WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 44: DERDE BEDRIJF
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

[Inhoud]

DERDE BEDRIJF

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

De abdij te Sint Edmund’s Bury.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York, Buckingham en Anderen komen op ter parlementszitting.

Koning Hendrik.

’t Verbaast mij, dat lord Gloster nog ontbreekt,

Die anders nooit de laatste pleegt te wezen,—

Wat ook de reden zij, dat hij niet kwam.

Koningin Margaretha.

Kunt gij niet zien, of wilt gij het niet zien,

Hoe zijn gelaat veranderd is, vervreemd?

Met welk een majesteit hij zich gedraagt,

Hoe overmoedig hij geworden is,

Hoe trotsch, bevelend, anders dan hij plach?

Er was een tijd, dat hij zeer zacht was, vriendlijk;

En blikten wij, van verre zelfs, hem aan,

Fluks zonk hij need’rig op de knie; zijn deemoed

Was de bewondring van geheel het hof.[669]

Doch ziet hem nu: zelfs in den vroegen uchtend,

Als toch een ieder goeden morgen wenscht,

Dan fronst hij ’t voorhoofd, blikt met toornig oog,

En gaat met ongebogen knie voorbij,

De hulde, die ons toekomt, smaadlijk weig’rend.

Wie let er op, als kleine hondjes keffen?

Doch brult de leeuw, dan sidd’ren groote mannen;

En Humfried is in England geen klein man.

Bedenk, hoe na hij u bestaat in ’t bloed,

En, vielt gij, de eerste waar’, die klimmen zou.

Dus komt mij voor, dat het geen staatskunst is,—

Als wij bedenken, welk een wrok hij voedt,

En hoe zijn voordeel uw verscheiden volgt,—

Dat hij steeds tot uw vorstlijke persoon

Of tot uw hoogen staatsraad toegang heeft.

Door vleien won hij der gemeenten gunst,

En zoo hij onrust stoken wilde, volgden,—

Dit is te duchten,—allen hem gedwee.

’t Is voorjaar nog en ’t onkruid vlak van wortels;

Verschoont gij ’t nu, het overgroeit den hof

En bij verzuim verstikt het al ’t gezaaide. 33

Mijn zorg en eerbied voor mijn heer deed mij

’t Gevaar, dat in den hertog schuilt, vergâren.

Indien dit dwaas is, noem het vrouwenvrees;

En moet die vrees voor beter gronden wijken,

Dan geef ik toe en zeg: „ik deed hem onrecht.”

Mylords van Suffolk, Buckingham en York,

Bestrijdt, indien gij kunt, wat ik gezegd heb;

Zoo niet, erkent, dat ik de waarheid trof.

Suffolk.

Uw hoogheid heeft den hertog wèl doorzien;

En, had ik ’t eerst mijn meening moeten zeggen,

’k Geloof, niets anders had ikzelf gemeld.

De hertogin begon, zoo waar ik leef,

Slechts aangezet door hem, haar duivelskunsten;

En was hij niet in deze schuld betrokken,

Dan dreef toch ’t roemen op zijn hoogen oorsprong,—

Als die de naaste staat aan Englands troon,

En meer zulk zwetsen van zijn rang, de dolle,

In ’t brein geschokte hertogin wis aan,

Om boos naar onzes vorsten val te streven.

Glad stroomt het water van een diepe beek,

Hij herbergt arglist onder ’t kleed van eenvoud.

Blaft ooit een vos, die lamm’ren stelen wil?

Neen, neen, mijn koning, Gloster is een man,

Die ondoorgrondlijk is, vol diep bedrog.

Kardinaal.

Bedacht hij, tegen de’ eisch der wet, niet vreemde

Doodstraffen voor geringe schuldbedrijven?

York.

En hief hij niet, toen hij protector was,

In ’t gansche rijk zeer groote sommen gelds

Voor ’t heer in Frankrijk, die hij nooit er heenzond,

Wat daag’lijks in die steden oproer wekte?

Buckingham.

Nu, dit zijn kleine feilen bij die andre

Verborgen feilen van dien gladden hertog,

Die eerst de tijd aan ’t daglicht brengen zal.

Koning Hendrik.

Voor eens, mylords, uw zorg voor ons, die doornen

Wegmaaien wil voor onzen voet, is loff’lijk;

Maar moet ik zeggen, wat ik waarlijk meen?

Van onzen oom van Gloster is het denken

Aan eenige’ aanslag tegen ons zoo verre,

Als van een zuigend lam of zachte duif.

De hertog is te zacht en welgezind,

Om in den droom zelfs naar mijn val te staan.

Koningin Margaretha.

Ach, hoe gevaarlijk is dit blind vertrouwen!

Schijnt hij een duif? zijn veed’ren zijn geborgd,

Want als een booze raaf is hij gezind.

Is hij een lam? zijn vacht is hem geleend;

Als van een fellen wolf is zijn gemoed;

Wie steelt geen mom, als hij bedriegen wil?

Wees op uw hoede, heer; ons aller welzijn

Hangt aan ’t voorkomen van dien valschen man.

(Somerset komt op).

Somerset.

Kracht en gezondheid mijnen heer en koning!

Koning Hendrik.

Welkom, lord Somerset, welk nieuws uit Frankrijk?

Somerset.

Dat ieder aandeel aan dat grondgebied

U ginds ontroofd is; alles is verloren. 85

Koning Hendrik.

Slecht nieuws, mylord; doch dat Gods wil geschiede!

York

(ter zijde). Slecht nieuws voor mij, want ik had hoop op Frankrijk,

Zooals ik die op ’t vruchtbaar England heb.

Zoo sterven mijne bloesems in den knop,

En klagen rupsen mijne blaad’ren weg;

Maar ik verhelp eerstdaags die zaak, of anders

Verkoop ik voor een roemvol graf mijn recht.

(Gloster komt op.)

Gloster.

Mijn hoogen heer en koning alle heil!

Vergeef mij, vorst, dat ik zoo laat verschijn.

Suffolk.

Neen, Gloster, weet, gij zijt te vroeg gekomen,

Of gij moest trouwer wezen dan gij zijt.

Ik neem u wegens hoogverraad in hechtnis.

Gloster.

Neen, Suffolk’s hertog, blozen of verbleeken

Zult gij mij niet zien doen bij deze hechtnis;

Een vlekk’loos hart is niet zoo licht verschrikt.

Geen bron, hoe klaar, is zoo gansch vrij van slijk,

Als ik van trouwbreuk jegens mijnen vorst.

Wie klaagt mij aan? en waaraan ben ik schuldig?

York.

Vermoed wordt, heer, dat Frankrijks vorst u omkocht,

En gij ons leger zijn soldij onthieldt,

Waardoor zijn hoogheid Frankrijk heeft verloren.

Gloster.

Dit wordt vermoed? wie zijn het, die ’t vermoeden?

’k Heb onzen krijgers nooit soldij ontroofd,[670]

Noch ook van Frankrijk éénen duit ontvangen.

Zoo waarlijk help’ mij God, als ik gewaakt heb,

Ja, nacht op nacht, voor Englands welzijn peinzend!

Die penning, dien ik ooit mijn vorst ontstal,

Die groot, dien ik voor mij heb opgespaard,

Getuige op mijn gerechtsdag tegen mij!

Neen, ’k heb uit eigen midd’len menig pond,

Dat ik van ’t arme volk niet heffen wilde,

Aan ons bezettingsleger uitgekeerd,

En nooit verlangde ik iets terugbetaald.

Kardinaal.

’t Komt u te stade, heer, dit te beweren.

Gloster.

Ik zeg de waarheid slechts, zoo help’ mij God!

York.

Voor euveldaden dacht gij als protector

Vreemde, ongehoorde martelingen uit,

En England werd berucht door zulk een wreedheid.

Gloster.

Nu, ieder weet, dat onder mijn bestuur

Mijn een’ge feil te groote deernis was,

Want bij eens euveldaders tranen smolt ik,

En liet hem vrij voor woorden van berouw.

Was ’t niet een bloedig moord’naar of een struikdief,

Die arme reizigers had uitgeschud, 129

Dan legde ik nooit de volle straf hem op.

Slechts moord, dat bloedvergieten, martelde ik,

Veel meer dan diefstal of een and’re misdaad.

Suffolk.

Die feilen, heer, zijn klein en licht verantwoord,

Doch grooter schuld wordt u te last gelegd,

Waar gij u zoo niet vrij van pleiten kunt.

In naam des konings neem ik u in hechtnis;

Mylord de kardinaal draag’ zorg voor u,

Totdat uw zaak gerechtlijk wordt getoetst.

Koning Hendrik.

Ik voed, mylord van Gloster, alle hoop,

Dat gij van allen argwaan u zult zuiv’ren;

Mijn hart verklaart, dat gij onschuldig zijt.

Gloster.

O, beste heer, de tijden zijn gevaarlijk.

Door schandlijke eerzucht wordt de deugd verstikt,

Door boozen wrok barmhartigheid verjaagd;

Snoode arglist, rijk in vonden, zegeviert,

En billijkheid wordt uit uw rijk verbannen.

Hun samenrotting, ’k weet het, zoekt mijn leven;

En kon mijn dood dit land gelukkig maken,

Waar’ die het einde van hun dwinglandij,

Ik gaf het gaarne, zonder tegenstreven;

Doch mìjn dood is slechts ’t voorspel van hun stuk;

Veel duizend meer, die geen gevaar bevroeden,

Zijn ’t slot van hun ontworpen treurspel niet.

Beaufort’s roodfonklend oog verraadt zijn boosheid,

Suffolk’s bewolkt gelaat onstuim’gen haat;

De scherpe Buckingham geeft met zijn tong

Den last van nijd, die ’t hart hem drukt, eens lucht;

De hondsche York, wiens eerzucht tot de maan reikt

En wiens verwaten arm ik vaak terugtrok,

Staat met een valsche klachte mij naar ’t leven;

En gij, mijn hooge vrouwe, hoopt met de andren

Mij zonder reden oneer op het hoofd,

En deedt met alle kracht en vlijt het uwe,

Opdat mijn liefste heer mijn vijand wierd.

Ja, ja, gij allen staakt uw hoofden saam,—

Ik kreeg bericht van uwe samenkomsten,—

Om naar mijn schuldloos leven mij te staan.

Het valsch getuignis, dat mij oordeelt, komt wel;

Door tal van listen groeit mijn schuld wel aan;

Bewaarheid zal het oude spreekwoord worden,

Dat, wie een hond wil slaan, den stok wel vindt.

Kardinaal.

Zijn smalen, heer en vorst, is onverdraaglijk!

Als zij, die staâg hun vorst zorgvuldig hoeden

Voor des verraads verborgen, moordziek mes,

Aldus gehoond, beschimpt, gescholden worden,

En de euveldader vrijheid heeft van spreken,

Wordt de ijver voor uw hoogheid dra bekoeld.

Suffolk.

Heeft hij op onze hooge vrouw daar niet

Gesmaald met booze, slim gekozen woorden,

Als had zij mannen omgekocht tot meineed,

Om hem door valsch getuignis te doen vallen?

Koningin Margaretha.

Hem, die verliest, vergun ik ’t wel, te schimpen.

Gloster.

’t Is warer, dan ’t bedoeld was. Ja, ’k verlies;

Vervloekt die winnen, want zij speelden valsch!

En dan heeft wie verliest wel recht van spreken.

Buckingham.

Zoo schermend hield hij ons tot de’ avond hier.

Lord kardinaal, de man is uw gevang’ne. 187

Kardinaal.

Gij, voert den hertog weg, bewaakt hem goed.

Gloster.

Ach, koning Hendrik werpt zijn kruk nu weg,

Aleer hij stevig op zijn beenen staat!—

Zoo wordt de herder van uw zij gesleurd,

En wolven snarsen, wie u ’t eerst verscheurt!

O, waar’ mijn vrees slechts angst en ijdle waan!

’k Vrees, lieve neef, uw ondergang breekt aan!

(Gloster door eenige Dienaren weggeleid.)

Koning Hendrik.

Lords, doet of doet te niet, al wat uw wijsheid

Het raadzaamst acht, alsof wijzelf er waren.

Koningin Margaretha.

Uw hoogheid wil het parlement verlaten?

Koning Hendrik.

Ja, Margaretha, leed verdrinkt mijn hart;

Zijn vloed stijgt in mijn oogen, overstroomt ze;

Mijn lichaam is van jammer gansch omgord;

Want wat is jammervoller dan misnoegdheid?—

Oom Humfried, ach! ik zie in uw gelaat

De afspiegling van alle eer en trouw en waarheid;

En, goede Humfried, de ure moet nog komen,

Dat ik u valsch bevond of moet mistrouwen.

Wat booze ster misgunt u thans uw aanzien,[671]

Dat deze groote lords en onze gade

’t Verderf beoogen van uw schuldloos leven?

Hen hebt gij niet gekrenkt, niemand gekrenkt,

En evenals de slachter ’t zuigkalf wegneemt,

En bindt, en slaat wanneer het zijwaarts wil,

En voorttrekt naar het bloedig slagersblok,

Zoo werd hij zonder deernis meegesleurd;

En evenals de moeder loeiend rondloopt,

En staart, waarheen haar jong werd weggevoerd,

En niets kan doen dan jamm’ren om haar liev’ling,

Bejammer ik des goeden Gloster’s val

Met tranen, die niet helpen, blik hem na

Met dofgekreten oog en kan niets doen,

Want zijn gezworen haters zijn te machtig.

’k Wil weenen om zijn deerlijk lot en geef

Bij elken snik dus lucht aan mijn verdriet:

„Wie ooit verrader zijn moog’, Gloster niet.”

(Koning Hendrik af, gevolgd door allen, behalve Koningin Margaretha, Kardinaal Beaufort, Suffolk, York en Somerset; de laatste blijft afzonderlijk staan.)

Koningin Margaretha.

Sneeuw, waarde lords, smelt bij de heete zon,

Hendrik, mijn heer, is koud bij groote zaken,

Te vol van dwaze deernis; Gloster’s schijn

Misleidt hem, evenals de krokodil 226

Met droef geschrei den weeken wandlaar vangt,

Of als de slang, verscholen onder bloemen,

Met glanzend bonte huid, een kind verwondt,

Dat om die schoonheid haar iets heerlijks waant.

Voorwaar, zoo niemand wijzer was dan ik,—

En toch, mijn wijsheid raadt hier, meen ik, goed,—

Dra ware Gloster vrij van aardsche smart,

En wij van alle vrees voor hem bevrijd.

Kardinaal.

Nu, dat hij sterft, is goede staatsmanskunst,

Doch wij behoeven voor zijn dood een reden;

Hij sterve naar den eisch van recht en wet.

Suffolk.

Dit ware, naar mij dunkt, geen staatsmanskunst;

Wis zal de koning trachten hem te redden,

En ’t volk staat moog’lijk op om hem te redden;

En beet’re gronden kunnen wij niet geven,

Dan argwaan slechts, dat hij den dood verdient.

York.

Gij wilt zijn dood dus niet, dat is uw leer.

Suffolk.

O, York, geen mensch op aarde wenscht dien meer.

York

(ter zijde.) York heeft nog beet’re gronden voor zijn dood.—

(Luid.) Doch spreekt, lord kardinaal en gij, lord Suffolk,

Zegt eens ronduit, spreekt zooals ’t in uw hart is,

Is ’t niet één doen, een hongrige’ arend kiezen

Om kiekens voor een leêgen wouw te hoeden,

En Humfried, om den koning te beschermen?

Koningin Margaretha.

Het ware een wisse dood voor de arme kiekens.

Suffolk.

Ja, hooge vrouw; en is het dan geen waanzin,

Den vos als kuddewachter aan te stellen?

Werd die als sluwe moord’naar aangeklaagd,

Wie zou zijn schuld daarmee ontschuldigd achten,

Dat hij zijn plan nog niet had uitgevoerd?

Neen, vonnist hem ter dood, wijl hij een vos is,

Bewezen vijand van natuur der kudde,

Aleer zijn muil bemorst is met rood bloed,

Als Humfried is, bewezen, van mijn vorst.

En niet gesammeld, hoe men hem zal dooden;

Zij ’t met een strik, een val, een sluwe vond,

In slaap of wakend, alles is hetzelfde,

Zoo hij slechts sterft; want dat is goed bedrog,

Dat eerst hèm velt, die ’t eerst zon op bedrog.

Koningin Margaretha.

’t Is vastberaden, driewerf eed’le Suffolk!

Suffolk.

Niet vastberaden, voor ’t ook is geschied;

Want veel wordt vaak gezegd, maar niet gemeend;

Doch zie, of niet mijn hart mijn tong beaamt,—

Wijl ik de daad als prijzenswaard erken,

En ik mijn vorst wil hoeden voor zijn vijand,—

Beveel het, en ik wil zijn priester zijn. 272

Kardinaal.

Maar liefst zag ik hem dood, mylord van Suffolk,

Eer gij eens priesters wijding kunt erlangen.

Zeg, dat gij toestemt en het plan bezegelt,

En ik bezorg u, die de daad volvoert;

Zóó gaat mij ’s konings veiligheid ter harte.

Suffolk.

Hier is mijn hand; ’t is een lofwaardig werk.

Koningin Margaretha.

Dit zeg ook ik.

York.

En ik; en nu wij drieën dit besloten,

Wil ’t luttel zeggen, wie ons vonnis wraakt.

(Een Bode komt op.)

Bode.

Van Ierland, hooge heeren, kom ik ijlings

U melden, dat rebellen ’t hoofd er hieven,

En de Engelschen verdelgen met het zwaard.

Zendt hulp, mylords, en stuit bijtijds hun woede,

Aleer de wond gansch ongeneeslijk wordt;

Nu zij nog versch is, is er hoop op heeling.

Kardinaal.

Een bres voorwaar, die daad’lijk dichting eischt.

Wat raad geeft gij bij dit gewichtig nieuws?

York.

Dat Somerset er heenga als regent.

Hij, zoo gelukkig in ’t bewind, redt alles;

’t Geluk, dat hij in Frankrijk had, getuigt het.

Somerset.

Zoo York, met al zijn vergezochte staatkunst,

In mijne plaats regent er was geweest,

Hij ware in Frankrijk nooit zoo lang gebleven.

York.

Niet tot het land verloren was, als gij;

’k Had eer bijtijds mijn leven ingeboet,

Dan zulk een last van schande thuis gebracht,

Door tot het land verloren was te blijven.[672]

Toon mij één wond, één schram, die tuigt van moed;

Slechts zelden wint, wie zoo zijn vleesch behoedt.

Koningin Margaretha.

Stil, stil, die vonk sloeg wis in vlammen uit,

Zoo wind en brandstof nu het vuur kwam voeden.—

Zwijg, goede York;—vriend Somerset, wees kalm;—

Waart gij, York, daar regent geweest, wellicht

Had uw geluk nog minder zelfs erlangd.

York.

Minder dan niets? Dan dale er schande op allen!

Somerset.

En onder hen op u, die schande wenscht.

Kardinaal.

Mylord van York, beproef eens, hoe gij slaagt.

De onstuimige Iersche Kernen zijn in opstand

En weeken woest hun grond met Engelsch bloed;

Wilt gij een legermacht naar Ierland voeren,

Keurvolk, uit ieder graafschap uitgelezen,

En tegen de Ieren uw geluk beproeven?

York.

Ik wil het, als zijn majesteit het wenscht.

Suffolk.

Nu, ons gezag is ook des konings jawoord,

En wat wij hier bepalen vindt hij goed;

Dus, eed’le York, belast u met die taak. 318

York.

Het zij dan zoo. Zorgt gij voor krijgers, lords;

Ik regel midd’lerwijl mijn eigen zaken.

Suffolk.

Een taak, lord York, waar ik mij van zal kwijten.

Doch nu weer van den valschen hertog Humfried.

Kardinaal.

Niets meer van hem; ik zal zoo voor hem zorgen,

Dat hij ons verder nimmer lastig zij;

En nu van hier, de dag is schier voorbij;—

Lord Suffolk, ’t verd’re tusschen u en mij.

York.

Mylord van Suffolk, ik verwacht mijn krijgers

Te Bristol binnen veertien dagen tijds;

Daar wensch ik hen naar Ierland in te schepen.

Suffolk.

Ik zorg, dat zij er zijn, mylord van York.

(Allen af, behalve York.)

York.

York, nu of nimmer, staal uw angstig hart,

En worde uw weiflen vastbeslotenheid;

Word wat gij hoopt, of wijd, wat gij nu zijt,

Den dood toe; ’t is een zijn, niet levenswaardig.

Vrees, bleek van kaken, woon’ bij laaggeboor’nen,

Maar vind’ geen wijkplaats in een vorstlijk hart.

Als voorjaarsbuien komt mij denk- bij denkbeeld,

Doch niet één denkbeeld, dat niet grootheid denkt.

Mijn brein, meer wevend dan de noeste spin,

Spant rustloos voor mijn haters net op net.

Goed, eed’le grooten, goed; ’t is slim bedacht,

Mij weg, van hier te zenden met een heermacht.

Gij koestert, vrees ik, een verstijfde slang,

Die ge aan uw boezem warmt en die u steekt.

Manschappen miste ik en die geeft gij mij;

Ik zeg u dank, maar weet, een’ dolhuis-man

Drukt gij recht scherpe wapens in de hand.

Voedt Ierland mij een leger, tevens wek ik

Een zwarten storm in England op; die blaast

Tienduizend zielen hel- of hemelwaarts;

En rusten zal dit gruwlijk noodweer niet,

Aleer de gouden haarband om mijn hoofd,

Gelijk der eed’le zonne held’re stralen,

De woede stilt der dol verwekte vlaag.

En tot mijn dienst bij dit mijn plan heb ik

Een stuggen Kentschen dolkop overreed,

John Cade uit Ashford,

Oproer te maken, wat hij goed verstaat,

En voor John Mortimer zich uit te geven.

Ik zag dien dollen Cade in Ierland eens

Zich weren tegen heel een bende Kernen;

Hij vocht, totdat zijn schenkels door hun pijlen

Geleken op een toornig stekelvarken; 363

En toen hij eind’lijk vrij was, zag ik hem

Een hoogen sprong doen als een moorendanser,

Zijn pijlen schuddend, zooals die zijn klokjes.

Vaak knoopte hij, als stoppelhaar’ge Kern

Vermomd, gesprekken met den vijand aan,

Kwam onontdekt tot mij terug en gaf

Mij dan berichten van hun schurkerijen.

Die duivel zij mijn plaatsvervanger hier;

Want op den pas gestorven Mortimer

Gelijkt hij van gelaat, in gang en spraak;

’k Verken zoo ’s volks gezindheid, of hun ’t huis,

En de aanspraak op den troon, van York behaagt.

En stel, hij werd gegrepen en gefolterd,

Dan weet ik, dat geen pijn, die zij hem aandoen,

Hem ooit ontperst, dat ik ten strijd hem dreef.

O stel, ’t gelukt hem, wat waarschijnlijk is,

Nu, dan kom ik met heel mijn macht uit Ierland,

En maai den oogst, door dezen schelm gezaaid;

Want is eens Humfried dood, wat dra zal zijn,

En Hendrik uit den weg,—’t wordt alles mijn.

(York af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Sint Edmund’s Bury. Een vertrek in het paleis.

Eenige Moordenaars komen haastig op.

Eerste Moordenaar.

IJl naar mylord van Suffolk, ga hem melden,

Dat naar zijn last de hertog afgedaan is.

Tweede Moordenaar.

Waar’ ’t nog te doen!—Wat hebben wij gedaan?

Zaagt gij ooit zulk een einde, zoo boetvaardig?

Eerste Moordenaar.

Daar komt mylord.

(Suffolk komt op.)

Suffolk.

Wel, mannen, hebt gij ’t zaakje klaar?

[673]

Eerste Moordenaar.

Ja, beste hertog, hij is dood.

Suffolk.

’t Is wel gedaan. Gaat, spoed u naar mijn huis;

Ik wil u voor dit stout bedrijf beloonen.

De koning komt daar aan met al zijn pairs.

Hebt gij de lakens glad gelegd? Is alles

Geheel in orde naar mijn last?

Eerste Moordenaar.

In orde, beste lord.

Suffolk.

In orde, beste lord. Nu goed; van hier!

(De Moordenaars af.)

(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Kardinaal Beaufort, Somerset, Lords en Anderen komen op.)

Koning Hendrik.

Ga, roep onze’ oom van Gloster daad’lijk voor ons;

Wij willen heden zijn genade hooren,

Of hij, zooals beweerd wordt, schuldig is.

Suffolk.

Ik ga terstond hem roepen, hooge vorst.

(Suffolk af.)

Koning Hendrik.

Neemt plaats, mylords. En dit bid ik u allen,

Past op onze’ oom geen groot’re strengheid toe,

Dan hij door schuld, gestaafd door ’t waar getuig’nis

Van mannen, goed ter naam en faam, verdient.

Koningin Margaretha.

Verhoede God, dat een’ge boosheid slaagde, 22

En schuldeloos een pair veroordeeld wierd!

Geev’ God, dat hij zich van verdenking zuiver’!

Koning Hendrik.

Ik dank u, vrouw; dit woord verheugt mij zeer.

(Suffolk komt weder op.)

Wat is ’t? waarom zoo bleek? en waarom beeft gij?

Waar is onze oom? wat is er, Suffolk? spreek!

Suffolk.

Dood in zijn bed, mylord; Gloster is dood.

Koningin Margaretha.

O, dit verhoede God!

Kardinaal.

Des Heeren hand!—Ik heb van nacht gedroomd,

Dat Gloster stom was en geen woord kon zeggen.

(De Koning valt in onmacht.)

Koningin Margaretha.

Mijn vorst, hoe is

’t?—Helpt, lords, de koning sterft!

Somerset.

Heft hem omhoog en knijpt hem in den neus.

Koningin Margaretha.

Loopt, helpt!—O

Hendrik, sla toch de oogen op!

Suffolk.

Daar komt hij weder bij.—Kalm, hooge vrouwe!

Koning Hendrik.

O eeuw’ge God!

Koningin Margaretha.

Hoe gaat het mijn gemaal?

Suffolk.

Getroost, mijn vorst! Verheven Hendrik, moed!

Koning Hendrik.

Wat! wil mylord van Suffolk mij vertroosten?

Zong hij niet juist een ravenlied mij toe,

Welks gruwelwijs mijn levenskracht verlamde,

En waant hij, dat het tjilpen van een musch,

Die uit een holle borst „Getroost” mij toeroept,

Den eerst vernomen klank verjagen kan?

Verberg uw gif niet zoo met suikerwoorden;

Raak mij niet aan!—Weg met uw handen! zeg ik;

’t Gevoel verschrikt mij als een addersteek!

Gij onheilsbode, weg! uit mijn gezicht!

In booze majesteit zit op uw oogen

Geweld en moord ten troon, tot schrik der wereld;

Zie mij niet aan, uw oogen schieten dolken.

Maar neen, ga toch niet weg;—kom, basilisk;

En dood den man, die u onschuldig aanstaart;

In schaduwen des doods slechts vind ik heil,

In ’t leven dubb’len dood, nu Gloster dood is.

Koningin Margaretha.

Wat raast gij op mylord van Suffolk zoo?

Ofschoon de hertog hem vijandig was,

Beklaagt hij als een christen toch zijn dood.

Wat mij betreft, hoe bitter hij mij haatte,

Zoo tranenplengen, hartbeklemmend snikken

En bloedverterend zuchten hem kon wekken,

Blind wilde ik zijn van ’t weenen, krank van ’t snikken, 62

Bleek als een sneeuwbloem van bloeddrinkend zuchten,

Om de’ eedlen hertog weer herleefd te zien.

Weet ik, wat mij misschien de wereld nageeft?

Zij weet, dat wij slechts vooze vrienden waren;

Zij zegt misschien, dat ik hem heb vermoord;

Zoo zal des lasters tong mijn naam verwonden

En vorstenhoven met mijn smaad vervullen!

Dit brengt zijn dood mij aan. O, ik onzaal’ge!

Vorstin te zijn, en zoo gekroond met smaad!

Koning Hendrik.

Ach, arme Gloster! o rampzalig man!

Koningin Margaretha.

Roep ach om mij, want ik, ik ben rampzaal’ger.

Wat! keert ge u af, verbergt gij uw gelaat?

Ben ik melaatsch en walglijk? Zie mij aan!

Of zijt gij, zooals de adder, doof geworden?

Word dan ook giftig, dood uw arme vrouw!

Is al uw troost in Gloster’s graf besloten?

O, dan was Margaretha nooit uw vreugd;

Richt dan zijn standbeeld op en bid dit aan:

Mijn beeltnis worde een bierhuis-uithangschild.

Was ik daarom op zee bijna vergaan?

Dreef daarom tweemaal tegenwind mij weg,

Van Englands kust terug naar ’t vaderland?

Wat spelde dit, dan dat de wind, vermanend,[674]

Mij toeriep: „Zoek geen schorpioenennest!

En zet geen voet op dit onvriendlijk strand?”

Toen vloekte ik op die goedgezinde stormen,

En hem, die ze uit hun koop’ren grotten slaakte,

En riep: „Waait aan op Englands dierb’re kust,

Of werpt ons schip nu op een ruwe klip!”

Maar Æolus verwierp een moordnaarsrol,

En liet aan u dat haat’lijk beulsambt over.

Hoog ging de zee, maar dartlend, en onwillig

Mij te verdrinken; o, zij wist te wel,

Hoe mij op ’t land uw hardheid zou verdrinken

In tranen, zilter dan het nat der zee;

De scherpe klippen doken in het zand

Om aan hun ruwe borst mij niet te brijz’len,

Opdat uw steen en hart, dat harder is,

Uw Margaretha doodde in uw paleis.

Zoo ver ik uw krijtrotsen nog ontwaarde,

Toen ons de storm terugsloeg van uw kust,

Stond ik, in ’t noodweer, boven, op het dek;

En toen de donk’re lucht aan mijn gezicht,

Dat ijv’rig staarde, uw land begon te onttrekken,

Nam ik een rijk juweel mij van den hals,— 107

Het was een hart, gevat in diamanten,—

En wierp het naar uw land. De zee ontving het;

En zoo wenschte ik, dat gij mijn hart ontvingt;

Maar toen juist zag ik Englands kust niet meer;

’k Verwees mijn oogen naar mijn hart, en noemde

Hen blinde, doffe brilleglazen, wijl

De veel gewenschte krijtzoom hun ontging.

Hoe vaak bezwoer ik Suffolk’s tong,—de tolk,

Die uw onwaardige ontrouw tot mij zond,—

Mij te betoov’ren, evenals Ascanius,

Zijns vaders doen bij Troje’s brand ontvouwend,

Het de arme, dolle Dido deed! Werd ik

Niet dol als zij, en gij niet valsch als hij?

Wee mij! ik kan niet meer! Sterf, Margaretha,

Want Hendrik weent, wijl gij te lange leeft.

(Sterk gedruisch buiten. Warwick en Salisbury komen op. Eenigen van het volk dringen door de deur naar voren.)

Warwick.

De goede hertog Humfried, machtig vorst,

Zou, is bij ’t volk het zeggen, door ’t verraad

Van Suffolk en den kardinaal vermoord zijn.

’t Volk is, als een vergramde bijenzwerm,

Die ’t opperhoofd verloor, spoorbijster; ’t zwerft

En vraagt niet wien het steekt, zoo ’t hem slechts wreekt.

Ik bracht hun felle muiterij tot staan,

Tot zij de wijze van zijn dood vernemen.

Koning Hendrik.

Zijn dood is al te waar, mijn goede Warwick;

Maar hoe hij stierf,—God weet het, Hendrik niet.

Ga in zijn kamer: schouw zijn zielloos lichaam;

Verklaar uzelf de reden van zijn dood.

Warwick.

Dat wil ik doen, heer.—Salisbury, blijf gij,

Tot ik terug ben, bij de woeste menigt’.

(Warwick gaat naar een binnenkamer. Salisbury gaat terug door de deur.)

Koning Hendrik.

Gij rechter aller dingen, strem mijn denken!

Mijn denken, dat mijn ziel wil overreden,

Dat Humfried door geweld het leven liet.

Is mijn vermoeden valsch, vergeef ’t mij, God!

Want u alleen, Heer, komt het oordeel toe.

Hoe gaarne warmde ik hem de bleeke lippen

Met twintigduizend kussen en besproeide ik

’t Gelaat hem met een zee van zilte tranen,

Zijn stommen, dooven romp ten liefdegroet,

En drukte met mijn hand zijn doode hand!

Doch al om niet waar’ zulk een rouwgebaar;

En ’t staren op zijn dood en aardsch omhulsel,

Wat waar’ het, dan ’t vergrooten van mijn leed?

(De vleugeldeuren van de binnenkamer worden opengeslagen en men ziet Gloster dood in zijn bed. Warwick en Anderen staan er omheen.)

Warwick.

Kom hier, genadig vorst, aanschouw dit lijk.

Koning Hendrik.

Dat is slechts zien, hoe diep mijn grafkuil is;

Want al mijn aardsche troost ontvlood met hem;

Hem ziende, zie ik ook mijn leven dood.

Warwick.

Zoo waar mijn ziel bij dien verheven koning 153

Te leven hoopt, die in het vleesch verscheen

Om van Zijns vaders vloek ons te bevrijden,

Geloof ik, dat geweld de hand gelegd heeft

Aan ’t leven van den hoogberoemden hertog.

Suffolk.

Een schrikk’lijke eed en plechtig uitgesproken!

Doch waarop grondt Lord Warwick dit zijn woord?

Warwick.

Zie, hoe het bloed in zijn gelaat verbleef!

’k Zag menigeen, die vreedzaam was verscheiden,

Aschkleurig, mager, bleek en zonder bloed,

Dat alles naar het worst’lend hart gestroomd was,

Omdat dit, bij zijn kampstrijd met den dood,

’t Bloed oproept om dien vijand mee te voeren;

Doch met het hart wordt dit daar koud en keert

Nooit weer om aan de wangen gloed te geven.

Maar zijn gelaat, zie, ’t is vol bloed, is zwart,

Zijn oogen verder uit dan toen hij leefde,

Strak, starend als een man, die wordt gewurgd;

Zijn haar ten berge, ’t neusgat wijd van ’t worst’len,

Zijn vingers uitgespreid, als een, die greep,

Voor ’t leven vocht, doch overweldigd werd.

En zie, zijn haar, het kleeft aan ’t laken vast;

Zijn netgehouden baard is ruig, verward,

Als koren, dat een storm ter neder sloeg.

Het kan niet anders zijn, hij werd vermoord;

Het minste dezer teekens waar’ bewijs.

[675]

Suffolk.

En wie dan zou den hertog dooden, Warwick?

Ik had hem in mijn hoede met Beaufort,

En wij, zoo hoop ik, zijn geen moordenaars.

Warwick.

Zijn vijanden, gezworen haters waart gij,

En saam bewaaktet gij den goeden hertog;

Wis zoudt gij hem niet vieren als een vriend,

En ’t blijkt te wel, dat hij een vijand vond.

Koningin Margaretha.

Gij argwaant, schijnt het, dat die hooge lords

Schuld hebben aan des hertogs vroegen dood.

Warwick.

Wie vindt het vaarskalf dood, nog warm en bloedend,

En dicht daarbij den slachter met de bijl,

En argwaant niet, dat hij het dier versloeg?

Wie vindt in ’t nest des haviks den patrijs

En zal niet raden, hoe de vogel stierf,

Al vliegt de valk met onbebloeden snavel?

Niet minder is dit treurspel hier verdacht.

Koningin Margaretha.

Is Suffolk slachter? waar is dan zijn mes?

Beaufort een havik? waar zijn dan zijn klauwen?

Suffolk.

Ik draag geen mes om slapenden te slachten; 197

Doch hier een wrekend zwaard, van rust nu roestig,

Dat ik wil schuren in diens giftig hart,

Die met het purp’ren merk van moord mij hoont.

Zeg, als gij durft, gij trotsche lord van Warwick,

Dat ik de schuld draag van lord Humfried’s dood.

(De Kardinaal, Somerset en Anderen af.)

Warwick.

Durft valsche Suffolk,—wat dan Warwick niet?

Koningin Margaretha.

Hij durft zijn geest, die hoonziek is, niet boeien,

Geen afstand doen van drieste lastertaal;

Schoon Suffolk twintigduizendmaal hem aandurv’.

Warwick.

Stil, hooge vrouwe,—eerbiedig zij ’t gezegd;—

Want ieder woord, om zijnentwil gesproken,

Brengt smaad op uwen koninklijken naam.

Suffolk.

Gij lord met stompen geest en boersche zeden,

Als ooit een edelvrouw haar heer bedroog,

Dan nam uw moeder in haar zondig bed

Een kinkel op, en werd op eed’len boom

Een wilde tak geënt, wiens vrucht gij zijt.

Gij, nooit een spruit van de’ eed’len stam der Nevils!

Warwick.

Beschermde u niet de bloedschuld van den moord,

En roofde ik aan den beul niet zijn belooning,

Tienduizendvoudige oneer u besparend,

En stemde ’s vorsten bijzijn mij niet zacht,

Dan zoudt gij knielend, lage, laffe moord’naar,

Mij voor dit zeggen om vergeving smeeken,

Verklaren, dat gij ùwe moeder meendet

En gij in bastaardij geboren zijt;

En na die afgedwongen hulde gave ik

U dan uw loon en zond uw ziel ter hel,

Bloedzuiger en belager in den slaap!

Suffolk.

Uw bloed zal ik, terwijl gij waakt, vergieten,

Zoo gij het waagt, met mij van hier te gaan!

Warwick.

Terstond dan, of ik sleep u weg van hier.

Ik wil u, hoe onwaardig ook, bekampen,

Om hertog Humfried’s geest een dienst te doen.

(Suffolk en Warwick af.)

Koning Hendrik.

Welk harnas is er als een vlekk’loos hart?

Driewerf gepantserd is wie ’t recht verdedigt,

En hij is naakt, hoe ’t staal hem ook omsluit’,

Wien ongerechtigheid het hart verpest.

(Gedruisch buiten.)

Koningin Margaretha.

Wat is dat voor gedruisch?

(Suffolk en Warwick komen, met getrokken zwaarden, weder op.)

Koning Hendrik.

Wat, lords! ontbloot gij uw vergramde zwaarden

Hier in ons bijzijn? zijt gij zoo vermetel?

Wat is dat voor rumoer en voor geschreeuw?

Suffolk.

De valsche Warwick en het volk van Bury,

’t Stormt alles op mij los, verheven vorst. 241

(Geraas van een volksoploop buiten. Salisbury komt weder op.)

Salisbury

(tot het volk buiten). Terug, gij daar; ik zal ’t den koning zeggen.—

(Tot den Koning.) Gestrenge vorst, het volk meldt u door mij,

Wordt Suffolk niet terstond ter dood gebracht,

Of buiten Englands schoon gebied verbannen,

Dan wordt hij met geweld van hier gerukt

En sterft een langen, zwaren marteldood.

Het zegt, hij deed den goeden hertog sterven,

Het zegt, zij vreezen uwen dood van hem;

En ’t is de drang van liefde en echte trouw,

Gansch vrij van eenig stug of trotsch verzet,

Alsof zij tegen uwen wil zich kantten,

Die hen doet dringen op zijn ballingschap.

Vol zorg voor hunnen koning zeggen zij,

Dat, zoo uw hoogheid wilde slapen en

Bevolen had, dat niemand u zou storen,

Op straf van ongenade, op straf des doods,

Het toch, ondanks dat streng gebod, indien

Een slang ontwaard wierd, met gespleten tong,

Die zachtkens voortgleed naar uw majesteit,

Volstrekt noodzakelijk zijn zou u te wekken,

Opdat, gedurende uw onveil’ge sluim’ring,

Het dood’lijk dier uw slaap niet eeuwig maakte;

En daarom roepen zij, trots uw verbod,[676]

Dat ze, of gij wilt of niet, u zullen hoeden

Voor zulke slangen als de valsche Suffolk,

Door wiens venijnige’, onheilvollen steek

Uw minnende oom, die twintigmaal hèm opwoog,

Zoo schandlijk, zeggen ze, om het leven kwam.

Het Volk

(buiten). Breng antwoord van den koning, graaf van Salisbury!

Suffolk.

’t Is wel gelooflijk, dat die ruwe hoop,

Dat volk, zijn koning zulk een boodschap zendt;

Maar gij, mylord, gij laat u gaarne zenden,

Opdat gij toont, hoe fraai gij spreken kunt;

Maar de eenige eer, die Salisbury daar won,

Is, dat hij afgezant was van een bende

Van ketellappers aan zijn heer en koning.

Het Volk

(buiten). Breng antwoord van den koning, of wij stormen binnen!

Koning Hendrik.

Ga, Salisbury, en zeg aan ’t volk van mij,

Dat ik hen voor hun zorg en liefde dank;

En ware ik ook door hen niet zoo vermaand,

Ik had alreeds besloten, wat zij vragen;

Want, waarlijk, uur op uur spelt mij mijn geest

Onheil voor mijnen troon door Suffolk’s hand;

En ’k zweer dus bij de majesteit van Hem,

Wien ik niet waardig ben hier te vervangen:

Niet langer dan drie dagen zal zijn adem

De lucht hier nog verpesten, of hij sterft. 288

(Salisbury af.)

Koningin Margaretha.

O Hendrik, hoor mij voor den eed’len Suffolk!

Koning Hendrik.

Oneed’le vrouw, hem edel nog te noemen!

Niet meer, zeg ik; als ik voor hem u hoor,

Dan zult gij mijne gramschap slechts doen stijgen.

Had ik het slechts gezegd, dan hield ik woord;

Gansch onherroep’lijk is ’t, wanneer ik zweer.—

Indien gij na drie dagen wordt gevonden

Op eenig grondgebied, door mij beheerscht,

Dan koopt de gansche wereld u niet vrij.—

Kom, Warwick, goede Warwick, vergezel mij;

’k Heb zaken van gewicht u mee te deelen.

(Allen af, behalve Koningin Margaretha en Suffolk.)

Koningin Margaretha.

Onheil en kommer volge u op den voet!

U mogen harteleed en bitt’re droefheid

Speelnooten zijn en u gezelschap houden!

Twee zijt ge nu, de duivel zij de derde;

En dat driedubb’le wraak uw pad beloer’!

Suffolk.

Staak dit verwenschen, lieve koningin,

En laat uw Suffolk droevig afscheid nemen.

Koningin Margaretha.

Foei, laffe vrouw, weekhartig schepsel gij!

Mist gij den moed, uw vijand te vervloeken?

Suffolk.

Haal’ hen de pest! waartoe zou ik hen vloeken?

Als vloeken dood bracht als de alruinenkreet,

Dan vond ik bitterbooze woorden uit,

Zoo woest, zoo hard, zoo schrikk’lijk voor ’t gehoor,

En stiet ze door de opeengeklemde tanden

Met zooveel blijk van ingevreten haat,

Als in haar gruw’lijk hol de maag’re Nijd.

Mijn tong zou bij het heftig spreken struik’len,

Mijn oog zou als de vuursteen vonken sprank’len,

Mijn haar, als waar ’t razend, op gaan staan,

Ja, ieder lid zou doen, als vloekte ’t mee.

En nu juist dreigt mijn hart, bezwaard, te breken,

Als ik niet vloekte. Zij vergif hun drank!

Gal, erger nog dan gal, hun heerlijkst maal!

Hun liefste schaduw een cypressenwoud!

Hun daag’lijksche aanblik booze basilisken!

Hun zachtst gevoel scherp als haag’dissenpriemen!

Afschuwlijk hun muziek als slanggesis,

Door uilen-onheilskreten begeleid!

Al de eis’lijkheden van de diepste hel—

Koningin Margaretha.

Houd op, mijn Suffolk! zoo kwelt gij uzelf,

Zulk vloeken springt, als zonlicht van een spiegel

Of als een overladen donderbus, terug,

En keert zijn felheid tegen u, die ’t uitstoot.

Suffolk.

’k Moest vloeken, was uw last; herroept gij dien?

O, bij den grond, dien ik ontvluchten moet,

Dóórvloeken konde ik heel een winternacht,

Al moest ik naakt staan op een hoogen berg,

Waar scherpe vorst geen grasspriet groeien laat,

En ’k achtte dit een kortswijl van minuten.

Koningin Margaretha.

O zwijg! ik smeek het u. Reik mij uw hand, 339

Dat ik met bitt’re tranen die bedauwe;

En ’s hemels dauw bevochtig’ nooit die plek

Om mijner smart getuig’nis weg te wasschen!—

O waar’ mijn kus zoo op uw hand geprent,

Dat gij bij ’t zegel steeds aan deze dacht,

Door welke ik duizend zuchten om u slaak.

Ga thans, opdat ik heel mijn smart gevoel;

’k Vermoed die slechts, zoolang gij bij mij staat,

Als een die brast, maar aan gebrek reeds denkt,

’k Roep eerlang u terug, of—wees verzekerd,—

Ik waag het, dat ikzelf verbannen word;

Want, zijt gij ver, dan ben ik reeds verbannen.

Ga, spreek niet meer tot mij; ga daad’lijk heen!—

O, ga nog niet!—Twee vrienden, die ter dood

Veroordeeld zijn, omarmen zoo elkaar,

En scheiden, eindloos kussend, duizend keer,

Veel meer beducht voor ’t scheiden dan voor ’t sterven!

En toch, vaarwel! Vaarwel met u, mijn leven!

Suffolk.

Tienmaal wordt de arme Suffolk zoo verbannen,

Eens door zijn vorst, driewerf driemaal door u.

Het land betreurde ik niet, waart gij niet hier;

Volkrijk genoeg ware een woestijn voor Suffolk,

Indien hij daar uw hemelsch bijzijn had;[677]

Want waar gij zijt, daar is de gansche wereld,

Met elken lust, met elk genot der wereld;

En waar gij niet zijt, daar is eenzaamheid.

Ik kan niet meer. Leef gij, geniet uw leven;

Ik zonder één genot, dan dat gij leeft.

(Vaux komt op.)

Koningin Margaretha.

Waarheen spoedt Vaux zich dus? wat is er, spreek?

Vaux.

Ik moet aan zijne majesteit gaan melden,

Dat kardinaal Beaufort op sterven ligt;

Hem greep een zware ziekte plotsling aan,

Zoodat hij staroogt, hijgt en hapt naar lucht,

God lastrend en de menschenkindren vloekend.

Nu spreekt hij, alsof hertog Humfried’s geest

Daar naast hem stond, dan roept hij om den koning,

En fluistert tot zijn kussen, als tot hem,

Geheimen van zijn zwaarbeladen ziel;

En ’t is mijn last, den koning te gaan melden,

Dat hij daar juist geweldig om hem roept.

Koningin Margaretha.

Ga, breng die booze tijding aan den koning.

(Vaux af.)

Wee mij! wat is de wereld! welk een tijding!

Doch waarom klaag ik om een smart, zoo kort,

Den balling Suffolk, mijn kleinood, vergetend?

En treur ik, Suffolk, niet om u alleen, 383

In tranen even rijk als zuiderwolken,

Die de aard bevruchten, zooals ik mijn leed?

Doch ga nu heen; gij weet, de koning komt;

En vond hij u bij mij, gij waart des doods.

Suffolk.

Als ik van u moet gaan, kan ik niet leven;

En sterven voor uw oog, wat waar’ dit anders

Dan als een zoete slaap in uwen schoot?

Hier ademde ik mijn ziel ten hemel uit,

Zoo zacht en stil, gelijk het wiegekind,

Dat, zuigend, aan der moeder boezem sterft;

Doch ver van u zou ’k razend zijn, ontzind,

U roepend, om mij de oogen toe te drukken

En met uw lippen mij den mond te sluiten,

Want zoo hieldt ge in haar vlucht mijn ziel terug

Of in uw boezem ademde ik haar uit,

Zoodat zij leefde in ’t schoon Elysium.

Een dood bij u waar’ sterven als voor kortswijl,

Doch ver van u, een mart’ling, meer dan sterven;

O, laat mij blijven, kome wat er wil!

Koningin Margaretha.

Van hier! zij ’t afscheid ook een bijtend middel,

Hoe ’t grieve, een doodwond wordt er mee gebaat.

Naar Frankrijk, lieve; laat mij van u hooren;

Want waar gij op het wereldrond ook zijt,

Ik zal een Iris hebben, die u vindt.

Suffolk.

Ik ga.

Koningin Margaretha.

En neem mijn hart met u.

Suffolk.

Een rijk kleinood, in ’t allerdroevigst hulsel,

Dat ooit een kostlijkheid omsloten heeft.

Als een gebarsten schip, zoo scheiden wij;

Naar dezen kant wacht mij de dood.

Koningin Margaretha.

Naar dezen kant wacht mij de dood. Hier mij.

(Beiden af, naar verschillenden kant.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Londen. De slaapkamer van Kardinaal Beaufort.

Koning Hendrik, Salisbury, Warwick en Anderen komen op. Kardinaal Beaufort ligt te bed, Dienaars staan om hem heen.

Koning Hendrik.

Hoe is ’t, mylord? Beaufort, spreek tot uw vorst.

Kardinaal.

Zijt gij de dood? Ik geef u Englands schatten;

Genoeg om zulk een eiland u te koopen,

Zoo gij mij ’t leven laat, en zonder pijn.

Koning Hendrik.

O, welk een blijk van een misdadig leven,

Als ’t naad’ren van den dood zoo wordt gevreesd!

Warwick.

Beaufort, uw koning is ’t, die tot u spreekt.

Kardinaal.

Brengt, brengt mij voor ’t gerecht, wanneer gij wilt.

Hij stierf in bed; waar anders zou hij sterven?

Kan ik een mensch, wien ook, tot leven dwingen?— 10

O, foltert mij niet meer; ik wil bekennen.—

Weer levend? O, toont dàn mij, waar hij is;

Ik geef wel duizend pond om hem te zien.—

Hij heeft geen oogen; zij zijn blind, vol stof.—

Kamt neer zijn haren; die staan op; zij zijn

Lijmroeden, om mijn ziel, die vliegt, te vangen.—

Geeft mij te drinken; zegt aan de’ apotheker,

Dat hij het sterk vergif breng’, dat ik kocht.

Koning Hendrik.

Gij Eeuw’ge, die des hemels gang bestuurt,

Zie met genadig oog op dezen worm!

O, drijf den rustloos driesten duivel weg,

Die thans met macht zijn arme ziel bestormt!

Bevrijd zijn boezem van die zwarte wanhoop!

Warwick.

Zie, hoe de doodstrijd zijn gelaat verwringt!

Salisbury.

O, stoor hem niet, laat hem in vrede scheiden.

Koning Hendrik.

Zij vrede zijner ziel, als ’t God behaagt.

Lord Kardinaal, verwacht gij Gods genade,[678]

Zoo hef uw hand tot teeken uwer hoop.—

Hij sterft, en geeft geen teeken.—God, vergeef hem!

Warwick.

Een dood, zoo boos, verraadt een gruw’lijk leven.

Koning Hendrik.

O, oordeel niet, want zondaars zijn wij allen.—

Druk de oogen toe, en trek den voorhang dicht;

En keeren we allen tot onszelven in.

(Allen af.)