WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 40: EERSTE TOONEEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

[Inhoud]

TWEEDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Sint-Albaans.

Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, de Kardinaal en Suffolk komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen.

Koningin Maria.

Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords,

Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar;

En toch, de wind was sterk; tien tegen een,

Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam.

Koning Hendrik

(tot Gloster). Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar boven,

En steeg ver boven al die andren op!

Hoe toont zich God in al zijn creaturen!

Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog!

Suffolk.

Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid,

Dat des protectors valken zoo goed stijgen;

Zij weten, dat hun heer liefst boven is,

En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken.

Gloster.

Mylord, het is een lage, logge geest,

Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen.

Kardinaal.

Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij.

Gloster.

En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon,

Als ge u verheffen kondt tot in den hemel?

Koning Hendrik.

De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat!

Kardinaal.

Uw hemel is op aard; uw oog en zin 19

Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat;

Gevaarlijke protector, booze pair,

Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt!

Gloster.

Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig?

Tantæne animis cælestibus iræ?

Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok:

Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet?

Suffolk.

Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is

Bij zulk een goede zaak en slechten pair.

Gloster.

Als wie, mylord?

Suffolk.

Als wie, mylord? Voorwaar als gij, mylord,

Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen.

Gloster.

Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel.

Koningin Margaretha.

Veel meer uw eerzucht, Gloster.

Koning Hendrik.

Lieve vrouw,

Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan;

Gezegend zij, die vrede op aarde stichten.

Kardinaal.

Gezegend zij dan ik, die met het zwaard

Den vrede aan den protector brengen wil.

Gloster

(ter zijde tot den Kardinaal). Nu, heilige oom, mocht het eens daartoe komen!

[663]

Kardinaal

(ter zijde tot Gloster). Goed, als gij durft!

Gloster

(ter zijde). Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht;

Houd met uw eigen lijf den laster vol!

Kardinaal

(ter zijde). Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft,

Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch.

Koning Hendrik.

Wat is er, lords?

Kardinaal.

Neef Gloster, neen, uw dienaar

Riep al te vroeg den valk terug; de jacht

Was lang niet uit.—(Ter zijde tot Gloster.) Kom met uw tweehands-zwaard.

Gloster.

Gij hebt gelijk, oom.

Kardinaal

(ter zijde). Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch.

Gloster

(ter zijde). ’k Ontmoet u, kardinaal.

Koning Hendrik.

Wat hebt ge, oom Gloster?

Gloster.

Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders.

(Ter zijde.) Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin;

Of anders is mijn vechtkunst niets. 52

Kardinaal

(ter zijde). Medice te ipsum

Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf!

Koning Hendrik.

De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder.

Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet!

Als zulke snaren valsche tonen geven,

Hoe is er dan ooit hoop op harmonie?

Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg.

(Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”)

Gloster.

Wat voor geschreeuw is dit?

Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept?

De Man.

Mirakel! Mirakel!

Suffolk.

Kom hier, vertel den koning uw mirakel.

De Man.

Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even

In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug,

Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft!

Koning Hendrik.

Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen

In ’t duister licht, troost in ellenden geeft!

(De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op; Simpcox wordt op een stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop volks.)

Kardinaal.

Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht,

En stelt den man aan uwe hoogheid voor.

Koning Hendrik.

Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde

Door ’t zien de lokking van de zonde meer.

Gloster.

Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning;

’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken.

Koning Hendrik.

Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg,

Opdat wij God om u verheerlijken.

Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende?

Simpcox.

Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren.

Vrouw Simpcox.

Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen.

Suffolk.

Wie is die vrouw?

Vrouw Simpcox.

Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw.

Gloster.

Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis.

Koning Hendrik.

En waar zijt gij van daan?

Simpcox.

Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade.

Koning Hendrik.

God heeft, arm man, u groote gunst gedaan;

Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn;

Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed.

Koningin Margaretha.

Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier,

Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? 88

Simpcox.

God weet het, louter vroomheid; honderdmaal

En meer nog riep de goede Sint Albaan

Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom,

En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!”

Vrouw Simpcox.

Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen,

Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep.

Kardinaal.

En zijt ge ook lam?

Simpcox.

En zijt ge ook lam? Ja, God almachtig help’ mij!

Suffolk.

Hoe werdt gij dat?

Simpcox.

Hoe werdt gij dat? ’k Ben uit een boom gevallen.

Vrouw Simpcox.

Een pruimeboom.

Gloster.

Een pruimeboom. En hoe lang zijt gij blind?

Simpcox.

O, blindgeboren.

Gloster.

O, blindgeboren. Zoo, en klomt ge op boomen?

Simpcox.

Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven.

Vrouw Simpcox.

Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan.

Gloster.

Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen!

Simpcox.

Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen,

En daarom klauterde ik op lijfsgevaar.

Gloster.

Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.—

Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;—

Naar mijne meening ziet gij nog niet goed.

[664]

Simpcox.

Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan!

Gloster.

Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel?

Simpcox.

Rood, heer, zoo rood als bloed.

Gloster.

Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed?

Simpcox.

Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git.

Koning Hendrik.

Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus?

Suffolk.

Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien.

Koning Hendrik VI, Tweede Gedeelte, Tweede Bedrijf, Eerste Tooneel.

Gloster.

Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik.

Vrouw Simpcox.

Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet.

Gloster.

En kerel, zeg, hoe is mijn naam?

Simpcox.

Ach, heer, ik weet het niet.

Gloster.

En zijn naam?

Simpcox.

’k Weet niet.

Gloster.

En ook de zijne niet?

Simpcox.

Neen, waarlijk niet.

Gloster.

Hoe is uw eigen naam? 124

Simpcox.

Sander Simpcox, als het u belieft, heer.

Gloster.

Nu, Sander, zit hier dan als de ergste leug’naar

In christenlanden. Werdt gij blind geboren,

Dan kunt gij best al onze namen weten,

Zoo goed als ge onze kleuren noemen kunt.

Een nieuw gezicht kan kleuren onderscheiden,

Maar eensklaps ze alle noemen, kan het niet.—

Mylords, gij zaagt van Sint Albaan, een wonder;

Maar vondt gij ook de kunst van hem niet groot,

Die aan den kreup’le hier zijn beenen weêrgaf?

Simpcox.

O, als de heer dit kon!

Gloster.

Gij mannen van Sint-Albaans, hebt gij niet stokkeknechts in uwe stad, en dingen, die men zweepen noemt?

Mayor.

O ja, mylord, om uwe genade te dienen.

Gloster.

Zend er dan dadelijk om een.

Mayor.

Gij, knaap, loop, en haal den stokkeknecht hier.

(Een Dienaar gaat heen.)

Gloster.

Breng mij terstond een zitbank. (Er wordt een zitbank gebracht.) Nu, knaap, als gij de zweep wilt ontgaan, spring dan over deze zitbank en loop weg.

Simpcox.

Ach, heer, ik kan niet op mijn beenen staan;

Al pijnigt gij mij ook, het is om niet.

(De Dienaar komt terug met een Stokkeknecht, die een zweep bij zich heeft.)

Gloster.

Nu, man, moeten wij u helpen om op de been te komen.—Stokkeknecht, ransel tot hij over die zitbank springt.

Stokkeknecht.

Terstond, heer.—Gij knaap, vlug uw wambuis uit.

Simpcox.

Ach man! wat moet ik doen? Ik kan niet op mijn beenen staan.

(Nadat de Stokkeknecht hem ééns geraakt heeft, springt Simpcox over de zitbank en loopt weg; het Volk hem achterna, onder het geroep: „Mirakel!”)

Koning Hendrik.

God! ziet gij dit, en blijft gij nog lankmoedig?

Koningin Margaretha.

’k Moest lachen, toen ik daar dien schelm zag loopen.

Gloster.

Vervolgt den knaap en neemt dat vrouwmensch meê.

Vrouw Simpcox.

Ach heer! wij hebben ’t slechts uit nood gedaan.

Gloster.

Drijft met de zweep hen voort door ieder marktvlek;

En dit tot Berwick toe, van waar zij zijn.

(De Mayor, de Stokkeknecht, Simpcox’ Vrouw en de Anderen af.)

Kardinaal.

Een wonder heeft heer Humfried daar verricht.

Suffolk.

Juist; springen, vliegen viel een lamme licht. 162

Gloster.

Gij, heer, deedt grooter wond’ren dan ik heden,

Want vliegen deedt ge op één dag gansche steden.

(Buckingham komt op.)

Koning Hendrik.

Wat tijding brengt mijn neef van Buckingham?

Buckingham.

Een, die mijn ziele huivert u te ontvouwen.

Een troep nietswaard gespuis, zeer slecht gezind,

Heeft, met de hulp en medeplichtigheid

Van des protectors gade Eleonore,

De aanvoerster en het hoofd van heel dit rot,

Met schandlijk overleg uw troon bedreigd,

Met heksen en bezweerders in verbond;

Wij hebben hen op heeter daad betrapt,

Toen ze uit de diepte helsche geesten daagden,

Hun vroegen naar het leven en den dood

Des konings en der leden van zijn raad,

Zooals uw hoogheid nader hooren zal.

Kardinaal.

En dus, mylord protector, moet uw gade

Weldra te Londen voor ’t gerecht verschijnen.

(Ter zijde tot Gloster.) Dit nieuws, vermoed ik, keert uw wapen af,

En aan uw uur zult gij u wel niet houden.

Gloster.

Gij trotsche paap, laat af mijn hart te krenken.

Gebroken is mijn kracht door zorg en leed,

En overweldigd wijk ik thans voor u,

Ja, voor den laagsten knecht.

[665]

Koning Hendrik.

O God, wat onheil stichten toch de boozen;

Hoe hoopen ze op hun eigen hoofd verderf!

Koningin Margaretha.

Gloster, gij ziet de smetten van uw nest;

Zorg, dat gijzelf nu rein zijt, dit is ’t best.

Gloster.

Ik, vrouwe? God getuig’, hoe ik altijd

Mijn liefde aan land en koning heb gewijd;

Doch met mijn vrouw,—ik weet niet, hoe het staat,

En ben bedroefd te hooren, wat ik hoorde.

O, edel is zij, maar indien zij deugd

En eer vergat, en omging met gespuis,

Dat, zooals pik, een edel huis besmet,

Verban ik haar van mij, mijn disch en bed;

Die vrouw laat ik als buit aan straf en schande,

Die Gloster’s naam onteerd heeft in den lande.

Koning Hendrik.

Nu, deze nacht nog willen wij hier rusten,

En morgen keeren wij naar Londen weer,

Doorgronden daar de zaak met alle zorg,

En dagen de euveldaders ten verhoor,

En wegen alles in de juiste schalen

Van ’t recht, welks woord en wijzing nimmer falen.

(Trompetgeschal. Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Londen. De tuin van den Hertog van York.

York, Salisbury en Warwick komen op.

York.

Mijn waarde lords van Salisbury en Warwick,

Vergun, dat ik, na ons eenvoudig maal,

Op deze stille wand’ling mij geruststel,

En u verzoek, dat uw onfeilbaar oordeel

Mijn recht en aanspraak toetse op Englands troon.

Salisbury.

Ik zal, mylord, die gaarne hooren staven.

Warwick.

Spreek, beste York, en is uw aanspraak goed,

Dan zijn de Nevils wis uw onderdanen.

York.

Zoo hoort:—

Edward de derde, lords, had zeven zoons:

Eerst Edward, prins van Wales, de zwarte prins;

Ten tweede William Hatfield; Lionel,

Hertog van Clarence, was de derde; dan

Kwam Jan van Gent, hertog van Lancaster;

Dan verder Edmond Langley, hertog York;

Thomas van Woodstok, hertog Gloster, volgde;

William van Windsor was de laatste en zevende.

Edward, de zwarte prins, stierf vóór zijn vader,

En had één zoon slechts, Richard, die na ’t sterven

Des derden Edwards zat op Englands troon,

Tot Hendrik Bolingbroke, van Lancaster,

De zoon en erfgenaam van Jan van Gent,

Hendrik de vierde bij zijn koningsnaam,

Van ’t rijk, welks rechten koning hij verdrong,

Zich meester maakte, de arme koningin

Naar Frankrijk huiswaarts zond, den vorst naar Pomfret,

Alwaar, zooals u beiden is bekend.

De goede Richard schandlijk werd vermoord.

Warwick.

’t Is vader, juist gelijk de hertog zegt;

Zoo steeg het huis van Lancaster ten troon.

York.

Dien ’t nu door macht bezit, maar niet naar recht;

Toen Richard stierf, de zoon des eerstgeboor’nen,

Was ’t rijk aan ’t kroost des naasten zoons vervallen.

Salisbury.

Doch William Hatfield liet geen kind’ren na.

York.

De derde zoon was Clarence, uit wiens lijn

Mijn aanspraak stamt; hij liet een dochter na,

Philippa, die met Edmond Mortimer,

Den graaf van March, gehuwd was; Edmond nu

Had Roger Mortimer, graaf March, tot zoon,

Wiens kroost was: Edmond, Anna en Lenore.

Salisbury.

Deze Edmond eischte tijdens Bolingbroke 39

De kroon voor zich,—dit heb ik wel gelezen,—

En waar’ geslaagd, indien niet Owen Glendower

Hem levenslang in hechtnis had gehouden;

Doch ga nu voort.

York.

Doch ga nu voort. Zijn oudste zuster, Anna,

Mijn moeder, die zijn rechten erfde, huwde

Met Richard, graaf van Cambridge, die de zoon was

Van Edmond Langley, Edwards vijfden zoon.

Door haar komt mij de kroon toe; zij beërfde

Roger, den graaf van March, en die was zoon

Van Edmond Mortimer en van Philippa,

Die de een’ge dochter was van Lionel,

Hertog van Clarence. Zoo dus de oudste lijn

Den jong’ren tak moet voorgaan, ben ik koning.

Warwick.

’t Is duid’lijk; wat kan meer beslissend zijn?

Hendrik bezit de kroon van Jan van Gent,

Den vierden zoon; York’s recht stamt van den derden.

Niet vóór diens kroost ontbrak, mocht Hendrik heerschen;

Maar ’t bloeit nog steeds in u en in uw zoons,

De schoone spruiten van den eed’len boom.

Dies, vader Salisbury, hier saam geknield!

Laat ons op stille plek hier de eersten zijn,

Die onzen echten souverein begroeten,

Zijn erfrecht op de kroon nu hulde doen.

Beiden.

Lang leve koning Richard, onze heer!

York.

Wij danken, lords; doch koning ben ik niet,

Eer ik gekroond ben en mijn zwaard geverfd is[666]

Door ’t hartebloed van ’t huis van Lancaster;

En dit is geenszins plotsling te volvoeren,

Maar eischt beleid en stille heimlijkheid.

Doet zooals ik in dezen boozen tijd,

Drukt de oogen toe bij Suffolk’s onbeschaamdheid,

Beaufort’s trots, Somerset’s eerzuchtig streven,

En dat van Buckingham en heel hun bent,

Tot zij den herder van de kudde omstrikken,

Den eed’len vorst, den goeden hertog Humfried.

Dit zoeken zij; maar vinden bij dit zoeken

Hun eigen dood, zoo York iets spellen kan.

Salisbury.

Genoeg, mylord; wij kennen thans uw streven.

Warwick.

Mijn hart is mij een waarborg, dat graaf Warwick

York’s hertog eens tot koning maken zal.

York.

En, Nevil, hiervoor blijf ikzelf u borg,

Door Richard wordt eenmaal de graaf van Warwick

De grootste man in England na den koning.

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een Gerechtszaal.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, York, Suffolk en Salisbury en Gevolg komen op; de Hertogin van Gloster, Margriet Jordaan, Southwell, Hume en Bolingbroke worden door de wacht binnengeleid.

Koning Hendrik.

Treed voor, Lenora Cobham, Gloster’s vrouw.

Voor God en ons is uwe misdaad groot;

Hoor de uitspraak van de wet voor zulke zonden,

Die naar Gods woord doodschuldig zijn gekeurd.—

Gij and’re vier, terug naar uwen kerker;

En uit den kerker naar de plaats der straf:

Te Smithfield zij de heks tot asch verbrand;

U drieën wacht de wurging aan de galg.—

Gij, hertogin, als aad’lijk van geboorte

Zult gij, ontbloot van al uw wereldsche eer,

Drie dagen openbare boete doen,

Dan in uw eigen land verbannen leven,

Bij Sir John Stanley op het eiland Man.

Hertogin.

Welkom, verbanning! Welkom waar’ mij dood.

Gloster.

Gij ziet, Lenore, u heeft de wet gevonnisd,

Vrijspreken kan ik niet, waar zij veroordeelt.

(De Hertogin en de overige Gevangenen worden weggevoerd.)

Vol tranen is mijn oog; vol leed mijn hart.

Ach, deze schande van uw ouderdom

Doet, Humfried, van verdriet ten grave u dalen.—

Ik smeek uw hoogheid, heen te mogen gaan;

Mijn leed wil troost, mijn ouderdom wil rust.

Koning Hendrik.

Wacht, hertog Humfried; geef mij, eer gij gaat,

Uw staf; want Hendrik wil voortaan zijn eigen

Protector zijn; en God zij nu mijn hoop,

Mijn steun, mijn gids, een lamp voor mijnen voet!

En ga in vrede, mij niet minder dierbaar,

Dan vroeger als protector van uw vorst.

Koningin Margaretha.

Ik zie niet in, waarom een mondig koning

Beschermd behoeft te worden als een kind.—

Dat Hendrik zelf met God het roer nu houd’!—

Hergeef dus ’t rijk, den staf, u toevertrouwd.

Gloster.

Den staf?—Hier is mijn staf, doorluchte Hendrik;

’k Hergeef u even gaarne dezen staf,

Als eens uw vader Hendrik dien mij gaf;

’k Leg evenzeer hem neder zonder rouw,

Als and’rer hand hem gretig vatten zou.

Vaarwel, mijn vorst, en moog’, na mijn verscheiden,

Steeds eer en vrede u aan den troon verbeiden.

(Gloster af.)

Koningin Margaretha.

Nu zijt gij koning, ik nu koningin, 39

En Humfried Gloster nauwlijks meer zichzelf,

Maar zwaar verminkt;—twee slagen op eenmaal:

Zijn vrouw verbannen, hem een lid gekapt,

En de’ eerestaf ontroofd;—nu blijv’ dat pand

Van ’t hooggezag, waar ’t past,—in Hendriks hand.

Suffolk.

Zoo breekt die fiere den, en buigt het hoofd;

Zoo wordt Lenore’s jonge trots gedoofd.

York.

Genoeg van hem, mylords.—’t Behage uw hoogheid,

Dit is de dag, voor ’t tweegevecht bepaald;

En klager en beklaagde staan gereed,

De wapensmid en zijn gezel, bij ’t strijdperk,

Zoo uwe hoogheid dezen kamp wil zien.

Koningin Margaretha.

Wis, beste lords; opzett’lijk kwam ik herwaarts

Van ’t hof, om deze zaak te zien beslechten.

Koning Hendrik.

In Gods naam, regelt dan de plaats en alles;

De strijd beslisse, en God bescherme ’t recht!

York.

Nog nooit zag ik een knaap, zoo erg ontdaan,

Zoo angstig om te vechten, als de klager,

Die dienaar van den wapensmid, mylords.

(Van de eene zijde komt Horner op met zijn Buren, die hem zóó toedrinken, dat hij beschonken wordt; hij draagt een stang met een zandbuidel aan het eind en wordt voorafgegaan door een Trommelslager. Van de andere zijde komt Peter evenzoo op, met een Trommelslager en een stang, begeleid door Gezellen, die hem toedrinken.)

Eerste Buurman.

Hier, buur Horner, ik drink u met een glas sek toe. En wees maar niet bang, buurman; het zal wel goed gaan.

[667]

Tweede Buurman.

En hier is een kroes Charneco, buurman.

Derde Buurman.

En hier een pint best dubbelbier, buurman, drink, en wees niet bang voor dien gezel!

Horner.

Laat maar komen, wat er wil, ik doe u allen bescheid; en een knip voor den neus voor Peter!

Eerste Gezel.

Hier, Peter, ik drink u toe; en wees niet bang.

Tweede Gezel.

Goedsmoeds, Peter, en geen angst voor den baas; houd de eer op van de gezellen!

Peter.

Ik dank u allen; drinkt en bidt voor mij, wat ik u bidden mag; want ik geloof, dat ik mijn laatsten slok in deze wereld gedaan heb.—Gij Robert, als ik sterf, geef ik u mijn schootsvel; en Willem, gij zult mijn hamer hebben;—en hier, Tom, neem al het geld, dat ik heb.—O God, sta mij bij! O God, bid ik, want ik kan het nooit tegen den baas uithouden, hij heeft al zoo goed vechten geleerd.

Salisbury.

Kom aan, houdt op met drinken en begint te vechten.—Gij knaap, hoe heet gij?

Peter.

Peter, inderdaad.

Salisbury.

Peter,—hoe nog meer?

Peter.

Stomp. 84

Salisbury.

Stomp! zorg dan, dat uw stompen raak zijn.

Horner.

Mannen, ik sta hier, om zoo te zeggen, op instigacie van mijn knecht, om te bewijzen, dat hij een schelm is en ik, ik een eerlijk man; en van den hertog van York, ik wil er op sterven, dat ik hem nooit kwaad gewild heb, en de koningin ook niet.—En daarom, Peter, reken op een slag, die neerkomt!

Salisbury.

Voort, voort! de tong van dien schavuit slaat dubbel. Trompetter, blaas het sein; de strijd beginn’!

(Trompetgeschal. Zij vechten en Peter slaat zijn meester neder.)

Horner.

Houd op, Peter, houd op! Ik beken, ik beken mijn verraad.

(Horner sterft.)

York.

Neem zijn wapen weg.—Knaap, dank God, en den goeden wijn, die uw meester in den weg kwam.

Peter.

O God, ik heb mijn vijand overwonnen in deze tegenwoordigheid? O Peter, gij hebt de overhand gekregen door uw goed recht.

Koning Hendrik.

Breng dien verrader weg en uit ons oog;

Zijn dood bewijst ons, dat hij schuldig was;

En de algerechte God heeft ons onthuld

De trouw en onschuld van deze’ armen knaap,

Dien hij met boos geweld vermoorden wilde.

Kom, volg ons, knaap, en gij ontvangt uw loon.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Aldaar. Een straat.

Gloster en zijn Dienaars komen op, in rouwgewaad.

Gloster.

Zoo heeft somtijds de schoonste dag een wolk;

En zoo volgt op den zomer steeds de winter,

Kaal, nijpend door zijn booze vorst; zoo wiss’len

Staâg lief en leed, gelijk de jaargetijden.

Hoe laat is ’t, mannen?

Dienaar.

Hoe laat is ’t, mannen? Bijna tien, mylord.

Gloster.

Tien was het uur, waarop ik wachten moest

Op ’t komen van mijn boetedoende gade;

Hoe zal haar teedere en verwende voet

Der straten scherpe keien ooit verduren?

Bang, Nora-lief, is wis u ’t hart beklemd,

Zoo ’t laag gepeupel in ’t gelaat u staart

En bij uw schande lacht met boozen blik,

Dat steeds de raad’ren volgde van uw praalkoets,

Als ge in triomf door ’s heeren straten reedt.

Doch stil, zij komt; mijn oogen, dof van tranen,

Bereid ik voor, om haar ellend te zien.

(De Hertogin van Gloster komt op, barrevoets en in een wit hemd, met papieren op den rug bevestigd; zij draagt een brandende kaars in de hand; verder: Sir John Stanley, een Sheriff en Beambten.)

Dienaar.

Mylord, we ontrukken, wilt gij, haar den sheriff. 17

Gloster.

Neen, bij uw leven, stil! laat haar voorbij.

Hertogin.

Komt gij, mijn gade, hier mijn schande zien?

Nu deelt gij in mijn straffe. Zie hen staren;

Zie, hoe de wufte menigte op u wijst,

Het hoofd schudt en haar blikken op u werpt!

Ontwijk haar booze blikken, Gloster; ween

Slechts binnenskamers om mijn schande, en vloek

Uw felle haters, beide de uwe en mijne.

Gloster.

Mijn Nora, houd u kalm, vergeet dit leed!

Hertogin.

O leer mij, hoe ’k mijzelf vergeet!

Zoolang ik denk, dat ik uw echte vrouw ben,

En gij een vorst, protector van dit land,

Moest men mij, dunkt mij, zoo niet rondgeleiden,

Bekneld in smaad, behangen met papieren,

Gevolgd van ’t grauw, dat juicht, nu het mijn tranen

Aanschouwt, mijn diepgewelde zuchten hoort.

Het wreed gesteente wondt mijn teed’ren voet;

En krimp ik saam, dan lacht het booze volk

En roept mij toe, behoedzaam voort te gaan.

O Humfried, spreek! kan ik dit schandjuk dragen?

Gelooft gij, dat ik ooit op aard meer rondzie,

Of hen gelukkig acht, die ’t zonlicht zien?

Neen, donker zij mijn licht, mijn dag zij nacht,

’t Herdenken van mijn vroeg’re praal mijn hel!

Dan zeg ik: „Ik ben hertog Humfried’s vrouw,[668]

En hij een prins en een regent van ’t rijk;

Maar zoo was zijn bewind, hij zulk een vorst,

Dat hij er bij stond, toen zijn gade, hulploos,

Tot vingerdoel, tot voorwerp van bespotting

Voor ied’ren schelmschen dagdief werd gemaakt!”

Ja, wees gij zacht, en gloei niet bij mijn schande;

En roer u niet, totdat u boven ’t hoofd

De bijl des doods hangt,—wat eerstdaags zal zijn;

Want Suffolk, hij, die alles is in alles

Bij haar, die ù haat en ons allen haat,

En York, en ook die valsche paap, Beaufort,—

Lijmstangen hebben ze allen voor uw vleugels;

En vlieg vrij, hoe gij wilt, zij vangen u;

Maar blijf gij zorgloos, tot uw voet verstrikt is,

En kom vooral uw vijand nimmer voor.

Gloster.

O Nora, stil; gij doelt geheel verkeerd;

’k Moet mij vergrijpen, eer ik word beschuldigd;

Al waren mijne haters twintigvoud,

En waar’ de macht van elk vertwintigvoudigd,

Zij allen konden mij in ’t minst niet deren,

Zoolang ik eerlijk, trouw en schuldloos ben.

Had ik uit dezen smaad u moeten rukken? 64

Ach, uwe schande waar’ niet uitgewischt,

Maar ik om wetsverkrachting in gevaar.

Neen, kalmte is uwe beste toevlucht, Nora;

Leer, bid ik, aan uw hart geduld; deze opspraak

Van weinig dagen is weldra gedaan.

(Een Heraut komt op.)

Heraut.

Ik noodig uwe genade uit voor zijner majesteit parlement, dat op den eersten dag der volgende maand te Bury zal gehouden worden.

Gloster.

En zonder om mijn toestemming te vragen!

Dit noem ik heimlijk doen.—Nu, ’k zal er zijn.

(De Heraut af.)

Maar Nora, thans vaarwel;—en, meester sheriff,

Beperk u bij haar boete tot het vonnis.

Sheriff.

Vergun, mylord, mijn opdracht eindigt hier;

Aan Sir John Stanley is nu opgedragen

Haar mee te nemen naar het eiland Man.

Gloster.

Moet gij, Sir John, de hertogin bewaken?

Stanley.

Ja, uw genade, dit heb ik in last.

Gloster.

Behandel haar niet hard, wijl ik u vraag,

Dat gij haar goed bejegent. Moog’lijk lacht

De wereld mij nog eenmaal toe en kan ik

Nog leven om het goede u te vergelden,

Dat gij haar doet. En nu, Sir John, vaarwel.

Hertogin.

Mijn man gaat heen, en zegt mij geen vaarwel?

Gloster.

Mijn tranen zeggen ’t u, dat ik ’t niet kan.

(Gloster en zijn Dienaren af.)

Hertogin.

Ook gij dus heen? Ga alle troost met u;

Mij rest er geen; mijn vreugde is nu de dood,—

De dood, wiens naam zoo vaak mij rillen deed,

Omdat ik de’ eeuw’gen duur van ’t leven wenschte.—

Ik bid u, Stanley, ga en voer mij weg;

Waarheen is onverschillig; ’k vraag geen gunst;

Voer mij van hier, waarheen ’t u werd gelast.

Stanley.

En dit is, hooge vrouw, naar ’t eiland Man; 94

Daar zult gij naar uw stand behandeld worden.

Hertogin.

Dat is—zeer slecht, want ik ben enkel smaad;

Zal mijn behandeling dus recht smaadvol zijn?

Stanley.

Als van een hertogin en Gloster’s gade;

Naar dezen stand zal uw behandeling zijn.

Hertogin.

Leef, Sheriff, wel, en beter dan ik leef,

Al hebt gij mijn verneed’ring begeleid.

Sheriff.

Het is mijn ambt; vergeef mij, hooge vrouwe.

Hertogin.

’t Is zoo; vaarwel; uw ambtstaak is volbracht.—

Kom, Stanley, gaan wij?

Stanley.

Uw boete is om, werpt dus dit hemd nu af;

En gaan we u hullen in een reisgewaad.

Hertogin.

’k Werp met dit hemd mijn schande toch niet af;

Die zal ook aan mijn rijkste kleed’ren hangen,

En zichtbaar blijven, hoe ik mij ook tooi.

Kom, ga vooruit; ’k verlang naar mijn gevang’nis.

(Allen af.)