeren, ’t is zoo niet;

Zij is mijn kind, dit weet het gansche kerspel,

Haar moeder leeft nog, die ’t getuigen kan,

En zij was de eerstling van mijn jonkmanschap.

Warwick.

Verworp’ne! zweert ge uw eigen ouders af?

York.

Dit toont ons, welk een leven zij geleid heeft: 15

Godd’loos en slecht; en zoo besluit zij ’t nu.

Herder.

O Jeanne, foei, zoo obsternaat te zijn!

God weet, vleesch zijt gij van mijn vleesch en bloed,

En meen’gen traan heb ik om u geschreid:

Verloochen mij toch niet, mijn lieve Jeanne!

Pucelle.

Kom, boer, ga weg!—Gij hebt dien man betaald,

Dat hij mijn nobele afkomst zou verduistren.

Herder.

’t Is waar, een nobel gaf ik aan den priester,

Den morgen, dat ik trouwde met haar moeder.—

Kniel neer, dat ik u zeeg’ne, goede Jeanne!—

Gij wilt dit niet? Gevloekt zij dan het uur

Van uw geboorte! O waar’ de melk, dit wenschte ik,

Die ge aan de borsten uwer moeder zoogt,

In rattengif verkeerd om uwentwille!

Of anders, hadd’, bij ’t hoeden van mijn lamm’ren,

Een uitgevaste wolf u opgevreten!

Zweert gij uw vader af, vervloekte slet?

Verbrandt, verbrandt haar; hangen is te zacht.

(De Herder af.)

York.

Ja, voert haar weg; te lang heeft zij geleefd,

Te lang reeds de aard vervuld van booze kunsten.

Pucelle.

Verneemt dan eerst van mij, wie gij veroordeelt:

Geenszins de dochter van een armen scheper,[644]

Maar wel de spruit eens eed’len koningsstams,

Deugdrijk en heilig, van omhoog verkoren:

En aangeblazen door des hemels gunst,

Om wondren, nooit gezien, op aard te werken.

Met booze geesten had ik nooit te doen;

Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt,

Bespat door ’t reine bloed van schuldeloozen,

Met duizenden van ondeugden besmet,—

Dewijl gij Gods genade, die aan andren

Ten deel viel, mist, zoo acht gij ’t voor onmoog’lijk,

Wondren te werken zonder ’s duivels hulp!

Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d’Arc was steeds,

En van haar prille jeugd, een reine maagd,

Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten;

Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed

Om wrake schreien aan des hemels poorten.

York.

Goed, goed.—Nu weg met haar ter strafvoltrekking!

Warwick.

En, mannen, hoort; wijl zij een meisje is,

Zoo spaart geen mutsaard, neemt daarvan genoeg;

Zet tonnen pek rondom den folterpaal,

Opdat gij zoo de martling haar verkort.

Pucelle.

Kan niets u ’t onmeedoogend hart vermurwen?— 59

Dan, Jeanne, kome uw zwakheid nu aan ’t licht,

Die naar de wet een voorrecht u verleent.—

Bloedgier’ge menschenmoorders, ik ben zwanger;

Verstikt dus niet de vrucht in mijnen schoot,

Al geeft gij mij den feilen dood ook prijs.

York.

Verhoede ’t God! een heil’ge maagd en zwanger!

Warwick.

Het grootste wonder, ooit door u gedaan!

Loopt hierop al uw strenge kuischheid uit?

York.

Zij heeft met den Dauphijn haar spel gespeeld;

Ik dacht wel, zoo iets zou haar toevlucht zijn.

Pucelle.

Uw gissing dwaalt; mijn kind was niet van hem;

’t Was Alençon, wien ik mijn gunsten schonk.

York.

Wat! Alençon! die booze Macchiavelli!

Het sterft, al waar het duizend levens rijk.

Pucelle.

O, wacht nog; ik bedroog u, ’t was niet Karel,

En ook de hertog, dien ik noemde, niet;

Reignier was ’t, Napels’ koning, die mij won.

Warwick.

Een man met vrouw en kind! ’t Is allerschand’lijkst!

York.

Foei, welk een deerne! ’t schijnt, ze weet niet recht,

Wien zij verklagen zal, zoo velen waren ’t.

Warwick.

Dit blijkt wel, met haar gunsten was zij mild.

York.

En toch, wel ja, zij is een reine maagd!—

Gij spraakt uw vonnis, slet, van u en ’t wicht’

Beproef geen smeeken; alles is vergeefsch.

Pucelle.

Zoo leidt mij weg;—u laat ik mijnen vloek.

Dat nimmermeer de lichte zon haar glans

Doe stralen op het land, door u bewoond;

Dat nacht en schaduwen des doods u steeds

Omgeven, tot u onheil en vertwijfling

Den nek breek’ of u tot verhanging drijv’!

(De Pucelle met de Wacht af.)

York.

Val uit elkaar, en word tot asch verteerd,

Vervloekte, vuige dienares der hel!

(De Bisschop van Winchester, thans Kardinaal Beaufort, komt op met Gevolg.)

Kardinaal.

Uw hoogheid, lord regent, ontvang’ mijn groet

Met dezen volmachtsbrief van onzen koning.

Want weet, de staten van de christenheid,

Om dezen woesten strijd vol mededoogen,

Verlangen dringend, dat er tusschen ons

En ’t roembejagend Frankrijk vrede koom’;

En reeds komt de dauphijn hier met gevolg

Om over enkle punten te onderhandlen.

York.

Moet dit de vrucht nu zijn van al onze arbeid? 102

Wij zouden na ’t verlies van zooveel pairs,

Aanvoerders, edellieden en soldaten,

Die vielen in deze’ oorlog, en hun lijf

Voor Englands welzijn fier ten beste gaven,

Ten laatste nu een laffen vrede sluiten?

Verloren wij door trouwbreuk, door verraad

En valschheid niet alreeds schier alle steden,

Door onze groote vaad’ren eens gewonnen?—

O Warwick, Warwick, ik voorzie met smart

’t Geheel verliezen van het Fransche rijk!

Warwick.

York, houd u kalm! Indien wij vrede sluiten,

Zal ons verdrag zoo streng en bindend zijn,

Dat luttel slechts de Franschman er bij wint.

(Karel komt op met Gevolg, verder Alençon, de Bastaard, Reignier en Anderen.)

Karel.

Daar ’t, Englands eed’len, afgesproken is,

In Frankrijk vrede en eendracht uit te roepen,

Zoo komen wij thans van uzelven hooren,

Aan wat bedingen gij den vrede knoopt,

York.

Spreek, Winchester, want heete gal verstopt

Den hollen gang van mijn gevangen stem,

Nu ’k daar den onheilvollen vijand zie.

Kardinaal.

Karel, en gij andren, dit is vastgesteld:

Vermits slechts uit zachtmoedigheid en deernis

U koning Hendrik ingewilligd heeft,

Uw land te ontheffen van den druk des krijgs,

Des vruchtb’ren vredes lucht u te doen aad’men,[645]

Moet gij vazallen worden van zijn kroon,

En, Karel, op beding, dat gij bezweert

Hem schatting op te brengen, en hem huldigt,

Zult gij, als vicekoning onder hem,

Voortaan u in uw koningsrang verheugen.

Alençon.

Wat! zou hij dus zijn eigen schaduw zijn?

Zou hij zijn slapen met een kroontje sieren,

En toch, naar de’ aard van zijn gezag en invloed,

Alleen het recht eens onderdaans behouden?

Dit aanbod is onzinnig, ongerijmd.

Karel.

Gij weet, ik heb van ’t Gallische gebied

Meer dan de helft alreeds in mijn bezit,

En word er als rechtmatig vorst geëerd;

En zou ik, om ’t nog niet veroverd deel,

Thans van mijn koningsrechten zooveel afstaan,

Slechts vicekoning heeten van ’t geheel?

Neen, heer gezant, neen, ik behoud veeleer

Dat wat ik heb, dan dat ik, meer begeerend,

De moog’lijkheid mij van ’t geheel ontneem.

York.

Gij, trotsche Karel, hebt gij in ’t geheim

Bemidd’ling tot een vrede sluw verworven;

En nu het komen zal tot een verdrag,

Treedt gij terug en weegt en meet en rekent?

Kies, neem den titel, dien gij rechtloos voert,

Nu als geschenk van onzen koning aan,

Geen aanspraak er op makend als een recht,

Of reken op een eindeloozen krijg. 154

Reignier.

Mijn vorst, gij doet niet wel, zoo gij halsstarrig

Bezwaar maakt tegen ’t sluiten van ’t verdrag;

Verzuimen wij dit nu, tien tegen een,

Wij krijgen die gelegenheid nooit weer.

Alençon

(zacht tot Karel). ’t Is inderdaad uw beste politiek,

Uw volk voor zulk een bloedbad te behoeden

En ’t grimmig nederhouwen, dat men daag’lijks

Bij ’t onophoudelijk oorlogvoeren ziet;

Neem daarom deze wapenschorsing aan,

Al breekt gij haar, zoodra dit u behaagt.

Warwick.

Hoe is het, Karel, treedt ge in ons beding?

Karel.

Het zij;

Met voorbehoud, dat gij niet eischt, met ons

In een’ge stad van ons ùw volk te leggen.

York.

Zoo doet den leeneed aan zijn majesteit:

Zoo waar gij ridder zijt, nooit ongehoorzaam

Te zijn aan Englands kroon, noch op te staan,

Gij noch uw eed’len, tegen Englands kroon.—

(Karel en zijn Edelen maken het gebaar van den huldigingseed.)

En nu, ontbind uw leger, als gij ’t wilt,

Hang op uw vanen, laat uw trommen zwijgen,

Want heilig is de nu gesloten vreê.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

(Koning Hendrik komt op, in gesprek met Suffolk. Gloster en Exeter volgen.)

Koning Hendrik.

’k Sta bij uw wonderbare en een’ge schildring

Der schoone Margaretha, graaf, verstomd;

Haar deugden, met bekoorlijkheid getooid,

Verwekken mij der liefde drang in ’t hart

En evenals de macht van woeste vlagen

Een reuzenkiel zelfs voortdrijft tegen stroom,

Zoo drijft ook de adem van haar roem mij voort,

Zoodat ik schipbreuk lijden moet, of landen

Waar ik mij in haar min verheugen mag.

Suffolk.

Ach, beste vorst, mijn vluchtig, kort bericht

Is ’t voorbericht slechts van een lof, haar waard;

Al de volkomenheid der lieve jonkvrouw,—

Hadde ik de macht der taal om ’t uit te spreken—

Een boek waar ’t, vol verleidelijke regels,

In staat, den stompsten geest nog te verrukken.

En, meer nog, ja, hoe godd’lijk zij ook zijn moog’,

Hoe rijk aan de’ eêlsten schat van lieflijkheên,

Toch is zij met gelijken zieledeemoed

Geheel bereid om u ten dienst te zijn,

Ik meen, ten dienst, om met de reinste kuischheid

U als gemaal te minnen, te vereeren. 21

Koning Hendrik.

Op andre wijs zou Hendrik niets verlangen.

Stem daarom, lord protector, toe, en zeg:

„Zij Margaretha Englands koningin!”

Gloster.

Door toe te stemmen zoude ik zonde vleien.

Gij weet, mijn vorst, uw hoogheid is alreeds

Verloofd met eene jonkvrouw, hoog in aanzien,

Hoe kunnen we ons aan het verdrag onttrekken,

En niet onze eer ontwijden door een blaam?

Suffolk.

Als vorsten doen met onrechtmatige eeden;

Of zoo als een, die toezeide op een steekspel

Zijn kracht te staven, maar het krijt verlaat,

Omdat zijn tegenstander hem te min is.

Eens armen graven dochter is te min;

Haar op te geven is daarom geen oneer.

Gloster.

En wat is Margaretha meer dan zij?

Haar vader is niet beter dan een graaf,

Al moog’ hij stoffen op zijn hooge titels.

Suffolk.

Ja, beste heer, haar vader is een koning,

Is vorst van Napels en Jeruzalem,

En bovendien in Frankrijk zoo geacht,

Dat zijne vriendschap ons den vreê verzekert,

De trouw der Franschen aan ons kluistren zal.

Gloster.

Dit doet de graaf van Armagnac niet minder,

Want hij is nauw verwant aan den dauphijn.

[646]

Exeter.

Diens rijkdom waarborgt ook een goede bruidsgift,

Terwijl Reignier eer nemen zal dan geven.

Suffolk.

Een bruidsgift, lords! Onteert niet zoo uw’ koning,

Dat hij zoo laag en arm en kaal zou zijn,

Zijn keus zou doen om ’t geld en niet om liefde.

Ziet, Hendrik kan zijn koningin verrijken;

Hij zoek’ geen vrouw om rijk door haar te worden.

O, lage boeren dingen zoo om vrouwen,

Als marktlui om een rund, een schaap, een paard.

Het huwlijk is een zaak, veel te gewichtig,

Om die door zaakwaarnemers af te doen;

En niet, wie gij, neen, wie de koning wenscht,

Zij de genoote van zijn huwlijksbed.

En dus, wijl hij, mylords, ’t meest haar bemint,

Zoo bindt ons dit van alle reed’nen ’t meest,

Om haar in onze meening uit te lezen.

Wat is gedwongen echt, wat, dan een hel,

Een gansche leeftijd vol van twist en strijd?

Terwijl het tegendeel steeds zegen brengt

En van des hemels vrede ’t voorbeeld is. 65

Wie huwen wij met Hendrik, met een koning,

Dan Margaretha, dochter van een koning?

Niet slechts geboorte, ook schoonheid zonder weerga,

Maakt haar geschikt voor niemand dan een koning;

Haar wakk’re geest en onbezweken moed,—

Veel grooter dan men meest bij vrouwen vindt,—

Is ons een borg voor kroost, een koning waardig;

Want Hendrik, die de zoon is eens veroov’raars,

Verwekt, mag men vermoeden, meer veroov’raars,

Wanneer hij met een vrouw, zoo vastberaden

Als Margaretha zich verbindt in liefde.

Zoo geeft dus toe, mylords, stemt met mij in:

Slechts Margaretha zij hier koningin.

Koning Hendrik.

Is ’t door de toovermacht van uw bericht,

Mijn eed’le lord van Suffolk, of veeleer

Wijl nooit mijn teed’re jeugd nog werd beroerd

Door een’gen hartstocht van onstuim’ge liefde,—

Ik weet het niet; maar zeker weet ik dit:

Ik voel in mijne borst zoo scherpe tweedracht,

Zulk heftig krijgsrumoer van hoop en vrees,

Dat ik door ’t woelen van mijn denken krank ben.

Neem dus een schip, mylord, en ijl naar Frankrijk;

Sluit elk verdrag en zorg slechts, dit te erlangen:

Dat jonkvrouw Margaretha dra de zee

Naar England oversteke en zich laat kronen

Als Hendriks trouwe gade en koningin.

Voor wat gij uitgeeft en ’t bedrag der zending

Kunt gij een tiende heffen van ons volk.

Ga, zeg ik, want totdat gij wederkeert, 94

Blijf ik omstrikt van angst en duizend zorgen.—

En gij, goede oom, verban, wat u mocht hindren;

Indien ge uw oordeel velt naar wat gij waart,

Niet naar uw zijn, zoo weet ik, dan ontschuldigt

Gij ’t plotsling, snel voltrekken van mijn wil.

En nu, geleid mij, waar ik ver van menschen

Moog’ peinzen, mijm’ren over angst en leed.

(Koning Hendrik af.)

Gloster.

Ja, leed, van de’ aanvang, vrees ik, tot het einde.

(Gloster en Exeter af.)

Suffolk.

Gewonnen heeft dus Suffolk, en zoo gaat hij

Gelijk de jonge Paris eens naar Sparta;

Hij hoopt in liefde ’tzelfde heil te vinden,

Maar met een beter slot dan die Trojaan.—

Beheersche Margaretha nu den koning;

Ik echter haar, den koning en het rijk!

(Suffolk af.)