WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 34: EERSTE BEDRIJF.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

KONING HENDRIK DE ZESDE.

TWEEDE DEEL.

  • PERSONEN:

  • Koning Hendrik de Zesde.
  • Humfried, Hertog van Gloster, zijn oom.
  • Kardinaal Beaufort, Bisschop van Winchester, oudoom des Konings.
  • Richard Plantagenet, Hertog van York.
  • Edward en Richard, zijn zonen.
  • De Hertogen van Somerset, van Suffolk, van Buckingham, Lord Clifford en de jonge Clifford, zijn zoon, aanhangers des Konings.
  • De Graven van Salisbury en van Warwick, aanhangers van York.
  • Lord Scales, Commandant van den Tower.
  • Lord Say, Sir Humfried Stafford en zijn broeder William.
  • Sir John Stanley.—Vaux.
  • Walter Whitmore, een Zeekapitein, de Stuurman en de Onderstuurman, Zeeroovers.
  • Twee Edellieden, Suffolk’s medegevangenen.
  • John Hume en John Southwell, Priesters.
  • Bolingbroke, een Geestenbezweerder.
  • Een Geest, door Bolingbroke bezworen.
  • Thomas Horner, een Wapensmid, en Peter, zijn Knecht.
  • Emanuël, de klerk van Chatham.
  • De Schout van Sint Albaan.
  • Simpcox, een Bedrieger.
  • Twee Moordenaars.
  • Jack Cade.
  • George Bevis, John Holland, Dick de Slager, Smith de Wever en Michaël, aanhangers van Cade.
  • Alexander Iden, een Edelman uit Kent.
  • Margaretha, Koning Hendriks Gemalin.
  • Eleonore, Hertogin van Gloster.
  • Gretha Jordaan, een Heks.
  • De Vrouw van Simpcox.
  • Edellieden, Edelvrouwen en Gevolg. Een Heraut, Smeekelingen. Aldermannen. Een Sheriff en zijn Beambten. Burgers. Gezellen. Valkeniers. Wachten. Soldaten. Boden, enz.

Het Tooneel is afwisselend in verschillende streken van Engeland.

[Inhoud]

EERSTE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een staatsiezaal in het paleis.

Trompetgeschal, daarna hobo’s. Van de eene zijde komen op: Koning Hendrik, de Hertog van Gloster, Salisbury, Warwick en Kardinaal Beaufort; van de andere: Koningin Margaretha, binnengeleid door Suffolk, gevolgd door York, Somerset, Buckingham en Anderen.

Suffolk.

Gelijk mij van uw hooge majesteit

De opdracht gewerd bij mijn vertrek naar Frankrijk,

Om daar als plaatsbekleeder van uw hoogheid

Te huwen met prinsesse Margaretha,

Zoo, in de aloude rijksstad Tours, in ’t bijzijn

Der koningen van Frankrijk en Sicilië,

Der hertogen van Orleans, Calabrië,

Bretagne en Alençon, van twintig achtb’re

Bisschoppen, zeven graven, twaalf baronnen,

Volbracht ik uwen last en werd gehuwd;

En leg nu onderdanig, op mijn knie,

Ten overstaan van England en zijn pairs,

Mijn recht op de eed’le koningin in handen

Van uw genade, die het wezen zijt

Der groote schaduw, die ik heb gespeeld:

De rijkste gift, die ooit een markgraaf gaf,

De schoonste bruid, die ooit een vorst ontving.

Koning Hendrik.

Suffolk, rijs op!—Wees welkom, koninginne!

Ik weet geen teerder teeken van mijn liefde,

Dan dezen teed’ren kus.—Heer, die mij schiept,[655]

Schep mij een hart, vervuld van dankbaarheid;

Want gij verleendet, in dit schoon gelaat,

Mijn ziel een wereld aardsche zegeningen,

Zoo liefdes eendracht haar en mij vereent!

Koningin Margaretha.

Genadig koning, mijn verheven gade!

Die innige omgang, die reeds mijn gemoed,

Bij dag en nacht, al wakend en in droomen,

In ’t hofgewoel of bij mijn bedesnoer,

Met u, mijn allerliefsten vorst, gehad heeft,

Geeft mij den moed, mijn koning te begroeten

Met minder schoone taal, zooals mìjn geest

Mij leert en ’s harten overvreugd mij ingeeft.

Koning Hendrik.

Haar aanblik reeds verrukte, doch haar spreken,

Haar lieve taal in wijsheids achtb’ren dos

Voert van bewondring mij tot vreugd, die weent;

Zóó is de volheid van mijn juichend hart.—

Lords, groet met éénen blijden roep mijn liefde!

Allen

(knielend). Lang leve Margaretha, Englands vreugd!

(Trompetgeschal).

Koningin Margaretha.

U allen onzen dank!

Suffolk.

Mylord protector, zoo het u behaagt,

Ziehier de artik’len van het vreêverdrag,

Dat onze vorst en Frankrijks koning Karel!

Voor achttien maanden hebben aangegaan. 42

Gloster

(leest). „Ten eerste zijn overeengekomen de koning van Frankrijk, Karel en William de la Pole, markgraaf van Suffolk, afgezant van Hendrik, koning van Engeland, dat de bovengenoemde Hendrik huwen zal met de princesse Margaretha, dochter van Reignier, koning van Napels, Sicilië en Jeruzalem, en haar tot koningin van Engeland zal kronen vóór den dertigsten Mei aanstaande.—Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning haren vader,”—

(Hij laat het papier vallen).

Koning Hendrik.

Wat is er, oom?

Gloster.

Wat is er, oom? Vergeef mij, hooge vorst,

Een plotslinge ongesteldheid grijpt mij aan;

Mijn oog is dof; ik kan niet verder lezen.

Koning Hendrik.

Oom Winchester, leest gij dan, bid ik, voort.

Kardinaal

(leest). „Ten anderen, dat het hertogdom Anjou en het graafschap Maine ontruimd zullen worden en overgegeven aan den koning haren vader, en zij naar Engeland overgevoerd op eigen kosten van den koning van Engeland en zonder eenigen bruidsschat aan te brengen.”

Koning Hendrik.

’t Behaagt ons wel.—Lord markgraaf, buig de knie:

Wij maken u tot eersten hertog Suffolk,

En gorden u het zwaard aan.—Neef van York,

We ontheffen uw genade van ’t regentschap

Van Frankrijk, tot de tijd van achttien maanden

Verstreken is.—Dank, oom van Winchester,

York, Gloster, Buckingham en Somerset,

En u ook, graaf van Salisbury, graaf Warwick,

Wij danken u voor uwen heuschen groet

Bij de aankomst van mijn waarde koningin.

Komt, maken wij ons op en zorgen spoedig,

Dat nu haar kroning waardig zij gevierd.

(De Koning, de Koningin en Suffolk af.)

Gloster.

O Englands wakk’re pairs, des rijks pilaren,

Laat hertog Humfried u zijn leed hier klagen,—

Uw leed, het algemeene leed des lands!

Wat! heeft mijn broeder Hendrik zijne jeugd,

Zijn moed en geld en volk aan krijg gewijd;

Had hij zoo vaak het open veld ter woon

In winterkoude en dorre zomerhitte,

Om Frankrijk, om zijn erfland te veroov’ren;

En heeft mijns broeders Bedford brein gesloofd

Om Hendriks winst door staatkunst vast te houden;

Ontvingt gij, Somerset, gij, Buckingham,

Zeeghafte Warwick, Salisbury en York,

In Normandië en Frankrijk diepe wonden;

En heeft mijn oom Beaufort, en heb ikzelf,

Met heel den wijzen raad van ’t koninkrijk,

Zoo lang gepeinsd, in ’t raadsvertrek gezeten,

Bij dag en nacht, nu dit, dan dat weer opp’rend,

Om Frankrijk in ontzag en tucht te houden;

En werd zijn hoogheid, trots des vijands woelen,

In prille jeugd reeds in Parijs gekroond;

En moet die arbeid en die roem vergaan? 95

Moet Hendriks krijgswinst, Bedford’s waakzaamheid,

Uw oorlogsdaân, al ons beleid nu sterven?

O, pairs van England, smaadvol is die zoen,

Die echt verderflijk; uwen roem herroept hij!

Wischt uwen naam uit de kronieken, schrapt

De letters weg van uwen lof, verminkt

Elk monument van Frankrijks onderwerping,

Delgt alles uit, als ware ’t nooit geweest!

Kardinaal.

Wat, neef, wat wil dit luid, hartstochtelijk spreken,

Die rede met zoo breede omslachtigheid?

Frankrijk blijft òns nog, en wij houden ’t vast.

Gloster.

Ja, oom, wij houden ’t vast, indien wij kunnen,

Maar ’t houden is onmoog’lijk. Suffolk heeft,—

Die nieuwe hertog, die het braadspit draait,—

De leenen Maine en Anjou weggeschonken

Aan de’ armen vorst Reignier, wiens weidsche titel

Volstrekt niet met zijn maag’ren buidel strookt.

Salisbury.

Nu, bij den dood van die voor allen stierf,

Die landen zijn de poort van Normandië.—

Waarom weent Warwick daar, mijn dapp’re zoon?

Warwick.

Van smart, dat zij onredbaar zijn verloren;[656]

Want ware er hoop, op nieuw haar te veroov’ren,

Mijn zwaard vergoot warm bloed, mijn oog geen traan.

Anjou en Maine! ikzelf, ik won die beide;

Met dezen mijnen arm nam ik die in;

En steden, die ik voor ons won met wonden,

Die geeft men nu terug met vredeswoorden?

Mort Dieu!

York.

Die Suffolk! ’s Hemels sulfervuur dien hertog,

Die de eere van dit heldeneiland schendt!

Frankrijk mocht eer mijn hart in flarden rijten,

Dan ik in dezen zoen getreden waar’!

Nooit las ik anders, dan dat Englands vorsten

Veel schats en gouds erlangden met hun vrouwen;

En Koning Hendrik geeft van ’t zijne weg,

En voor een gade, die geen voordeel aanbrengt!

Gloster.

Een fraaie, nooit gehoorde grap, dat Suffolk

Zoo groot bedrag, een vijftiende, durft vragen

Voor ’t halen en de kosten van den tocht!

Zij mocht in Frankrijk blijven en verhongren,

Aleer—

Kardinaal.

Nu, hertog Gloster, wordt gij al te heftig.

Het was de wil van onzen heer en vorst.

Gloster.

Mylord van Winchester, ik ken u wel;

Niet mijn gezegden zijn ’t, die u mishagen,

’t Is mijn aanwezigheid, die u verdriet. 141

Wrok baant zich lucht: hoogmoedige prelaat,

’k Lees in uw blik uw woede. Indien ik toef,

Zoo vangt ons oud schermutslen weder aan.

Vaartwel, mylords, en als ik niet meer ben,

Zoo zegt, dat ik ’t verlies van Frankrijk spelde.

(Gloster af.)

Kardinaal.

Daar gaat, van woede blakend, de protector.

’t Is u bekend, dat hij mijn vijand is,

Maar, meer dan dit, hij is u aller vijand,

En, vrees ik, ook geen groote vriend des konings.

Bedenkt, mylords, dat hij door zijn geboorte

Het naaste recht bezit op Englands kroon;

Bracht Hendriks echt een keizerrijk hem aan,

En van heel ’t westen ’t rijke koningschap,

Voor Gloster bleef er reden om te morren.

Lords, zorgt er voor, dat niet zijn gladde taal

Uw hart beheks’, weest wijs en op uw hoede!

Al is ’t, dat hem ’t gemeene volk begunstigt,

En hem den goeden hertog Humfried noemt,

En in de handen klapt en luid hem naschreeuwt:

„Jezus! bescherm zijn koninklijke hoogheid!”

En: „Hoede God den goeden hertog Humfried!”

Toch vrees ik, lords, met al zijn fraaien schijn

Blijkt hij nog een gevaarlijke protector.

Buckingham.

Waartoe behoeft de koning een protector,

Nu hij den leeftijd heeft om zelf te heerschen?—

Mijn neef van Somerset, vereent u met mij,

En allen samen, met den hertog Suffolk;

Wij lichten dra dien Humfried uit den zaâl.

Kardinaal.

Die wichtige onderneming duldt geen dralen;

Ik wil terstond naar hertog Suffolk gaan.

(De Kardinaal af.)

Somerset.

Mijn neef van Buckingham, hoe grievend ons

De trots en hooge rang van Humfried kwets’,

Laat ons dien stouten kardinaal bewaken.

Zijn overmoed is minder nog te dragen,

Dan die van al de prinsen van het rijk;

Als Gloster valt, zal hij protector worden.

Buckingham.

Neen, Somerset, dit wordt of gij of ik,

Trots hertog Humfried en den kardinaal.

(Buckingham en Somerset af.)

Salisbury.

De hoogmoed ging vooruit en de eerzucht volgt.

Terwijl zìj werken voor hun eigen grootheid,

Betaamt het òns voor Englands heil te waken.

Nooit zag ik, dat zich hertog Humfried anders

Dan als een waardig edelman gedroeg. 184

Maar vaak zag ik den stouten kardinaal,

Meer op soldatenwijs dan als een priester,

Zoo driest en trotsch, als waar’ hij aller heer,

Ruw vloeken, zich gedragen op een wijs,

Een heerscher over land en volk onwaardig.—

Warwick, mijn zoon, gij troost mijns ouderdoms,

Uw krijgsroem, eenvoud, heel uw wijs van leven,

Verwierf u groote gunst bij al het volk,

’t Naast volgend op den goeden hertog Humfried,

En uwe daden, broeder York, in Ierland,

Waar gij het volk tot orde hebt gebracht,

Uw laatste tochten in het hart van Frankrijk,

Toen gij regent voor onzen koning waart,

Verwierven u des volks ontzag en liefde.—

Slaan wij de handen saam tot Englands welzijn,

En breid’len en verstikken wij den trots

Van Suffolk en den kardinaal, en de eerzucht,

Die Somerset en Buckingham bezielt;

En laat ons Gloster steunen in zijn doen,

Zoolang hij ’t welzijn van zijn land bedoelt.

Warwick.

God helpe Warwick zoo, gelijk hij waarlijk

Zijn land en ’t welzijn van zijn volk bemint.

York

(ter zijde). Dit zegt ook York; hij heeft den meesten grond.

Salisbury

(tot Warwick). Kom, kiezen we elk ons werk, het uwe en ’t mijne!

Warwick.

Het mijne? Maine, vader, is verloren;

Dat Maine, ’t mijne door mijn zwaard, en dat

Ik tot mijn laatsten snik verdedigd hadde![657]

Dat Maine, Frankrijk achte ’t nu het zijne,

Maar, val ik niet, dan is het dra weer ’t mijne.

(Salisbury en Warwick af.)

York.

Anjou en Maine zijn ontruimd, aan Frankrijk;

Parijs ging over; Normandiës behoud

Hangt aan een haar, nu die verloren zijn.

Suffolk heeft de eischen toegestaan, de pairs

Bewilligden, en Hendrik gaf volgaarne

Twee hertogdommen voor een hertogskind.

Kan ik hen laken? Wat is dit voor hen?

Zij geven ’t uwe weg, het hunne niet.

Zeeroovers kunnen spotgoedkoop iets geven,

Zich vrienden winnen, deernen licht iets schenken,

Als heeren feestlijk leven, tot ze er dóór zijn;

Terwijl de hulplooze eig’naar van de goed’ren

Er luid om weent, en bang de handen wringt,

’t Hoofd droevig schudt, van verre staat en rilt,

Al ’t zijne ziet verdeelen en verkwisten,

Maar ’t zelf niet aan mag raken en versmacht;

Zoo zit nu York, knerst, bijt zich in de tong,

Terwijl zijn eigen land verschacherd wordt.

Mij dunkt, de rijken England, Frankrijk, Ierland,

Zijn juist hetzelfde voor mijn vleesch en bloed,

Als eens Althæa’s onheilzwanger brandhout

Voor ’t harte van den prins van Calydon.

Anjou en Maine aan Frankrijk afgestaan! 236

Boos nieuws voor mij, die hoop op Frankrijk voedde,

Zoo goed als nog op Englands vruchtb’ren grond.

Eens komt de dag, dat York het zijne vordert;

Daarom sluit ik mij bij de Nevils aan,

En geef den trotschen Humfried goede woorden,

En eisch dan, als de tijd mij dient, de kroon;

Want die is ’t gouden wit, waar ik op doel.

Geen Lancaster zal mij mijn recht onthouden,

Of in de kindervuist den scepter klemmen,

Of met den diadeem zijn hoofd versieren,

Dat om zijn feem’len voor de kroon niet deugt.

Dus York, zit stille, tot de tijd u wenkt;

Wees, terwijl andren slapen, wakker, waakzaam,

En sla des staats geheimen immer gâ,

Tot Hendrik, van zijn liefdevreugde zwijmlend

Met Englands duurgekochte koningin,

En Humfried met de pairs in strijd geraken;

Dan hef ik mijn melkwitte roos omhoog,

Dat zij met zoeten geur de lucht vervulle,

En laat York’s wapen stralen op mijn standaard

Ter worstling met het huis van Lancaster;

En ’k ruk de kroon den boekenzot van ’t hoofd,

Die England van zijn luister heeft beroofd!

(York af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een vertrek in het huis van den hertog van Gloster.

Gloster en de Hertogin komen op.

Hertogin.

Wat drukt u, zooals ’t overrijpe koren

Het hoofd buigt onder Ceres’ rijken last?

Wat fronst des grooten hertogs Humfrieds voorhoofd,

Als kwelde hem der wereld lieflijkheid?

Wat hecht uw blik zich op den donk’ren grond

En staart op wat uw oog schijnt te verdrieten?

Wat ziet gij? koning Hendriks diadeem,

Omzet met alle heerlijkheid der wereld?

Zoo ja, staar door en kruip op uw gelaat,

Totdat de koningswrong uw hoofd omgeeft.

Strek uit uw hand en grijp het schitt’rend goud!—

Reikt zij te kort, de mijne maak’ haar langer;

En hebben wij te zaam hem opgeraapt,

Dan heffen wij te zaam het hoofd ten hemel,

En laten de oogen nooit zoo diep meer dalen,

Dat zij den grond een enklen blik zelfs gunnen.

Gloster.

O Nora, lieve Nora, mint ge uw gade,

Zoo ban de worm der eerzucht uit uw geest!

Moog’ die gedachte, die mijn neef en koning,

Den vromen Hendrik eenig kwaad ooit wenscht,

Mijn stervenssnik in deze wereld zijn!—

Mijn zware droom van deze nacht ontstemt mij.

Hertogin.

Wat droomde mijn gemaal? zeg ’t mij; ik loon het

Door ’t zoet verhaal van mijnen morgendroom.

Gloster.

Mijn ambtsstaf hier werd, scheen ’t mij, middendoor 25

Gebroken; ’k weet niet zeker meer, door wien,

Doch ’t was, geloof ik, door den kardinaal;

En op de stukken werden toen de hoofden

Geplaatst van Edmond, hertog Somerset,

En William de la Pole, nu hertog Suffolk,

Dit was mijn droom; God weet, wat hij beduidt.

Hertogin.

Wel, dit is anders niets dan een bewijs,

Dat, wie een rijsje breekt in Gloster’s lusthof,

Voor zulk een driestheid ’t hoofd verliezen zal.

Maar luister nu, mijn Humfried, beste hertog;

’k Zat in den dom van Westminster,—zoo droomde ik,—

En in den trotschen zetel, die ter kroning

Van koningen en koninginnen dient;

En Hendrik knielde, en Margaretha, vóór mij,

En plaatsten op mijn hoofd den diadeem.

Gloster.

Neen, Leonora, ’k moet nu duchtig kijven;

Hoovaardig wezen! booze Eleonora!

Zijt gij thans niet de tweede vrouw in ’t rijk,

En des protectors welbeminde gade?

Smaakt gij niet alle wereldsche genoegens,

Ver boven al, wat gij ooit denken kondt?

En moet gij immer hoogverraad gaan smeden,

Om uwen man, uzelf ook, van den top

Der eer te stooten aan den voet der schande?

Ga weg van mij en ’k hoor’ zoo iets nooit meer!

Hertogin.

Wat, mijn gemaal? zoo driftig op Lenore,

En dat, omdat zij u haar droom vertelt?

’k Houd in ’t vervolg mijn droomen voor mijzelf,

En zal gekijf vermijden.

[658]

Gloster.

Neen, wees niet toornig; ’t is weer alles goed.

(Een Bode komt op.)

Bode.

Mylord protector, zijne hoogheid wenscht,

Dat gij een rit naar Sint-Albaans gaat doen,

Waar ’t vorstlijk paar den valk wil laten vliegen.

Gloster.

Ik kom.—Lenore, wilt gij medegaan?

Hertogin.

Gewis, mijn beste heer; ik volg terstond.

(Gloster en de Bode af.)

Ik moet wel volgen; voorgaan kan ik niet;

Zoolang mijn man zoo laf en need’rig denkt.

Ware ik een man, een hertog, ’t naast in bloed,

Ik stiet die struikelblokken uit mijn weg,

En streefde op hun onthoofde nekken voorwaarts;

En schoon ik vrouw ben, wil ik toch mijn rol

Op vrouw Fortuins tooneel niet bloode spelen.—

Waar blijft gij toch, Sir John? Kom man, niet bang;

Wij zijn alleen, geen mensch dan gij en ik.

(John Hume komt op.)

Hume.

Behoede Jezus uwe majesteit!

Hertogin.

Wat? Majesteit! ik ben slechts een Genade.

Hume.

Maar Gods genade en Hume’s raad verhoogen

Voorzeker uw genade in macht en eer. 73

Hertogin.

Wat meldt gij, man? hebt gij de zaak besproken

Met Griet Jordaan, de sluwe tooverheks,

En Roger Bolingbroke, den duivelbanner?

Zijn zij bereid om mij van dienst te zijn?

Hume.

Zij hebben dit beloofd: voor uwe hoogheid

Uit de onderaardsche diepte een geest te roepen,

Die op de vragen, die uw hoogheid hem

Gelieven zal te stellen, antwoord geeft.

Hertogin.

Genoeg; ik zal de vragen nu bedenken.

Zoodra wij hier van Sint-Albaans terug zijn,

Zij alles naar behooren uitgevoerd.

Daar, Hume, neem dìt, en doe u eens te goed

Met uwe helpers in dit groote werk.

(De Hertogin af.)

Hume.

Te goed doen met het goud der hertogin?

Nu goed, ik wil ’t wel. Maar wat nu, John Hume?

Steeds mondjedicht; geen ander woord, dan.… mum!

De gansche zaak vereischt het diepste zwijgen.

Vrouw Eleonora geeft mij goud er voor,

Dat ik de heks nog heden bij haar breng;

Al waar’ ze een duivel, goud komt nooit ten onpas.

Maar toch, mij vliegt nog goud van elders toe,—

Geheim is ’t,—van den rijken kardinaal,

En den nieuwbakken, grooten hertog Suffolk;

Zoo is het, want,—ronduit gezegd,—die twee,

Die vrouwe Eleonora’s eerzucht kennen,

Zij huurden mij, dat ik haar ondermijn’,

En haar die hekserij in ’t brein doe gonzen.

Geen sluwe schelm, zoo zegt men, neemt een helper;

Toch ben ik Suffolk’s en des priesters helper.

Hume, houd u in, want gij gaat schier zoo ver,

Dat gij die twee een paar aartsschelmen noemt.

Zoo staat het; en zoo lokt, vrees ik, in ’t eind

Hume’s schelmerij de hertogin in ’t net,

En hare schuld doet hertog Humfried vallen.

Het ga hoe ’t ga, ik beur toch goud van allen.

(Hume af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een vertrek in het paleis.

Peter komt op en Anderen, met smeekgeschriften.

Eerste Smeekeling.

Mannen, hier post gevat; de lord beschermheer komt hier zoo dadelijk langs; en dan bieden wij hem onze smeekschriften allen gezamenlijk aan.

Tweede Smeekeling.

Nu, dat God hem bescherme, want hij is een goed man; de Heere Jezus zegene hem!

(Suffolk en Koningin Margaretha komen op.)

Eerste Smeekeling.

Ik geloof, daar is hij, en de koningin is bij hem. Ik wil de eerste zijn, ja!

Tweede Smeekeling.

Terug, gij dwaas; dat is de hertog van Suffolk, en niet de lord protector.

Suffolk.

Wat is er, knaap? verlangt gij iets van mij?

Eerste Smeekeling.

Ik bid u, mylord, vergeef mij; ik hield u voor den lord protector.

Koningin Margaretha.

Voor den lord Protector! Zijn uw smeekschriften aan zijn lordschap gericht? Laat ze mij zien.—Waarover loopt het uwe? 17

Eerste Smeekeling.

Het mijne, met verlof van uwe genade, is tegen John Goodman, den lord kardinaal zijn dienaar, omdat hij mij mijn huis en landerijen en vrouw en alles onthoudt.

Suffolk.

Uw vrouw ook? dat gaat ook wezenlijk wat ver!—Wat hebt gij? (Hij leest.)—Wat zie ik?—„Tegen den hertog van Suffolk, wegens het voor zich afpalen van de gemeenteweiden van Melford.”—Wat moet dat, gij schurk?

Tweede Smeekeling.

Ach, heer, ik ben slechts een arme suppliant voor onze geheele buurtschap.

Peter

(zijn smeekschrift overreikend). Tegen mijn meester, Thomas Horner, om het zeggen, dat de hertog van York de wettige erfgenaam van de kroon is.

[659]

Koningin Margaretha.

Wat zegt gij? zeide de hertog van York, dat hij de wettige erfgenaam der kroon was?

Peter.

Dat mijn meester het was? Neen, waarlijk niet; mijn meester zeide, dat hij het was; en dat de koning een onrechtmatig bezitter was.

Suffolk.

Is daar iemand?

(Een Dienaar komt op.)

Neem dien knaap mee naar binnen, en zend dadelijk een gerechtsbode om zijn meester.—Wij willen meer van uw zaak hooren, en in ’t bijzijn van den koning.

(De Dienaar met Peter af.)

Koningin Margaretha.

Wat u betreft, gij, die protectie wacht

Van des protectors vleug’len, schrijft uw smeekschrift

Van voren af aan opnieuw en smeekt tot hem.

(Zij verscheurt de smeekschriften.)

Weg, gij schavuiten!—Suffolk, jaag hen weg.

De Smeekelingen.

Komt, laat ons heengaan!

(De Smeekelingen af.)

Koningin Margaretha.

Mylord van Suffolk, spreek, is dit de mode,

Is dit de wijs van doen aan Englands hof?

Is dit hier in Brittanje ’t koningschap,

Is dit de macht van Albions beheerschers?

Wat! blijft hier koning Hendrik steeds onmondig,

Steeds onder toezicht van den wreev’len Gloster?

Moet ik in rang en titel koningin,

Maar onderdane van een hertog zijn? 52

Ik zeg u, Pole, toen ge in ’t aloude Tours

Ter eere van mijn liefde een rit bestondt,

En onzer Fransche vrouwen harten staalt,

Toen dacht ik, koning Hendrik zou op u,

In moed, in hoff’lijkheid, in bouw gelijken,

Maar al zijn lust is heiligheid; hij telt

Ave Maria’s met zijn rozenkrans,

Apostels en profeten zijn zijn ridders,

En heil’ge bijbelspreuken zijn zijn wapens,

Zijn boekerij zijn kampplaats, zijn geliefden

De bronzen beeldjes van gestorv’ne heil’gen.

Ik wenschte, dat de raad van kardinalen

Tot paus hem koos en hem naar Rome haalde,

Zijn hoofd met de driedubble kroon omgaf;

Die waar’ de rechte tooi voor zulk een heil’ge.

Suffolk.

Vorstin, geduld; zooals ik oorzaak was,

Dat gij naar England kwaamt, zoo wil ik ook

In England u geheel tevredenstellen.

Koningin Margaretha.

Behalve Gloster is hier nog die priester,

Die heerschen wil, Beaufort, dan Somerset,

En Buckingham, en de altijd wreev’le York;

En wie de minste van die allen is,

Vermag in England meer dan zelfs de koning.

Suffolk.

En wie van dezen nog het meest vermag,

Vermag in England minder dan de Nevils;

Warwick en Salisbury zijn meer dan pairs.

Koningin Margaretha.

Mij erg’ren al die lords niet half zoo veel,

Als des protectors vrouw, die trotsche prij;

Zij zwiert door ’t hof met een gevolg van vrouwen,

Als waar’ ze een keizerin, niet Humfried’s vrouw.

Een vreemde aan ’t hof houdt haar voor koningin;

Zij draagt eens hertogs inkomsten aan ’t lijf

En op onze armoe schimpt zij in haar hart.

Zou ik het niet beleven mij te wreken?

Die trotsche, laaggeboren helleveeg!

Wat pochte ze onlangs nog bij haar vertrouwden?

De sleep der minste van haar rokken was

Meer waard dan al mijns vaders land, eer Suffolk

Twee hertogdommen voor zijn dochter gaf.

Suffolk.

Vorstin, ik heb een roê voor haar gelijmd,

En daar een koor lokvogels bij geplaatst,

Zoodat ze, om ’t lied te hooren, zal gaan zitten

En nooit meer op zal vliegen, u tot leed:

Laat haar begaan, vorstin, en hoor naar mij;

Ik ben zoo stout, dat ik van raad u dien. 96

Mishage ons ook de kardinaal, wij moeten

Bij hem ons scharen en bij de andere lords,

Totdat wij hertog Humfried vallen deden.

Wat hertog York betreft, die laatste klacht

Zal hem gewis slechts luttel voordeel brengen.

Zoo wieden wij hen allen, een voor een,

En gij grijpt dan ’t gelukkig stuurrad aan.

(Koning Hendrik komt op, met York en Somerset in gesprek; verder de Hertog en de Hertogin van Gloster, Kardinaal Beaufort, Buckingham, Salisbury en Warwick.)

Koning Hendrik.

’t Is me onverschillig, wie het wordt, mylords;

’t Zij Somerset, ’t zij York, het is mij ’tzelfde.

York.

Heeft York de zaak in Frankrijk slecht beheerd,

Dan zij hem nu ’t regentschap daar ontzegd.

Somerset.

Zoo Somerset dit ambt niet waardig is,

Dan worde York regent, ik sta ’t hem af.

Warwick.

Of uw genade ’t waardig is of niet,

Zij niet beslist; maar York is ’t beter waardig.

Kardinaal.

Eergier’ge Warwick, laat uw meerd’ren spreken.

Warwick.

De kardinaal is niet in ’t veld mijn meerd’re.

Buckingham.

Wij hier zijn allen uwe meerd’ren, Warwick.

Warwick.

Wellicht wordt Warwick meerdere eens van allen.

[660]

Salisbury.

Stil, zoon;—en geef ons gronden, Buckingham,

Waarom in deze Somerset zou voorgaan.

Koningin Margaretha.

Voorwaar, omdat de koning ’t zoo verkiest.

Gloster.

De koning zelf, vorstin, is oud genoeg,

Dat hij ’t verklaar’. Dit zijn geen vrouwenzaken.

Koningin Margaretha.

Indien hij oud genoeg is, waartoe blijft

Gij dan protector van zijn majesteit?

Gloster.

Vorstin, ik ben protector van het rijk,

En leg mijn ambt, als hij dit vordert, neer.

Suffolk.

Zoo leg het neer, en ook uw driestheid af.

Zoolang ge koning waart,—want wie is ’t anders?—

Leed dag op dag ’t gemeene welzijn schipbreuk;

Aan de overzij won de dauphijn steeds veld;

En alle pairs en eed’len van het rijk

Zijn slaven onder uw bewind geweest.

Kardinaal.

Het volk hebt gij verdrukt, de geestlijkheid

Hebt gij den buidel licht, ja leêg geperst. 132

Somerset.

Op schatten komen uwe prachtgebouwen

En de opschik van uw vrouw het rijk te staan.

Buckingham.

De wet werd overtreden door de wreedheid,

Waarmee gij euveldaders hebt bestraft;

Dit levert wis u aan haar strengheid over.

Koningin Margaretha.

Ware uw verkoop van ambten en van steden

In Frankrijk zoo bewezen als vermoed,

Dan zoudt gij ras heenhupp’len zonder hoofd.

(Gloster gaat plotseling heen.—De Koningin laat haar waaier vallen.)

Mijn waaier, vlug! wat, slaapster, wil gij niet?

(Zij geeft aan de Hertogin een oorveeg.)

Waart gij het, eed’le vrouw? ik vraag vergiff’nis!

Hertogin.

Was ik het? ja, ik was het, trotsche Fransche;

Kon ik mijn nagels in uw wangen zetten,

Ik grifte er u mijn tien geboden in.

Koning Hendrik.

Kalm, beste moei; zij deed het niet met opzet.

Hertogin.

Geen opzet! Beste vorst, pas op en tijdig,

Of zij omwindt en wiegt u als een zuigling;

Maar schoon de huisheer hier de broek niet draag’,

Niet ongestraft zal zij Lenore slaan.

(De Hertogin af.)

Buckingham.

Lord kardinaal, ik ijl Lenore na,

En sla ook Humfried gade, wat hij doet;

Ze is nu geprikkeld en behoeft geen spoor

Om dol van woede in haar verderf te rennen.

(Buckingham af.)

(Gloster komt weder op.)

Gloster.

Nadat ik, lords, mijn gal heb afgekoeld,

Door hier het binnenhof eens rond te gaan,

Kom ik de staatsbelangen weer bespreken.

Wat gij mij fel en valsch hebt aangetegen,

Bewijst dit, en ik wacht de rechtspraak af;

Maar zij zoo waar mijn ziele God genadig,

Als ik getrouw mijn land en koning min.

Doch nu de zaak, die ons hier bezighoudt.—

Ik zeg, mijn vorst, York is het meest geschikt

Om uw regent te zijn in ’t Fransch gebied.

Suffolk.

Aleer we een keuze doen, zij mij vergund,

Dat ik met gronden van gewicht hier aantoon,

Hoe York het minst van allen er voor deugt.

York.

Ik weet, waarom ik ongeschikt ben, Suffolk;

Vooreerst, wijl ik uw trots niet vleien kan;

En dan, omdat, zoo ’t ambt mij toevertrouwd werd,

Mylord van Somerset mij hier zou houden,

Van manschap, geld en krijgsvoorraad ontbloot,

Tot Frankrijk den dauphijn in handen valt;

Zoo liet hij mij ook wachten, toen Parijs

Berend werd, uitgehongerd en verloren.

Warwick.

Ik kan ’t getuigen, en een snooder daad

Heeft geen verrader ooit alhier begaan. 177

Suffolk.

Zwijg, driftkop Warwick!

Warwick.

Toonbeeld van hoogmoed, waarom zou ik zwijgen?

(Suffolk’s dienaars komen met Horner en Peter.)

Suffolk.

Wijl hier een man is, van verraad beschuldigd;

God geev’, dat hertog York zich goed ontschuldig’!

York.

Beschuldigt iemand York hier van verraad?

Koning Hendrik.

Wat meent gij, Suffolk? Wat zijn dit voor lieden?

Suffolk.

Met uwer majesteits verlof, die man

Legt aan zijn meester hoogverraad te last.

Hij heeft gezegd: dat Richard, hertog York,

Naar recht de kroon van England dragen moest,

En dat uw heerschappij onwettig is.

Koning Hendrik.

Spreek, hebt gij dit gezegd, man?

Horner.

Met verlof van uwe majesteit, ik heb nooit zoo iets gezegd of zelfs gedacht. God is mijn getuige, ’t is een valsche aanklacht van dien schurk.

Peter

(de vingers omhoogstekend). Bij deze tien knoken, edele heeren, hij heeft het mij gezegd op een avond, dat wij op zijn vliering waren, onder het poetsen van mylord van York zijn wapenrusting.

York.

Gij dagdief, lage mestknecht, met uw hoofd

Zult gij mij die verraderpraatjes boeten!—[661]

Ik smeek uw koninklijke majesteit,

Laat hem de strengheid van de wet gevoelen.

Horner.

Ach, mylord, verwijs mij naar de galg, als ik die woorden ooit gesproken heb. Mijn beschuldiger is mijn gezel; en toen ik hem voor een paar dagen tuchtigde voor zijn vergrijp, zwoer hij op zijn knieën, dat hij het mij betaald zou zetten. Ik kan goede getuigen hiervoor bijbrengen, en daarom smeek ik uw majesteit: stort een eerlijk man niet in het verderf op de aanklacht van een booswicht.

Koning Hendrik.

Oom, wat moet naar het recht onze uitspraak zijn?

Gloster.

Deze uitspraak, zoo ik rechten mag, mijn vorst:

Laat Somerset regent in Frankrijk zijn,

Wijl hieruit argwaan tegen York ontstaat;

En dezen zij een dag en plaats bepaald,

Dat zij zich meten in een tweegevecht,

Wijl hij de boosheid van zijn knecht kan staven.

Ziedaar de wet en hertog Humfried’s uitspraak.

Somerset.

Recht need’rig dank ik uwe majesteit.

Horner.

En ik aanvaard het tweegevecht volgaarne. 216

Peter.

Ach, edele heer, ik kan niet vechten; om Gods wil, heb medelijden met mij! de boosaardigheid van de menschen is mij te sterk! O Heer, wees mij genadig! Ik ben niet in staat om een enkelen slag te vechten. O, lieve God, mijn hart!

Gloster.

Neen, knaap, zoo is het: vechten zult ge of hangen.

Koning Hendrik.

Voert hen gevangen weg; de laatste dag

Der maand, die volgt, zij voor ’t gevecht bepaald.—

Kom, Somerset, wij reeg’len uw vertrek.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Aldaar. De tuin van den Hertog van Gloster.

Margriet Jordaan, Hume, Southwell en Bolingbroke komen op.

Hume.

Komt, mannen, de hertogin, zeg ik u, verwacht de vervulling van uw beloften.

Bolingbroke.

Wij zijn er op voorbereid, vriend Hume. Zal hare genade onze bezweringen zien en hooren?

Hume.

Ja zeker, wat anders? Wees om haar moed niet bezorgd.

Bolingbroke.

Ik heb van haar hooren zeggen, dat zij een vrouw is van een onwrikbaren geest. Maar het zal verkieslijk zijn, meester Hume, dat gij boven bij haar zijt, terwijl wij hier beneden werkzaam zijn. Ga gij daarom in Gods naam en laat ons alleen. (Hume af.)—Moeder Jordaan, leg gij u neer en kruip over den grond.—John Southwell, gij moet lezen.—En nu, aan den gang.

(De Hertogin verschijnt op het balkon.)

Hertogin.

Goed, mannen! weest allen welkom!

Komt! aan ’t werk, hoe eerder hoe beter.

Bolingbroke.

Kalm, eed’le vrouw! een toov’naar kent zijn tijd.

De nacht, de zwarte nacht, de holle nacht,

De tijd der nacht, dat Troje in vlam gezet werd,

Dat uilen schreeuwen, kettinghonden huilen,

En geesten waren, schimmen ’t graf ontstijgen,

Die tijd past voor ons voorgenomen werk.

Zit neder, en ontstel niet; wien wij roepen,

Dien houden we in een heil’gen cirkel vast.

(Hier volbrengen zij de vereischte plechtigheden en trekken den tooverkring; Bolingbroke, of Southwell, leest: Conjuro te, enz. Het dondert en bliksemt vreeselijk. Dan rijst de Geest op.)

Geest.

Adsum.

Margriet Jordaan.

Asmath!

Bij de’ eeuw’gen God, wiens groote naam en macht

U sidd’ren doen, geef antwoord op mijn vragen;

Want eer gij spreekt, laat ik u niet van hier.

Geest.

Vraag, wat gij wilt.—Waar’ ’t spreken reeds voorbij! 31

Bolingbroke

(de vragen oplezend). „Eerst van den koning. Welk een lot wacht hem?”

Geest.

Een hertog, een, die leeft, zet Hendrik af;

Hem overleeft hij, zal door het zwaard vergaan.

(Terwijl de Geest spreekt, schrijft Southwell het antwoord op.)

Bolingbroke.

„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?”

Geest.

Door water komt hij om en vindt zijn einde.

Bolingbroke.

„Wat zal den hertog Somerset weervaren?”

Geest.

Kasteelen moog’ hij mijden;

Veel veil’ger is hij op een zandig strand,

Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.

Ontsla mij, nauwlijks kan ik meer verduren.

Bolingbroke.

Zoo daal dan neer in nacht en ’t vuur’ge meer.

Weg, booze geest!

(Donder en bliksem. De Geest verdwijnt.)

(York en Buckingham, William Stafford en Anderen komen haastig op, met Wachten.)

York.

Grijpt die verraders met hun tooverkraam!—

Zoo, oude heks, nu hebben we u betrapt!—

Wat! gij hier, vrouwe? voor een moeite als deze

Zijn rijk en koning diep bij u in schuld;

De lord protector brengt u zonder twijfel

Zijn hoogen dank voor zulke goede diensten.

Hertogin.

Niet half zoo slecht, als de uwe aan Englands koning.

Smaadlustig man, die zonder reden dreigt!

[662]

Buckingham

(ziet de papieren in). Geen reden, vrouwe? nu, hoe noemt gij dit?

(Hij houdt haar een papier voor.)

York.

Weg met hen, en draagt zorg hen wèl gescheiden

Te kerk’ren.—Gij mevrouwe, gaat met ons;

Stafford, voer gij haar met u.—

(De Hertogin boven af.)

Nu komt uw konk’len al te gaâr aan ’t licht;

Weg met hen allen!

(De Wacht met Southwell, Bolingbroke enz. af.)

York.

Lord Buckingham, gij hebt hen goed bewaakt;

Een prachtig plan om verder op te bouwen!

Komt, laat ons kijken wat de duivel schrijft.

Wat staat hier?

(Hij leest.) „Een hertog, een die leeft, zet Hendrik af;

Hem overleeft hij, zal door ’t zwaard vergaan.”

Nu, ’t is volkomen:

Aio te, Æacida, Romanos vincere posse.

Goed; verder;

„Wat is het lot, dat hertog Suffolk wacht?—

Door water komt hij om en vindt zijn einde.—

Wat zal den hertog Somerset weervaren?

Kasteelen moog hij mijden;

Veel veil’ger is hij op een zandig strand,

Dan waar burgtinnen hemelwaarts zich heffen.”

Wat zegt gij, lords?

Zwaar zijn orakelspreuken te verkrijgen,

En zwaar ook te verstaan.

De koning is op weg naar Sint-Albaans,

De man van deze teed’re vrouw is bij hem;

Daarheen ga ’t nieuws, zoo snel een paard kan loopen,

Den lord protector wel een boos ontbijt!

Buckingham.

Dat ik de bode zij, mylord van York;

Ik hoop van hem op rijklijk bodeloon.

York.

Zooals gij wilt, mylord.—Hé, is daar iemand?

(Een Dienaar komt op.)

Ga, noodig aan mijn disch voor morgenavond

De lords van Salisbury en Warwick.—Komt!

(Allen af.)