WeRead Powered by ReaderPub
Koning Hendrik de Zesde cover

Koning Hendrik de Zesde

Chapter 54: ZESDE TOONEEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play opens with a recent king's funeral and scenes of political fragmentation as a young heir ascends, prompting rival nobles to jockey for control. Military reverses in France and the rise of a charismatic French leader undermine English authority abroad, while celebrated commanders suffer setbacks. At home, feuds among powerful dukes and courtiers escalate into factional violence between competing houses, and legal and ecclesiastical maneuvers complicate governance. Omens and public unrest foreshadow deeper national decline. The action alternates battlefield episodes with court intrigue, showing how personal ambition and factional strife weaken a realm already strained by foreign war.

[Inhoud]

VIERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Kent. Het zeestrand bij Dover.

Men hoort op zee schieten. Daarna komen uit een boot: een Kaperkapitein, een Schipper, een Bootsman, Walter Whitmore en Anderen; met hen Suffolk, die vermomd is, en andere Edellieden als gevangenen.

Kapitein.

De bonte dag, zoo praatziek en weekhartig,

Heeft in den schoot der golven zich verscholen;

Luid huilend wekken wolven nu de knollen,

Die traag de kar der sombre, norsche Nacht

Voortsleepen en, met droomrig slappe vlerken

Langs graven zwevend, uit hun vochten muil

Vuil, giftig duister aad’men in de lucht.

Brengt nu de krijgers der genomen bark;

Terwijl ons schip ginds ankert, mogen zij

Hun losgeld ons voldoen hier op het strand,

Of met hun bloed den bleeken zandgrond kleuren.—

Hier, schipper, dien gevang’ne schenk ik u;—

Gij, bootsman, maak u dezen man ten nutte;—

Die andre, (op Suffolk wijzend.) Walter Whitmore, is uw deel. 14

Eerste Edelman.

Wat is mijn losprijs, schipper? noem de som.

Schipper.

Éénduizend kronen, of ’t kost u den kop.

Bootsman.

Datzelfde geeft gij mij, of de uwe vliegt.

Kapitein.

Wat! is dat veel? tweeduizend kronen saam,

En noemt en doet ge u voor als edellieden?—

Slaat hun den kop af!—Sterven zult gij, ja!

Weegt zulk een kleine som de levens op

Der makkers, die wij bij ’t gevecht verloren?

Eerste Edelman.

Ik zal ’t voldoen, man; spaar daarom mijn leven.

Tweede Edelman.

Ik ook; ik schrijf er daad’lijk om naar huis.

Whitmore.

Ik heb bij ’t ent’ren daar een oog verspeeld,

(Tot Suffolk.) En ’k wil dit wreken; daarom zult gij sterven;

En dezen stierven ook, had ik mijn zin.

Kapitein.

Wees niet zoo fel; neem losgeld; laat hem leven.

Suffolk.

Zie mijn Sint George; ik ben een edelman;

Schat mij zoo hoog gij wilt; ik geef het u.

Whitmore.

Ik ben het ook; mijn naam is Walter Whitmore. 31

Nu, waarom rilt gij? schrikt gij voor den dood?

Suffolk.

Uw naam verschrikt mij; in zijn klank is dood.

Een wijs man heeft mijn horoskoop getrokken,

En toen gezegd: door Water zoude ik sterven.

Maar laat u dit toch niet bloeddorstig stemmen;

Goed uitgesproken, is uw naam Gaultier.

Whitmore.

Gaultier of Walter, ’t is mij een. Maar nooit

Heeft lage schimp mijn naam verdraaid, bezoedeld,

Dat niet mijn zwaard de vlek heeft uitgewischt.

Daarom, drijf ik ooit handel met mijn wraak,

Verbreek mijn zwaard dan, sla mijn wapen stuk,

En roep alom mij als een lafaard uit!

(Hij grijpt Suffolk aan.)

Suffolk.

Stil, Whitstone, weg! een prins is uw gevangne;

’t Is hertog Suffolk, William de la Pole.

Whitstone.

De hertog Suffolk, dus gehuld in lompen!

Suffolk.

Die lompen zijn geen deel van hertog Suffolk;

Heeft Jupiter zich niet vermomd als ik?

Kapitein.

Maar Jupiter werd nooit onthoofd als gij. 49

Suffolk

(tot den Kapitein). Gij lage vlegel, koning Hendriks bloed,

Het eerbiedwaarde bloed van Lancaster,

Mag zulk een lompe stalknecht niet vergieten.

Hebt gij weleer de hand mij niet gekust,

Den beugel voor mijn voet niet vastgehouden,

Blootshoofds gedraafd naast mijn behangen muildier,

En door mijn knik gelukkig u gevoeld?

Hoe vaak hebt gij bij ’t beek’ren mij bediend,

Geteerd op de’ afval van mijn maal, en need’rig

Geknield aan mijnen disch, als ik aan ’t feestmaal

Met koningin Marg’retha was gezeten?

Herdenk dit, en ’t betoome uw fieren moed,

Ja, en het knakke uw onberaden trots.

Hoe vaak stondt gij niet in mijn voorportaal,

En wachttet onderdanig tot ik kwam?[679]

De hand hier schreef wel eens ten uwen bate,

En kluist’re daarom thans uw wilde tong.

Whitmore.

Kap’tein, zal ik dien vlegel u doorpriemen?

Kapitein.

Eerst prieme ik hem met woorden, als hij mij.

Suffolk.

Uw woorden, slaaf, zijn stomp, zooals gijzelf.

Kapitein.

Voer hem van hier ter zij van onze sloep,

En sla hem ’t hoofd af.

Suffolk.

En sla hem ’t hoofd af. Waagt gij ’t hoofd er aan?

Kapitein.

Ja, Pole.

Suffolk.

Ja, Pole. Pole?

Kapitein.

Pool’? Sir Pole? lord?

Ja, poel, moeras, riool, wiens vuil en drek

De zilvren bron bederft, waar England drinkt.

Nu stop ik u dien opgesperden muil,

Dat gij den schat des lands niet zwelgt; die lippen,

Die Margaretha kusten, vagen ’t stof;

En gij, die hertog Humfried’s dood belachtet,

Grijnst de ongevoel’ge winden tevergeefs

Nu aan; die fluiten u verachtend uit;

Aan helsche heksen wordt gij uitgehuwd,

Omdat gij voor een grooten, hoogen vorst,

De dochter van een beed’laar-koning aanzocht,

Die onderdaan, noch goud, noch kroon bezat.

Groot werdt ge alleen door duivels-politiek,

En dronkt u vol, als eens de eergier’ge Sulla,

Aan uwer eigen moeder bloedend hart. 85

Maine en Anjou hebt gij verkocht aan Frankrijk;

Door u is ’t, dat de oproer’ge Normandijers

Driest ons gezag verwerpen, Picardije

Haar stedehouders doodt, de sterkten slecht,

De krijgers naakt en bloedend huiswaarts zendt.

De vorstelijke Warwick, al de Nevils,

Wier vreeslijk zwaard nooit vruchtloos wordt ontbloot,

Zijn reeds, omdat ze u haten, opgestaan;

En ’t huis van York,—eens van den troon verdrongen

Door ’t snood vermoorden van een schuldloos vorst,

En door roofgier’ge drieste dwinglangdij,—

Dat gloeit van wraaklust, steekt de vaan der hoop,

De halve zon, door wolken brekend, op,

Waaronder staat: „invitis nubibus”.

Het volk in Kent is opgestaan, gewapend;

In één woord, beed’laars-armoê en beschimping

Zijn ingeslopen in des konings slot,

En dat alleen door u.—Weg, voert hem heen!

Suffolk.

O ware ik thans een god, die bliksems schoot,

Op deze lage, slaafsche, vuile knechten!

’t Gepeupel wordt door kleine dingen trotsch;

Hier deze schurk, die op een boot bevel voert,

Dreigt feller dan Illyrië’s kaperhoofdman,

De sterke Bargulus.—De hommel zuigt

Geen aad’laarsbloed, maar gaat in bijenkorven

Op roof uit; ’t is onmooglijk, dat ik sterf

Door zulk een lagen dienstman als gij zijt.

Uw taal wekt woede, geen berouw in mij.

Ik moet naar Frankrijk voor de koningin;

En zeg u: voer mij veilig over zee.

Kapitein.

Walter!

Whitmore.

Kom, Suffolk, naar uw dood moet ik u voeren.

Suffolk.

Pene gelidus timor occupat artus. U vrees ik.

Whitmore.

Ja vreezen zult gij, eer ik van u ga.

Wat! zijt gij mak geworden? wilt ge u buigen?

Eerste Edelman.

Genadig hertog, spreek hem vriendlijk toe.

Suffolk.

Gestreng en barsch is Suffolk’s heerscherstong,

Weet te gebieden, niet om gunst te vragen.

Ver zij ’t van ons, zulk volk door smeekgebeden

Te huldigen; eer buige zich mijn hoofd

Op ’t blok, dan dat mijn knie voor iemand buige,

Dan voor den hoogen God en voor mijn koning;

En eer nog danse ’t bloedig op een stang,

Dan dat het zich ontbloot voor zulk een knecht.

Wie waarlijk edel is, weet van geen vrees;

Meer kan ik dragen, dan gij waagt te doen.

Kapitein.

Komt, sleurt hem weg en laat hem niet meer praten. 131

Suffolk.

Komt, mannen, toont, wat gruw’len gij vermoogt,

Opdat mijn sterven nimmer zij vergeten.

Vaak sterven groote mannen door verworp’nen:

Een vechter en bandiet uit Rome moordde

Den reed’naar Tullius; Brutus’ bastaard-hand

Doorpriemde Cæsar; tuchtloos eilandvolk

Den held Pompejus; Suffolk sterft door roovers.

(Whitmore met Suffolk en Anderen af.)

Kapitein.

Wat hen betreft, wier losprijs vastgesteld is,

Één hunner moge voor het geld gaan zorgen;

Kom gij dus met ons mede; hìj kan gaan.

(Allen af, behalve de Eerste Edelman.)

(Whitmore komt terug, met Suffolk’s hoofdloos lijk en hoofd.)

Whitmore.

Daar ligg’ zijn hoofd en levenlooze romp,

Tot hem de koningin, zijn lief, begraav’.

(Whitmore af.)

Eerste Edelman.

O, ongehoord barbaarsch en bloedig schouwspel!

Zijn lichaam wil ik aan den koning brengen;

Wreekt die hem niet, zijn vrienden doen ’t en zij,

Aan wie hij dierbaar was, de koningin.

(De Eerste Edelman af met Suffolk’s lijk.)

[680]

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Blackheath.

George Bevis en John Holland komen op.

George.

Kom, schaf u een zwaard aan, al is het er een van hout; zij zijn al sinds eergisteren opgestaan.

John.

Des te meer lust zullen ze hebben om te gaan slapen.

George.

Ik zeg u, Jack Cade, de lakenwever, wil den staat nieuw opmaken en keeren en er nieuwe wol opbrengen.

John.

Dat is ook hoognoodig, want afgedragen is hij tot den draad. Ik zeg maar, met het vroolijk leven is het uit in Engeland, sinds de edellieden opgekomen zijn.

George.

O ellendige tijd; deugd van handwerkslieden is niet meer in tel.

John.

De adel houdt het voor schandelijk, een schootsvel te dragen.

George.

Wat meer is, de raadslieden van den koning leveren slecht werk.

Koning Hendrik VI, Tweede Gedeelte, Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel.

John.

Zoo is het; en toch is het zeggen: „werk in uw beroep”; wat zoo veel wil zeggen als: „laat de overheden werklieden zijn”; en daarom moesten wij eigenlijk overheden zijn. 20

George.

Juist, man; er is geen beter teeken van een wakkeren kerel dan een harde hand.

John.

Ik zie ze! ik zie ze! Daar is de zoon van Best, den looier uit Wingham,—

George.

Hij moet de huiden krijgen van onze vijanden, om er hondenleer van te maken.

John.

En Dick, de slager,—

George.

Nu, dan wordt de zonde gedold als een os en de ongerechtigheid gekeeld als een kalf.

John.

En Smith, de wever,—

George.

Argo, hun levensdraad is afgesponnen.

John.

Kom, kom, ons bij hen aangesloten!

(Getrommel. Jack Cade, Dick de slager, Smith de Wever en een groote hoop volks komen op.)

Cade.

Wij, John Cade, naar onzen vermeenden vader zoo genoemd,—

Dick

(ter zijde). Of liever naar de keet, waar gij als leerjongen gestolen hebt.

Cade.

Want onze vijanden moeten vallen voor ons, die gedreven worden door den geest om koningen en vorsten ten val te brengen;—zegt, dat zij stil zijn.

Dick.

Stilte!

Cade.

Mijn vader was een Mortimer,—

Dick

(ter zijde). Hij was een eerlijke kerel en een goed metselaar.

Cade.

Mijn moeder een Plantagenet,—

Dick

(ter zijde). Ik heb haar wel gekend; zij was vroedvrouw.

Cade.

Mijn vrouw stamt uit het geslacht van de Spencers;—

Dick

(ter zijde). Zij was inderdaad een marskramersdochter en kan ook wel spencers verkocht hebben.

Smith

(ter zijde). Maar nu, sinds ze niet meer in staat is, om met haar mars het land af te reizen, wascht ze te huis voor de menschen.

Cade.

En dus ben ik van hoogen huize.

Dick

(ter zijde). Ja, waarachtig, het vrije veld heeft een hoog dak, en daar is hij geboren, achter een heg; want zijn vader heeft nooit een huis gehad behalve het landloopershok.

Cade.

Moed heb ik;—

Smith

(ter zijde). Dat zal wel; er behoort moed toe, om te bedelen.

Cade.

En ik kan veel verdragen;—

Dick

(ter zijde). Buiten twijfel; want ik heb hem drie marktdagen achtereen met de bullepees zien krijgen.

Cade.

Ik ben voor vuur noch zwaard beducht;—

Smith

(ter zijde). Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want zijn plunje is beproefd, door langen dienst. 65

Dick

(ter zijde). Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor zijn, want hij is in de hand gebrand voor het stelen van schapen.

Cade.

Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u, dat hij alles hervormen zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan van drie hoepels hoog zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren, scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden, en op Cheapside zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning ben,—want koning zal ik zijn,—

Allen.

God behoede uw majesteit!

Cade.

Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen zullen op mijn kosten eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei kleeden, opdat zij overeenstemmen als broeders en mij als hun heer vereeren.

Dick.

Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan.

Cade.

Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel van een onnoozel lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het bekrabbeld is, een mensch kan te niet doen? Men zegt, dat de bij steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want ik heb maar eens in mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn eigen meester. Wat is dat? wien hebt gij daar?

[681]

(Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.)

Smith.

De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen opmaken!

Cade.

O, afschuwelijk!

Smith.

Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor zijn jongens.

Cade.

’t Is een schurk.

Smith.

Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in.

Cade.

Wel, dan is hij een duivelbezweerder.

Dick.

Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als een advocaat.

Cade.

Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem niet schuldig vind, zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u verhooren. Hoe is uw naam?

Klerk.

Emanuël.

Dick.

Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht met u afloopen.

Cade.

Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt gij een handmerk, zooals een eerlijk en eenvoudig man?

Klerk.

Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan schrijven. 113

Allen.

Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een verrader.

Cade.

Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om zijn hals.

(Eenigen af met den Klerk.)

(Michaël komt op.)

Michaël.

Waar is onze generaal?

Cade.

Hier ben ik, enkele kerel.

Michaël.

Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder zijn hier vlak bij, met het krijgsvolk van den koning.

Cade.

Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal een man vinden zoo goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet waar?

Michaël.

Juist.

Cade.

Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder maken. Kniel neder, Mortimer. (Hij knielt.)—Sta op, Sir John Mortimer.—(Hij rijst op.) Nu op hem los.

(Sir Humfried Stafford en zijn broeder William komen met slaande trommen en met troepen op.)

Stafford.

Oproerig vee, afval en schuim van Kent,

Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer;

IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht.

De koning is genadig, zoo gij afvalt.

William Stafford.

Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak,

Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft.

Cade.

’k Let niet op deze in zij gekleede slaven;

Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover

Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker,

Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon.

Stafford.

Hondsvot, uw vader was een metselaar;

Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet?

Cade.

En Adam was een spitter.

William Stafford.

Nu, wat wilt gij?

Cade.

Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man

Der dochter van den hertog Clarence, niet?

Stafford.

’t Is waar.

Cade.

En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk.

William Stafford.

Niet waar.

Cade.

Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is.

Het oudste van de twee, dat bij een min was,

Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw;

Het kende zijn geboorte en afkomst niet,

En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar.

Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt.

Dick.

Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning.

Smith.

Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en de baksteenen zijn nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het niet. 158

Stafford.

En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof,

Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt?

Allen.

Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg!

William Stafford.

Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd.

Cade

(ter zijde). Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—(Luid). Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders wil, Hendrik den Vijfden, in wiens tijd de jongens duitenwerpen speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft regeeren; maar ik wil protector over hem zijn.

Dick.

En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het hertogdom Maine verkocht heeft.

Cade.

En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met een kruk moeten loopen, als mijn macht het niet op de been hield. Gij medekoningen, ik zeg u, dat die lord Say den staat ontmand en tot een gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij kan Fransch spreken en dus is hij een verrader.

Stafford.

O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid!

Cade.

Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu, dan vraag ik [682]alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt, een goed raadsman zijn, ja of neen?

Allen.

Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd.

William Stafford.

Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen,

Zoo grijp hen met des konings heermacht aan.

Stafford.

Ga heen, heraut, roep uit in elke stad,

Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn;

Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht,

Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders,

Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.—

En wie des konings vriend is, volge mij!

(De beide Staffords met hun troepen af.)

Cade.

En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!—

’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen.

Wij willen lord noch jonker sparen, niemand,

Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt.

Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen,

Als zij maar durfden, zeker onzen kant.

Dick.

Zij zijn daar al in orde en komen op ons af.

Cade.

Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn. Komt, vooruit! voorwaarts!

(Allen af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van Blackheath.

Krijgsgedruisch. Beide partijen komen op en vechten. De beide Staffords worden gedood.

Cade.

Waar is Dick, de slachter van Ashford?

Dick.

Hier.

Cade.

Zij vielen voor u als schapen en ossen, en gij hieldt huis, alsof gij in uw eigen slachterij waart; daarom wil ik u aldus beloonen: de vastentijd zal nog eens zoolang duren als nu en gij zult een vergunning krijgen om een honderdtal beesten min één te slachten.

Dick.

Meer verlang ik niet.

Cade.

En in waarheid, gij verdient niet minder.—(Hij doet de wapenrusting van Sir Humfried Stafford aan.) Dit gedenkteeken van de overwinning wil ik dragen, en de lijken zal mijn paard nasleepen, tot ik in Londen kom, waar wij het zwaard van den mayor voor ons uit willen laten dragen.

Dick.

Als wij geluk willen hebben en wat willen uitrichten, moeten wij de tuchthuizen openbreken en de gevangenen vrijlaten.

Cade.

Weest onbezorgd; daar sta ik voor in.

Komt, allen voorwaarts, naar Londen!

(Allen af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Koning Hendrik, een verzoekschrift lezende, komt op, met den Hertog van Buckingham en Lord Say; op den achtergrond is Koningin Margaretha, treurende over Suffolk’s hoofd.

Koningin Margaretha.

Ik hoorde vaak, dat droefnis het gemoed

Verzacht en angstig maakt en gansch ontaardt;

Laat daarom af van weenen, denk aan wraak.

Maar wie ziet dìt en moet niet blijven schreien?

Ik moog’ zijn hoofd aan ’t zwoegend hart doen rusten,

Doch waar is ’t lijf, dat ik omarmen zou?

Buckingham.

Wat antwoord zendt uw hoogheid den rebellen?

Koning Hendrik.

Ik zend een heil’gen bisschop als bemidd’laar;

Verhoede God, dat zooveel arme zielen

Omkomen door het zwaard! Eer bloedige oorlog

Hen nedermaai’, verleen ik liever zelf

Hun generaal Jack Cade een mondgesprek.—

Maar wacht, ik wil nog eens dit overlezen.

Koningin Margaretha.

O gij barbaren! heeft zijn schoon gelaat

Mij als een wand’lend hemellicht beheerscht,

En kon het hen niet tot erbarmen dwingen,

Die gansch onwaardig waren ’t aan te zien?

Koning Hendrik.

Lord Say, Jack Cade wil uw hoofd, dit zweert hij. 19

Say.

Ja, maar uw hoogheid, hoop ik, neemt het zijn.

Koning Hendrik.

Hoe is het, vrouwe?

Nog altijd jamm’rend over Suffolk’s dood?

Ik vrees, mijn lief, zoo ik gestorven waar’,

Dan hadt gij mij zoo hevig niet betreurd.

Koningin Margaretha.

’k Had, liefste, u niet betreurd, ik stierf om u.

(Een Bode komt op.)

Koning Hendrik.

Wat is er? waartoe komt gij met die haast?

Bode.

De muiters zijn in Southwark. Vlucht, mijn vorst!

Jack Cade is, houdt hij vol, Lord Mortimer,

Gesproten uit het hertogshuis van Clarence;

Hij noemt uw hoogheid onrechtmatig vorst

En zweert, in Westminster zichzelf te kronen.

Zijn leger is een havelooze bende

Van knechten, boeren, ruw en onbarmhartig.

Sir Humfried Stafford’s en zijns broeders dood

Gaf hun het hart, den moed om door te gaan.

Geleerden, advocaten, hof en adel,

’t Zijn rupsen; schaad’lijk goed; hun dood staat vast.

Koning Hendrik.

Godd’loozen, die niet weten wat zij doen!

[683]

Buckingham.

Mijn koning, neem de wijk naar Killingworth,

Totdat een macht, die hen bedwingt, bijeen is.

Koningin Margaretha.

O, leefde thans de hertog Suffolk nog,

Die Kentsche muiters waren ras bedwongen.

Koning Hendrik.

Lord Say, die oproermakers haten u;

Daarom, ga met ons mee naar Killingworth.

Say.

Dit bracht allicht uw hoogheid in gevaar.

Zoo ’t volk mij zag, dan wekte dit hun woede;

Niet raadzaam is ’t, dat ik de stad verlaat;

Ik blijf en houd mij schuil, zoo goed het gaat.

(Een Tweede Bode komt op.)

Tweede Bode.

Jack Cade is in ’t bezit der Lond’nerbrug;

De burgers vluchten angstig uit hun huizen;

En ’t schelmsche volk vereent zich met de muiters,

Uit dorst naar buit; als één man zweren zij

De stad en ’t koninklijk paleis te plund’ren.

Buckingham.

Zoo draal niet, heer; te paard en ras van hier!

Koning Hendrik.

Kom, Margaretha; hoop op God, hij helpt ons.

Koningin Margaretha.

Mijn hoop vervloog, nu Suffolk niet meer is.

Koning Hendrik

(tot lord Say). Vaarwel, mylord, vertrouw de muiters niet.

Buckingham.

Vertrouw, daar gij verraad moet duchten, niemand.

Say.

Het volst vertrouwen stel ik op mijn onschuld,

En daarom ben ik moedig en gerust.

(Allen af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Aldaar. De Tower.

Lord Scales en Anderen komen op en wandelen op de wallen. Daarna komen eenige Burgers beneden op.

Scales.

Wel, is Jack Cade alreeds gedood?

Eerste Burger.

Neen, mylord, en het lijkt er nog niet naar, want zij hebben de brug genomen, en dooden alles, wat weerstand biedt. De lord mayor vraagt uw edelheid om bijstand uit den Tower, ten einde de stad tegen de muiters te verdedigen.

Scales.

Zoo veel ik missen kan is tot uw dienst;

Maar ik heb zelf de handen vol met hen;

Zij waagden reeds een aanval op den Tower.

Doch trek naar Smithfield en verzamel volk;

Daarheen zend ik tot u Matthias Gough.

Strijd voor den koning, voor uw land, uw levens;

En nu vaartwel; mijn plicht roept mij van hier.

(Allen af.)

[Inhoud]

ZESDE TOONEEL.

Aldaar. De Kanonstraat.

Jack Cade komt op met zijn Volgers. Hij slaat met zijn staf op den Londener steen.

Cade.

Nu is Mortimer heer van deze stad. En hier, zittende op den Londener steen, beveel en gelast ik, dat, op kosten van de stad, het manneke-pis niets anders dan rooden wijn zal geven in het eerste jaar van onze regeering. En verder, voortaan zal het hoogverraad zijn, als iemand mij anders noemt dan lord Mortimer.

(Een gewapend Rebel komt haastig aangeloopen.)

Rebel.

Jack Cade! Jack Cade!

Cade.

Slaat dien kerel dood!

(De Man wordt gedood.)

Smith.

Als die knaap verstandig is, zal hij u nooit meer Jack Cade noemen; mij dunkt, hij heeft een mooie waarschuwing gekregen.

Dick.

Mylord, bij Smithfield is een leger bijeengebracht.

Cade.

Komt dan, laat ons met hen gaan vechten. Maar gaat eerst de Londener brug in brand steken, en als gij kunt, brandt dan ook den Tower plat. Komt, vooruit!

(Allen af.)

[Inhoud]

ZEVENDE TOONEEL.

Aldaar. Smithfield.

Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op Jack Cade met zijn volk; van de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door Matthias Gough. Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en Matthias Gough valt.

Cade.

Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en het Savooische huis neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond!

Dick.

Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid.

Cade.

Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben.

Dick.

Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen komen.

John

(ter zijde). Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij is in den mond gestoken met een speer en nog niet genezen.

Smith

(ter zijde). Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want hij stinkt uit den mond naar gerooste kaas.

Cade.

Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de besluiten van het rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen.

John

(ter zijde). Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem zijn tanden niet uitgetrokken worden.

Cade.

En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn.

[684]

(Een Bode komt op.)

Bode.

Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden in Frankrijk verkocht heeft, die ons een-en-twintig maal den vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond bij de laatste oorlogsschatting.

(George Bevis komt op, met Lord Say.)

Cade.

Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—Zoo, gij Say, gij saai, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke rechtspraak. Wat kunt gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij Normandije aan Monsieur Baesimeku, den dauphijn van Frankrijk, hebt overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, dat is door dezen lord Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen van zulke vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl voordezen onze voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het keepmes en den kerfstok, hebt gij het drukken in zwang gebracht en, tot inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, een papiermolen gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om u heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en meer zulke afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan. Gij hebt vrederechters benoemd, om arme drommels voor zich te roepen over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. Bovendien hebt gij die in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden lezen, terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een schabrak, is het zoo niet?

Say.

En wat zou dat? 52

Cade.

Wel, gij moest uw paard geen mantel laten dragen, als beter lui dan gij in broek en hemdrok rondloopen.

Dick.

En in hun hemd werken bovendien; zooals ik bij voorbeeld, die een slager ben.

Say.

Gij mannen van Kent,—

Dick.

Wat hebt gij op Kent te zeggen?

Say.

Slechts dit: ’t is bona terra, mala gens.

Cade.

Weg met hem! weg met hem! hij spreekt Latijn.

Say.

Hoor mij slechts aan; breng dan mij, waar gij wilt.

Kent wordt in Julius Caesar’s commentaren

De liefste streek genoemd van heel dit eiland;

Het land is schoon, daar ’t overvloeit van zegen;

Het volk kloekmoedig, nijver, rijk en mild,

Wat mij doet hopen, dat gij deernis kent.

Niet ik gaf Maine en Normandije prijs,

Neen, met mijn bloed kocht ik die gaarne weêr.

Met zachtheid heb ik steeds het recht gepleegd,

Mij roerden beden, tranen,—giften nooit.

Wanneer legde ik u lasten op, tenzij

Ten nutte van den koning, ’t rijk, uzelven?

Veel giften schonk ik aan geleerde mannen,

Omdat mijn weten bij den koning gold,

En wijl onwetendheid Gods vloek, maar kennis

De vleugel is, die ons ten hemel heft.

Zijt gij van hellegeesten niet bezeten,

Dan deinst gij van een moord op mij terug.

Hier deze tong heeft vaak aan vreemde hoven

Voor u gepleit,—

Cade.

Pah! wanneer hebt ge in ’t veld het zwaard gevoerd?

Say.

Der grooten arm reikt ver; vaak trof ik mannen,

Die ’k nooit gezien had, trof ze dood’lijk zelfs.

George.

O schandelijke lafaard! Wat, menschen van achteren te overvallen!

Say.

Mijn kaak is bleek van ’t waken voor uw welzijn.

Cade.

Geef hem een oorveeg, dat zal die weder rood maken.

Say.

’t Lang zitten in ’t gerecht voor arme lieden

Bezwaarde mij met ziekte en meen’ge kwaal.

Cade.

Dan zult gij een hartversterking van hennep hebben en den bijstand van een bijl.

Dick.

Wat siddert gij, man? 96

Say.

Mij plaagt een zenuwkwaal; het is geen vrees.

Cade.

Kijk, hij knikt ons toe, alsof hij zeggen wil, ik zal u wel vinden. Ik wil eens zien, of zijn kop op een staak ook zoo waggelt. Voert hem weg en slaat hem het hoofd af.

Say.

Zeg dan, wat ik vooral misdreven heb;

Heb ik gejaagd naar macht of rijkdom?—spreek!

Goud afgeperst tot vulling van mijn koffers?

Valt mijn kleedij door groote pracht in ’t oog?

Wien krenkte ik ooit, dat gij mijn leven zoekt?

Geen schuldloos bloed heeft deze hand vergoten,

In deze borst geen arglist ooit gehuisd;

O, laat mij ’t leven!

Cade

(ter zijde). Ik bespeur daar deernis in mijzelf bij zijn woorden, maar ik wil die beteugelen; sterven zal hij, al was ’t alleen, omdat hij zoo mooi voor zijn leven pleit.—Weg met hem! hij heeft een dienstbaren duivel onder zijn tong, hij spreekt niet in den naam van God. Gaat, zeg ik, voert hem weg en slaat hem terstond het hoofd af; en breekt dan in bij zijn schoonzoon, Sir James Cromer, en slaat hem het hoofd af, en brengt die alle twee op twee staken hier.

[685]

Allen.

Het zal gebeuren.

Say.

Landslieden, ach, zoo God bij uw gebeden

Zoo weinig deernis heeft, als gij nu toont,

Hoe zal ’t met uw gescheiden zielen gaan?

Wordt daarom nog verzacht en spaart mijn leven.

Cade.

Weg met hem, doet zooals ik u beveel.

(Eenigen zijner aanhangers met Lord Say af.)

De fierste pair van het koninkrijk zal geen hoofd op zijn schouders dragen, als hij mij geen schatting betaalt. Geen meisje zal er uitgehuwd worden, zonder dat zij mij haar maagdom betaalt, eer zìj dien krijgen. De mannen zullen mij leenheer noemen, en wij gelasten en bevelen, dat hun vrouwen zoo vrij zullen wezen, als het hart maar wenschen of de tong vertellen kan.

Dick.

Mylord, wanneer moeten wij naar Cheapside gaan, om koopwaren op te nemen, waar onze bijlen borg voor spreken?

Cade.

Wel, dadelijk.

Allen.

O, heerlijk!

(De Rebellen komen terug, met de hoofden van Lord Say en zijn Schoonzoon op staken.)

Cade.

Maar is dit niet veel heerlijker?—Laat hen elkander kussen, want zij hadden elkander lief, toen zij nog leefden. Maar nu weer van elkaar, opdat zij niet samen raadplegen om nog meer Fransche steden weg te geven. Soldaten, stelt de plundering van de stad uit tot van nacht, want wij willen deze twee voor ons uit laten dragen als twee rijksappels, en zoo door de straten rijden, en op iederen hoek zullen zij elkander kussen.—Vooruit!

(Allen af.)

[Inhoud]

ACHTSTE TOONEEL.

Southwark.

Strijdgedruisch. Cade komt op, met al zijn gepeupel.

Cade.

De Vischstraat op! dan af naar den Sint-Magnushoek! Slaat dood, velt ze neer! smijt ze in de Theems!—(Er wordt een sein geblazen voor een mondgesprek, daarna het sein ter terugroeping.) Heeft daar iemand het hart, terugroeping of onderhandeling te blazen, als ik last geef, alles dood te slaan?

(Buckingham en de oude Clifford komen op, met troepen.)

Buckingham.

Ja, hier zijn zij, die ’t wagen u te storen.

Weet, Cade, als afgezanten zijn wij hier

Des konings aan ’t door u verleide volk;

Wij zeggen aan een elk vergiff’nis toe,

Die u verlaat en rustig huiswaarts keert.

Clifford.

Wat kiest gij, landgenooten? de genade,

Die onderwerping nog erlangt, of moet

Een oproerling u voeren in den dood?

Wie ’t met den koning houdt, vergiff’nis wenscht,

Die zwaai’ zijn muts en roep’: „Den koning heil!”

Doch wie hem haat, zijn vader niet vereert,

Dìen Hendrik, die gansch Frankrijk sidd’ren deed,

Die dreige ons met zijn wapen en trekk’ voort.

Allen.

Den koning heil! den koning heil!

Cade.

Wel, wel, Buckingham en Clifford, zijt gij zoo dapper?—En gij, laffe boeren, gelooft gij hen? wilt gij volstrekt gehangen worden met uw pardon om den hals? Heeft mijn zwaard daarom de poort van Londen opengebroken, opdat gij mij bij het Witte Hert in Southwark in den steek zoudt laten? Ik dacht, dat gij die wapens nooit zoudt nederleggen, aleer gij uw oude vrijheid herwonnen hadt, maar gij allen zijt afvalligen en lafaards en ’t is u een genot, in de slavernij van den adel te leven. Nu, ’t zij zoo, laten zij u met lasten den rug breken, u het dak boven ’t hoofd wegnemen, uw vrouwen en dochters voor uw oogen verkrachten,—wat mij betreft, ik zal alleen wel raad schaffen, en daarmee,—Gods vloek op u allen!

Allen.

Wij volgen onzen Cade, wij volgen Cade!

Clifford.

Is Cade een zoon van onzen vijfden Hendrik, 36

Dat gij zoo jubelt, zoo hem volgen wilt?

Zal hij u tot in ’t hart van Frankrijk voeren,

U, zelfs den minste, graaf of hertog maken?

Ach, hij heeft huis noch hof noch toevluchtsoord,

Hij kan niet leven, dan alleen door roof,

’t Bestelen van uw vrienden en van ons.

Waar’ ’t u geen hoon, zoo tijdens uwe tweedracht

De schuwe Franschman, eerst door u verslagen,

De zeeën overstak en u versloeg?

Ik zie hem reeds, bij dezen burgertwist,

Hoe hij den baas in Londens straten speelt,

„Vigliacco!” roept tot elk, dien hij ontmoet.

Laat eer tienduizend laaggeboren Cades

Ten onder gaan, dan dat ge u buigen zoudt

Voor de genade van een enk’len Franschman.

Naar Frankrijk, op! herwint wat gij verloort,

Spaart England, dàt is uw geboortestrand.

Hendrik heeft geld, gijzelf zijt sterk en moedig;

God helpt ons, twijfelt aan de zege niet.

Allen.

Ho, Clifford! leve Clifford! wij gaan met den koning mee, en met Clifford!

Cade.

Werd ooit een veertje zoo licht heen en weer geblazen als deze volkshoop? De naam van Hendrik den Vijfden sleept hen mee tot een honderd boosheden en maakt, dat zij mij in den nood verlaten. Ik zie, dat zij de koppen reeds bij elkander steken om mij te overrompelen, mijn zwaard moet mij een weg banen, want hier is niet te talmen.—Trots hel en duivels zal ik midden door u heen gaan; en eer en hemel zullen van mij getuigen, dat geen gebrek [686]aan moed, maar alleen het laag en schandelijk verraad van mijn aanhang mij de hielen doet lichten.

(Cade af.)

Buckingham.

Wat! Cade ontvlucht? dan een’gen ras hem na;

En wie het hoofd diens mans den koning brengt,

Zal duizend kronen ter belooning hebben.

(Eenigen spoeden zich heen.)

Gij mannen, volgt; een middel zij bedacht,

Om allen met den koning te verzoenen.

(Allen af.)

[Inhoud]

NEGENDE TOONEEL.

Het kasteel Kenilworth.

Trompetgeschal. Koning Hendrik, Koningin Margaretha en Somerset verschijnen op het terras van het kasteel.

Koning Hendrik.

Zat ooit op een’gen aardschen troon een koning,

Wien niet meer vreugd ten dienste stond dan mij?

Ik was mijn wieg te nauwernood ontkropen,

Of, negen maanden oud, werd ik reeds koning;

Nooit wenschte een onderdaan zoo, vorst te worden,

Als ik verlang een onderdaan te zijn.

(Buckingham en Clifford komen op, boven.)

Buckingham.

Geluk en blijde tijding aan uw hoogheid!

Koning Hendrik.

Spreek, Buckingham, is die verrader Cade

Gevat, of week hij slechts om macht te gâren?

(Beneden komt een aantal aanhangers van Cade op, allen met stroppen om den hals.)

Clifford.

Hij vlood, Heer, heel zijn aanhang gaf zich over,

En wacht, met stroppen om den hals, ootmoedig

Op de uitspraak van uw hoogheid, dood of leven.

Koning Hendrik.

Zet, hemel, dan uw eeuw’ge poorten open, 13

En dat mijn dank en lof u welkom zij!—

Gij, krijgers, heden kocht ge uw leven vrij;

Gij toont mij, hoe ge uw land en vorst bemint;

Blijft steeds zoo welgezind, en weest verzekerd,

Dat gij, schoon Hendrik ongelukkig zij,

Hem nimmer liefdeloos bevinden zult.

En zoo, u allen dankend en vergevend,

Zend ik u, ieder naar zijn haardsteê, heen.

Allen.

God behoede den koning! God behoede den koning!

(Een Bode komt op).

Bode.

’t Behage uw hoogheid, mijn bericht te hooren:

Zoo even komt de hertog York uit Ierland,

En rukt, met groote en sterke legermacht,

Van Galloglassen en van forsche Kernen,

Recht trotsch geschaard, naar hier, alom verkondend,

Dat hij geen ander doel heeft met zijn waap’ning,

Dan van het hof den hertog Somerset,—

Hij noemt dien een verrader,—te verwijd’ren.

Koning Hendrik.

Zoo ben ik tusschen Cade en York benard,

Gelijk een schip, dat juist een storm ontsnapt,

Pas rustig, door een kaper wordt geënterd;

Die Cade is pas verjaagd, zijn macht verstrooid,

Of York snelt, tot zijn hulp gewapend, aan.

Ga, bid ik, Buckingham, hem te gemoet,

Vraag hem de reden van zijn tocht, en zeg,

Dat hertog Edmond naar den Tower op weg is;—

Dien geef ik, Somerset, u tot verblijf,

Maar slechts, tot hij zijn macht heeft afgedankt.

Somerset.

Ik ga, mijn vorst, gewillig in die hecht’nis,

Of in den dood, zoo dit mijn land kan baten.

Koning Hendrik

(tot Buckingham). Maar bezig, hoe ’t ook ga, geen barsche taal,

Want heftig is hij en verdraagt dit niet.

Buckingham.

’k Herdenk dit, Heer; verwacht van mijn beleid,

Dat alles zich ten uwen beste keert.

Koning Hendrik.

Kom, vrouw, gaan wij van hier; en ’t rijksbeheer

Zij beter thans geleerd, want, ja! tot nu

Heeft England grond, mijn rampbestuur te vloeken.

(Allen af.)

[Inhoud]

TIENDE TOONEEL.

Kent. Iden’s tuin.

Cade komt op.

Cade.

O foei die eerzucht! foei ikzelf, dat ik een zwaard heb en toch op het punt sta om van honger te sterven! Deze vijf dagen heb ik mij in deze bosschen schuil gehouden en durfde niet uitkijken, want het geheele land loert op mij: maar nu ben ik zoo hongerig, dat ik het niet langer uit kan houden, al kreeg ik er mijn leven ook duizend jaar voor in pacht. Daarom ben ik over den muur in dezen tuin geklauterd om te zien, of ik er wat malsch gras kan eten, of haver in plaats van helm, en ter afwisseling wat slâ, wat in dit heete weer een mensch zijn maag een weinigje kan afkoelen. Helm! waarachtig, ik geloof, dat dit woord helm in de wereld is gekomen, om mij in het leven te houden; want menig keer zou zonder mijn helm mijn hersenpan door een hellebaard gespleten zijn geworden, en menig keer, als ik dorstig was en een stevigen tocht deed, heeft het mij voor een kwartpint gediend om uit te drinken, en nu heeft het woord helm mij voor spijs moeten dienen.

(Iden komt op, met Dienaars, die op den achtergrond blijven.)

Iden.

O God, wie wil in ’t hofgewoel verkeeren,

Die zulk een rustig wandelplekje heeft?[687]

Dit kleine goed, dat mij mijn vader naliet,

Bevredigt mij, is mij een koninkrijk.

Hier zoek ik niet door and’rer val te stijgen,

Niet rijk te worden, aangegluurd door nijd;

Ik heb genoeg, Goddank, om van te leven,

Ja, kan er de armoê nog iets meê van geven.

Cade.

Daar komt de heer van den grond en zal mij grijpen als een landlooper, omdat ik zonder verlof zijn erf heb betreden. Ha! schurk, gij wilt mij verraden en een duizend kronen van den koning verdienen door hem mijn hoofd te brengen; maar ik zal u ijzer leeren eten als een struis en mijn zwaard laten slikken als een groote speld, eer wij tweeën van elkander scheiden.

Iden.

Gij onbeschofte knaap, wie ge ook moogt zijn,

Ik ken u niet; wat zou ik u verraden?

Is ’t niet genoeg, dat ge inbraak hebt gepleegd,

En als een dief hier in mijn hof komt stelen,

Den muur, trots mij, den eig’naar, overklomt,

Moet gij ook nog met drieste taal mij hoonen?

Cade.

U hoonen, ja bij het beste bloed, dat ooit afgetapt is geworden, en u trotsen bovendien. Zie mij goed aan; ik heb in geen vijf dagen iets gegeten; maar toch, kom eens op met uw vijf kerels, en als ik u niet allen doodsla, dood als een pier, dan mag God geven, dat ik nooit meer één grassprietje te eten krijg. 44

Iden.

Neen, nimmer zegg’ men, zoolang England staat,

Dat Alexander Iden, Kenter landheer,

Met overmacht een hong’rig man bevocht.

Richt vast uw starend oog nu op het mijne,

En zie, of gij met blikken mij bedwingt;

Zet lid bij lid, en gij zijt veel geringer;

Uw hand is slechts een vinger bij mijn vuist,

Uw been een stok, naast dezen stam gezien,

Mijn voet zoo sterk als heel uw lichaamskracht;

En zoo ik in de lucht mijn arm verhef,

Is u in de aard alreeds uw graf gedolven.

Maar neen, voor grootspraak, die op snoeven antwoordt,

Berichte u dit mijn zwaard wat ik niet zeg.

Cade.

Bij mijn manhaftigheid, de grootste vechtersbaas, waar ik ooit van gehoord heb!—Nu gij, mijn staal, als gij uw snede omlegt, of dien grofgeschonkten pochhans niet in stukken ossenvleesch kapt, eer gij in uw scheede gaat slapen, dan bid ik God op mijn knieën, dat gij tot hoefnagels moogt versmeed worden. (Zij vechten; Cade valt.) O, ik ben geveld! De honger, en niets anders, heeft mij neergeveld; laten er tienduizend duivels tegen mij opkomen en geef mij maar de tien maaltijden, die ik gemist heb, en ik neem het tegen allen op. Verdor, gij tuin, en wordt van nu af de begraafplaats van allen, die in dit huis wonen, omdat hier de onbedwingbare ziel van Cade ontvloden is. 70

Iden.

Wat! Cade is ’t, dien ik velde, de aartsverrader?

Geheiligd zijt gij, zwaard, om deze daad;

Hang daarom, als ik dood ben, op mijn graf;

Dit bloed zij nimmer van uw punt gewischt,

Gij zult het dragen als een wapenkleed,

Dat de eer verkondigt, die uw heer zich won.

Cade.

Iden, vaarwel en wees trotsch op uw overwinning. Zeg tot Kent van mij, dat het zijn besten zoon verloren heeft, en spoor de geheele wereld aan om lafaards te zijn, want ik, die nooit iemand vreesde, ben overwonnen door den honger, niet door dapperheid.

(Hij sterft.)

Iden.

Hoe gij mij onrecht doet, beslisse God!

Sterf, schurk, gij vloek der moeder, die u droeg!

En zooals ik mijn zwaard in ’t lijf u stiet,

Stiet ik volgaarne uw ziel nu naar de hel.

Thans sleep ik bij uw hielen u van hier

Naar gindschen mesthoop, die uw graf zal zijn;

Daar houw ik dat afschuwlijk hoofd u af,

Dat ik den koning zegevierend breng,

Terwijl zich aan uw romp de kraaien mesten.

(Iden, het lijk wegsleepende, met zijn Dienaars af.)